De Poortloze Poort, koans 1-12

Niet te missen: de Poortloze Poort. Lachen en huilen om het raadsel van het leven. De zenklassieker ‘de Wumenguan’ volgens Hans van Dam. Deel 1: koans 1-12.

Deel 2, Deel 3, Deel 4.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

de Linji-lu, dwaalgids zen


Op leven en dood

De Poortloze Poort of Wumenguan (Mumonkan, zeggen ze in Japan) is een van origine Chinese verzameling van achtenveertig koans samengesteld en van commentaar en versjes voorzien door ch’anmeester Wumen Huikai (Mumon Ekai, 1183 – 1260), dharmahouder in de lijn van Linji (Rinzai).

Volgens sommigen1 was De Poortloze Poort zowel de neerslag van als de nekslag voor het aanvankelijk zo frisse en creatieve Chinese ch’anboeddhisme, dat nadien in rap tempo zou degenereren tot een steriele zenpraktijk van terugblikken en nadoen, van canonieke koancollecties en voorgebakken antwoordboeken, van rituelen, formules en stokpaardjes, van voorouderverering, hielenlikkerij, zitternij en dikdoenerij, die nu al een millennium standhoudt.

Dat kan best wezen, maar waarom zouden we ons druk maken over ‘de’ traditie als het in onszelf is waar zen hetzij een dode letter blijft, hetzij oplaait tot een vuurzee die al onze denk-beelden verteert, oud en nieuw, ook over zen, ook deze. De louterende vuurzee die ‘de wijsheid zonder wijsheid’ heet of ‘de wijsheid voorbij alle wijsheid’ of ‘de kennis zonder leraar’ of ‘steeds opnieuw beginnen’ of ‘wetend niet weten’ of gewoon niet-weten, en die je hart ontdooit en verwarmt en verzacht en verjongt.

Het is niet ondenkbaar dat de achtenveertig koans2 van de Poortloze Poort3 en de circa vierhonderdtachtig dwaalteksten waartoe ze mij inspireerden jou in vuur en vlam zetten. Met af en toe een vonkje of een glimlach zou ik ook al blij zijn.

Hans van Dam, Amsterdam 2016

  1. Zie bijvoorbeeld Daisetz T. Suzuki in Zen and Zen Classics Volume Four: Mumonkan, R.H. Blyth, Hokuseido Press 1966 in zijn voorwoord op pagina ix, of R.H. Blyth zelf in zijn naschrift op pagina 326.
  2. Mijn rechtenvrije vertaling is gebaseerd op Wumenguan.pdf van Paul Lynch en Seung Sahn, Mumonkan.pdf van R.H. Blyth, Mumonkan.pdf van Yamada Koun en ‘Zen flesh, zen bones’ van Nyogen Senzaki en Paul Reps.
  3. Het zen-motto ‘steeds opnieuw beginnen’ indachtig, heb ik de commentaren en versjes van Wumen Huikai weggelaten.

1. Geen hond

Een monnik vroeg: ‘Heeft een hond ook de boeddhanatuur?’ ‘Wu!’ zei meester Zhaozhou.

1 hond boeddhanatuur


Woef

‘Heeft een hond ook de boeddhanatuur?’ ‘Wu’, zei meester Zhaozhou.

‘Wu’ (spreek uit ‘woe’) is Chinees voor nee of niet of niet-hebben of niet-zijn.
Vermoedelijk is het tevens een Chinees klankwoord (onomatopee) voor woef, al weet ik dat niet zeker.1
Toen ik het mijn hond Wu vroeg, keek hij me even treurig aan als altijd, maar blaffen, ho maar.
Mijn huisbaas Ho, een wijze uit het oosten, antwoordde: ‘Tekkel? Lekkel!’
Wu liet zijn tanden zien en gromde: ‘Heeft een Chinees de boeddhanatuur?’ maar daar ben ik niet op ingegaan.
Voor je het weet ben je zes jaar verder.

De Japanners meenden er duizend jaar geleden goed aan te doen ‘wu’ te vertalen als ‘mu’ (spreek uit ‘moe’), dat eveneens nee, niet, niet-hebben of niet-zijn schijnt te betekenen.2
Niets op aan te merken dus, behalve dat het klanknabootsende effect van ‘wu’ in de vertaling verloren ging.
Ik heb tenminste nog nooit een hond gehoord wiens blaf ook maar enigszins leek op ‘mu’, ook niet in Japan, behalve één keer, onder water – maar dat is een ander verhaal.
Toch is het door een historische, om niet te zeggen ongelukkige samenloop van omstandigheden juist de Japanse vertaling van het antwoord op deze koan die het westen heeft veroverd.

Hebben de Japanse vertalers geblunderd?
Alleen als er alternatieven voorhanden waren.
Hadden ze een keuze?
Geen idee.
Mijn hedendaagse Japans is belabberd, mijn middeleeuwse Japans nihil, om over mijn Chinees uit elke eeuw maar te zwijgen.
Daarom zeg ik onbevangen: ze hadden van een hond een koe moeten maken.

‘Heeft een rund de boeddhanatuur?’ ‘Mu.’

Werkt als ontkenning én als klankwoord in het Japans, werkt als klankwoord maar niet als ontkenning in het Engels (en in Boeddha mag weten hoeveel andere talen), werkt in geen enkel opzicht in het Nederlands.
Wat nu?

‘Heeft een schaap de boeddhanatuur?’ ‘Bè.’

‘Heeft een duif de boeddhanatuur?’ ‘Roekoe.’

‘Heeft een eend de boeddhanatuur?’ ‘Kwak.’

‘Heeft een paard de boeddhanatuur?’ ‘Hihihi’.

‘Heeft een mens de boeddhanatuur?’ ‘Proet.’

Onomatopee oké, ontkenning nee.
Daarom doe ik een appel op de lezer.
Kent iemand een dierlijk of menselijk of voor mijn part vegetarisch of fruitarisch klankwoord in het Nederlands of Vlaams of voor mijn part Fries of Zuid-Afrikaans met ongeveer dezelfde betekenis als wu in het Chinees en mu in het Japans?
Nee?
O jee.


  1. Reactie van Duco Endeman: ‘Voor zover ik weet wordt in het Manderijn “wu” niet gebruikt als nabootsing van het blaffen van een hond. Hiervoor wordt (vreemd genoeg) “wang” gebruikt. Daarom vraag ik mij af of jouw suggestie klopt dat het antwoord “wu” mogelijk is bedoelt als klankwoord. Hoewel ik deze suggestie ook wel eens eerder ergens anders ben tegengekomen. Kortom, zelf weet ik het ook niet zeker.’
  2. Reactie van Edel Maex: ‘Je kennis van het middeleeuws Japans is inderdaad ondermaats […]: Mu is geen vertaling van wu, maar een uitspraak die wellicht dichter staat bij de Chinese uitspraak op het ogenblik dat de koans geschreven zijn. Ter info https://en.m.wikipedia.org/wiki/Sino-Japanese_vocabulary, https://www.psychologytoday.com/blog/canine-corner/201211/how-dogs-bark-in-different-languages. Ik weet het, het doet het niets af aan je boodschap.’Als dit klopt is “mu” een leenwoord met een veranderde uitspraak. Poe.

Winnie de Gnoe

Een monnik vroeg: ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ De meester zei: ‘Woe.’ De monnik vroeg: ‘En een beer?’ De meester zei: ‘Poe.’ De monnik vroeg: ‘Wat is eigenlijk de boeddhanatuur?’ De meester zei: ‘Boe.’


De vogelvergadering

Een monnik vroeg: ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ ‘Dat heb ik me nou nog nooit afgevraagd’, zei de meester. ‘Waarom ik dan wel?’ De meester zei: ‘Heeft een mens de papegaaiennatuur?’ ‘Ik wil alleen weten of een hond de boeddhanatuur heeft.’ ‘Vraag het dan maar aan die papegaai daar.’ ‘Heb ik al gedaan.’ ‘Wat zei hij?’ ‘Heeft een hond de boeddhanatuur.’ ‘En toen zei jij…’ ‘Nee.’ ‘Net als Zhaozhou destijds’, zei de meester. ‘Die had er tenslotte voor geleerd.’ ‘En toen zei die papegaai…’ ‘Heeft een mens de papegaaiennatuur’, antwoordde de monnik chagrijnig. ‘En hij heeft er niet eens voor geleerd’, zei de meester.


Hond noch stront

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Een wat?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: De wat?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Volgens wie?

Monnik: Heeft een hond…
Meester: Zit!
Monnik: Woef!
Meester: Shit.


Boeddhanatureluurs

1.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft een boeddha de boeddhanatuur?

2.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft een boeddha de hondennatuur?

3.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Niet in de boeddhanatuur.

4.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft de boeddhanatuur de boeddhanatuur?

5.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft de ziel een ziel?

6.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft een boeddha een woordenboek?

7.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft Sinterklaas een zak?

8.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft een wolk oren?

9.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft een denkbeeld een sokkel?


dwaalgasten en zwerfhonden


Fabeltjes

Monnik: Wie heeft volgens u de boeddhanatuur?
Meester: Geen hond.

Monnik: Volgens mij heeft niemand de boeddhanatuur.
Meester: Maak dat de kat maar wijs.


Ontregeld

Meester: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Monnik: Zeg ja of nee en je verloochent je boeddhanatuur.
Meester: Tja.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Zeg dat je door ja of nee te zeggen je boeddhanatuur verloochent en je verloochent je boeddha-natuur.
Monnik: Hallo.
Meester: Nou jij weer.
Monnik: Zeg dat je je boeddhanatuur verloochent door te zeggen dat je je boeddhanatuur verloochent door ja of nee te zeggen en je verloochent je boeddhanatuur.
Meester: Of je een emmer leeggooit.
Monnik: Nou u weer.
Meester: Remise?
Monnik: Volgens mij heb ik gewonnen.
Meester: Zeg dat je gewonnen of verloren hebt en je verloochent je boeddhanatuur.
Monnik: En u dan?
Meester: Ik zeg niks.
Monnik: Tja.
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.


Honden moeten botten knagen

Als je denkt dat een hond de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond wel en niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond wel noch niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat een hond een natuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond geen natuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond wel en niet een natuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond wel noch niet een natuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat een hond ís, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond niet is, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond is en niet is, dan vergis je je.
Als je denkt dat een hond is noch niet is, dan vergis je je.

Als je denkt dat iets de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat niets de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat iets wel en niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.
Als je denkt dat iets wel noch niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat er zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.
Als je denkt dat er niet zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.
Als je denkt dat er wel en niet zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.
Als je denkt dat er wel noch niet zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.

Als je denkt dat je bent, dan vergis je je.
Als je denkt dat je niet bent, dan vergis je je.
Als je denkt dat je bent en niet bent, dan vergis je je.
Als je denkt dat je bent noch niet bent, dan vergis je je.

Als je denkt dat je anders moet denken, dan vergis je je.
Als je denkt dat je meer moet denken, dan vergis je je.
Als je denkt dat je minder moet denken, dan vergis je je.
Als je denkt dat je niet moet denken, dan vergis je je.

Als je denkt dat je denkt, dan vergis je je.
Als je denkt dat je niet denkt, dan vergis je je.
Als je denkt dat je wel en niet denkt, dan vergis je je.
Als je denkt dat je wel noch niet denkt, dan vergis je je.

Als je denkt dat je je kan vergissen, dan vergis je je.
Als je denkt dat je je niet kan vergissen, dan vergis je je.
Als je denkt dat je je wel en niet kan vergissen, dan vergis je je.
Als je denkt dat je je wel noch niet kan vergissen, dan vergis je je.

Als je denkt…


Kisten of cremeren

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?
Meester: Heeft een mens de hokjesgeest?
Monnik: Hoe bedoelt u?
Meester: En maar opdelen.
Monnik: Waarin?
Meester: Hond, boeddha, natuur, boeddhanatuur, hond met boeddhanatuur, hond zonder boeddhanatuur
Monnik: En u dan?
Meester: Mens, hokje, geest, hokjesgeest, mens met hokjesgeest, mens zonder hokjesgeest, opdelen, verenigen.
Monnik: Bedoelt u dat elk onderscheid illusoir is?
Meester: Onderscheid, eenheid, illusoir, reëel.
Monnik: Verwijst u naar de leegte van het ware zelf?
Meester: Leegte, vorm, waar, vals, zelf, niet-zelf, ander.
Monnik: Dat is een boeddha niet waardig, wou u zeggen.
Meester: Boeddha, niet-boeddha, waardig, onwaardig, u, ik, zeggen, zwijgen.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Ik, niet-ik, dan, voordien, nu, weten, niet-weten.
Monnik: Wetend niet weten dan?
Meester: En maar verenigen.


2. Een oude vos

Steeds wanneer meester Baizhang een toespraak gaf, kwam er een oude man bij zitten die er na afloop stilletjes vandoor ging. Op een dag bleef de grijsaard achter. Meester Baizhang vroeg: ‘Wie is het die hier voor mij staat?’ De man antwoordde: ‘Ik ben eigenlijk geen mens. In het verre verleden, nog in de tijd van Kashyapa boeddha, was ik zelf zenmeester, hier op deze berg. Op een dag vroeg een leerling mij: “Is de verlichte onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg?” “Nee hoor,” zei ik achteloos, “de verlichte is niet langer onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.” Vanwege dat antwoord ben ik nu al vijfhonderd keer herboren als vos. Alstublieft meester, wat had ik dan moeten zeggen?’ Baizhang antwoordde: ‘De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’ Hij was nog niet uitgesproken of de oude man zag het licht.

Nadat hij zijn dankbaarheid had betuigd, zei de grijsaard: ‘Ik ben nu bevrijd van mijn vossenlichaam, dat zich in een grot aan de andere kant van de berg bevind. Zou u zo vriendelijk willen zijn het de eer te bewijzen die een overleden monnik toekomt?’ Baizhang liet de hoofdmonnik de tempelklok luiden en een begrafenisplechtigheid aankondigen. De monniken vroegen zich af wat aan de hand was, daar iedereen in goede gezondheid verkeerde en er niemand in de ziekenboeg lag. Na de maaltijd leidde Baizhang de monniken naar de grot en trok met zijn staf het vossenlichaam naar buiten, dat op traditionele wijze gecremeerd werd.

Die avond nam de meester plaats op het spreekgestoelte en vertelde het hele verhaal aan de vergaderden. Ene Huangbo zei: ‘De oude man gaf het verkeerde antwoord en werd daarvoor tot vijfhonderd vossenlevens veroordeeld. Wat zou er zijn gebeurd als hij het goede antwoord had gegeven?’ Meester Baizhang zei: ‘Kom maar even hier jij, dan zal ik het in je oor fluisteren.’ Eerwaarde Huangbo deed een stap naar voren en gaf meester Baizhang zomaar een draai om zijn oren. Die klapte verheugd in zijn handen en riep: ‘Ik dacht dat alleen de barbaar een rode baard had maar nu zie ik een barbaar met een rode baard!’

2 500 levens

Huangbo


Kop noch staart

Steeds wanneer de meester een toespraak gaf, kwam er een onbekende met een rode baard bij zitten die er na afloop stilletjes vandoor ging. Op een dag bleef de vreemdeling achter. De meester vroeg: ‘Wie bent u?’ De onbekende antwoordde: ‘Lang geleden was ik een vos, hier op deze berg. Ik hield mij verre van de mensen met hun grenzen en hun wensen, tot de plaatselijke zenpriester mij wanhopig vroeg of de verlichte onderworpen is aan de wet van oorzaak en gevolg. “Fout!” krijste ik onbezonnen en maakte dat ik wegkwam, maar het kwaad was al geschied. Ik ben nu al vijfhonderd keer herboren als mens. Alstublieft meester, wat was mijn fout?’ ‘Denken in termen van goed en fout’, zei de meester. Eindelijk zag de oude vos het licht.


het karma van de dharma


Mop noch baard

Eens toen de meester een toespraak gaf, kwam er een onbekende bij zitten. Na afloop zei de meester: ‘Wie bent u?’ De vreemdeling antwoordde: ‘Lang geleden was ik net als u een zenpriester, hier op deze berg. Op een dag vroeg een vos mij wanhopig: “Ik ben nu al vijfhonderd keer herboren als mens. Wat was mijn fout?” “Denken in termen van goed en fout”, antwoordde ik. Vanwege dat antwoord ben ik nu al vijfhonderd keer herboren als vos. Wat had ik dan moeten zeggen?’ De meester haalde zijn schouders op. Eindelijk zag de oude priester het licht.


de vrije wil


Bodhisattva

Op een dag werd de meester benaderd door een onbekende, die klaagde: ‘Ik ben nu al vijfhonderd keer herboren als vos. Weet ú misschien waarvoor ik gestraft wordt?’ De meester antwoordde: ‘Wie zegt dat je gestraft wordt?’ De vreemdeling zei: ‘Het leven van een vos gaat anders niet over rozen.’ De meester zei: ‘Dat van een mens ook niet.’ ‘Daarom zoek ik verlichting’, zei de vos. ‘Dat van een verlichte ook niet’, zei de meester. ‘Maar die hoeft tenminste niet steeds terug te keren’, zei de vos. ‘Die blijft maar terugkeren,’ antwoordde de meester, ‘als verlosser.’ ‘Vrijwillig?’ vroeg de vos ongelovig. ‘Zou je denken?’ zei de meester zuur. Huppelend keerde de vos terug naar zijn hol.


gebakken licht, hoera, verlichtgeloften


Klappen met één hand

Meester: Is de verlichte onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg?
Monnik: De verlichte is niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankt hem voor zijn onderricht.
Meester: Wat heb je hiervan geleerd?
Monnik: De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.
Meester: Heeft de verlichte altijd gelijk?
Monnik: De verlichte is niet onderworpen aan het principe van gelijk en ongelijk.
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.
Meester: Wat heb je hiervan geleerd?
Monnik: De verlichte is één met het principe van gelijk en ongelijk.
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.
Meester: Wat is het verschil tussen meester en leerling?
Monnik: De meester is één met de leerling.
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.
Meester: Wat heb je hiervan geleerd?
De monnik haalde zijn schouders op.
De meester liet zijn hand zakken.
Monnik: Waarom krijg ik geen draai om mijn oren?
Meester: Wablief?
Monnik: Wat heb ik zonder het te weten goed gedaan?
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.
Meester: Wat heb je hiervan geleerd?
De monnik reageerde niet.
Meester: Nou?
De monnik glimlachte.
De meester glimlachte.
De monnik zei: Leren is niet de weg.
De meester gaf hem een draai om zijn oren.
De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.


Foxtrot

Meester: Is de verlichte vrij van karma?
Monnik: De wát?
Meester: Sluwe vos.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Vrij van wát?
Monnik: Sluwe vos.
Meester: Kan het je goedkeuring wegdragen?
Monnik: Waarvoor?
Meester: Sluwe vos.
Monnik: Wilt u mij nu eindelijk transmissie geven?
Meester: Waarvan?
Monnik: Sluwe vos.
Meester: De dharma natuurlijk.
Monnik: De wat?
Meester: Sluwe vos.
Monnik: Wie?
Meester: Wat?


Vossen met vossen vangen

Monnik: Is de verlichte vrij van karma?
Meester: De verlichte is vrij van karma, de verlichte is niet vrij van karma, de verlichte is wel en niet vrij van karma, de verlichte is wel noch niet vrij van karma, karma is een realiteit, karma is een illusie, karma is realiteit én illusie, karma is realiteit noch illusie, verlichting is een realiteit, verlichting is een illusie, verlichting is realiteit én illusie, verlichting is realiteit noch illusie, de verlichte is een realiteit, de verlichte is een illusie, de verlichte is realiteit én illusie, de verlichte is realiteit noch illusie.
Monnik: Sluwe vos.
Meester: Wat zou jij zeggen?
Monnik: Mwah.
Meester: Sluwe vos.
Monnik: Maar is de verlichte nou onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg of niet?
Meester: Mwah.
Monnik: Sluwe vos.
Meester: Wat zou jij zeggen?
Monnik: De verlichte is onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de verlichte is niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de verlichte is wel én niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de verlichte is wel noch niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de wet van oorzaak en gevolg is een realiteit, de wet van oorzaak en gevolg is een illusie, de wet van oorzaak en gevolg is realiteit én illusie, de wet van oorzaak en gevolg is realiteit noch illusie, verlichting is een realiteit, verlichting is een illusie, verlichting is realiteit én illusie, verlichting is realiteit noch illusie, de verlichte is een realiteit, de verlichte is een illusie, de verlichte is realiteit én illusie, de verlichte is realiteit noch illusie.
Meester: Sluwe vos.
Monnik: Mogen we dan alleen maar alles of niets zeggen?
Meester: Je kan wel zoveel zeggen.
Monnik: Sluwe vos.
Meester: Wat zou jij zeggen?
Monnik: Wie zegt dat wij het voor het zeggen hebben?
Meester: Sluwe vos.


Samsara

Een vos klaagde: ‘Toen een van mijn welpen vroeg of een kip de boeddhanatuur heeft, zei ik naar waarheid: “Karma, ik lust er wel pap van!” Sindsdien ben ik al vijfhonderd keer wedergeboren als boeddha. Alstublieft meester, wat heb ik verkeerd gedaan?’


3. Vinger-zen

Steeds als men meester Juzhi iets vroeg over zen stak hij zijn vinger op zonder iets te zeggen. Op een dag kon een bezoeker de meester nergens vinden en wendde zich tot de jongste bediende met de vraag: ‘Wat is het dat je meester onderwijst?’ De jongen stak zijn vinger op zonder iets te zeggen. Toen dit meester Juzhi ter ore kwam, liet hij de bediende halen en sneed zonder omhaal diens vinger af. Schreeuwend rende de jongen weg. Juzhi riep hem na en toen hij achterom keek stak de meester zijn vinger op. Ineens zag de bediende het licht.

Vlak voordat Juzhi stierf, riep hij de monniken bijeen en zei: ‘Ik dank mijn vinger-zen aan wijlen mijn meester Tianlong en het werkt nog steeds.’ Het waren zijn laatste woorden.

Vinger naar de maan


vinger naar de maan


Voor de vuist weg

Steeds als men hem een vraag stelde over zen stak de meester zwijgend zijn vinger op. De jongste bediende begon hem hierin na te doen. Op een dag riep de meester hem bij zich en sneed zonder een kik zijn eigen vinger af. Schreeuwend rende de bediende weg. De meester riep hem na en toen de jongen achterom keek stak hij zijn bloedende vuist in de lucht. Ineens zag de bediende het licht.

Die avond riep de meester iedereen bij zich. Hij zei: Ik dank mijn vinger-zen aan mijn oude leraar, maar het is mijn jongste leerling die mij deed inzien dat het ook zonder kan.


doorreisgids voor lunatics


Oog om oog

Steeds als men hem iets vroeg, stak de meester zwijgend zijn vinger op. Op een dag stelde de jongste bediende hem met opgeheven vinger een vraag en liep zonder op antwoord te wachten weg. Eindelijk zag de meester het licht.


lichtecht


Tand om tand

Regelmatig beklaagden de monniken zich over het fantasieloze onderricht van de meester. ‘Wacht maar,’ zei de hoofdmonnik, ‘Ik zal hem weleens aan de tand voelen.’ Hij ging naar de meester en vroeg: ‘Hoeveel ballen heeft een os?’ De meester stak zijn vinger op. ‘Hoeveel benen heeft een ros?’ De meester stak zijn vinger op. ‘Hoeveel druiven heeft een tros?’ De meester stak zijn vinger op. ‘Hoeveel bomen heeft een bos?’ De meester stak zijn vinger op. ‘Al uw tanden zitten los.’ Geschrokken voelde de meester in zijn mond. De hoofdmonnik stak zijn vinger op en zei: ‘1 april’. Nooit stak de meester zijn vinger meer op.


Lobbes

Steeds als iemand wat zei, stak de meester zwijgend zijn vinger op. Binnen een week deden alle monniken hem na, binnen een maand lachten ze hem allemaal uit en binnen een jaar waren ze allemaal vertrokken. Alleen Wu, de oude kloosterhond, kwam trouw iedere dag de kommetjes van de meester uitlikken en op zijn zitkussen pissen.


Pistoolvinger

Dag en nacht bleef de vinger van de meester omhoog staan. ‘Volgens mij is het Parkinson’, zei een monnik die ervoor geleerd had. De meester slaakte een zucht van verlichting.


‘Pistoolvinger’ is de titel van een boek van de journalist Henk Blanken over zijn ervaringen met de ziekte van Parkinson.


Doorgeslagen

‘Alles is één’, zei een monnik en stak een vinger op. ‘Een arm is geen been’, zei de meester en stak een sigaret op. ‘Alles is één’, zei de monnik en stak weer een vinger op. ‘Een voet is geen teen’, zei de meester en stak weer een sigaret op. ‘Alles is één’, zei de monnik en stak nogmaals een vinger op. De meester sloeg hem vol op zijn kin en de monnik zakte bewusteloos ineen. ‘Die is wel even uitgeteld’, zei de meester en haalde opgelucht adem. ‘Alles is één’, sliste de monnik en stak een vinger op. Er flitste een zwaard en er viel een vinger op de grond. ‘Alles gaat voorbij’, zei de meester en stak zijn sigaret terug in het pakje.


uitgeteld


Buiten de geschriften om

Steeds als men hem een vraag stelde, stak de meester alleen maar zijn vinger op. Toch zat zijn klooster altijd vol. Met die ene vinger bracht hij heel wat monniken tot bezinning. Aan het eind van zijn leven riep hij al zijn leerlingen en oud-leerlingen bijeen voor een laatste toespraak, zowat duizend mensen zonder rang of stand. Hij verklaarde: ‘Ik weet niets van de boeddha of de dharma. Nooit heb ik transmissie ontvangen. Mijn meester en zijn meester en zijn meester – mijn hele lineage heb ik uit mijn duim gezogen. Het enige waarover ik beschik is deze vinger. Ongelooflijk, veertig jaar lang heb ik daarmee iedereen de mond kunnen snoeren. Velen voorgoed; meer dan enige andere meester in dit tijdgewricht. Maar zeg eens: wie bedroog nou wie?’ Hij maakte een buiging en trok zich terug in zijn vertrekken. De gasten gingen elk huns weegs, diep in gedachten verzonken.


vallende sterren, idolen van de zoeker


Met de natte vinger

Steeds als men hem een vraag over zen stelde, plukte de meester een bloem en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger.
Dat werkte goed, maar in de winter van zijn eerste jaar als meester waren er geen verse bloemen voorhanden.
Toen kwam hij op het idee om zijn vingers in zijn oren te steken.
Dat werkte prima, maar steeds meer monniken begonnen tegen hem te schreeuwen om toch gehoord te worden.
Daarom ging hij ertoe over een vinger tegen zijn lippen te houden.
Dat werkte uitstekend en de meester was zo opgelucht dat hij spontaan begon te glimlachen.
Steeds vaker vergat hij zijn vinger tegen zijn lippen te houden en glimlachte alleen nog maar.
Sommige monniken glimlachten terug, anderen praatten tegen hem aan en dat was ook goed.
Van lieverlee vergat hij te glimlachen.
Soms luisterde hij zwijgend, soms zei hij wat terug of staarde afwezig uit het raam, soms stond hij ineens op en slenterde naar de koelkast of naar buiten.
Monniken kwamen en gingen, blij of boos, opgelucht of teleurgesteld, en er gebeurde wat er gebeurde.
Ten slotte ging de meester dood en kwam er een nieuwe.
Steeds als men hem een vraag over zen stelde, plukte hij een bloem en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger.


4. Een valse baard

Toen hij een portret zag van Bodhidharma met baard zei meester Huoan: ‘Waarom heeft die vent geen baard?’

4 valse baard


Zelfportretten

Toen hij Bodhidharma ontmoette, zei een monnik: ‘Waarom heeft die vent geen portret?’

Toen hij een portret van Bodhidharma zag, zei een zenmeester: ‘Waarom heeft die vent geen lijf?’

Toen hij een beeld van de Boeddha zag, zei Bodhidharma: ‘Waarom krijgt die vent geen beeld?’

Toen hij een beeld van zichzelf zag, zei Bodhidharma: ‘Waarom heeft die vent geen zelf?’

Nadat hij zijn baard had afgeschoren, zei Bodhidharma: ‘Dat is ook geen gezicht.’


Een mop zonder baard

Toen hij de gele keizer ontmoette, zei Bodhidharma: ‘Waarom heeft mijn wijsheid geen baard?’ De keizer gaf het op. Bodhidharma zei: ‘Omdat ik niet van gisteren ben.’


Een baard zonder mop

Toen hij Bodhidharma ontmoette, zei de gele keizer: ‘Waarom heeft mijn wijsheid geen baard?’ Bodhidharma zei: ‘Die heb ik zelf aan u verteld.’ ‘Ik wou hem nog een keer horen’, zei de keizer. ‘Nou?’ vroeg Bodhidharma inschikkelijk. ‘Omdat ik niet van gisteren ben’, hinnikte de keizer. ‘Maar ook niet van vandaag’, zei Bodhidharma en gaf zijn ezel de sporen.


Een spijker zonder kop

Toen hij de gele keizer ontmoette, zei Bodhidharma: ‘Wat is nog groter dan uw keizerrijk en heeft toch niets om het lijf?’ De keizer antwoordde: ‘Uw wijsheid.’ Bodhidharma zei: ‘Mispoes.’ ‘Uw leegte.’ ‘Mispoes.’ ‘Uw heiligheid dan?’ ‘U moest eens weten’, zei Bodhidharma met een knipoog. ‘Ik geef het op.’ ‘Bijna goed.’ ‘Oneindig is mijn onwetendheid’, somberde de Gele Keizer. ‘De spijker op zijn kop’, riep Bodhidharma en klapte in zijn handen. ‘Zeg, ben jij een haartje betoeterd?’ vroeg de keizer. ‘Oneindig is mijn onwetendheid’, zei Bodhidharma gauw. De keizer zei verbaasd: ‘Dan laat je je baard toch staan?’


Sukkels

Een groepje zenmeesters in traditionele kledij hield stil voor een beeld van een corpulente boeddha met geloken ogen. ‘Noem dat maar leeg!’ riep een van hen. ‘Leve de middenweg!’ riep een ander. ‘Verboden te voeren!’ riep een derde. ‘Wakker worden!’ ‘Iemand thuis?’ ‘Waarom heeft dat wijf geen baard?’ ‘Is dit nou de Mona Lisa?’ Ze bulderden van het lachen. Het standbeeld zei vilein: ‘Wie wil mijn sokkel zijn?’


Sokkels

Een groepje zenmeesters hield stil voor een sokkel zonder boeddhabeeld. ‘Zeker van zijn voetstuk gevallen!’ riep er een. ‘Geróld zul je bedoelen!’ ‘Welnee, de boeddha is overal!’ ‘Zeg maar gerust nergens!’ ‘De boeddha is zijn voetstuk!’ ‘Wat zeg je, is zijn voet stuk?’ ‘Even de beeldhouwer bellen!’ Ze bulderden van het lachen. Het voetstuk zei vilein: ‘Wie wil mijn drogbeeld zijn?’


Rookgordijnen

Onder het eten sprong een monnik op tafel, wierp zijn pij af, spreidde theatraal zijn armen en riep: Naakt sta ik hier voor u!
De meester legde zijn eetstokjes neer en zei: Wat moet ik met je kleren? Geef me je baard.
De monnik rukte zijn baard uit met wortel en al en legde hem in de soep.
De meester zei: Wat moet ik met je baard? Geef me je huid.
De monnik stroopte zijn vel af en stapte eruit.
De meester zei: Wat moet ik met je huid? Geef me je vlees.
De monnik scheurde zijn spieren los en zeeg ter plekke ineen.
De meester zei: Wat moet ik met je vlees? Geef me je ingewanden.
De organen glibberden als palingen uit de romp.
De meester zei: Wat moet ik met je ingewanden? Geef me je botten.
Het skelet rammelde op het tafelblad.
De meester zei: Wat moet ik met je botten? Geef me je merg.
Het merg spoot op het gewaad en het gelaat van de meester.
De meester likte zijn lippen af en zei: Wat moet ik met je merg? Geef me je geest.
De monnik gaf geen sjoege.
De meester sloeg met zijn vuist op tafel en riep: Komt er nog wat van!
Toen bleek dat er niets van kwam, veegde hij met grote armbewegingen de tafel leeg.
De hoofdmonnik zei onthutst: Sinds wanneer heeft een monnik geen geest?
De meester stak een sigaret op, blies een rookwolk in het gezicht van de hoofdmonnik en zei: Sinds wanneer heb jij een baard?


het meest nabij


Vorm zoekt vorm

Monnik: Waarom heeft je ware gezicht een baard?
Meester: Omdat je geen onwaar gezicht hebt.
Monnik: Waarom is je ware baard geen illusie?
Meester: Omdat de illusie dat al is.


Vorm zoekt leegte

Monnik: Het zit overal en het wordt steeds boller.
Meester: Een zenboeddhist?
Monnik: Een boeddha.
Meester: Het zit overal en het wordt steeds leger.
Monnik: Geen boeddha?
Meester: Geen zenboeddhist.


Leegte zoekt leegte

Monnik: Het zit op je kin en het wordt steeds langer.
Meester: Een snor.
Monnik: O, u kende hem al.
Meester: Het zit overal en het wordt nooit langer.
Monnik: Geen idee.
Meester: O, je kende hem al.


de hartsoetra


5. De boom in

Zenmeester Xiangyan zei: ‘Een man hangt met zijn tanden aan een tak terwijl zijn handen en voeten tevergeefs houvast zoeken. Er komt een generaal van de keizer langs die vraagt: “Waarom kwam Bodhidharma naar China?” Als de man antwoord geeft valt hij te pletter en anders wacht hem een doodvonnis. Wat nu?’

5 skelet in boom


Oorlog en vrede

Een monnik zei: ‘Hang je met je tanden aan een tak, komt er een generaal van de keizer langs die vraagt waarom Bodhidharma naar China kwam.’ De meester zei: ‘Waar mensen zich al niet druk om maken.’ ‘Als je antwoord geeft val je te pletter en anders wacht je een doodvonnis’, vervolgde de monnik. ‘Waar mensen zich al niet druk om maken.’ ‘Daar hang je dan, wat nu?’ ‘Waar mensen zich al niet druk om maken.’ ‘Denk maar niet dat u daarmee wegkomt’, schreeuwde de monnik. De meester zei: ‘Waar mensen zich al niet druk om maken.’


Stelgangers

Een monnik zei: ‘Je hangt met je tanden aan een tak terwijl je handen en voeten vergeefs houvast zoeken. Een generaal van de keizer vraagt waarom Bodhidharma naar China kwam. Als je antwoord geeft val je te pletter en anders wacht je een doodvonnis. Wat nu?’ ‘Ik hang daar toch niet?’ zei de meester. ‘Nee, maar stél.’ ‘Dan liet ik me bovenop die generaal vallen.’ ‘Die man gaat toch niet pal onder u staan’, zei de monnik ongelovig. ‘Nee, maar stél.’ ‘Stel dan maar dat hij een stukje verderop staat.’ ‘Dan sla ik mijn vleugels uit.’ ‘Ha, u hebt helemaal geen vleugels!’ ‘Nee, maar stél.’ Zo kun je je wel overal uit lullen’, zei de monnik chagrijnig. ‘Zo kun je wel overal in blijven hangen’, antwoordde de meester.


Leger des heils

Monnik, hoofdschuddend: Hang je met je tanden aan een tak, vraagt een bodhisattva waarom Bodhidharma naar China kwam.
Meester, hoofdschuddend: Aan boeddhisten heb je ook niks.


zo waar als ik hier sta


Oost west, stofnest

1.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Waarom niet?

2.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Hij moest toch ergens vandaan komen.

3.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Omdat er al drie wijzen uit het oosten waren.

4.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Omdat hier nog lege grotten waren.

5.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Om van dit soort vragen af te zijn.

6.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Daarom niet.


één ei is geen ei


Oost, west, huisarrest

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Omdat het oosten niet naar Bodhidharma kwam.
Monnik: Waarom kwam het oosten niet naar Bodhidharma?
Meester: Omdat het dan het westen zou zijn.


buiten westen


Hoe het nageslacht te pesten

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Om zijn geest eens uit te mesten.
Monnik: En de keizer uit te testen.
Meester: Zitten wij weer met de resten.


het laatste oordeel


Niet voor niets

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
Meester: Zodat jij deze vraag kon stellen.
Monnik: Waarom geeft u dan geen antwoord?
Meester: Omdat Bodhidharma uit het westen kwam.


stokblind


Laat maar hangen

Monnik: Het hangt aan een tak en het zwijgt.
Meester: Een boeddhist natuurlijk.
Monnik: Hoezo natuurlijk?
Meester: Zwijgen is onnatuurlijk.
Monnik: Waarom doen we het dan toch?
Meester: Vanwege dit soort vragen.


Laat maar zitten

Monnik: Het zit onder een boom en het beweegt niet.
Meester: En weer een raadsel.
Monnik: En wat is de oplossing?
Meester: Een dode.
Monnik: Dat kan ook nog.
Meester: Een lamme.
Monnik: Dat kan ook nog.
Meester: Een beeld.
Monnik: Dat kan ook nog.
Meester: Wat dacht jij dan?
Monnik: De Boeddha natuurlijk.
Meester: Of een boeddhist natuurlijk.
Monnik: Hoezo natuurlijk?
Meester: Stilzitten is onnatuurlijk.
Monnik: Waarom doen we het dan toch?
Meester: En weer een raadsel.
Monnik: En wat is de oplossing?
Meester: En wat is het probleem?
Monnik: Dat het niet helpt.
Meester: Ga dan maar in een boom hangen.


Tijdbom

Meester: Het hangt in een boom en het tikt.
Monnik: Een skelet?
Meester: Tik.
Monnik: Een kunstgebit?
Meester: Tik.
Monnik: Een wandelstok?
Meester: Tik.
Monnik: Een kachel?
Meester: Tik.
Monnik: Een bodhisattvahart?
Meester: Tik.
Monnik: Een geigerteller?
Meester: Tik.
Monnik: Een klok?
Meester: Tik.
Monnik: Ach natuurlijk.
Meester: Wat?
Monnik: Het Eeuwige Heden.
Meester: Tik.
Monnik: O, ik snap het al.
Meester: Tik.
Monnik: Het is je geest.
Meester: BOEM!


6. Zeg het met bloemen

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Niemand reageerde, maar Mahakashyapa begon te glimlachen. Boeddha zei: ‘Dit is het wijsheidsoog, de geest van nirwana, de vorm zonder vorm, de poortloze poort van de leer. Niet over te dragen door woorden, maar alleen van hart tot hart. Mahakashyapa zal het nu van mij overnemen.’

6 bloem monnik


Bloemenkinderen

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Iedereen glimlachte. Boeddha dacht bezorgd: ‘Met mijn opvolging zit het wel goed, maar waar halen we nog leerlingen vandaan?’


Droogbloemen

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Niemand reageerde. Boeddha dacht bezorgd: ‘Hoe moet het nu verder?’ Dat was nergens voor nodig. Werkelijk iedereen nam het van hem over, en zo gaat het nog steeds.


Onverbloemd

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Niemand reageerde. Boeddha zei: ‘Dit is niet het wijsheidsoog, niet de geest van nirwana, niet de vorm zonder vorm en niet de poortloze poort van de leer.’ Mahakashyapa keek hem verbijsterd aan. Boeddha verklaarde: ‘Dit is een bloem. Mooi hè?’


Laatbloeier

Shakyamuni Boeddha beëindigde zijn zoveelste slaapverwekkende toespraak met de gebruikelijke woorden: ‘Dit is het wijsheidsoog, de geest van nirvana, de vorm zonder vorm, de poortloze poort van de leer. Niet over te dragen door woorden, maar alleen van hart tot hart.’ Mahakashyapa plukte een bloem, hield hem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Er viel een stilte waar geen eind aan kwam. Ten slotte begon de Boeddha te lachen. Eerst als een boer met kiespijn, toen steeds breder tot hij zat te stralen als de morgenster. Hij stond hij op, boog diep voor Mahakashyapa en zei: ‘Ik neem alles terug wat ik ooit gezegd heb. Ik verontschuldig mij voor de talloze soetra’s en shastra’s die de komende millennia uit mijn naam geschreven zullen worden. Allemachtig, wat heeft u lang op dit moment moeten wachten. Wat heb ik uw geduld op de proef gesteld. Voor eeuwig sta ik bij u in het krijt, als er iets is als eeuwigheid.’ Hij boog opnieuw en zei: ‘Dit zijn mijn laatste woorden.’ En waarachtig, het waren zijn laatste woorden.


Vredestokers

Midden op de weg stond een meisje dat een klaproos heen en weer rolde tussen haar duim en wijsvinger. Piepend en krakend kwam de kilometers lange colonne van tanks, pantservoertuigen en transportwagens, elk voorzien van het gouden monogram van de Boeddha, tot stilstand. Het kind liep naar voren, ging op haar tenen staan en stak de bloem in de loop van een kanon. Haar dunne blonde haren wapperden in de wind. Bovenop de tank ging een klep open en daar verscheen het rode hoofd van de opperbevelhebber. Met overslaande stem riep hij: ‘Zo brengt een enkele bloem het ganse bodhisattva-apparaat tot stilstand!’ Hij pinkte een traantje weg, snoot luidruchtig zijn neus in zijn handen en verdween in de ingewanden van het grote voertuig, de klep achter zich dichttrekkend. Piepend en krakend en blauwe rookwolken uitbrakend kwam de colonne weer in beweging, en het kind sprong nog maar net op tijd de berm in. De volgende dag barstte het vrijheidsoffensief in alle hevigheid los.


Stom

Een monnik vroeg: ‘Wat is de leer?’ Boeddha plukte een bloempje. De monnik zei: ‘Is het bloemen plukken?’ Boeddha liet het bloempje tussen zijn duim en wijsvinger heen en weer rollen. ‘Is het bloemen tussen duim en wijsvinger heen en weer rollen?’ Boeddha liet het bloempje op de grond vallen. De monnik raapte het op en liet het tussen zijn duim en wijsvinger heen en weer rollen. Boeddha glimlachte. De monnik glimlachte. De monnik vroeg: ‘Is het glimlachen?’ Boeddha zweeg. ‘Is het zwijgen?’ Boeddha schudde zijn hoofd. ‘Is het ontkennen?’ Boeddha reageerde niet. ‘Is het gewoon maar zitten?’ Boeddha stond op en rekt zich geeuwend uit. De monnik stond op en rekt zich geeuwend uit. Boeddha slenterde weg. De monnik zei: ‘Is het je neus achterna lopen?’ Boeddha verdween in het struikgewas. De monnik liep hem achterna maar zag hem nergens meer. De monnik riep: ‘Is het spoorloos verdwijnen?’ Wild keek hij om zich heen. Plotseling sloeg hij met zijn vuist in zijn handpalm. Hij riep: ‘Geeft niks, man!’ Hij schreeuwde: ‘Ik weet het toch ook niet!’ Uit de struiken klonk een oorverdovende stilte.


Sjakie in z’n nakie

Een boeddhistische non droomde dat ze Zijne Heiligheid Shakyamuni Boeddha ontmoette.
De non boog diep voor Zijn Aangezicht, zeggende: O, Gezegende!
De Gezegende zei nors: Ken ik niet.
De non zei: Ach, Zijne Hoogheid wil natuurlijk liever de Boeddha genoemd worden.
De Boeddha zei: Niet zo formeel alsjeblieft.
De non zei: Shakyamuni dan?
Shakyamuni zei iets toeschietelijker: Mijn vrienden noemen me Sjaak.
De non zwijmelde: O Sjaak.
Sjaak zei: Laat dat ‘o’ ook maar weg.
De non zei: Zoals je wil, jongen.
Sjaak zei: Weet je wat, noem me maar gewoon Sjakie.
De jonge vrouw giechelde: Sjakie in z’n nakie.
Sjakie zei: Laten we nou niet op de feiten vooruitlopen.
Het meisje zei: Laten we er liever bij gaan zitten.
Sjakie zei: Hoe heet jij?
Het meisje zei: Anita.
Sjakie, dromerig: Sjakie en Anita…
Anita: Ik zou wát graag een bloemetje voor je plukken.
Sjakie: Dan doe je dat toch lekker.
Anita: Echt waar?
Sjakie plukte een madeliefje, rolde het heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger en zei: Waarom niet?
Anita: Ik heb beloofd alle levende wezens te redden.
Sjakie: Wat?
Anita: Dat moest.
Sjakie: Van wie?
Anita: Van u.
Sjakie: Jou.
Anita: Van jou.
Sjakie: Maar ik ken je niet eens.
Anita: Jij hebt daartoe opgeroepen.
Sjakie: Ik?
Anita: Niet dan?
Sjakie: Wie kent het verschil tussen leven en dood.
Anita: Dat hoeft het redden toch niet in de weg te staan?
Sjakie: Waaruit?
Anita: Uit het lijden natuurlijk.
Sjakie: Welk lijden?
Anita: Heb jij niet gezegd dat het leven lijden is?
Sjakie: Had ik zeker een kater.
Anita: Zo luidt jouw eerste Edele Waarheid.
Sjakie: IJdel?
Anita: Nee, edel.
Sjakie: Hoe dan?
Anita: ‘Leven is lijden.’
Sjakie: En dat zou ik gezegd hebben?
Anita: Zo staat het geschreven.
Sjakie: Wie kent het verschil tussen leed en vreugde.
Anita: Dus jij hebt het lijden inderdaad overwonnen?
Ze pakte een pen en een opschrijfboekje uit haar tas en begon driftig te schrijven.
Sjakie: Volgens mij zie jij ze vliegen.
Anita: Maar u zei toch net…
Sjaak: Wie kent het verschil tussen leed en vreugde.
De non zei: Wiens waarheid is het dan wel?
Shakyamuni zei: Wie kent het verschil tussen waarheid en leugen.
De non zei: Nou?
Shakyamuni B. trok tientallen madeliefjes uit de grond.
De non begon weer te pennen.
De boeddha zei: Wat zit je toch te doen.
De non zei: Opschrijven.
De boeddha zei: Wat dan.
De non las voor: Wie kent het verschil tussen waarheid en leugen.
De Boeddha keek haar onderzoekend aan.
Eindelijk ging hem een lichtje op.
De Verlichte grijnsde breeduit.
De non zei gretig: Mijn koninkrijk voor uw gedachten.
De Gezalfde stelde zijn lach ietsje neerwaarts bij.
De non zei: Ik zie u ziet wat ik niet zie.
Subtiel was de glimlach van de Gezegende nu, prikkelend en geheimzinnig tegelijk.
De rest van de droom zat de non met haar pen in de aanslag, maar Zijne Heiligheid zweeg als het graf.


ijdele gedachten over edele waarheden


7. Afwassen

Een monnik zei tegen meester Zhaozhou: ‘Ik ben nieuw hier, kunt u mij onderricht geven?’ ‘Heb je al ontbeten?’ vroeg Zhaozhou. ‘Jazeker’, zei de monnik. ‘Ga dan je schaaltjes maar afwassen.’ Op dat moment zag de monnik het licht.

7 jongleren


Trappen van verlichting

1.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Op dat moment zag de monnik het licht.

2.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Monnik: Niet?
Meester: Al klaar.
Op dat moment zag de monnik het licht.

3.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Monnik: Niet?
Meester: Al klaar.
Monnik: Ik snap het niet.
Meester: Kun jij mij onderricht geven?
Op dat moment zag de monnik het licht.

4.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Monnik: Niet?
Meester: Al klaar.
Monnik: Ik snap het niet.
Meester: Kun jij mij onderricht geven?
Monnik: Ik denk het wel.
Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.
Op dat moment zag de monnik het licht.


Trappen van verduistering

1.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Ga dan je schaaltjes maar afwassen, wou u zeggen.
Op dat moment zag de meester het licht.

2.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Ga dan je schaaltjes maar afwassen, wou u zeggen.
Meester: Hoe weet jij dat?
Monnik: Ben ik daarvoor bij Zhaozhou weggegaan.
Op dat moment zag de meester het licht.

3.

Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Ik heb gegeten en gedronken en afgewassen.
Meester: Ga dan je schaaltjes maar afwassen.
Monnik: Ja, wat zeg ik nou.
Meester: Ja, dat was mijn zin.
Monnik: Wat is dit, een toneelstukje?
De meester begon over zijn hele lichaam te zweten.
Meester: Wil je mij onderricht geven?
Monnik: Ga eerst uw pij maar wassen.


Ervaringsdeskundige

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Vraagt u mij nu of ik al een verlichtingservaring heb gehad?
Meester: Ik ben me van geen kwaad bewust.
Monnik: Alles is één.
Meester: Hoe stel je zoiets vast?
Monnik: Dat heb ik herhaaldelijk ervaren.
Meester: Dus?
Monnik: Moet het wel zo zijn.
Meester: Want?
Monnik: Anders had ik het nooit kunnen ervaren.
Meester: Heb je op dit moment een verlichtingservaring?
Monnik: Nee.
Meester: Hoe weet je dat?
Monnik: Alles is onderscheiden.
Meester: Je hebt een veelheidservaring.
Monnik: Daar komt het wel op neer.
Meester: Dat heb je herhaaldelijk ervaren.
Monnik: Toegegeven.
Meester: Dus?
Monnik: Dus?
Meester: Is alles niet één.
Monnik: Want?
Meester: Anders had je het nooit kunnen ervaren.
Monnik: Wat een logica.
Meester: Ik wou het niet zeggen.
Monnik: Noem dat maar onderricht.
Meester: Ontbijt kun je het niet noemen.
Monnik: U brengt me alleen maar in verwarring.
Meester: Ga dan je schaaltjes maar afwassen.


Wasserette

1.

Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring afgewassen.
Meester: Ga dan je leegte maar afgewassen.

2.

Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring en mijn leegte afgewassen.
Meester: Ga dan het afwassen maar afwassen.

3.

Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring en mijn leegte en het afwassen afgewassen.
Meester: Dan zal je wel honger hebben.


Nuchter

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Bedoelt u dat het leven van alledag de weg is?
Meester: Het niet-alledaagse maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat ik niet zoveel vragen moet stellen?
Meester: Vragen stellen maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat ik niet zo moet streven?
Meester: Streven maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat we allemaal al verlicht zijn?
Meester: Denken dat we allemaal al verlicht zijn maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat we niet allemaal of allemaal niet verlicht zijn?
Meester: Denken dat we niet allemaal of allemaal niet verlicht zijn maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat ik niet moet denken?
Meester: Denken maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat ik minder moet denken?
Meester: Denken dat je minder moet denken maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Ik bedoel, eten als je honger hebt en slapen als je moe bent?
Meester: Denken dat dat alles is maakt deel uit van het leven van alledag.
Monnik: Bedoelt u dat er toch meer is onder de zon?
Meester: Zeg, ik blijf niet aan de gang.
Monnik: Wat maakt eigenlijk geen deel uit van het leven van alledag?
Meester: Dat zou ik ook weleens willen weten.
Monnik: Volgens mij moet ik mijn schaaltjes nog afwassen.
Meester: Het kan altijd erger.
Monnik: Hoe bedoelt u?
Meester: Ik heb nog niet eens ontbeten.


Zenziek

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Ga eerst je schaaltjes maar afwassen.
Monnik: Probeert u mij te behoeden voor de zenziekte?
Meester: Voor de wat?
Monnik: De hoogmoed van de verlichte.
Meester: Van de wat?
Monnik: Ik bedoel het gevoel van superioriteit als je je ware zelf hebt gezien.
Meester: Je wat?
Monnik: Als je de persoon hebt doorzien, bedoel ik.
Meester: Wie zou dat dan gedaan moeten hebben?
Monnik: Als je je boeddhanatuur hebt gerealiseerd.
Meester: Zei de projectontwikkelaar tegen de grootgrondbezitter.
Monnik: De zenziekte betekent gek doen om te bewijzen dat je de illusie hebt doorzien.
Meester: Wou jij beweren dat je de illusie hebt doorzien?
Monnik: In alle bescheidenheid…
Meester: Misschien is de gedachte van een zenziekte wel een symptoom van de zenziekte.
Monnik: Eh…
Meester: Zeker weten dat het doorzien van de illusie geen deel uitmaakt van de illusie?
Monnik: …
Meester: Ik was er al bang voor.
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Ga eerst je mond maar uitspoelen.


Aangebrand

Monnik: Ik ben nieuw hier.
Meester: Houden zo.
Monnik: Ik heb nog niet ontbeten…
Meester: Zeker bij Zhaozhou gezeten.
Monnik: Laat staan dat ik mijn schaaltjes heb afgewassen.
Meester: Die vent is een huishoudschool begonnen.
Monnik: De dag begint nou eenmaal met een ontbijt.
Meester: Je hebt heel wat van hem opgestoken.
Monnik: Waarom zou je anders je schaaltjes afwassen?
Meester: Ik wil er wel even in tuffen.
Monnik: Bedoelt u dat het daar niet om gaat?
Meester: Waarom gaat?
Monnik: Eten. Afwassen. Doen wat er gedaan moet worden.
Meester: Geen idee wat er gedaan moet worden.
Monnik: Hoe bepaalt u dan wat er gedaan moet worden?
Meester: Alsof dat eerst door mij bepaald moet worden.
Monnik: Waar gaat het dan wel om?
Meester: Wie zegt dat het ergens om gaat?
Monnik: Bedoelt u dat het nergens om gaat?
Meester: Je legt me van alles in de mond.
Monnik: Als u het niet doet…
Meester: En het smaakt naar niks.
Monnik: Wat ben ik, de kok?
Meester: Wat ben ik, zijn hulpje?
Niet veel later verliet de monnik het klooster.
Niet veel later verliet de meester het klooster.


8. Wielwerk

Meester Yuean zei: ‘Xizongh, de wielmeester, maakte een kar waarvan de wielen wel honderd spaken hadden. Wat blijft er over als je alle onderdelen verwijdert?’

8 kar met vier wielen


Het wiel uitvinden

Meester: Wat is het belangrijkste aan een wiel?
Monnik: Het loopvlak dat de voorwaartse beweging mogelijk maakt.
Monnik: De spaken die de last overbrengen op de naaf.
Monnik: De naaf die de last overbrengt op de as.
Monnik: De as die het koetswerk draagt.
Monnik: Het koetswerk dat de nuttige last draagt.
Monnik: De lege ruimte omsloten door het koetswerk.
Monnik: De nuttige last in de lege ruimte.
Monnik: De weg die het voertuig draagt.
Monnik: De aarde die de weg draagt.
Monnik: De bestemming die de weg rechtvaardigt.
Monnik: Het gaat niet om de bestemming, het gaat om de reis.
Monnik: Het gaat niet om de reis, het gaat om de reiziger.
Monnik: Het gaat om al deze dingen bij elkaar.
Monnik: Maar alle dingen zijn leeg.
Monnik: Als alle dingen leeg zijn dan ook de leegte.
Monnik: Een geheel is meer dan de som der delen.
Monnik: De delen zijn meer dan onderdelen van een geheel.
Monnik: Vorm is leegte, leegte is vorm.
Monnik: Geen vorm, geen leegte.
Monnik: Wat is het waarin vorm en leegte verschijnen?
Monnik: Wie zegt dat ze ergens in verschijnen?
Monnik: Meester, wat denkt u?
Meester: Waarom zou iets het belangrijkste zijn?
Monnik: Bedoelt u dat alles even belangrijk is?
Meester: Waarvoor?
Monnik: Bedoelt u dat niets enig belang heeft?
Meester: Waarvoor niet?
Monnik: Maar wat is nou het belangrijkste aan een wiel?
Meester: Dat is nou het belangrijkste aan een wiel.


Een spaak in het wiel

Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt?
Meester: Waarvan?
Monnik: Van een kar bijvoorbeeld.
Meester: Alles natuurlijk.
Monnik: Hoe kan dat nou.
Meester: Alleen niet van die kar.
Monnik: Als je alles weghaalt van een kar blijft alles over, alleen niet van die kar?
Meester: Het moet toch érgens blijven.
Monnik: En als je álles weghaalt?
Meester: Waarvan?
Monnik: Overal van.
Meester: Wat dan?
Monnik: Wat er dan nog overblijft.
Meester: Alles natuurlijk.
Monnik: Hoe kan dat nou.
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Wat?
Meester: Het moet toch érgens blijven.
Monnik: Volgens mij blijft er niets over als je alles weghaalt.
Meester: Je doet je best maar.
Monnik: Ik doel op de leegte, het ongeborene, het doodloze, het ware zelf.
Meester: Dan heb je nog niet alles weggehaald.
Monnik: Wat zegt u me daar?
Meester: Waar is de leegte als je haar niet denkt?
Monnik: …
Meester: Wat denk je nu?
Monnik: Niets, geloof ik.
Meester: Is dat het niets van de leegte, het ongeborene, het doodloze, het ware zelf of wat?
Monnik: …
Meester: Wat denk je nu?
Monnik: Weer niets, geloof ik.
Meester: Valt er ook maar iets te zeggen over wat je niet dacht, al was het maar dat het onbestemd is of leeg of zelfs van leegte ontledigd?
Monnik: …
Meester: Nou dan.


Wormwiel

Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt?
Meester: Wie zegt dat er iets overblijft?
Monnik: Wat?
Meester: Je lijkt op voorhand al te weten dat er iets overblijft.
Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt, gesteld dat er iets overblijft?
Meester: Waarvan?
Monnik: Van je… lichaam bijvoorbeeld.
Meester: Waarvan over?
Monnik: Van mij bijvoorbeeld.
Meester: Wat er van jou overblijft als je alles van je lichaam weghaalt?
Monnik: Mijn geest?
Meester: Wie zegt dat je lichaam van jou is?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Of bepaal jij zelf hoe je lichaam eruit ziet en wat het allemaal doet?
Monnik: Was dat maar waar.
Meester: En wie zegt dat je geest van jou is?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Of bepaal jij zelf wat je allemaal denkt en droomt?
Monnik: Was dat maar waar.
Meester: Je zou nergens anders meer aan toe komen.
Monnik: Wat blijft er van je over als je geen lichaam en geen geest meer hebt?
Meester: Zie er eerst maar eens aan te komen.
Monnik: Hè?
Meester: Zie er dan maar vanaf te komen.
Monnik: Ik kan u niet bijbenen.
Meester: Ik ga nergens hene.
Monnik: Wat blijft er van je over als je geen lichaam en geen geest hebt en er dus ook geen afstand van kan nemen?
Meester: Wie zegt dat er iets overblijft?


Vliegwiel

Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt?
Meester: Deze vraag.
Monnik: Verdraaid.
Meester: En als je deze vraag weghaalt?
Monnik: Nou?
Meester: Die vraag.
Monnik: Verdraaid.
Meester: En als je alle vragen weghaalt?
Monnik: Dan vallen alle antwoorden ook weg, zou ik zeggen.
Meester: Behalve dit antwoord zeker.
Monnik: En als je dit antwoord ook weghaalt?
Meester: Deze vraag, zou ik zeggen.
Monnik: Verdraaid.


Vierwieler

Monnik: Wat blijft er over als je de drie werelden van illusie doorziet?
Meester: Welke drie werelden van illusie?
Monnik: Die van gehechtheid, vorm en niet-vorm natuurlijk.
Meester: Tot welke wereld behoren de drie werelden van illusie?


Vrijwiel

Monnik: Wat blijft er over als je de illusie doorziet?
Meester: De illusie dat je de illusie doorziet.
Monnik: En als je die ook nog doorziet?
Meester: De illusie dat je de illusie van de illusie doorziet.
Monnik: Wat als je alle illusies doorziet?
Meester: Welke illusies?
Monnik: Bedoelt u dat illusie waarheid is?
Meester: Wat als je de waarheid doorziet?


Karren maar

Neem een kar, vul hem met wijsheid, gooi hem leeg en je hebt een kar zonder dwaasheid.
Neem een kar, vul hem met dwaasheid, gooi hem leeg en je hebt een kar zonder wijsheid.
Twee lege karren, een zonder wijsheid en een zonder dwaasheid.
Identiek of niet?

Zen is een lege kar:

  • een filosofie zonder wijsheid (een ‘filosofie’)
  • een leer zonder leerstellingen (een ‘leer’)
  • een godsdienst zonder god (een ‘godsdienst’)
  • een oordeel zonder gelijk (een ‘oordeel’)
  • waarheid zonder inhoud (‘waarheid’)
  • vrijheid zonder eigenmacht (‘vrijheid’)
  • overgave zonder onmacht (‘overgave’)
  • spiritualiteit zonder geest (‘spiritualiteit’)
  • eenheid zonder getal (‘eenheid’)
  • niets zonder leegte (‘niets’)
  • essentie zonder wezen (‘essentie’)
  • helderheid zonder inzicht (‘helderheid’)
  • bewustzijn zonder besef (‘bewustzijn’)
  • wijsheid zonder verstand (‘wijsheid’)
  • dwaasheid zonder onwetendheid (‘dwaasheid’)

Identiek of niet?
Zeg jij het maar.
O, moet ik het zeggen.

Zen: of je een kar leeggooit.


het lege begrip


Als een kar zonder kar

Zenportret

Als vorm zonder vorm
Als leegte zonder leegte
Als vrijheid zonder vrijheid
Als overgave zonder overgave
Als bewustzijn zonder bewustzijn
Als wijsheid zonder wijsheid
Als dwaasheid zonder dwaasheid
Als een leer zonder leer
Als een rede zonder rede
Als een zede zonder zede
Als een filosofie zonder filosofie
Als een godsdienst zonder godsdienst
Als een boeddha zonder boeddha
Als een god zonder god
Als een mysterie zonder mysterie
Als een oordeel zonder oordeel
Als een waarheid zonder waarheid
Als een traditie zonder traditie
Als een wil zonder wil
Als een geest zonder geest
Als een zelf zonder zelf
Als een woord zonder woord
Als een moord zonder moord


Als een schrift zonder blad

Zelfportret

Als een rat zonder rad
Als een sneer zonder kat
Als een zee zonder gat
Als een lift zonder flat
Als een kaart zonder schat
Als een arm zonder jat
Als een hand zonder vat
Als een maai zonder zwad
Als een fluim zonder kwat
Als een pat zonder mat
Als een land in een stad
Als een weg uit je pad


Als een zwerver zonder vod

Niet-zelfportret

Als een monnik – zonder grot
Als een zuster – zonder knot
Als een priester – zonder god
Als een sleutel – zonder slot
Als een maalstroom – zonder vlot
Als een junkie – zonder shot
Als een dwangbuis – zonder zot
Als een trekking – zonder lot
Als een varken – zonder kot
Als een schijthuis – zonder pot
Als een story – zonder plot
Als een kaarsvlam – voor een mot


Als een merknaam zonder merk

Zelfverlies

Als een monnik – zonder werk
Als een vogel – zonder vlerk
Als een hemel – zonder zwerk
Als een koster – zonder kerk
Als een pispaal – zonder perk
Als een dode – zonder zerk


Als een inbreuk zonder schending

Hoe het voelt

als een missie
zonder zending

na een keerpunt
zonder wending


voltooid tegenwoordige tijd


Encore

like a patent
ever pending

like a story
ever ending

like a tree top
ever bending


zonder omhaal


9. Zittenblijver

Een monnik zei: ‘De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?’ Meester Xiangyan zei: ‘Dat spreek toch vanzelf.’ De monnik zei: ‘Al dat mediteren, en dan niets bereiken.’ ‘Boeddha’s worden niet’, antwoordde de meester.

9 buddha boom


Antwoordapparaat

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?
Meester: Dat spreekt toch vanzelf.
Monnik: Een hint alstublieft.
Meester: Doordat hij het al was. Doordat iedereen het al is. Doordat niemand het is. Doordat hij er al in geslaagd was. Doordat verlichting een illusie is. Doordat ‘boeddha’ maar een wijze van spreken is. Doordat hij geen alles doordringende wijsheid had. Doordat zijn alles doordringende wijsheid niet voorbij alle wijsheid ging. Door zijn alles doordringende wijsheid. Door al dat mediteren. Doordat hij niet genoeg mediteerde. Doordat hij niet de perfecte houding had. Doordat hij vasthield aan een perfecte houding. Doordat mediteren niet de weg is. Doordat mediteren niet genoeg is. Doordat er geen weg is. Doordat hij te gretig was. Doordat hij niet gretig genoeg was. Doordat hij nog gehecht was. Doordat hij te onthecht was. Doordat een boeddha voorbij worden is. Doordat een boeddha voorbij zijn en niet-zijn is. Doordat hij een toekomstige boeddha was. Doordat hij alleen bestond in de geest van zijn bedenker. Doordat zijn bedenker ook alleen maar…
Monnik: Ja, laat maar.
Meester: Wat?
Monnik: Ik ga wel weer mediteren.


Het streven voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?
Meester: Doordat hij een boeddha wilde worden.
Monnik: Wat had hij dan moeten doen?
Meester: Onderzoeken wat een boeddha is.
Monnik: Wat is een boeddha?
Meester: Iemand die geen boeddha meer wil worden.


De definitie voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?
Meester: Kan jou de Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid schelen.
Monnik: Ik mediteer als geen ander, maar slaag er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?
Meester: Wat is een boeddha volgens jou?
Monnik: Iemand die weet dat hij het al is.
Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.
Monnik: Wat is een boeddha volgens u?
Meester: Iemand die niet meer weet wat dat is.


De wijsheid voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden.
Meester: Ik ook niet.
Monnik: U ook al niet?
Meester: En ook niet om géén boeddha te worden.
Monnik: U bent er niet in geslaagd om een boeddha te worden en ook niet om geen boeddha te worden?
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Waartussen niet?
Meester: Tussen een boeddha en een niet-boeddha niet.
Monnik: Zeker omdat ze identiek zijn.
Meester: Ik zie de overeenkomst niet.
Monnik: Zeker omdat ze één zijn.
Meester: Laat staan dat ik ze kan tellen.
Monnik: Noem dat maar de alles doordringende wijsheid.
Meester: Noem het dan maar de wijsheid voorbij.


verder, verder, almaar verder


Het oordeel voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden.
Meester: Nogal wiedes.
Monnik: Hoezo?
Meester: Een boeddha is iemand die nergens meer in slaagt.
Monnik: Bedoelt u dat hij overal in faalt?
Meester: Een boeddha is iemand die nergens meer in faalt.
Monnik: Want een boeddha is iemand die nergens meer over oordeelt?
Meester: Zelfs niet over zijn eigen oordelen.
Monnik: Ja, oordeelt hij nou wel of oordeelt hij nou niet?
Meester: Nogal wiedes.


Het worden voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden.
Meester: Boeddhaschap is geen kwestie van worden.
Monnik: Dan is het zeker een kwestie van zijn.
Meester: Voor jou misschien.
Monnik: Waarvan is het voor u een kwestie?
Meester: Voor mij is het helemaal geen kwestie.
Monnik: En als het toch een kwestie was?
Meester: Een kwestie van ontworden dan maar.
Monnik: Wat moet er dan ontworden?
Meester: Ja, wat niet.
Monnik: Want alles moet ontworden?
Meester: Waaronder het ontworden.
Monnik: Ai, een dubbele ontkenning.
Meester: Als je er maar geen enkele bevestiging van maakt.
Monnik: En dat zou het boeddhaschap zijn?
Meester: Natuurlijk niet.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Ook dat is dan ontworden.


De meditatie voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?
Meester: Door al dat mediteren.
Monnik: Wat had hij dan moeten doen?
Meester: Onderzoeken wat mediteren is.
Monnik: Wat is mediteren?
Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.
Monnik: Als je het u vraagt?
Meester: Tja.
Monnik: Misschien is alles wel meditatie.
Meester: Wie zal het zeggen.
Monnik: Als alles meditatie is, wat valt er dan nog te mediteren?
Meester: Als koeien kippen waren…
Monnik: Wat?
Meester: Zouden ze dan ook op stok gaan?
Monnik: Of misschien is niets wel meditatie.
Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.
Monnik: Als niets meditatie is, wat valt er dan nog te mediteren?
Meester: Ga daar maar over mediteren.
Monnik: Of niet-mediteren natuurlijk.
Meester: Dat komt dan op hetzelfde neer.


Het voorbijgaan voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?
Meester: Misschien zat al die wijsheid hem wel in de weg.
Monnik: Die is hij toch voorbijgegaan?
Meester: Misschien zat al die wijsheid voorbij alle wijsheid hem wel in de weg.
Monnik: Wat had hij dan moeten doen?
Meester: Eraan voorbijgaan natuurlijk.
Monnik: Wat is er voorbij de wijsheid voorbij alle wijsheid?
Meester: Dat wil je niet weten.


Klein beginnen

Monnik: Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden?
Meester: Zie eerst de laagste maar eens te vinden.


Ver onderstellen

Monnik: Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden?
Meester: Wie zegt dat er een hoogste waarheid is?
Monnik: Dat zeggen ze.
Meester: Ze zeggen zoveel.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Je mediteert nou al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is.
Monnik: In elk geval hoop ik hem door meditatie te vinden, als hij bestaat.
Meester: Wie zegt dat hij door meditatie gevonden kan worden, als hij bestaat?
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Je mediteert nou al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is, in de veronderstelling dat hij door meditatie gevonden kan worden.
Monnik: In elk geval hoop ik hem door meditatie te vinden, als hij door meditatie gevonden kan worden, als hij bestaat.
Meester: Wie zegt dat ook jij hem door meditatie kan vinden?
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Je mediteert nou al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is, in de veronderstelling dat hij door meditatie gevonden kan worden, ook door jou.
Monnik: In elk geval hoop ik hem door meditatie te vinden, als hij door meditatie te vinden is, ook door mij, als hij bestaat.
Meester: Wie zegt dat het een kwestie van vinden is?
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Je mediteert nou al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is, in de veronderstelling dat hij door meditatie gevonden kan worden, ook door jou, in de veronderstelling dat het een kwestie van vinden is.
Monnik: Waarvan zou het anders een kwestie zijn?
Meester: Van je aannames onderzoeken, bijvoorbeeld.
Monnik: In dat geval kun je mediteren tot je een ons weegt zonder dat er iets gebeurt.
Meester: Anders misschien ook.
Monnik: Is het inderdaad een kwestie van je aannames onderzoeken?
Meester: Als ik ja zeg neem je dat meteen weer aan zonder het zelf te onderzoeken.
Monnik: Waarvan zou het anders een kwestie kunnen zijn?
Meester: Van niet vinden bijvoorbeeld.
Monnik: Is het inderdaad een kwestie van niet vinden?
Meester: Als ik ja zeg neem je dat meteen weer aan zonder het te onderzoeken.
Monnik: En zo voort.
Meester: Het zand gaat voort maar Zandvoort niet.
Monnik: Hoe onderzoek je dit soort zaken eigenlijk?
Meester: Wat denk je dat we aan het doen zijn?
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Dan maar hopen dat het een kwestie van niet weten is.


Dit en dat

Monnik: Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden?
Meester: Misschien is dat de hoogste waarheid al.
Monnik: Misschien is wat de hoogste waarheid al?
Meester: ‘Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden.’
Monnik: Wat een onzin.
Meester: Of anders dit.
Monnik: Wat?
Meester: Dat het onzin is dat ‘Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden’ al de hoogste waarheid zou zijn.
Monnik: En dat zou de hoogste waarheid zijn?
Meester: Voor zolang het duurt.
Monnik: Hoe komt u erop.
Meester: Moet jij zeggen.
Monnik: O, ik snap het al.
Meester: Houdt het dan nooit op?
Monnik: ‘Alleen maar dit’, is dat waar u naar verwijst?
Meester: Hoe kom je erop.
Monnik: Bedoelt u dat er geen hoogste waarheid is?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat er toch een hoogste waarheid is?
Meester: Jij met je bedoelingen.
Monnik: Ik snap er niets meer van.
Meester: Dan noem je dat toch de hoogste waarheid.
Monnik: Maar is het dat ook?
Meester: Ga dan maar weer mediteren.


Om je te laten

Monnik: Waar is al dat zitten goed voor?
Meester: Om je te laten nadenken over de vraag waar het goed voor is.
Monnik: Nou, dat is dan mooi gelukt.

Jaren later

Monnik: Waar is al dat nadenken over de vraag waar al dat zitten goed voor is goed voor?
Meester: Om je te laten voelen wat het is om geen antwoord te hebben.
Monnik: Nou, dat is dan mooi gelukt.

Jaren later

Monnik: Waar is al dat voelen wat het is om geen antwoord te hebben goed voor?
Meester: Om je te laten zien waar het in zen om draait.
Monnik: Nou, dat is dan mooi mislukt.

Jaren later

Meester: Waar is zen goed voor?
Monnik: Laat maar zitten.
Meester: Dan is het toch gelukt.


De eeuwige les

Monnik: Wat is zazen?
Meester: Zitten tot je een ons weegt.
Monnik: Bedoelt u dat het onzin is om te gaan zitten?
Meester: Zitten is zitten.
Monnik: Maar wat is dan de les?
Meester: Dat is dan de les.
Monnik: Dan heb ik mijn lesje wel geleerd.
Meester: Ga dan maar weer zitten.
Monnik: Waarvoor?
Meester: Voor de volgende les.
Monnik: Welke les?
Meester: De eeuwige.
Monnik: Wat is de eeuwige les?
Meester: Het afleren van de vorige.


Alleen zoekers vinden iets

Monnik: Waar is al dat zitten goed voor?
Meester: Wie zegt dat het ergens goed voor is?
Monnik: Wou u soms zeggen van niet?
Meester: Wie zegt dat ik iets wil zeggen?
Monnik: Ik wil alleen maar weten wat u vindt.
Meester: Alleen zoekers vinden iets.
Monnik: Nou weet ik nog niet waar al dat zitten goed voor is.
Meester: Tenzij dat is waar het goed voor is.
Monnik: Is dat waar het goed voor is?
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.


Terugtrekkend inzicht

Monnik: Waar is al dat zitten goed voor?
Meester: Stel dat het ergens goed voor is…
Monnik: Nou?
Meester: Waar is dát dan goed voor?
Monnik: Ergens anders voor, zou ik zeggen.
Meester: En dat?
Monnik: Idem dito.
Meester: En dat?
Monnik: Voor zichzelf dan maar.
Meester: O?
Monnik: Je moet toch een keer ophouden.
Meester: Waarom dan niet meteen bij het begin?
Monnik: Bedoelt u dat al dat zitten nergens goed voor is?
Meester: Geen idee.
Monnik: Bedoelt u dat er niets te weten valt?
Meester: Waar is al dat vragen goed voor?


Doorgezeten

Monnik: We moeten zitten zonder het idee dat er iets te halen valt.
Meester: Ook.
Monnik: Hoe dan nog meer?
Meester: Zonder het idee dat er niets te halen valt.
Monnik: Bedoelt u dat we moeten zitten zonder idee?
Meester: ’t Idee.
Monnik: Waarom moet dat trouwens op een kussen?
Meester: En waarom moet het eigenlijk zittend.
Monnik: Hoe moet het volgens u?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of het moet.
Monnik: Bedoelt u dat we dat zelf kunnen uitmaken?
Meester: Wie zegt dat we zelf iets kunnen uitmaken?
Monnik: Zegt u nou dat we geen keus hebben?
Meester: Wat zegt dat als ik daar geen keus in zou hebben?
Monnik: Bedoelt u dat we van onze veronderstellingen af moeten?
Meester: En dan?
Monnik: Ik merk het al.
Meester: O jee.
Monnik: Bij u valt niets te halen.
Meester: ’t Idee.


Alsof

Monnik: We moeten zitten zonder het idee dat er iets te halen valt.
Meester: Alsof er iets te zitten valt.
Monnik: Wou u zeggen van niet?
Meester: Alsof er iets te zeggen valt.
Monnik: Bedoelt u dat we moeten zwijgen?
Meester: Alsof er iets te zwijgen valt.
Monnik: Wat wilt u dan zeggen?
Meester: Alsof er iets te willen valt.
Monnik: Bedoelt u dat we ons moeten overgeven?
Meester: Waaraan?
Monnik: Aan het ware zelf?
Meester: Wie moet dat dan doen?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Alsof er iets te vragen valt.
Monnik: Shit.
Meester: De een noemt het stront, de ander mest.
Monnik: Hoe moeten we dan zitten?
Meester: Zonder het idee dat er iets te balen valt?
Monnik: Is dat een vraag of een antwoord?
Meester: Alsof dat iets uitmaakt.
Monnik: Bedoelt u dat iedere vraag zijn eigen antwoord is?
Meester: Is dat een vraag of een antwoord?
Monnik: Bedoelt u dat ieder antwoord tot nieuwe vragen leidt?
Meester: Is dat een antwoord of een vraag?
Monnik: Bij u valt niets te halen, hè?
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.


Voor doorzitters

Motto’s en mantra’s voor moeilijke minuten.

1.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten tot je opstaat.’

2.

‘Wat is zazen?’
‘Opzitten tot je dwarsligt.’

3.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten tot je nergens meer mee zit.’

4.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten tot je leegzit.’

5.

‘Wat is zazen?’
‘Vastzitten tot je loszit.’

6.

‘Wat is zazen?’
‘Tegenzitten tot je voorzit.’

7.

‘Wat is zazen?’
‘Tegenzitten tot je meezit.’

8.

‘Wat is zazen?’
‘Doorzitten tot je doodzit.’

9.

‘Wat is zazen?’
‘Dwarszitten tot je recht zit.’

10.

‘Wat is zazen?’
‘Rechtzitten tot je dwarsligt.’

11.

‘Wat is zazen?’
‘Opzitten tot je geen pootjes meer geeft.’

12.

‘Wat is zazen?’
‘Dichtzitten tot je opengaat.’

13.

‘Wat is zazen?’
‘Zittenblijven tot je overgaat.’

14.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten, niet achternazitten.’

15.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten, niet bezitten.’

16.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten, niet mooizitten.’

17.

‘Wat is zazen?’
‘Stilzitten, niet vastzitten.’

18.

‘Wat is zazen?’
‘Neerzitten, niet omhoogzitten.’

19.

‘Wat is zazen?’
‘Vrij zitten, niet gevangenzitten’

20.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten zonder pitten.’

21.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten zonder spitten.’

22.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten zonder splitten.’

23.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten zonder zitten.’

24.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten zonder paal.’

25.

‘Wat is zazen?’
‘Zitten zonder motto.’
‘Dat is nog steeds een motto.’
‘Ga daar dan maar mee zitten.’


Sunyata

Monnik: Wat ten diepste is zazen?
Meester: Gatsdienst.


Gatsdienst

Monnik: Waaraan herkent men de zenleraar?
Meester: Aan zijn aambeien.


10. Berooid en beschonken

Qingshui zei klaaglijk: ‘Ik heb niets meer, help me alstublieft.’ Meester Caoshan zei: ‘Eerwaarde.’ ‘Ja meester.’ ‘U hebt nu al drie bekers patriarchenwijn op en nog hebt u dorst.’

10 berooid en beschonken


Op de man af

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Wie?
Monnik: Ik, zeg ik toch.
Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: Niet-ik heeft niets meer.
Meester: Wat?
Monnik: Niet-ik, zeg ik toch.
Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: Ik noch niet-ik heeft niets meer.
Meester: Wie, wat?
Monnik: Ik noch niet-ik, zeg ik toch.
Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: Ik zeg niets meer.
Meester: Mislukt.
Monnik: U zegt toch alleen maar: ‘Dan heb je nog wat.’
Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: …
Meester: De tong rust maar de geest racet.
Monnik: Hoe breng ik mijn geest tot rust?
Meester: Je wat?


Heerlijk gewoon

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Wedden?
Monnik: Help me alstublieft.
Meester: Zie eerst maar van je hulpeloosheid af te komen.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Behalve de Boeddha zeker.
Monnik: Vanzelfsprekend.
Meester: Dood de Boeddha.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Behalve een dode Boeddha zeker.
Monnik: Het kind van de rekening.
Meester: Dood de boeddhadoder.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Behalve je armoede zeker.
Monnik: Daar zegt u me wat.
Meester: Schenk hem dan maar aan een rijke.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Behalve deze gedachte zeker.
Monnik: Toegegeven.
Meester: Zie daar dan eerst maar eens vanaf te komen.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Zeker weten?
Monnik: Geen hulpeloosheid, geen Boeddha, geen boeddhadoder, geen armoede en geen gedachten.
Meester: Weg ermee.
Monnik: Ik heb niets meer, zeg ik toch?
Meester: Blijf daar dan maar mee zitten.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.
Meester: Ik heb zelfs niet niets meer.
Monnik: Hoe is het om zelfs niet niets meer te hebben?
Meester: Heerlijk gewoon.
Monnik: Héérlijk gewoon of heerlijk gewóón?
Meester: Blijf daar dan maar mee zitten.


Wie zonder stenen is

Monnik: Wat is zen?
Meester: Alles weggooien.
Monnik: Behalve het weggooien zeker.
Meester: Inclusief het weggooien.
Monnik: Dan hou je niets meer over.
Meester: Dan ben je niets meer kwijt.
Monnik: Maar niets is nog van jou.
Meester: En niets is niet van jou.
Monnik: En is er nog wel iemand?
Meester: En is er nog wel niemand?
Monnik: En is er nog wel iets?
Meester: En is er nog wel niets?
Monnik: Wat valt er nog te doen?
Meester: Wat valt er nog te laten?
Monnik: Wat valt er nog te denken?
Meester: Wat valt er te ontdenken?
Monnik: Wat valt er nog te zeggen?
Meester: Wat valt er nog te zwijgen?
Monnik: Klinkt als het weggooien van zen.
Meester: Zo klinkt de zen van weggooien.
Monnik: Dan hou je niets meer over.
Meester: Dan ben je niets meer kwijt.


Grootspraak

Meester: Wat is zen?
Leerling: Nowhere to go!
Meester: Behalve naar de zendo zeker.

Meester: Wat is zen?
Leerling: Nothing to do!
Meester: Behalve zazen zeker.

Meester: Wat is zen?
Leerling: No one to be!
Meester: Behalve boeddha zeker.

Meester: Wat is zen?
Leerling: Nothing to say!
Meester: Behalve dit zeker.


Wat

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: De Waarheid
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: De Werkelijkheid.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: De Wijsheid voorbij alle wijsheid.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: Het Zien.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: Alleen maar Dit.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: De Boeddhanatuur.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: De Leegte
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: Het Niets.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: Niets.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wat heb je daar gezien?
Monnik: Waar?
Meester: Hm.


Wie

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Mezelf.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Het Zelf.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Niet-zelf.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Mijn Ware Gezicht.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Niemand.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Iemand en Niemand.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Iemand noch Niemand.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Waar?
Meester: Hm.


Wie wat

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Wie heb je daar gezien?
Monnik: Sergej Korsakov.
Meester: O, is dat hoe hij heet.
Monnik: Wie?
Meester: Wat?


No cigar

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.
Meester: Zeker weten?
Monnik: Nou en of.
Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.


Drinkebroers

Sunyata-sunyata

Monnik: Ik mag graag denken dat ik dieper in het glaasje heb gekeken dan ieder ander.
Meester: Ik ook.
Monnik: Maar hoe stel je zoiets vast?
Meester: Een heikel punt.
Monnik: En wat dan nog.
Meester: Zeg dat wel.
Monnik: Ik bedoel, is het soms een verdienste?
Meester: Een goede vraag.
Monnik: Was het wel mijn eigen keus?
Meester: Precies.
Monnik: En zo voort.
Meester: Poort zoekt poort.
Monnik: Ik bedoel maar.
Meester: Bij wijze van spreken dan toch.
Monnik: Hoe anders.
Meester: Verder ben ik eerlijk gezegd nooit gekomen.
Monnik: Verder ben ik eerlijk gezegd nooit gekomen.
Meester: Al mag ik graag denken dat ik dieper in het glaasje heb gekeken dan ieder ander.
Monnik: Is dat een hint?
Meester: Een borrel is geen pint.
Monnik: Nog één glaasje dan.
Meester: Om het af te leren.
Monnik: Sunyata.
Meester: Sunyata.


sunyata: de leegte
sunyata-sunyata: de leegte van de leegte


Bodemloos

Twaalf raadsels, dertien ongelukken

1.

Waarom kan een boeddha niet van zijn voetstuk vallen?
Omdat hij er al naast ligt.

2.

Waarom kan een boeddha niet door het ijs zakken?
Omdat hij geen gewicht in de schaal legt.

3.

Waarom heeft een boeddha niets te bieden?
Omdat hij leeg is.

4.

Waarom hoeft een boeddha niet met zijn billen bloot?
Omdat hij niets om het lijf heeft.

5.

Waarom zie je een boeddha altijd over het hoofd?
Omdat hij niets voorstelt.

6.

Waarom zit een boeddha nooit in de put?
Omdat hij geen bodem heeft.

7.

Waarom heeft een boeddha niets te verliezen?
Omdat hij alles al kwijt is.

8.

Waarom heeft een boeddha nooit gelijk?
Omdat hij niet beter weet.

9.

Waarom heeft een boeddha nooit ongelijk?
Omdat hij niet beter weet.

10.

Waarom gelooft een boeddha dit allemaal niet?
Omdat hij het denken doorziet.

11.

Waarom gelooft een boeddha niet dat hij dit allemaal niet gelooft?
Omdat hij het denken doorziet.

12.

Waarom gelooft een boeddha niet dat hij het denken doorziet?
Omdat hij het denken doorziet.


11. Voor de vuist weg

Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

11 laag water


Watervallen

De meester ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ De kluizenaar vroeg: ‘Wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ De meester zei: ‘Denken dat je iets verkeerd hebt gedaan.’

Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’ De kluizenaar zei: ‘Dank u.’ De meester vervolgde: ‘Maar als het water stil staat, stinkt het.’ De kluizenaar zei: ‘Wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ De meester zei: ‘Denken dat je iets goed hebt gedaan.’

Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar zwaaide. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ De kluizenaar zweeg. De meester boog. De kluizenaar zei: ‘En ga me nou niet vertellen dat stille wateren diepe gronden hebben.’


Waterscheiding

De meester ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’ De meester stak zijn vuist in de lucht. De monnik zei: ‘Dus pas maar op dat u niet verdrinkt.’ Kwaad liep de meester verder. Bij de volgende kluizenaar aangekomen, zei hij: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar antwoordde: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ ‘Kan een mens niet eens meer een normale vraag stellen?’ zei de meester. ‘Daar heb je het al’, zei de kluizenaar. Woedend stak de meester zijn vuist in de lucht.


Wateren over gods akker

De meester ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ De monnik zei: ‘Loop dan maar gauw door.’ Bij de volgende kluizenaar aangekomen, zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’ De kluizenaar zei: ‘Het stinkt hier.’ ‘Wat?’ ‘Ik ben vooruit gehold’, verklaarde de kluizenaar. De meester begon over zijn hele lichaam te zweten. ‘Het water staat u aan de lippen’, zei de kluizenaar droog. Beschaamd droop de meester af.


Buitenspelval

Jaar in jaar uit ging de meester bij een kluizenaar langs om te vragen of het een beetje lukte. Jaar in jaar uit haalde de kluizenaar zijn schouders op. Ten slotte kreeg de kluizenaar er genoeg van. Toen de meester het jaar daarop wéér vroeg of het een beetje lukte, zei de monnik: ‘Denkt u nou nog steeds dat er iets moet lukken?’ ‘Het is een testvraag’, legde de meester uit. ‘Denkt u nou nog steeds dat u iets moet testen?’ ‘Zo zijn de regels.’ ‘En ik speel niet meer mee.’ ‘Zeg, wie is hier eigenlijk de meester?’ ‘Precies.’ Woedend stak de meester zijn vuist in de lucht. De kluizenaar hield het voor gezien.


Drie vloeken en een zucht

De meester ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik smeekte: ‘Een hint alstublieft.’ De meester zei: ‘Waarvoor?’ De kluizenaar riep: ‘Schertsfiguur.’ De meester zei: ‘Nee, jij dan.’ De kluizenaar huilde: ‘Waarom geeft u mij geen hint?’ De meester zei: ‘En dat is drie.’ Toen een antwoord uitbleef, haalde hij zijn schouders op (en dat was vier) en keerde terug naar het klooster.


Vuistregels

1.

De meester ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ Woef!’ zei de monnik. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

2.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik zei: ‘De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’ De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

3.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik stak zijn vinger op. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

4.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik sneed zijn baard af. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

5.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik klom in een boom en ging met zijn tanden aan een tak hangen. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

6.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik stak een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

7.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik waste zijn schaaltjes af. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

8.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik haalde zijn kar uit elkaar. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

9.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik bleef onbeweeglijk zittten. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

10.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik sloeg drie bekers wijn achterover en vroeg om hulp. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

11.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik stak zijn vuist in de lucht. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.

12.

Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik haalde zijn schouders op en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De meester haalde zijn schouders op. Samen keerden ze terug naar het klooster.


12. Heer en meester

Iedere ochtend zei Ruiyan: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Wakker blijven, hoor.’ ‘Wat u zegt.’ ‘En laat je door niemand iets wijsmaken.’ ‘Wat u zegt.’

12 monoloog


Voor dovemansoren

Iedere ochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Laat je door niemand iets wijsmaken hè.’ ‘Nee meester.’ ‘Vooral niet door jezelf.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door mij.’ ‘Nee meester.’ ‘Dit ook niet.’ ‘Nee meester.’ ‘Wat zeg ik nou.’ ‘Ja meester.’


Leer noch meester

Iedere maandagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Denk je nou nog steeds dat je meester bent?’ ‘Nee meester.’ ‘Niet vergeten hè?’ ‘Nee meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere dinsdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan geen antwoord. Daarna zei hij tegen zichzelf: ‘Denk je nou nog steeds dat je geen meester bent?’ ‘Nee meester.’ ‘Niet vergeten, hè?’ ‘Nee meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere woensdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Ik ben je meester niet.’ ‘En jij de mijne niet.’ ‘Wat ben je wel?’ ‘Als ik dat wist was ik je meester wel.’ ‘En ik de jouwe.’ ‘Ja meester.’ ‘Nee meester, zul je bedoelen.’ ‘Ja meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere donderdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Ja meester.’ ‘Niet zo opletten de hele dag, hè.’ ‘Nee meester.’ ‘Hierop ook niet.’ ‘Ik zal erop letten, meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere vrijdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Niet in jezelf praten, hoor.’ ‘Mij hoort u niet meer.’ ‘Ik hoor je niet meer.’ ‘Ik hoor u niet meer.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere zaterdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’ ‘Het werd tijd.’ ‘U?’ ‘Ik ook niet.’ ‘Of toch.’ ‘Wat? ‘Zie maar.’ ‘Vanzelf.’ ‘En als dat niet mocht lukken?’ ‘Zie maar.’ ‘Vanzelf.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere zondagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Maak dat de kat maar wijs.’ Dan zei hij: ‘Je spreekt met het ware zelf’, en antwoordde: ‘Geef me het onware dan maar even.’ Daarop wist hij niets meer te zeggen, en zo ging hij het liefst de nieuwe week in.


Hoe minder geleerd, hoe minder verkeerd

Iedere ochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Je kan het niet verkeerd doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door te denken dat je het verkeerd kan doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door niet te denken dat je het niet goed of verkeerd kan doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Je kan het ook niet goed doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door te denken dat je het niet goed of verkeerd kan doen.’ ‘En als je het toch verkeerd doet?’ ‘Niks aan de hand.’ ‘En als je het toch goed doet?’ ‘Pluk de dag.’ En daar liet hij het maar bij.


Geen-antwoordapparaat

Iedere ochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester, wat bent u stil’, en gaf dan geen antwoord. Daarna zei hij: ‘Meester, wat bent u?’ en gaf geen antwoord. Hij zei: ‘Meester, bent u?’ en gaf geen antwoord. Hij zei: ‘Meester?’ en gaf geen antwoord. Daarna keek hij om zich heen en als er niemand in de buurt was zei hij zachtjes: ‘Verdorie’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Wat?’ ‘Weer niks.’ ‘Geeft niks.’ ‘Waarom niet?’ ‘Dat is zijn kracht.’ ‘Wat is zijn kracht?’ ‘Vraag maar.’ Hij zei: ‘Meester, wat is uw kracht?’ en gaf geen antwoord. Hij zei: ‘Is het geen antwoord geven?’ en gaf geen antwoord. Hij zei: ‘Is het beter om geen antwoord te geven?’ en gaf geen antwoord. Hij zei: ‘Tot morgen dan maar weer’, en antwoordde: ‘Dat zien we morgen dan wel weer.’ Ten slotte zei hij: ‘Meester, was u dat?’ maar hij gaf geen antwoord meer.


Stil gebed

Monnik: Wat zegt u iedere morgen tegen uzelf?
Meester: Niks.
Monnik: Omdat u niks te zeggen hebt?
Meester: Omdat ik toch niet luister.
Monnik: Is dat een keus of overkomt het u?
Meester: Ik zeg niks.
Monnik: Waar luistert u wel naar?
Meester: Of het gras groeit.
Monnik: Hoe klinkt groeiend gras?
Meester: Als een zacht gesis.
Monnik: Ik hoor niks.
Meester: Sst.


Ontluisterend

Monnik: Ik luister naar iedereen.
Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar mensen die het kunnen weten.
Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar de Boeddha.
Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar mezelf.
Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar het zelf.
Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar mensen die niet weten.
Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister naar niemand meer.
Meester: Ik allang niet meer.


Verhaal halen

Monnik: Leg het me alstublieft nog één keertje uit.
Meester: Bekijk het maar.
Monnik: Waarom?
Meester: Wat ik ook zeg, jij gaat ermee aan de haal.
Monnik: Gaat het erom nergens mee aan de haal te gaan?
Meester: Zie je wel.
Monnik: Zag ik het maar.
Meester: Jij denkt dat er iets te zien is.
Monnik: Bedoelt u dat er niets te zien is?
Meester: Zie je wel.
Monnik: Dan zeg ik wel niks meer.
Meester: Ik moet het nog zien.

Meester: Niet slecht.
Monnik: Gaat het erom te zwijgen?


Steen der dwazen

Wat is jouw laatste toetssteen?

Monnik: Ik erken geen andere autoriteit dan mezelf.
Meester: Ik erken niet eens mezelf.
Monnik: Niet als autoriteit of niet als persoon?
Meester: En niet als non-autoriteit of non-persoon.
Monnik: Wat is dan uw laatste toetssteen?
Meester: Wat zou ik daarmee moeten toetsen?
Monnik: Ik erken geen andere autoriteit dan mezelf.
Meester: Ik erken niet eens mezelf.


Hollands diep

Abyssus abyssum invocat

‘Wat is de taak van de meester?’
‘De ene afgrond roept de andere.’


Tering

Monnik: Waar vind ik de kennis zonder leraar?
Meester: Bij een leraar zonder kennis.
Monnik: Kent u iemand zonder kennis?
Meester: Jij bent iemand zonder kennis.
Monnik: Hoe komt het dat ik dat niet weet?
Meester: Doordat je nog van alles weet.
Monnik: Ben ik daarom nu uw leerling?
Meester: Ook al heb ik dan geen lering.


Vereerlijking

Monnik: U bent het licht in mijn leven!
Meester: Het dwaallicht zul je bedoelen.
Monnik: Voor u ga ik door het vuur!
Meester: Loop er liever omheen.
Monnik: Ik volg u desnoods tot in de hel!
Meester: Zelfs daarheen weet ik de weg niet.
Monnik: U bent het licht in mijn leven!


Zadelpijn

Monnik: Wat is het verschil tussen een slechte leraar en een goede?
Meester: Een slechte leraar zadelt je op met zijn ideeën en idealen.
Monnik: En een goede leraar?
Meester: Die zadelt je nergens mee op.
Monnik: En een hele goede leraar?
Meester: Die zadelt je af.
Monnik: Bent u nou een slechte leraar, een goede of een hele goede?
Meester: Zeg dat wel.


Afvallers

Monnik: Wat is het verschil tussen een goede leraar en een hele goede?
Meester: Een goede leraar staat je altijd bij.
Monnik: En een hele goede leraar?
Meester: Die valt je altijd af.

Monnik: Wat is het verschil tussen een goede leerling en een hele goede?
Meester: Een goede leerling zoekt altijd een goede leraar.
Monnik: En een hele goede leerling?
Meester: Die valt hem altijd af.


Vrij of blij

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen een slechte leraar en een slechte leerling?
Meester: Dat ze elkaar blij maken.
Monnik: Wat is de overeenkomst tussen een goede leraar en een goede leerling?
Meester: Dat ze elkaar vrij maken.


Zitprentjes 1-12