De Poortloze Poort, koans 25-36

Niet te missen: de Poortloze Poort. Lachen en huilen om het raadsel van het leven. De zenklassieker ‘de Wumenguan’ volgens Hans van Dam. Deel 3: koans 25-36.

Deel 1, Deel 2, Deel 4.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

de Linji-lu, dwaalgids zen


25. Een droom

Meester Yangshan Juaji droomde eens dat hij op bezoek ging bij de toekomstige boeddha Maitreya in de hemel van Tushita, en de derde zetel toegewezen kreeg. Een monnik sloeg met de voorzittershamer op de lessenaar en zei: ‘Vandaag worden wij toegesproken vanuit de derde zetel.’ Yangshan stond op, gaf op zijn beurt een klap met de voorzittershamer en zei: ‘De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen. Hoort!’

25 droom


Een nachtmerrie

Monnik: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.
Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.
Monnik: Nauwkeuriger gezegd, ik droomde dat de Waarheid van het Grote Voertuig voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen gaat.
Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.
Monnik: Het is de waarheid.
Meester: Maar daarom nog niet de Waarheid.
Monnik: Ik bedoel, het is de waarheid dat ik dat droomde.
Meester: Maar daarom nog niet de Waarheid die je droomde.
Monnik: Wat is volgens u de Waarheid?
Meester: Niet bevestigen of ontkennen.
Monnik: Niet bevestigen of ontkennen is de Waarheid?
Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.
Monnik: Eerlijk gezegd was het niet ik maar meester Yangshan Juaji die lang geleden droomde dat de Waarheid van het Grote Voertuig voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen gaat.
Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.
Monnik: Maar dat staat in de Poortloze Poort.
Meester: Maar daarom is het nog niet waar.
Monnik: Dat het de Waarheid is niet of dat hij dat droomde niet?
Meester: Wie zal het zeggen.
Monnik: Maar wat is nou de Waarheid van het Grote Voertuig?
Meester: Dat is nou de waarheid van het grote voertuig.


Passen of passeren

Monnik: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.
Meester: De waarheid van het grote voertuig gaat voorbij het grote voertuig.
Monnik: Wat?
Meester: De waarheid van het grote voertuig gaat voorbij de waarheid.
Monnik: Hè?
Meester: De waarheid van het grote voertuig gaat voorbij.
Monnik: Echt?
Meester: Het grote voertuig gaat voorbij.
Monnik: Goh.
Meester: Misschien mag je wel mee.


Op eigen benen wagen

Monnik: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.
Meester: Ook het grote voertuig gaat voorbij.
Monnik: Wat blijft er dan nog over?
Meester: De benenwagen.
Monnik: Waarheen gaat de benenwagen?
Meester: Je neus achterna.
Monnik: Is dat alles?
Meester: Voor zolang het duurt.
Monnik: Hoezo?
Meester: Ook de benenwagen gaat voorbij.
Monnik: Sta je net op eigen benen…
Meester: Je neus ook.
Monnik: Je neus gaat ook voorbij?
Meester: Wat dacht je dan.
Monnik: En dan?
Meester: Je neus achterna.


Beentjes van de vloer

Niet bevestigen, niet ontkennen
Niet bevestigen én ontkennen
Niet bevestigen noch ontkennen
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen


Gegist bestek

Een meester droomde dat hij op bezoek ging in de wachthemel bij de boeddha-die-nog-moest-komen. Eerst riep hij ‘wakker worden!’, toen sloeg hij krachtig met de voorzittershamer op de lessenaar en ten slotte schoot hij een kanon af om de toekomstige boeddha te wekken, maar niks hoor. ‘Toekomst is toekomst en heden is heden en nooit zullen ze elkaar raken,’ dacht hij in de droom, ‘zelfs niet in een droom, tenminste niet in deze.’ Dus begon de meester zijn toespraak voor geen gehoor – over de vier bevestigingen, al wist niemand meer precies welke dat waren, maar hij kon zich er iets bij voorstellen, en over de honderd ontkenningen, al wist niemand meer precies welke dat waren, maar hij kon zich er iets bij voorstellen, en wat deed het er ook toe, aangezien hij toch alleen maar wilde zeggen dat de waarheid van het grote voertuig voorbij de vier onbekende bevestigingen en de honderd onbekende ontkenningen ging, ook al besefte hij al sprekende terdege dat zoiets niet definitief of zelfs maar voorlopig valt vast te stellen zolang men niet definitief of zelfs maar voorlopig heeft vastgesteld om welke bevestigingen en ontkenningen het gaat, en om welke waarheid van welk groot voertuig, die zelf immers ook weer uit vier en honderd waarheden over elk van vier en honderd transportmiddelen bestaat – botsautootjes, bussen, vrachtauto’s, amfibievoertuigen, wrakken, hovercrafts, tanks, dinky toys op de middenweg, de ventweg, de randweg, de ringweg, de uitweg, de omweg en de onweg; en wat deed het er ook toe nu er toch niemand luisterde en de eeuwig toekomstige boeddha in zijn droom in een droom genadeloos door de toespraak heen heen bleef zagen – het leek waarachtig net de werkelijkheid, dacht de meester nota bene in zijn droom.


Als de hemel valt

Iedere nacht droomde meester Wu Wu dat hij een toespraak hield in de wachthemel. De ene nacht zei hij: ‘De waarheid van het grote voertuig is vervat in de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen’, de andere: ‘De waarheid van het grote voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.’ De ene nacht zei hij: ‘De waarheid van het grote voertuig, dat is vriendelijkheid, mededogen, medeleven en gelijkmoedigheid’, en de andere nacht: ‘Als de waarheid van het grote voertuig gelijk zou zijn aan vriendelijkheid mededogen, medeleven en gelijkmoedigheid, waar laten we dan de rest?’ of ‘Het grote voertuig is meer dan christelijke naastenliefde’ of ‘Naastenliefde is meer dan het grote voertuig’ of ‘Het grote voertuig streeft naar verlossing voor iedereen’ of ‘Als eerst alle anderen verlost moeten worden, zal niemand zelf verlossing vinden’, et cetera. Toen hij dit bij een glaasje gemak aan de hoofdmonnik bekende, vroeg deze nieuwsgierig: ‘Welke toespraak is de juiste?’ ‘Wat maakt het uit,’ antwoordde meester Wu Wu, ‘iedereen slaapt er toch doorheen.’ ‘En als de toekomstige boeddha wakker was geweest?’ vroeg de hoofdmonnik. ‘Wat maakt het uit,’ antwoordde meester Wu Wu, ‘het zijn toch maar dromen.’ ‘Welke droom is de ware?’ hield de hoofdmonnik aan. ‘Moet je dat nog vragen?’ zei de meester verbaasd. ‘Toe, help een dolende ziel op weg’, smeekte de hoofdmonnik. ‘Deze’, zei meester Wu Wu met een knipoog, en droomde dat hij wakker werd terwijl de hoofdmonnik in slaap viel.


De groeten van Zhuang Zi

Er was eens een rups die droomde dat hij een vlinder was die droomde dat hij een lezer was die droomde dat hij een dwaaltekst las van iemand die droomde dat hij commentaren schreef bij iemand die droomde dat hij een collectie had samengesteld van achtenveertig verhaaltjes van mensen die droomden dat ze leerlingen waren van mensen die droomden dat ze meester waren in de lijn van iemand die droomde dat hij de boeddha was maar nooit had kunnen dromen wat er uit en in zijn naam allemaal gezegd, gedacht, geschreven, gedaan en nagelaten zou worden.


Zhuang Zi.


26 De blinden oprollen

Toen de monniken na het mediteren bijeen kwamen voor een lezing, wees meester Fayan van Qingliang naar de bamboe jaloezieën. Twee monniken begonnen ze op te rollen. Fayan zei: ‘De ene doet het goed, de andere niet.’

26 rolgordijn


Ho ho ho

Toen de monniken na het mediteren bijeen kwamen voor een lezing wees de meester naar de bamboe jaloezieën. Twee monniken begonnen ze op te rollen. De meester riep: ‘Ho!’ De monniken hielden meteen op. De meester zei: ‘Is er wat?’ ‘U riep toch ho?’ ‘Kan een mens nou ook al geen ho meer roepen?’ ‘U wees toch naar de blinden?’ ‘Kan een mens nou ook al niet meer naar de blinden wijzen?’ De monniken keken hem met open mond aan. De meester zei: ‘Ga door’, maar ze bleven als betoverd staan. De meester zei: ‘Kan een mens nou ook al geen bevelen meer geven?’


Tien lange jaren

Twee monniken zaten te mediteren. De meester zei: ‘De houding van de ene is goed, die van de andere niet.’ Vanaf dat moment bekeken ze elkaar met argusogen. Na tien jaar hielden ze het niet meer uit. Ze meldden zich bij de meester en de dapperste vroeg met trillende stem: ‘Wie van ons heeft de juiste houding en wie niet?’ De meester zei: ‘Jullie geloven ook alles.’


Tien lange dagen

Twee monniken zaten te mediteren. De meester zei: ‘De houding van de ene is goed, die van de andere niet.’ Vanaf dat moment bekeken ze elkaar met argusogen. Na tien dagen hielden ze het niet meer uit. Ze meldden zich bij de meester en de dapperste vroeg met trillende stem: ‘Wie van ons heeft de juiste houding en wie niet?’ De meester barstte in lachen uit en riep: ‘Jullie geloven ook alles.’ De monniken keken hem ontredderd aan. Toen de meester hen wegwuifde, barstten de monniken op hun beurt in lachen uit. Ze sloegen zich op de dijen en rolden gierend over de grond. De meester vroeg nerveus: ‘Heb ik iets gemist?’ ‘U gelooft ook alles.’


Tien lange minuten

Twee monniken zaten te mediteren. De meester zei: ‘De houding van de ene is goed, die van de andere niet.’ De monniken reageerden niet. Na afloop van de sessie riep de meester hen bij zich en zei: ‘Jullie geloven ook niets.’ Toen de zelfvoldane glimlach op hun gezicht eindelijk was weggestorven, zei hij ijzig: ‘Dus pak je biezen maar.’ De monniken keken hem ongelovig aan. De meester zei: ‘Zie je wel? En nou wegwezen.’


De blinden lamslaan

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat niet goed genoemd kan worden?
Meester: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat goed genoemd kan worden?

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat goed genoemd kan worden?
Meester: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat genoemd kan worden?

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat genoemd kan worden?
Meester: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat niet genoemd kan worden?

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat niet genoemd kan worden?
Meester: Is er ook maar iets dat de boeddhanatuur genoemd kan worden?

Monnik: Is er ook maar iets dat de boeddhanatuur genoemd kan worden?
Meester: Is er ook maar iets dat niet de boeddhanatuur genoemd kan worden?

Monnik: Is er ook maar iets dat niet de boeddhanatuur genoemd kan worden?
Meester: Is er ook maar iets dat niet wat dan ook genoemd kan worden?

Monnik: Is er ook maar iets dat niet wat dan ook genoemd kan worden?
Meester: Is er ook maar iets?

Monnik: Is er ook maar iets?
Meester: Niets kun je dit toch niet noemen.

Monnik: Niets kun je dit toch niet noemen.
De meester maakte een wegwerpgebaar.
Monnik: Is er iets?
Meester: Niets.


De lamme blindslaan

Monnik: Door diepgaand te twijfelen kan de dualiteit van goed en fout overwonnen worden.
Meester: Door nog diepgaander te twijfelen kan ook de non-dualiteit van goed en fout overwonnen worden.
Monnik: En dan?
Meester: Door diepgaand te twijfelen kan de dualiteit van nu en dan overwonnen worden.
Monnik: Door nog diepgaander te twijfelen kan ook de non-dualiteit van nu en dan overwonnen worden, wou u zeggen.
Meester: En ook de dualiteit en de non-dualiteit van twijfel en zekerheid.
Monnik: Nou, dan heb je wel zo’n beetje alles overwonnen.
Meester: En ook die van ‘alles’ en ‘overwinnen’.
Monnik: Ben je dan voorgoed meester van de situatie?
Meester: Dan ben je voorgoed monnik, zou ik haast zeggen.
Monnik: Dit noem ik nou meesterwerk.
Meester: Dit noem ik nou monnikenwerk.


27. Nooit verkondigd

Een monnik zei: ‘Is er een leer die nog nooit verkondigd is?’ ‘Jazeker’, zei meester Nanquan. ‘Wat is de leer die niemand ooit heeft onderwezen?’ ‘Het is niet de geest, het is niet boeddha, het zijn niet de dingen’, antwoordde Nanquan.

27 boekschavot


Het meest nabij

Monnik: Het is niet de geest, het is niet boeddha, het zijn niet de dingen.
Meester: Het is ook geen het.
Monnik: Hoe kan je van iets dat geen het is, zeggen dat het niet de geest, niet de boeddha en niet de dingen is?
Meester: Het is ook geen iets.
Monnik: Hoe kan je iets zeggen van niet iets?
Meester: Het is ook geen niet iets.
Monnik: Hoe kan je iets zeggen van niets?
Meester: Het is ook geen niets.
Monnik: Hoe kan je iets zeggen van iets noch niet iets noch niets?
Meester: Dat is nog steeds teveel gezegd.
Monnik: Hoe kan je iets zeggen?
Meester: Waarover?
Monnik: Moeten we dan maar zwijgen?
Meester: Waarvan?
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.


Niet de boeddha

niet de geest, niet de dingen
niet de geest én de dingen
niet de geest noch de dingen
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen


Geen wonder

Monnik: Is er een leer die nog nooit verkondigd is?
Meester: Jazeker.
Monnik: Wat is de leer die nog nooit verkondigd is?
Meester: De lege leer.
Monnik: Waarom heeft niemand die ooit verkondigd?
Meester: Omdat hij leeg is.


de lege leer


Een onleer

Monnik: Hoe zou u uw leer samenvatten?
Meester: Zeg jij het maar.
Monnik: Niet de geest, niet de boeddha, niet de dingen.
Meester: En dat ook niet.
Monnik: Wat ook niet?
Meester: ‘Niet de geest, niet de boeddha, niet de dingen’ niet.
Monnik: De waarheid is voorbij de woorden.
Meester: Waarheid is een woord.
Monnik: Alle gedachten zijn grondeloos.
Meester: Dan ook deze.
Monnik: Alle verstaan is misverstaan.
Meester: Dan ook dit verstaan.
Monnik: Ik geef het op.
Meester: Niet slecht.


Het lege debat

Monnik: Als iemand mij aanvalt vanwege de lege leer, hoe moet ik me dan verdedigen?
Meester: De lege leer kun je niet aanvallen.
Monnik: Wel op haar leegte.
Meester: De lege leer kun je niet verdedigen.
Monnik: Maar als iemand mij verwijt dat ik de lege leer aanhang?
Meester: De lege leer kun je niet aanhangen.
Monnik: En als iemand mij verwijt dat ik hem niet afwijs?
Meester: De lege leer kun je niet afwijzen.
Monnik: Maar hoe leg je zoiets uit?
Meester: De lege leer kun je niet uitleggen.
Monnik: Wat is dan de oplossing?
Meester: Wat is dan het probleem?


Vastloper

Monnik: Waarom verkondigt u uw lege leer niet?
Meester: Wat valt eraan te verkondigen?
Monnik: Dat er niets te verkondigen valt?
Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?
Monnik: Maar u bent toch van mening dat wij niets weten?
Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?
Monnik: Bedoelt u dat we toch iets kunnen weten?
Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?
Monnik: Bedoelt u dat we niet eens weten of we niets weten?
Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?
Monnik: Ik snap er niks van.
Meester: Daarom verkondig ik mijn lege leer niet.
Monnik: Op die manier.
Meester: Bovendien is hij niet van mij.
Monnik: Ook dat nog.
Meester: Bovendien is het geen leer.
Monnik: De lege leer is geen leer?
Meester: Nou jij weer.
Monnik: Wat is het dan wel?
Meester: Zand in de raderen van het verstand.


Het volle leven

Monnik: Hoe heet een aanhanger van de lege leer?
Meester: Een lege leerling.
Monnik: Hoe wordt een lege leerling een lege meester?
Meester: Door zelfs de lege leer achter zich te laten.
Monnik: Wat als je zelfs de lege leer achter je hebt gelaten?
Meester: Wat niet.


Offerfeest

Monnik: Steeds als ik u iets vraag, raadpleegt u uw lege boek.
Meester: Wat is de vraag?
Monnik: Wat betekent het lege boek voor u?
Meester: Even in mijn lege boek kijken.
Monnik: Dat bedoel ik nou.
Meester: Het is een plek om mijn antwoorden achter te laten.
Monnik: Wat gebeurt er met die antwoorden?
Meester: Die verdwijnen zonder een spoor na te laten.
Monnik: Waar is dat goed voor?
Meester: Even in mijn lege boek kijken.
Monnik: Steeds als ik u iets vraag, raadpleegt u uw lege boek.


Carte blanche

Monnik: Wat staat er eigenlijk in uw lege boek?
Meester: Niets natuurlijk.
Monnik: Waarom kijk u er dan steeds in?
Meester: Even in mijn lege boek kijken.
Monnik: En?
Meester: Dat staat er ook niet in.
Monnik: Om iedere situatie blanco tegemoet te treden?
Meester: Even in mijn lege boek kijken.
Monnik: En?
Meester: Dat staat er ook niet in.
Monnik: Is het goed om iedere situatie blanco tegemoet te treden?
Meester: Even in mijn lege boek kijken.
Monnik: En?
Meester: Dat staat er ook niet in.
Monnik: Ik zou graag iedere situatie blanco tegemoet treden.
Meester: Denk je dat dat kan?
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Even in mijn lege boek kijken.
Monnik: En?
Meester: Dat staat er ook niet in.


Een boekje voor het bloeden

Monnik: Wat betekent het lege boek voor u?
Meester: Niets.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Het is maar een gimmick.
Monnik: Hoe lang blijft u het nog gebruiken?
Meester: Tot jouw innerlijke boek leeg is.
Monnik: Dan kunt u lang wachten.
Meester: Jij bent het die ergens op wacht.
Monnik: U wilt toch zeker…
Meester: Ik wil helemaal niets.
Monnik: Behalve dat u niets wilt, zeker.
Meester: Dat al helemaal niet.
Monnik: Maar u gelooft toch…
Meester: Ik geloof helemaal niets.
Monnik: Behalve dat u niets gelooft, zeker.
Meester: Dat al helemaal niet.
Monnik: U gelooft toch in de lege leer?
Meester: Geloof jij dan in de lege leer?
Monnik: Waar zijn we anders mee bezig?
Meester: Ik ben anders nergens mee bezig.
Monnik: Waarom praat u dan met mij?
Meester: Omdat jij met mij praat.
Monnik: U wilt mij toch veranderen?
Meester: Jij wil jou veranderen.
Monnik: Van u hoef ik niet te veranderen?
Meester: Van mij hoef je niet te veranderen.
Monnik: Van u mag ik dezelfde blijven?
Meester: Van mij hoef je niet dezelfde te blijven.
Monnik: U maakt me helemaal gek!
Meester: Vandaar dat lege boek.


het lege boek


In nomine

Monnik: Als u een eigen klooster mocht stichten, hoe zou het dan heten?
Meester: De Lege Orde.
Monnik: Wat zou er boven de kloosterpoort staan?
Meester: De Lege Boodschap.
Monnik: Wat zou u onderrichten?
Meester: De Lege Leer.
Monnik: Welke lectuur zou u voorschrijven?
Meester: Het Lege Testament.
Monnik: Welke eed zouden de monniken moeten afleggen?
Meester: De Lege Gelofte.
Monnik: Met welke zegen zou u de dag openen?
Meester: Beati pauperes spiritu.
Monnik: Wat betekent dat?
Meester: Zalig zijn de armen van geest.
Monnik: U windt er ook geen doekjes om.
Meester: Nou je het zegt…
Monnik: Wat?
Meester: Laat dat zalig ook maar weg.
Monnik: Pauperes spiritu?
Meester: Nou je het zegt…
Monnik: ‘Arm van geest is wat wij zijn.’
Meester: Laat dat ook maar weg.
Monnik: En die lege gelofte?
Meester: Laat maar weg.
Monnik: En dat lege testament?
Meester: Laat maar weg.
Monnik: En die lege leer?
Meester: Laat maar weg.
Monnik: En die lege boodschap?
Meester: Laat maar weg.
Monnik: En die lege orde?
Meester: Laat maar weg.
Monnik: En het klooster zelf?
Meester: Laat maar weg.
Monnik: U zou alles weglaten.
Meester: Laat dat ook maar weg.
Monnik: Zo blijft er niets over.
Meester: Zelfs niet niets.
Monnik: Zo blijft er zelfs niet niets over?
Meester: Bij wijze van spreken.


zalig zijn de armen van geesthet lege geloofeen universeel geloof


Een verre vriend

Monnik: Waar komt de lege leer volgens u het beste tot uitdrukking?
Meester: Buiten gehoorsafstand.


Meester Foetsie

Meester Foetsie was bijzonder vooruitstrevend.

Eerst hief hij het spreken op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de leer op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de geest op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de boeddha op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij het mediteren op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de gemeenschap op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de wereld op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij zichzelf op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij het zwijgen op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de niet-leer op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de niet-geest op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de niet-boeddha op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij het niet-mediteren op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de niet-gemeenschap op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij de niet-wereld op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij niet-zelf op.
Dat gaf me toch een ophef!
Toen hief hij het opheffen op.
Dat gaf helemaal geen ophef.
En toen was alles weer gewoon.

Zo vooruitstrevend was nou meester Foetsie.


28. Een kaars uitblazen

Tot diep in de nacht spraken monnik Deshan en meester Longtan over zen. Ten slotte zei de meester: ‘Zullen we er een punt achter zetten?’ De monnik maakte een buiging, keek door de blinden naar buiten en zei: ‘Het is pikkedonker.’ Meester Longtan stak een papieren kaars voor hem aan, maar net toen Deshan hem wilde aanpakken, blies de meester hem uit. Ineens zag de monnik het licht. Longtan zei: Wat heb je gerealiseerd?’ ‘Nooit zal ik meer twijfelen aan de woorden van de grootste zenmeester onder de zon’, antwoordde Deshan.

De volgende dag besteeg meester Longtan het podium en zei: ‘Er is iemand onder u met slagtanden als zwaarden en een bek vol bloed. Sla hem en hij kijkt niet op of om. Op een dag zal hij de hoogste piek bestijgen en de weg voor ons ontsluiten.’ Deshan trad naar voren met een stapel commentaren op de diamantsoetra, wees ernaar met een fakkel en zei: ‘Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal. Alle grote geheimen van de leer zijn bij elkaar nog geen druppel in de oceaan.’ Daarop verbrandde hij al zijn aantekeningen, maakte een buiging voor zijn leraar en vertrok.

28 een kaars uitblazen


diamantsoetra


Tweemaal uit is aan

Het was al laat en een van de monniken zat nog steeds over zijn boeken gebogen. De meester zei: ‘Kun je het zien?’ ‘Nog steeds niet.’ De meester deed het licht uit en zei: ‘Zo beter?’ Er viel een lange stilte. Ten slotte zei de monnik: ‘Wel heb ik ooit!’ ‘Wat?’ ‘Kunt u het licht nogmaals uitdoen?’ De meester haalde de schakelaar over, waardoor het licht weer aan ging, en vroeg: ‘Wat heb je nu bereikt?’ ‘Niets’, zei de monnik perplex. ‘Zeker weten?’ ‘Zelfs niet niets.’ ‘Heb je het niet bereiken bereikt?’ ‘Zelfs het niet bereiken niet.’ ‘Hoe moet het nou verder met mij?’ ‘Ik zal nooit meer geloven in de woorden van de leraar.’ ‘Hoe moet het nou verder met jou?’ ‘Ik zal nooit meer geloven in de woorden van de leerling.’ ‘Geloof je dat?’ ‘Natuurlijk niet.’ ‘Geloof je dát?’ ‘Natuurlijk niet.’ ‘En je boeken?’ ‘Ik zou ze verbranden als ik dacht dat het wat uithaalde.’ ‘Dan weet ik het ook niet meer’, zei de meester. ‘Dan weet ik het ook niet meer’, zei de monnik.


Hemels

Monnik: Wanneer zal ik eindelijk verlicht zijn?
Meester: Als alles je eindelijk duister is.
Monnik: Wanneer zal alles mij eindelijk duister zijn?
Meester: Als je dat ook niet meer weet vast te stellen.
Monnik: Wat heb ik er dan nog aan?
Meester: Zelfs dat zul je niet meer weten.
Monnik: Zal ik dan nog steeds met mijn mond vol tanden staan?
Meester: Je zal je de vraag niet eens meer stellen.
Monnik: Jezus.
Meester: Wie?
Monnik: Boeddha, bedoel ik.
Meester: Maakt niet uit.
Monnik: Waar ben ik in nirwana’s naam aan begonnen.
Meester: Wat?
Monnik: In hemelsnaam, bedoel ik.
Meester: Maakt niet uit.


Nachtwaker

Monnik: Waarom geeft de verlichte geen licht?
Meester: Omdat hij verduisterd is.
Monnik: Waarom geeft de verduisterde geen duisternis?
Meester: Omdat er geen vraag naar is.


Met distinctie

Monnik: Wat is verlichting?
Meester: De illusie doorzien.
Monnik: Wat is verduistering?
Meester: Je verlichting doorzien.
Monnik: Bent u nou verlicht of verduisterd?
Meester: Ik ben niet achterlijk.


Kale haren

Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.
Meester: Het heelal ook.

Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.
Meester: Zelfs een haartje in het heelal is als het heelal.

Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.
Meester: Zelfs een haartje van de minst omvattende doctrines is als het heelal.
Monnik: Ik bedoel, wie snapt er nou het heelal.
Meester: Ik bedoel, wie snapt er nou een haartje.


Onderwaterbui

Monnik: Alle grote geheimen van de leer zijn maar een druppel in de oceaan.
Meester: Wie zegt dat de leer geheimen bevat?
Monnik: Wou u beweren dat de leer geen geheimen bevat?
Meester: Niet als hij leeg is.
Monnik: Is de leer leeg?
Meester: Wel als alles leeg is.
Monnik: Is alles leeg?
Meester: Wel volgens de leer.
Monnik: Die was toch leeg?
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Ja, is de leer nou leeg of niet?
Meester: Misschien is dat wel het grote geheim.
Monnik: Het grote geheim van de leer is de vraag of hij wel geheimen bevat?
Meester: Als ik dat wist was het geen geheim meer.
Monnik: Ik snap er niets meer van.
Meester: De oceaan is maar een druppel in de grote geheimen van de leer.


Sst

Monnik: Commentaren op de diamantsoetra zijn maar een druppel op een gloeiende plaat.
Meester: De diamantsoetra ook.
Monnik: De diamantsoetra is ook maar een druppel op een gloeiende plaat?
Meester: De boeddha ook.
Monnik: De boeddha is ook maar een druppel op een gloeiende plaat?
Meester: Sst.
Monnik: Wat is geen druppel op een gloeiende plaat?
Meester: Ik ben geen druppel op een gloeiende plaat.
Monnik: Wat bent u wel?
Meester: Een gloeiende plaat.


diamantsoetra


Voordeeldeuren

De een probeert voordeel te behalen door geschriften te bestuderen.
De ander probeert voordeel te behalen door ze te verbranden.
Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door bezit te vergaren.
De ander probeert voordeel te behalen door het af te staan.
Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door het juiste te verlangen.
De ander probeert voordeel te behalen door verlangens te overwinnen.
Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door zich in de wereld te begeven.
De ander probeert voordeel te behalen door zich af te zonderen.
Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door met misdadigers om te gaan.
De ander probeert voordeel te behalen door met heiligen om te gaan.
Wat hebben ze gemeen?


Twijfelachtig

Monnik: Vanaf nu zal ik nooit meer aan uw woorden twijfelen.
Meester: Dwaas.
Monnik: Nou zeg.
Meester: Je zou toch nooit meer aan mijn woorden twijfelen?
Monnik: Dat is waar ook.
Meester: Vanaf nu moet je altijd aan mijn woorden twijfelen.
Monnik: Zeker weten.
Meester: Dwaas.


Zes soorten blindheid

Een monnik zei: ‘Volgens zen zijn er vijf soorten blindheid. De gewone blindheid van de onwetende die de boeddhistische leer nog niet kent, de opzettelijke blindheid van de ketter die de leer niet wil kennen, de onopzettelijke blindheid van de leerling die de leer niet begrijpt, de verlichte blindheid van degene die alleen nog maar leegte ziet en de ware blindheid van degene die geen verlichting meer ziet.’ De meester zei: ‘Ik zie het allemaal niet.’


Ogentroost

Monnik: Volgens zen zijn er vijf soorten blindheid: die van de de onwetende, die van de betwetende, die van de zoekende, die van degene die geen vormen meer ziet en die van degene die geen leegte meer ziet.
Meester: Welke van deze vijf soorten blindheid is het die deze vijf soorten blindheid onderscheid?
Monnik: De… vijfde soort blindheid, zou ik zeggen.
Meester: De wens is de vader van de gedachte.
Monnik: De vierde dan?
Meester: Optimist.
Monnik: De derde?
Meester: Lauw.
Monnik: De tweede?
Meester: Warm.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Nou, ik ook niet.
Monnik: Hoeveel soorten blindheid zijn er volgens u?
Meester: Eentje maar.
Monnik: Wat is de enige vorm van blindheid volgens u?
Meester: Denken dat je het ziet.
Monnik: Ik denk niet dat ik het zie.
Meester: Dat is de tweede.
Monnik: Er is maar één vorm van blindheid zei u toch?
Meester: En dat is drie.
Monnik: Hoeveel soorten blindheid zijn er wel niet?
Meester: Wel niet.
Monnik: Nou?
Meester: Evenveel als er gedachten zijn?
Monnik: Dan is dit zeker de vierde.
Meester: En de vijfde is denken dat het de vierde is.
Monnik: Komt hier ooit een einde aan?
Meester: Dat heb je goed gezien.


Uit spuit

Niet het licht, niet de duisternis
Niet het licht én de duisternis
Niet het licht noch de duisternis
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen


29. Vlag noch wind

Een tempelvlag wapperde in de wind en twee monniken begonnen erover te bakkeleien. De een zei dat de vlag bewoog, de ander dat de wind bewoog, en ze kwamen er niet uit. De zesde patriarch zei: ‘Niet de wind of de vlag is in beweging, maar je geest.’ De monniken waren met stomheid geslagen.

29 wind of geest of vlag


Lichtvoetig

De eerste monnik riep: De vlag beweegt.
De tweede riep: De wind beweegt.
De derde riep: De geest beweegt.
De vierde riep: De tong beweegt.
De meester zei: Niet te lang bij stilstaan, jongens.


En toch beweegt ze

De eerste monnik riep: De vlag is een illusie.
De tweede riep: De wind is een illusie.
De derde riep: Beweging is een illusie.
De vierde riep: Onbeweeglijkheid is een illusie.
De vijfde riep: De geest is een illusie.
De zesde riep: De tong is een illusie.
De zevende riep: Spreken is een illusie.
De achtste riep: Zwijgen is een illusie.
De negende riep: Jij bent een illusie.
De tiende riep: Ik is een illusie.
De elfde riep: Illusie is een illusie.
De twaalfde riep: We moeten voorbij werkelijkheid en illusie gaan.
De dertiende riep: We moeten voorbij het voorbijgaan gaan.
De eerste vroeg: Meester, wat zegt u?
De meester zei: Vlaggen voor de hoeren.


De wakkerste

De eerste patriarch riep: Alles is stof.
De tweede riep: Alles is geest.
De derde riep: De geest ontspringt aan de stof.
De vierde riep: De stof ontspringt aan de geest.
De vijfde riep: Stof is geest.
De zesde riep: Stof noch geest.
De zevende riep: Boeddha.
De achtste riep: Boeddha?
Boeddha riep: Ik sliep.


Voorwaardelijk vergaan

De eerste monnik riep: Zou de vlag wapperen als niemand hem had uitgehangen?
De tweede riep: Zou de vlag wapperen als niemand hem had gemaakt?
De derde riep: Zou de vlag wapperen als niemand hem had bedacht?
De vierde riep: Zou de vlag wapperen als niemand kon zien, horen of voelen?
De vijfde riep: Zou de vlag wapperen als de katoenplant niet bestond?
De zesde riep: Zou de vlag wapperen als niemand katoen verbouwde?
De zevende riep: Zou de vlag wapperen als niemand garen spon?
De achtste riep: Zou de vlag wapperen als niemand doeken weefde?
De negende riep: Zou de vlag wapperen als niemand weefmachines maakte?
De tiende riep: Zou de vlag wapperen als niemand staal fabriceerde?
De elfde riep: Zou de vlag wapperen als niemand vlaggenstokken maakte?
De twaalfde riep: Zou de vlag wapperen als er geen lucht was om hem in beweging te brengen?
De dertiende riep: Zou de vlag wapperen als er geen zon was om de lucht in beweging te brengen?
De veertiende riep: Zou de vlag wapperen als er geen waterstof was om te fuseren?
De meester zei: Zou de geest wapperen zonder vragen?


De nulde oorzaak

Monnik: Niet de vlag, niet de wind, maar het zelf beweegt.
Meester: Wat brengt het zelf in beweging?
Monnik: Het zelf is de grond van het universum.
Meester: En wat is de grond van het zelf?
Monnik: Het zelf heeft geen grond nodig.
Meester: Waarom het universum dan wel?
Monnik: Het zelf is zijn eigen grond.
Meester: Waarom het universum dan niet?
Monnik: Bedoelt u dat het zelf het universum is?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of het bestaat.
Monnik: Bedoelt u dat het zelf niet bestaat?
Meester: Vraag het dan maar aan het zelf.
Monnik: Bedoelt u dat het universum zelfscheppend is?
Meester: Misschien is deze gedachte wel zelfscheppend.
Monnik: Waar komen dan al die vormen vandaan?
Meester: Moet er dan per se een schepper zijn?
Monnik: Bedoelt u dat het universum ongeschapen is?
Meester: Bedoel je dat er een universum is?
Monnik: Bedoelt u dat het universum leeg is?
Meester: Bedoel je dat er leegte is?
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?
Monnik: Waarom anders al die vragen?
Meester: Omdat jij al antwoord gaf.


Onbewogen

Monnik: Wat is de eerste oorzaak?
Meester: God, daar vraag je me wat.
Monnik: En hoe luidt het antwoord?
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Wat?
Meester: God, daar vraag je me wat.


Gulle gevers

Monnik: Alles heeft een oorzaak.
Meester: Alles krijgt een oorzaak.
Monnik: Van wie?
Meester: Van wie niet.


De hoogste oven

Monnik: Wat heb ik hier?
Meester: Een vlag.
Monnik: De wereld.
Meester: Daar gaan we weer.
Monnik: Er was katoen nodig om het garen te spinnen.
Meester: Katoen is geen wereld.
Monnik: Er waren machines nodig om de stof te weven.
Meester: Machines zijn geen wereld.
Monnik: Er waren hoogovens nodig om die machines te maken.
Meester: Hoogovens zijn geen wereld.
Monnik: Er was een wereld nodig om die hoogovens te maken.
Meester: Nu ga je me zeker vertellen dat alles afhankelijk ontstaat.
Monnik: Ik wou het net zeggen.
Meester: En vervolgens dat alles één is.
Monnik: Hoe weet u dat?
Meester: Wat is één?
Monnik: Nou?
Meester: Een gedachte.
Monnik: Hè?
Meester: Waar is het ene als je het niet denkt?
Monnik: Eh…
Meester: Wat is afhankelijk onstaan?
Monnik: Zeker ook een gedachte.
Meester: Wat is denken dat het een gedachte is?
Monnik: En die hoogovens dan?
Meester: Wijs eens aan.
Monnik: En de wereld dan?
Meester: Waar is de wereld als je hem niet denkt?
Monnik: En deze vlag?
Meester: Waar is de vlag als je hem niet denkt?
Monnik: Idealist.
Meester: Waar is de idealist als je hem niet denkt?
Monnik: ‘Idealist’ is ook maar een gedachte?
Meester: Of is dat ook maar een gedachte?
Monnik: Nihilist.
Meester: Zelfde verhaal.
Monnik: Allemaal gedachten?
Meester: Deze ook.
Monnik: Wát?
Meester: Vinger in je kat.
Monnik: Maar hoe zit het dan wel?
Meester: Zoals het staat.
Monnik: Hoe staat het dan wel?
Meester: Waarmee?
Monnik: Nou weet ik weer niks.
Meester: Zou je denken?


Als de vlag valt

Meester Oei heeft gezegd: ‘Dat je grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er zijn.’

Hij heeft ook gezegd: ‘Dat je geen grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er niet zijn.’

Toen iemand hem vroeg wat het dan wel betekent, zei hij: ‘Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent.’

En bij een soortgelijke gelegenheid: ‘Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het niets betekent.’

En bij een andere gelegenheid: ‘Dat je weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent.’

Meester Oei heeft tevens gezegd: ‘Dat grenzen wegvallen betekent niet dat er grenzeloosheid voor in de plaats komt.’

En ook: ‘Dat grenzeloosheid wegvalt betekent niet dat er grenzen voor in de plaats komen.’

En: ‘Dat grenzen wegvallen betekent niet dat alles één is.’

En: ‘Dat alles niet een is betekent niet dat alles nul, twee, niet-twee, drie, vier, veel of oneindig is.’

Over dit laatste heeft hij tevens gezegd: ‘Eenheid is nog steeds een bepaling.’

En: ‘Onbepaaldheid is nog steeds geen eenheid.’

En: ‘Onbepaaldheid is nog steeds een bepaling.’

Toen iemand hem vroeg hoe het dan wel zit, zei hij ‘Oei’, en dat is hoe hij aan zijn bijnaam kwam.


Halfstok

Niet de vlag, niet de wind
Niet de vlag én de wind
Niet de vlag noch de wind
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de stof, niet de geest
Niet de stof én de geest
Niet de stof noch de geest
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet het vele, niet het ene
Niet het vele én het ene
Niet het vele noch het ene
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de vorm, niet de leegte
Niet de vorm én de leegte
Niet de vorm noch de leegte
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet het deel, niet het geheel
Niet het deel én het geheel
Niet het deel noch het geheel
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet het object, niet het subject
Niet het object én het subject
Niet het object noch het subject
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de illusie, niet de werkelijkheid
Niet de illusie én de werkelijkheid
Niet de illusie noch de werkelijkheid
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen


30. De geest zelf

Daimei vroeg: ‘Wat is de boeddha?’ Meester Mazu antwoordde: ‘De geest zelf is de boeddha.’

30 boeddha geest


Grote stappen, snel thuis

Monnik: Wat bent u?
Meester: Zeg jij het maar.
Monnik: Volgens mij bent u de boeddha.
Meester: Wat is de boeddha?
Monnik: De geest zelf is de boeddha.
Meester: Wat is de geest?
Monnik: Het bewustzijn zelf is de geest.
Meester: Wat is het bewustzijn?
Monnik: De leegte zelf is het bewustzijn.
Meester: Wat is de leegte?
Monnik: Het zelf zelf is de leegte.
Meester: Wat is het zelf?
Monnik: Ikzelf ben het zelf.
Meester: Wat ben jij zelf?
Monnik: …
Meester: Is dat het antwoord of weet je het niet?
Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.
Meester: Nou, ik ook niet.


Rust roest

Monnik: Wat is de boeddha?
Meester: Is de boeddha?
Monnik: Wat is de geest?
Meester: Is de geest?
Monnik: Wat is het bewustzijn?
Meester: Is het bewustzijn?
Monnik: Verwijst u naar de leegte?
Meester: Is de leegte?
Monnik: Wat als boeddha, geest, bewustzijn en leegte zelf leeg zijn?
Meester: Rust?
Monnik: Geen leegte?
Meester: Wat is leegte?
Monnik: Bewustzijn?
Meester: Wat is bewustzijn?
Monnik: Geest?
Meester: Wat is de geest?
Monnik: Boeddha?
Meester: Wat is de boeddha?


Geestenbal

Meester: Wat is de boeddha?
Monnik: De geest zelf is de boeddha.
Meester: Welke geest?
Monnik: De gewone geest.
Meester: Wiens gewone geest?
Monnik: Die van mij, zou ik denken.
Meester: Niet die van mij?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Niet de grote geest?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Niet de universele geest?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Niet de algeest?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Niet de lege geest?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Niet de beginnersgeest?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Niet de weetnietgeest?
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Misschien zijn ze wel identiek.
Monnik: Dat zou ook nog kunnen.
Meester: Maar misschien ook niet.
Monnik: Hoe stel je zoiets vast.
Meester: Of misschien zijn ze wel leeg.
Monnik: Nou weet ik het helemaal niet meer.
Meester: Dat zou ook nog kunnen.


De tijdloze waarheid

Leerling: Wat is de geest?
Meester: De hoeveelste is het vandaag?
Leerling: De dertigste.
Meester: De geest is boeddha.
Leerling: Gisteren zei u anders van niet.
Meester: Gisteren was een oneven dag.


Ontwoord

Monnik: Wat is de boeddha?
Meester: Een woord.
Monnik: De boeddha is voorbij de woorden.
Meester: Dan zou ik mijn mond maar houden.
Monnik: Hoe moet ik het dan zeggen?
Meester: Wat zeggen?
Monnik: Dat de boeddha voorbij de woorden is.
Meester: De wat?
Monnik: Dat puntje-puntje-puntje voorbij de woorden is.
Meester: Dat puntje-puntje-puntje wat is?
Monnik: Dat puntje-puntje-puntje puntje-puntje-puntje is.
Meester: Is?
Monnik: Dat puntje-puntje-puntje puntje-puntje-puntje puntje-puntje-puntje…
Meester: Niet slecht.


Krek

Monnik: De boeddha is…
Meester: Zeg dat niet.

Monnik: Wat is de boeddha?
Meester: Zeg dat wel.


Onderstebinnen

Monnik: Buiten de boeddha is geen geest en buiten de geest is geen boeddha.
Meester: Erbinnen ook niet.
Monnik: Binnen de boeddha is geen geest of binnen de geest is geen boeddha?
Meester: En ook geen binnen of buiten.
Monnik: Binnen en buiten de boeddha is geen geest en geen binnen of buiten en binnen en buiten de geest is geen boeddha en geen buiten of binnen?
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: Bedoelt u dat boeddha, geest, binnen en buiten allemaal bedenksels zijn?
Meester: Hoe bedenk je het.


Weetnietfeest

Niet de boeddha, niet de geest
Niet de boeddha én de geest
Niet de boeddha noch de geest
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen


31. Een oud vrouwtje

Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel op de heilige berg Tai Shan. Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’ Terwijl de monnik verder liep, voegde ze er zachtjes aan toe: ‘Dan kom je er nooit.’ Toen meester Zhaozhou ervan hoorde, zei hij: ‘Ik zal dat oude besje weleens tegen het licht houden.’ De volgende dag zocht hij haar op, stelde dezelfde vraag en kreeg hetzelfde antwoord. Weer terug zei hij tegen de monniken: ‘Nou, ik heb haar tegen het licht gehouden hoor.’

31 doorzien wijs de weg

 


Heen en weer

Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje. Ze zong: ‘Doe een stapje naar voren’, en deed een stapje naar voren. Hoofdschuddend liep de monnik verder. Het vrouwtje zong: ‘Doe een stapje terug’, en deed een stapje terug. De monnik keek niet op of om. ‘Waarom vraag je het dan’, mopperde het oude vrouwtje.


Pas de deux

Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje. Het vrouwtje pakte zijn handen vast en zong: ‘Doe een stapje naar voren, doe een stapje terug.’ De monnik keek haar verbaasd aan, maar verzette zich niet en begon al gauw mee te stappen en zingen. Na een poosje gingen ze hijgend in de berm zitten. ‘Ik heb me in geen jaren zo vermaakt,’ lachte de monnik, ‘waar ben ik toch mee bezig?’ ‘Ik heb me in geen jaren zo vermaakt,’ giechelde het vrouwtje, ‘waar ben ik toch mee bezig?’ Plotseling betrok het gezicht van de monnik. ‘Ik weet het weer, ik zoek verlossing.’ Plotseling betrok het gezicht van het vrouwtje: ‘Ik weet het weer, ik help verlossen.’ Kreunend stond de monnik op en vervolgde zijn weg. Kreunend stond het vrouwtje op en vervolgde haar weg.


Bestemmingsverkeer

Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje. Het vrouwtje zei: ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Bedoelt u dat we er al zijn?’ ‘Waar zijn?’ ‘Hier zijn.’ ‘Wat wou je daaraan doen?’ ‘Dat hier zijn onze bestemming is, bedoel ik.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ vroeg het vrouwtje weer. Hoofdschuddend liep de monnik verder. ‘Waarom vraag je het dan’, mopperde het oude vrouwtje.


Gekkenwerk

Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel. Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’ Terwijl de monnik verder liep, voegde ze er zachtjes aan toe: ‘Dan kom je er nooit.’ Terug in het klooster vroeg de monnik aan zijn meester of hij het vrouwtje niet eens wilde testen. ‘Waarop?’ ‘Op haar zengehalte.’ ‘Wat is het zengehalte van iemand die een vrouwtje op haar zengehalte wil testen?’ vroeg de meester.’ ‘Eigenlijk wilde ik u testen’, bekende de monnik. ‘Waarop?’ vroeg de meester. ‘Ik was benieuwd of ik u zo gek kon krijgen iemand op zijn zengehalte te testen.’ ‘Nou,’ zei de meester, ‘in ieder geval heb je iemand zo gek gekregen iemand op zijn zengehalte te testen.’ ‘Wie dan?’ zei de monnik verbaasd. ‘Jezelf, sufferd.’ ‘En, wat is mijn zengehalte?’ ‘Oud wijf’, zei de meester.


Tegenlicht

Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel. Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’ Terwijl de monnik verder liep, voegde ze er zachtjes aan toe: ‘Dan kom je er nooit.’ Toen dit de meester ervan hoorde, zei hij tegen de monniken: ‘Ik zal dat oude besje weleens tegen het licht houden.’ De volgende avond riep hij iedereen bij elkaar. ‘En?’ zei de hoofdmonnik. ‘Ze stelde dezelfde vraag en gaf hetzelfde antwoord.’ De monniken begonnen onderling te bakkeleien over haar zengehalte. De meester wilde al wegsluipen toen de hoofdmonnik hem vroeg: ‘Wat maakt u ervan?’ De meester zei: ‘Denk je nou echt dat ik haar dezelfde vraag zou stellen?’ ‘Wat hebt u dan gevraagd?’ ‘Denk je nou echt dat ik haar een vraag zou stellen?’ ‘Wat dan?’ ‘Denk je nou echt dat ik bij haar langs zou gaan?’ ‘Wat heeft u dan gedaan?’ vroeg de hoofdmonnik verbaasd. De meester zei: ‘Jullie tegen het licht gehouden’.


Een schijn van kans

Monnik: Graag zou ik uw zengehalte eens testen.
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat testgedrag wijst op een laag zengehalte?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat het onderscheid tussen hoog en laag een illusie is?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat het onderscheid tussen hoog en laag een illusie is in het absolute, maar bestaansrecht heeft in het relatieve?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat ik op eigen benen moet staan?
Meester: Gezakt.
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: Gezakt.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Hm.


Een portie dharma

Een groepje monniken bezocht een oud eethuisje waarvan de uitbaatster, een oud vrouwtje, ontwaakt zou zijn. Meteen bij aankomst riep een monnik: ‘Welkom in nirwana.’ De anderen brulden van het lachen. Bij het openen van de gammele deur riep een monnik: ‘Met recht een poortloze poort.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje liep naar de open haard. Een monnik keek om zich heen in het sombere vertrek en riep: ‘Prima verlichting hier.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje pakte een pook. Een monnik riep: ‘Hebt u alleen staanplaatsen of kan men hier ook zitten?’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje pakte de as-emmer. Een monnik riep: Doe mij maar een portie dharma.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje stapte op het groepje af. Een van de monniken wendde zich rechtstreeks tot de uitbaatster en zei grijnzend: Hoe maakt men zich uitgerekend in een eethuisje leeg?’ Het oude vrouwtje ramde de pook in zijn maagstreek en hield hem de emmer voor. Brullend boog de monnik voorover.


Kiezen of tanden

Op het hoogtepunt van zijn populariteit hield de eeuwige leerling Hans van Dam een openbare bijeenkomst, waar alleen een oud vrouwtje op afkwam. Het vrouwtje sliste: ‘Wat is weten?’ Van Dam donderde: Een balk in je oog! Een steen in je maag! Een brok in je keel! Een last op je schouders! Een doorn in je voet! Een hand vol vliegen! Gal in je hart! Peper in je reet! Zout in je wonden!’ Het vrouwtje sliste: ‘Wat is niet weten?’ Van Dam donderde: ‘Met je mond vol tanden staan!’ Het vrouwtje sliste: ‘Nou, dan zou ik het wel weten.’


32. Raspaarden

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ Boeddha ging nog mooier zitten. Daarop maakte de non-boeddhist een diepe buiging en sprak vol bewondering: ‘Door de grenzeloze barmhartigheid van de Gezegende zijn de sluiers van mijn illusies opgelost en heb ik de grote weg betreden.’ Toen hij vertrokken was, vroeg Ananda: ‘Waarvoor was hij nou zo dankbaar? Boeddha zei: ‘Raspaarden hebben weinig aansporing nodig.’

32 oogkleppen


Over het paard getild

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ ‘Uitslover’, zei Boeddha met een knipoog. Daarop maakte de non-boeddhist een diepe buiging en sprak vol bewondering: ‘Door de grenzeloze barmhartigheid van de Gezegende zijn de sluiers van mijn illusies opgelost en heb ik de grote weg betreden.’ ‘Uitslover’, zei Boeddha zonder knipoog. Toen hij vertrokken was, vroeg Ananda: ‘Waarom deed hij nou zo dankbaar? Boeddha zei: ‘Hij wou voor een raspaard worden aangezien.’


Een gat in de dag

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ Boeddha slaakte een zucht. De non-boeddhist zei: ‘Is uw zucht veelzeggend of juist nietszeggend?’ Boeddha slaakte een zucht. ‘Verwijst u naar de waarheid voorbij de woorden?’ Boeddha slaakte een zucht. ‘Bedoelt u dat we moeten zwijgen over datgene waarover we niet kunnen spreken?’ Boeddha slaakte een zucht. ‘Bedoelt u dat het absolute spreekt noch zwijgt?’ Boeddha slaakte een zucht. ‘Is uw zwijgen reeds een uitdrukking van het ene, net als mijn spreken nu?’ Boeddha slaakte een zucht. ‘Vallen wij niet geheel en al samen met iedere manifestatie van het zelf?’ Boeddha slaakte een zucht. ‘Zal ik toch maar niet liever zwijgen?’ De non-boeddhist zweeg. Boeddha gaapte. De non-boeddhist gaapte. Ananda gaapte. Ze strekten zich uit en sliepen een gat in de dag.


Loos om loos

Een non-boeddhist zei tegen de meester: ‘Waarom ben ik een non-boeddhist en u niet?’ De meester reageerde niet. De non-boeddhist knikte en zei: ‘Waarom sta ik dan hier en zit u daar?’ De meester reageerde niet. De non-boeddhist stond op, maakte een diepe buiging en vertrok. Een monnik vroeg: ‘Waarom knikte hij naar u?’ ‘Hij zag in dat het onderscheid tussen boeddhist en non-boeddhist loos is.’ ‘Waarom maakte hij een diepe buiging?’ ‘Hij zag in dat het niet-onderscheid tussen boeddhist en non-boeddhist loos is.’ ‘Waarom vertrok hij?’ ‘Zitten kun je overal’, zei de meester. De monnik knikte en zei: ‘Maar is het onderscheid tussen boeddhist en non-boeddhist nou loos of niet?’ De meester reageerde niet. De monnik maakte een diepe buiging en vertrok.


Tijdreizigers

Een monnik vroeg: ‘Bent u een boeddhist?’ Boeddha antwoordde: ‘Dat hebben anderen verzonnen; boeddhisme is van na mijn tijd.’ ‘Bent u een non-boeddhist?’ ‘Dat hebben anderen verzonnen; non-boeddhisme is van na mijn tijd.’ ‘Bent u een boeddha?’ ‘Dat hebben anderen verzonnen; boeddha’s zijn van na mijn tijd.’ ‘Boeddha is toch een eretitel?’ ‘Dat hebben anderen verzonnen, wat moet ik met een titel?’ ‘Zal ik u dan maar een non-boeddha noemen?’ ‘Je verzint het maar.’ De monnik drong aan: ‘Geen boeddhist, geen non-boeddhist, geen boeddha, geen non-boeddha – wat dan wel?’ Boeddha antwoordde: ‘Dat mogen anderen verzinnen, ik ben van voor die tijd.’


Rollenspel

Een monnik zei: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ ‘Geef gerust het goede voorbeeld’, zei de meester. ‘Dat was ik al van plan’, zei de monnik. ‘Komt er nog wat van?’ vroeg de meester. De monnik hield een bloem omhoog. ‘Zeg het met bloemen’, zei de meester mat. ‘U had moeten glimlachen, net als Mahakashyapa.’ ‘Ik kan wel huilen.’ ‘Het was een test’, verklaarde de monnik.’ ‘Je bent aan het solliciteren,’ verklaarde de meester. ‘Maar u bent niet geslaagd’, zei de monnik. ‘Maar er is geen vacature’, zei de meester.


Honds

Een monnik zei: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ ‘Ik toch ook niet’, antwoordde de meester. De monnik ging nog mooier zitten. ‘Braaf’, zei de meester. De monnik zat nu volmaakt onbeweeglijk. De meester zei: ‘De brokjes zijn op.’ ‘Verwijst u naar de leegte?’ ‘Ik vraag niet om woorden’, zei de meester. De monnik sloot zijn ogen. ‘Ik vraag niet om stilte’, zei de meester. Plotseling begon de monnik te blaffen. De meester vroeg: ‘Heeft een monnik de hondennatuur?’


Eigen weg

Een monnik vroeg: ‘Zonder te spreken of te zwijgen, wat is de weg?’ De meester antwoordde: ‘Spreken als er spreken is, zwijgen als er zwijgen is.’


De onvoorwaardelijke wijs

Een monnik vroeg: ‘Zonder te spreken of te zwijgen, wat is de weg?’ De meester antwoordde: ‘Geen voorwaarden stellen aan de weg.’ ‘Wat voor voorwaarden niet, bijvoorbeeld?’ ‘Dat je niet moet spreken of zwijgen, bijvoorbeeld.’


Doorzien

De meester vroeg: ‘Zonder te spreken of te zwijgen, wat is de weg?’ De monnik antwoordde: ‘Geen voorwaarden stellen aan de weg.’ ‘Behalve deze zeker.’ ‘Welke?’ ‘Dat je geen voorwaarden mag stellen aan de weg’, zei de meester. Ineens zag de monnik het licht. Hij maakte een diepe buiging en riep: ‘Door uw meedogenloze genade heb ik nu ál mijn illusies doorzien.’ ‘Behalve deze zeker’, zei de meester. ‘Welke?’ vroeg de monnik verbaasd. ‘Dat je door mijn meedogenloze genade nu ál je illusies hebt doorzien.’


Kringloopwinkel

Monnik: Wat als je de vorm doorziet?
Meester: Leegte.
Monnik: Wat als je de leegte doorziet?
Meester: Vorm.
Monnik: Wat als je vorm en leegte doorziet?
Meester: Vorm noch leegte.
Monnik: Wat als je vorm noch leegte doorziet.
Meester: Hè hè.
Monnik: Valt er dan nog iets te doorzien?
Meester: Alleen nog het doorzien.
Monnik: Wat als je ook dat hebt doorzien?
Meester: Ja, wat niet.
Monnik: Bijvoorbeeld?
Meester: Leerlingen.
Monnik: Wat als je leerlingen krijgt?
Meester: Steeds opnieuw beginnen.


Blinde paarden

Monnik: Er zijn vier soorten paarden. De eerste reageert al bij de schaduw van een zweep, de tweede als de zweep zijn vacht raakt, de derde als de zweep zijn vlees raakt en de vierde als de zweep zijn merg raakt. Zo zijn er vier soorten monniken. De eerste ziet het bestaanskenmerk van de vergankelijkheid al als er iemand in een ander dorp sterft, de tweede als er iemand in zijn eigen dorp sterft, de derde als er iemand van zijn eigen familie sterft en de vierde als hij zelf sterft.
Meester: Er zijn vier soorten blinden. De eerste ziet alleen zijn eigen vergankelijkheid, de tweede alleen die van zijn familie, de derde alleen alleen die van zijn dorpsgenoten en de vierde ziet alleen maar vergankelijkheid.
Monnik: Er waren toch vijf soorten blinden?
Meester: Dat is waar ook.
Monnik: En er waren toch drie bestaanskenmerken – vergankelijkheid, lijden en niet-zelf?
Meester: Ik weet het alweer.
Monnik: Wat?
Meester: De vijfde soort blinde ziet maar drie bestaanskenmerken.


De Drie Karakteristieken van het Bestaan (Pali: tilakkhaa; Sanskrit: trilakaa): vergankelijkheid (anicca, anitya), lijden (dukkha, duḥkha), niet-zelf ((anattā, anātman).


33. Geest noch boeddha

Een monnik vroeg: ‘Wat is boeddha?’ Meester Mazu antwoordde: ‘Geen geest, geen boeddha.’

33 silhouet


Een begin zonder einde

Monnik: Wat is boeddha?
Meester: Verzin eens wat nieuws.
Monnik: Wat is er er nieuw?
Meester: Boeddha.


Lijf aan lijf

Monnik: Wat is boeddha?
Meester: Wat een vraag.
Monnik: Een verlichtingsleer, verlichting of de verlichte?
Meester: Doorhalen wat niet van toepassing is.
Monnik: Ik verwijs naar de drie-lichamentheorie*.
Meester: En maar tellen.
Monnik: Is boeddha een verlichtingsleer?
Meester: Hoe kan een leer nou verlichten.
Monnik: Is boeddha verlichting?
Meester: Wat heet verlichting.
Monnik: Is boeddha de verlichte?
Meester: Is de verlichte?
Monnik: Wat is boeddha?
Meester: Wat een vraag.

* de trikaya: dharmakaya, sambhogakaya en nirmanakaya


Kort en klein

‘Wat is boeddha?’
‘Wat niet.’

‘Wat is boeddha niet?’
‘Wat wel.’

‘Wat is boeddha?’
‘Een gevangenis.’

‘Wat is boeddha?’
‘Een uitweg.’

‘Wat is boeddha?’
‘Een woord.’

‘Wat is boeddha?’
‘Geen woord’

‘Wat is boeddha?’
‘Deze vraag.’

‘Wat is boeddha?’
‘Dit antwoord.’

‘Wat is boeddha?’
‘Tja.’

‘Wat is boeddha?’
‘Wat is?’

‘Wat is boeddha?’
‘Is boeddha?’

‘Wat is boeddha?’
”t Is wat.’


In je fles

Meester: Wat is boeddha?
Monnik: Geest is boeddha.
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: Ik bedoel, geest is niet boeddha.
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: Ik bedoel, niet-geest is boeddha.
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: Ik bedoel, niet-geest is niet boeddha.
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Wat is boeddha.
Monnik: En dan?
Meester: Proost.


Een aanbeveling

Monnik: Wat weet u eigenlijk van de boeddha?
Meester: Minder dan wie ook.
Monnik: Dat lijkt me geen aanbeveling.
Meester: Integendeel.


Drie erezaken

Monnik: Hoe kunnen wij de boeddha de grootste eer bewijzen?
Meester: Door hem te doden.
Monnik: Ik zou u hierom moeten doden.
Meester: Je kan me geen groter eer bewijzen.

Monnik: Hoe kunnen wij de dharma de grootste eer bewijzen?
Meester: Door haar onophoudelijk te betwijfelen.
Monnik: Ik begin steeds meer aan u te twijfelen.
Meester: Je kan me geen groter eer bewijzen.

Monnik: Hoe kunnen wij de sangha de grootste eer bewijzen?
Meester: Door ons onafhankelijk op te stellen.
Monnik: Ik zou u hierom de rug moeten toekeren.
Meester: Je kan me geen groter eer bewijzen.


Eenentwintigen

Monnik: Zen onderscheidt twee soorten ziekten.
Meester: Wat is de eerste ziekte?
Monnik: Denken dat de waarheid buiten jezelf is te vinden.
Meester: Hoe kom je erop.
Monnik: Daarom zei Mazu, ‘De geest zelf is boeddha’.
Meester: Wat is de tweede ziekte?
Monnik: Denken dat de geest zelf de waarheid is.
Meester: Hoe kom je erop.
Monnik: Daarom zei Mazu: ‘Geen geest, geen boeddha.’
Meester: Wat is de derde ziekte?
Monnik: Nou?
Meester: Denken dat er maar twee ziekten zijn.
Monnik: Wat is de vierde ziekte?
Meester: Denken dat je een geest hebt.
Monnik: Wat is de vijfde ziekte?
Meester: Denken dat je geen geest hebt.
Monnik: Wat is de zesde ziekte?
Meester: Denken dat je een geest bent.
Monnik: Wat is de zevende ziekte?
Meester: Denken dat je geen geest bent.
Monnik: Wat is de achtste ziekte?
Meester: Denken dat er maar één geest is.
Monnik: Wat is de negende ziekte?
Meester: Denken dat er vele geesten zijn.
Monnik: Wat is de tiende ziekte?
Meester: Denken dat je een boeddha bent.
Monnik: Wat is de elfde ziekte?
Meester: Denken dat je geen boeddha bent.
Monnik: Wat is de twaalfde ziekte?
Meester: Denken dat de waarheid zowel buiten als in jezelf is te vinden.
Monnik: Wat is de dertiende ziekte?
Meester: Denken dat de waarheid noch buiten noch in jezelf is te vinden.
Monnik: Wat is de veertiende ziekte?
Meester: Denken dat er een buiten en een binnen is.
Monnik: Wat is de vijftiende ziekte?
Meester: Denken dat er geen buiten of binnen is.
Monnik: Wat is de zestiende ziekte?
Meester: Denken dat er een waarheid is.
Monnik: Wat is de zeventiende ziekte?
Meester: Denken dat er geen waarheid is.
Monnik: Wat is de de achttiende ziekte?
Meester: Denken dat er ziekten zijn.
Monnik: Wat is de negentiende ziekte?
Meester: Denken dat er geen ziekten zijn.
Monnik: Ik weet er ook een.
Meester: Ja, het is besmettelijk.
Monnik: Dénken is de twintigste ziekte.
Meester: Zou je denken?
Monnik: Er zijn net zoveel ziekten als gedachten.
Meester: En dat is eenentwintig.


34. Boeddha noch begrip

Nanquan zei: ‘Geest is niet boeddha. Begrijpen is niet de weg.’

34 boeddha noch begrip


Wegwerker

Monnik: Begrijpen is niet de weg.
Meester: Toch weer iets begrepen?


Wegwezer

Monnik: Begrijpen is niet de weg.
Meester: Waarheen?
Monnik: Je ware zelf natuurlijk.
Meester: Toch weer iets begrepen?


Wegwijzer

Monnik: Begrijpen is niet de weg.
Meester: Dat begrijp ik niet.
Monnik: Wat niet?
Meester: Welke weg?


Pang

Chinese wijsheid

Monnik: Begrijpen is niet de weg.
Meester: Onbegrip ook niet.
Monnik: Dat hebt u anders zelf gezegd.
Meester: Wat heb ik anders zelf gezegd?
Monnik: Dat begrijpen niet de weg is.
Meester: Toen moest ik wat anders rechtzetten.
Monnik: Verdraaid nog aan toe.
Meester: Wat?
Monnik: U zegt steeds wat anders.
Meester: Moet je maar niet steeds wat anders zeggen.
Monnik: De ene keer is het Ping, de andere keer Pong.
Meester: Je zou er het heen en weer van krijgen.
Monnik: Ik bedoel, bent u nou Ping of bent u Pong?
Meester: Tegen Ping ben ik Pong, tegen Pong ben ik Ping.
Monnik: En tegen Pingpong?
Meester: Die speelt wel met zichzelf.


Een opsteker

Monnik: Ik leer helemaal niets van u.
Meester: Dat is op dit moment het hoogst haalbare.
Monnik: Wát?
Meester: Het zal nog wel even duren voor we aan afleren toekomen.
Monnik: En ik maar denken dat ik iets van u kon opsteken.
Meester: Weer wat geleerd.


Redeloos

Monnik: Wordt u blij als u het bij iemand ziet dagen?
Meester: Duisteren zul je bedoelen.
Monnik: Wordt u blij als u het bij iemand ziet duisteren?
Meester: Niet weten is nooit een reden voor blijdschap.
Monnik: Waarvoor dan wel?
Meester: Niet weten is nooit een reden.
Monnik: Niet weten is nooit een reden?
Meester: En daar word ik nou blij van.


Spel zonder grenzen

Monnik: Hoe lang duurt deze kwelling nog?
Meester: Tot alle vragen gesteld zijn.
Monnik: Zal ik dan eindelijk antwoorden hebben?
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Blijf ik zeker met de vragen zitten.
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Zal ik dan eindelijk mezelf zijn?
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Doordat ik het zelf realiseer?
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Doordat ik niet-zelf realiseer?
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Je zou er wanhopig van worden.
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Er blijft toch nog iets te hopen over?
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.
Monnik: Volledige verlossing, zogezegd.
Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.


Makkie

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen de meester en de leerling?
Meester: Beiden snappen er niks van.
Monnik: En het verschil?
Meester: De meester geeft het toe.


Lakmoesproef

Monnik: Hoe herken je de ware meester?
Meester: Door hem een vraag te stellen.
Monnik: En als hij het antwoord niet weet?
Meester: Dan maak je dat je wegkomt.
Monnik: En als hij het antwoord wel weet?
Meester: Dan maak je dat je wegkomt.
Monnik: Aju paraplu.
Meester: Een ware leerling.


Uitzonderlijk

Monnik: Aan u heb je ook niks.
Meester: Waar vind je dat nog.


Wiswijs

Monnik: Wanneer zal ik net zo wijs zijn als u?
Meester: Wanneer je niet meer weet wat wijs is.
Monnik: Maar dat weet ik nu al niet.
Meester: Maar dat weet je nu nog niet.


Second opinions

Monnik: Als u blijft zwijgen, zoek ik wel een andere meester.
Meester: Wie bedonderd wil worden zal een oplichter vinden.

Monnik: Als u uw mond niet houdt, zoek ik wel een andere meester.
Meester: Wie bedonderd wil worden zal een oplichter vinden.


35. De ware Qian

Wuzu vroeg aan zijn monniken: ‘Qian leidde een dubbelleven. Wie was de ware Qian?’

35 januskop


Het ware verhaal

Moraal halen

Na de ochtendmeditatie vertelde de meester het volgende verhaal:

‘Er was eens een oude man met een mooie dochter, Qian, van wie hij heel veel hield. Net toen Qian verliefd was geworden op haar even knappe neef kwam haar vader met een echtgenoot op de proppen. De geliefden sloegen op de vlucht naar een ver land, waar ze trouwden en kinderen kregen. Die kinderen herinnerden Qian aan haar vader, en overmand door schuldgevoelens besloten de weglopers hem op te zoeken en om vergiffenis te vragen. Na de terugreis bleef Qian achter op de boot terwijl haar neef vooruit ging om zijn schoonvader te vertellen wat er allemaal gebeurd was. “Over wie heb je het?” vroeg de oude man. “Uw dochter, Qian.” “Maar die ligt gewoon in bed. Ze is kort na je vertrek ziek geworden en heeft nooit meer een woord gesproken.” “Wacht maar”, zei de neef, en keerde terug naar de boot. Intussen ging de oude man naar de slaapkamer en deed het verhaal. De zieke Qian stond zonder een woord te zeggen op en liep naar buiten, waar ze versmolt met de gezonde Qian, die net was aangekomen.’

‘Wat kunnen we hiervan leren?’ vroeg een monnik toen de meester uitverteld was. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ zei de meester. ‘Aan welke Qian moeten wij een voorbeeld nemen?’ vroeg een monnik. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ zei de meester. ‘Wie was de ware Qian?’ vroeg een monnik. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ zei de meester. ‘De moraal van het verhaal is dat niet ieder verhaal een moraal hoeft te hebben’, verklaarde de hoofdmonnik. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ zei de meester.


Kwik, kwek en kwak

Twee eenden hebben mot.
Zegt het mannetje: Kwik?
Zegt het vrouwtje: Het hele jaar ben je hartstikke aardig, maar het ijs is nog niet gesmolten of je begint me weer kopje onder te duwen.
Zegt het mannetje: Kwek?
Zegt het vrouwtje: Ik wil gewoon weten waar ik aan toe ben.
Zegt het mannetje: Kwak?
Zegt het vrouwtje: Voor de draad ermee, wie ben je nou écht?
Zegt het mannetje: Kwik, kwek, kwak, kwik kwik kwak, kwek kwek kwik, kwak kwek kwik, kwekkerdekwek kwakkerdekwak kwikkerdekwekkerdekwaak!


Drie pond zegge

Monnik: Wat is mijn ware zelf?
Meester: Wat niet denkt in termen van waar en vals of zelf en niet-zelf.
Monnik: Omdat het niet denkt of omdat het niet in die termen denkt?
Meester: En ook niet in termen van het en niet-het of termen en niet-termen of zus denken en zo denken of denken en niet-denken.
Monnik: Omdat het niet bestaat, zeker.
Meester: En ook niet in termen van bestaan en niet-bestaan.
Monnik: Geheimzinnig hoor.
Meester: Juist niet.
Monnik: En dat zou mijn ware zelf zijn?
Meester: Wat zeg ik nou?
Monnik: Wat is het dan wel?
Meester: Wat zeg ik nou?
Monnik: Is er dan helemaal niets over te zeggen?
Meester: Waarover?
Monnik: Wat moet ik dan zeggen?
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Je zegt het maar.


Meltdown

Monnik: Wat ben ik?
Meester: Een munt.
Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?
Meester: Ego en zelf.
Monnik: Hoe verlos ik mij van mijn ego?
Meester: Door de munt om te smelten.
Monnik: Maar dan raak ik het zelf ook kwijt.
Meester: Als dat geen bevrijding is.
Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.
Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Monnik: Wat ben ik?
Meester: Een munt.
Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?
Meester: Vorm en leegte.
Monnik: Hoe verlos ik mij van mijn vorm?
Meester: Door de munt om te smelten.
Monnik: Maar dan raak ik de leegte ook kwijt.
Meester: Als dat geen bevrijding is.
Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.
Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Monnik: Wat ben ik?
Meester: Een munt.
Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?
Meester: Leerling en meester.
Monnik: Hoe verlos ik mij van de leerling in mij?
Meester: Door de munt om te smelten.
Monnik: Maar dan raak ik de meester ook kwijt.
Meester: Als dat geen bevrijding is.
Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.
Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Monnik: Wat ben ik?
Meester: Een munt.
Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?
Meester: Mens en boeddha.
Monnik: Hoe verlos ik mij van de mens in mij?
Meester: Door de munt om te smelten.
Monnik: Maar dan raak ik de boeddha ook kwijt.
Meester: Als dat geen bevrijding is.
Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.
Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.


Spiegeltje spiegeltje

Monnik: Wat ziet u toch in mij.
Meester: Mezelf.
Monnik: Bevalt het?
Meester: Het is geen gezicht.


Gezichtsverlies

Monnik: Wat is mijn Oorspronkelijke Gezicht?
Meester: Geen gezicht.
Monnik: Wat is Geen Gezicht?
Meester: Iemand die zijn Oorspronkelijke Gezicht probeert te zien.


Demasqué

Monnik: Wat zit er onder mijn oorspronkelijke gezicht?
Meester: Je ware masker.
Monnik: Wat zit er onder mijn ware masker?
Meester: Het volgende maskergezicht.
Monnik: Masker of gezicht?
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Bedoelt u dat het allemaal manifestaties van het Ware Zelf zijn?
Meester: Het ware wat?
Monnik: Wat als we alle maskers afleggen?
Meester: Tja.
Monnik: Is dat wat eronder zit of weet u het niet?
Meester: Ik zie het verschil niet.


Foundation

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.
Sint: Onder deze schminklaag ben ik een en al schmink.

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.
Sint: Onder mezelf ben ik een en al schmink.

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.
Sint: Onder mezelf ben ik helemaal zonder mezelf.

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.
Sint: Zonder mezelf ben ik helemaal mezelf.


Het Grootste Boek

Piet: Wat staat er allemaal in uw grote boek?
Sint: Eerlijk zeggen?
Piet: Eerlijk zeggen.
Sint: Helemaal niets.
Piet: Maar u leest er toch uit voor?
Sint: Ik doe alleen maar alsof.
Piet: Mag ik u wat vragen?
Sint: Ga je gang.
Piet: Wat staat er in over mij?
Sint: Eerlijk zeggen?
Piet: Eerlijk zeggen.
Sint: Helemaal niets.
Piet: Zo slecht kent u mij?
Sint: Zo goed ken ik jou.


•••—•••

Monnik: Wat moet ik doen om mijn ware ik te zien?
Meester: Wat denk jij?
Monnik: De puntjes verbinden.
Meester: De lijntjes uitgummen.
Monnik: Wou u beweren dat ik alleen maar uit losse puntjes besta?
Meester: Zie eerst die lijntjes nou maar weg te krijgen.
Monnik: En dan?
Meester: Die puntjes natuurlijk.
Monnik: En dan krijg ik eindelijk mijn ware ik te zien?
Meester: En dan het gummen nog ongedaan maken.


Onder stellingen

Monnik: Wie bent u ten diepste?
Meester: Die vraag veronderstelt dat ik ben.
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.
Monnik: Ziet u uw bestaan als hypothetisch?
Meester: Dat is ook maar een hypothese.
Monnik: Die u koestert?
Meester: Die jij oppert.
Monnik: Wie bent u ten diepste, gesteld dat u bent?
Meester: In plaats van?
Monnik: Oppervlakkig gezien.
Meester: Die vraag veronderstelt dat er meerdere niveaus zijn.
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.
Monnik: Als in ‘alleen maar dit’ of ‘what you see is what you get’?
Meester: Die vraag veronderstelt dat er van alles is.
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.
Monnik: Ziet u het bestaan als hypothetisch?
Meester: Dat is ook maar een hypothese.
Monnik: Wat als alles een illusie is?
Meester: Die vraag veronderstelt dat de illusie echt is.
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.
Monnik: Is alles dan alleen maar hypothetisch?
Meester: Dat is ook maar een hypothese.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Dat moet ik van je aannemen.


zoek je selfie


36. Een verlichte groeten

Wuzu zei: ‘Kom je op de weg een verlichte tegen dan is spreken al even ongepast als zwijgen. Hoe zou jij hem begroeten?’

36 spreken of zwijgen


Verlichte groeten

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: Een wat?

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: Hoe dan ook.

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: Dat is zijn probleem.

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: De groeten.

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: Met deze vraag.

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: Moet ik dan alles van te voren bedenken?

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen; hoe dan wel?
Meester: Denk je dat het hem wat kan schelen?
Monnik: Ik denk het eerlijk gezegd niet.
Meester: Waarom jou dan wel?


Een duistere zaak

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen.
Meester: In jouw woordenboek misschien.
Monnik: Wat verstaat u onder een verlichte?
Meester: Iemand die het niet uitmaakt hoe je hem groet.
Monnik: En als het hem toch uitmaakt?
Meester: Maakt niet uit.
Monnik: Hoe weet je dan of hij verlicht is?
Meester: Doordat het hem niet uitmaakt.
Monnik: Wat niet?
Meester: Of hij verlicht is niet.
Monnik: En als het hem toch uitmaakt?
Meester: Maakt niet uit.
Monnik: U niet of hem niet?
Meester: Wat maakt het uit.
Monnik: Noem dat maar verlicht.
Meester: Hoe je het ook noemt.


De keizer heeft geen veren

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen.
Meester: Ook goedemorgen.
Monnik: Dat zou namelijk ongepast zijn.
Meester: Wat is verlichting volgens jou?
Monnik: Realisatie van het ware zelf.
Meester: Goedendag.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Doei.
Monnik: Even serieus.
Meester: Zie je mij lachen?
Monnik: Maar wat is verlichting volgens u?
Meester: In je hemd staan dan maar.
Monnik: Wát?
Meester: Met je billen bloot gaan.
Monnik: Dat is nog erger.
Meester: Geen draad meer aan je lijf hebben.
Monnik: Wat zeg je tegen zo iemand?
Meester: De keizer heeft geen kleren.
Monnik: Bij wijze van groet, bedoel ik.
Meester: Koud hè.
Monnik: En zonder te spreken?
Meester: Brr.


Twee zielen

Zegt de ene meester: Eh…
Zegt de andere: U haalt me de woorden uit de mond.


Poep op je hoed

Zegt de ene meester: Alles goed?
Zegt de andere: Alles wel, maar verder?

Zegt de ene meester: Alles goed?
Zegt de andere: Poep op je hoed.
Zegt de ene: Ik heb geen hoed.
Zegt de andere: En ik geen goed.

Zegt de ene meester: Alles goed?
Zegt de andere: Wat heet alles.
Zegt de ene: Beter had ik het niet kunnen zeggen.
Zegt de andere: En met jou?
Zegt de ene: Wat heet goed.
Zegt de andere: Beter had ik het niet kunnen zeggen.

Zegt de ene meester: Alles goed?
Zegt de andere: Wat heet goed.
Zegt de ene: Beter had ik het niet kunnen zeggen.
Zegt de andere: Wat heet beter.

Zegt de ene meester: Alles goed?
Zegt de andere: Beter had ik het niet kunnen zeggen.


Reiziger in knoopsgaten

Monnik: Wat is verlichting?
Meester: Vertrekken.
Monnik: Hè?
Meester: Je klinkt verrast.
Monnik: Ik dacht dat verlichting aankomen was.
Meester: Maar het is vertrekken.
Monnik: Waarvandaan?
Meester: Van waar je maar denkt te zijn.
Monnik: En als je nou nergens denkt te zijn?
Meester: Dan is dat je vertrekpunt.
Monnik: En als je niet denkt ergens of nergens te zijn?
Meester: Dan ben je al vertrokken.
Monnik: En dat zou verlichting zijn?
Meester: Wat?
Monnik: Vertrokken zijn?
Meester: Denken dat je vertrokken bent is alweer aangekomen zijn.
Monnik: Waar dan?
Meester: Dat hangt ervan af.
Monnik: Waarvan af?
Meester: Of je verlicht bent of onverlicht.
Monnik: Als je verlicht bent?
Meester: Dan is dat je vertrekpunt.
Monnik: En als je onverlicht bent?
Meester: Dan is dat je vertrekpunt.
Monnik: En anders?
Meester: Ben je al vertrokken.


Nablijver

Monnik: Verlichting is vertrekken.
Meester: Dan is dat je uitgangspunt.
Monnik: Ik bedoel, verlichting is onderweg zijn.
Meester: Dan is dat je uitgangspunt.
Monnik: Wat moet ik nou met een uitgangspunt.
Meester: Achter je laten natuurlijk.
Monnik: Maar ik zeg toch dat verlichting vertrekken is?
Meester: Waar wacht je dan nog op?


Binnenkruier

Meester: Wat is verlichting volgens jou?
Monnik: Reizen zonder bagage.
Meester: Dan is dat je bagage.
Monnik: Wat?
Meester: Het idee dat verlichting reizen zonder bagage is.
Monnik: Wat is verlichting volgens u?
Meester: Ik zeg niks.
Monnik: Verlichting is eigenlijk niks, wou u zeggen.
Meester: Dan is dat je bagage.
Monnik: Verlichting is niks zeggen, wou u zeggen.
Meester: Dan is dat je bagage.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Dan is dat je bagage.


Koekenbakkers

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen de verlichte en de onverlichte?
Meester: Beide kletsen maar wat.
Monnik: En het verschil?
Meester: De laatste gelooft erin.
Monnik: U niet?
Meester: Wou jij beweren dat ik verlicht ben?
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Mij niet gezien.
Monnik: Bedoelt u van wel?
Meester: Mij niet gezien.
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: Ik klets maar wat.
Monnik: Dus er is geen enkel verschil tussen de verlichte en de onverlichte?
Meester: Kletskoek.


Zitprentjes 25-36