De Poortloze Poort, koans 37-48

Niet te missen: de Poortloze Poort. Lachen en huilen om het raadsel van het leven. De zenklassieker ‘de Wumenguan’ volgens Hans van Dam. Deel 4 en slot: koans 37-48.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Zen > De Poortloze Poort, koans 37-48

Koans 1-12, Koans 13-24, Koans 25-36.

Tip: De Linji-lu


Inhoud

37. De cipres in de tuin

Een monnik vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma naar China?’ Meester Zhaozhou antwoordde: ‘De cipres in de tuin.’

37 cypres

 


Rode beuk

Meester: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Monnik: De cipres in de tuin.
Meester: Waarom de cipres in de tuin?
Monnik: Eh…
Meester: Valse christusdoorn.


voetlicht


Trompetboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: Waarom niet.
Monnik: Ik bedoel, wat is de kern van het boeddhisme.
Meester: Dat het geen kern heeft?
Monnik: De eenheid van het universum natuurlijk.
Meester: Was dat niet de kern van het monisme?
Monnik: Is in het antwoord ‘de cipres in de tuin’ niet het hele subject verdisconteerd?
Meester: Vraag maar aan die cipres daar.
Monnik: En in het subject de hele werkelijkheid?
Meester: Wat een praatjes heeft het universum weer vandaag.
Monnik: ‘De cipres in de tuin’ maakt in één klap een einde aan alle dualistische gedachten.
Meester: Behalve aan deze zeker.
Monnik: Dus waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: De ratelpopulier in het klooster.


Jeneverbes

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: De monnik in de apenboom.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: De tuin in de cipres.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: De toverhazelaar in de bovenkamer.


Granaatappel

Monnik: Waarom ging Bodhidharma naar China?
Meester: Waar is China?
Monnik: Wat?
Meester: Wijs eens aan.
Monnik: Waar is hier het oosten?
Meester: Hoezo?
Monnik: Dan kan ik ernaar wijzen.
Meester: Het oosten zit in je hoofd.
Monnik: Ik kan toch kwalijk naar mijn hoofd gaan wijzen.
Meester: Waar is Bodhidharma?
Monnik: Wat?
Meester: Wijs eens aan.
Monnik: Zeker ook weer in mijn hoofd.
Meester: Hoe komt Bodhidharma in een monnik?


Kraakwilg

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: Om beweegredenen te zoeken.


Bittere wilg

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: Omdat hij van loempia’s hield.
Monnik: Niet voor de cipres in de tuin?
Meester: Die stond er toen nog niet.
Monnik: Wat betekent de cipres in de tuin?
Meester: Kwam Bodhidharma daar nou voor naar China.


Meelbes

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: Waarom gingen Sam en Moos naar het paradijs?
Monnik: Nou?
Meester: Ze gingen niet.
Monnik: Omdat ze naar Parijs gingen zeker.
Meester: Dat vertelt het verhaal niet.
Monnik: Omdat ze er al waren zeker.
Meester: Dat vertelt het verhaal ook niet.
Monnik: Omdat het paradijs hier is zeker.
Meester: Dat vertelt het verhaal ook niet.
Monnik: Omdat er geen paradijs is zeker.
Meester: Dat vertelt het verhaal ook niet.
Monnik: Omdat het een mop is zeker.
Meester: Haha.
Monnik: O, ik snap het al.
Meester: Wat?
Monnik: Omdat het ware zelf zich uitstrekt in alle tien richtingen.
Meester: Waarom kwam Bodhidharma dan naar China?


Vuilboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: Om een Bed & Breakfast te beginnen.
Monnik: Dat is een anachronisme.
Meester: Nee, jij dan.
Monnik: Hoezo?
Meester: Het hangt in een eikenboom en stelt andermans vragen.
Monnik: Wacht even… ik heb het. Een eikel?


Hemelboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?
Meester: Om in een grot te zitten.
Monnik: Waarom ging Bodhidharma in een grot zitten?
Meester: Omdat het daar niet sneeuwt.
Monnik: Wat zocht hij in die grot?
Meester: Ruimte, denk ik.
Monnik: Waarom denkt u dat?
Meester: Anders was hij wel in die berg gaan zitten.
Monnik: Waarom ging hij dan met zijn gezicht naar de muur zitten?
Meester: Omdat een grot alleen muren heeft.
Monnik: Een grot heeft toch ook een uitgang?
Meester: Daar was hij nog lang niet aan toe.


Pruikenboom

Monnik: Waarom zat Bodhidharma met zijn gezicht naar de muur?
Meester: Omdat hij dacht dat het een spiegel was.
Monnik: Wat hoopte hij in die spiegel te zien?
Meester: Zijn ware gezicht.
Monnik: En, heeft hij het gezien?
Meester: Ga zelf maar eens met je gezicht naar de muur zitten
Monnik: Hoe lang moet ik daarmee doorgaan?
Meester: Zolang je denkt dat het een spiegel is.


Treurwilg

Monnik: Waarom zat Bodhidharma acht jaar in een grot?
Meester: Omdat hij de uitgang niet kon vinden.
Monnik: Waarom kon hij de uitgang niet vinden?
Meester: Omdat hij daardoor binnen was gekomen.
Monnik: Waarom zat hij met zijn gezicht naar de muur?
Meester: Omdat hij daar de uitgang hoopte te vinden.
Monnik: Maar de uitgang is toch gewoon de ingang?
Meester: Niet zolang je hem zoekt.


Kruipwilg

Monnik: Wat is Boeddha?
Meester: Een standbeeld in de tuin.
Monnik: Wat ben ik?
Meester: Zijn sokkel.


Doodsbeenderenboom

Monnik: Wie is Bodhidharma?
Meester: Een dode in een koan.
Monnik: Wat ben ik?
Meester: Zijn graf.


Levensboom

Monnik: Wie is Bodhidharma?
Meester: Een dode in een koan.
Monnik: Wat is rinzai?
Meester: Een koan in een dode.
Monnik: Wat is soto?
Meester: Doden zonder koan.
Monnik: Wat bent u?
Meester: Een koan zonder dode.


Bonsai

Monnik: Waarom ging het boeddhisme naar China?
Meester: Omdat het werd beknot in India.
Monnik: Waarom ging ch’an naar Japan?
Meester: Omdat het werd beknot in China.
Monnik: Waarom kwam zen naar het westen?
Meester: Omdat het werd beknot in Japan.
Monnik: Wat doet zen™ in de lage landen?
Meester: De bonsai op de binnenplaats.


Bladwijzer

1. De Grote Weg

‘Ik word een boom!’ riep het ene lenteblad tegen het andere.
‘Ik blijf het proberen!’ riep het ene zomerblad tegen het andere.
‘Ik laat niet los!’ riep het ene herfstblad tegen het andere.
‘Ik geef het op!’ riep het ene winterblad tegen het andere.

2. De kleine weg

‘Daar zijn we dan’, zei het ene lenteblad tegen het andere.
‘Daar hangen we dan’, zei het ene zomerblad tegen het andere.
‘Daar gaan we dan’, zei het ene herfstblad tegen het andere.
‘Dat was het dan’, zei het ene winterblad tegen het andere.


38. Ossenstaart

Wuzu zei: ‘Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet doorheen?’

38 buffel zonder staart


Kop en kont

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet doorheen?
Meester: Omdat hij in de soep zit.

Monnik: Er hangt een staart door het hek. Waarom kan de os er niet doorheen?
Meester: Omdat hij in de soep zit.


Krijg een staart

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat het hek op zijn kont hangt.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat hij het hek is.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat er nóg een hek staat.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat er geen hek is.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat hij geen staart heeft.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat het geen os is.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat die in zijn bek zit.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat hij twee koppen heeft.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?
Meester: Omdat hij in zijn achteruit staat.

Monnik: Er staat een os voor het hek. Waarom kan hij er niet door?
Meester: Omdat het hek midden in het weiland staat.
Monnik: Maar dan kan hij er toch omheen?
Meester: Maar dan gaat zijn staart er niet doorheen.


Staartbrekens

Meester: Er staat een os voor zijn staart. Waarom loopt hij niet verder?
Monnik: Nou?
Meester: Omdat hij hem niet achter wil laten.
Monnik: Ik snap het niet.
Meester: Er staat een monnik onder zijn hoofd. Waarom loop hij niet verder?
Monnik: Ik pieker me suf.
Meester: Omdat het er dan af valt.
Monnik: Hoe stom kun je zijn.
Meester: Zei de os tegen de ezel.


Pauwenstaart

Monnik: Waarom kan ik mijn ego nooit helemaal overwinnen?
Meester: Wie zou dat dan moeten doen?

Monnik: Waarom kan ik mijn ego nooit helemaal overwinnen?
Meester: Overwinnen is iets van het ego.

Monnik: Waarom kan ik mijn ego nooit helemaal overwinnen?
Meester: Omdat je je ego helemaal nooit kan overwinnen.
Monnik: Waarom kan ik mijn ego helemaal nooit overwinnen?
Meester: Omdat het leeg is.
Monnik: Kan ik dan tenminste mijn leegte overwinnen?
Meester: Ook niet.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Omdat die ook leeg is.
Monnik: Wat moet ik dan?
Meester: Moeten is iets van het ego.


Wipstaart

‘Wie is de baas, de meester of zijn lul?’
‘De meester is de lul.’


Zolang

Zes jaar lang zat eerwaarde Hoelang met de koan: ‘Waarom lust een ossenstaart geen soep?’ Pas toen hij een medemonnik bij het bedelen hoorde vragen: ‘Waarom heeft deze soep geen ossenstaart?’ ging hem een lichtje op.


Staartdeling

Monnik: Kent u die van de os die niet met zijn staart door het hek kon?
Meester: Welke bedoel je?
Monnik: Zijn er meerdere dan?
Meester: Ik ben de tel kwijt.
Monnik: Volgens mij staat die os voor de drie illusoire werelden van de zinnelijke begeerte, de vorm en de niet-vorm. Levende wezens die in deze drie werelden verblijven, hebben hun ware natuur nog niet…
Meester: Ik dacht dat er vier illusoire werelden waren.
Monnik: Welke dan?
Meester: Die van de zinnelijke begeerte, de vorm, de niet-vorm en de ware natuur.
Monnik: Afijn, levende wezens die in deze drie, eh, vier illusoire werelden verblijven, zijn verbannen uit de wereld van de eenheid en…
Meester: Dat is vijf.
Monnik: De wereld van de eenheid behoort ook tot de illusoire werelden?
Meester: Tenzij dat ook een illusie is.
Monnik: Afijn, levende wezens in deze vijf, eh, zes werelden denken nog steeds in tegenstellingen en…
Meester: Dat is zes of zeven.
Monnik: … concepten zoals subject en object, illusie en werkelijkheid, eenheid en veelheid, wou ik zeggen.
Meester: Om nog maar te zwijgen over ‘levend’, ‘wezen’, ‘wereld’, ‘tegenstelling’ en ‘concept’.
Monnik: Afijn, in deze zeven, eh, acht, eh, negen…
Meester: Is er wat?
Monnik: Ik ben de tel kwijt.
Meester: Maakt niet uit.
Monnik: In deze, eh, in al deze illusoire werelden, eh…
Meester: Is er wat?
Monnik: Ik ben de draad kwijt.
Meester: Ken je die van de os die niet met zijn staart door het hek kon?


Vraagstaart

Monnik: Kent u die van de os die niet met zijn staart door het hek kon?
Meester: Hou op, schei uit.
Monnik: Waarvoor staat die staart?
Meester: Wedden dat jij me dat haarfijn uit kan leggen?
Monnik: Ik dacht voor het ego of voor het beest in de mens of voor de mens in de boeddha of voor het conceptuele denken of voor de leegte die nog achtergelaten moet worden nadat je de vorm hebt doorzien of voor de laatste vraag die zelfs in de hoogste wijsheid onbeantwoord blijft of voor de blinde vlekken en conditioneringen waarvan zelfs de volmaakt verlichte niet vrij is…
Meester: Is dat alles?
Monnik: Er was nog iets…
Meester: Daar kun je donder op zeggen.
Monnik: Donder op.
Meester: Ziezo.
Monnik: Waarvoor staat die staart volgens u?
Meester: Voor de staart, zou ik zeggen.
Monnik: Symbolisch, bedoel ik.
Meester: Voor de kop dan maar.
Monnik: En die kop?
Meester: Voor de kont natuurlijk.
Monnik: Serieus?
Meester: Voor de onbedwingbare neiging vragen te stellen, dan?
Monnik: Is dat alles?
Meester: Voor de onbedwingbare neiging antwoord te geven.
Monnik: Aha.
Meester: Voor de onbedwingbare neiging koans op te geven?
Monnik: Hoor wie het zegt.
Meester: Voor de onbedwingbare neiging koans op te lossen.
Monnik: Het waren anders niet mijn oplossingen, hoor.
Meester: Ik was er al bang voor.
Monnik: Ze zijn stuk voor stuk afkomstig van gerenommeerde ch’anmeesters.
Meester: Daar heb je het al.
Monnik: Wat?
Meester: Niets helpt.
Monnik: Nee, u dan.
Meester: Wie?
Monnik: U speculeert er toch ook op los.
Meester: Kun je nagaan.
Monnik: O, ik weet het alweer.
Meester: Zie je wel?
Monnik: Volgens mij staat de staart voor het leven van alledag dat overblijft als het dualistische denken voorgoed bedwongen is.
Meester: Niets helpt.


Ouroboros

Monnik: Bent u helemaal van uw gedachten verlost?
Meester: Welnee.
Monnik: Denkt u dan nog steeds?
Meester: Onophoudelijk.
Monnik: Ik ook!
Meester: En?
Monnik: Ik dacht al dat het aan mij lag.
Meester: En nou denk je weer van niet?
Monnik: U denkt toch ook nog steeds?
Meester: Wat bewijst dat?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Dat denk jij.
Monnik: Wat is dan het verschil tussen ons?
Meester: Jouw denken bijt wild om zich heen, op zoek naar houvast.
Monnik: En het uwe?
Meester: Dat bijt zichzelf in de staart.
Monnik: Is dat niet nog steeds een houvast?
Meester: Jawel…
Monnik: Maar?
Meester: Niet meer aan iets anders.


de mind


39. Naprater

Een monnik begon: ‘De stille schittering van de boeddha verlicht het hele heelal…’ Meester Yunmen onderbrak hem: ‘Zijn dat niet de woorden van de grote Zhang Zhou?’ ‘Jawel’, zei de monnik. ‘Foutje’, zei Yunmen. Later bracht meester Sixin de kwestie opnieuw ter sprake en vroeg: ‘Wat deed de monnik precies verkeerd?’

39 dovemansoren


Bloemen van de verbeelding

Het citaat waarmee waarop de monnik in koan 39 wordt afgerekend is de eerste regel van het verlichtingsgedicht van ch’anmeester Zhangzhuo Xiucai (Chosetsu Shusai), dat op vele manieren vertaald kan worden en vertaald ís, nu weer door mij:

In alle werelden schijnt hetzelfde licht.
Wijzen en dwazen, ieder schepsel is al thuis.
Waar gedachten niet blijven hangen is alles helder.
Wie zijn zintuigen of geest volgt, rent rond in een dichte mist.
Wie het zoekt in soberheid vergroot zijn onrust.
Wie de waarheid wil bezitten, grijpt ernaast.
Aardse zaken bezoedelen niemand.
Nirwana, leven en dood zijn bloemen van de verbeelding.

(bron: Zen and Zen Classics Volume Four: Mumonkan, Case XXXIX Ummon and a Mistake, R.H. Blyth, Hokuseido Press 1966, p257-258)


Hangen en wurgen

Monnik: ‘In alle werelden schijnt hetzelfde licht.’
Meester: Ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.
Monnik: ‘Wijzen en dwazen, ieder schepsel is al thuis.’
Meester: Ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.
Monnik: ‘Waar gedachten niet blijven hangen is alles helder.’
Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?
Monnik: ‘Wie zijn zintuigen of geest volgt, rent rond in een dichte mist.’
Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?
Monnik: ‘Wie het zoekt in soberheid vergroot zijn onrust.’
Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?
Monnik: ‘Wie de waarheid wil bezitten, grijpt ernaast.’
Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?
Monnik: ‘Aardse zaken bezoedelen niemand.’
Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?
Monnik: ‘Nirwana, leven en dood zijn bloemen van de verbeelding.’
Meester: Ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.


Goed fout

Monnik: Toen een monnik het verlichtingsgedicht van Zhang Zhou begon te citeren, kreeg hij op zijn kop van meester Yunmen. Wat had hij fout gedaan?
Meester: Hetzelfde als Zhang Zhou en Yunmen.
Monnik: Later bracht meester Sixin de kwestie ter sprake en vroeg wat de monnik precies fout had gedaan.
Meester: Hetzelfde als Sixin.
Monnik: Wat hebben Zhang Zhou, de monnik, meester Yunmen en meester Sixin fout gedaan?
Meester: Hetzelfde als ik.
Monnik: Wat heeft u fout gedaan?
Meester: Zeggen dat Zhang Zhou, de monnik, meester Yunmen, meester Sixin en ik iets fout hebben gedaan.
Monnik: Omdat goed en fout niet bestaan?
Meester: Begin jij nou ook al?
Monnik: Bedoelt u dat goed en fout tóch bestaan?
Meester: Houdt het dan nooit op?


Unquote

Zhang Zhou: De stille schittering van de Boeddha verlicht het hele heelal.
Meester: Zijn dit niet de woorden van de jongste bediende?
Zhang Zhou: Dan heeft hij ze van mij.
Meester: En van wie heb jij ze?
Zhang Zhou: Van mezelf.
Meester: Beginnen we nou ook al onszelf te citeren?
Zhang Zhou: Hoe kan je nou jezelf citeren.
Meester: Of heb je ze ter plekke bedacht?
Zhang Zhou: Ik heb ze vijftien jaar geleden bedacht.
Meester: Helemaal in je uppie?
Zhang Zhou: De woorden natuurlijk niet, maar de woordvolgorde wel.
Meester: Dat van die stille schittering van de Boeddha en zo, moet ik dat letterlijk nemen?
Zhang Zhou: Het is beeldspraak.
Meester: Waarom zo’n omweg?
Zhang Zhou: Wat zou u zeggen?
Meester: Tja.
Zhang Zhou: Waarom zo’n omweg?
Meester: …
Zhang Zhou: Beginnen we nou ook al onszelf te citeren?
Meester: Wat heb ik dan gezegd?
Zhang Zhou: De stille schittering van de Boeddha verlicht het hele heelal.


Wat geen oor kan horen

Monnik: ‘De stille schittering van de boeddha verlicht het hele…’ Is er iets?
Meester: WAT?
Monnik: Waarom hebt u uw vingers in uw oren?
Meester: WAT?
Monnik: IS ER IETS?
Meester: WAT?
Monnik: HAAL UW VINGERS UIT UW OREN.
Meester: Vooruit dan maar weer.
Monnik: Hoe moet ik het dan zeggen?
Meester: Wat zeggen?
Monnik: Door niets te zeggen?
Meester: Waarover?
Monnik: Er valt niets te zeggen, wou u zeggen.
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Dan zeg ik wel niets meer.
Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.
Monnik: Mag ik nog wat zeggen?
Meester: Even mijn vingers in mijn oren doen.
Monnik: Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is?
Meester: WAT?


Patience

Monnik: Bent u van mening…
Meester: Dat doet er niet toe.
De monnik schreef het gauw op in zijn aantekenboekje.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Dat doet er ook niet toe.
De monnik schreef het gauw op in zijn aantekenboekje.
Monnik: Als het er toch niet toe doet, kunt u ook wel zeggen waarom niet.
Meester: Alle meningen zijn grondeloos.
De monnik schreef het gauw op in zijn aantekenboekje.
Meester: Deze ook.
De monnik schreef het gauw op in zijn aantekenboekje.
Meester, nadrukkelijk: Ik ben een sufferd.
De monnik schreef het met hoofdletters in zijn aantekenboekje.
Meester: Dit is géén mening.
De monnik schreef het gauw op in zijn aantekenboekje.
Meester: Het is een feit.
De monnik schreef het gauw op in zijn aantekenboekje.
Meester: Dat was het weer voor vandaag.
De monnik klapte zijn aantekenboekje dicht en borg het op.
Meester: Lees dat vanavond nog maar eens rustig na.
Monnik: Dank u wel hoor.


Gelovige Thomas

Monnik: Geloof niets van wat ik zeg.
Meester: Zelf bedacht?
Monnik: Eh… nee.
Meester: Citaatje?
Monnik: Eh… ja.
Meester: Van wie?
Monnik: Van ene Linji.
Meester: Waarom juist dit citaat?
Monnik: Omdat ik, eh…
Meester: Erin geloof?
Monnik: …
Meester: Waarom juist op dit moment?
Monnik: Omdat ik, eh…
Meester: Wou scoren?
Monnik: …
Meester: Maakt niet uit.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Ik geloofde het toch al niet.


Linji


Draadje los

Monnik: Wat is boeddhisme?
Meester: Voor het praatje gaan.
Monnik: Wat is verlichting?
Meester: Tot het gaatje gaan.

Monnik: Wat is boeddhisme?
Meester: Tot het gaatje gaan.
Monnik: Wat is verlichting?
Meester: Door het gaatje gaan.

Monnik: Wat is een leerling?
Meester: Een praatjesmaker.
Monnik: Wat is een leraar?
Meester: Een gaatjesmaker.

Monnik: Waar wringt de schoen voor de leerling?
Meester: Praatjes lusten geen gaatjes.
Monnik: Waar wringt de schoen voor de leraar?
Meester: Gaatjes lusten geen praatjes.

Monnik: Er is geen spijker zo klein of men vindt er wel een gaatje voor.
Meester: Er is geen gaatje zo klein of men vindt er wel een praatje voor.

Monnik: Ik wil altijd het naadje van de kous weten.
Meester: Ik het gaatje.


Naatje

Niet het praatje, niet het gaatje
Niet het praatje én het gaatje
Niet het praatje noch het gaatje
Niet het praatje van het gaatje
Niet het gaatje van het praatje
Niet het praatje van het praatje
Niet het gaatje van het gaatje
Niet het praatje zonder praatje
Niet het gaatje zonder gaatje
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen


Gezegend zijn de verdoemden

Monnik: Wat hebt u mij te zeggen?
Meester: …
Monnik: Bedoelt u dat er niets te zeggen valt?
Meester: …
Monnik: Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is?
Meester: …
Monnik: Bedoelt u dat er geen waarheid is?
Meester: …
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: …
Monnik: Doelt u op niet-bedoelen?
Meester: …
Monnik: Doelt u op het niets?
Meester: …
Monnik: Doelt u op de stilte die wij zijn?
Meester: …
Monnik: Heeft u dan helemaal niets te zeggen?
Meester: …
Monnik: Vindt u dat we moeten zwijgen?
Meester: …
Monnik: Verdomd…
Meester: Wat?
Monnik: ….
Meester: Wat heb je mij te zeggen?
Monnik: …
Meester: Bedoel je dat er niets te zeggen valt?
Monnik: …
Meester: Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?
Monnik: …
Meester: Bedoel je dat er geen waarheid is?
Monnik: …
Meester: Wat bedoel je dan?
Monnik: …
Meester: Doel je op niet-bedoelen?
Monnik: …
Meester: Doel je op het niets?
Monnik: …
Meester: Doel je op de stilte die wij zijn?
Monnik: …
Meester: Heb je dan helemaal niets te zeggen?
Monnik: …
Meester: Vind je dat we moeten zwijgen?
Monnik: …
Meester: Verdomd…
Monnik: Wat?
Meester: …


40. Pispot

Toen Guishan nog onder Baizhang studeerde, was hij de keukenmeester van het klooster. Baizhang zocht een abt voor een klooster op de berg Dawei. Hij riep alle monniken bijeen, zette een pispot op de grond en zei: ‘Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?’ De hoofdmonnik zei: ‘Geen boomstronk.’ ‘En jij?’ vroeg Baizhang aan Guishan. De keukenmeester trapte de pot omver en liep naar buiten. Baizhang zei lachend: ‘De hoofdmonnik heeft verloren.’ Daarop benoemde hij Guishan tot abt.

40 pot


Hoofdzaak

De meester zocht een abt voor het klooster op de berg, en iedereen had er zin in. Hij riep alle monniken bijeen, zette een pispot op de grond en zei: ‘Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?’ De monniken begonnen door elkaar heen te roepen: ‘Een waterkruik! ‘Een bloemenvaas!’ ‘Een waskom!’ ‘Een eetkom!’ Een hoedje!’ ‘Een gebruiksvoorwerp!’ ‘Een artefact!’ ‘Een object!’ ‘Het subject!’ ‘Het zelf!’ ‘Niet-zelf!’ ‘Het ene!’ ‘De boeddhanatuur!’ ‘Energie!’ ‘Materie!’ ‘Vorm!’ ‘Leegte!’ ‘Een lege vorm!’ ‘De vorm van leegte!’ ‘De werkelijkheid!’ De meester pakte zijn stok. ‘Een illusie!’ De meester hief zijn stok op. ‘Een helm!’ riep de dichtstbijzijnde monnik angstig, en de meester sloeg hem op zijn kop. ‘Nou moe!’ huilde de monnik geschrokken. ‘Had hem dan ook opgezet’, zei de meester. ‘Had u me dan tot abt benoemd?’ vroeg de monnik door zijn tranen heen. ‘Welnee.’ ‘Wat dan?’ ‘Dan was je nu doof geweest’, lachte de meester. Nog altijd zoekt hij een abt voor het klooster op de berg, maar niemand heeft er oren naar.


Nachtspiegel

De meester zocht een abt voor het klooster op de berg, maar voelde er zelf ook wel wat voor. Hij riep alle monniken bijeen, zette een pispot op zijn hoofd en zei: ‘Hoe noem je dit als je het geen helm mag noemen?’ Niemand durfde iets te zeggen. De meester zei: ‘Je oorspronkelijke gezicht’, en benoemde zichzelf tot abt.


Vrijwilligers

De meester zocht een abt voor het klooster op de berg, maar niemand had er zin in. Hij riep alle monniken bijeen, zette een pispot op de grond en zei: ‘Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?’ De hoofdmonnik zei: ‘Geen pispot.’ De andere monniken schoten in de lach. De meester zei: ‘Even serieus.’ De kok zei: ‘Een meester.’ ‘Anders wijs ik iemand aan hoor!’ zei de meester bars. De jongste bediende zei met trillende stem: ‘Het klooster op de berg.’ De meester zei: ‘Dat zal het zijn’, en benoemde de jongste bediende tot abt. Kort daarop vertrokken alle monniken naar het klooster op de berg.


Pispaal

De meester zette een pispot op de grond. Een van de monniken maakte een wegwerpgebaar. Een andere monnik stond op, trok zijn gewaad omhoog, hurkte boven de pot en plaste zijn blaas leeg. De een na de ander volgde zijn voorbeeld, tot de pot overliep. De meester wees ernaar en zei benauwd: ‘Wie weet wat dit is?’ Een monnik zei: ‘Ja, wie niet.’ Een monnik zei: ‘Wat eigenlijk.’ Een monnik zei: ‘Wie wil dat weten.’ Een monnik zei: ‘Goeie vraag.’ Een monnik riep: ‘Met vuur spelen!’ Een monnik bootste een sirene na. Een monnik schreeuwde: ‘Brand!’ Een monnik goot de pot leeg over de meester. Een monnik riep: ‘Golden shower!’ Een monnik riep: ‘Alle zegen komt van boven!’ De meester huilde: ‘Dit is de druppel!’ Kort daarop verruilde hij het klooster voor een hutje op de berg.


Buiten de pot

Meester: Je kan dit geen pispot noemen.
Monnik: Wedden?
Meester: Ik bepaal hier de regels, ja.
Monnik: Alles gaat voorbij.
Meester: D’ruit!
Monnik: Je kan dit geen meester noemen.


Bevrijdingsgedicht van meester Sst

Eerst was een pispot een pispot en een koan een koan.
Toen was een pispot een koan en een koan een pispot.
Nu is een pispot weer een pispot en een koan geen koan.


Langs berg en dal

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren, toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren en nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.1
Meester: En toen en toen en toen.
Monnik: Wat is daarmee?
Meester: Zo blijf je aan de gang.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester, uit volle borst: Langs berg en dal klinkt hoorngeschal.2


1. Deze uitspraak wordt toegeschreven aan Qingyuan Weixin (Ch’ing-yüan Wei-hsin; Seigen Ishin; 9e eeuw) door D. T. Suzuki (in zijn Essays in Zen Buddhism, First Series, 1926, London; New York: Published for the Buddhist Society, London by Rider, p. 24): ‘Before a man studies Zen, to him mountains are mountains and waters are waters; after he gets an insight into the truth of Zen through the instruction of a good master, mountains to him are not mountains and waters are not waters; but after this when he really attains to the abode of rest, mountains are once more mountains and waters are waters.’

2. Oud liedje:

Langs berg en dal klinkt hoorngeschal
Met vollen zuiv’ren toon
Met vollen zuiv’ren toon
En fors en stout weerklinkt door ’t woud
Die galm zo schoon, zo schoon.
Die galm zo schoon, zo schoon.

’t Geeft schoner kleur en frisser geur
Aan alles wat m’omringt
Aan alles wat m’omringt
En ’t beekje spat zijn paarlend nat
Alsof ’t een liedje zingt.
Alsof ’t een liedje zingt.

Genot en rust en levenslust
Daalt bij die melodij
Daalt bij die melodij
Verdriet en smart wijkt uit het hart
En vlucht en vlucht van mij.
En vlucht en vlucht van mij.

(F. Silcher)


Denktank

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren, toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren en nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: Ik heb het niet zelf bedacht.
Meester: Als ik het niet dacht.
Monnik: Ik zie het zo. Eerst was het subject het subject en het object het object, toen was het subject het object en het object het subject en nu is het subject het subject én het object en het object is het object én het subject.
Meester: Ik dacht het gisteren nog.
Monnik: Of eerst was binnen binnen en buiten buiten. Toen was buiten binnen en binnen buiten. Nu is binnen binnen én buiten en buiten is buiten én binnen.
Meester: En waar is deze gedachte?
Monnik: Of eerst was vorm vorm en leegte leegte. Toen was vorm leegte en leegte vorm. Nu is vorm vorm én leegte en leegte is leegte én vorm.
Meester: Krijg het aan je hartsoetra.
Monnik: Of eerst was alles verschil. Toen was alles eenheid. Nu is eenheid eenheid in verschil en verschil is verschil in eenheid.
Meester: Je kan me nog meer vertellen.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Eerst waren gedachten werkelijkheden, toen waren werkelijkheden gedachten.
Monnik: En nu?
Meester: In jouw geval of in het mijne?
Monnik: In het mijne.
Meester: Zijn gedachten Waarheden.
Monnik: En in uw geval?
Meester: Zijn gedachten gedachten.
Monnik: Eerst waren gedachten werkelijkheden, toen waren werkelijkheden gedachten en nu zijn gedachten gedachten?
Meester: Hoe bedenk je het.
Monnik: En die werkelijkheden dan?
Meester: Hoe bedenk je het.


de hartsoetra


Bij wijze van zwijgen

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.
Meester: Hm.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Nu zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.
Meester: Hm.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: ‘Nu’ zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. ‘Nu’ zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.
Meester: Eerst?

Monnik: ‘Eerst’ waren bergen bergen en rivieren rivieren…
Meester: Bergen?

Monnik: ‘Eerst’ waren ‘bergen’ bergen en ‘rivieren’ rivieren. ‘Toen’ waren ‘bergen’ geen bergen meer en ‘rivieren’ geen rivieren. ‘Nu’ zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.
Meester: Hm.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: ‘Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.’
Monnik: Dat scheelt een hoop aanhalingstekens.
Meester: Achttien vliegen in één klap.

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.
Meester: Hè?
Monnik: Als toch alles tussen aanhalingstekens staat kun je ze net zo goed weglaten.
Meester: En als die aanhalingstekens op hun beurt tussen aanhalingstekens staan?
Monnik: Hè?

Monnik: Eh… eh…
Meester: Hè hè.


Bergen verzetten

Monnik: Wat zijn bergen?
Meester: Sterke lokale verheffingen van het aardoppervlak.
Monnik: Ik bedoel, wat zijn bergen nou echt.
Meester: Oh, zo.
Monnik: Nou?
Meester: ‘Bergen’.
Monnik: Bergen zijn eigenlijk ‘bergen’?
Meester: Wat anders.
Monnik: Bedoelt u dat ze niet echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat ze wel degelijk echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat ze echt en onecht tegelijk zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat ze echt noch onecht zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat ze echter dan echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat ze voorbij echt en niet echt zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat universalia alleen maar namen zijn?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat de vraag wat bergen zijn geen antwoord heeft?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Bedoelt u dat u het verschil tussen echt en onecht niet kent?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: Precies wat ik zeg.
Monnik: Bergen zijn ‘bergen’.
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.


Leve de dode

Monnik: Waarmee kun je de levende boeddha vergelijken?
Meester: Ik zou het ook niet weten.
Monnik: Wat is de crux van niet weten?
Meester: Zelfs niet weten van niet weten.
Monnik: Is dat het toppunt van niet weten of het einde ervan?
Meester: Het einde van dit soort kwesties.
Monnik: Zijn bergen dan weer bergen en rivieren weer rivieren?
Meester: Zijn vragen dan nog vragen?
Monnik: Waarmee kun je niet weten vergelijken?
Meester: Met het doden van de boeddha.
Monnik: Waarmee kun je niet weten van niet weten vergelijken?
Meester: Met het doden van de boeddhadoder.
Monnik: Waarom moeten wij de boeddha en de boeddhadoder doden?
Meester: Om ze tot leven te wekken.
Monnik: Waarmee kun je de levende Boeddha vergelijken?


41. Arm van geest

Bodhidharma zat onverstoorbaar met zijn gezicht naar de muur. Zijn toekomstige opvolger Hui-k’o, de tweede zenpatriarch, stond maar te wachten in de sneeuw. Ten einde raad hakte hij zijn arm af boven de elleboog en liet hem aan Bodhidharma zien met de woorden: ‘Mijn geest kan geen rust vinden. Ik smeek u meester, breng mijn geest tot rust.’ ‘Breng me je geest en ik breng hem tot rust’, zei Bodhidharma. ‘Maar die kan ik juist niet vinden’, riep Hui-k’o uit. ‘Dan is je geest tot rust gebracht.’

41 afgehakt hoofd

rust en vrede zonder rede


De allegorie van de grot

Bodhidharma zat al negen jaar onverstoorbaar in een grot met zijn gezicht naar de muur. Daar was niets te zien, behalve soms wat schaduwen van buiten, tenzij het geen schaduwen van buiten waren maar de volle werkelijkheid. Om niets van die prachtige grotesken te hoeven missen bleef Bodhidharma maar met zijn gezicht naar de muur zitten. ‘Leegte is schaduw, schaduw is leegte’, prevelde hij keer op keer, en wentelde zich in zijn wijsheid. Zijn bevrijder, Hui-k’o, stond wanhopig in de sneeuw en wist niet wat hij doen moest om Bodhidharma te bereiken. Toen hij ten einde raad zijn eigen arm afhakte om ten minste de bodhisattva in Bodhidharma te wekken, gaf ook deze geen sjoege. Pulserend spoot het bloed uit de stomp, een krachtige straal die snel afnam terwijl de verminkte langzaam door de knieën zakte en voorover viel met zijn gezicht in de sneeuw. ‘Wat een schitterende schaduwen weer vandaag!’ riep Bodhidharma opgetogen uit. En zo komt het dat we heden ten dage wel een eerste zenpatriarch hebben, maar nog altijd geen opvolger.


gedenk te doden


Boeddhabeeld

Bodhidharma zat maar te wachten op zijn toekomstige opvolger Hui-k’o, die, om te bewijzen hoe belangrijk deze audiëntie voor hem was, per se niet binnen wilde komen en als een standbeeld in de sneeuw bleef staan. Ten einde raad hakte Bodhidharma zijn eigen arm af en liet hem aan de tweede zenpatriarch zien, die echter geen spier vertrok. ‘U kunt daar toch niet blijven staan,’ riep Bodhidharma dodelijk bezorgd, ‘zo kan mijn geest geen rust vinden.’ Hij viel op zijn knieën en smeekte: ‘Meester, breng mijn geest tot rust.’ Tevergeefs. Bodhidharma krabbelde huilend overeind en probeerde de tweede patriarch met zijn overgebleven arm naar binnen te duwen, maar tot zijn schrik viel Hui-k’o om als een blok, bevroren van top tot teen. Zo werden kort na elkaar twéé geesten tot rust gebracht – de eerste zelfs voorgoed.


Dokter Parkinson

Bodhidharma zat als altijd onverstoorbaar met zijn gezicht naar de muur. Zijn opvolger, Hui-k’o, stond maar te wachten in de sneeuw. Toen hij het niet meer uithield, riep de tweede zenpatriarch: ‘Mijn arm kan geen rust vinden. Ik smeek u, meester, breng mijn arm tot rust.’ ‘Breng me je arm en ik breng hem tot rust’, zei Bodhidharma. De tweede zenpatriarch hakte zijn arm af boven de elleboog en legde hem aan de voeten van de eerste. ‘Nu is je arm tot rust gebracht’, zei Bodhidharma en richtte zijn aandacht weer op de muur.


Muurvast

Bodhidharma zat als altijd onverstoorbaar met zijn gezicht naar de muur. Zijn toekomstige opvolger, Hui-k’o, stapte naar binnen en smeekte: ‘Meester, breng mijn geest tot rust.’ Bodhidharma zei: ‘Waarom denk je dat ik hier al negen jaar naar die muur zit te koekeloeren.’ Hui-k’o vroeg: ‘Hoe lang blijft u nog in deze grot zitten?’ ‘Net zolang tot ik eruit ben.’ ‘Waaruit?’ ‘Dat is het punt’, zei Bodhidharma ongelukkig. ‘Dan hoeft mijn geest niet meer tot rust gebracht te worden’, zei Hui-k’o en stapte met een zucht van verlichting naar buiten. ‘Hoezo?’ riep Bodhidharma hem na. ‘Ik ben er al uit!’ schalde het door de bergen.


R.I.P.

Een pelgrim klopte aan en smeekte: ‘Meester, breng mijn geest tot rust.’ ‘Breng me je geest en ik breng hem tot rust’, antwoordde de meester en onderdrukte een geeuw. De pelgrim sneed zijn neus af en gaf hem aan de meester, zijn gezicht onder het bloed. ‘Is dit je geest?’ ‘Ik zou het anders ook niet weten.’ Achteloos wierp de meester het glibberige geval in een kist. Verbaasd liep de bedevaartganger zijn neus achterna. De kist, die kwalijk riekte, zat vol armen, benen, handen, voeten, ogen, neuzen, oren, tongen, geslachtsdelen en massa’s, massa’s haar. De pelgrim zei met zijn zakdoek tegen zijn gezicht: ‘Wat we al niet doen om gemoedsrust te vinden.’ De meester zei: ‘Dit is nog niets; je zou het kerkhof eens moeten zien.’


Het laatste woord

Monnik: Meester, breng mijn geest tot rust.
Meester: Breng me je geest en ik breng hem tot rust.
Monnik: Ik kan hem nergens vinden.
Meester: Dan is je geest tot rust gebracht.
Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?
Meester: Wat zeg je me daar?
Monnik: Zou het mijn ziel soms zijn?
Meester: Breng me je ziel en ik breng hem tot rust.
Monnik: Ik kan hem nergens vinden.
Meester: Dan is je ziel tot rust gebracht.
Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?
Meester: Wat zeg je me daar?
Monnik: Zou het mijn hart zijn?
Meester: Breng me je hart en ik breng het tot rust.
Monnik: Ik kan het nergens vinden.
Meester: Dan is je hart tot rust gebracht.
Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?
Meester: Wat zeg je me daar?
Monnik: Zou het mijn wil zijn?
Meester: Breng me je wil en ik breng hem tot rust.
Monnik: Ik kan hem nergens vinden.
Meester: Dan is je wil tot rust gebracht.
Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?
Meester: Wat zeg je me daar?
Monnik: Zou het mijn ware aard zijn?
Meester: Breng me je ware aard en ik breng hem tot rust.
Monnik: Ik kan hem nergens vinden.
Meester: Dan is je ware aard tot rust gebracht.
Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?
Meester: Wat zeg je me daar?
Monnik: Zou het het zelf zijn?
Meester: Breng me het zelf en ik breng het tot rust.
Monnik: Ik kan het nergens vinden.
Meester: Dan is het zelf tot rust gebracht.
Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?
Meester: Dan weet ik het ook niet meer.
Monnik: Wat zegt u me daar?
Meester: Dan weet ik het ook niet meer.
Monnik: Ik wist het wel.
Meester: Wat zeg je me daar?
Monnik: Ik weet het óók niet meer.
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Dan valt er niets meer tot rust te brengen.
Meester: Dan blijven we maar onrustig.
Monnik: Waarom word ik nou ineens zo rustig?
Meester: Nou je het zegt.


Doorgehaald

Wie het woord afwijst, vindt het woord
Wie de geest kwijtraakt, krijgt de geest

Wie het zelf verliest, vindt het zelf
Wie de leegte uitholt, wordt pas leeg
Wie het woord afwijst, vindt het woord


Jij eerst

Breng me je geest en ik breng hem tot rust.

Breng me je ego en ik prik hem door.

Toon me het valse zelf en ik toon je het ware.

Geef me je masker en ik toon je je oorspronkelijke gezicht.

Toon me je vrije wil en ik neem je de geloften af.

Geef me een vinger en ik schenk je de maan.

Stap uit het heden en ik geef je de tijd.

Geef me de tijd en ik schenk je de eeuwigheid.

Stap uit het hier en ik geef je de ruimte.

Laat me binnen en ik leid je naar buiten.

Laat me eruit en ik leid je naar binnen.

Toon me je boeien en ik snij ze los.

Toon me het lagere en ik wijs je het hogere.

Geef me het bekende en ik schenk je het mysterie.

Geef me een leugen en ik schenk je de waarheid.

Toon me een gedachte en ik toon je de werkelijkheid.

Breng me een ding en ik geef je de kosmos.

Geef me een zijnde en ik geef je het zijn.

Demonstreer je kennis en ik geef je het kennen.

Geef me een bijkomstigheid en ik toon je het wezen.

Breng me de leegte en ik toon je zijn vorm.

Breng me de dood en ik maak hem af.


Laat maar

Zeg me wie ik ben en ik zal veranderen
Zeg me waar de weg is en ik zal hem verlaten
Zeg me wat het absolute is en ik zal het relativeren
Zeg me wat mijn grond is en ik zal hem afgraven
Zeg me wat eenheid is en ik zal haar verdelen
Zeg me wat waarheid is en ik zal liegen
Zeg me wie god is en ik zal hem verzaken
Zeg me wie boeddha is en ik zal hem doden
Zeg me wat een gebed is en ik zal vloeken
Zeg me wat een zonde is en ik zal hem begaan
Zeg me wat geven is en ik zal nemen
Zeg me wie mijn vijand is en ik laat mij overwinnen
Zeg me wie mijn bruid is en ik zal haar negeren
Zeg me waar mijn hart is en ik zal het verpanden
Zeg me wat mijn geest is en ik leg hem aan banden
Zeg me wat mijn bron is en ik laat hem verzanden
Zeg me waar mijn huis is en ik zal het verbranden
Maar tot die tijd: laat mij met rust


Het heilige der heiligen

Monnik: Wat is gemoedsrust?
Meester: De achtergrond van je onrust.
Monnik: Hoe kom ik daar?
Meester: Niemand wordt er toegelaten.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Om de rust niet te verstoren.


Rust raast

Monnik: Wat is zen?
Meester: Rustig zijn als je rustig bent, onrustig zijn als je onrustig bent.
Monnik: En daar vrede mee hebben?
Meester: Of onvrede, net wat er komt.
Monnik: En dáár vrede mee hebben?
Meester: Of onvrede, net wat er komt.
Monnik: Maar zo ben ik al.
Meester: Je wil het alleen nog niet weten.
Monnik: Als ik het eenmaal onder ogen zie, zal ik dan eindelijk rust hebben?
Meester: Zie je wel.
Monnik: Wat?
Meester: Je wil het nog steeds niet weten.


Zoals het komt

Monnik: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: En als er afwijzen komt?

Monnik: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: Als je maar niet denkt dat het leven dat met jou doet.

Monnik: Je moet het leven nemen zoals het komt.
Meester: Waarom?
Monnik: Voor je gemoedsrust.
Meester: Wat is er mis met onrust?
Monnik: Onrust is een naar gevoel.
Meester: Moet je je gevoelens dan niet nemen zoals ze komen?


Zoals het is

Monnik: Je moet de dingen nemen zoals ze zijn.
Meester: Ik zou best willen…
Monnik: Maar?
Meester: Wie weet hoe de dingen zijn?

Monnik: Je moet de dingen nemen zoals ze zijn.
Meester: En als je dat niet kan?
Monnik: Dan moet je het forceren.
Meester: Moet je jezelf dan niet nemen zoals je bent?


Zoals je bent

Monnik: Je moet jezelf nemen zoals je bent.
Meester: Wie zegt dat je bent?

Monnik: Je moet jezelf nemen zoals je bent.
Meester: En als je steeds een ander bent?

Monnik: Je moet jezelf nemen zoals je bent.
Meester: En als je dat niet kan?
Monnik: Dan moet je je daar maar bij neerleggen.
Meester: En als je dat ook niet kan?
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.


42. Een meisje ontwaakt

Lang geleden, in de tijd dat Shakyamuni nog leefde, ging Manjushri eens naar een boeddhaberaad maar hij kwam te laat en iedereen was al naar huis. Vlak naast Boeddha’s troon zat echter nog een meisje, diep in meditatie verzonken. Manjushri zei: ‘Zo dicht bij uw troon, hoe doet ze dat?’ Shakyamuni zei: ‘Vraag het haar zelf maar.’ Manjushri knipte met zijn vingers, liep drie keer om haar heen, nam haar mee naar de brahmahemel en wendde al zijn bovennatuurlijke krachten aan zonder enig effect. Boeddha zei: ‘Zelfs honderd of duizend Manjushri’s zouden haar nog niet kunnen wekken, maar daar beneden, twaalfhonderd miljoen landen verderop, ontelbaar als de zandkorrels van de Ganges, vind je een bodhisattva die in onwetendheid verkeert; hij krijgt haar wel wakker.’ Daar rees de bodhisattva in kwestie reeds uit de aarde op en maakte een buiging voor de Boeddha, die naar het meisje wees. De bodhisattva ging voor haar staan en had nog niet met zijn vingers geknipt of ze ontwaakte al uit haar trance.

42 potloodventer


Evam me sutam

Lang geleden, in de tijd dat Shakyamuni nog leefde, ging Manjushri eens naar een boeddhaberaad maar hij kwam te laat en iedereen was al naar huis. Vlak naast Boeddha’s troon zat echter een meisje in een diepe trance. ‘Jesses, een wijf!’ riep Manjushri geschrokken, want je bent een boeddha of je bent het niet. Shakyamuni haalde zijn schouders op. ‘Je merkt er eigenlijk niks van, ze verkeert aldoor in samadhi’, zei hij. ‘Waren alle vrouwen maar zo’, mijmerde Manjushri. Hij bekeek haar van alle kanten, knipte een paar keer met zijn vingers, trok haar pij een stukje open en hijgde: ‘Alle Gierbergen nog aan toe!’ ‘Jij mag er anders ook wezen’, zei Boeddha hees. Het meisje dacht: ‘Aldus heb ik gehoord, maar wie zal mij geloven’, en verzonk gelaten in het diepste stilzwijgen.


Baatzucht

Er was een eens een meisje dat heel diep kon mediteren – zo diep dat niets of niemand haar uit haar concentratie kon halen.
Zelfs wanneer iemand in spirituele nood voor haar ging staan werd ze niet wakker.
De hele boeddhistische gemeenschap nam het haar kwalijk, behalve haar moeder, die dat ook had in de tijd dat ze nog mediteerde.
Het meisje leed eronder zoveel ze kon en noemde dat boetedoening, maar het mocht niet baten.


De edele waarheid

Er was eens een meisje dat heel diep kon mediteren – zo diep dat niets of niemand haar uit haar concentratie kon halen.
Zelfs wanneer iemand in spirituele nood voor haar ging staan werd ze niet wakker.
Werd ze toevallig toch wakker, dan liet ze dat niet merken.
Toen Boeddha haar daarop aansprak, zei ze: ‘Weet u nou nog niet dat lijden gewoon bij het leven hoort? Als u zo doorgaat gaan mensen straks ook nog aan hun lijden lijden. Dan zijn we pas echt in de aap gelogeerd.’


Voorbij

Er was een eens een meisje dat heel diep kon mediteren – zo diep dat niets of niemand haar uit haar concentratie kon halen.
Iedereen bewonderde haar mateloos, maar zelf zei ze: ‘Ik kan het ook niet helpen.’
Tegen mensen die niet diep konden mediteren, zei ze: ‘Ik wou dat ík dat kon’, maar ze bleven haar bejubelen.
Ten einde raad stopte ze met mediteren, en nóg werd ze aanbeden, meer dan ooit zelfs omdat ze, meende het volk, nu de meditatie voorbij was.
Pas toen ze onaangekondigd uit het leven stapte begrepen de mensen dat meditatie en aanbidding ook niet zaligmakend zijn.


Pelgrimsfeest

Er was eens een meisje dat heel diep kon mediteren.
Op een dag mediteerde ze zo diep dat ze de weg terug niet meer kon vinden.
Behoedzaam werd ze in bed gelegd en met allerlei apparaten verbonden, die voor haar piepten, kreunden en zuchtten.
Een eindeloze stoet pelgrims trok langs haar laatste rustplaats, waarvan de knoppen glansden door de vele aanrakingen.
Omdat de tranen haar onophoudelijk in de oren liepen werd ze bezongen om haar peilloze mededogen, en iedereen die ook maar eventjes in haar nabijheid verbleef voelde zich getroost en gesterkt.
En het meisje?
Ach, het meisje.


Bhuddies

Er was eens een meisje dat helemaal niet kon mediteren.
Iedereen kon beter mediteren dan zij.
Mensen wilden daarom heel graag samen met haar mediteren.
Als ze haar dan zagen wiebelen en schuifelen en om zich heen kijken en krabben en vingeren en maar weer opstaan om zogenaamd te gaan plassen en toch maar weer kwam zitten met een geur van bier, vis en sigarettenrook om zich heen, dan hadden ze het gevoel dat ze zelf fantastisch konden mediteren.
Alleen al daarom wilde iedereen dolgraag mediteren met het meisje dat helemaal niet kon mediteren.


Pro

Er was eens een meisje dat fantastisch kon mediteren.
Niemand kon zo goed mediteren als zij.
Ze zat maar te wiebelen en te schuifelen en om zich heen te kijken en te krabben en te vingeren en te kreunen, stond om de klipklap op om te gaan plassen of een biertje te drinken of een sigaretje te roken of televisie te kijken of haar mail te checken – het hield niet op.
Of ze nu op een zafu of op een sofa zat, op de pot of op de fiets, in de bus of in het bos, het was haar allemaal om het even.
O, wat kon dat meisje fantastisch mediteren.


Zombies

Er was eens een meisje dat helemaal niet kon mediteren.
Iedereen in de hele wereld wel, en ze deden niet anders van de vroege morgen tot de late avond.
Ze zaten daar maar en ze zaten daar maar van hun eerste zucht tot hun laatste haar.
Het meisje intussen, ze danste en sprong en ze lachte en zong tot de laatste gong, zo blij als een kind dat ze niets van mediteren kon.


43. Wat heet een stok

Shoushan hield zijn stok omhoog en vroeg aan de monniken: ‘Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit; hoe noemt u dit?’

43 stokjes


Kleinkunst

Een monnik stak zijn stok omhoog en riep: ‘Wie dit een stok noemt, is begoocheld door de vorm, wie het geen stok noemt is begoocheld door de leegte; hoe noemt u dit?’ ‘Een trucje’, zei de meester.


Zwijgbeurt

Een monnik stak zijn stok omhoog en zei: ‘Wie dit een stok noemt praat voor zijn beurt, wie weigert het een stok te noemen staat met zijn mond vol tanden.’ ‘Je spreekt voor je beurt’, zei de meester. De monnik stond met zijn mond vol tanden.


Onverzettelijk

Een monnik stak zijn stok omhoog en riep: ‘Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.’ ‘Hoe kun je je nou tegen de werkelijkheid verzetten’, zei de meester. ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Maakt verzet soms geen deel uit van de werkelijkheid?’ ‘Natuurlijk niet’, zei de monnik. ‘Je negeert een feit’, zei de meester.


Houtklem

Een monnik zei: ‘Als u mij echt noemt, zit u daarin vast, als u mij een illusie noemt, zit u daarin vast; hoe noemt u mij?’ ‘Een ouwehoer’, zei de meester. ‘Wát?’ riep de monnik. ‘Een sofist dan maar’. ‘Zo gaat een meester toch niet met zijn leerlingen om’, protesteerde de monnik. ‘Als je mij een meester noemt, zit je daarin vast, als je jezelf een leerling noemt, zit je daarin vast’, zei de meester. ‘Ik zit helemaal nergens in vast!’ riep de monnik. ‘Als je denkt dat je nergens in vast zit, zit je daarin vast’, zei de meester. ‘Dan denk ik wel niks meer!’ schreeuwde de monnik. De meester zei: ‘Dan zit je daarin vast.’


Klaashout

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid. Wie het geen stok noemt negeert een feit.
Meester: Houten Klaas.
Monnik: Pardon?
Meester: Excuses aanvaardt.
Monnik: Waarom noemt u mij een houten Klaas?
Meester: Krijg je liever met de stok?
Monnik: Mij met de stok geven is demonstreren wat een stok is zonder spreken of zwijgen.
Meester: Dit antwoord is alleen maar spreken.
Monnik: Dat geldt voor dit hele gesprek.
Meester: Wie dit een gesprek noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen gesprek noemt negeert een feit.


Splijthout

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.
Meester: En?
Monnik: Ik plaats u voor een dilemma.
Meester: Dan draai ik me toch om.
Monnik: En dan?
Meester: Loop ik ervan weg.
Monnik: Krijg het heen en weer.
Meester: Net zo makkelijk.
Monnik: Hoe moet ik nou verder?
Meester: Waarmee?
Monnik: U plaatst mij voor een dilemma.
Meester: Wie dit een dilemma noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen dilemma noemt negeert een feit.


Hardhout

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.
Meester: Je kan wel zoveel zeggen.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Wie dit de werkelijkheid noemt krijgt met de stok, wie het geen werkelijkheid noemt krijgt met de stok.


Stokjesfeest

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.
Meester: Ik noem het een stok.
Monnik: Dan verzet u zich tegen de werkelijkheid.
Meester: Noemde ik het soms geen stok?
Monnik: Jawel.
Meester: Is dat soms niet de werkelijkheid?
Monnik: Dat u het een stok noemt wel, maar…
Meester: Wie verzet zich hier dan tegen de werkelijkheid?
Monnik: En als u het geen stok had genoemd?
Meester: Dan was dat de werkelijkheid.
Monnik: Had u dan geen feit genegeerd?
Meester: Dan had ik een feit gecreëerd.


Stokjesgeest

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.
Meester: Wie noemt dit een stok?
Monnik: De realist, zou ik zeggen.
Meester: Wat voor stok?
Monnik: Een stok om te benoemen of een stok om mee te slaan of een stok om termieten mee te vangen of een stok om de zonnetijd mee te meten of een stok om je billen mee schoon te schrapen.
Meester: Wie noemt dit de werkelijkheid?
Monnik: De idealist, zou ik zeggen.
Meester: Welke werkelijkheid?
Monnik: Het zelf, het absolute, je oorspronkelijke gezicht, je ware aard, de boeddhanatuur, de eenheid van vorm en leegte, de eenheid van subject en object, de eenheid van u en ik.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Waartussen niet?
Meester: Tussen de realist en de idealist niet.
Monnik: Wat is een realist volgens u?
Meester: Een hokjesgeest.
Monnik: Waarom?
Meester: Omdat hij zijn stokjes in verschillende hokjes stopt.
Monnik: Wat is een idealist?
Meester: Een hokjesgeest.
Monnik: Waarom?
Meester: Omdat hij alles in één hokje propt.
Monnik: Wat is het dat feit en werkelijkheid tegelijk ziet?
Meester: Een hokjesgeest natuurlijk.
Monnik: Hè?
Meester: Ongelijk, tegelijk.
Monnik: Wat is het derde oog?
Meester: Een hokjesgeest.
Monnik: Hè?
Meester: Eerste, tweede, derde.
Monnik: Wat is het voor geest die inziet dat het allemaal maar hokjes zijn?
Meester: Een hokjesgeest.
Monnik: Hè?
Meester: Hè? Hè? Hè?
Monnik: Hoe kan de geest die inziet dat het allemaal maar hokjes zijn nou een hokjesgeest zijn.
Meester: Omdat hij overal hokjes ziet natuurlijk.
Monnik: Dus iedere geest is een hokjesgeest?
Meester: Alleen voor iemand met een hokjesgeest.
Monnik: Maar noemt u dit nou een stok of noemt u het geen stok?
Meester: Hokjesgeest.


Stokpraatjes

Monnik: Wat is het relatieve?
Meester: Een stokpaardje van praatjesmakers.
Monnik: Wat is het absolute?
Meester: Een stokpaardje van praatjesmakers.
Monnik: Wat is het relatieve in het absolute?
Meester: Een stokpaardje van praatjesmakers.
Monnik: Wat is het absolute in het relatieve?
Meester: Een stokpaardje van praatjesmakers.
Monnik: Wat is spiritualiteit zonder stokpaardjes?
Meester: Een gevleugeld paard.


44. Goochelstok

Meester Bajiao zei tegen de monniken: ‘Heb je een stok dan krijg je er een, heb je er geen dan neem ik hem af.’

44 stok


Goocheltong

Meester Zuetsu zei: ‘Heb je een leer dan moet je nog veel leren; heb je er geen dan moet je nog veel afleren.’ Hij zei ook: ‘Heb je een leer dan ben je nog niet uitgeleerd; heb je er geen dan ben je nog niet geleerd.’ En: ‘Als je denkt dat je iets van mij kan leren dan sla je de plank mis; als je denkt dat je niets van mij kan leren dan heb je een plank voor je kop.’ En: ‘Als je in de leer gelooft dan kijk je door een plank waar geen gat is; als je denkt dat de leer leeg is dan kijk je door een gat waar geen plank is.’ En zo ging hij maar door en niemand stak er een stokje voor en niemand kreeg het met hem aan de stok.


Stoksteken en spaaklopen

Monnik: Heb je een stok dan krijg je er een, heb je er geen dan neem ik hem af.
Meester: Heb je er geen dan krijg je er een, heb je er een dan neem ik hem af.
Monnik: Verdraaid.
Meester: Heb je er een dan heb je er geen, heb je er geen dan heb je er een.
Monnik: Dat kan ook nog.
Meester: Heb je er een dan ben je er een, ben je er geen dan heb je er geen.
Monnik: Niet te geloven.
Meester: Vier voor de prijs van één.
Monnik: Welke is waar?
Meester: Zou er maar één waar zijn?
Monnik: Welke zijn waar?
Meester: Zou er wel een waar zijn?
Monnik: Waar in welke zin?
Meester: Interpreteren maar.
Monnik: Wat is interpreteren?
Meester: Waarmaken.
Monnik: Interpreteren is waarmaken?
Meester: Dat is één interpretatie.
Monnik: Wat is waarmaken?
Meester: Heb je geen stok dan denk je er een, denk je er een dan zwaai je ermee.
Monnik: Herkenbaar.
Meester: Zwaai je ermee dan sla je ermee, sla je ermee dan sla je jezelf.
Monnik: Inderdaad zeg.
Meester: Sla je niet mee en zwaai je niet mee en denk je niet mee dan heb je er geen.
Monnik: Wat voor stok hebben we het eigenlijk over?
Meester: Een stok tussen je spaken.


Alle raadsels op een stokje

Monnik: Heb je een stok dan krijg je er een, heb je er geen dan neem ik hem af.
Meester: Wie zegt dat?
Monnik: Bajiao, dacht ik.
Meester: Lekker laten lullen.
Monnik: Volgens mij is het een koan.
Meester: Wat is een koan.
Monnik: Dit ook.
Meester: Twee voor de prijs van één.
Monnik: Ik krijg het nog druk.
Meester: Heb je een koan dan krijg je er een, heb je er geen dan ben je af.


Koanitis

Monnik: Wat is eigenlijk een koan?
Meester: Wat eigenlijk niet.

Monnik: Wat is eigenlijk geen koan.
Meester: Wat eigenlijk wel.


Hints

Monnik: Een hint alstublieft.
Meester: Waarvoor?
Monnik: Hoe ik mijn koan moet oplossen natuurlijk.
Meester: Wie zegt dat je hem moet oplossen?
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Ik vroeg u om een aanwijzing.
Meester: Dat waren er drie.


Wat een oor kan voelen

Monnik: Hoe kun je nou klappen met één hand, gek.
Meester: Moet jij een draai om je oren?
Monnik: En hoe kun je nou klappen zonder handen.
Meester: ‘Applaus!’
Monnik: Zo hou ik geen koan over.
Meester: En?
Monnik: Hoe moet ik nou verder?
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.


Doodzitters

Monnik: Ik geef het op.
Meester: Waarom?
Monnik: Ik ga helemaal niet vooruit.
Meester: Misschien moet je wel achteruit.
Monnik: Ik ga niet eens achteruit.
Meester: Wat is er mis met stilstand?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.

Monnik: Ik geef het op.
Meester: En als opgave nou de oplossing is?
Monnik: Dan heb ik hem onbedoeld opgelost.
Meester: En als het opgeven van het opgeven nou de oplossing is?
Monnik: Dan moet ik nog even volhouden.
Meester: Wat nu?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.

Monnik: Waarom toch al die koans?
Meester: Het is mij ook een raadsel.
Monnik: Als u het al niet weet, wie dan wel?
Meester: Denk je nou heus dat iemand het weet?
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Hoe weet ik dat nou.
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.


Perspectieven

Monnik: Over mijn eerste koan deed ik drie jaar.
Meester: Ik ben er nog steeds mee bezig.

Tien jaar later:

Monnik: Ooit zal ik alle koans hebben opgelost.
Meester: Ooit zul je er geen enkele hebben opgelost.

Tien jaar later:

Monnik: Gelukkig heb ik de koans voorgoed achter me.
Meester: Gelukkig heb ik ze voorgoed voor me.


Ichiban

Monnik: De grootste koan ben ik zelf.
Meester: Toch weer een identiteit gevonden?


Gebed zonder end

Monnik: Als ik eerst deze koan maar achter de rug heb.
Meester: Wat dan?
Monnik: Dan… heb ik hem tenminste achter de rug.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid een antwoord?
Monnik: Nou?
Meester: De volgende vraag.
Monnik: O.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid een oplossing?
Monnik: Nou?
Meester: Het volgende probleem.
Monnik: O.
Meester: Wat is in zijn algemeenheid de oplossing van een koan?
Monnik: De volgende koan?
Meester: Jij zegt het.
Monnik: Waarom zou ik mijn huidige koan dan nog oplossen?
Meester: Dan is dat je nieuwe koan.


Een oud misverstand

Monnik: Ik zal blij zijn als ik alle koans opgelost heb.
Meester: Waarom?
Monnik: Dan kan ik ze eindelijk achter me laten.
Meester: Daarvoor hoef je ze heus niet op te lossen.


Zitten tot je opstaat

Monnik: Waarom krijg ik geen nieuwe koan?
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.
Monnik: Waarmee?
Meester: Met de vraag waarom je geen nieuwe koan krijgt.
Monnik: Wat is dat nou weer voor vraag.
Meester: Een koan is een koan.
Monnik: Zo kan ik echt niet verder.
Meester: Verder dan wat?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: Ga daar dan maar mee zitten.
Monnik: Laat u me zomaar zitten?
Meester: Blijf je liever staan?
Monnik: Waarom krijg ik geen nieuwe koan?
Meester: Kun je zo weer verder?


Ti-ta-toverbal

Monnik: Wat is een koan?
Meester: Een toverbal.
Monnik: Wat zit daarin?
Meester: Een heleboel kleurtjes.
Monnik: Wat nog meer?
Meester: Zou je wel willen weten, hè?
Monnik: Nou en of.
Meester: Helemaal in het midden zit…
Monnik: Het Absolute? Het Ongeconditioneerde? Essentie?
Meester: Het middelpunt.
Monnik: Wat moet ik me daar precies bij voorstellen?
Meester: De naam zegt het al.
Monnik: De punt in het midden.
Meester: Heel goed.
Monnik: Maar wat is een punt?
Meester: Een wiskundig figuur zonder lengte, breedte, hoogte, vorm of inhoud.
Monnik: Ik bedoel, waarvoor staat het middelpunt?
Meester: Dat is nou net het punt.
Monnik: Leegte? Sunyata? Gewaarzijn? Het Ene? Het Niets?
Meester: Ik zou het ook niet weten.
Monnik: Dat is wel het laatste wat ik hoop te vinden.
Meester: Daarom voeren we je koans.


Een universeel probleem

Monnik: Met welke koan bent u zelf bezig?
Meester: Er is er maar één.
Monnik: Ik heb anders gehoord dat er een paar duizend zijn.
Meester: Kan best wezen…
Monnik: Maar?
Meester: Ze komen allemaal op hetzelfde neer.
Monnik: Wist ik maar waarop.
Meester: Zie je wel.


Een universele oplossing

Monnik: Graag zou ik u eens een koan opgeven.
Meester: Je kan net zo goed meteen naar de oplossing vragen.
Monnik: Weet u die dan al?
Meester: Probeer maar.
Monnik: Moet ik niet eerst mijn koan opgeven?
Meester: Dat zou al te makkelijk zijn.
Monnik: Wat is de oplossing van de koan die ik zojuist verzwegen heb?
Meester: Tja.


Met terugwerkende kracht

Monnik: Ik heb geen idee hoe ik mijn koan moet oplossen.
Meester: Door de wereld op te lossen.
Monnik: Hoe los ik de wereld op?
Meester: Door jezelf op te lossen.
Monnik: Hoe los ik mezelf op?
Meester: Door je weten op te lossen.
Monnik: Hoe los ik mijn weten op?
Meester: Welk weten?


Koan of cocon

Monnik: Wat is het verband tussen koans en niet weten?
Meester: Wie alle koans heeft doorgewerkt, heeft niet weten gevonden.
Monnik: Ga er maar aan staan.
Meester: Wie één koan heeft doorgewerkt, heeft niet weten gevonden.
Monnik: Dat klinkt al beter.
Meester: Wie nog steeds aan zijn eerste koan werkt, heeft niet weten gevonden.
Monnik: Kijk eens aan.
Meester: Wie nog nooit een koan heeft gezien maar aldoor voor een raadsel staat, heeft niet weten gevonden.
Monnik: En wie niet aldoor voor een raadsel staat?
Meester: Die leeft in een cocon.


45. Dienaren

Meester Wuzu van Dongshan zei: ‘Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn slechts dienaren van die Ene; wie is hij?’

45 buiging


Een dooie diender

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die geen hoofdletters kent.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die niet telt.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die geen hij is.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die niet is.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die geen dienaren heeft.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die niet dient.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die niet antwoordt.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die niet vraagt.


Een halve dop

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Windei.
Monnik: Hij of ik?
Meester: Ga daar maar eens op broeden.


Een stille diender

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene; wie is hij?
Meester: Die niet zegt dat Shakyamuni en Maitreya dienaren zijn van die Ene.
Monnik: Wie is hij?
Meester: Die niet vraagt wie hij is.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Om geen praatjes uit te lokken, bijvoorbeeld.
Monnik: Wat voor praatjes?
Meester: Praatjes over het ene en het vele, over subject en object, over boeddha’s uit verleden, heden en toekomst, over leven en dood, over het ongeborene en het doodloze, over het tijdelijke en het eeuwige, over dienen en bediend worden, over spreken en zwijgen, bijvoorbeeld.
Monnik: Wat voor praatjes nog meer?
Meester: Dat dit soort praatjes voorkomen moet worden, bijvoorbeeld.
Monnik: Vindt u dan van niet?
Meester: Dat dit soort praatjes voorkomen kán worden, bijvoorbeeld.
Monnik: Denkt u dan van niet?
Meester: Dat ze niet voorkomen kunnen worden, bijvoorbeeld.
Monnik: Wat als we dit soort praatjes helemaal achterwege laten?
Meester: Dan valt er een stilte.
Monnik: En dan?
Meester: Komt er vanzelf wel weer iemand die de stilte opvult.
Monnik: Waarmee?
Meester: Met de vraag ‘Wat als we dit soort praatjes helemaal achterwege laten’ bijvoorbeeld.


Dienstgeheim

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene.
Meester: Boeddha is dood en Maitreya moet nog geboren worden.
Monnik: Volgens mij gaat het erom dat je de waarheid niet buiten jezelf zoekt.
Meester: Waar dan wel?
Monnik: In jezelf natuurlijk.
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Jijzelf als het ene, bedoel ik.
Meester: Misschien gaat het erom dat je de waarheid helemaal niet zoekt.
Monnik: In plaats van hem te zijn, bedoelt u.
Meester: Misschien gaat het helemaal niet om de waarheid.
Monnik: Waarom dan wel?
Meester: Misschien gaat het erom dat je niet zoekt.
Monnik: Want waarheid behoort nog steeds tot de dualiteit.
Meester: Dualiteit net zo goed.
Monnik: Wat behoort niet tot de dualiteit?
Meester: Wat wel.
Monnik: Non-dualiteit, zou ik zeggen.
Meester: Zakdoekje leggen.
Monnik: Dus het gaat erom dat je niet zoekt?
Meester: Wie zegt dat het ergens om gaat?
Monnik: Bedoelt u dat het nergens om gaat?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Pas dan maar op.
Monnik: Hoezo?
Meester: Voor je het weet ben je een dienaar van niet-weten.


Vinger naar de duim

Monnik: Zelfs de grootste Boeddha’s uit verleden, heden en toekomst zijn dienaren van ons ware zelf.
Meester: Wie zegt dat er zoiets is?
Monnik: Waar komt alles anders vandaan?
Meester: Waar ons ware zelf vandaan komt.
Monnik: Het ware zelf komt ook ergens vandaan?
Meester: Volgens jou wel.
Monnik: Hoezo?
Meester: ‘Waar komt alles anders vandaan’, vroeg je toch?
Monnik: Waar komt het ware zelf dan vandaan?
Meester: Uit de dingen natuurlijk.
Monnik: Wát?
Meester: Waar moet het anders vandaan komen?
Monnik: De dingen komen uit het ware zelf en het ware zelf komt uit de dingen?
Meester: Hoe verzin je het.
Monnik: Uit welk ding zou in Boeddha’s naam het ware zelf voort kunnen komen?
Meester: Hetzelfde ding waaruit ook Boeddha’s naam voortkomt.
Monnik: Te weten?
Meester: Je mond.
Monnik: Verdraaid.
Meester: Of anders uit je duim.


Die andere

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene.
Meester: Die ene ook.
Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya en die Ene zijn dienaren?
Meester: Bij wijze van spreken dan.
Monnik: Dienaren waarvan?
Meester: Van maya dan maar.
Monnik: Shakyamuni, Maitreya en die Ene zijn allemaal dienaren van Maya?
Meester: Maya ook.
Monnik: Waarvan?
Meester: Wat jij wil.
Monnik: Ik wil weten hoe het zit.
Meester: Van de verbeelding dan maar.
Monnik: Shakyamuni, Maitreya, die Ene en Maya zijn allemaal dienaren van de verbeelding?
Meester: De verbeelding ook.
Monnik: Ik was er al bang voor.
Meester: Waarvoor?
Monnik: Dat de verbeelding ook een dienaar is van de verbeelding.
Meester: Tenzij dat ook verbeelding is.
Monnik: Ik geef het op.
Meester: Misschien is opgave ook een dienaar van de verbeelding.
Monnik: Wat is eigenlijk geen dienaar van de verbeelding?
Meester: Stel je voor.


Aangenaam

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is hij?
Meester: Tja.


Woordenaars

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren.
Meester: Denk je nou nog steeds in termen van dienen en bediend worden?
Monnik: Ik heb het over het Ene.
Meester: Ben je nou nog steeds aan het tellen?
Monnik: Ik doel op het Ware Zelf.
Meester: Denk je nou nog steeds in termen van waar en vals?
Monnik: De Leegte als bron en bestemming van iedere vorm.
Meester: Denk je nou nog steeds in termen van vorm en leegte?
Monnik: Maar ons Oorspronkelijk Gezicht…
Meester: Denk je nou nog steeds in termen van oorspronkelijk en afgeleid?
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Denk je nou nog steeds in termen van weten en niet-weten?


Big Self™

Monnik: ‘Zelfs de grootste boeddha’s uit verleden, heden en toekomst zijn slechts dienaren van het Ware Zelf’, wat betekent dat?
Meester: Klinkt als een retorische vraag.
Monnik: Geef dan maar een retorisch antwoord.
Meester: Het betekent dat je mij wat op de mouw wil spelden.
Monnik: Het betekent dat geen boeddha in Zijn Schaduw kan staan.
Meester: Zei ik het niet.
Monnik: En wat betekent het dat geen boeddha in Zijn Schaduw kan staan?
Meester: Klinkt als een retorische vraag.
Monnik: Geef dan maar een retorisch antwoord.
Meester: Dat het bewolkt is.
Monnik: Dat het Ware Zelf voorbij iedere persoonscultus is.
Meester: Je zou het zo niet zeggen.
Monnik: Zelfs de grootste boeddha’s uit verleden, heden en toekomst zijn slechts dienaren van mijn Ware Zelf.
Meester: Zei ik het niet.


Factor vijftig

Monnik: De Wijze is als een vrijstaande boom in de volle zon.
Meester: Laat mij dan maar in Zijn Schaduw staan.


Het laatste woord

Meester: Wie heeft inzake de eerste waarheid het laatste woord?
Monnik: De Boeddha natuurlijk.
Monnik: De dharma natuurlijk.
Monnik: De sangha natuurlijk.
Monnik: Het ene natuurlijk.
Monnik: De meester natuurlijk.
Monnik: De kok natuurlijk.
Monnik: Ikzelf natuurlijk.
Monnik: Niemand natuurlijk.
Monnik: Er is helemaal geen laatste woord.
Monnik: Ieder woord is het laatste woord.
Monnik: Ieder woord is het eerste woord.
Monnik: Hierover is het laatste woord nog niet gezegd.
Monnik: Meester, wie denkt u?
Buiten koerde een duif.
De meester zei: ‘Roekoe.’


46. Paal noch perk

Meester Shisuang zei: ‘Wie de top van een honderd voet hoge bamboe paal heeft bereikt, moet nog één stap zetten.’ Een andere meester zei: ‘Wie bovenin een honderd voet hoge bamboe paal zit, is er nog steeds niet. Laat de top los en je lichaam zal zich vrijelijk in alle tien richtingen bewegen.’

46 paalzitten fladderen


Hengelen naar engelen

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge bamboe paal…
Meester: Daar kan ik je niet aan helpen.
Monnik: Waaraan niet?
Meester: Maar ik heb nog wel een oude hengel in de schuur staan. Tien voet, om en nabij. Hebben?
Monnik: De top van de honderd voet hoge bamboe paal staat voor de grote dood, verlichting, geen wolkje aan de hemel, de toestand van absolute leegte, het einde van de dualiteit, waar niemand meer is die ziet en niets meer dat gezien wordt.
Meester: Dus ook geen paal en geen top van een paal, geen grote dood en geen verlichting, geen wolkeloze hemel en geen toestand van absolute leegte, geen dualiteit en geen einde daarvan, geen niemand die niet ziet en geen niets dat niet gezien wordt.
Monnik: Vasthouden aan het ware zelf is de valkuil van de leegte, de ergst mogelijke zenziekte. Om daarvan te genezen moeten we nog een laatste stap zetten, waarbij we ook het absolute nog achter ons laten. Dan kunnen we vrijelijk in alle tien richtingen bewegen.
Meester: Waar geen zelf is kunnen we ons er ook niet aan vasthouden, waar geen leegte is kunnen we er ook niet in vallen, waar geen zengezondheid heerst is ook geen zenziekte, waar geen houvast is vallen we onophoudelijk vrij.
Monnik: Volgens mij zit u nog steeds vast in de top van een honderd voet hoge bamboe paal.
Meester: Volgens mij zit jij nog steeds te hengelen.


Buigen of barsten

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge bamboe paal heeft bereikt, moet nog één stap zetten.
Meester: Spreek je uit ervaring?
Monnik: Eerlijk gezegd niet, nee.
Meester: Nooit in de top van een honderd voet hoge bamboe paal gezeten?
Monnik: Dat zeg ik.
Meester: Hoe komt dat, denk je?
Monnik: Nou?
Meester: Doordat bamboe maar vijfenzeventig voet wordt.
Monnik: U neemt het wel erg letterlijk.
Meester: Enig idee wat je bovenin een vijfenzeventig voet hoge bamboe paal zal aantreffen?
Monnik: De hemel natuurlijk; vrijheid in alle tien richtingen.
Meester: De grond natuurlijk.
Monnik: Wát?
Meester: Bamboe is net bamboe; het buigt steeds verder door tot zijn last ten leste terugkeert op aarde.
Monnik: En die laatste stap dan?
Meester: Die zet je weer met beide benen op de grond.
Monnik: En dan?
Meester: Ben je eindelijk van die paal verlost.


Paaldans

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge bamboe paal heeft bereikt, moet nog één stap zetten.
Meester: Niet klimmen, niet stappen.
Monnik: Laat de top los…
Meester: Niet vasthouden, niet loslaten.
Monnik: … dan zal je lichaam…
Meester: Niet je lichaam, niet je geest.
Monnik: … zich vrijelijk…
Meester: Niet vrij, niet gebonden.
Monnik: … in alle tien richtingen bewegen.
Meester: Om de paal kronkelen.


Kraaienmest

Monnik: Wie de top van een mast heeft bereikt moet nog één stap zetten.
Meester: Zei de kraai tegen de olifant.
Monnik: Met de top van de mast wordt een verlichtingservaring bedoeld.
Meester: Zeker in een lichtmast geklommen.
Monnik: We moeten voorbij de verlichtingservaring gaan, want alles wat voorbijgaat is een illusie…
Meester: Deze gedachte ook.
Monnik: … en alles wat een illusie is, gaat voorbij.
Meester: Deze illusie ook.
Monnik: De waarheid die wij zijn is ongeboren en ongestorven.
Meester: Deze ook.
Monnik: Ja, zo blijft er niets over.
Meester: Waarvan?
Monnik: Bedoelt u dat we overal aan voorbij moeten gaan?
Meester: Dan ook aan het voorbijgaan.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Wie de top van een mast heeft bereikt moet nog één stap zetten.


Mast overboord

Monnik: Wat als je het hoogste hebt bereikt?
Meester: Als je denkt dat je het hoogste hebt bereikt, heb je het niet bereikt.
Monnik: Omdat het hoogste niet bestaat?
Meester: Als je denkt dat het hoogste niet bestaat, heb je het niet bereikt.
Monnik: Bedoelt u dat het hoogste wel degelijk bestaat?
Meester: Als je denkt dat het hoogste wel degelijk bestaat, heb je het niet bereikt.
Monnik: Volgens mij heb ik het hoogste nog niet bereikt.
Meester: Als je denkt dat je het hoogste nog niet bereikt hebt, heb je het niet bereikt.
Monnik: Dus als je denkt dat het hoogste bestaat heb je het niet bereikt en als je denkt dat het hoogste niet bestaat heb je het niet bereikt en als je denkt dat je het hebt bereikt heb je het niet bereikt en als je denkt dat je het niet hebt bereikt heb je het ook niet bereikt?
Meester: Jij zegt het.
Monnik: Wanneer heb je het wel bereikt?
Meester: Wat bereikt?
Monnik: Ik snap er niks meer van.
Meester: Als je denkt dat het een kwestie is van begrijpen heb je het niet bereikt.
Monnik: Bedoelt u dat het een kwestie is van niet-begrijpen?
Meester: Als je denkt dat het een kwestie is van niet-begrijpen heb je het niet bereikt.
Monnik: Bedoelt u dat ik te veel denk?
Meester: Als je denkt dat je teveel denkt heb je het niet bereikt.
Monnik: Of dat ik verkeerd denk?
Meester: Als je denkt dat je anders moet denken heb je het niet bereikt.
Monnik: Of dat ik helemaal niet meer moet denken?
Meester: Als je denkt dat je helemaal niet meer moet denken heb je het niet bereikt.
Monnik: Wat bereikt?
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Heeft u het bereikt?
Meester: Wie?
Monnik: Bedoelt u dat de persoon een illusie is?
Meester: Als je denkt dat de persoon een illusie is heb je het niet bereikt.
Monnik: Bedoelt u dat de persoon toch geen illusie is?
Meester: Als je denkt dat de persoon toch geen illusie is heb je het niet bereikt.
Monnik: Bedoelt u dat alles een illusie is?
Meester: Als je denkt dat alles een illusie is heb je het niet bereikt.
Monnik: Bedoelt u dat de illusie ook maar een illusie is?
Meester: Als je denkt dat de illusie ook maar een illusie is heb je het niet bereikt.
Monnik: Ik geef het op.
Meester: Zou je denken?
Monnik: Is opgave soms het hoogst haalbare?
Meester: Als je denkt dat opgave het hoogst haalbare is, heb je het niet bereikt.
Monnik: Wat als je het hoogste hebt bereikt?


Een gek die zijn geest uitlaat

Monnik: Wat is verlichting?
Meester: Tja.
Monnik: Vrijheid?
Meester: Jij zegt het.
Monnik: Maar wat is vrijheid.
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Gebondenheid natuurlijk.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: En is het wel iets goeds?
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Iets slechts natuurlijk.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Zit u mij in de maling te nemen?
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Mij serieus te nemen natuurlijk.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Bedoelt u dat alle verschillen schijnbaar zijn?
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Werkelijk, natuurlijk.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Doelt u op non-dualiteit?
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Dualiteit natuurlijk.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Helemaal niet?
Meester: In eerste instantie wel natuurlijk.
Monnik: Aha.
Meester: Net als iedereen.
Monnik: Maar?
Meester: Bij nader inzien niet.
Monnik: Wat gebeurt er bij nader inzien?
Meester: Dan weet ik gewoon geen onderscheid meer te maken.
Monnik: Misschien moet u eens naar de oogarts.
Meester: Tussen jou en mij nog niet.
Monnik: Misschien moet u eens naar de psychiater.
Meester: Tussen een tafel en een stoel nog niet.
Monnik: Misschien moet u eens naar Ikea.
Meester: Tussen mezelf en een boom nog niet.
Monnik: Lastig bij het snoeien.
Meester: Ik bedoel, zit het groen nou in het blad of in het brein?
Monnik: Zei de groenteboer tegen de slager.
Meester: Galmt de klok of galmt de cortex?
Monnik: Lalde de kok tegen de lepel.
Meester: Denk ik mijn hersenen of denken zij mij?
Monnik: Ben ik een kip of ben ik een ei?
Meester: Wat is beeld en wat is klei?
Monnik: Wat is rijst en wat is brij?
Meester: Wat is zij en wat is wij?
Monnik: Wat is abt en wat is dij?
Meester: Wat is vast en wat is vrij?
Monnik: Wat is koe en wat is wei?
Meester: Enzovoort, enzovoort.
Monnik: Ik zat u in de maling te nemen.
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Serieus te nemen natuurlijk.
Meester: Ik zie het verschil niet.
Monnik: Dat dacht ik al.
Meester: Maar om dat nou verlichting te noemen.
Monnik: Tja.


Vrijgevochten

Monnik: Wie of wat is de verlichte?
Meester: Een vrijgevochten geest?
Monnik: Is dat een antwoord of een vraag?
Meester: Als ik dat eens wist.
Monnik: Bent u zo’n vrijgevochten geest?
Meester: Ik ben overal van bevrijd.
Monnik: Is dat een bevestiging of een ontkenning?
Meester: Zelfs van de geest.
Monnik: Wat?
Meester: Zelfs van de vrijheid.
Monnik: Hè?
Meester: Zelfs van verlichting.
Monnik: Echt?
Meester: Zelfs van mezelf.
Monnik: Niet te geloven.
Meester: Zelfs van niet-zelf.
Monnik: Maar wie of wat is dan de verlichte?
Meester: Een vrijgevochten geest?


Vrijvechter

Meester: Wat is de verlichte?
Monnik: Een vrijgevochten geest.
Meester: Jij zegt het.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: Een geest die zich onophoudelijk vrijvecht?
Monnik: Waarvan?
Meester: Van zijn gedachten natuurlijk.
Monnik: Welke gedachten bijvoorbeeld?
Meester: Dat de verlichte een vrijgevochten geest is, bijvoorbeeld.
Monnik: Welke nog meer?
Meester: Dat de verlichte een geest is die zich onophoudelijk vrijvecht.
Monnik: Welke nog meer?
Meester: Dat er een geest is of dat er gedachten zijn of een zich onophoudelijk vrijvechten daarvan.
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: Dat er geen geest is of dat er geen gedachten zijn of geen zich onophoudelijk vrijvechten daarvan.
Monnik: Wou u beweren van wel?
Meester: Mij niet gezien.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Anders kan ik me dáár weer van vrijvechten.
Monnik: Uzelf of uw geest?
Meester: Wie? Wat?
Monnik: Ik bedoel, doet u dat zelf of ondergaat u het?
Meester: Ik zeg niks.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Anders kan ik me daar weer van vrijvechten.
Monnik: Weet u het niet of wilt u het niet zeggen?
Meester: Dat weet ik ook al niet.
Monnik: Vindt u dat we niets moeten zeggen?
Meester: Dat zul je mij niet horen zeggen.
Monnik: Is het niet zo dat alleen stilte recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid?
Meester: Dat weet ik ook al niet.
Monnik: Waarom niet?
Meester: Omdat ik voorbij alle wijsheid ben?
Monnik: Behalve de wijsheid voorbij alle wijsheid zeker.
Meester: Daar kan ik me niets bij voorstellen.
Monnik: Waarom zwijgt u dan niet?
Meester: Omdat ik niet wijs ben?
Monnik: Maar wat is nou de verlichte?
Meester: Ja dat is nou de verlichte.
Monnik: Een geest die zich onophoudelijk vrijvecht?
Meester: Waarvan?
Monnik: Of een vrijgevochten geest?
Meester: Jij zegt het.


Een nieuw begin

Monnik: Verlichting is het toppunt.
Meester: Verlichting is het einde.
Monnik: Waarvan?
Meester: Overal van.
Monnik: Behalve van het einde.
Meester: Ook van het einde.
Monnik: En dan?
Meester: Ook voorbij.
Monnik: En dat zou verlichting zijn?
Meester: Ook voorbij.
Monnik: Wat heb je dan gewonnen?
Meester: Ook voorbij.
Monnik: Alles is verloren.
Meester: Ook voorbij.
Monnik: Daar sta je dan.
Meester: Tot je gaat zitten.
Monnik: Daar zit je dan.
Meester: Tot je gaat liggen.
Monnik: Daar lig je dan.
Meester: Tot je weer gaat staan.
Monnik: Daar sta je dan weer.
Meester: Tot je gaat zitten.
Monnik: Enzovoort.
Meester: Net als vroeger.
Monnik: Hou op.
Meester: Dus wat is er nieuw.
Monnik: Schei uit.
Meester: Dus wat is er oud.
Monnik: Hou op, schei uit.
Meester: Verlichting is helemaal het einde.
Monnik: Behalve van verlichting natuurlijk.
Meester: Vooral van verlichting natuurlijk.


47. Drie barrières

Meester Doushuai stelde drie barrières op voor zijn monniken.
Ten eerste. Je zoekt in alle boeken en gaten naar je ware aard; waar is op dit moment je ware aard?
Ten tweede. Wie zijn ware aard kent, is vrij van leven en dood; wat als straks het licht in je ogen breekt?
Ten derde. Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming; waar ga je heen als de vier elementen uiteenvallen?

47 drie poorten


Goudmijn of landmijn

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Waar is op dit moment je onware aard?

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Waar is dat moment op dit moment?

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Wie is de mijn van wie die aard zou zijn?

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Is het zijn aard om ergens te zijn?

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Is het zijn aard wel om te zijn?

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Ten zuiden van je valse baard.

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: Ik zag hem net nog in de haard.


Speurneuzen

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?
Meester: In de vraag ‘waar is op dit moment mijn ware aard.’
Monnik: Waar is mijn ware aard als hij niet in de vraag is?
Meester: In de vraag ‘waar is mijn ware aard als hij niet in de vraag is.’
Monnik: Wie zou ik zijn zonder die vraag?
Meester: Zou je zijn zonder die vraag?
Monnik: Wat als ik nergens meer naar vraag?
Meester: Dan is er niemand die dat vraagt.


Aard roert zijn zwaard

Monnik: Wie zijn ware aard kent…
Meester: Kent een spook.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…
Meester: Het haasje.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…
Meester: Er vrij van.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…
Meester: Niet vrij.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…
Meester: Wie noch wat.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij…
Meester: Van vrijheid.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij…
Meester: Noch onvrij.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van…
Meester: Waar en vals.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van…
Meester: Aard en bijkomstigheid.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van…
Meester: Kennen en niet-kennen.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van leven…
Meester: Noch dood.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van….
Meester: Levenloosheid en doodloosheid.

Monnik: Wie zijn ware aard niet kent, is…
Meester: Vrij.


Woord- en doodslag

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van leven en dood.
Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van dit soort antwoorden.
Monnik: Wat als straks het licht in mijn ogen breekt?
Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van dit soort vragen.
Monnik: Omdat je ware aard een universeel antwoord is?
Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van dit soort woorden.


Poste restante

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.
Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van oorsprong en bestemming.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.
Meester: Wie zijn bestemming niet kent, is vrij van aard.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.
Meester: Wie zijn ware aard kent, is onbestemd.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.
Meester: Wie zijn ware aard kent, is zonder stem.


Vrijer

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van zijn bestemming?

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van kennis?

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van het doodloze?

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van het ongeborene?

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van vrijheid?

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van woorden?

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: En wie vrij is van koans?


Elementair

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.
Meester: Wie zijn bestemming kent is niet vrij.
Monnik: Waar gaan we heen als de vier elementen uiteenvallen?
Meester: Wie vrij is kent zijn bestemming niet.


Stoffen en zuigen

Monnik: Waar gaan we heen als de vier elementen uiteenvallen?
Meester: De honderd en acht elementen, zul je bedoelen.
Monnik: Dat is geen antwoord.
Meester: Bovendien valt de stof gewoonlijk niet uiteen in elementen.
Monnik: Waarin dan wel?
Meester: Moleculen van allerlei samenstelling en grootte.
Monnik: Waar gaan we heen als de stof uiteenvalt?
Meester: Wanneer valt de stof uiteen?
Monnik: Bij je dood natuurlijk.
Meester: De stof valt voortdurend uiteen.
Monnik: Wat maakt het uit.
Meester: Dat je de verkeerde vraag stelt.
Monnik: Wat is de juiste vraag?
Meester: Waar gaan we heen terwijl de stof uiteen valt?
Monnik: Het moet niet veel gekker worden.
Meester: Waarin valt de stof uiteen voordat je geboren wordt?
Monnik: ‘Waar was je voordat je geboren werd’, was het toch?
Meester: Kleine wasjes, grote wasjes…
Monnik: Pardon?
Meester: Laat de was maar draaien.
Monnik: Kleine wasjes, grote wasjes, laat de was maar draaien?
Meester: Surinaamse wijsheid.
Monnik: Doe mij maar zen.
Meester: Ik zie het verschil niet.


Als gedachten uiteenvallen

Monnik: Waar gaan we heen als de vier elementen uiteenvallen?
Meester: Waar gedachten heen gaan als ze uiteenvallen.
Monnik: Waar gaan gedachten heen als ze uiteenvallen?
Meester: Wie zegt dat ze uiteenvallen?
Monnik: Dat dacht ik.
Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.
Monnik: Gedachten keren terug naar de leegte waaruit ze ontstaan.
Meester: Wie zegt dat er zoiets is als een leegte waaruit gedachten ontstaan?
Monnik: Dat dacht ik.
Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.
Monnik: Waar komen gedachten anders vandaan?
Meester: Wie zegt dat ze ergens vandaan komen?
Monnik: Dat dacht ik.
Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.
Monnik: Waar moeten gedachten anders naartoe?
Meester: Wie zegt dat ze ergens naartoe moeten?
Monnik: Dat dacht ik.
Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.
Monnik: Wat als deze gedachte uiteenvalt?
Meester: Welke gedachte?
Monnik: ‘Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.’
Meester: Dan zijn we daar ook weer van verlost.


Weg versperringen

Meester Zuetsu richtte drie wegversperringen op voor watlopers.
Ten eerste. Iedere beginnende zenleerling meent dat hij een ware aard heeft; wat als het onderscheid tussen waar en vals een illusie zou zijn?
Ten tweede. Iedere gevorderde zenleerling meent dat het onderscheid tussen waar en vals een illusie is; wat als het onderscheid tussen illusie en werkelijkheid leeg zou zijn?
Ten derde. Iedere zenmeester meent dat illusie en werkelijkheid leeg zijn; wat als de leegte leeg zou zijn?

Nadat Zuetsu zowel zijn meesterschap als het doorzien daarvan had doorzien, haalde hij eigenhandig de drie wegversperringen weg.
Ook dat haalde niets uit.


Zandstorm

Monnik: Wat zijn de drie wegversperringen van zen?
Meester: Drie?
Monnik: Hoe bedoelt u?
Meester: Zen is één grote wegversperring.
Monnik: Zen is toch zeker een weg?
Meester: Iedere weg is een versperring.
Monnik: Hoe heten de drie versperringen van zen?
Meester: Boeddha, dharma, sangha, zazen, kin-hin, koan, jukai, sensei, roshi, kensho, satori, inka, enso, noem maar op.
Monnik: Allemaal versperringen?
Meester: Zand in je ogen.
Monnik: Waar is dat goed voor?
Meester: Om je traanklieren te activeren.
Monnik: Waar is dat goed voor?
Meester: Om het zand eruit te spoelen.
Monnik: En dan?
Meester: Wachten op Klaas Vaak.
Monnik: Kun je eindelijk de onbemiddelde werkelijkheid zien, zou ik zeggen.
Meester: Dat is gewoon weer zo’n versperring.


Kuilvoer

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat er zoiets is als zen.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat er niet zoiets is als zen.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je moet mediteren.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je niet moet mediteren.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je ergens heen moet.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je nergens heen moet.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je ergens heen kan.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je nergens heen kan.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat er iets te halen valt.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat er niets te halen valt.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat er valkuilen zijn.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat er geen valkuilen zijn.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je iemand bent.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je niemand bent.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je niet moet denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je anders moet denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken dat je minder moet denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?
Meester: Niet denken.

Monnik: Hoeveel valkuilen zijn er wel niet op de zenweg?
Meester: Zoveel als er gedachten zijn.
Monnik: Valkuilen omzeilen is de weg.
Meester: Valkuilen omzeilen is…
Monnik: De grootste valkuil op de zenweg, wou u zeggen.
Meester: En nóg een valkuil.
Monnik: Wat is wel de weg?
Meester: Vallen is de weg.


de val


Vijf ziekten

Meester: Als het licht niet vrij kan ontsnappen, zijn er vier soorten ziekte.
Monnik: Wat is de eerste ziekte?
Meester: Alleen maar vorm zien.
Monnik: Wat is de tweede ziekte?
Meester: Alleen maar leegte zien.
Monnik: Wat is de derde ziekte?
Meester: Vorm én leegte zien.
Monnik: Wat is de vierde ziekte?
Meester: Vorm noch leegte zien.
Monnik: Hoe moeten we dan kijken?
Meester: Wou je me ziek hebben?


Tien ziekten

Meester: Als het licht niet vrij kan ontsnappen, zijn er tien soorten ziekte.
Monnik: Wat is de eerste ziekte?
Meester: Denken dat je iets weet.
Monnik: Wat is de tweede ziekte?
Meester: Denken dat je niets weet.
Monnik: Wat is de derde ziekte?
Meester: Denken dat je kan genezen.
Monnik: Wat is de vierde ziekte?
Meester: Denken dat je ziek bent.
Monnik: Wat is de vijfde ziekte?
Meester: Denken dat je iets kan.
Monnik: Wat is de zesde ziekte?
Meester: Denken dat je niets kan.
Monnik: Wat is de zevende ziekte?
Meester: Denken dat je iemand bent.
Monnik: Wat is de achtste ziekte?
Meester: Denken dat je niemand bent.
Monnik: Wat is de negende ziekte?
Meester: Denken.
Monnik: Wat is de tiende ziekte?
Meester: Niet denken.
Monnik: Wat moeten we dan?
Meester: Wou je me ziek hebben?


48. Luchtweg

Een monnik zei: ‘Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana. Waar loopt die weg?’ Meester Ganfeng trok met zijn stok een denkbeeldige lijn in de lucht en zei: ‘Hier.’
Toen meester Yunmen dezelfde vraag werd gesteld, stak hij zijn waaier op en zei: ‘Deze vliegt regelrecht naar de drieëndertigste hemel en raakt de plaatselijke godheid vol op de neus. Alsof een karper in de Oostzee met zijn staart zwiept en de regen hier met bakken uit de hemel valt.’

48 nooit weg


Verder terug

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana. Waar loopt die weg?
Meester: Terug.
Monnik: Terug naar waar?
Meester: Waar niemand vraagt ‘terug naar waar’.
Monnik: Waarom vraag niemand daar ooit naar?
Meester: Omdat daar geen terug is en geen verder.
Monnik: Nog niet of niet meer?
Meester: En niemand die dat weten wil.
Monnik: Waar loopt de weg terug?
Meester: Waar niemand zich dat afvraagt.
Monnik: Maar waarom vraagt er niemand naar?
Meester: Bij gebrek aan hier en daar.


Ad verecundiam

Monnik: Volgens de geschriften…
Meester: Het is maar net welke geschriften je leest.
Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana, wou ik zeggen.
Meester: Het is maar net welke geschriften je leest.
Monnik: Maar alle boeddha’s zijn het er toch over eens…
Meester: Het is maar net aan welke boeddha je het vraagt.
Monnik: Maar alle boeddhistische scholen zijn het er toch over eens…
Meester: Het is maar net aan welke school je het vraagt.
Monnik: Maar alle boeddhisten zijn het er toch over eens…
Meester: Het is maar net aan welke boeddhist je het vraagt.
Monnik: Maar alle mensen zijn het er toch over eens…
Meester: Het is maar aan wie je het vraagt.
Monnik: Maar…
Meester: Er is bij mijn weten niets waar alle geschriften het over eens zijn, niets waar alle boeddha’s het over eens zijn, niets waar alle boeddhistische scholen het over eens zijn, niets waar alle boeddhisten het over eens zijn en niets waar alle mensen het over eens zijn.
Monnik: Daar ben ik het niet mee eens.
Meester: Zie je wel.
Monnik: U kunt me nog meer vertellen.
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Wat?
Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.


Ad populum

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana.
Meester: En wat dan nog?
Monnik: Zo staat het geschreven.
Meester: Wat maakt het uit wat iedereen doet?
Monnik: Dan kan ik daar een voorbeeld aan nemen.
Meester: Omdat iedereen die kant op gaat?
Monnik: Is dat zo gek?
Meester: Wel als iedereen de verkeerde kant op gaat.
Monnik: Gaat iedereen de verkeerde kant op?
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: De goede kant natuurlijk.
Meester: Wel als er geen goede kant is.
Monnik: Dan zou iedereen de verkeerde kant op gaan.
Meester: Niet als er geen verkeerde kant is.
Monnik: U zegt alsmaar ‘als’.
Meester: Wie moet het anders zeggen?
Monnik: Wat als er geen goede en geen verkeerde kant is?
Meester: Dan heeft het ook geen zin om op weg te gaan.
Monnik: Dan is op weg gaan toch verkeerd?
Meester: Niet als er geen goede en geen verkeerde kant is.
Monnik: Omdat alles dan goed is?
Meester: Niet als er geen goede en geen verkeerde kant is.
Monnik: Omdat het dan niet uitmaakt, bedoel ik?
Meester: Maar alleen als er geen goede en geen verkeerde kant is.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Dan noem je dat toch nirwana.


Sara’s waan

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana.
Meester: Hadden ze de geschriften maar niet moeten lezen.
Monnik: Wat als je de geschriften niet meer leest?
Meester: Dan is er geen nirwana.
Monnik: Blijven we eeuwig in samsara ronddolen.
Meester: Dan is er geen samsara.
Monnik: Welke weg moeten we dan volgen?
Meester: Dan is er geen weg.
Monnik: Waar moeten we het dan zoeken?
Meester: Dan is er geen zoeken.
Monnik: Wat hebben we dan gevonden?
Meester: Dan is er geen vinden.
Monnik: Geen zoeken en geen vinden?
Meester: En geen niet-zoeken en geen niet-vinden.
Monnik: Klaar ben je.
Meester: En geen jij en geen niet-jij.
Monnik: En geen klaar en geen onklaar zeker.
Meester: Hoef je je ook niet meer af te vragen of je er al bent.
Monnik: Erg opwindend klinkt het niet.
Meester: Goeie definitie van nirwana.
Monnik: Zelf blijf ik liever zoeken.
Meester: Zelf noem ik dat samsara.


Wegblijvers

Monnik: Hoe heet de weg naar nirwana?
Meester: Samsara.
Monnik: Hoe lang zal ik nog in samsara verblijven?
Meester: Zolang je onderweg blijft.


Wegwachters

Monnik: Waar loopt de weg naar nirwana?
Meester: In nirwana.
Monnik: Waarom voelt het dan als samsara?
Meester: Omdat je er weg wil.


Weglopers

Monnik: Waarheen leidt de weg?
Meester: De weg leidt overal vandaan.
Monnik: Wat als je de weg verlaat?
Meester: Dan is hij eindelijk weg.
Monnik: Ben je dan eindelijk thuis?
Meester: Waar geen weg is, is geen thuis.
Monnik: Hoe is het zonder thuis of weg?
Meester: Daar is geen komen en geen gaan.
Monnik: Hoe kom ik daar, waar moet ik staan?
Meester: De weg leidt overal vandaan.


Huizen noch kruizen

Monnik: Waar is de weg?
Meester: Moet je ergens heen dan?
Monnik: En wat dan nog?
Meester: Dan zou je nog verder van huis zijn.
Monnik: Toevallig ben ik al thuis.
Meester: Dan ben je al verder van huis.
Monnik: Huizen zijn kruizen, wou u zeggen.
Meester: Alleen voor wie blijft hangen.


Zoeken wat je vindt

Monnik: Waar loopt de weg naar nirwana?
Meester: Precies hier.
Monnik: Waar is hier?
Meester: Samsara noch nirwana.
Monnik: Maar waar loopt hij dan heen?
Meester: Precies hier.
Monnik: Samsara noch nirwana?
Meester: Ik noem het liever niemendal.
Monnik: Hoe is het in het Niemendal?
Meester: Precies zoals het is.
Monnik: Wat doe je in het Niemendal?
Meester: Alleen maar wat je doet.
Monnik: Wat zeg je in het Niemendal?
Meester: Alleen maar wat je zegt.
Monnik: Wat denk je in het Niemendal?
Meester: Alleen maar wat je denkt.
Monnik: Hoe voelt het in het Niemendal?
Meester: Precies zoals het voelt.
Monnik: Maar heb je daar dan vrede mee?
Meester: Alleen als dat zo is.
Monnik: En vind u dat bevredigend?
Meester: Alleen als ik dat vind.
Monnik: Het klinkt zo onbevredigend.
Meester: Alleen als je dat vindt.
Monnik: Is alles daar dan subjectief?
Meester: Alleen voor wie dat vindt.
Monnik: En als je dat niet langer vindt?
Meester: Dan is dat wat je vindt.


Lichaamstaal

Een monnik vroeg: ‘Waar is nirwana?’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. De monnik vroeg: ‘Waar is de weg naar nirwana?’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. ‘Waar is samsara?’ Tik. ‘Waar is de weg uit samsara?’ Tik. ‘Allemaal in mijn hoofd?’ Tik. ‘Mijn hoofd zit ook in mijn hoofd?’ Tik. ‘In mijn geest dan?’ Tik. ‘In de Geest?’ Tik. ‘In mijn bewustzijn?’ Tik. ‘In het Bewustzijn?’ Tik. ‘In het Zelf?’ Tik. ‘In het Ene?’ Tik. ‘O, ik weet het al.’ De meester zei: ‘Wist je maar van ophouden.’ De monnik riep: ‘In mijn verbeelding.’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. De monnik slaakte een kreet. De meester slaakte een kreet. De monnik sloeg met zijn vuist op tafel. De meester sloeg met zijn vuist op tafel. De monnik tikte met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd. De meester tikte met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd. De monnik stak zijn middelvinger op. De meester stak zijn duim op. De monnik riep: ‘Allemaal nirwana!’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. De monnik vroeg: ‘Wat is nirwana?’


Vijf dummy’s

Eindelijk is het zover: je gaat op bedevaart. Bij de eerste meester aangekomen, vraag je: ‘Waar begint de weg?’ De meester slaat met zijn staf op de grond. Je zegt: ‘Dat is ook toevallig.’ De meester glimlacht. Je zegt: ‘Bent u daarom hier gaan staan?’ De meester kijkt je glazig aan. Je zegt: ‘U bedoelde toch hier?’ De meester zegt: ‘Waar?’ Je vraagt: ‘Waar eindigt de weg?’ De meester slaat met zijn staf op de grond. Je zegt: ‘Dit is werkelijk een toplocatie.’ De meester glimlacht. Je vraagt: ‘U bedoelt toch hier, of niet soms?’ De meester kijkt je glazig aan. Je zegt: ‘Maar ik bén al hier.’ De meester zegt: ‘Wie?’ ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Naar een andere meester, voor een second opinion.’

Bij de volgende meester aangekomen zeg je: ‘Wat voor weg is de weg?’
De meester zegt: ‘Een dwaalweg.’ ‘Waarheen?’ ‘Een doolhof.’ Je zegt: ‘Een dwaalweg naar een doolhof?’ De meester lacht schaapachtig. Je zegt: ‘Het paradijs is een doolhof?’ ‘Ik sta er niet voor in.’ Wees eens eerlijk…’ ‘Oei.’ Je zegt: ‘Hoe hou je ze uit elkaar?’ De meester zegt: ‘Eerlijk en oneerlijk?’ ‘Dwaalweg en doolhof.’ ‘O, gelukkig.’ ‘Nou?’ ‘Het Is dat je er zelf over begint…’ ‘Toe dan.’ ‘Ik ben hier niet zo goed in…’ ‘Alstublieft.’ ‘Tja.’ Je zegt: ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Naar een andere meester, voor een derde mening.’

Bij de volgende meester aangekomen zeg je: ‘Waar is de weg?’ De meester zegt: ‘Weg.’ ‘Pleitte?’ ‘Foetsie.’ ‘Hoe kan dat nou?’ De meester zegt: ‘Hij lag toch maar in de weg.’ Je zegt: ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Naar een andere meester, voor een vierde mening.’

Bij de laatste meester aangekomen, zeg je: ‘Waarom kan ik de weg niet vinden?’ De meester zegt: ‘Omdat de weg niet vinden is?’ ‘Hoe hebt u hem dan gevonden?’ ‘Door hem kwijt te raken?’ ‘Maar hoe bent u hem dan kwijtgeraakt?’ De meester zegt: ‘Als ik dat wist had ik hem wel gevonden.’ Je zegt: ‘Zo komen we nergens.’ De meester zegt: ‘Moet je ergens heen dan?’

Vertwijfeld sjok je naar een nabijgelegen veldje en laat je zwaar op het gras vallen. Je zegt: ‘Wat een stelletje dummy’s.’


Bovenstaande tekst is geïnspireerd door koan 20 uit het Boek van Sereniteit:

Dizang zei: Waar ga je heen?
Fayan zei: Op bedevaart.
Dizang zei: Waar is dat goed voor?
Fayan zei: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang zei: Niet weten is het meest nabij.


Zitprentjes 37-48


De poortloze poort

De Poortloze Poort, met hoofdletters, is de titel van een collectie van achtenveertig koans verzameld en becommentarieerd door de Chinese Ch’anmeester Wumen Huikai.

De Poortloze Poort, met hoofdletters, is nu ook de titel van diezelfde collectie van achtenveertig koans, vernacheld en versjteerd door de gesjeesde dwaalmeester Hans van Dam.
Niet te missen: de Poortloze Poort om precies te zijn.

De poortloze poort, met kleine letters, is een metafoor.
Maar waarvoor?

De poortloze poort, met kleine letters, is ook de titel van de negenenveertigste en laatste reeks van Niet te missen: de Poortloze Poort.
Dertien dwaalgesprekjes over de poortloze poort als metafoor.
Helaas is de poortloze poort niet de climax van de Poortloze Poort, want de Poortloze Poort heeft geen climax – die van Wumenguan niet en die van mij al helemaal niet.
De poortloze poort is ook geen samenvatting of conclusie van de Poortloze Poort, want wat valt er in Boeddha’s naam samen te vatten of te concluderen?

De poortloze poort, met kleine letters, is een nageboorte.
De nageboorte van een miskraam.
Een rééks nageboortes.
Moederkoekjes voor het bloeden.
Achterpoortjes voor onderdeurtjes.
Onderdeurtjes zonder sleutels.
Sleutels zonder sloten.
Sloten zonder vis.
Vis moet zwammen, kabbelde het spraakwater.
Geloof niets van wat ik zeg, oreerde Linji.
Dat gelooft geen hond, blafte Zhaozhou.
Laten we er een potje van maken, lachte Hans.
Daar zijn we mensen voor.
Wat dacht je van een potje croquet?
De laatste poortjes wegen het lichtst.

49 crocket


Een horizon

‘Wat is de poortloze poort?’
‘Een horizon.’
‘In welke zin?’
‘Hoe lang je er ook op af loopt, hij komt nooit dichterbij.’
‘Bedoel je dat we er vandaan moeten lopen?’
‘Hoe lang je er ook vandaan loopt, hij gaat nooit verder weg.’
‘Bedoel je dat we er al zijn?’
‘Waar?’
‘Bedoel je dat dit het al is?’
‘Wat?’
‘Bedoel je dat zoeken geen zin heeft?’
‘Waarvoor?’
‘Wat bedoel je dan?’
‘Kijk.’
‘Wat?’
‘De horizon.’


Een vergeetpoort

‘Wat voor poort is de poortloze poort?’
‘Een vergeetpoort.’
‘Wat vergeet hij die erdoorheen gaat?’
‘Of er wel een poort was, of hij er wel doorheen is gegaan, waarom hij er zo nodig doorheen moest, wie het ook alweer was die erdoorheen dacht te kunnen, met welk…’
‘En daar ben jij vrijwillig doorheen gegaan?’
‘Waardoorheen?’


Een mand

‘Wat is de poortloze poort?’
‘Een mand zonder bodem.’
‘Wat is door de poortloze poort gaan?’
‘Door de mand vallen.’
‘Wat een naar idee.’
‘Dat is ook maar een idee.’
‘Wat gebeurt dáármee?’
‘Dat valt ook door de mand.’
‘En je andere ideeën?’
‘Die vallen allemaal mee.’
‘Zijn we daar ook weer van verlost.’
‘ ’t Idee.’


Een detectiepoortje

‘Wat is de poortloze poort?’
‘Een detectiepoortje.’
‘Hoezo?’
‘Je gaat erdoorheen maar nergens heen.’
‘Wat wordt er gedetecteerd?’
‘Of je nog iets weet.’
‘En zo ja?’
‘Dan gaat hij af.’
‘O jee.’
‘Een gekkenhuis.’
‘Dat zal mij niet overkomen.’
‘Zeker weten?’
‘Zeker weet ik alleen dat ik niets weet.’
‘Taa-tuu, taa-tuu.’


Een zegepoort

‘Wat voor poort is de poortloze poort?’
‘Een zegepoort.’
‘Welke overwinning vier je door eronderdoor te gaan?’
‘Je viert geen overwinning.’
‘Wat dan?’
‘Je gaat eronderdoor.’
‘Je zal toch wel iets overwinnen als je eronderdoor gaat?’
‘De hoop dan maar.’
‘De wanhoop zegeviert?’
‘Ook overwonnen.’
‘Wat heb je dan bereikt?’
‘Bereikt?’
‘Wat heb je dan achter je gelaten?’
‘Achter je gelaten?’
‘Maar wat héb je dan?’
‘Dan?’
‘Doel je op het hier en nu?’
‘Je?’
‘Doel je op niet-zelf?’
‘Ook overwonnen.’
‘Doel je op niet bedoelen?’
‘Ook overwonnen.’
‘Wat blijft er dan nog over?’
‘Waarvan?’
‘Noem dat maar een zegepoort.’
‘Een poort is iets waar je doorheen moet.’
‘Iets waar je onderdoor gaat, zei je toch?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’


Vanzelfzwijgend

‘Wat is de poortloze poort?’
‘Tja.’
‘Dat is ook geen antwoord.’
‘Ik kan nou eenmaal niet voor anderen spreken.’
‘En voor jezelf?’
‘Dat gaat al helemaal niet meer.’


Linksom of rechtsom

‘Hoe weet je of iemand door de poortloze poort is gegaan?’
‘Die gelooft er niet meer in.’
‘Die gelooft zeker alleen nog in zichzelf.’
‘Dat zou me verbazen.’
‘Die gelooft zeker alleen nog in het zelf.’
‘Dat zou me verbazen.’
‘Die gelooft zeker alleen nog in niet-zelf.’
‘Dat zou me verbazen.’
‘Waar gelooft hij dan wel in?’
‘Wie zegt dat hij nog ergens in gelooft?’
‘Bedoel je dat hij nergens meer in gelooft?’
‘Dat zou me verbazen.’
‘Bedoel je dat hij in niet-geloven gelooft?’
‘Dat zou me verbazen.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Ik zou niks zeggen.’
‘En als je toch iets moest zeggen?’
‘Dat hij door de poortloze poort is gegaan.’


Keerzijden

‘Waarom kan niemand mij vertellen hoe het is om door de poortloze poort te gaan?’
‘Door de wat?’
‘Toe nou.’
‘Omdat niemand ervan terugkeert.’
‘Ben jij voorgoed aan gene zijde?’
‘Nooit van gehoord.’
‘Ben jij voorgoed aan deze zijde?’
‘Zegt me niks.’
‘Waar ben je dan?’
‘Dat zou ik ook weleens willen weten.’
‘Maar wel voorgoed?’
‘Voorgoed moet nog komen.’
‘Voorlopig dus.’
‘Idem dito.’
‘Ik snap er niks van.’
‘Wat dacht je van mij.’
‘Waarom kan niemand mij vertellen hoe het is om door de poortloze poort te gaan?’
‘Daarom kan niemand je vertellen hoe het is om door de poortloze poort te gaan.’


Uitgezocht

‘Waar is de poortloze poort?’
‘Aan het einde van je zoektocht.’
‘Ja, hè hè.’
‘Hoezo?’
‘Vinden is nou eenmaal het einde van het zoeken.’
‘Voor sommigen is niet-vinden het einde van het zoeken.’
‘Ja, staat de poortloze poort nou voor vinden of voor niet-vinden?’
‘Voor sommigen is niet zoeken het einde van het zoeken.’
‘Dat is ook geen antwoord.’
‘Dat is ook geen vraag.’
‘Maar waar is nou de poortloze poort?’
‘Aan het einde van je zoektocht.’


Onvoorwaardelijk

‘Waarvoor staat de poortloze poort volgens jou?’
‘Onvoorwaardelijk vertrouwen, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Onvoorwaardelijk wantrouwen.’
‘Echt?’
‘Ja, wat zeg ik nou.’


een universeel geloof


De kosmische grap

‘Er is helemaal geen poortloze poort.’
‘O?’
‘Dat denk je alleen maar.’
‘Goh.’
‘En ook geen zoeker.’
‘O?’
‘Dat denk je alleen maar.’
‘Goh.’
‘Laat staan een zoektocht.’
‘O?’
‘Dat denk je alleen maar.’
‘Misschien denk je dat ook alleen maar.’
‘Wat?’
‘Dat je dat ook alleen maar denkt.’
‘Hm.’


groot wantrouwen


Een rijke oogst

‘Waar vind ik de poortloze poort?’
‘In de muurloze muur.’
‘Waar vind ik de muurloze muur?’
‘Op een plaatsloze plaats.’
‘Hoe kondig ik mij daar aan?’
‘Met een belloze bel.’
‘En dan?’
‘Stap je met je lichaamloze lichaam naar binnen noch buiten…’
‘Ga door.’
‘En dan denk je…’
‘Nou?’
‘En dan denk je…’
‘Toe dan.’
‘En dan denk je: nou en?’
‘Is dat alles?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Maar dat denk ik al de hele dag.’
‘Daar heb je het al.’
‘En dan?’
‘En dan denk je…’
‘Toe dan.’
‘En dan denk je: en nou?’
‘Maar dat denk ik al de hele dag.’
‘Ik kan het ook niet helpen.’
‘En dan?’
‘En dan ga je maar weer zoeken.’
‘Waarnaar?’
‘Woorden, in mijn geval.’
‘Lukt dat?’
‘Och.’
‘Welke woorden heb je allemaal gevonden?’
‘Tja.’
‘Beter kun je het niet zeggen?’
‘Eh…’
‘Toe dan.’

‘Komt er nog wat van?’
‘Dat was het wel zo’n beetje.’
‘Hè?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Maar dat denk ik al de hele dag.’
‘Dus dat kan het probleem niet zijn.’


Onverstoorbaar gestoord

‘Zeg, waar vind ik de poortloze poort?’
‘In het hart van het oordloze oord.’
‘En, hoe vind ik dit oordloze oord?’
‘Daartoe pleeg je een moordloze moord.’
‘Maar wie moet er dan moordloos vermoord?’
‘Om jóuw nek zit het koordloze koord.’
‘Arme ik gaat voorgoed overboord?’
‘In de bloei van z’n leven gesmoord.’
‘En het Zelf speelt zijn hemels akkoord?’
‘Nee, het Zelf dat gaat mee overboord.’
‘Wie woont dan in het oordloze oord?’
‘ ’t Is de mens van de soortloze soort.’
‘Jij kent vast wel zijn woordloze woord.’
‘Tja, daar heb ik nog nooit van gehoord.’