Postmodernisme

Citaten van Jean Baudrillard, Maurice Blanchot, Jacques Derrida, Jean-Luc Nancy, Th.C.W. Oudemans, Kees van Peursen en Clément Rosset.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Postmodernisme


Inhoud

Jean Baudrillard

Baudrillard Jean

Uit De fatale strategieën, Jean Baudrillard, 1985:


Ontkomen

De dingen hebben wegen gevonden om te ontkomen aan de dialektiek van de zin, waar ze genoeg van hadden: de oneindige proliferatie, de potentiëring, het opdrijven van hun essentie, in een stijgende extremiteit, in een obsceniteit die van nu af aan fungeert als hun immanente finaliteit en hun onzinnige rede. (9)


Extase

Juist de onzekerheid over de reële inhoud drijft ons tot de duizelingwekkende oververmenigvuldiging van de formele kwaliteiten. Dus tot de vorm van de extase. De extase is de kenmerkende kwaliteit van elk lichaam dat om zichzelf heen tolt totdat het zijn zin verliest en schittert in zijn pure en lege vorm. [De] antipedagogie is de extatische, dat wil zeggen pure en lege vorm van de pedagogie. Het antitheater is de extatische vorm van het theater: geen toneel meer, geen inhoud meer, het theater op straat, zonder akteurs, een theater van allen voor allen … (13)


De magie van haar verdwijning

Niemand heeft de ‘kreatieve’ daad tot diepere ontsteltenis gebracht en meer in haar pure en ijdele vorm laten schitteren dan Duchamp toen hij plotseling een flessenrek in een kunstzaal exposeerde. Tegelijkertijd voert de extase van een alledaags voorwerp de schilderdaad tot haar extatische vorm – doelloos zal ze voortaan om zichzelf heen tollen en in zekere zin verdwijnen, maar niet zonder een beslissende fascinatie op ons uit te oefenen. Tegenwoordig oefent de kunst alleen nog de magie uit van haar verdwijning. (14)


Verdubbelde aanwezigheid

De aanwezigheid wijkt niet voor de leegte, ze wijkt voor een verdubbelde aanwezigheid die de oppositie tussen aanwezigheid en afwezigheid teniet doet. (15)


Doorbraak van de onbepaaldheid

Een voorbeeld van deze ex-centriciteit van de dingen, van dit afdrijven naar de wildgroei, is de doorbraak in ons systeem van het toeval, van de onbepaaldheid, van de relativiteit. De reaktie op deze nieuwe stand van zaken was niet een gelaten prijsgeven van de oude waarden maar eerder een waanzinnige overdeterminatie, een overdrijving van die waarden van de referentie, de funktie, de finaliteit, de kausaliteit. (16)


Hypertelie

De bepaaldheid wijkt niet voor de onbepaaldheid maar voor een hyperbepaaldheid – overtolligheid van de onbepaaldheid in de leegte.
De finaliteit verdwijnt niet voor de onzekerheid, maar voor een hyperfinaliteit, een hyperfunktionaliteit: funktioneler dan funktioneel, finaler dan finaal – hypertelie. (16)


Hyperbetekenis

In een systeem waarin de dingen steeds meer aan het toeval worden overgeleverd, begint de finaliteit te ijlen, en dit delirium ontwikkelt elementen die hun doel zozeer te buiten gaan dat het systeem tenslotte totaal overwoekerd raakt.
Dit geld voor het gedrag van de kankercel (hypervitaliteit in één richting), voor de hyperspecialisatie van de objekten en de mensen, voor de operationaliteit van het kleinste detail en de hyperbetekenis van het kleinste teken … . (17)


Hysterie van de kausaliteit

Tegengesteld aan de hysterie van de finaliteiten is de hysterie van de kausaliteit, die overeenkomt met de gelijktijdige verdwijning van de oorsprongen en de oorzaken: een obsessionele speurtocht naar de oorsprong, de verantwoordelijkheid, de referentie, een poging de fenomenen tot in hun allerkleinste oorzaken uitputtend te behandelen. (17)


Vlucht naar voren

Maar ook het komplex van de genese en de genetika dat onder meer het licht deed zien aan de psychoanalytische palingenese (heel het psychische bezinkt in de prille kindsheid, alle tekens worden symptomen), aan de biogenetika (alle waarschijnlijkheden zijn verzadigd door de fatale opbouw van de molekulen), aan de hypertrofie van het historisch onderzoek, aan het delirium om alles te verklaren, alles iets toe te schrijven, alles een referentie te geven … Dit alles leidt tot een fantastische overvoering – waarbij alle referenties voor en van elkaar leven. Ook hier ontwikkelt zich een overontwikkeld interpretatiesysteem zonder enige relatie met zijn doelstelling. Dit alles is een vlucht naar voren om te ontsnappen aan het wegkwijnen van de objectieve oorzaken. (18)


Verdwijning van de geschiedenis

Door welk wonder zou de geschiedenis weer waar worden? Door welk wonder zou men terug kunnen gaan in de tijd om de verdwijning ervan te voorkomen? Want het is ook het punt waarop de lineaire tijd eindigt, en alle wonderen die de science fiction verricht om ‘terug te gaan in de tijd’ zijn vergeefs als deze al niet meer bestaat, als achter ons het verleden in feite al is verdwenen. (21)


Pure gebeurtenis

De naïviteit om elke gebeurtenis aan oorzaken te wijten, brengt ons op het idee dat ze zich ook niet had kunnen voordoen – de pure gebeurtenis, zonder oorzaken, kan alleen maar onvermijdelijk plaatsvinden -, ze kan zich echter nooit opnieuw voordoen, terwijl dat bij een kausaal proces altijd kan. Maar daar is dan ook geen sprake meer van een gebeurtenis. (22)


Dokumenteren

In een sfeer die vreemd is aan de geschiedenis, kan de geschiedenis niet meer worden gereflekteerd of bewezen. Daarom eisen wij van alle voorgaande tijdperken, van alle levenswijzen, van alle mentaliteiten, dat ze geschiedenis worden, dat ze over zichzelf vertellen op basis van bewijzen en dokumenten (alles wordt dokumentair): want we voelen heel goed aan dat dit alles in onze sfeer van het einde van de geschiedenis zijn geldigheid verloren heeft. (23)


Niets aankondigen

Voorbij dat punt zijn er alleen nog gebeurtenissen zonder konsekwenties (en theorieën zonder konsekwenties), precies omdat ze hun eigen zin absorberen, niets weerspiegelen, niets aankondigen. (23)


De tijd zonder geheugen

Als het eenmaal gedaan is met de zin van de geschiedenis, als dit punt van inertie eenmaal gepasseerd is, dan wordt elke gebeurtenis een katastrofe, dan wordt elke gebeurtenis puur en zonder konsekwenties (maar dat is juist haar kracht).
De gebeurtenis zonder konsekwenties – zoals de man zonder eigenschappen van Musil, zoals het lichaam zonder organen, zoals de tijd zonder geheugen. (24)


Involutie

Wanneer het licht wordt opgevangen en gedimd door zijn eigen bron, is er sprake van een brute involutie van de tijd in de gebeurtenis zelf. Een katastrofe in de letterlijke zin van het woord: de inflexie of buiging die oorsprong en doel in een bepaald ding laat samenvallen, die van het uitgangspunt tevens het punt van bestemming maakt om zo het doel te vernietigen, en die ruimte schept voor een gebeurtenis zonder precedent en zonder konsekwenties – een pure gebeurtenis. (24)


Alle oorzaken

Dat is ook de katastrofe van de zin: de gebeurtenis zonder konsekwenties wordt gekenmerkt door de bijzonderheid dat alle oorzaken aan haar kunnen worden toegeschreven, zonder dat er een keuze mogelijk is … Haar oorsprong is onbegrijpelijk, haar bestemming evenzeer. De loop van de tijd noch de loop van de zin zijn te achterhalen. (25)


Alle mogelijke interpretaties

In feite is elke gebeurtenis tegenwoordig konsekwentieloos, elke gebeurtenis staat open voor alle mogelijke interpretaties, geen enkele is in staat de zin vast te leggen: alle oorzaken en alle gevolgen zijn even waarschijnlijk – een veelvoudige en onzekere toeschrijving. (25)


Zwart lichaam

Ook de dingen en de gebeurtenissen hebben de neiging om hun zin niet meer af te geven, om de emanatie ervan te vertragen, om wat ze voorheen nog terugkaatsten nu op te vangen en te absorberen in een zwart lichaam. (26)


Geen grond

Verdwijnen in de tussenruimten, dat is het effekt van de (ook mentale) aardschok die ons te wachten staat. Het barsten van de best verzegelde dingen, het trillen van de dingen die zich samentrekken, die zich samenballen boven hun leegte. Want in de grond (!) van de zaak heeft de bodem nooit bestaan, maar enkel een gekloofde aardkorst, en ook de aardkern niet, waarvan bekend is dat ze in vloeibare staat verkeert. (32)


Nooit dit of dat

Zelfs als het gaat om onze eigen identiteit, waarvan we de gijzelaars zijn, worden we gesommeerd om haar te accepteren, om er met ons leven voor in te staan (dat heet, zo men wil sociale, zekerheid), gesommeerd om onszelf te zijn, te spreken, te genieten, ons te realiseren – op straffe van … op straffe van wat? Dat is provokatie. In tegenstelling tot de verleiding die de dingen laat spelen en verschijnen in het geheim, het duel en de ambiguïteit, laat de provokatie je geen vrijheid, ze sommeert je te onthullen wie je bent. Ze pleegt altijd chantage op de identiteit (en is dus een symbolische moord, want we zijn nooit dit of dat, behalve wanneer we ertoe worden gedwongen. (61)


Ongrijpbaar

Deze obsceniteit richt alles te gronde wat nog over was van een illusie van diepte en daarmee ook de laatste vraag die men nog kon stellen aan een onttoverde wereld: bestaat er een verborgen zin? Als alles overbelast wordt met betekenissen wordt de zin ongrijpbaar. (92)


Revolutie

Sinds het begin van de 20ste eeuw onderkent de wetenschap dat elk dispositief op het vlak van de mikroskopische waarneming een zodanige verandering van het objekt teweegbrengt dat de kennis van dat objekt twijfelachtig wordt. Dit op zich is al een revolutie omdat het een eind maakt aan de konventionele hypothese van een objektieve realiteit en wetenschap … . (124)


IJdelheid

Het ekwivalent in de menswetenschappen, voorvoeld maar nooit in zijn extreme konsekwenties geanalyseerd, is de vooronderstelling en de induktie van elk mogelijk antwoord door de vraag zelf, en dus de ijdelheid van de analyse en de interpretatie (wat nog geen reden is om ze op te geven). (125)


Uitdaging

Misschien neemt het objekt geen genoegen met zijn vervreemding door de waarneming, misschien misleidt het ons. Misschien bedenkt het originele antwoorden, en niet alleen die waarnaar gevraagd wordt. Misschien wil het helemaal niet geanalyseerd en geobserveerd worden, misschien vat het dit op als een uitdaging (wat het is) en antwoord het met een andere uitdaging. (126)


Onvindbare positie

Deze triomfantelijke list van het geanalyseerde objekt voelt men in de zogenaamde menswetenschappen heel goed aan (tenzij men hem liever niet wil opmerken). Daar rept men al over een punt waarvan geen terugkeer meer mogelijk is, waarop niet alleen elke positie van het analytische subjekt wordt getroffen door relativiteit en onzekerheid, maar waarop de suprematie volledig wordt omgekeerd: het geanalyseerde objekt triomfeert tegenwoordig door zijn positie als objekt, overal over het subjekt van de analyse. Het is voor het subjekt totaal niet te vatten, het wijst het subjekt terug naar zijn onvindbare positie. Door zijn komplexiteit omzeilt het niet alleen de vragen die de ander kan stellen, het maakt ze ongedaan. (126)


Pervers

Zelfs de materiële processen verijdelen door hun omkering elk onderzoek (de omkeerbaarheid is het absolute wapen tegen elke bepaaldheid die men de fenomenen wil opleggen, maar ze ontziet ook de onbepaaldheid niet, want ze behoort niet tot de orde van het toeval, eerder is ze een soort strikt omgekeerde en simultane bepaaldheid, een perverse tegen-bepaaldheid). (126)


Verlost van de keuze

Elke filosofie die de mens de uitoefening van zijn wil opdraagt, kan hem alleen maar doen verzinken in wanhoop. Want als voor het bewustzijn niets zo vleiend is als te weten wat het wil, dan is voor het andere bewustzijn (het onbewuste?) … niets zo verleidelijk, zo fascinerend als niet te weten wat het wil, verlost te worden van de keuze en afgebracht van zijn eigen objektieve wil. (148)


Which lake do I prefer?

Men kan zich beter verlaten op een of andere onbeduidende gril, dan alles af te laten hangen van zijn eigen wil of de noodzaak om te kiezen. Brummell had daar een bediende voor. Voor een prachtig landschap met talrijke meren, richt hij zich tot zijn knecht en vraagt hem: “Which lake do I prefer?” (149)


Onvervreemdbaar

Een strategie waar dit het geheim van is: het objekt gelooft niet in zijn eigen verlangen, het objekt leeft niet in de illusie van zijn eigen verlangen, het objekt heeft geen verlangen. Het verkeert niet in de waan dat het ergens alleenrecht op heeft en wordt niet geobsedeerd door een rechtsherstel of een autonomie. Het probeert zich niet te beroepen op zijn eigen natuur, zelfs niet op die van het verlangen, vandaar dat het het anders-zijn niet kent en onvervreemdbaar is. Het is niet in zichzelf gedeeld, wat het lot van het subjekt is, en kent geen spiegelstadium waarin het in zijn eigen imaginaire beeld verstrikt zou raken. (179)


Dodelijke transparantie

Het [objekt] is de spiegel. Het verwijst het subjekt naar zijn dodelijke transparantie. En het kan het subjekt juist fascineren en verleiden omdat het geen eigen substantie of betekenis uitstraalt. Het pure objekt is soeverein omdat het de soevereiniteit van de ander zal breken en hem in zijn eigen waandenkbeeld zal verstrikken. Het kristal wreekt zich. (179)


Ongerijmder kan het niet

Twee hypothesen over het toeval. De eerste: alle dingen zijn ertoe bestemd elkaar te ontmoeten, alleen het toeval zorgt ervoor dat het niet gebeurt. De tweede: alle dingen zijn verstrooid en onverschillig voor elkaar, alleen het toeval zorgt ervoor dat ze elkaar soms ontmoeten. … Wij zijn gewoonlijk beide opvattingen tegelijk toegedaan. De dingen verlopen via het toeval – en het toeval brengt ze bijeen. Ongerijmder kan het niet. Vertolkt het toeval nu de soevereine onverschilligheid van de dingen voor elkaar, of vertolkt het juist een geheime wil, iets als een kwade genius die genoegen schept in bizarre verbindingen? (224)


Ontmanteling

De arbeid van de rede is beslist niet het uitdenken van aaneenschakelingen, relaties of zin – dit alles was altijd al volop voorhanden -, maar integendeel het voortbrengen van het neutrale, het indifferente, het demagnetiseren van de onafscheidelijke konstellaties en konfiguraties, om er erratische elementen van te maken, waaraan vervolgens de taak wordt opgelegd hun oorzaak op te sporen of doelloos rond te dolen. De onophoudelijke cyklus van de verschijningen te verbreken. Het toeval, dat wil zeggen alleen al de mogelijkheid van de onbepaaldheid der elementen, van hun respektieve indifferentie, kortom hun vrijheid, is het resultaat van deze ontmanteling. (235)


Precessie

De precessie van het gevolg op zijn oorzaken: dat is de definitie van het lot. Zo gebeuren alle dingen voordat ze hebben plaatsgevonden. De oorzaken komen achteraf. (250)


Verdwijningswijze

Ook de snelheid is ongetwijfeld niets dan de verlokking voor de dingen en de mensen om, via en voorbij alle technologie, sneller te gaan dan hun oorzaak, en op die manier hun oorsprong te achterhalen en ongedaan te maken. Daarin schuilt een duizelingwekkende verdwijningswijze. (Paul Virilio). Maar ook het schrijven is zo’n verdwijningswijze: sneller te zijn dan de aaneenschakeling van de koncepten, daarin schuilt het geheim van het schrijven. (250)


Een eeuwig te laat

Zoals de Messias van Kafka: hij zal pas komen als hij niet meer nodig is, niet op de dag van het laatste Oordeel maar een dag erna. Op die manier worden de dingen door de zin tot een eeuwig te laat veroordeeld. Altijd oorzaken bedenken om de luister van hun verschijningen te bezweren en hun al te snelle aaneenschakeling te vertragen. (251)


Het absolute raadsel

Hiervan heeft de wetenschap een voorgevoel als ze, niet tevreden met het in twijfel trekken van het deterministische kausaliteitsprincipe (dit was een eerste revolutie), vermoedens uit die verder gaan dan het onzekerheidsprincipe, dat nog een hyperrationaliteit is. Het toeval is het vlotten van de wetten, wat op zich al buitengewoon is – maar van nu af voorvoelt de wetenschap aan de uiterste grenzen van de praktische fysika en biologie niet alleen het vlotten, de onzekerheid, maar de mogelijke omkeerbaarheid van de fysische wetten. Dat zou het absolute raadsel zijn: niet een of andere ultraformule of metavergelijking van het universum (wat de relativiteitstheorie nog was), maar de gedachte dat elke wet omkeerbaar is (niet alleen het deeltje in het antideeltje of materie in antimaterie maar de wetten zelf.


Het laatste woord

Niet de kausaliteit of het determinisme en evenmin de vlottende kausaliteit, de waarschijnlijkheid, onzekerheid of relativiteit zouden dus het laatste woord hebben, maar de omkering, de omkeerbaarheid. (253)


Oneindig ironisch

Het objekt is niet de dubbelganger of het verdrongene van het subjekt, noch zijn fantasma of zijn hallucinatie, zijn spiegel of zijn reflektie, het bezit zijn eigen strategie, het beschikt over een spelregel die voor het subjekt ondoorgrondelijk is, niet omdat hij onpeilbaar mysterieus zou zijn maar omdat hij oneindig ironisch is. (280)


Gehoorzaam aan geen enkele wet

Het objekt gehoorzaamt niet aan onze metafysica die al zo lang probeert het Goede te distilleren en het Kwade te filteren. Het objekt is doorschijnend voor het Kwaad. Vandaar dat het op kwaadaardige, duivelse wijze blijk geeft van zijn vrijwillige dienstbaarheid en zich, net als de natuur, graag schikt naar elke wet die het wordt opgelegd, om vervolgens te gehoorzamen aan geen enkele wetgeving. (281)


In de war

Alle strategieën vinden we uit in de hoop ze ontrafeld te zien worden in een onverwacht gebeuren. Heel het reële vinden we uit in de hoop het ontrafeld te zien worden in een wonderbaarlijke kunstgreep. Van elk objekt hopen we dat het een blind antwoord geeft dat onze plannen in de war stuurt. (291)


fatale strategieën


Maurice Blanchot

 

Blanchot Maurice

 


Uit Spreek als laatste, over de poëzie van Paul Celan, Maurice Blanchot 1988:


Woorden die doden

Door het geven van namen maakte Adam zich meester van de dieren, dat wil zeggen hij vernietigde hen in hun bestaan. (9)


Gedruis

Heeft het spreken eenmaal zijn eigen grens bereikt, dan vindt het daar een leegte, waarin het geheel en al opgaat. Deze leegte moet het spreken zien te bereiken, door te aanvaarden dat het oplost in het gedruis (…), in het Buiten waarin alleen de woorden voorbijtrekken. (10)


Het verlies dat in ons huist

En toch kiezen wij ons altijd een metgezel, niet voor onszelf, maar voor iets in ons, buiten ons. Wij kiezen een metgezel die het gemis in ons nodig heeft om over de grens te gaan die wij nooit zullen bereiken. Het is een metgezel die we bij voorbaat al verloren hebben, het is het verlies zelf dat voortaan in ons huist. (15)


Tot het heden aan toe

Je voelt de neiging om te vallen. Maar het ik valt niet alleen, het gaat over in een wij, zodat dat wat valt, tot het heden aan toe, verenigd wordt in een ‘samenvallen’. (33)


Scheuren en kloven

Het gaat niet zozeer om de immense gaping van de afgrond, waar je alleen maar in zou hoeven wegglijden, als wel om deze scheuren of kloven die ons vanwege hun dwingende nauwte en hun beklemming zo aangrijpen, omdat ze juist de onmogelijkheid om in de leegte weg te kunnen zinken aangeven. Wij kunnen niet wegglijden volgens de beweging van de vrije val, ook al zou deze eeuwig zijn. (48)


uit de inleiding van Joke Hermsen en Henk van der Waal in hetzelfde boek:


Het algemene van het woord

Het woord geeft betekenis aan het ding, zodat dit ding opgenomen kan worden in een bepaalde samenhang. Maar in deze betekenisgeving gaat er ook iets verloren. [Met] het benoemen van de dingen [wordt] het onmiddellijke bestaan van die dingen vernietigd. … Door deze vernietiging kan het ding zich door middel van het woord een toegang verschaffen tot het betekenisgeheel van de wereld. Het bijzondere en onmiddellijke van het ding lost hiermee op in het algemene van het woord. Het woord doodt het bijzondere van het ding, zodat Blanchot kan zeggen dat de dood de voorwaarde is voor het onstaan van betekenis, voor het bestaan van de wereld. (8)


De leegte van het woord

De dood is hoopvol, omdat door de ontkenning van het onmiddellijke en bijzondere bestaan van de dingen de mens zich een betekenisvolle wereld schept die hij bewonen en beheersen kan.
De literatuur echter probeert het bijzondere dat in de betekenisgeving vernietigd is, weer terug te vinden. In tegenstelling tot de conceptuele taal, zoekt de literaire taal naar datgene ten koste waarvan de algemene termen tot stand zijn gekomen, naar de leegte die het woord in zich draagt. De literatuur is zo op weg naar de grens van de wereld, naar het gebied waar de woorden ontdaan zijn van hun betekenis en waar de taal overgaat in de deining van dwalende woorden. (9)


Gemurmel

In [het] betekenisloze Buiten klinken de van nacht doorweekte stemmen, horen we het onduidelijke gemurmel van de taal dat in het dagelijks spreken vernietigd wordt, maar dat de poëzie juist probeert terug te vinden. Dit gemurmel van de taal, als de grens van het zegbare, is wat Blanchot de metgezel van het spreken noemt. Een metgezel die bij voorbaat al verloren is, omdat in het spreken het gemurmel wordt overstemd. (12)


Uit Van angst naar taal in Literatuur en het recht op de dood, Maurice Blanchot, Agora 2000:


Tot niets herleid

De schrijver bevindt zich in deze steeds komischer toestand dat hij niets te schrijven heeft, dat hij geen enkel middel heeft om het te schrijven, en dat hij door een extreme noodzaak gedwongen wordt het nog steeds te schrijven. Dat hij niets uit te drukken heeft moet in zijn eenvoudigste zin worden genomen. Wat hij ook wil zeggen, het is niets. De wereld, de dingen, het weten zijn voor hem slechts bakens dwars door de leegte heen. En hijzelf is al tot niets herleid. (96)


Neen

Het niets is zijn materie. Hij verwerpt de vormen waaronder zij zich aan hem aanbiedt als was ze iets. … Hij zoekt haar als het neen dat geen neen aan dit, aan dat, aan alles is, maar het zuivere en eenvoudige neen. Overigens zoekt hij haar niet; zij ligt buiten het bereik van elk onderzoek; zij kan niet als doeleinde genomen worden; men kan niet als doel aan de wil voorleggen wat bezit neemt van de wil door hem te vernietigen: zij is niet, daarmee is alles gezegd … (96)


Stomme redenaar

Het bestaan van de schrijver levert het bewijs dat, in hetzelfde individu, naast de angstige mens nog een koelbloedig mens bestaat, naast de gek een redelijk wezen en, nauw verbonden met een stomme die alle woorden heeft verloren, een redenaar die meester blijft over het vertoog. (98)


Opoffering

Wat van de schrijver wordt geëist, is eindeloos veel zwaarder. Het is noodzakelijk dat hij vernietigd wordt in een handeling die hem werkelijk op het spel zet. De uitoefening van zijn macht dwingt hem ertoe die macht op te offeren. Het oeuvre dat hij maakt betekent dat er geen gemaakt oeuvre is. De kunst waar hij gebruik van maakt, is een kunst waarin tegelijk het perfecte welslagen en de volledige mislukking moeten verschijnen, de overvloed aan middelen en het onherstelbare verval, de werkelijkheid en de nietigheid van de resultaten. (100)


Zonder enige vorm

‘Ik wil niet iets bereiken,’ zegt de schrijver bij zichzelf. ‘Integendeel, ik wil dat dat iets dat ik ben als ik schrijf, door het feit dat ik schrijf, uitloopt op niets, zonder enige vorm. … Ik verlang dat die mogelijkheid om te scheppen, als ze schepping wordt, niet enkel haar eigen vernietiging en de vernietiging van alles wat ze in het geding brengt, d.w.z. alles, uitdrukt, maar deze ook niet uitdrukt. Het gaat er mij om een oeuvre te maken dat zelfs niet de werkelijkheid heeft de afwezigheid van werkelijkheid uit te drukken.’ (102)


Ambiguïteit

De ambiguïteit is de taal, in handen van een boodschapper die me zou willen leren wat ik niet kán leren en die, zijn onderricht vervolledigend, me verwittigt dat ik niets leer van wat hij me leert. (108)


Labyrint

Hij maakt van de mond die spreekt, die bedreven spreekt door de spraakverwarring, door de stilte, door de waarheid, door de leugen, het orgaan dat gedoemd is hartstochtelijk te spreken om niets te zeggen. Hij bewaart de ambiguïteit, maar ontneemt haar haar taak. Van die tegendraadse lectuur die de geest in ademloze spanning houdt door de hoop op een onkenbare waarheid, laat hij slechts het labyrint van de veelvuldige zingevingen bestaan, waar de geest zijn onderzoek voortzet zonder hoop op een mogelijke waarheid. (108)


Alles

De literatuur is niet alleen onwettig, maar ze is nietig, en die nietigheid vormt misschien een buitengewone, wonderlijke kracht, mits in zuivere staat afgezonderd. Zo te werk gaan, dat de literatuur de onthulling van dit lege binnenste wordt, dat ze volledig openstaat voor de nietigheid die haar deel is, dat ze haar eigen onwerkelijkheid verwerkelijkt, dat is een van de taken die het surrealisme zich heeft gesteld, zodat het terecht is om het als een machtige ontkennende beweging te beschouwen, maar niet minder waar om het de grootste scheppende ambitie toe te schrijven, omdat de literatuur maar één ogenblik hoeft samen te vallen met niets, of ze is onmiddellijk alles, het alles begint dan te bestaan: een groot wonder. (120)


De Zaak zelf

Is het werkstuk mislukt, dan heeft het eerlijke bewustzijn daar geen moeite mee: nu is het volledig geslaagd, zegt het, want de mislukking is het wezen, de verdwijning is de verwerkelijking ervan, en het is er gelukkig mee, geheel bevredigd door het fiasco. Maar als het boek zelfs niet ontstaat, een louter niets blijft? Welnu, dat is nog beter: de stilte, het niets, dat is juist de essentie van de literatuur, ‘de Zaak zelf’. (129)


De andere eerlijkheid

Wanneer het eerlijke bewustzijn bijgevolg met zijn oordeel de schrijver in een van die vormen vastlegt, bijvoorbeeld het oeuvre meent te veroordelen omdat het een mislukking is, dan protesteert de andere eerlijkheid van de schrijver uit naam van … de zuiverheid van de kunst, die in de mislukking haar overwinning ziet – en evenzo kan de schrijver, telkens als hij in een van zijn aspecten in het geding wordt gebracht, slechts erkennen dat hij altijd anders is, en aangesproken als auteur van een mooi oeuvre dat oeuvre verloochenen en, bewonderd om zijn inspiratie en genie in zichzelf slechts oefening en arbeid zien en, door iedereen gelezen, zeggen: wie kan mij lezen, ik heb niets geschreven. Deze verschuiving maakt van de schrijver een eeuwige afwezige en een onverantwoordelijke zonder geweten… (133)


Meermans

De moeilijkheid is dat de schrijver niet alleen meerderen in een enkeling is, maar dat ieder moment van hem alle andere ontkent, alles voor zich alleen opeist en geen verzoening noch compromis verdraagt. (133)


Gij zult

De schrijver moet tegelijkertijd gehoor geven aan meerdere absolute en absoluut verschillende geboden, en zijn moraliteit bestaat uit de ontmoeting en de tegenstelling van onverzoenbaar vijandige regels.
De ene zegt hem: Je zult niet schrijven, je zult niets blijven, je zult het zwijgen bewaren, je zult geen woorden kennen.
De andere: Ken niets anders dan woorden.
– Schrijf om niets te zeggen.
– Schrijf om iets te zeggen.
– Geen oeuvre, maar de ervaring van jezelf, de kennis van wat je onbekend is.
– Een oeuvre! Een werkelijk oeuvre, erkend door anderen en belangrijk voor anderen.
– Wis de lezer uit.
– Wis jezelf uit voor de lezer.
– Schrijf om waarachtig te zijn. …
– Wees dan leugenachtig, want schrijven met het oog op de waarheid, is schrijven wat nog niet waar is en dat misschien nooit zal zijn.
– Doet er niet toe, schrijf om te handelen.
– Schrijf, bang als je bent om te handelen.
– Laat de vrijheid in je spreken.
– Laat in jou de vrijheid vooral geen woord worden. (133,134)


Allemaal tegelijk

Welke wet volgen? Naar welke stem luisteren? Maar hij moet ze allemaal volgen! Wat een verwarring; is helderheid niet zijn wet? Ja, ook de helderheid. Hij moet zich dus tegen zichzelf keren, zichzelf bevestigen om zich te ontkennen, in de oppervlakkigheid van de dag de diepte van de nacht vinden en in de duisternis die nooit begint het zekere licht waaraan geen einde kan komen. Hij moet de wereld redden en de afgrond zijn, het bestaan rechtvaardigen en antwoord geven aan wat niet bestaat; hij moet aan het einde der tijden, in de universele volheid zijn, en hij is de oorsprong, het ontstaan van wat niet meer doet dan ontstaan. (134)


Absolute soevereiniteit

Ten slotte is [de schrijver] de ontkenning zelf: zijn oeuvre is niets anders dan het werk van de ontkenning, zijn ervaring is de beweging van een hardnekkige, in bloed gedrenkte ontkenning die de anderen ontkent, God ontkent, de natuur ontkent en die, in deze onophoudelijk doorlopen cirkel, van zichzelf geniet als van de absolute soevereiniteit. (145)


Schaduw die in een blik is veranderd

Literatuur is die ervaring waardoor het bewustzijn zijn wezen ontdekt in de onmacht het bewustzijn te verliezen, in de beweging waardoor het zich in zijn verdwijning ontrukt aan de punctualiteit van een ik, en zich voorbij het onbewuste herstelt in een onpersoonlijke spontaneïteit, in de hardnekkigheid van een verwilderd weten, dat niets weet, door niemand gekend wordt en dat de onwetendheid steeds achter zich vindt als zijn schaduw die in een blik is veranderd. (158)


uit Om niets te zeggen, of De nieuwe kleren van de keizer, een essay over Blanchot in de bundel Een verlangen naar ontroostbaarheid,
Patricia de Martelaere, 1993:


Zonder doel of bedoeling

Veeleer dan te schrijven om gelezen te worden, of om zichzelf uit te drukken, of om wat dan ook te bereiken, zou de schrijver, vóór alles, het zuivere niets willen realiseren in zijn werk, zonder aanwezigheid, zonder betekenis, zonder doel of zonder bedoeling. (12)


(Niet) te zijn

De kracht van de schrijver, zegt Blanchot, ligt in de hand die niet schrijft, die in staat is het schrijven te onderbreken, het potlood weg te nemen. De paradox van de schrijver ligt in het feit dat hij twee handen heeft, waarvan de ene moet schrijven en de andere niet wil, en niet kan schrijven. Het is de paradox van de krankzinnige die maar niet krankzinnig kan zijn, die krankzinnig wordt van zijn eigen redelijkheid, die zijn rede helemaal zou willen verliezen. Het vurigste verlangen van de schrijver: niet te schrijven, niet te willen schrijven, niet te moeten schrijven, alleen maar (niet) te zijn wat hij niet is. (14)


Almaar duidelijker niets zeggen

De taal is immers geen ‘ding’ zoals de andere dingen van deze wereld, ze is niet echt een grondstof van de werkelijkheid maar berust, integendeel, op de afwezigheid van alles waar ze het over heeft. Dat zal uiteindelijk Blanchots laatste antwoord zijn op de vraag naar het wezen van literaire taal: dat zij, als taal, probeert te breken met het basisgegeven van taal, dat zij probeert een ding te zijn, een van werkelijkheid overvolle werkelijkheid en niet langer een vruchteloze verwijzing naar iets dat altijd afwezig blijft, dat zij, met andere woorden, probeert niet meer te betekenen maar te zijn, niet meer te spreken maar te tonen. Taal te gebruiken, en er toch in te slagen niets te zeggen, en almaar duidelijker en indringender niets te zeggen naarmate taal overvloediger en hartstochtelijker wordt gebruikt – daar komt het opaan. (16)


Alibi

Zoals de schrijver is, zo kun je eigenlijk niet zijn, hij is niets anders dan de volgehouden onmogelijkheid om iemand te zijn, om iets te doen, om iets te willen. … De schrijver is, met andere woorden, altijd opnieuw, en op ontelbare manieren, degene die er niet is, de voortvluchtige zonder nagelaten sporen, de afwezige die nooit aanwezig is geweest, het verpersoonlijkte ‘alibi’. De schrijver is wezenlijk degene zonder positie, degene die op alle mogelijke plaatsen alleen maar niets is, niet om elders te zijn, maar om weg te zijn, er niet te zijn. (18)


Geen oorspronkelijk gegeven

Het probleem van de schrijver is niet dat van de ‘adequate verwoording’, het pogen te beschrijven, in almaar preciezere, meer suggestieve termen, van een ‘gegeven’ – in de werkelijkheid, in zichzelf, in de verbeelding – dat hem, als gegeven, duidelijk voor ogen staat, maar waar hij alleen nog een vertaling voor zoekt. Zijn probleem is dat er niet alleen geen adequate verwoording is, maar zelfs geen oorspronkelijk gegeven. Schrijven – schrijven zoals de schrijver dat wil – wordt dan een volstrekte onmogelijkheid: het probeert een vertaling te zijn van iets dat er niet is. (20)


De kleren van de keizer

De schrijver is de beeldhouwer van het niets, wat hij wil beschrijven is de volle pracht en praal van de nieuwe kleren van de keizer. … Maar dan, op het eind, zegt hij, met de ontwapenende oprechtheid van een kind: Ze zijn er niet, wat je ziet is er niet. (20)


Toverwoorden

Ik zeg: ‘Deze vrouw’ – zegt Blanchot – en ze is er al niet meer, de taal tovert haar weg en tovert haar in woorden terug, en het is niet meer dezelfde vrouw, al is het ook geen andere – het is een naamloze, ongrijpbare aanwezigheid die is omgezet in iets kenbaars, iets vertrouwds. (20)


De materialiteit van de taal

Literaire taal is taal die radicaal probeert te breken met taal, taal die een acrobatische poging onderneemt om partij te kiezen voor de dingen. Haar enige hoop ligt hierbij in de materialiteit van de taal, in het feit dat woorden, al met al, ook dingen zijn… Literatuur wordt dan niet langer een betekenisproces, maar een proces waarin betekenis voortdurend wordt doorbroken – een stamelende poging om, zonder taal te verliezen, toch aan betekenis te ontkomen. (21)


Zwijgen in woorden

Wat de schrijver ‘eigenlijk’ zou willen is zwijgen, maar dan in woorden. (23)


Praatzieke mysticus

Waarover men niet spreken kan, daarover moet men schrijven. Want de schrijver is de praatzieke mysticus. Hij onderneemt een bloedernstige, maar ietwat ridicule poging om, in woorden, sprakeloos te worden. (23)


Jacques Derrida

Jacques Derrida

 


uit Marges van de filosofie, Jacques Derrida, 1989:


Verhullend noch onthullend

Nooit geeft [de differantie] zich aan het tegenwoordige of de tegenwoordige tijd over. Aan niemand. Terughoudend en zich niet blootgevend, zich niet exposerend, gaat ze juist op dit punt geregeld de orde van de waarheid te buiten, zonder zich overigens als een iets, als een mysterieus zijnde, te verhullen in het duister van een niet-weten of een gat met bepaalbare randen (bepaalbaar bij voorbeeld in een topologie van de castratie). In elke expositie zou zij eraan zijn blootgesteld als verdwijning te verdwijnen. Zou zij het gevaar lopen te verschijnen, dat wil zeggen te verdwijnen. (29)


Bestaan noch wezen

Zodat de omwegen, de fraseringen, de syntaxis … soms bedrieglijk veel weg zullen hebben van die van de negatieve theologie. We hebben al moeten markeren dat de differantie niet is, niet bestaat, geen tegenwoordig-zijnde (on) is in welke vorm dan ook; en we zullen ook moeten markeren wat zij allemaal niet is, dat wil zeggen: alles; en dat zij derhalve geen bestaan, noch een wezen bezit. Zij valt onder geen enkele categorie van het zijnde, tegenwoordig of afwezig. (29)


Geen negatieve theologie

En toch is datgene wat aldus door de differantie wordt gemarkeerd niet van theologische aard, zelfs niet van de meest negatieve orde van de negatieve theologie; ook deze is er immers, zoals bekend, nog altijd op uit aan gene zijde van de eindige categorieën van essentie en existentie, dat wil zeggen van tegenwoordigheid, een supra-essentialiteit vrij te maken, zich dwingend tot het besef van het predikaat ‘existentie’ slechts aan God wordt ontzegd om hem vervolgens een hogere, onvatbare, onuitsprekelijke zijnswijze toe te kennen. (30)


Onherleidbaar

De differantie is niet alleen onherleidbaar tot welke ontologische of theologische – onto-theologische – hertoeëigening ook, maar omvat bovendien, als opening van de ruimte waarin de onto-theologie – de filosofie – haar systeem en haar geschiedenis voortbrengt, deze ruimte zelf, schrijft haar in zich in en gaat deze onherroepelijk te buiten. (30)


Geen oorspronkelijke eenheid

Hadden we deze (actieve) beweging van de oorsprongsloze (voortbrenging van de) differantie niet eenvoudig en zonder neografisme differentiatie kunnen noemen? Nog afgezien van verdere verwarring, zou dat woord de gedachte hebben opgeroepen aan een organische, oorspronkelijke, homogene eenheid, die weliswaar verdeeld was geraakt, maar de differentie slechts als een toevallige gebeurtenis over zich heen had zien komen (39)


Bewustzijn is niet elementair

Daarmee voeren we de tegenwoordigheid – en met name het bewustzijn, het bij-zichzelf-zijn van het bewustzijn – dus niet langer op als de absolute matrix-vorm van het zijn, maar als een ‘bepaling’ en als een ‘effect’. Een bepaling of effect binnen een systeem dat niet langer dat van de tegenwoordigheid is maar van de differantie, en dat niet langer de tegenstelling verdraagt tussen activiteit en passiviteit, tussen oorzaak en gevolg, onbepaaldheid en bepaaldheid, enzovoort … (43)


Dooreengeschud

Overal wordt de heerschappij van het zijnde door de differantie gesommeerd, gesolliciteerd, in de vroeg-Latijnse betekenis van het woord sollicitare: dooreenschudden, op zijn grondvesten doen wankelen. (48)


De differantie is niet

Zij is niet een tegenwoordig-zijnde, hoe uitnemend, uniek, fundamenteel of transcendent we ons dat ook wensen. Zij bestiert niets, heerst nergens en oefent geen enkel gezag uit, waar dan ook. Zij wordt niet in kapitalen aangekondigd. Niet alleen is er geen rijk van de differantie, sterker nog: zij wakkert de ondermijning van elk rijk aan. Hetgeen haar uiteraard bedreigend maakt, en onvermijdelijk gevreesd door alles in ons wat naar het rijk, naar de verleden of toekomstige tegenwoordigheid van een rijk verlangt. (49)


Geen wezen

Er is geen wezen van de differantie; deze (is) niet alleen datgene wat zich niet laat toeëigenen in het als zodanig van haar naam of haar verschijnen, maar wat bovendien het gezag van het als zodanig in het algemeen, van de tegenwoordigheid van de zaak zelf in zijn wezen, bedreigt. Dat er op dit punt geen eigen(lijk) wezen van de differantie is, betekent dat het spel van het schrift, in zoverre het de differantie in zich betrekt, geen zijn of waarheid kent. (54)


Geen naam

‘Ouder’ dan het zijn zelf, heeft een dergelijke differantie in onze taal geen naam. Maar we ‘weten al’ dat haar onnoembaarheid geen zaak is van voorlopigheid, omdat onze taal die naam nog niet gevonden of ontvangen zou hebben of omdat die naam gezocht zou moeten worden in een andere taal, buiten het eindige systeem van de onze. Er is daarvoor immers geen naam, zelfs niet die van wezen of zijn, zelfs niet die van ‘differantie’, wat geen naam is, geen zuivere nominale eenheid vormt en onophoudelijk uiteenvalt binnen een keten van differante substituties. (56)


Uit de inleiding door Ger Groot van Marges van de filosofie, Jacques Derrida, 989:


Onbeheersbaar

De werkelijkheid gaat de gepretendeerde door- en overzichtelijkheid van het denken altijd te buiten. Wij overzien nooit alles in de wereld; altijd is er een rest die ons ontsnapt, die zich voor de penetrante blik verborgen houdt en daarmee onbeheersbaar blijft. Een rest van afwezigheid blijft de pretentie van tegenwoordigheid van het denken altijd verstoren. (10)


Ondoorzichtigheid

Het denken zou niet kunnen functioneren zonder deze absentie, dat wil zeggen zonder een zekere ondoorzichtigheid binnen het denken zelf en zonder een zekere terughoudendheid van de objecten, die zich niet met huid en haar aan het denken uitleveren, en daarmee zonder een zekere machteloosheid van het denken, dat de wereld of zichzelf nooit volledig zal weten te beheersen. (10)


Korte metten

De wereld der ideeën is puur, zo zegt Plato, maar deze deugd (met heel haar impliciete morele lading) heeft ze slechts verkregen op basis van een zuivering die met elke verstorende factor korte metten maakte. Ambiguïteit, onbeslisbaarheid en vergankelijkheid moesten worden geweerd, opdat helderheid kon heersen. (12)


Afgeroomd

Ambiguïteit, onbeslisbaarheid en vergankelijkheid zijn niet anders dan vormen van niet-identiteit, van niet-samenvallen met zichzelf, vormen van afstand en van een ‘andersheid’ die niet tegenover het ‘zelf’ staat, maar daarmee samenvalt en dit van zichzelf gescheiden houdt. … De filosofie werd in Plato’s voetspoor de discipline van een denken dat nog slechts een abstract ‘zelfde’ wist te denken, waarvan elke andersheid en elke beweging, elke verandering was afgeroomd. (12)


Ondoorgrondelijk

Juist omdat we de dingen niet volledig doorgronden, omdat ze altijd onvermoede kanten en aspecten blijven bezitten (of althans de mogelijkheid bestaat dat ze deze bezitten – en dat is al voldoende), is hun onderscheid nooit exact te definiëren. Ze kunnen weliswaar altijd onder één noemer worden gebracht (alle boeken in hun diversiteit onder de noemer ‘boek’), maar vallen nooit met deze bepaling samen en ontsnappen daaraan op duizend-en-één manieren … (13)


Iets geheel anders

Dit verschil en deze onbepaaldheid, deze afstand of speling is onophefbaar, maar het denken doet net alsof het deze verschillen, deze speling wél kan opheffen, in een denken dat zich slechts op een gepretendeerd en uitgezuiverd wezen van het object richt, zonder alteratie en streng afgebakend. Deze transformatie … leidt voortdurend tot problemen en onzekerheden: we weten vaak niet hoe we dingen moeten noemen, of datgene wat reeds benoemd en bepaald is ontpopt zich bij nader inzien, in een nieuwe context of na enige tijd, als iets geheel anders. (13)


Onbekende achterkant

In het schrift vloeit de betekenis uiteen in een veelheid van betekenismogelijkheden, die principieel onuitputtelijk is. Net als het object kan het schriftteken altijd nog een onbekende achterkant hebben, die zich nog niet heeft getoond en dat wellicht zelfs nooit zal doen. (15)


Differentie

[Idee en ding] belichamen een fundamenteel verschillende logica van betekening, een wezenlijk verschillende attitude van denken. De eerste is die van de filosofie, die niets wil weten van afstand, niet-identiteit of, beter gezegd, de anders-heid die elke identiteit in zich draagt. De andere is die van het denken van het verschil of de differentie; een denken dat tracht te aanvaarden dat het zich in de afwezigheid van de dingen, in het feit dat zij zich altijd minstens deels aan het denken onttrekken, verliest. Een denken, kortom, dat beseft dat haar onontkoombare sprong in het rijk der ideeën … een noodsprong is die de werkelijkheid met haar inwendige verschillen en alteriteit geweld aandoet, maar zich door die werkelijkheid … voortdurend aan deze discrepantie laat herinneren. (15)


Verzonken rationaliteit

Wat Derrida in zijn werk beoogt, is … een voortdurende her-denking van deze algemene, onomvatbare en irrecuperabele werking van de alteriteit en differentie in de materialiteit van de schriftuur, die echter slechts kan worden benaderd binnen en vanuit een denken dat in zijn structuur ‘ideëel’ en ‘platoons’ blijft. … Zijn methode beoefent geen irrationalisme, maar onderzoekt langs deducerende weg de werking van het denken en zijn rationaliteit zelf, zodanig dat tenslotte het punt bereikt wordt waarop de rationaliteit verzinkt. Niet alleen omdat ze niet verder kan worden begrond, maar omdat ze zelf een afgrondelijke structuur vertoont. Deze afgrond is de grens van het denken en uiteraard van de filosofie. Aan deze grens toont de filosofie haar ware gezicht, haar ‘grond’, die erin bestaat dat zei – net als vrouwen, zei Nietzsche – ‘gronden heeft om haar gronden niet te tonen’. (16)


Differantie

Deze afgrondelijke structuur wordt door Derrida … omschreven als différance of differantie. … Deze differantie doortrekt het hele veld als een inwendige afgrond, die duidelijk maakt dat de grens geen scheiding tussen binnen en buiten is, maar een exterioriteit (iets dat ons altijd vreemd zal blijven en nooit kan worden toegeëigend, dat wil zeggen onderworpen en ingesponnen) die het veld zelf doortrekt en de ideëele zekerheid van elke filosofie die denkt het bestaan en alle processen van betekening daarin meester te zijn gestaag bedreigt en diskwalificeert. (16)


Camouflagetechnieken

Differantie (différance) vormt daarentegen het verdwijnpunt van het denken, dat zelf niet gedacht, maar slechts langs indirecte weg kan worden aangewezen. Deze verwijzing beoefent Derrida in het zichtbaar maken van de inwendige gravitatiekracht van het denken in de richting van dit verzinkende punt. Een verzinking waartegen het denken zich – uit eigen lijfsbehoud – hardnekkig verzet, en die niet anders dan via een geduldige analyse van de camouflagetechnieken van het denken zelf kan worden aangewezen. (18)


De illusie van het denken

Het ‘aan gene zijde’ is, strikt genomen, onverenigbaar met ons bestaan, niet alleen als individu, maar als denkende wezens zonder meer. In het totale verlies van controle, van cohesie en kracht van samenbinding, zouden we onmiddellijk desintegreren. Wie deze consequentie van de betreding van dat gebied niet onderkent, neemt de dreiging die van dat tegelijk fascinerende en schrikwekkende terrein uitgaat niet ernstig genoeg en ontbreekt het uiteindelijk aan inzicht in de noodzaak van datgene wat we hier de illusie van het denken hebben genoemd. (19)


Uit de scepsis voorbij van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:


Zijn en niet-zijn tegelijk

Bij Derrida wordt de bodem bodemloos; wat betekenis mogelijk maakt is tegelijk ook wat iedere betekenis voortdurend komt verstoren. Waarheid wordt paradox, zijn en niet-zijn tegelijk, een beweging in plaats van een beschrijving. (103)


Jean-Luc Nancy

Jean-Luc Nancy

Uit De Indringer, Jean-Luc Nancy, 2002:


Wie, ik?

Ik heb (wie, ‘ik’? dat is nu juist de vraag, de oeroude vraag: wie is het onderwerp van deze zin? is het niet altijd een vreemde voor me, en ben ik niet tegelijkertijd een indringer in mijn woorden én de motor, de koppeling of het hart ervan?) – ik heb dus het hart van een ander gekregen, nu bijna tien jaar geleden. (10)


Het probleem van het eigene

Mijn eigen hart (zoals men inmiddels begrepen heeft draait deze hele affaire om het probleem van het ‘eigene’ – of liever, het gaat om niets van dit alles, en er valt eigenlijk niets te begrijpen, geen enkel raadsel, geen enkele vraag zelfs: het gaat slechts, zoals artsen bij voorkeur zeggen, om de ‘vanzelfsprekendheid’ van een transplantatie) – mijn eigen hart, kortom dreigde buiten werking te raken, om een reden die nooit is opgehelderd. Om te blijven leven, moest ik in mij het hart van een ander toelaten. (10)


Overboord slaan en aan dek blijven

Vanaf het moment dat een transplantatie onvermijdelijk bleek, werden alle bakens wankel en konden ze zomaar omslaan. Uiteraard gebeurde dat zonder nadenken, zelfs zonder dat er één enkele beweging of verandering te bespeuren viel. Er was slechts sprake van een lichamelijke sensatie, alsof er al een leegte in mijn borst gaapte, die mijn adem deed stokken en waar volgens mij op geen enkele manier, zelfs vandaag de dag niet, het organische, het symbolische en het denkbeeldige ontward zouden kunnen worden, of het continuum en de onderbrokenheid van elkaar onderscheiden: het was als één en dezelfde zucht, die voortaan geblazen werd door een vreemde en reeds onmerkbaar geopende holte en, om een andere beeldspraak te gebruiken, als op het zelfde moment overboord slaan en aan dek blijven. (11)


Even onzichtbaar als mijn voetzolen

Als mijn eigen hart me in de steek liet, in hoeverre was het dan nog ‘van mij’, en ‘mijn eigen’ orgaan? Was het wel een orgaan? Al een jaar of wat had ik hartkloppingen en ik voelde soms hoe mijn hart oversloeg, eerlijk gezegd was dat niets bijzonders …: ik voelde zeker geen orgaan, niet die donkerrode, met slangen omwikkelde spiermassa, die ik me opeens moest voorstellen. Niet ‘mijn hart’ dat non-stop werkt en tot dan even onzichtbaar bleef als mijn voetzolen tijdens het lopen. (11)


Een lichte walging

Mijn hart werd een vreemde voor me, het drong binnen juist omdat het me in de steek liet: omdat het bijna was alsof ik het afstootte of uitkakte. Ik had het hart op de tong, als bedorven voedsel. Ik voelde iets van een lichte walging. (12)


Daar waar niets was

Daar zat ik dan, het was zomer, ik moest afwachten, iets maakte zich van mij los, of dat iets verscheen plotseling in mij, daar waar niets was: niets anders dan het ‘eigen’ onderdompelen in mij van een ‘ik’ dat zich nooit had geïdentificeerd als dit lichaam, nog minder als dit hart, en dat opeens zichzelf bekeek. … Hoe word je voor jezelf een voorstelling? En een samenstelling van functies? En wat gebeurt er dan met die krachtige maar onmerkbare vanzelfsprekendheid die dat alles zonder moeite samenhield? (12)


Fremdkörper

Juist omdat het binnenin zat, werd mijn hart mijn vreemdeling. Omdat ze eerst van binnen was verschenen, zou de vreemdheid nu van buiten komen. Want wat voor ’n leegte viel er niet in borst en ziel – die één en hetzelfde ding zijn – toen me gezegd werd: ‘Een transplantatie is onvermijdelijk’… Dan stuit de geest op een nietig object: er valt niets te weten, niets te begrijpen, niets te voelen. Niets dan de indringing van een Fremdkörper in het denken. Die blanco plek zal me bijblijven als het denken zelf en tegelijkertijd als zijn tegenpool. (12)


Al niet meer in mijzelf

Een hart dat maar half klopt is maar half mijn hart. Ik was al niet meer in mijzelf. Ik kom al van elders, ofwel ik kom niet meer. ‘In het hart’ van het meest vertrouwde wordt de vreemdheid zichtbaar – maar ‘vertrouwd’ is te zacht uitgedrukt: de vreemdheid openbaart zich in het hart van dat wat nooit als ‘hart’ viel te onderscheiden. Tot nu toe was het een vreemde juist omdat het niet merkbaar of zelfs maar aanwezig was. (13)


Het elders in mij

In deze affaire zal alles van elders en van buiten op me af komen – net zoals mijn hart, mijn lichaam me van elders zijn gekomen en elders ‘in’ mij vormen. (15)


Toenemende vreemdheid

Op zijn minst sinds de tijd van Descartes maakt voor de moderne mensheid de wens tot voortbestaan en onsterfelijkheid deel uit van een algemeen programma ter ‘beheersing en bezit van de natuur’. Zodoende heeft die moderne mensheid een toenemende vreemdheid van de ‘natuur’ vastgelegd. Ze heeft nieuw leven geblazen in de absolute vreemdheid van het dubbele geheim van sterfelijkheid en onsterfelijkheid. Dat wat door de godsdienst werd vertegenwoordigd, heeft ze in handen gegeven van de techniek, die het einde uitstelt: door de limiet te verlengen, spreidt ze een zekere eindeloosheid of doelloosheid ten toon: welk leven wil ze verlengen, en met welk doel? De dood uitstellen, is haar ook uitstallen, haar benadrukken. (16)


Niet te lokaliseren

Wat is dat voor een ‘eigen’ leven dat ‘gered’ moet worden? Op z’n minst blijkt dat deze eigenheid nergens in ‘mijn’ lichaam schuilt. De eigenheid is nergens te lokaliseren, zelfs niet in dat ene orgaan dat overloopt van symboliek. … Het ‘eigen’ leven bevindt zich niet in een enkel orgaan, maar is tegelijkertijd niets zonder de organen. (17)


Afstoting

Vanwege de kans op afstoting word ik geconfronteerd met een dubbele vreemdheid: aan de ene kant de vreemdheid van het getransplanteerde hart dat door mijn organisme als vreemde wordt geïdentificeerd en als zodanig aangevallen, en aan de andere kant die van de toestand waarin de medische wetenschap een patiënt zoals ik brengt om hem te beschermen. De medici verlagen de immuniteit van de patiënt opdat hij het vreemde kan verdragen. Zodoende veranderen ze de patiënt in een vreemdeling voor zichzelf, dat wil zeggen voor de immunitaire identiteit die zo’n beetje zijn fysiologische handtekening is. De indringer zit in mij, en ik word vreemd voor mijzelf. (18)


Vermenigvuldiging

Maar door vreemde voor mijzelf te worden, kom ik niet nader tot de indringer. Veeleer wordt een algemene wetmatigheid van de indringing blootgelegd: er is nooit sprake geweest van één enkele indringing: zodra een indringing plaatsvindt, vermenigvuldigt ze zich en maakt haar interne hernieuwde verschillen kenbaar. Zodoende zal ik bij herhaling kennis maken met gordelroos, of het cytomegalovirus, beiden vreemdelingen die altijd al in mij sluimerden en die plotseling wakker zijn gemaakt door de onvermijdelijke onderdrukking van mijn immuunsysteem. (19)


Onsluitbaar

De zaak is niet dat men me wijd geopend heeft zodat ik van hart kan verwisselen. Maar dat deze gaping niet meer gesloten kan worden (zoals trouwens te zien is op alle röntgenfoto’s: mijn borstbeen is dichtgenaaid met gebogen ijzerdraadjes.) Ik ben geopend-gesloten. Er zit daar een opening waardoor de vreemdheid onophoudelijk stroomt: medicijnen die mijn immuunsysteem onderdrukken, andere medicijnen die ertoe dienen sommige zogenaamd mindere bijwerkingen te bestrijden, maar ook effecten die niet bestreden kunnen worden (zoals het verzwakken van mijn nieren), hernieuwde controles, het hele bestaan kortom dat in een nieuw register wordt gezet en dat van voor tot achter door elkaar geschud wordt. Het hele leven dat gescand wordt en teruggebracht tot verschillende registers die elk een andere mogelijkheid tot sterven in petto hebben. (20)


Tussen mijzelf en mijzelf

Zodoende, op al die steeds toenemende en tegengestelde manieren, word ik voor mezelf mijn eigen indringer. Dat is wat ik voel en het gevoel is veel sterker dan zomaar een indruk: nooit eerder ben ik met een dergelijke scherpte geraakt door de vreemdheid van mijn eigen identiteit, een vreemdheid die me desondanks altijd zonneklaar was. ‘Ik’ is duidelijk verworden tot de formele index van een niet aantoonbare en niet tastbare aaneenschakeling. Tussen mijzelf en mijzelf zat altijd al tijd-ruimte: maar nu zit er de opening van een incisie en de onverzoenlijkheid van een gedwarsboomd immuunsysteem. (21)


Kanker

Boven op dit alles komt nog een kanker: een lymfoom, waarvan ik de mogelijkheid die vermeld stond in de bijsluiter van de ciclosporine nooit opgemerkt had (ik heb het zeker niet gezien als iets onvermijdelijks: maar weinig patiënten krijgen het). Het is een gevolg van de ondermijning van mijn afweersysteem. Kanker is zo’n beetje het symbool, de messcherpe, gekartelde en verwoestende gedaante van de indringer. De kanker is vreemd aan mijzelf en toch is het alsof ik mijzelf van mijzelf vervreemd. Hoe kun je zoiets onder woorden brengen? (21)


Verdwaasd

Men komt volstrekt verdwaasd uit zo’n avontuur. Je herkent jezelf niet meer: zelfs het woord ‘herkennen’ heeft dan geen betekenis meer. Al gauw ben je niet meer dan een golfbeweging, een onbeslist zijn van de vreemdheid tussen toestanden die zich moeilijk laten kennen, tussen pijnen, tussen verschillende soorten onmacht, tussen flauwtes. (22)


De lege identiteit

Zich op zichzelf betrekken is iets problematisch, moeilijks, ondoorzichtigs geworden: dat kan slechts door middel van de kwaal of de angst, de betrekking is niet langer onmiddellijk – en die bemiddeling is slopend. De lege identiteit van een ‘ik’ kan niet meer eenvoudigweg op zijn geruststellende adequatio (ik = ik) bogen wanneer ze zich verkondigd: ‘ik lijd’ veronderstelt twee ikken die aan elkaar vreemd zijn (maar die desondanks aan elkaar raken. (22)


Een dun draadje

Op het laatst ben/is ik niet meer dan een dun draadje dat loopt van de ene pijn naar de andere en van vreemdheid naar vreemdheid. … Ik word onlosmakelijk van een veelvormig uiteenvallen. Zo zag het leven van zieken en ouden van dagen er altijd al uit: maar ik ben nu juist geen van beiden. Dat waardoor ik genezen kan, tast me aan of infecteert me, en dat wat me in leven houdt, maakt dat ik vroegtijdig verouder. Mijn hart is twintig jaar jonger dan ikzelf, en de rest van mijn lichaam (minstens) een twaalftal jaar ouder. Omdat ik op die manier tegelijkertijd verjongd en verouderd ben, heb ik geen eigen leeftijd meer en heb ik eigenlijk geen leeftijd meer. Zo heb ik eigenlijk ook geen werk meer, hoewel ik nog niet met pensioen ben. (23)


Gapend als een lege borstkas

In één en dezelfde beweging verwijdert het absolutum van het eigen ‘ik’ zich tot op een oneindige afstand (waar blijft het? vanuit welk wijkend punt kan dat absolute ‘ik’ nog zeggen dat dit hier mijn lichaam zou zijn?) en zakt weg in een intimiteit die dieper reikt dan welke vorm van innerlijkheid ook (het gaat hier om die onneembare niche van waaruit ik ‘ik’ zeg, maar waarvan ik weet dat ze gapend is zoals een lege borstkas of als het wegglijden in de morfine – bewusteloosheid die pijn en angst laat samengaan in overgave). (24)


Onteigent

De indringer dringt me uit, hij exporteert me, hij onteigent me. Ik ben de ziekte en de geneeskunst, ik ben de kankercel en het donor-orgaan, ik ben de immuniteitsremmers en hun palliatieven, ik ben de ijzerdraadjes die mijn borstbeen bijeen houden en ik ben de injectieplek die permanent zit ingenaaid onder mijn sleutelbeen, net zoals ik trouwens al de schroeven in mijn heup was en de plaat in mijn lies. (24)


Misschien wel nergens naartoe

We, ik en al mijn gelijken die steeds talrijker worden, vormen inderdaad het begin van een ommekeer: de mens begint opnieuw de mens oneindig voorbij te streven (dat is wat altijd al ‘de dood van god’ betekende, in alle mogelijke betekenissen van die uitdrukking). De mens wordt wat hij is: de meest angstaanjagende en de meest verontrustende technicus, zoals Sofocles hem al 25 eeuwen geleden typeerde, de vervalser die de natuur opnieuw vorm geeft, die de schepping herschept, die haar opnieuw uit het niets laat komen en die haar misschien wel nergens naartoe leidt. Diegene die in staat is tot het begin en het einde. (25)


Een woekerende oneindigheid

De indringer is niemand anders dan ikzelf en de mens zelf. Niemand anders dan dezelfde die niet ophoudt zich te veranderen, die tegelijkertijd gespitst en uitgeput is, ontbloot en overtollig uitgerust, die net zo goed een indringer in de wereld als in zichzelf is, een unheimliche opmars van een vreemde, de conatus van een woekerende oneindigheid. (25)


Interior intimo meo

Ik ben inderdaad zeer ontvankelijk voor het gegeven dat het ‘vertrouwde’, ‘intieme’ of ‘innerlijke’ de plaats van het meest onvertrouwde en vreemde is: want daar waar men denkt in ‘zichzelf’ binnen te dringen, daar vindt men het meest aan vreemdheid, andersheid en aan verandering. Zo begrijp ik Augustinus’ ‘interior intimo meo’: dieper in mij dan het diepste in mij is er het andere, de anderen, dat wil zeggen dat wat buiten is, maar ook dat wat, van binnen, voor mij vreemd blijft: mijn eigen vreemdheid, dat ‘ik ben’ dat niets is, dat weet te ontglippen, dat eindeloos buiten mij wegglijdt. (32)


Voor echt verklaren

Dat andere voegt zich hier bij het netwerk van hen door wie, tegen wie, dankzij wie, ondanks wie, in contact met wie ‘ik’ zich bepaalt en zich ‘on-bepaalt’: zich verplaatst, zich blootgeeft en zich verliest. Zo wordt ‘ik’ wat het ‘is’ en wat het nu juist nooit ‘is’. Laat ik het zo zeggen: het autos hetero-ïseert zichzelf en zonder dit proces kan het zichzelf niet auto-riseren, zichzelf niet voor echt verklaren…


Nooit echt

Maar ik ben nooit ‘echt’: ik ben telkens wat anderen mij aandoen. Nu beantwoord ik uw vragen, maar als ik over een uurtje met een van mijn kinderen praat, ben ‘ik’ heel iemand anders. Maar er is niets dat een vaste stek zou kunnen vormen waar al die ‘ikken’ bij elkaar kunnen komen. Niets anders tenminste dan mijn lichaam – dat zelf helemaal is geëx-poseerd’, blootgesteld aan wat buiten is… (33)


De onophoudelijke verandering

Men heeft wel gezegd dat de stad ‘de vorm van de mensheid’ was: maar de mens is de onophoudelijke verandering van de vormen van de mensheid. (75)


Th.C.W. Oudemans


Uit Echte filosofie, Oudemans 2007:


Omdraaien en weggaan

Filosofische problemen zijn geen barrières die geslecht moeten worden. Aan de aporie ontkom je op een heel andere manier, namelijk door je er niet in te begeven, maar je om te draaien en weg te gaan. (274)


Exorcisme

Het poretische van de filosofie is een exorcisme, een filosofische therapie, die het denken verlost van schijnbarrières van grammaticale aard.
In de voltooiing van de filosofie blijkt haar eigenlijke tekening: het zoeken van rust, van de verdwijning van het ervaren. (275)


Verstolen en in raadselen

Het mogelijke dat zich nu aandient is geen potentiële verwerkelijking, maar de horizon van de taal, die weliswaar van zich blijk geeft, maar alleen verstolen en in raadselen […].
Zodra ik de taal met mijn wil tot weten achtervolg is zij verdwenen.
Zij laat zich alleen zien in het afscheid ervan. (279)


Bij het tegen blijven

Er is een afscheid tegen en een afscheid van.
Zolang mijn kennen de wil is om tot de eenheid te komen van mens en wereld, zo lang is deze wil een weerwil, een afscheid tegen de wereld zoals zij is.
Een afscheid van, dat is een blijvende betrekking.
Kan ik het afscheid tegen, dat mijn kennen kenmerkt, omzetten in een afscheid van? Kan ik van het tegen verlost raken?
Nee.
Het gaat erom bij dit tegen te blijven. (281)


Alleen in omwegen, afscheidelijk

Er wordt niet rechtstreeks gesproken, vermoedelijk omdat het besprokene zich zo niet laat zeggen – in een te verzengend licht staat.
Er moet omfloerst gesproken worden, in omwegen, afscheidelijk. (282


uit Omerta, Th.C.W. Oudemans, 2008:


Grondeloos

Het beginsel van toereikende grond is grondeloos. (26)


Getroffen raken

Wat kan ik doen, wanneer mijn filosofie niet alleen niets te melden heeft over de ratio, maar daar ook geen vraag naar is?
Niets.
Maar er kan mij iets gebeuren – getroffen raken door het zwijgen rondom het beginsel van toereikende grond. (26)


Verzwegen zwijgen

De ratio wist haar betekenis uit. Het zwijgen eromheen blijft verzwegen. (27)


Irrationeel

De titel van het ‘onderzoeksprogramma’ luidt Rationality.
Wanneer de rationaliteit wordt onderzocht met behulp van de ratio is de vicieuze cirkel rond.
Het onderzoek is irrationeel.
Dat is een rationele conclusie. (28)


Afgronden

De afgronden van de rede openen zich om zich nooit meer te sluiten. (32)


Beschaduwing

[Heidegger zegt:] “Weliswaar heeft men van oudsher het denken betrokken op het licht. Men spreekt van het natuurlijke licht van de rede. Aangetrokken door de bepaling van het verhelderen en verlichten die men de rede en het denken toekent, heeft men de beschaduwing vergeten, waaruit het denken stamt. De beschaduwing ontstaat niet uit een schaduw- en spookrijk en evenmin kan zij terzijde geschoven worden door de goedkope aanduiding dat naast het rationele ook het irrationele er nog is; dit blijft immers altijd alleen maar het doodgeboren kind van het rationalisme.” (35)


Instorting van de onderscheidingen

Je werd binnen de metafysica geboren en je leven bestond uit de instorting van de onderscheidingen ervan.
Waar zijn ze gebleven – de onderscheidingen:
tussen geest en materie,
tussen a priori en a posteriori,
tussen ziel en lichaam,
tussen ethiek en eigenbelang,
tussen cultuur en natuur,
tussen menselijkheid en dierlijkheid,
tussen begrip en woord,
tussen wezen en feit,
tussen levend wezen en machine? (51)


Niet vastgesteld

De mens – Nietzsche laat het zien – is het nog niet vastgestelde dier. (95)


Buiksprekers

Binnen de horizon van […] goede wil kan er verantwoording zijn en schuld.
Deze
gedachte is lachwekkend zodra je ziet dat mensen niet de auteurs zijn
van hun woorden, maar de buiksprekers van de monologische taal.
(105,106)


Dwaallicht

Wanneer ik word aangedaan door een beweging van de betekeniswereld, dan ontsteekt deze mijn denken als een dwaallicht.
Dit is geen fakkel of sein voor anderen om tot navolging over te gaan. Wat een medemens doet wanneer hij met het dwaallicht geconfronteerd wordt kan menselijkerwijs niet bevroed worden. Dat is een zaak van de ondoorgrondelijke taal zelf, die zich nu eens kenbaar maakt en dan weer verhult – het echte dwaallicht.
Een wenk, die toe-wenkend wegwenkt, ironisch en bedrieglijk. (131)


Zij zijn jou

Je wereld heb je meegekregen van de anderen. Zij zijn jou (transititief).
Zij hebben je niet alleen bijgebracht wat je wist of dacht te weten. Zij blijven je ‘meningen vormen’. (133)


Of ligt dit nog anders

En dan: zijn het wel de anderen die dat doen? Of ligt dit nog anders? Waaraan conformeer jij je zolang je het leven hebt?
Niet met de anderen, want het conformisme dat jou vormt, dat vormt allen. (133)


Omgeven

Dag en nacht ben je omgeven door datgene wat al bedacht is – een ondoordringbare informatieberg die in sporen om je heen ligt – maar ook door wat door niemand bedacht is, en jou toch met je identiteit bedenkt. (134)


Het men in jou

Het men ontneemt je de mogelijkheid om te lezen wat er over het men is gezegd, want als jij leest, dan leest het men in jou. (135)


Geen onderscheid

Het onderscheid tussen mij en mijn wezen is weggevallen.
Dan is het mij niet mogelijk te ervaren dat ik aan mijn wezen niet beantwoord. (160)


Buikspreker

De afwezigheid van de zin van thuis en thuisloosheid, god en goddeloosheid, redding en reddeloosheid is niet niets, maar een onttrekking van zin die een aanwijzing is naar de aard van de grote reductie [door de techno-logie].
Als ‘ik’ daarvan de buikspreker kan zijn – graag. (160)


Filosofie

[Filosofie] kan geen systemen [meer] maken en geen wereldbeelden, ze kan geen levens- en geen wereldoriëntatie geven en evenmin bezinning op de grondbegrippen of beginselen van de wetenschap. (173)


Kennis is het vragen zelf

Hoe staat het vandaag de dag met de gedachte dat het mens-zijn een ‘volledig onbeschermd blootgesteld zijn [is] aan het verborgene en ongewisse, dat wil zeggen, wat tot vragen noopt?’
Hoe kan iemand gedacht hebben dat vragen niet een voorstadium is van de kennis, maar de eigenlijke gestalte ervan? (178)


Kees van Peursen

Kees van Peursen

Uit Na het postmodernisme, C.A. van Peursen, 1994


Geen ware werkelijkheid

Ernstiger is nog dat men, hoe weldenkend ook, geen ‘ware werkelijkheid’ meer kent. Werkelijkheid gaat op in de tekst, zoals de postmodernen zeggen. Neem bijvoorbeeld de dood van J.F. Kennedy. Lees wat er werkelijk allemaal plaats gevonden heeft in het uitvoerige en officiële Warrenreport. En daarna in het zeer gedocumenteerde werk van Mark Lane, Rush to Judgment … : twee geheel verschillende, elk overtuigende, werkelijkheiden, waarachter geen ‘echte’ werkelijkheid … terug te vinden is. (11)


Het postmodernisme

Het postmodernisme is postkoloniaal en luidt het tijdperk in van de relativering van de Westerse waarden, de erkenning van een cultureel pluralisme en de doorwerking van een bevrijdende zelfironie. Het zoeken naar een universele waarheid, die eventueel afgedwongen kan worden volgens algemene rechtsregels, wordt opgegeven. Er is geen universele Rede meer, noch een diepere (‘transcendentale’) legitimatie … (14)


Deconstructie

Men moet betekenissen niet in de diepte maar aan de oppervlakte zoeken, in de teksten die niet buiten zichzelf naar iets anders, iets ‘diepers’ of ‘hogers’ verwijzen. Het ontcijferen (decoderen) van teksten kan pas via een ‘deconstructie’ plaatsvinden. Dat wil zeggen dat de tekstuitleg ontdaan moet worden van zoiets als een ‘auteur’, een ‘subject’, een cartesiaans ‘ego’. (14)


Geen hiërarchie

Er is bovenal de overtuiging dat wij in een plurale wereld gaan leven. Daaruit vloeit voort het afwijzen van elke opklimmende of afdalende structuur (geen: hiërarchie). Of men nu van Plato’s metafysica vertrekt en van de eeuwige ideeën afdaalt tot de gewone wereld, of van die van Kant en terugvraagt naar hetgeen zich bij voorbaat al in het algemene menselijke bewustzijn voordoet als mogelijkheden om de gewone wereld te leren kennen, elke vorm van dergelijke metafysica moet verworpen worden. (15)


De verdwenen mens

De … mens als centrum van taal en denken is verdwenen en ook het object heeft dan zijn afzonderlijke bestaansrecht verloren. Het subject-object schema is verouderd en zelfs misleidend. (18)


Ongefundeerd

De oude legitimaties zijn niet meer aanvaardbaar. De fundering van wat veranderlijk is in iets blijvends, van wat toevallig (contingent) is in iets noodzakelijks en absoluuts is onmogelijk gebleken (tegen elk ‘foundationalism’). (21)


Afbouwen

In plaats van de opbouw van een groots, alomvattend filosofisch, of ander, systeem komt de ‘deconstructie’: het afbouwen, het aan de kaak stellen van al die vergeefse pogingen. De emancipatie van de rede is onmogelijk gebleken, evenzeer als de sociale en politieke emancipatie. (21)


Verbrokkeling

In plaats van algemene leuzen en universele waarden, moet men juist bij het incidentele, het plaatselijke beginnen … Het gaat erom, als bij een film, korte stukjes aan elkaar te monteren, willekeurige citaten aan elkaar te plakken. Er is immers niet één verhaal, maar slechts de talloze en onderscheiden fragmenten. Deconstructie en verbrokkeling vormen een positieve vervanging van de traditionele metafysische poging om het geheel in de greep te krijgen. (22)


De waan van een legitimering

De rationaliteit wordt in de gebruikelijke vorm afgewezen; gebleken is immers dat de rationaliteit zelf niet te beredeneren is. Rationaliteit wordt alleen ‘lokaal’ erkend, als een specifiek vertoog, als het op elkaar inwerken van teksten, als het resultaat van een deconstructie die de waan van een legitimering van aanspraken doet verdwijnen. (22)


Dynamische openheid

De overkoepelende metafysische eenheid, het grote verhaal, is onmogelijk geworden. In plaats van spanningen op te lossen, moet men hen juist doormaken. Dit geeft de zo onmisbare instabiliteit. Jazeker, ‘instabiliteit’ wordt als positieve doelstelling aangemerkt. Want stabiliteit is log en verraadt een gesloten systeem in plaats van de dynamische openheid. (22)


Pluraliteit

Openheid is er alleen in een relativering die ons van elke kramp kan bevrijden. We raken los van de dwangidee dat wij steeds anderen moeten overtuigen. Wij moeten de andere in haar of zijn goed recht laten. Maar dit ‘goed recht’ wil niet zeggen dat er een standpunt gehuldigd wordt dat men op een of andere grond zou kunnen legitimeren. Over en weer is er de erkenning van de pluraliteit van overtuigingen, vertogen, vocabulaires. (22)


Altijd anders

Juist ook in het menselijke subject mag men de identiteit niet zoeken. Dit subject, dus de rol van de menselijke persoon begrijpen, kan pas wanneer men inziet dat hij telkens anders is dan zichzelf, dat hij steeds ‘differeert’.


Dissensus

Het is niet te doen … om de homologie van de experts maar om de paralogie van de ontdekkers. … De moderne wetenschap … produceert niet het bekende, maar het onbekende. Het gaat er in wetenschap, kunst en filosofie, overal om de valse stabiliteit te onderdrukken, om oog te krijgen voor het heterogene, om onverwachte ‘zetten’ die geen consensus beogen – dat zou binnen de homologie passen – maar dissensus, verschil van meningen die vruchtbaar zijn. (54)


Geen universum buiten ons

Het vocabulaire kan niet gefundeerd worden op, of gelegitimeerd worden door, een beroep op een erbuiten staande, in taal gespiegelde ‘natuur’: geen gegeven materiële wereld, geen eigen zelf, geen bewustzijn. Daarom kan men niet stellen dat S. Freud doordrong tot de verborgen natuur van het menselijk zieleleven in ons, of I. Newton tot die van het universum buiten ons. Men moet zelfs zeggen dat in dit opzicht de theorieën niets verklaren, want er bestaat geen ‘waarheid’ in die zin van talige beweringen die zouden overeenstemmen met iets dat zich buiten die taal bevindt. (61)


In ons vocabulaire

Woorden als ‘werkelijkheid’ en het eigen ‘zelf’ zijn ontstaan in een langdurig gebruik van de taal in plaats van dat taal ze tot uitdrukking brengt. Talen worden niet gevonden maar gemaakt. De wereld is ‘daarginds’, maar de ‘wereld’ zoals wij erover spreken is ‘hier’, in ons vocabulaire. (61)


De grote metaforen

De grote metaforen [zijn] bijvoorbeeld ‘substantie’ (ousia) bij Aristoteles, de zelfopofferende liefde (agapè) bij Paulus, de zwaartekracht (gravitas) bij Newton en in de moderne tijd metaforen als Big Bang, DNA, Laat Kapitalisme. Geen van deze metaforen duidt een werkelijkheid aan … (63)


Geen eindvocabulaire

Er blijkt dan geen Waarheid, geen Zijn, geen Geschiedenis, kortom, geen eindvocabulaire te zijn. (64)


Zedelijke beslissingen

Men kan niet op grond van de gegevens van de evolutie van de mens voorschrijven wat hij wel of niet moet of mag doen. Uit de evolutie valt niet af te leiden of de mensheid tot grotere eenheid moet komen of juist niet. Evenmin of oorlogen verkeerd zijn of bijdragen tot instandhouding van de mensheid door overbevolking tegen te gaan. Zedelijke beslissingen zijn niet van een feitelijk verhaal, zoals dat van de natuurlijke evolutie, af te leiden. (73)


Contingentie

Een centraal punt van de aanval op alle bestaande filosofie bestaat uit de verwerping door het postmodernisme van elke legitimatie, iedere blijvende fundering en elke eeuwige waarheid. In plaats van de universele theorie of idee komt de contingentie van de tekst of van de gebeurtenis. (92)


Afbouwen

Een nieuwe manier van communicatie, en in die zin van ‘rationaliteit’, is vereist: het afbouwen (deconstrueren) van de oude waarheden, het afzien van een wezen van de mens, inclusief van zijn subjectiviteit. God is dood volgens Nietzsche, de mens is uitgewist, aldus Foucault, het subject dat betekenissen voortbrengt, bestaat evenmin als de zaken in de werkelijkheid waarheen betekenissen zouden moeten verwijzen. (98)


Postmodernisme zelf een groot verhaal?

Ligt er in het postmodernisme toch niet zoiets van een (open) eindvocabulaire, een relativerend vertoog dat definitief niet meer op zijn kop gezet kan worden?


Ongrijpbaar

Het kenmerk van elke manier van skeptisch filosoferen is dat zij ongrijpbaar wordt; skepsis is waar noch onwaar, want beide criteria worden gedeconstrueerd, aan de kaak gesteld. … Elk goed doordacht skepticisme wordt ongrijpbaar omdat het als een helikopter boven het slagveld van de filosofiegeschiedenis hangt. De centrale vraag is dan of dit werkelijk nog als een nieuwe vorm van rationaliteit aangemerkt kan worden. (100)


Geen scheiding

Het postmodernisme verwerpt de subject-object spanning in voorgaande filosofieën en daarmee ook de scheiding tussen menselijke ervaring (taal, tekst) en een er tegenover staande werkelijkheid (wereld). Er is geen objectieve werkelijkheid waarop een menselijk-subjectieve ervaring zou kunnen slaan. (126)


A priori of a posteriori?

Sommigen, zoals Plato, leren dat eigenlijk alle kennis a priori is, want de fundamentele ideeën … liggen in de kiem al bij onze geboorte in ons. Andere, zoals de empiristen, leren dat alle kennis op … ervaring berust. Kant leerde dat sommige zaken a posteriori gekend worden, bijvoorbeeld dat een kamer 3 meter hoog is, andere zaken echter a priori geweten worden, bij voorbeeld dat elke gebeurtenis een oorzaak heeft. Postmoderne denkers bestrijden beide vooronderstellingen … (129)


Clément Rosset

Rosset, Clement

Uit De sprakeloze werkelijkheid; Inleiding tot de filosofie van Clément Rosset, Philippe Verbeeck, 1997:


Tragisch

Rosset noemt de werkelijkheid tragisch, omdat elke gebeurtenis tegelijk onverwacht en niet te rechtvaardigen is. (7)


Déjà-là

Geen enkele gebeurtenis kan geïntegreerd worden in een orde of aangepast worden aan een beschouwing die haar zou kunnen wettigen. Elke gebeurtenis is ‘déjà-là’, steeds onvatbaar voor iedere interpretatiepoging; de interpretatie komt bovendien altijd te laat, omdat een gebeurtenis steeds voorafgegeven is, dus per definitie reeds plaatsgevonden heeft. (7)


Pure gegevenheid

Het gemeenschappelijke kenmerk van alle gebeurtenissen is gelegen in de onmogelijkheid om er rekenschap van af te leggen. Alle gebeurtenissen zijn immers opgebouwd uit zuiver toeval, ze zijn pure gegevenheid.


Niet begrijpen, niet beheersen

We kunnen wel bewust worden van de gebeurtenissen, we kunnen erover nadenken, maar de afstandsname vermindert in niets de brutaliteit van de gebeurtenis die van bij de aanvang gegeven is. Nadenken over wat gegeven is, betekent niet deze gegevenheid be-grijpen, be-heersen. (7)


Onverklaarbaar en irrationeel

Zover men opklimt in de serie van oorzaken, zowel op psychisch als op fysisch vlak, steeds komt er een moment waarop men stoot op een onherleidbare, reeds-daar-zijnde existentie die voorafgaat aan elke speculatie; deze eerste gegevenheid spreekt de rede niet tegen, doch ze is haar totaal vreemd. In die zin is de gegevenheid ‘onverklaarbaar’ en ‘irrationeel’. (7)


De meest onverwachte gebeurtenis

Niet alleen deze of gene tragische gebeurtenis is pure gegevenheid. De existentie, m.a.w. het simpel feit van te zijn, is de meest onverwachte gebeurtenis. Er bestaat bijgevolg een grondige identiteit tussen de idee van zijn en de idee van gegevenheid. (8)


De radicale mislukking van de kennis

De pure gegevenheid van het zijn leidt onvermijdelijk tot de radicale mislukking van de kennis. … Zo we het zijn ondervragen, is er steeds een moment waarop we een voorafgegeven existentie ontmoeten die geen enkele zin meer biedt aan onze intellectuele onderzoekingen. … De ongedetermineerdheid van het bestaan is de unieke bron van de mislukking van de kennis, daar het steeds te laat is om afstand te nemen t.o.v. de brutaliteit van hetgeen op slag bestaat. Dit stoten op de muur van de gegevenheid betekent echter niet alleen het falen van de kennis, doch eveneens de mislukking van alle verzoenings- en rechtvaardigingspogingen na een tragische gebeurtenis. (8)


Alogon

Uit de redenloosheid, doelloosheid en noodzakelijkheid van het bestaan volgt een complementaire kwaliteit die inherent is aan het existerende, namelijk diens alogon karakter. Het bestaan ontsnapt per definitie aan elke orden en aan alle betekenissen die vervat liggen in de Griekse term logos. A-logon, ‘gemis aan logos’, betekent niet in contradictie met de logos, doch ‘vreemd aan de rede’: de aard van de gegevenheid en van de tragedie is immers noch absurd, noch redelijk. Het bestaan is onbegrijpelijk, omdat de rede ontdekt dat ze er niets gemeenschappelijks mee heeft. (9)


Zijn eigen voorafgegeven bestaan

Dit is dan ook de diepste betekenis van de tragedie: tragisch is de intuïtie van de gegevenheid zonder redenen, i.e. de intuïtie van de gegevenheid zonder redenen, i.e. de intuïtie van het bestaan zonder meer. Zoals elke gegevenheid is de mens redenloos en doelloos. Beroofd van alle bestaansredenen, causaliteit, finaliteit en vrijheid, blijft van de mens enkel het puur alogon over, m.a.w. zijn eigen voorafgegeven bestaan. (11)


Zonder standpunt

Leven op een tragische wijze zal er juist in bestaan af te zien van elk standpunt, en te leven in het onverklaarbare, precies door in alles het puur alogon terug te vinden. (12)


Alles gezegd

De algemene intuïtie waartoe alles kan herleid worden, is dus de volgende: er bestaat ‘reeds’ een gegeven wereld, in dewelke al het bestaande slechts pure gegevenheid is en die van niets rekenschap hoeft te geven. Deze gedachte impliceert gans het mysterie van de drijfveren die de mens doen handelen. Eenvoudig geformuleerd: “Le mond est là, les hommes sont là.” De tragische mens zegt niets meer, en het is juist omdat hij zich beperkt tot deze intuïtie van het bestaan, dat hij alles heeft gezegd. (12)


Verleren

Geen enkel object an sich gaat schuil achter de veelvuldige gebruikelijke waarnemingen, en het object verliest elke ‘zin’ door de afwezigheid van de referenties die de gebruikelijke waarneming van het object vergezellen. In dit ‘verleren’ van de betekenis-netten, gaat ook de natuur-idee teloor, i.e. de idee dat al wat tot bestaan komt slechts kan voortvloeien uit principes. (15)


Ondefinieerbaar

De weigering van de natuur-idee impliceert een andere weigering, nl. die van de notie van zijn. Zo het bestaan geen enkele natuur dekt, moet immers de vraag gesteld worden hoe men datgene wat bestaat, doch geen natuur is, dient te definiëren. Hierop kan slechts geantwoord worden dat … het bestaan per definitie ondefinieerbaar is. Bijgevolg moet het bestaan geweigerd worden aan al wat zich conceptueel laat bedwingen, dus aan al het definieerbare. Noemen is definiëren; definiëren is een natuur toekennen aan iets; doch er bestaat geen enkele natuur. Er bestaat wel iets, doch dit iets is niets van wat voorkomt in de woordenboeken. (18)


De ijdelheid van het denken

Het komt er bijgevolg op aan de zijnsnotie uit het bestaan te weren. … Deze gedachte werd reeds duidelijk verkondigd door de sofisten. Voor Gorgias is de natuur “hetgeen niet bestaat”; de natuur is niet-zijn. Deze affirmatie van het niet-zijn is één der fundamentele thema’s van het tragisch denken: het is de affirmatie van de menselijke onbekwaamheid om een natuur te herkennen of te bedenken. Vanwaar de ijdelheid van het denken dat slechts imaginaire naturen en wezens kan uitvinden, zonder hierbij enige greep te krijgen op het reële bestaan. (19)


Feesttoestand

Uit de premissen van de tragische filosofie kan de volgende conclusie getrokken worden: de bestaanstoestand is meteen een feesttoestand, omdat het een toestand van uitzondering is. Het bestaande is voorzien van alle karakteristieken van het feest: onverwachte, uitzonderlijke uitbarstingen die slechts éénmaal kunnen gevat worden, omdat ze slechts éénmaal opdagen; gelegenheden die slechts op één moment, op één plaats en voor één persoon bestaan en waarvan de unieke, niet fixeerbare en onherhaalbare smaak elk ogenblik van het bestaan begiftigt met alle kenmerken van het feest en van de luide vreugde. (23)


Heel de onrust

De denaturatie van de werkelijkheid impliceert de ondergang van alle ‘zinvolheid’, betekenis-netten en referenties. We staan immers voor een gegevenheid die zich op brute wijze aandient, als zuivere ondoordringbare tegenwoordigheid zonder enige bestaansreden. … Deze gegevenheid wordt gekenmerkt door haar redenloosheid, doelloosheid en noodzakelijkheid. Heel de onrust van het menselijk intellect t.a.v. wat aan zijn controle ontsnapt, zit vervat in de eenvoudige formule: “de l’être, et rien de plus”. (23)


De wereld spreekt niet

Wat de mens ook denkt, steeds komt er een moment waarop hij staat op het bestaan zonder meer, op de meer van de gegevenheid, waarbij hij moet zwijgen in aanwezigheid van wat eenvoudig bestaat, zonder dat iets in dit bestaan rekenschap aflegt voor om het even wat. Hoe meer men het bestaande nadert en dit concreet poogt te vatten, hoe meer dit existerende zich verwijdert van de interpretaties en betekenissen, zodat uiteindelijk slechts een ondoordringbaar stilzwijgen wordt ontmoet. Op zichzelf beschouw is de wereld sprakeloos. Deze stilte is het universeel fundament van alle dingen, het ultieme teken dat de realiteit tot ons richt. De wereld spreekt niet, ze openbaart ons niets over wat ze is; ze is er gewoon, in de grootste stilte. (24)


Singulier

Al het bestaande is singulier, slechts “één keer” reëel; niets ontsnapt aan een strikte coïncidentie met zichzelf. Daarom zal het singuliere slechts door zichzelf aangeduid kunnen worden doorheen het tautologisch spreken (“waar is hier?” – “hier!”). … Hier ligt de bron van de oorzaak van het falen van elke interpretatie, want elke explicatie geschiedt dankzij iets anders of elders dan hetgeen te verklaren valt. (24)


Eenvoud

Kortom, de realiteit wordt gekenmerkt door eenvoud, en dit op twee manieren: vooreerst is het existerende niet onderworpen aan herhaling. Elk bestaan is singulier, zowel op ruimtelijk als op tijdelijk vlak. Het bestaande, nl. de omstandigheid, kan zich nooit elders of op een ander tijdstip herhalen. Vervolgens is het existerende ook niet onderworpen aan interpretatie. Het bestaan zwijgt over zichzelf, het schenkt aan degene die het beschouwt geen enkele mogelijkheid tot een rationeel of rechtvaardigend perspectief. Het reële is onbekwaam zich te verdubbelen met een reproductie of met een commentaar. Vandaar de absolute eenvoud van het bestaande. (25)


Het meest onbegrijpelijke

Eenvoud betekent hier het tegengestelde van elke ingewikkeldheid, doch ook van elke intelligibiliteit. Want het meest eenvoudige is tegelijk ook het meest onbegrijpelijke. Aldus is het meest ingewikkelde van alle ingewikkeldheid de eenvoud omdat die per definitie ontsnapt aan elke interpretatie. (25)


Idioten

Eén woord drukt deze uniciteit en ondenkbaarheid van de realiteit uit: het woord ‘idiotie’. De Griekse term idiootès betekent ‘eenvoudig, particulier, uniek’ en door semantische uitbreiding ‘persoon ontbloot van intelligentie, van rede’. Alle dingen en alle personen zijn idioten, aangezien ze slechts op zichzelf bestaan, onbekwaam om anders te verschijnen dan waar ze zijn en zoals ze zijn; onbekwaam dus om zich te weerspiegelen, om te verschijnen in de dubbele van de spiegel. (25)


Negatieve ontologie

Omwille van haar singulariteit kan de realiteit nooit gezien of beschreven worden: de ontlogie van het reële is een “ontologie négative”, vergelijkbaar met de negatieve theologieën van Nicolaas van Cusa en van Meester Eckhart. De negatieve ontologie is ervan overtuigd dat men slechts kan zien door blindheid, kennen door niet-kenis, begrijpen door het gemis aan verstand. (26)


Dit

Hoe reëler een object, des te niet-identificeerbaarder het is. … Het enige wat ik ervan zeggen kan, is dat het dit is en niet (iets) anders. Dit minimale weten is recht evenredig met zijn precisie en diepgang: het betekent niet dat we ons vergist hebben, maar integendeel dat we ons in de buurt van het reële bevinden, i.e. de zone waar elke identiteit twijfelachtig wordt. (26)


Niet identificeerbare objecten

Een “Traktaat over het reële” zou samenvallen met een “Traktaat der niet-identificeerbare objecten” (niet te verwarren met niet-geïdentificeerde objecten die, zoals de UFO’s, steeds stof bieden tot publicaties die oneindige beschrijvingen leveren van het onbestaande). Zo’n traktaat is natuurlijk overbodig, aangezien de niet-identificeerbare objecten even talrijk in aantal zijn als de reële objecten zelf en de ervaringen van zulke objecten even talrijk zijn als de beleefde en nog te beleven ervaringen van het reële. (26)


Onschuldig

In een gedenatureerd perspectief verschijnt de realiteit niet enkel als perfect eenvoudig, doch eveneens als volslagen onschuldig. Het bestaan is witgewassen van iedere verdenking en schuld, omdat het in geen enkel netwerk, i.e. in geen enkele natuur, participeert. (27)


Niets te verbergen

Want wat hebben we uiteindelijk over de wereld geleerd door de regelmaat der eclipsen te observeren? Niets, tenzij het volgende: dat een serie verschijnselen … zich zonder enige reden op zeer regelmatige wijze voordoet. Werken de psychoanalytici soms niet evenzeer aan de exhibitie van even illusorische geheimen? Wanneer ze beweren dat het Es spreekt, trachten ze iets met dwang te doen spreken, iets dat precies niets mee te delen heeft. De psychoanalytische geweldpleging ligt niet zozeer in het feit een geheim te dwingen zich bloot te geven, dan in de illusie dat er een geheim met geweld af te dwingen valt. Uiteindelijk heeft de mens wel steeds ten minste één geheim te bewaren: “précisément le fait qu’il n’a aucun secret, qu’il n’a rien à cacher.” (30)


Monos tonos

Op alle niveaus getuigen de voorbeelden van eenzelfde stilte van de realiteit, van eenzelfde eentonigheid: de werkelijkheid uit slechts één toon (monos tónos) en bied slechts één ‘zin’ … “Le secret des choses, c’est qu’il n’y a pas de secret.” (30)


Ook de vragen

Het zijn niet alleen maar de antwoorden, doch ook de vragen die thans ontbreken. (31)


Terroristische filosofie

De tragische filosofie is volgens Rosset een terroristische filosofie, omdat ze vernietigend en rampzalig is: door de tragiek van het bestaan uit te spreken, ontbindt ze immers al hetgeen waarop de mens intellectueel steunt. … Filosofie is minder de bedrijvigheid waarbij wijze ideeën worden uitgewerkt dan wel “une vaste entreprise de dissipation des idées folles.” (33)


De onmogelijkheid van het denken

Aan de oorsprong van de tragische filosofie ligt alleszins een terroristische intentie: het tragisch denken spreekt om de onmogelijkheid van het denken uit te spreken. … In het tragisch perspectief spreekt men van de betekenisloosheid van de realiteit; geen enkele zin is gegeven, niet eens een absurde zin. (33)


Ontvankelijkheid voor alles

Alleen de tragische denker, die zich op niets beroept, is in staat de tolerantie uit te oefenen. Hiervoor bestaan twee redenen: vooreerst kan de tragische filosofie geen enkele ideologie au sérieus nemen. Geen enkel thema is onverdraaglijk voor de tragische filosofie, aangezien geen enkel thema een werkelijkheidsgehalte bezit. Vervolgens is de tragische filosofie de enige die nooit gedwarsboomd wordt door een ideologie, aangezien ze “niets” denkt waartegen een ideologie zich zou kunnen verzetten. Ze vecht ook niet tegen de ideologieën, aangezien ze geen enkele ideologie bezit om in de plaats te stellen. Daar ze over “niets” beschikt waarop ze zich kan funderen om andermans opinies uit de weg te ruimen, zal ze noodzakelijkerwijze alle opinies dulden. … Wegens haar ontvankelijkheid voor alles bezit de tragische filosofie een “digestief” karakter. (39)


Het ergste denken

Met tragisch denken wordt … de toegang tot de ondergang der gedachten bedoeld. Het ergste denken komt neer op de weigering van alle reeds geconstitueerde gedachten, wat niet betekent dat de tragische denker eindigt met niets te denken. (47)


Troost

De natuur-idee is één der belangrijkste schermen waarmee de mens de werkelijkheid op afstand tracht te houden. De chaotische eenvoud van het bestaan wordt immers vervangen door de geordende ingewikkeldheid van een wereld. De natuur-idee stelt een eeuwige instantie voor die de broze instantie ‘mens’ troost. De natuur verzamelt het diverse in een systeem dat, psychologisch bekeken, aan de mens een geruststellender omgeving verzekert. (57)


Imaginair

Hoe staat de antitragische mens tegenover de betekenisloosheid van de werkelijkheid? Hij erkent deze niet omdat hij aan alles een imaginaire waarde toekent, waardoor de loop der dingen een “normaliteit” verkrijgt. … Door aan al het bestaande waarde toe te voegen, wordt de ganse realiteit betekenend. (65)


De waanzin van de zin

De grote filosoof van de imaginaire betekenis is Hegel: de ganse realiteit is rationeel, niets geschiedt toevallig; al wat voorvalt is teken van een geheime bestemming die de filosoof moet trachten te achterhalen en te begrijpen. Op die manier wordt de werkelijkheid verdubbeld met een imaginaire betekenis. Rosset spreekt in dat verband van “de waanzin van de zin”. (65)


Zwetende dingen

De ontkenning van de betekenisloosheid impliceert de miskenning van de idiotie van de realiteit. De tragische en antitragische visie verschillen in hun contact met de werkelijkheid. De tragische visie kent slechts een ruw contact dat op de dingen stoot en waarbij uit dit contact niets anders wordt gehaald dan het gevoel van de stilzwijgende aanwezigheid van het bestaande. De antitragische visie wordt gekenmerkt door een glad contact, een spiegelcontact, waardoor de aanwezigheid der dingen vervangen wrodt door hun verschijning in beelden. In dit gladde contact “zweten” de dingen, ze wasemen betekenissen en psychologische connotaties uit. (66)


Anders

Het beeld dient hier om de werkelijkheid te verwijderen. De brutaliteit van een verschijning wordt verbroken door het spektakel van haar interpretatie: er is wel A, doch deze A betekent niet enkel A, maar eveneens duizend andere dingen. … De werkelijke gebeurtenis wordt gescheiden van wat ze had kunnen of moeten zijn, i.e. haar dubbele. Dat de gebeurtenis voorviel, wordt aanvaard, doch men stelt dat deze anders had kunnen of moeten geschieden. (66)


Blijvende zoektocht

Volgens de [antitragische filosofie] is de onmiddellijke realiteit maar begrijpelijk en toelaatbaar in de mate dat ze kan beschouwd worden als de uitdrukking van een andere realiteit die haar zin en werkelijkheidskracht verleent. De wereld hier die door zichzelf geen enkele zin bezit, verkrijgt betekenis en essentie van een andere wereld die eerstgenoemde verdubbelt. Metafysisch uitgedrukt: onze wereld hier is slechts een bedrieglijke doublure van de andere, ware wereld. In plaats van de betekenisloosheid van de realiteit te beamen, affirmeert de antitragische filosofie de aanwezigheid van een zin. De filosofie wordt aldus een blijvende zoektocht naar zin. (68)


Alibi

De Latijnse term alibi duidt op het “elders”, i.e. elk voorwendsel dat wordt aangevoerd om een realiteit hier en nu te verbergen aan de hand van een mogelijke realiteit elders (in feite een irrealiteit.) … De realiteit zelf wordt in slaap gewiegd door het werk van een alibi, het hier wordt twijfelachtig gemaakt aan de hand van een elders. (70)


Vermomd

Het voorwaardelijk aanvaarden van de realiteit, nl. voor zover ze draagster is van zin en betekenis, vormt de ideale manier om de realiteit terzijde te schuiven. De realiteit wordt eigenlijk niet verworpen, doch vermomd door de sluier van de zin die een beschermende spatie vormt tussen de mens en de realiteit. De zin stelt in staat een verzachte versie van de realiteit te tonen, zodat laatstgenoemde verlost wordt van bepaalde ongewenste kenmerken, in het bijzonder haar gratuit karakter. De zin beschermt voornamelijk tegen de afwezigheid van elke bestemming. De grootste angst van de mens bestaat er immers in te bestaan zonder noodzakelijkheid, te handelen zonder waarborg, m.a.w. op avontuur te moeten gaan in een wereld waar niets voorzien is, waar niets noodzakelijk is, doch waar alles mogelijk is. (71)


Terugschenken aan de betekenisloosheid

De realiteit terugschenken aan de betekenisloosheid bestaat erin de realiteit zichzelf te laten zijn. [Het komt er op aan] de valse zin te verdrijven, wat niet betekent dat de realiteit absurd of oninteressant zou zijn. (81)


Vruchteloos

Van dit feit, nl. dat er iets bestaat en niet niets, is het vruchteloos te denken dat het betekenend of betekenisloos is, want het is alleszins nutteloos er om het even wat van te denken. (81)


Een geheim dat niet voorhanden is

“Il n’y a pas de mystère dans les choses, mais il y a un mystère des choses.” Onnodig deze dingen te doorgronden in de hoop een geheim te ontrukken dat niet voorhanden is. Het is aan hun oppervlakte dat ze onbegrijpelijk zijn, m.n. niet zus of zo te bestaan, doch gewoonweg te bestaan. (81)


Het raadsel bij uitstek

Gans het reële is noodzakelijkerwijze één of ander, behalve het feit van de werkelijkheid zelf. Laatstgenoemde is het raadsel bij uitstek, m.a.w. gans het tegenovergestelde van één of ander. (82)