Pseudo-Dionysius de Areopagiet

Integrale tekst van het traktaatje Over Mystieke Theologie (De Mystica Theologica) van de neoplatoonse mysticus Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

Redactie Hans van Dam.

Hieronder tweemaal de tekst van Over mystieke Theologie, eerst in de vertaling van Ben Schomakers, dan in de vertaling van Wim van Dungen.

Dwaalgids > Mystiek > Pseudo-Dionysius de Areopagiet

Tips: Lachgas, Schoon van verre maar verre van schoon, De lege mystiek, Dubbelzennigheid, Voorbij aan alles, Eine kleine Nachtmystik


Vertaling Schomakers

Bron: Over mystieke theologie / Pseudo-Dionysisus de Areoapagiet, Ben Schomakers 2002, p15-21.


I.

1. O drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed, die hoedt het godsweten van de christenen, leidt ons naar de kroon van de mystieke geschriften, die meer dan onkenbaar is en meer dan licht en het allerhoogst, waar de enkelvoudige en vrijgemaakte en onveranderlijke mysteriën van de theologie omhuld zijn door het duister dat meer dan licht is, van het mystiek verborgen zwijgen, en zij in het diepste duister het meest meer dan licht meer dan stralen en zij in het volmaakt onaanraakbare en onzichtbare met glans die meer dan schoonheid is meer dan vervullen de ogenloze geesten.

Zo moet ik nu bidden. Maar jij, mijn vriend Timotheus, moet met op het mystieke schouwen geconcentreerde aandacht achter je laten het zintuiglijk waarnemen en de begrijpende werkzaamheid en al het zintuiglijke en al het begrippelijke, en al de niet zijnden en de zijnden; en je moet voor zover dat gaat kennisloos jezelf opnemen tot de verening van wat boven alle zijndheid is en boven alle kennis. Want door afstand te doen van jezelf, zodat je aan niets meer vast houdt en van alles zuiver bevrijd bent, zul je tot de straal die meer dan zijndheid is van het goddelijk duister – wanneer je alles hebt weggenomen en je van alles bevrijd hebt – worden opgenomen.

2. Let erop dat niemand meeluistert die niet is ingewijd, ik bedoel niemand die aan de zijnden gebonden is, niets boven de zijnden als meer dan zijndheid voorstelt en meent met zijn eigen kennis degene te kennen die het donker tot zijn verberging heeft gezet. En wanneer voor zulken de goddelijke inwijdingen te hoog gaan, wat dan nog te zeggen van de nog meer oningewijden, die de oorzaak die zich boven alles bevindt kenmerken vanuit het laagste wat de zijden toekomt, en zeggen dat zij in het geheel niet uitgaat boven de ongoddelijke en veelvormige gestaltenissen die zij zelf vormen? Want je moet van haar ook alle bepalingen van de zijnden bepalen en bevestigen omdat ze van alles de oorzaak is, maar je moet diezelfde ook en meer gepast weer ontkennen, omdat ze de oorzaak boven alles is; en geloof dan niet dat die ontkenningen strijdig zijn met de bevestigingen, maar veeleer dat boven alle beroving de oorzaak is die zowel boven alle wegneming als boven alle bepaling is.

3. In die zin in ieder geval noemt de goddelijke Bartholomeus de theologie uitgebreid en miniem en het evangelie wijd en breed maar ook beknopt. Ik geloof dat hij dit op een uitzonderlijke manier begrepen heeft: dat veelwoordig is de goede oorzaak van alles en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden zijn en geen begrip van haar; want ze bevindt zich boven alles, als meer dan zijndheid, en verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk is, zoals de geschriften zeggen, degene die aan alles voorbij is.

Want ook niet zomaar wordt de goddelijke Mozes eerst geroepen om zichzelf te louteren en om zich dan van niet zodanigen te verwijderen, hoort hij na de hele loutering de vele stemmen der bazuinen, ziet hij vele lichten die hun loutere stralen in wijde verstrooiing flitsen laten, verwijdert hij zich daarna van de menigte en bereikt met uitgekozen priesters de top van de goddelijke bestijgingen, en ontmoet hij bij dat al toch niet de god zelf en aanschouwt hij niet hem die immers onaanschouwelijk is, maar de plaats waar hij is.

Ik meen dat je dat zo moet uitleggen: de goddelijkste en de hoogste van de dingen die gezien worden en de dingen die begrepen worden zijn een aankondigend woord van wat onderworpen is aan degene die boven alles uitgaat, en door dat goddelijkste en hoogste vertoont zich zijn aanwezigheid die boven elk begrip is, wanneer zij zich vestigt op de begrippelijke toppen van zijn heiligste plaatsen.

En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is, en aan niets, niet aan zichzelf en niet aan iets anders, en wanneer hij zich met het volledig onkenbare door de onwerkzaamheid van al zijn kennen op de hoogste wijze vereent en door niets te kennen boven geest kent.


II.

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Want dat is het werkelijk zien en kennen en het bezingen van degene die boven zijndheid is als boven zijndheid; door middel van wegneming van alles wat de zijnden toekomt, zoals degenen doen die een van nature aanwezig beeld tot stand brengen, wanneer ze al het belemmerende dat het zuiver aanschouwen van het verborgene in de weg staat wegnemen en door wegneming alleen de verborgen schoonheid laten verschijnen zoals die op zichzelf is. En het is, denk ik, noodzakelijk dat de wegnemingen omgekeerd aan de bepalingen gezongen worden; want terwijl we die laatste bepaalden door te beginnen met de eerste dingen en via de middelste tot aan de laatste af te dalen, gaan we in het andere geval een tocht omhoog van de laatste dingen tot aan de meest principiële en nemen we zo alles weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat meer dan zijndheid is en dat door al het licht in de zijnden verborgen is.


III.

Zo hebben we in de Theologische typeringen het voornaamste van de bevestigende theologie bezongen: in welk opzicht de goddelijke en goede natuur ‘eenheid’ kan heten en in welke ‘drieheid’; wat in die natuur ‘vaderschap’ heet en wat ‘zoonschap’; wat de strekking kan zijn van de theologie van de Geest; op welke wijze uit het niet materiële en ongedeelde goede de lichten te voorschijn zijn gekomen die in het hart van de goedheid zijn, en door het blijven in het goede en in zichzelf en in elkaar, dat eeuwig tegelijk is met het ontspruiten, niet te verlaten er ook gebleven zijn; op welke wijze Jezus, die meer dan zijndheid is, zijndheid is geworden in de waarheid van de menselijke natuur; en al de andere zaken die in de geschriften verschijnen en die door de Theologische typeringen gezongen worden. En in het boek Over goddelijke namen in welk opzicht hij ‘goed’ genoemd kan worden en in welk ‘zijnde’ en in welke ‘leven’ en ‘wijsheid’ en ‘vermogen’ en alle andere namen die behoren tot de begrippelijke godsbenaming. En in de Symbolische theologie wat de namen zijn die van het zintuiglijke op het goddelijke kunnen worden overgedragen: wat de goddelijke gestalten zijn en wat de goddelijke houdingen en delen en organen; wat de goddelijke plaatsen en ordes zijn en wat de driften en wat de smarten en de toornen en wat de dronkenschappen en de roezen, wat zijn eden zijn en zijn vloeken, en wat zijn slaap en zijn waken, wat al de andere heiliggevormde voorstellingen die deel uitmaken van het symbolisch godstreffen.

Ik denk dat je wel ingezien hebt dat de laatste dingen veel veelwoordiger zijn dan de eerste; zo moesten de theologische typeringen en de ontvouwing van de goddelijke namen immers meer minderwoordig zijn dan de symbolische theologie, omdat de woorden, hoe meer we de blik opwaarts richten, in het overzien van het begrippelijke omvattender worden. En zo zullen we nu, wanneer we ingaan in het duister dat boven geest is, daar niet weinigwoordigheid vinden maar volmaakte woordloosheid en begriploosheid. En zo verbreedden zich daar de woorden, toen ze daalden van wat het hoogst is naar het laagste, in verhouding met de weg omlaag, tot een veelheid; en trekken ze zich nu, wanneer ze stijgen van wat het laagst is tot dat wat zich boven alles bevindt naar de maat van de bestijging meer samen, en zullen ze na de hele weg omhoog geheel stemloos zijn en geheel vereend met het onuitsprekelijke. Maar hoe komt het dan, zul je zeggen, dat we nadat we de goddelijke bepalingen van het eerste bepaald hebben, vanaf de laatste dingen beginnen met de goddelijke wegneming? Omdat degene die bepaalt wat boven alle bepaling is een aankondigende bevestiging moet bepalen beginnend met dat wat er het meest mee verwant is, terwijl degene die wegneemt van wat boven wegneming is, moet wegnemen beginnend met wat er het verst van verwijderd is. Want is hij niet meer leven en goedheid dan lucht en steen? En niet meer niet in een roes en niet in toorn, dan dat hij zich niet laat uitspreken en niet laat denken?


IV.

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.


V.

En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest, en zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft, en zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; en zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; en ook niet dat zij vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; en dat zij niet leeft en niet leven is; en zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; en dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis, en zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid, en niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; en dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; en zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; en dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

 


Vertaling Van Dungen

Bron


Hoofdstuk 1

1. Drievuldigheid! Hoger dan enig wezen, enige godheid, enige goedheid! Leidraad voor de Christenen naar de hemelse wijsheid! Leid ons voorbij het niet-kennen en het licht tot de verste, hoogste top van ’t mystieke schrift, waar de mysteries van Gods Woord eenvoudig, absoluut en onveranderlijk in de schitterende duisternis van een verborgen stilte liggen. Te midden van de diepste schaduw gieten ze overweldigend licht op het meest in het oog springende. Te midden van de geheel en al ongevoelde en ongeziene vullen ze onze gezichtsloze geesten volledig met schatten voorbij alle schoonheid.

Daarvoor bid ik; en Timotheus, mijn vriend, mijn raad aan jou als je op zoek bent naar een aanblik van de verborgen dingen, is al het waargenomene en begrepene, al het waarneembare en begrijpbare, al wat niet is en al wat is achter je te laten en, terwijl je je begrip hebt laten varen, zoveel als je kan opwaarts te streven naar vereniging met hem die voorbij al het zijn en alle kennis is. Door jezelf en al de rest onverdeeld en absoluut te verliezen, alles afwerpend en vrij van alles, zal je verheven worden tot de stralende lichtbundel van de goddelijke schaduw die is boven alles wat bestaat.

2. Maar zie goed toe dat niets hiervan degenen die niet op de hoogte zijn ter ore komt, dat wil zeggen zij die met wereldse zaken bezig zijn, die zich verbeelden dat er buiten gevallen van individueel bestaan niets anders is en die denken dat ze door hun eigen intellectuele (hulp)middelen een rechtstreekse kennis kunnen verwerven van hem die de schaduwen tot zijn schuiloord heeft gemaakt. En als inwijding in het goddelijke voorbij de mogelijkheden van zulke lieden ligt, wat moet er dan gezegd worden van die anderen, nog minder op de hoogte, die de transcendente Oorzaak van alle dingen beschrijven in termen die afgeleid zijn van de laagste trappen van bestaan, en die beweren dat deze op geen enkele wijze superieur is aan de goddeloze, veelvormige afbeeldingen die ze zichzelf geschapen hebben?

Wat er in feite moet gezegd worden over de Oorzaak van alles is dit: daar het de Oorzaak van alle bestaan is, zouden we alle bevestigingen die we maken met betrekking tot levende wezens eraan moeten toekennen en als feit moeten aannemen, en nog gepaster, we zouden al deze bevestigingen moeten ontkennen, daar ze voorbij al het zijnde gaat. Nu moeten we niet besluiten dat de negaties simpelweg het tegenovergestelde van de affirmaties zijn, maar eerder dat de oorzaak van alles aanzienlijk hieraan voorafgaat, en voorbij ontberingen, voorbij elke ontkenning, voorbij elke bevestiging gaat.

3. Dit is tenminste wat geleerd werd door de gezegende Bartholomeus. Hij zegt dat het Woord van God kolossaal en minuscuul is, dat het Evangelie breed opgezet en toch begrensd is. Mij lijkt het dat hij hierin buitengewoon scherpzinnig is, want hij heeft begrepen dat de goede oorzaak van alles tegelijk welsprekend en zwijgzaam is, inderdaad onuitgesproken. Ze bedient zich van het woord noch van het begrip, aangezien ze zich op een niveau bevindt dat hoger is dan dit alles, en ze enkel geopenbaard wordt aan hen die in voor- en tegenspoed reizen, die voorbij de top van elke heilige beklimming gaan, die elk goddelijk licht achter zich laten, elke stem, elk hemels woord, en die in de duisternis duiken waar volgens de schrift de Ene verblijft die voorbij alle dingen is.

Het is niet voor niets dat de gezegende Mozes bevolen wordt zich eerst aan een purificatie te onderwerpen en vervolgens zich te scheiden van hen die dit niet hadden ondergaan. Wanneer elke purificatie compleet is, hoort hij de veelstemmige trompetten. Hij ziet de vele lichten, puur en met overvloedig stromende bundels. Dan, afgezonderd van de menigten en vergezeld van uitgekozen priesters, stoot hij door tot de top van de goddelijke beklimmingen. En vooralsnog ontmoet hij God zelf niet, maar hij contempleert, niet hem die onzichtbaar is, maar eerder waar hij verblijft. Dit betekent, veronderstel ik, dat de heiligste en hoogste van de dingen die door het oog van het lichaam of het verstand waargenomen worden slechts de logische basis zijn die al datgene vooronderstelt dat onder de Transcendente Ene ligt. Doorheen hen echter wordt zijn onvoorstelbare aanwezigheid getoond, de hoogten bewandelend van die heilige plaatsen waarnaar de geest tenminste wel opklimmen kan. Maar dan maakt hij (Mozes) zich van hen los, weg van wat ziet en gezien wordt, en duikt hij in de ware mysterieuze duisternis van het niet-kennen. Hier, verzakend aan alles wat het verstand kan bevatten, geheel gehuld in het ontastbare en onzichtbare, behoort hij volledig toe aan hem die zich voorbij alles bevindt. Hier, zichzelf zijnd noch iemand anders, voelt men zich in de hoogste graad verenigd door een compleet niet-kennende inactiviteit van alle kennis en kent men voorbij het verstand door niets te kennen.


Hoofdstuk 2

Hoe men verenigd zou moeten zijn en lof zou moeten betuigen aan de Oorzaak van alle dingen die voorbij alle dingen is.

Ik bid dat we tot deze duisternis kunnen geraken, zo ver boven het licht! Ontbrak het ons maar aan zicht en kennis, om zo niet-ziende en niet-kennend dat te zien en te kennen wat voorbij elk zien en elke kennis ligt. Want dit zou werkelijk zien en kennen zijn: de Transcendente Ene te loven op een transcendente wijze, namelijk door de ontkenning van al het zijnde. We zouden als beeldhouwers zijn die zich ten doel stellen een standbeeld te beeldhouwen. Zij verwijderen alles wat een obstakel vormt voor de klare kijk op het verborgen beeld, en eenvoudigweg door deze daad van wegkappen halen ze de schoonheid die erin verborgen is boven.

Me dunkt nu dat we de ontkenningen anders zouden moeten loven dan we met de bevestigingen doen. Wanneer we bevestigden begonnen we met de eerste zaken, zakten we verder af naar de tussenliggende termen tot we aan de laatste zaken kwamen. Maar als we nu van de laatste zaken naar de meest elementaire opklimmen ontkennen we alles zodat we op onverscholen wijze misschien dat niet-kennen kunnen kennen, dat zelf verborgen is voor al wie onder de zijnden door kennis wordt bezeten, zodat we boven het zijn uit die duisternis zouden kunnen zien die verborgen is voor al ’t licht dat temidden van de zijnden is.


Hoofdstuk 3

Wat zijn de bevestigende theologieën en wat zijn de ontkennende ?

In mijn “Theologische Uiteenzettingen” heb ik de begrippen geprezen die het meest eigen zijn aan bevestigende theologie. Ik heb de wijze getoond waarop de goddelijke en goede natuur één en dan drieënig moet zijn, hoe Vaderschap en Zoonschap daarin ingesloten zijn, de betekenis van de theologie van de Heilige Geest, hoe deze kernlichten van de goedheid uit het onlichamelijke en ondeelbare goede groeiden, en hoe ze in dit voortspruiten onscheidbaar zijn gebleven van hun mede-eeuwig fundament daarin, in zichzelf en in elkaar. Ik heb gesproken over hoe Jezus, die boven het individuele bestaan staat, een wezen werd met een echte menselijke natuur. Andere openbaringen uit de schrift werden ook geprezen in “De Theologische Uiteenzettingen”.

In “De Goddelijke Namen” heb ik laten zien op welke wijze God beschreven wordt als goed, bestaand, leven, wijsheid, kracht, en wat er nog allemaal mag behoren tot de namen die een begrip geven van God. In mijn “Symbolische Theologie” heb ik analogieën van God die afgeleid zijn van onze waarnemingen ter discussie gebracht. Ik heb gesproken over de voorstellingen die we van hem hebben, over de vormen, figuren, en werktuigen die hem eigen zijn, over de plaatsen waarin hij leeft en over de sieraden die hij draagt. Ik heb gesproken over zijn boosheid, droefheid, woede, over hoe dronken en katterig hij moet zijn, over zijn eden en vervloekingen, over zijn slapen en waken, en inderdaad over al die voorstellingen die we van hem hebben, voorstellingen die geschapen zijn door de werking van de symbolische representaties van God. En ik ben ervan overtuigd dat U opgemerkt hebt hoe deze laatste benamingen overvloediger voorkomen dan wat er voor kwam, daar “De Theologische Uiteenzettingen” én een discussie over de namen die God eigen zijn onvermijdelijk korter zijn, dan wat er kan gezegd worden in “De Symbolische Theologie”. Het is zo dat hoe hoger onze vlucht, hoe meer onze woorden bepaald worden door de ideeën die we ons kunnen vormen, zodat nu we in de duisternis duiken die voorbij het intellect is, we zullen merken dat we niet gewoonweg woorden tekort komen maar sprakeloos en niet-kennend zullen zijn. In eerdere boeken reisde mijn betoog neerwaarts van de meest verheven tot de meest nederige categorieën, op zijn neerwaartse gang een steeds toenemend aantal ideeën in zich opnemend die met elke trap van de afdaling vermenigvuldigd worden. Maar nu klimt mijn betoog van wat beneden is op naar de transcendente, en hoe meer het klimt, hoe meer taal tekortschiet, en wanneer het de top heeft ingehaald en voorbijgestoken is, zal het volledig stil worden, daar het uiteindelijk één zal zijn met hem die onbeschrijflijk is.

Nu mag U zich afvragen hoe het komt dat, na gestart te zijn vanaf de hoogste categorie toen onze methode er bevestigingen bij betrok, we nu beginnen met de laagste categorie wanneer het de ontkenning betreft. De reden is deze: wanneer we bevestigen wat voorbij elke bevestiging is, dan moeten we uitgaan van wat er het meest verwant mee is, en als we dat doen geven we de bevestiging waarvan al het overige afhangt. Maar wanneer we datgene ontkennen wat buiten elke ontkenning ligt, moeten we vertrekken van die eigenschappen die het meest verschillen van het doel dat we hopen te bereiken. Is het niet dichter bij de werkelijkheid te zeggen dat God leven en goedheid is dan dat hij lucht en stenen zou zijn? Is het niet accurater om te ontkennen dat dronkenschap en woede aan hem toegeschreven kunnen worden dan te ontkennen dat we hem de begrippen spraak en gedachte kunnen toedichten?


Hoofdstuk 4

Dat de verheven Oorzaak van elk waarneembaar ding zelf niet waarneembaar is.

Dus dit is wat we beweren : de Oorzaak van alles is boven alles en is niet onbestaand, levenloos, spraakloos, verstandloos. Het is geen materieel lichaam en heeft dus vorm noch gedaante, kwaliteit, kwantiteit of gewicht. Het is in geen enkele plaats en kan noch gezien noch aangeraakt worden. Het is niet waargenomen en is ook niet waarneembaar. Het heeft niet te lijden van wanorde of verwarring en wordt door geen aardse passie overweldigd. Het is niet machteloos en afhankelijk van de verstoringen die veroorzaakt worden door zintuiglijke waarneming. Het verdraagt geen ontbering van licht. Het maakt geen verandering door, geen verval, geen verdeeldheid, geen verlies, geen eb en geen vloed, niets waarvan de zintuigen zich bewust kunnen zijn. Niets van dit alles kan ermee geïdentificeerd noch eraan toegeschreven worden.


Hoofdstuk 5

Dat de verheven Oorzaak van elk conceptueel ding zelf niet conceptueel is.

Opnieuw, als we hoger klimmen, zeggen we dit: Het is noch ziel of verstand, noch bezit het verbeelding, overtuiging, spraak of begrip. Noch is het spraak op zich of begrip op zich. Er kan niet over gesproken worden en het kan niet door het verstand begrepen worden. Het is niet aantal of rangorde, grootte of kleinheid, gelijkheid of ongelijkheid, overeenkomst of ongelijkvormigheid. Het is niet onbeweeglijk, in beweging of in rust. Het heeft geen macht, het is geen macht, en het is ook geen licht. Het leeft niet of is niet het leven. Het is geen substantie en het is ook geen eeuwigheid of tijd. Het kan niet gevat worden door het begrip daar het geen kennis en ook geen waarheid is. Het is geen koningschap. Het is geen wijsheid. Het is één noch eenheid, goddelijkheid noch goedheid. En het is ook geen geest, in de zin waarin we die term verstaan. Het is geen zoonschap of vaderschap en het is niets wat ons of enig ander wezen bekend is. Het valt onder het predikaat niet-zijn noch onder zijn. Bestaande wezens kennen het niet zoals het werkelijk is en het kent hen niet zoals ze zijn. Er bestaat geen uitspraak van, een naam noch kennis. Duisternis en licht, dwaling en waarheid; het is niets hiervan. Het is voorbij bevestiging en ontkenning.

Wij geven bevestigingen en ontkenningen van wat er in de buurt komt maar nooit van wat het zelf is. Want het is én voorbij elke bevestiging, als perfecte en unieke oorzaak van alles, én, door verdienste van zijn uitmuntend eenvoudige en absolute natuur, vrij van elke beperking, voorbij elke beperking; het is ook voorbij elke ontkenning.