Rutger Kopland

‘Geef mij maar een paard in galop, maar op zijn zij in het gras. Geef mij maar een vraag en geen antwoord.’ Poëzie van psychiater, dichter en schrijver Rutger Kopland (1934-2012).

Redactie Hans van Dam; titels origineel.

Dwaalgids > Belletrie > Rutger Kopland


Bron: Verzamelde gedichten, Rutger Kopland, 3e vermeerderde druk, Amsterdam, Van Oorschot, 2010.


uit Het orgeltje van Yesterday (1968):


Reis – IV

Onder de zon is veel verbleekt
Wat bleef zijn de beenderen
als een gestalte nog liggend
zoals ik die verliet.
Wat ik schreef in mijn brieven
is niet het verdriet zelf
maar mijn schaduw, hoe die
zich buigt en buigt over
wat bleef van wat er misschien
nooit is geweest.


Gesprekken / I – Over de geheimen van het leven

Jij hebt natuurlijk ook je geheimen
zei hij. Wat kon ik zeggen, ieder
antwoord was waar en onwaar. Ik had
toch net geprobeerd geheimen met hem
te delen. Wat ik niet zeggen kon
was voelbaar.

Laten we het, om dichtbij te blijven
vergelijken met het gesprek in onze
boomgaard tussen twee lege ligstoelen.


uit Wie wat vindt heeft slecht gezocht (1972):


Geen generatie

Want zoals altijd en overal en iedereen
kwamen ook wij weer op het punt
dat we tot geen generatie behoorden,
we lagen er alleen voor

bij het vuur waarboven de lucht
groen van onderen van de bladeren
waaruit het grijze vlokjes regende
in de jenever en halfdooie vlinders
een beetje vechtend nog, alles kwam
bij elkaar en maar drinken drinken

zo waren er een jongere en een oudere
generatie en een generatie dus
zonder, wij, die niets
konden zien dan hoe anders het was
om ons

te zijn, niet vrij, niet gebonden, wat
eigenlijk, dat gevoel. We moesten
het zelf maar weten en we wisten
het niet

ja, inderdaad, we zaten zonder
de excuses die alle verschillen terugbrengen
tot andere verschillen

en we dachten aan elkaar, zoals je dat ’s nachts
dan met elkaar kunt denken, aan nooit
nergens niemand.


Wie wat vindt heeft slecht gezocht

Wie nog op poëzie wacht? Jij niet,
jij wacht op de dag dat het echt
terugkomt, dat wat je zocht naast je
zal liggen en zuchten en kreunen,
leven, dat er godverdomme eindelijk
eens geen woord poëzie uitkomt.

Dacht je dan nog aan de terugkeer van
white horse, schemer en beddegeur?

‘Je was tenslotte nog jong en vol
melancholie, buiten regende het even
zeer als in je hart.’ (Gedicht)

‘Langs de trap omhoog ruiste het
zijige duister van dijen en kruis.’
(Gedicht)

‘De borsten hingen als grote verdrietige
druppels aan haar lijf.’ (Gedicht)

Ach ach, dat hoef je toch nooit meer
te lezen. Nee, wie nog op poëzie wacht,

hij vindt iets, iets wits naast zijn bed,
een zakdoekje, een vlinderlicht broekje,
lieve vergeetsels. Weg, weg betekent het,
de trap af. De vinder, hij kijkt naar
de vondst aan zijn voet en hij voelt,
ja hij voelt nu het grote gevoel:
het leven! dit is het leven! Dit is


uit Een lege plek om te blijven (1975):


Plaatsen / Passages XII

Geef mij maar de brede, de trage rivieren,
de bewegingen die je niet ziet maar vermoedt,
de drinkende wilgen, de zinloze dijken,
een doodstille stad aan de oever.

Geef mij maar de winter, het armoedige
landschap, de akker zonder het teken van
leven, de kracht van krakende heide.

Geef mij maar de kat als hij kijkt voor
hij springt, om te vechten, te vluchten,
te paren, te jagen, als hij kijkt.

Geef mij maar een paard in galop, maar
op zijn zij in het gras. Geef mij

maar een vraag en geen antwoord.


Plaatsen / Passages XIV

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.


Plaatsen / Passages XXVI

Tijd is nog steeds voor de mensen
een luxe, hij gaat langs de huizen,
vertelt dan de tijd in ruil voor jenever,
die handel is oud als een steen.

Niemand die houdt van de man met
de tijd, maar iedereen houd hem
te vriend, want men weet dat
ieder uur telt en de teller is hij.

Wat gisteren was, wat morgen zal zijn
is al eeuwen bekend en verdeeld,
maar vandaag is geheim als tussen
gordijnen een hand zonder lichaam.


uit Al die mooie beloften (1978):


Schilderij – IV

Ziek lief, maar wat voor een ziekte, zie
de grijze hemel, de grauwe huizen, het lege
plein, er is niets meer te zien, achter geheimen
is geen brein, geen hart, daar is niemand.

Is dit het moment nadat de liefde wegging
en de dood bij je achterliet, of is dit
het moment voordat de liefde zou komen en
de dood zou brengen, wanneer is het?

Ziek lief, wie ben ik, die dit vraag, meer
dan hij die dit vraagt, deze toeschouwer?

Het is niets meer, dan dit schilderij, dit
uitzicht op uitzicht op leegte, deze
herhaling van vragen, wie
ben je, wie ben je.


uit Over het maken van een gedicht

Tegen iemand die mij helemaal kent, zal ik nooit kunnen zeggen: ik ben anders dan jij denkt. Ook deze opmerking staat in zijn script, dat wist die ander al, dat ik dat zou zeggen. Ik wil niet worden gekend, ik wil altijd een ander zijn.

Geen gezicht, geen handen, geen haar, altijd een ander.

Dat gaat dus over mij, over mijn verzet om gekend te worden, zoals ik werd gekend, het gaat dus over hetzelfde als in de cyclus ‘G’, gesprekken met de plannenmaker van mijn leven, met niemand dus. Het gaat om de verlossing uit het gesloten paradijs, om de vraag wat er is buiten de deur. Het gaat om antimystiek.


uit Dit uitzicht (1982):


Verder

I
Nu we weten dat we verdwaald zijn
blijft ons alleen deze plek.

Regen, tot aan de horizon regen
en een zee van grijs-groene heuvels,
golven van bos na bos.

II
Onze kaarten hebben we achtergelaten,
ergens, niet boos, niet weemoedig:

ze vertelden ons wat we al wisten,
waar we vandaan kwamen.
Niet waar we waren.

III
Op het punt nu van verder te gaan
en niet weten hoe, niet weten

van het geritsel, de geuren, het duister
onder de bomen, het geschreeuw
in de verte, de verdwijnende
sporen, van niets weten
wat het betekent.

IV
Onze gezichten zijn koud en strak,
glad van de regen, alsof we huilen.

Het is geen huilen, het zijn
regen en huid.

V
Grijs-groene golven van bos na bos,
daarin zullen we verdwijnen.

Daaruit zullen we terugkeren,
maar dat zullen wij niet meer zijn.

Wie dat zijn weet niemand.


In de bergen

I
Het is er, het tot tranen toe bijna bewogene,
even als je ogen een spoor volgen,
langs een helling dalen en
dalen en uitkomen
in een gehucht,
verlaten.

Die roerloosheid.

II
Al zo ver weg dat je niet meer weet
of de stenen tegen de bergen nog
schapen zijn, een langzaam
omhoog rollende lawine
of al stenen,

dat je niet weet wat blijft.

III
Als je ziet wat er overblijft, je volgt
een vogel, hoe hij zweeft, even
dwarrelt, valt, klapwiekt,
weer wind vindt en
stijgt, stijgt,

zelfs het punt in de lucht niet
waardoor hij verdween.

IV
De gedachte aan het volmaakt open
einde, dat iets ophoudt nog
voor dat het eindigt,
verdwijnt voor het weg is, ligt voor
het ligt,

die is er.


De landmeter

Het is niet alleen onverschilligheid, in zekere zin
is het misschien zelfs wel liefde die hem dwingt,
er is geen paradijs zonder rentmeester.

Hij is gelukkig met het landschap, maar gelukkig
met het zoeken, coördinaten wijzen hem zijn onzichtbare
plek, zijn utopie is de kaart, niet de wereld.

Hij wil weten waar hij is, maar zijn troost is
te weten dat de plek waar hij is niet anders bestaat
dan als zijn eigen formule, hij is een gat in de vorm van

een man in het landschap. Met de grenzen die hij
trekt, scherper en duidelijker, vervagen het gras
en de bomen en alles wat daar leeft, lijdt en sterft.

Het is heel helder om hem heen, alles is waargenomen.


uit Dankzij de dingen (1989):


Water – I

Als met water zelf, met de gedachte
spelen dat je ooit en eindelijk
zult weten wat het is.

Het is regen geweest, een rivier, een zee,
hier was het, hier heb ik het gezien

en zie ik water en weet niet wat het is.


In groningen

Je bent in Groningen, maar hier
ben je niet, dit is een onbekende
plek, dit is een gedicht in
deze stad

waarin je al die jaren kwam en
ging, door altijd zon, altijd regen,
altijd wind, totdat je hier
stond, en dit las.

Je kwam en gaat weer weg, ook nu.
Zo zal het blijven tussen ons, ik ben
een onbekende plek.


uit Geduldig gereedschap (1993):


Psalm

Dan zullen deze geluiden wind zijn,
als ze opstijgen uit hun plek, dan
zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

We hebben geademd en onze adem was
als zuchten van bomen om een huis,

we hebben gepreveld en onze lippen
prevelden als een tuin in de regen,

we hebben gesproken en onze stemmen
dwaalden als vogels boven een dak.

Omdat wij onze naam wilden vinden.
Maar alleen de wind weet de plek
die wij waren, waar en wanneer.


Fotograaf

Want dit kijken is wachten en niet weten
waarop ik wacht. Er is geen moment
waarin dit moment zich herhaalt.

Dit is het wachten en het niet weten waar
ik ben, een plek onder de mensen
die ik niet zal terugvinden.

Ach geduldig gereedschap, geduldige zoeker
en sluiter, ik wacht. Ik hoor
de klik. God, die argeloze

houding, dat gebaar, die blik waarin
ze zijn geraakt en
zijn gebleven.


Hetzelfde, anders gezegd

Terwijl alles nog stroomde en niets bleef,
hoe je ook probeerde terug te keren, wanneer
vond je jezelf. Geen moment waarin je zag
wat je weerzag.

Maar nu, nu de zon doodstil in de hemel staat,
de rivier tot haar geraamte verdord, het water
dat zij wiegde verdampt.

Of hetzelfde, anders gezegd: als er een rivier
was die je heeft gekend, zo goed dat je wist, dit
ben ik, die rivier is er nu.


Mens en schaap

De mensen denken dat wij hier in de verte
een kudde schapen zijn – ze denken maar,

wij zijn niet eens wij, we hebben geen woorden
voor onszelf, we leven nog in de tijd hiervoor,

toen de mens nog schaap was, nog alleen
gras sprak, lucht las, water schreef.


Aanwijzingen voor het schrijven van een ansichtkaart en een voorbeeld

[volgende pagina]

Men ziet een kaart met een pleintje, in de zon
slaapt een hond, een oude man zit in de schaduw,
en men denkt, dit is wat ik zoek, ik ga schrijven.

Geef niet toe aan het verlangen naar waarheid,
schrijf niet waar u bent, wat u doet, wees hard,
streep door wat er staat, waarheid is altijd voorbij.

Beperk u daarom tot leugens, schrijf iets anders,
waar u niet bent, wat u niet doet, waar en wanneer,
zorgvuldig, het geheim van leugens zit in de feiten.

[volgende pagina]

Men wil die kaart met dat pleintje, in de zon
die slapende hond, die oude man in de schaduw,
en men weet niet waarom, verzinkt in gepeins.

Geef niet toe aan het verlangen naar dat eeuwige
vragen, naar alles, wees realistisch, stel alleen
vragen die dat niet zijn en geef ook het antwoord.

Schrijf dus een verhaal waarin iets gebeurt omdat
het nu eenmaal gebeurde, het toeval het voorschreef,
verzin dan een oorzaak die er niet was en niet is.

[volgende pagina]

Men blijft kijken naar die kaart met dat pleintje,
die hond in de zon, die oude man in de schaduw,
en men wordt week, voelt een glimlach, een traan.

Geef niet toe aan het verlangen zacht en weemoedig
te worden, laat uw gevoel achterwege, het gaat
om alles, behalve om u, het gaat om die kaart.

Wees dus humoristisch, behalve als het niet kan,
wees het echter ook dan en verscheur wat u schreef,
humor is streng, zij laat niet met zich spotten.

[volgende pagina]

Schrijf dus b.v.: Hier, Augustinus, Geliefden, hier
is een kaart, zien jullie dat pleintje, die hond
die slaapt in de zon, die oude man in de schaduw,

wat wil het toeval, dit pleintje, die zon en die
schaduw, die hond en die man, ik lig te slapen in
mijzelf, ik zit te zitten in mijzelf, alles ben ik,

ik weet het, je leest het wel vaker, je kunt geluk
niet ontlopen, het haalt je in, waar je ook gaat,
zo is het, maar ik zelf weet van niets, jullie X.


uit Tot het ons loslaat (1997):


Gedicht over een landschap

Het mag hier niet worden geschreven
met een woord als wereld, het is
te wijd te leeg te wit voor de bladzij

en ook een woord als tijd is voorbij
wat mag, ook dit is te eindig en
te oneindig te wit voor papier

we mogen ze denken, welja, maar alleen
om te denken, aan wat hier wil worden
herdacht, een landschap bijvoorbeeld,

aan dat wij daar stonden hoog in de bergen
klein en kortstondig, aan onze voeten
dat tastbare uur van de aarde, dag mag

maar woorden als wereld als tijd voor
onze vluchtige plek van de waarheid
schrijven zich weg, schrijven ons weg


Enkele andere overwegingen

Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom
wat wij vinden niet is
wat wij zoeken?

Laten we de tijd laten gaan
waarheen hij wil,

en zie dan hoe weiden hun vee vinden,
wouden hun wild, luchten hun vogels,
uitzichten onze ogen

en ach, hoe eenvoud zijn raadsel vindt.

Zo andersom is alles, misschien.
Ik zal dit uitleggen.


Oneindig veel problemen

Men zou het woord probleem moeten vermijden
om twee simpele redenen:

er zijn oneindig veel voorbeelden van problemen
die er niet zijn – ik kom hier op terug

er zijn even oneindig veel voorbeelden van problemen
die er wel zijn, maar niet zo worden genoemd –
ook hierop kom ik terug.

Alle gebeurtenissen bijvoorbeeld, ja alle,
om ons heen en in ons, ze zijn gebeurd
en men vraagt waarom.

Vergeef mij mijn enige antwoord: waarom niet?

Want alle gebeurtenissen zijn uitzonderingen op
al die regels volgens welke ze niet gebeuren.

Het is dus beter het woord probleem niet te gebruiken
want de problemen die er zijn en er niet zijn
zijn dezelfde.

Zo zou ik kunnen doorgaan tot ik ophoud.

Daar is veel voor te zeggen, niets daarna.


uit Over het verlangen naar een sigaret (2001)


Trans isulana

Bijna vier eeuwen gelden boog zich
een cartograaf over deze gravure
bekeek hem en keurde hem goed

Kende hij het verschil tussen feit en vermoeden
tussen nu en altijd, heeft hij gedacht:
ja, zo is het precies?

Ik buig mij net als hij over zijn kaart
ik zoek de plek waar ik woon.

Waar het hoofd bewoog van de cartograaf toen
zijn hand dit wereldje tekende, de riviertjes
de boompjes, ja zelfs de grassprietjes

daar zweef nu ook mijn hoofd
hoog boven het papier in de diepte
tot ik denk: ach ja, toch, hier.

Zo dichtbij en zo ver
zo van mij en zo vreemd als de huid
van de hand die het aanwijst.


Terug naar de boerderij

Toen ik begon te denken dacht ik
aan ons liggend in een weiland en
ik had weer dat onzinnige verlangen
naar de stilstaande tijd

een koe loeide maar waarom dacht ik
ze loeit alsof ze weet dat ze leeft
om te worden weggevoerd

een hond blafte toen de avond begon
te vallen maar waarom dacht ik hij blaft
alsof hij weet dat wij niet terugkomen

waarom gebeurt alles en dacht ik
alles gebeurt maar één keer en de eerste
keer is altijd de laatste

niet omdat er antwoorden zijn lag ik
naast je te vragen maar omdat we daar lagen
en ik niet terug wilde naar de boerderij


De chemie van de ziel

De oudste geleerden al dachten dat
wij worden bewoond door de ziel

ergens moest ons lichaam zijn wat
het was maar dat tegelijkertijd ook niet zijn
iets onvoorstelbaar anders

harde wetenschap heeft nu laten zien
dat dit inderdaad zo is

met de mooiste machines is er gekeken
waar en wanneer onze moleculen veranderen
in zoiets vluchtigs als bijvoorbeeld
een gelukkige herinnering

en waar en wanneer die herinnering
weer in de moleculen verdwijnt
op dezelfde plek op hetzelfde moment

en jawel: de beeldschermen bleven leeg
en de printers zwegen – duidelijker
bewijs is er niet.


uit Een man in de tuin (2004):


Boomgaard

Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze
gemaakt zijn – en zo is het met alles in de wereld
niets weet waarvoor het er is
en ook wij weten het niet

ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe
woorden voor vogels, bomen, gras, voor wat er is daar
daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf
heeft geen betekenis

in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor
iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte

en langzaam begin ik te voelen en te denken
dat ook de boomgaard daarnaar zoekt – dat wij
hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik


Mooie gesprekken / 1 – Over de ziel

Dat de ziel het lichaam verlaat bij het sterven
daarover bestaat geen twijfel – waarom immers
zou de ziel willen blijven

maar waar hij heen gaat is onzeker

iemand van ons meende dat hij nergens heen gaat
want hoe zou hij zonder lichaam kunnen bestaan

iemand dacht dat hij naar een ander lichaam zou
kunnen verhuizen, hij moet toch ergens heen

iemand veronderstelde dat hij teruggaat naar waar
hij vandaan kwam voordat hij een lichaam nodig had

en natuurlijk was er ook iemand in het gezelschap
die zei dat er volgens hem meer aan de hand was
dat er zijns inziens nog iets was blijven liggen
dat achter iedere vraag een andere vraag schuilt

en ik – ik begon hevig te verlangen naar
de troost van een sigaret


Mooie gesprekken / II – De mens in de mens

Ten slotte kwam het gesprek op het mooiste
voorbeeld van vereniging van materie en geest
geest en materie: de mens inderdaad
we hadden gedronken natuurlijk

iemand bekende dat hij in de mens toch
eigenlijk altijd ergens de mens probeerde
te vinden, daar ging het hem om
of we hem konden volgen

het was al laat maar we probeerden niet
al te hard te lachen – hij leek het te menen

iemand vroeg zich toen af of de mens kleiner
zou kunnen zijn dan zichzelf en zo ja
waar de mens dan moest worden gezocht

iemand overwoog de mogelijkheid dat de mens
even groot zou kunnen zijn als hij of zij zelf
en dat zoeken dus overbodig zou zijn

iemand meende dat wat je zelf niet bent – alles
om je heen dus – in je hoofd zit en dat je
dat ook bent: de mens is daardoor groter
dan zichzelf en dus onvindbaar

en zo waren er nog meer dingen
maar die waren niet onbegrijpelijk genoeg
om hier te noemen

misschien is de mens alleen maar een woord
en zelfs dat niet


Raveel II

Zoals je tijdens het denken kunt weten
dat je aan niets denkt

en zoals je tijdens het kijken kunt zien
dat je niets ziet

zo kunnen er in zijn beelden gaten vallen
in een weiland een mens een huis

witte gaten waarin je ziet dat we van de dingen
niet weten hoe ze zijn

ziet dat de echte wereld een gat is
een wit gat

zo wil ik dat gedichten de gaten laten zien in
de taal waar voor de dingen geen plek is


Raveel V

Ik las dat de werkelijkheid niet bestaat

er stond: de dingen zijn niet zoals ze lijken
te zijn – maar ze zijn ook niet anders

vreemde uitspraken die ik niet kan vergeten
ik blijf zoeken naar hun waarheid

en soms vind ik die – in zijn beelden
een onbegrijpelijke waarheid


Zelfportret

Je ziet een man in de tuin
hij lijkt verzonken in zichzelf

die man ben ik, ik weet het
maar als je lang kijkt naar een foto
van jezelf verval je in gepeins –
wie je bent en wie je bedoelt
als je ik zegt, enzovoort

ik kijk en kijk in dat gezicht
en inderdaad – ben ik dat?

over het ik is veel nagedacht
ook door mij, maar de meningen
lopen nog steeds ver uiteen
ook die van mij – zoals dat gaat
met woorden die niet kunnen
worden begrepen

niemand heeft ooit zichzelf gezien
maar het verlangen blijft
naar het onzichtbare ik

je zoekt in wat er van je
overbleef een man in de tuin


Plek

De plek waar je woonde opzoeken
zien dat het huis weg is – afgebroken
en toch blijven zoeken

denken hier is het nog
weten dat het niet waar is
en toch denken hier is het

je loopt door de hal de gang in
de trap op naar je kamer
en je voelt de wind door je heengaan

in deze ruimte heb je geleefd –
alles kun je denken


Stroomdal – III

Ik kijk en het is alsof ik mijn lichaam verlaat
als je ziet dat alles is zoals het is
meer niet – je lichaam wordt een verlaten plek

het landschap met de rivier doortrekt me
en laat me achter, zonder een gevoel, zonder
een gedachte – het laat me weten
hoe overbodig ik ben

ik zit hier, zie dit en vergeet dit, hetzelfde moment
ik ben alleen en niemand weet waar ik ben
en wat ik zie, ook ikzelf niet


Stroomdal – X

Het landschap met de rivier strekt zich
voor mij uit, de weilanden worden meegenomen
door de rivier naar waar mijn ogen
hen moeten loslaten

ze keren onveranderd terug aan mijn voeten

er is geen verschil tussen weggaan en terugkeren
er is hier niets afgegaan, niets bijgekomen
er is hier niets gebeurd

al die jaren dat ik hier zat te kijken heb ik
gezien hoe het bekende onzichtbaar veranderde in
het onbekende, en daaruit terugkeerde


Stroomdal – XI

Al die jaren dat ik zat te kijken
op het terras aan de rivier
dacht ik: zoals hier, zo moet het zijn

niets ontbreekt, niets is overbodig
het is te eenvoudig om te begrijpen
te vanzelfsprekend om te beschrijven
zo ligt het daar

het landschap met de rivier
ik zal het nooit kennen


uit Toen ik dit zag (2008):


Wat is poëzie

In de verte groeit het geruis
van een trein

stop zegt ze en
ze zet de recorder uit

door de ramen stroomt steeds meer
zwart licht de kamer in

is er zoiets als zwart licht
zit ik te denken

de trein is voorbij en uit de verte
nadert ons langzaam stilte

is er zoiets als een stilte die
kan naderen denk ik

nog één vraag zegt ze
en ze start de recorder

poëzie wat is dat – eigenlijk
ze beweegt de microfoon naar mijn gezicht

ik begin te denken tot ik
aan een schilderij denk van Magritte

een wolk in de vorm van een rotsblok
een rotsblok in de vorm van een wolk

ze zweven samen boven een landschap
is dit een antwoord vraag ik


uit Aan het grensland (2009):


Gesprek

Ze kijkt me vragend aan
je zwijgt zegt ze en waarover

inderdaad waarover zwijg ik
en ik begin te zoeken naar een antwoord

ik kijk voorbij haar gezicht
naar de muur en van de muur
naar het raam en van het raam
naar mijn handen in mijn schoot
en weer terug naar haar gezicht

ze kijkt mij nog steeds aan
ik hoor de stilte in haar kamer

ik zou willen zeggen dat ik zwijg
over mijzelf want ik weet niet
wie dat is


Aan het grensland II

Je kijkt in je hoofd en daar ligt het land
waar je vandaan komt en nooit meer naar terugkeert

je ziet de psalm uit je jeugd met de weiden
de waatren het vee – ja dit is het grensland

daarachter moet het zijn wat er was voor je er zelf was
het onzichtbaarste het vroeger dan vroegste

je verlangt naar een wat naar een waar
iets misschiens iets dat je nooit hebt begrepen

je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles
wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn

wat ze lijken te zijn en dat er niets
valt te begrijpen


Aan het grensland III

Je kijkt over het land en je noemt het
het grensland maar dit land heeft geen naam

je denkt dat het land daar voor jou bedoeld is
maar je weet het is voor niemand bedoeld

je wilt dat dit land er altijd al was
er altijd zal zijn maar er is geen altijd

je weet het toeval heeft je gemaakt en breekt je
ergens weer af waar en wanneer in dit land

je leest: dit uitzicht is het geval
en: het geheim van de wereld is het zichtbare

niet het onzichtbare