Samuel Beckett

‘Want niets weten is niets, niets willen weten is evenmin iets, maar niets kunnen weten, weten niets te kunnen weten, zo treedt de vrede binnen in de ziel.’ Citaten van de Ierse absurdistische (toneel)schrijver en dichter Samuel Beckett.

Inleiding, titels en redactie: Hans van Dam.

Dwaalgids > Belletrie > Samuel Beckett


De bodemloze bucket van Samuel Beckett

Samuel Beckett is de twintigste-eeuwse auteur van ontstellende toneelstukken als Wachten op Godot en dito boeken als de trilogie Molloy, Malone sterft en Naamloos die ooit grote indruk op mij maakte. Hij schrijft niet over niet-weten in spirituele zin maar wel vanuit dezelfde vervreemding en verbijstering waarvan een spiritueel niet-weten een van de mogelijke resultaten lijkt te zijn.

samuel beckett 1920s round horn rim glasses

In 1937, op 32-jarige leeftijd, helemaal aan het begin van zijn carriëre, schrijft Samuel Beckett in een brief:

‘Het wordt voor mij werkelijk steeds moeilijker, en zinlozer ook, om fatsoenlijk Engels te schrijven. En steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken. Grammatica en stijl. Ze lijken me net zo aftands geworden als een biedermeier badpak of de onverstoorbaarheid van een gentleman. Een vermomming. Hopelijk komt er een tijd, en godzijdank is die in zekere kringen al gekomen, waarin de taal juist daar het beste wordt gebruikt, waar ze flink wordt misbruikt. Aangezien wij haar niet op slag kunnen uitschakelen, dienen we in ieder geval niets na te laten dat haar in diskrediet kan brengen. Het ene gat na het andere boren, tot wat zich achter haar verschuilt, iets dan wel niets, begint door te sijpelen – ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen verhevener doel voorstellen.’ (Bzzlletin 193, p35)

Als we dit als een intentieverklaring van Beckett’s kunstenaarschap opvatten dan rijst de vraag of hij erin geslaagd is die sluier inderdaad te verscheuren om vast te stellen of er iets achter zit, en zo ja, wat.

Voor een antwoord gaan we te rade bij de laatste tekst die Beckett ruim een halve eeuw later op schrift zal stellen, zowel in het Frans als in het Engels, getiteld Comment dire respectievelijk What is the word, door mij vertaald als Hoe heet het (zie onder). ‘Waanzin,’ verklaart hij aan het eind van deze tekst aan het eind van zijn leven, ‘om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks… wat… hoe heet het… hoe heet het’:

Hoe heet het

waanzin…
waanzin om te…
om te…
hoe heet het…
waanzin om hieruit…
al dit…
waanzin om uit dit alles…
gegeven…
waanzin om gegeven dit alles…
gezien…
waanzin om gezien dit alles…
dit…
hoe heet het…
dit dit…
dit dit hier…
al dit dit hier…
waanzin om gegeven dit alles…
gezien…
waanzin om gezien dit dit alles hier…
om te…
hoe heet het…
zien…
een glimp opvangen…
op schijnen te vangen…
op te schijnen willen vangen…
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen…
van wat…
hoe zeg je dat nou…
en waar…
waanzin om een glimp op te schijnen willen vangen van wat en waar…
waar…
hoe heet het…
daar…
daarginds…
daar daarginds…
ver weg…
ver weg helemaal daarginds…
ver weg helemaal daarginds nauwelijks…
wat…
hoe heet het…
gezien dit alles…
al dit dit…
al dit dit hier…
waanzin om te zien wat…
een glimp opvangen…
op schijnen te vangen…
op te schijnen willen vangen…
ver weg helemaal daarginds van wat nauwelijks…
waanzin om ver weg daarginds een glimp op te schijnen willen vangen van wat nauwelijks…
wat…
hoe heet het…

hoe heet het

(brontekst: Comment dire / What is the word
auteur: Samuel Beckett
publicatie: Bzzlletin 193
vertaling: HvD)

samuel beckett oud

Of het waanzin was durf ik niet te zeggen. Wat mij verbaast is dit: waarom ging de grote Ierse absurdist er, voor zover ik kan nagaan tenminste, van begin tot eind van uit dat zijn speurtocht hem hetzij iets, hetzij niets zou opleveren? Nog steeds de betovering van de taal met haar overwegend tweewaardige logica – ja of nee, zwart of wit, juist of onjuist, waar of onwaar, jij of ik, levend of dood, aards of heilig, goed of kwaad, eindig of oneindig, relatief of absoluut, voor of tegen, dwaas of wijs, heten of niet heten, iets of niets? Waarom geen iets-en-niets of iets-noch-niets bijvoorbeeld, om er eens een vierwaardige logica tegenaan te gooien?

Maar logica blijft logica, hoe waardig ook. Onderscheidingen blijven onderscheidingen, grenzen blijven grenzen, hokjes blijven hokjes. Wat te denken van een vijfde optie, buiten iedere logica om en zo mogelijk nog onvoorstelbaarder, nog onbeschrijflijker dan Beckett’s ‘hoe heet het’?

Ik doel op een mateloos niet-weten. Waarin de verbijstering niet blijft kwellen en ook niet tot een oplossing komt, maar tot een climax, een toppunt, een plafond. En in dat maximum, bij gebrek aan fluctuaties, tot rust. Een zielenrust in het oog van de verbijstering zelf. Innerlijke vrede in een grenzenloos niemandsland waar iedereen mag komen maar niemand beslag op kan leggen. Een geestelijke ontspanning die dieper en bestendiger is dan je ooit voor mogelijk had gehouden. Waarin de gaten die je in de taal boort – of de taal in jou – niet dienen om ‘iets’ of ‘niets’ of ‘iets en niets’ of ‘iets noch niets’ of welk ‘weten’ of ‘niet-weten’, hoe ‘gematigd’ of ‘mateloos’ ook, binnen te laten sijpelen, maar om al je gedachten, begrippen, grenzen, hokjes, verklaringen, duidingen, antwoorden en vragen onophoudelijk weg te laten sijpelen. Als vanzelf. Zonder uitzondering. Deze ook.

Ik kan me voor de tegenwoordige schrijver geen mooier tijdverdrijf voorstellen.


Uit Molloy / Malone sterft / Naamloos, Samuel Beckett, De Bezige Bij, 1992:


Wat te doen

Hij ziet er oud uit en het is meelijwekkend hem helemaal alleen te zien, nadat hij zoveel jaren, zoveel dagen en nachten was overgeleverd aan het rumoer dat opklinkt bij de geboorte en zelfs daarvoor, aan dat onverzadelijke: Wat te doen? Wat te doen? Nu eens zacht, een gemurmel, dan weer duidelijk als het: En wat zal u erbij drinken? van de ober en dikwijls aanzwellend tot een gebrul. (12)


Vrij

En ik ben opnieuw, ik wil niet zeggen alleen, nee, dat ligt niet in mijn aard, maar hoe moet ik het zeggen, ik weet het niet, weergekeerd tot mezelf, nee, ik heb me nooit van mezelf afgekeerd, vrij, dat is het, ik weet wel niet wat het zeggen wil, maar dat is het woord dat ik wil gebruiken, vrij om iets te doen, om niets te doen, om te kennen, maar wat? De wetten van de geest misschien, van mijn geest, dat bij voorbeeld water hoger stijgt naarmate men er zich verder in onderdompelt en dat men er beter, in elk geval evengoed aan zou doen de teksten uit te wissen dan de kantlijnen zwart te maken, ze op te vullen tot alles blank en glad is en de hele zwijnerij zijn ware gedaante toont, uitzichtloos en zonder uitweg. (15)


Toverformule

Wat de bijzonderheden aangaat, als men zich voor bijzonderheden interesseert, is er geen reden tot wanhoop, tenslotte kan men op de juiste manier op de juiste deur kloppen. Alleen voor het geheel schijnt geen toverformule te bestaan. (31)


Hoe zal ik het zeggen

Want een menselijk wezen introduceren, een plaats, bijna had ik gezegd een bepaald uur, maar ik wil de gevoelens van niemand kwetsen en deze dan later niet meer gebruiken, dat ware, hoe zal ik het zeggen, ik weet het niet. Niet willen zeggen, niet weten wat men zeggen wil, niet in staat zijn te zeggen wat men denkt dat men wil zeggen en nooit of bijna nooit ophouden te spreken, dat is iets wat men in de ijver van het formuleren nooit uit het oog moet verliezen. (31)


Zonder naam

Het is moeilijk om te zeggen, voor mij. En zo was het bewustzijn van mijn eigen ik ook gehuld in een vaak moeilijk te doordringen anonimiteit, zoals we naar ik meen juist hebben gezien. Enzovoort voor alle andere dingen die de spot dreven met mijn zintuigen. Ja, zelfs in die tijd, toen alles al aan het vervagen was, alle golven en deeltjes, behoorde het tot het wezen der dingen zonder naam te zijn en omgekeerd. Ik zeg dat nu, maar wat weet ik nu eigenlijk af van die tijd, nu de zinloze, bevroren woorden op mij neer hagelen en ook de wereld sterft, laaghartig en laf met name genoemd? Alles wat ik ervan weet, is wat de woorden weten en de dode dingen, en bij elkaar is dat aardig wat, met een begin, een midden en een eind, zoals in de goedgebouwde zin en in de lange sonate der lijken. En of ik nu dit zeg of dat of iets anders, komt er werkelijk weinig op aan. (35)


Naar de weerlicht ermee

Spreken is uitvinden. Fout, en terecht fout. Men vindt niets uit, men denkt iets uit te vinden, te ontsnappen en alles wat men doet is zijn lesje stotteren, de brokstukken van een eens uit het hoofd geleerd pensum, het leven zonder tranen, zoals men het beweent. Naar de weerlicht ermee. (36)


Om de waarheid te zeggen

Maar om de waarheid te zeggen (om de waarheid te zeggen!) ben ik nooit erg besluitvaardig geweest, ik bedoel bereid tot het nemen van besluiten, maar eerder geneigd me blindelings in de drek te storten, zonder te weten wie op wie scheet, noch aan welke kant ik me het beste kon schuilhouden. Maar ook van deze neiging had ik weinig plezier en als ik er nooit volkomen van genezen ben, is dat niet omdat de wil daartoe me ontbrak. Het schijnt zo te zijn dat het beste wat men kan hopen is aan het eind een beetje minder degeen te zijn die men in het begin en in het midden was. (36)


Goddelijke analyse

En ik wil niet afstappen van dit onderwerp, waarop ik waarschijnlijk nooit de gelegenheid zal hebben terug te komen, zozeer pakken de wolken zich samen, zonder gewag te hebben gemaakt van het merkwaardige feit dat het me vaak overkwam, in de tijd dat ik nog sprak, te veel te hebben gezegd, terwijl ik meende te weinig te hebben gezegd en te weinig te hebben gezegd, terwijl ik meende te veel te hebben gezegd. Ik bedoel dat bij nader inzien of liever op den duur mijn overvloed van woorden armoedigheid bleek te zijn en omgekeerd. Merkwaardige omkering, nietwaar, bewerkstelligd door het verloop van de tijd alleen. Anders uitgedrukt, wat ik ook zei, het was nooit genoeg, noch weinig genoeg. Ik zweeg niet, dat is het, wat ik ook zei, ik zweeg niet. Goddelijke analyse, moge ze u helpen uzelf te leren kennen en uw gelijken, als u die mocht hebben. (38)


Tot de wormen

Mijn leven, mijn leven, nu eens spreek ik erover als iets dat voorbij is, dan weer als over een grap die nog voortduurt en daaraan doe ik verkeerd, want het is voorbij en duurt tegelijkertijd voort, maar door welke werkwoordsvorm is dat uit te drukken? Een klok die de klokkenmaker opwindt en begraaft, alvorens te sterven, waarvan het verwrongen binnenwerk op een dag zal spreken van God, tot de wormen. (40)


De maan

Want de maan ging van links naar rechts of de kamer ging van rechts naar links of misschien allebei tegelijk of ze gingen allebei van links naar rechts, alleen de kamer minder snel dan de maan of van rechts naar links, alleen de maan minder snel dan de kamer. (44)


Zijn

Vervolgens heb ik me korte tijd verveeld met de antropologie en met andere gebieden, zoals de psychiatrie, die ermee samenhangen, er dan weer niet mee samenhangen en er dan opnieuw mee samenhangen volgens de laatste ontdekkingen. Wat ik in de antropologie waardeerde, was haar kracht der negatie, haar hardnekkigheid de mens, in navolging van God, te definiëren in termen van wat hij niet is. Maar ik heb in dit opzicht altijd zeer verwarde opvattingen gehad, daar ik de mensen slecht ken en niet precies weet wat dat zeggen wil: zijn. (44)


Deze dingen

Want hoe eindigen deze woestenijen waartoe het ware licht nooit is doorgedrongen, waarin niets recht staat of waarlijk gefundeerd is, maar waar alles zich kromt en afglijdt tot een eindeloze ineenstorting, onder een hemel zonder herinnering aan de ochtend en zonder hoop op de avond. Deze dingen, welke dingen, vanwaar gekomen, vanwaar gemaakt? (45)


Van mesthoop veranderen

Want alle dingen hangen samen, door de werking van de Heilige Geest, zoals men zegt. En als ik deze omstandigheid niet op de juiste plaats heb vermeld, dan komt het omdat men niet alles op de juiste plaats kan vermelden, maar moet kiezen tussen dingen die het vermelden niet waard zijn en dingen die dat nog minder zijn. Want als men alles wilde vermelden, dan kwam men nooit aan een einde, en daar gaat het maar om, eindigen, aan een einde komen. O, ik weet het wel, zelfs als men slechts enkele van de dingen vermeldt die zich voordoen, dan komt men evenmin aan een einde, ik weet het, ik weet het. Maar men verandert van mesthoop. (46)


Naar de afwezigheid

Ja, het overkomt me, en het zal me opnieuw overkomen, dat ik vergeet wie ik ben en voor mijn eigen ogen als een vreemde voorbijga. Dan zie ik de hemel anders dan hij is en ook de aarde neemt valse kleuren aan. Het is of ik uitrust, maar dat is niet zo, ik duik tevreden in het licht der anderen, dat vroeger het mijne geweest moet zijn, ik spreek het niet tegen, dan komt de angst van de terugkeer, ik zal niet zeggen waarheen, dat kan ik niet, naar de afwezigheid misschien, men moet daarheen terugkeren, dat is alles wat ik weet, het is niet goed er te blijven, het is niet goed haar te verlaten. (47)


Principes

En als ik over principes spreek, terwijl er geen is, kan ik er niets aan doen. Trouwens, hoe weet je of je je eraan houdt of niet? En hoe breng je de lust op het te weten te komen? Nee, dat alles is niet de moeite waard erbij stil te staan, en toch staat men erbij stil, daar alle zin voor woorden is verdwenen. (51)


Doos

Maar daar binnen moet men voorzichtig zijn, zich vragen stellen, zoals bij voorbeeld of men nog steeds leeft en zo niet, wanneer het afgelopen was en zo ja, hoe lang het nog duren zal, alles om maar te verhinderen dat je de draad van de droom kwijtraakt. (55)


Nadenken

Ik stelde mezelf graag vragen, de ene na de andere, alleen ter wille van de bespiegeling. Nee, niet graag, maar uit wijsheid, om te kunnen geloven dat ik er nog altijd was. En toch betekende het niets voor me er nog altijd te zijn. Ik noemde dat: nadenken. Ik dacht bijna zonder ophouden, ik durfde niet op te houden. (55)


Maar waarin?

Tja, de woorden die ik hoorde en ik hoorde ze duidelijk want ik heb een goed gehoor, die hoorde ik de eerste keer en ook de tweede keer en zelfs de derde keer, zuiver als geluiden, zonder enige betekenis en dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom iedere conversatie onzegbaar moeilijk voor me was. En de woorden die ik zelf uitsprak en die bijna altijd moesten samengaan met een inspanning van de geest, kwamen me dikwijls voor als het gezoem van een insect. En dat verklaart waarom ik zo weinig spraakzaam was, de moeite die ik had niet alleen te begrijpen wat anderen mij zeiden, maar ook wat ik hun zei. Het is waar dat men elkaar met veel geduld tenslotte begreep, maar waarin begreep men elkaar, vraag ik u, en met welk resultaat? (55)


Het principe van de reclame

Maar het is niet nodig op deze periode van mijn leven nader in te gaan. Als ik lang genoeg voortga dat mijn leven te noemen, ga ik het tenslotte nog geloven. Dat is het principe van de reclame (59)


Algemene ideeën

Ik rommelde onverschillig in de vuilnis rond en dacht waarschijnlijk, want op die leeftijd moet ik nog algemene ideeën hebben gehad: ziedaar mijn leven. (63)


Echte cijfers

Maar gedurende een bepaalde tijd boezemde het me een soort verering in, geloof ik, want ik wist zeker dat het geen voorwerp van waarde was, maar dat het een zeer bijzondere functie had die altijd voor mij verborgen zou blijven. Daarom kon ik het eindeloos en zonder gevaar onderzoeken. Want niets weten is niets, niets willen weten is evenmin iets, maar niets kunnen weten, weten niets te kunnen weten, zo treedt de vrede binnen in de ziel van de niet weetgierige zoeker. Dan begint het echte delen, van tweeëntwintig door zeven bij voorbeeld, en dan vullen de bladzijden zich eindelijk met echte cijfers. Maar ik wil over dit onderwerp liever niets met zekerheid zeggen.(70)


Een plaatje

En als ik mijn handen bekijk, op het laken, waarvan ze reeds graag vlokken plukken, dan zijn die niet van mij, minder dan ooit van mij, ik heb geen armen, ze zijn een plaatje, ze spelen met het laken, een liefdesspel misschien, ze willen misschien gaan liggen op elkaar. (73)


Mijn enige verontschuldiging

Maar om u een idee te geven hoe groot mijn verwarring was waar het de dood betrof, moet ik u eerlijk zeggen dat ik de mogelijkheid niet uitsloot, dat deze als toestand nog erger was dan het leven. Daarom vond ik het normaal me er niet overhaast in te storten en toen ik eens zover ging daartoe een poging te doen, er tijdig mee op te houden. Dat is mijn enige verontschuldiging. (75)


Voorgevoelens

Maar ik kan geen wijs worden uit dit voorgevoel en ik geloof dat dit het geval is met de meeste voorgevoelens, dat men er geen wijs uit kan worden. Dan is het dus misschien een echt voorgevoel, dat uit zou kunnen komen. Maar kan men beter wijs worden uit valse voorgevoelens? Ik geloof van wel, ja, ik geloof dat alles wat vals is gemakkelijker kan worden herleid tot duidelijke en aparte begrippen. Maar ik kan me vergissen. Maar ik was geen man voor voorgevoelens, maar gewoon voor gevoelens, voor gevoelens achteraf, als ik het zo mag zeggen. Want ik wist van tevoren, wat alle voorgevoelens overbodig maakt. Ik zal zelfs verder gaan (wat heb ik te verliezen?), ik wist alleen van tevoren, want als het ogenblik kwam wist ik niet meer, dat is u misschien opgevallen of alleen na een bovenmenselijke inspanning en naderhand wist ik weer niets meer, ik hervond de onwetendheid. (90)


Imperatieven

Maar met de imperatieven staat het een beetje anders, ik heb altijd de neiging gehad ze te gehoorzamen, ik weet niet waarom. Want ze hebben me nooit verder gebracht, maar me altijd weggerukt van plaatsen waar ik, zonder me beter te voelen, me niet slechter voelde dan ergens anders, en dan verstomden ze en lieten me alleen in mijn nood. Ik kende ze dus, mijn imperatieven, en toch gehoorzaamde ik ze. Het was een gewoonte geworden. (95)


Als een dwaas

Ja, deze imperatieven waren tamelijk duidelijk en zelfs gedetailleerd, tot op het ogenblik waarop ze, na me op gang te hebben gebracht, begonnen te stotteren, alvorens geheel en al te verstommen en me achter te laten als een dwaas die niet weet waar hij heengaat noch waarom hij erheen gaat. (95)


Liegen of zwijgen

En iedere keer dat ik zeg: Ik zei dat en dat of dat ik spreek over een innerlijke stem die me zei: Molloy, en dan een mooie min of meer duidelijke zin of dat ik me verplicht voel aan derden begrijpelijke woorden toe te schrijven of dat er ter attentie van een ander min of meer behoorlijk gearticuleerde geluiden uit mijn mond komen, dan onderwerp ik me slechts aan de eisen van een conventie die wil dat men liegt of zwijgt. (96)

Onbegrijpelijke geest, soms zee, soms baken. (117)


Niet voldoende

Hij dacht erover na en kwam tot verbazingwekkend onjuiste gevolgtrekkingen. Ja, het was hem niet voldoende dat hij er niets van begreep, hij moest ook nog geloven dat hij er alles van begreep. (117)


Dat vraagt men niet

Alles is duister, maar van de eenvoudige duisternis die volgt op de grote verbrokkeling. Massa’s komen in beweging, naakt als wetten. Te weten waaruit ze bestaan, dat vraagt men niet. (122)


Nevel der verschijnselen

Het bloed stroomt weg uit mijn hoofd, van alle kanten overvalt me het lawaai van dingen die elkaar vermijden, zich verenigen, in stukken vliegen; vergeefs zoeken mijn ogen twee dingen die hetzelfde zijn, elk plekje van mijn huid schreeuwt een andere boodschap, ik verdrink in de nevel der verschijnselen! Ten prooi aan dergelijke gevoelens, waarvan ik gelukkig weet dat ze ingebeeld zijn, moet ik leven en werken. Aan hen dank ik dat ik een zin in het leven vind. Zoals hij die door een plotselinge pijn ontwaakt. Hij verstijft, houdt de adem in, wacht, zegt: Het is een boze droom, of: Het is een beetje zenuwpijn, haalt diep adem en slaapt nog sidderend weer in. (122)


Taalvergrijp

Woede bracht me soms tot lichte taalvergrijpen. Ik kon er geen spijt over hebben. Het scheen me toe dat alle taal een taalvergrijp was. (128)


Niets is werkelijker dan niets

Ik ken deze kleine zinnetjes die zo onschuldig lijken en die, als je ze allemaal laat staan, een hele taal kunnen verpesten. Niets is werkelijker dan niets. Ze komen uit de diepte en rusten niet voor ze je er ingetrokken hebben. (209)


Leven

Leven. Ik spreek erover zonder te weten wat het zeggen wil. Ik heb geprobeerd te leven zonder te weten wat ik probeerde. Misschien heb ik tenslotte toch geleefd, zonder het te weten. Ik vraag me af waarom ik over dit alles spreek. O ja, om me te verstrooien. Leven en laten leven. Niet meer de moeite de woorden aan te klagen. Ze zijn niet holler dan wat ze overbrengen. (212)


Diepzinnigheid

Er zijn velerlei vormen waarin het onveranderlijke zich troost vormeloos te zijn. O ja, ik ben altijd geneigd geweest tot diepzinnige gedachten, vooral in het begin van het jaar. Deze kwelde me al sinds enkele minuten. Ik waag het te hopen dat er niet meer zullen komen, van een dergelijke diepzinnigheid. (215)


Hoe zulke wezens mogelijk zijn

Ja, ik verlaat mijn geluk en keer ook terug naar de mensen, die komen en gaan, dikwijls met een zware last. Misschien heb ik ze verkeerd beoordeeld, maar dat geloof ik niet. Ik heb ze helemaal niet beoordeeld. Ik wil alleen een laatste keer proberen te begrijpen, beginnen te begrijpen, hoe zulke wezens mogelijk zijn. Nee, het is geen kwestie van begrijpen. Van wat dan wel? Ik weet het niet. (216)


Orde der dingen

Dat moet in de orde der dingen liggen, alles wat me overkomt moet daarin opgetekend zijn, mijn onvermogen te begrijpen welke orde bedoeld wordt incluis. Want ik heb er nooit een gezien, noch binnen mij noch buiten mij. Ik heb vertrouwd op de schijn, al meende ik dat die vals was. Ik zal niet in bijzonderheden treden. Lucht happen, zinken, weer boven komen, lucht happen, veronderstellen, ontkennen, bevestigen, ontkennen. (228)


Al dood

En natuurlijk ontgaat me ook de mogelijkheid niet, hoe teleurstellend die ook zijn moge, dat ik al dood ben en dat alles ongeveer doorgaat zoals in het verleden. (239)


De ziel verblinden

En als ik de ogen sluit, werkelijk sluit, zoals de anderen het niet kunnen, maar zoals ik het kan, want mijn onmacht heeft grenzen, dan stijgt mijn bed soms op en zweeft door de lucht, een speelbal van de wervelwinden, als een strohalm, en ik erin. Het is gelukkig geen kwestie van oogleden, maar het is als het ware de ziel die men moet verblinden, die ziel die men tevergeefs ontkent, die waakzaam, loerend, onrustig in zijn kooi rondloopt als een lantaarn in de nacht zonder havens of schepen of begrip. (241)


Illusies

En ik verheugde me ook, onafhankelijk van het schouwspel, bij de gedachte dat ik nu wist wat me te doen stond, ik die mijn leven lang heb rondgetast en wiens onbeweeglijkheid ook een soort rondtasten was, ja ik heb heel veel stokstijf rondgetast. Waarbij ik me natuurlijk weer illusies maakte, ik bedoel door te denken dat ik nu eindelijk een helder inzicht had in mijn belachelijke beslommeringen, maar toch niet in die mate dat ik me er nu enige zelfverwijt over kan maken. Want terwijl ik zei, Wat is alles eenvoudig en mooi! zei ik tegelijkertijd, Alles zal opnieuw duister worden. (243)


Zoveel bogen en nooit een pijl

Ik sprak dus over mijn kleine verstrooiingen en wilde geloof ik gaan zeggen dat ik er beter aan deed me daarmee tevreden te stellen in plaats van me in die stomvervelende verhalen te storten over leven en dood, als daarvan tenminste sprake is, en ik veronderstel van wel, want er is nooit ergens anders sprake van geweest, voor zover ik me herinner. (244)
Maar te zeggen waarover het nu precies gaat, daartoe zou ik niet in staat zijn op het ogenblik. Het is vaag, leven en dood. Ik heb er mijn eigen kleine idee over moeten hebben, toen ik begon, anders zou ik niet begonnen zijn, ik zou me kalm gehouden hebben, ik zou me rustig verder dood hebben verveeld […] tot iemand zo vriendelijk zou zijn me te komen kisten. Maar het is me ontschoten, mijn kleine idee. Dat doet er niet toe, Ik heb al weer een ander. Het is misschien hetzelfde, ideeën lijken zoveel op elkaar, als je ze eenmaal kent. Geboren worden, dat is nu mijn idee, dat wil zeggen lang genoeg leven om te weten te komen wat vrij carbonisch gas is, en er dan verder voor bedanken. Dat is in de grond altijd mijn droom geweest. Alle dingen die in de grond altijd mijn droom zijn geweest. Zoveel bogen en nooit een pijl. (244)


Het doet er niet toe

Het doet er trouwens weinig toe of ik geboren ben of niet, of ik geleefd heb of niet, of ik dood ben of alleen maar stervende, ik zal doen zoals ik altijd heb gedaan, niet wetend wat ik doe, wie ik ben, waar ik ben, of ik ben. (245)


Waarheen, waarvoor

Zo haasten paard, koetsier en passagier zich naar de opgegeven plaats, langs de kortste weg of langs omwegen, door het gedrang van andere mensen die op de verkeerde plaats zijn. En elk heeft zijn redenen, al vraagt hij zich van tijd tot tijd af wat die waard zijn, en of het de juiste zijn, om eerder daarheen te gaan waar hij heen gaat dan ergens anders heen, of nergens, en die van het paard zijn nauwelijks duisterder dan die van de anderen, hoewel het vaak pas weet waar het heengaat als het aangekomen is, en zelfs dan nog niet altijd. (251)


Andere plaatsen

Maar men zou er verkeerd aan doen te geloven dat hij zich nooit meer zal verroeren, dat hij nooit meer van plaats of houding zal veranderen, want hij heeft de hele ouderdom nog voor zich en dan vervolgens nog dat soort epiloog waarvan men niet precies weet wat de zin ervan is en die niet veel schijnt toe te voegen aan wat reeds verworven is of ook maar iets weg te nemen van de verwarring ervan, maar die ongetwijfeld zijn nut heeft, zoals men ook hooi laat drogen alvorens het binnen te halen. Hij zal dus opstaan, of hij wil of niet, en langs andere plaatsen op een andere plaats belanden, en van daar langs weer andere op weer een andere, tenzij hij hier terugkomt, waar hij het niet al te onplezierig schijnt te vinden, maar dat weet men nooit, en zo voort, en zo voort, lange jaren lang. (252)


Bij hen die nog denken

En zonder precies te weten welke zonde hij begaan had, voelde hij heel goed dat het leven er geen voldoende straf voor was of dat deze straf op zichzelf een zonde was, die weer andere straffen vereiste, en zo voort, alsof er iets anders kon zijn dan leven, voor de levenden. En hij zou zich zeker hebben afgevraagd of men werkelijk schuldig moest zijn om gestraft te worden, als hij niet de steeds benauwender wordende herinnering had gehad erin te hebben toegestemd in zijn moeder te leven en haar te verlaten. Maar ook daarin kon hij zijn ware zonde niet zien, maar eerder nog een straf, die hij niet tot een goed einde had weten te brengen maar die, verre van hem schoongewassen te hebben van zijn zonde, hem er alleen maar dieper in had gedreven. En eigenlijk waren de begrippen van schuld en straf langzamerhand samengesmolten in zijn geest, zoals die van oorzaak en gevolg zo dikwijls zijn bij hen die nog denken. (261)


Onvermengd geluk

Want het is die mensen niet voldoende dat ze lijden, maar ze hebben warmte en kou nodig, regen en zijn tegendeel, mooi weer, en daarbij nog liefde, vriendschap, zwarte huid en seksuele en peptische onbekwaamheid bij voorbeeld, kortom de woedeuitbarstingen en razernijen, die gelukkig te talrijk zijn om op te noemen, van het lichaam waarbij inbegrepen de schedel en zijn aanhangsels, ik vraag me af wat dat zeggen wil, zoals de horrelvoet, om heel precies te kunnen weten wat durft verhinderen dat hun geluk onvermengd is. Want dat niet te weten, is iets dat men moeilijk verdraagt. (264)


Slechts een klein deel

Heb ik gezegd dat ik slechts een klein deel zeg van de dingen die me door het hoofd gaan? Dat moet ik al gezegd hebben. Ik zoek degene uit die een zekere samenhang met elkaar schijnen te vertonen. Dat is niet altijd gemakkelijk. Ik hoop dat het de belangrijkste zijn. Ik vraag me af of ik ooit op zal kunnen houden. (276)


Wegschrijven

Maar mijn aantekeningen hebben de noodlottige tendens, zoals ik eindelijk begrepen heb, alles te laten verdwijnen wat ze geacht worden te behandelen. (283)


Zelfs dat niet

Mijn moeheid moe, laatste witte maan, de enige spijt, zelfs dat niet. Dood zijn, voor haar, op haar, met haar, en draaien, als dode op dode, om de arme mensheid, en nooit meer te moeten sterven, onder de stervenden. Zelfs dat niet, zelfs dat niet eens. Mijn maan was hier beneden, hier helemaal beneden, het weinige waarnaar ik kon verlangen. En op een dag, weldra, een aardse nacht, weldra, onder de aarde, zal een stervende, zoals ik, in het licht van de aarde zeggen, Zelfs dat niet, zelfs dat niet eens, en sterven, zonder iets te hebben gevonden om spijt over te kunnen hebben. (288)


Uit Wachten op Godot (en drie romans), Samuel Beckett, 2006:


Wie nu?

Waar nu? Wie nu? Wanneer nu? Zonder het me af te vragen. Ik zeggen. Zonder het te denken. Dat vragen noemen, hypothesen. Verdergaan. Dat verder noemen. Dat gaan noemen. (327)


Andere uitvluchten

Wat te doen, wat zal ik doen, wat moet ik doen in de situatie waarin ik ben, hoe te handelen? Met zuiver aporie of met bevestigingen en ontkenningen die langzamerhand of vroeger of later krachteloos worden gemaakt? Algemeen gesproken. Er moeten andere uitvluchten zijn. (327)


Doet er niet toe

Een feit schijnt te zijn, als men in de toestand waarin ik ben nog van feiten kan spreken, dat ik niet alleen over dingen zal moeten spreken waarover ik niet spreken kan, maar ook, wat interessanter is, dat ik, wat nog interessanter is, dat ik, ik weet het niet meer, het doet er niet toe. (327, 328)


Dat is retorica

Ik heb overal gezocht. En al die vragen die ik me stel. Niet omdat ik nieuwsgierig ben. Ik kan niet zwijgen. Over mezelf hoef ik niets te weten. Hier is alles duidelijk. Nee, alles is niet duidelijk. Maar het discours moet verdergaan. Daarom verzint men duisterheden. Dat is retorica. (330)


Alsof men kon ophouden

Men begint te spreken alsof men weer kon ophouden als men wilde. Dat is goed zo. Het zoeken naar het middel de dingen tot stilstand te brengen, zijn stem tot zwijgen te brengen, is wat het discours in staat stelt voort te duren. (336)


Verdwijnen en weer beginnen

Ik hoop dat deze inleiding weldra zal eindigen […]. Helaas ben ik, zoals altijd, bang om verder te gaan. Want verdergaan betekent hier weggaan, mij vinden, mij verliezen, verdwijnen en weer beginnen […]. (340)


Spreken om niets te zeggen

Maar spreken om niets te zeggen schijnt onmogelijk, men denkt erin te slagen, maar men vergeet altijd iets, een klein ja, een klein nee, genoeg om een regiment dragonders uit te roeien. (340)


Men beeldt zich in

Vergeefs, altijd even kleingeestig, heb ik de liefde uitgevonden, de muziek, de geur van de wilde aalbes, om aan mezelf te ontsnappen. Organen, een uiterlijk, dat kan men zich makkelijk inbeelden, anderen, een God, dat is onvermijdelijk, die beeldt men zich in, dat is makkelijk, dat verzacht het allerergste, dat doet een ogenblik inslapen. Ja, God, de rustgevende, ik heb er nooit in geloofd, geen ogenblik. (343)


Niets behouden

Kan ik dan niets behouden van alles wat mijn arme gedachten gedragen heeft, onder mijn woorden gebogen is, terwijl ik me verborg? (343)


Mijn les vergeten

Onder de hemelen, op de straten, in de steden, in de bossen, in de kamers, in de bergen, in de vlakten, aan de oever van de zeeën, op de golven, achter mijn homunculussen ben ik niet altijd treurig geweest, heb ik mijn tijd verloren, mijn rechten afgezworen, geleden voor niets, ben ik mijn les vergeten. (344)


Zijn stem of de mijne

Hij was het die me verhalen over mij vertelde, voor mij leefde, uit mij wegging, naar mij terugkwam, in mij terugkeerde, mij met verhalen overlaadde. Ik weet niet hoe dat ging. Ik heb altijd liever niets geweten, maar [hij] zei me dat dat niet juist was. Hij wist ook niets, maar dat baarde hem zorgen. Het is zijn stem die zich dikwijls, altijd, vermengd heeft met de mijne, en hem soms helemaal overstemde, tot op de dag dat hij me voor altijd verliet, of me niet meer verlaten wilde, ik weet het niet. (347)


Merkwaardige taak

Merkwaardig idee trouwens, en uiterst verdacht ook, dat er een taak volbracht moet worden voor men tot rust kan komen. Merkwaardige taak, over zichzelf te moeten spreken. Vreemde hoop, gericht op stilte en vrede. Daar ik niets heb dan mijn stem, de stem, kan het natuurlijk lijken dat ik die, als het begrip verplichting eenmaal geslikt is, uitleg als een verplichting iets te zeggen. Misschien ook niet. (350)


Weg ermee

Dat hele verhaal over een taak die volbracht moet worden, voordat ik ophouden kan, over woorden die gezegd moeten worden, over een waarheid die teruggevonden moet worden, om die te kunnen zeggen, voordat ik ophouden kan, over een opgelegde, eens bekende, verwaarloosde, vergeten taak, die teruggevonden, volbracht moet worden, voordat ik kan ophouden met spreken, met luisteren, dat heb ik verzonnen in de hoop mezelf te troosten, me te helpen verder te gaan, me ergens in beweging te wanen tussen een begin en een einde, nu eens vorderend, dan weer terugkerend, dan weer uitwijkend, maar op den lange duur steeds terrein winnend. Weg ermee. (353)


Niets te zeggen

Ik heb niets te doen, dat wil zeggen, niets bijzonders. Ik moet spreken, maar dat klinkt nogal vaag. Ik moet spreken, terwijl ik niets te zeggen heb, niets dan de woorden van anderen. (353)


Lang genoeg

Lang genoeg heb ik me aangesteld als een kind dat zo vaak heeft horen zeggen dat men het in een kool had gevonden dat het zich ten slotte de plaats in de moestuin herinnert en het soort leven dat het daar leidde voor het op de wereld kwam. (365)


Alles heb ik van hen

De mensen ook, wat hebben ze met de les gelezen over de mensen, zelfs nog voor ze me erbij wilden onderbrengen. Alles waarover ik spreek, waarmee ik spreek heb ik van hen. Het is mij best, maar het dient tot niets, er komt geen eind aan. (365)


Geliefd onverstand

Geliefd onverstand, aan jou zal ik ten slotte danken mezelf te zijn. Weldra zal er niets meer over zijn van de leugens waarmee ze me hebben volgestopt. Dan zal ik eindelijk mezelf uitbraken, met de luide en reukloze oprispingen van een hongerlijder, eindigend in het coma, in een lang heerlijk coma. (366)


Opgeblazen

Ze hebben me opgeblazen met hun stemmen, als een ballon, en nu kan ik me wel ledigen, maar dan zij zij het weer die ik hoor. (366)


Bespaar me

Zal ik eindelijk mijn ware gezicht zien, badend in een glimlach? Ik heb de indruk dat dit schouwspel me bespaard zal blijven. Op geen enkel ogenblik weet ik waarover ik spreek, noch over wie, noch over wanneer, noch over waar, noch waarmee, noch waarom […]. (381)


Onderscheid

Hier zal ik me een fijn onderscheid veroorloven (ik denk nog steeds). Dat mijn heiligdom daar werkelijk staat, goed, ik denk er niet aan dat te ontkennen, het gaat me trouwens niet aan, hoewel de aanwezigheid op een dergelijke plaats, over de werkelijkheid waarvan ik al evenmin wil redetwisten, van een zo grote urn me weinig waarschijnlijk voorkomt. Nee. Ik betwijfel alleen of ik er inzit. Het is gemakkelijker een tempel te bouwen dan het voorwerp der verering erin te laten afdalen. Maar ik verwar omtrek en omgeving. Dat komt van het maken van onderscheid. (388)


Ook dat is van hen

Geloven ze dat ik geloof dat ik het ben die spreekt? Ook dat is van hen. Om me te doen geloven dat ik een eigen ik heb en erover spreken kan, zoals zij over het hunne. […] Geloven ze dat ik geloof dat ik het ben die deze vragen stelt? Ook dat is van hen. (390)


Dan doen we het zonder

Er zij dus licht, dat hoeft niet noodzakelijkerwijs een catastrofe te zijn. Of er zij geen licht, nooit, dan doen we het zonder. (409)


Wat heeft het te betekenen

Maar wat heeft het te betekenen dit niet sterven kunnen, niet leven kunnen, niet geboren kunnen worden, het moet een rol spelen, dit blijven waar men is, stervend, levend, geboren wordend, zonder vooruit of achteruit te kunnen, niet wetend waar men vandaan komt, waar men is, waar men heen gaat, of dat het mogelijk is ergens anders te zijn, anders te zijn, zonder iets te vermoeden, zonder zich iets af te vragen, men kan niet, men is er, men weet niet wie, men weet niet waar […]. (419)


Die stem

Als die stem kon ophouden, die nergens op slaat, die iemand verhindert niets te zijn, nergens te zijn, die dat slecht verhindert, net genoeg om het gele vlammetje in stand te houden dat zwakjes alle kanten uit springt, hijgend, alsof het probeerde zich van zijn pit los te rukken, men had het niet aan moeten steken, of anders had men het moeten voeden, of anders had men het moeten uitdoven […]. (419)


Deze onschuld waarin men vervallen is

[…] we zijn allen onschuldig genoeg. Onschuldig aan wat, niemand weet het precies, aan te willen weten, aan te willen kunnen, aan al dat geluid, om niets, voor niets, aan deze lange zonde tegen het zwijgen, dat iedereen omhult, men probeert niet meer te weten te komen wat het bewimpelt, deze onschuld waarin men vervallen is bewimpelt alles, alle fouten de vragen incluis, hij maakt een eind aan alle vragen. (425)


Niet het minste idee

Ik voor mij ben hoogstwaarschijnlijk niet in staat wat dan ook te wensen of te betreuren. Want het kan moeilijk zo zijn dat iemand, als ik me zo mag noemen, streeft naar een situatie waarvan hij, ondanks de enthousiaste beschrijvingen die men hem ervan heeft gegeven, niet het minste idee heeft, of dat hij ernstig de beëindiging wenst van die andere, niet minder onbegrijpelijke, welke de enige is die hem ooit geschonken werd. (426)


Dát is de voorstelling

[…] dat is de voorstelling, wachten op de voorstelling, onder het geluid van een gemurmel, men probeert redelijk te zijn, is het eigenlijk wel een stem, misschien is het de lucht, die stijgt, daalt, golft, wervelt, een uitweg zoekt, tussen de obstakels, en waar zijn de anderen, de andere toeschouwers, men had niet gemerkt, in de spanning van het wachten, wat men alleen wacht, dat is de voorstelling, alleen wachten, in de wervelende lucht, tot het begint, tot er iets begint, tot men iets anders vindt dan zichzelf, tot men weg kan gaan […]. (433)


Nergens aan toe

Het is inderdaad zo dat ze niet meer weten waar ze aan toe zijn, waar ik aan toe ben, ik heb het nooit geweten, ik ben daaraan toe waar ik altijd aan toe ben geweest, ik weet niet waaraan dat is en ik weet niet wat dat aan toe betekent, een soort proces zeker, waarin ik verwikkeld zou zijn, of waaraan ik nog niet ben begonnen, ik ben nergens aan toe […]. (435)


Zomaar iets

[…] men vertelt zichzelf verhalen, dan vertelt men zich zomaar iets, en men zegt, Het zijn geen verhalen meer, terwijl het nog altijd verhalen zijn, of liever, er zijn nooit verhalen geweest, het is altijd zomaar iets geweest […]. (436)


Ophouden

[…] terwijl men ophouden wil, terwijl men niet ophouden kan, vragend waarom, waarom deze behoefte te spreken, deze behoefte op te houden, deze onmogelijkheid op te houden, vindend waarom, niet meer vindend, terugvindend, niet meer terugvindend, niet meer zoekend, opnieuw zoekend […]. (436)


Wat ik ben

[…] dat het ons niet vergund is geweest ook maar met de minste graad van nauwkeurigheid vast te stellen wat ik ben, waar ik ben, of ik woorden onder woorden ben of zwijgen te midden van zwijgen, om slechts aan twee van de in dit verband geopperde hypothesen te herinneren […]. (440)


Dat is wat ik zwijgen noem

Mijn stem. De stem. Ja, ik hoor hem nog maar nauwelijks. Ik ken dat. Hij zal verstommen. Ik zal hem niet meer horen. Ik zal zwijgen. Deze stem niet meer horen, dat is wat ik zwijgen noem. Ik zal hem nog horen, gebroken, zwak, onverstaanbaar, als ik goed luister. Hem nog horen, zonder te horen wat hij zegt, dat is wat ik zwijgen noem. (445, 446)


Het zijn mijn muren

Wat mijn geloof betreft dat ik weldra voor altijd zal zwijgen, ik geloof dat niet in het bijzonder, ik heb het altijd geloofd, zoals ik altijd geloofd heb dat ik nooit zou zwijgen, men kan dat geen geloven noemen, het zijn mijn muren. (450)


Ik voel geen oord

[…] ik zou zeggen hoe het is, bij mij thuis, in plaats van zomaar iets te zeggen, dat oord, als ik dat oord kon beschrijven, kon schilderen, ik heb het geprobeerd, ik voel geen oord, geen oord om me heen, er is geen eind aan me, ik weet niet wat het is, het is geen vlees, er is geen eind aan, het is als lucht, dat is het, deze keer ben ik het, dat zegt men, het zal niet blijven duren, als gas, kletspraat, het oord, het oord, daarna zullen we verder zien, eerst het oord, daarna zal ik me er bevinden, ik zal me erin onderbrengen […]. (452)


Ik ken er miljoenen

[…] ik ga me vragen stellen, dat is een goede noodmaatregel, niet dat ik gevaar loop te zwijgen, waarom dan al deze opwinding, zeker, vragen, ik ken er miljoenen, ik moet er miljoenen kennen, en dan zijn er nog plannen, bij gebrek aan vragen zijn er nog plannen, zeggen wat men zeggen gaat en wat men niet gaat zeggen, dat verplicht tot niets en het kwalijke moment gaat voorbij, het valt morsdood, plotseling hoort men zich weer over God weet wat spreken, alsof men nooit iets anders had gedaan […]. (454,455)


Vreemd

Vreemd, die zinnen die zonder reden sterven, vreemd, wat is daar vreemd aan, hier is alles vreemd, alles is vreemd als men erover nadenkt, nee, het erover nadenken is vreemd […]. (456)


Geen voornaamwoord voor mij

[…] ik heb nooit gesproken, het lijkt of ik spreek, omdat hij ik zegt alsof ik het was, bijna had ik hem zelf geloofd, hoort u hem, alsof hij mij was, die ver weg is, die zich niet verroeren kan, die men niet vinden kan, hem echter ook niet, hij kan alleen spreken, als hij dat kan, misschien is hij het niet, misschien is het een hele bende, de een na de ander, wat een verwarring, iemand spreekt over verwarring, is dat een zonde, alles hier is zonde, men weet niet waarom, men weet niet van wie, men weet niet tegenover wie, iemand zegt men, het is de fout van de voornaamwoorden, er is geen naam voor mij, geen voornaamwoord voor mij, daar komt alles door, dat zegt men, dat is ook een soort voornaamwoord, dat is het ook niet, dat ben ik ook niet, laat ons dat alles maar laten, laat ons dat alles vergeten […]. (458)


Opduiken uit het zwijgen

Het zwijgen, spreken over het zwijgen alvorens erin terug te keren, ben ik er al geweest, ik weet het niet, ieder ogenblik ben ik er, ieder ogenblik duik ik eruit op, nu spreek ik er zelfs over, ik wist dat het komen zou, ik duik eruit op om te spreken, ik ben er terwijl ik spreek, als ik het ben die spreekt, en het is niet ik […]. (462)


Uit Gezelschap Samuel Beckett, 1992:


Hersenschimmen

In een ander donker of in hetzelfde een ander die alles verzint bij wijze van gezelschap. Dat lijkt op het eerste gezicht duidelijk. Maar als het oog erop blijft rusten wordt het troebel. Hoe langer het oog erop blijft rusten des te troebeler het wordt. Tot het oog zich sluit en de geest van staren verlost de vraag stelt, Wat betekent dat? Wat tenslotte betekent dat wat op het eerste gezicht duidelijk leek? Tot het ook de geest sluit als het ware. Zoals het raam van een donkere kamer zich zou sluiten. Het enige raam dat uitkomt op het donker buiten. Dan niets meer. Nee. Helaas niet. Sprankjes zwak licht en bewegingen nog steeds. Onformuleerbaar tasten van de geest. Niet te bedaren. (21)

Verzinner van zichzelf bij wijze van gezelschap. Laat het daarbij. Hij spreekt over zichzelf als over een ander. Over zichzelf sprekend zegt hij, Hij spreekt over zichzelf als over een ander. Ook zichzelf verzint hij bij wijze van gezelschap. Laat het daarbij. Ook verwarring is tot op zekere hoogte gezelschap. (24)

Verzonnen verzinner die alles verzint bij wijze van gezelschap. In hetzelfde hersenschimmige donker als zijn hersenschimmen. (46)