Sengzhao

‘Wijsheid, absoluut, is zuiver als de lege ruimte. Er is niets dat zij weet, waarneemt, doet of veroorzaakt.’ Citaten van de Chinese madhyamika-boeddhist Sengzhao (384–414).

Bron: The Book of Chao, a translation from the original Chinese with introduction, notes and appendices, W. Liebental, The Catholic University of Peking, 1948 (Monumenta Serica, Journal of Oriental Studies of the Catholic University of Peking, Monograph XIII).

Redactie, vertaling en titels Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Zen > Sengzhao

Tip: Nagarjuna


Uit deel I, On Immutability of Things:


Tegenspreken

Zeggen zij dat (dingen) voorbijgaan dan bedoelen de Wijzen niet dat de dingen letterlijk vergankelijk zijn, maar zij drukken zich op deze wijze uit om het gezonde verstand, dat de dingen voor onvergankelijk houdt, tegen te spreken. Zeggen zij dat (dingen) eeuwig zijn dan bedoelen ze niet dat de dingen letterlijk onvergankelijk zijn, maar zij drukken zich op deze wijze uit om het gezonde verstand, dat de dingen voor vergankelijk houdt, tegen te spreken. Zij veronderstellen beslist niet, zoals gewone mensen, dat de dingen zichzelf in stand houden (terwijl ze veranderingen ondergaan) noch dat de dingen intact blijven (terwijl de omstandigheden veranderen). (50)


Niet tegenstrijdig

De Ch’eng-chü stelt: “De Bodhisattva die zich omringd weet door mensen die in onvergankelijkheid geloven, predikt de doctrine van vergankelijkheid.” De Mahyana Sastra stelt: “De dingen bewegen niet, er is geen plaats om naar toe te gaan of om te verlaten.” (Deze ongerijmde beweringen) dienen slechts de toehoorder. Ze komen in wezen op hetzelfde neer. Hun woorden mogen tegenstrijdig lijken, zo niet hun doelstelling. (50)


Doelbewust tegenstrijdig

Afhankelijk van de specifieke geestelijke barrière die geslecht moet worden, predikt de Tathagata dit of dat, teneinde bestaande twijfels te overwinnen. Bewust van het feit dat noch positieve beweringen noch negatieve beweringen waar kunnen zijn, doet hij doelbewust tegenstrijdige uitspraken. Paradoxaal en toch niet dubbelzinnig, zo is alleen de taal der Wijzen. … Hoewel er duizend verschillende manieren zijn om (de waarheid) onder woorden te brengen, zijn ze toch niet inconsistent. (52)


Uit deel II, On Emptiness of the Unreal:


Dingen zijn niet echt

Vandaar dat de Fang-kuang zegt: “Alle dingen (dharma) zijn symbolen, niet echt. Ze lijken op een man die door toverkunst in het leven is geroepen: het is niet dat hij niet bestaat, alleen is hij niet echt. (66)


Dit noch dat

Heb je de naam, dan heb je het ding nog niet; heb je het ding, dan heb je de naam nog niet. Dingen behoren tot de sfeer van het nuttige, namen tot de sfeer van het geldige. Deze sferen vallen niet samen. Als ze niet samenvallen, hoe zou men dan tot de waarheid kunnen komen? Daarom zegt de Chung-kuan: “Dingen zijn niet dit of dat. Maar mensen (wijzen) en maken van het ene ding een ‘dit’ en van het andere een ‘dat’ en omgekeerd.” ‘Dit’ en ‘dat’ verwijzen niet naar één vast ding maar de dwaze meent dat (deze woorden) een definitieve betekenis hebben. ‘Dit’ en ‘dat’ bestaan niet totdat iemand ergens naar wijst. Alleen de dwaas meent dat ze voor die tijd al bestonden. Als men het niet-bestaan van ‘dit’ en ‘dat’ doorziet, blijft er dan nog iets over waarvan het bestaan bevestigd kan worden? Dus weten we: dingen zijn niet echt, dingen zijn symbolen. (66)


Uit deel III, On Prajna not Cognizant:


Nadat Leren heeft gefaald

Waarlijk, de wijsheid der Wijzen is obscuur en subtiel, diep verborgen en moeilijk te peilen; vormeloos en naamloos, kan zij niet uitgedrukt worden in woorden en symbolen. Zou ik mij moeten gedragen als de Gele Keizer die ‘Onwetendheid’ gebruikte om de parel te vinden nadat ‘Leren’ had gefaald, en er in mijn ontoereikende taal over vertellen? Hoe durf ik zelfs maar te beweren dat de Geest van de Wijze beschreven kan worden? Toch zal ik een poging wagen. (69)


Zonder kennis

De Fang-kuang zegt: “Wijsheid is zonder kennis, zonder weten van geboorte en dood.” De Tao-hsing zegt: “Er is niets dat wijsheid weet te onderscheiden, niets dat zij ziet.” Het onderwerp van deze citaten is een weten, een weerspiegelen zonder kennis, zonder inhoud. Dus moet er een bijzonder soort weten zonder inhoud bestaan, of anders een weerspiegelen dat geen weten is in de gebruikelijke zin van het woord. (70)


Tegelijk wetend en niet-wetend

Wanneer de geest enig object bevat, bevat het niet enig ander object.
De Geest van de Wijze bevat geen objecten.
Hieruit volgt dat hij ieder object bevat.
Weten zonder weten heet alwetendheid. Daarom zegt een soetra: “De Geest van de Wijze bevat geen enkel object en sluit geen enkel object uit.” Zo is het. Vandaar dat de Wijze, terwijl hij “met lege geest alles beziend,” altijd tegelijk wetend en niet-wetend is. Hij dimt zijn uitstraling, verduistert zijn licht, en weerspiegelt, met lege geest, het Onbekende. (71)


Zonder begrip

Daarom begrijpt de Wijze niet wat hier gebeurt terwijl hij toch het Universum in al zijn diepte weerspiegelt. … Niets is zo verborgen dat het over het hoofd wordt gezien, maar dit weerspiegelen is geen doelgerichte waarneming. Meer heeft het niet om het lijf, dit niet-wetende weten, opgewekt in de Geest van de Wijze. (72)


Leeg

Op welke wijze bestaat de Geest van de Wijze?
Hoewel reëel, bestaat hij niet.
Hoewel immaterieel, is hij niet onbestaand.
Hij bestaat maar laat zich niet omschrijven; zo is de Geest van de Wijze.
Noch zijn bestaan, noch zijn niet-bestaan kan bevestigd worden.
Niet zijn bestaan want de Geest is zonder vorm en zonder naam.
Niet zijn niet-bestaan want zonder zijn licht zou er geen Wijze zijn.
De Spiegel der Wijsheid, hoewel leeg, weerspiegelt.
Maar hoewel hij weerspiegelt, is hij leeg.
Doordat hij niet beïnvloedt wordt door de indrukken die hij opdoet, raakt hij door alle verwarring toch niet in verwarring.
Dit is hoe de wijze alles wat er plaatsvindt waarneemt, zonder iets in het bijzonder waar te nemen. (72)


Denken zonder denken

Daarom zegt Ratnakuta: “De Bodhisattva denkt zonder denken.” …
Dit is hoe Wijsheid zonder wijsheid is; hoe Waarheid, ofschoon niet bestaand, toch gekend kan worden; hoe de Wijze, ofschoon meebewegend met de de Duizend Veranderingen, zelf onbeweeglijk blijft; hoe zijn reactie, ofschoon hij nergens op reageert, zich toch doet gevoelen. Dit is hoe hij, net als de Natuur, weet zonder weten; hoe hij, net als zij, doet zonder doen. Maar kunnen we dat nog wel weten noemen, of doen? (73)


Van nature niet-wetend

Want er is een soetra die zegt: “Wijsheid, absoluut, is zuiver als de lege ruimte. Er is niets dat zij weet, waarneemt, doet of veroorzaakt.” Een dergelijk weten is van nature niet-wetend; er is niets voor nodig om er niet-weten van te maken. (75)


Spreken zonder spreken

Een soetra zegt: “Wijsheid is onbenoembaar, ondefinieerbaar, niet bestaand, niet niet-bestaand, niet werkelijk en niet onwerkelijk. Hoewel blanco is zij toch gevuld met verschijnselen die zij weerspiegelt; hoewel zij weerspiegelt is zij toch blanco.” Deze naamloze dharma laat zich niet onder woorden brengen. Desondanks is spraak onvermijdelijk als we erover willen vertellen. Vandaar dat de Wijzen steevast spreken zonder spreken. Ik zal trachten deze paradox uiteen te zetten, ook al schieten mijn woorden evenzeer tekort. (78)


Geen weten maar ‘weten’

De Geest van de Wijze: onpeilbaar, zonder inhoud – men kan onmogelijk beweren dat hij bestaat. In de praktijk ononderbroken weerspiegelend – men kan onmogelijk beweren dat hij niet bestaat. Het weten van de Wijze is weliswaar reëel maar niet rationeel. Zijn weten is eerder een ‘weten’, zijn inzicht eerder een doorzicht. Net zo is zijn niet-weten eerder een ‘niet-weten’, want wat is het dat hij niet zou weten? (78)


‘weten’ en ‘niet-weten’


Geen tweespalt

Maar het ontbreken van een object maakt Wijsheid nog niet negatief, en haar doorzicht maakt haar nog niet positief.
Niet onbestaand, hoewel onwetend, is zij ‘wetend’.
Niet bestaand, hoewel onwetend, is zij ‘niet-wetend’.
Hieruit volgt dat ‘weten’ hetzelfde is als ‘niet-weten’ en omgekeerd, zodat men niet kan stellen dat het hier gaat om twee tegengestelde zaken die een tweespalt in de Geest van de Wijze teweegbrengen. (78)


Zonder vasthouden of loslaten

De Wijze verblijft niet in de leegte. Deed hij dat wel, dan zou de leegte toch weer een soort verschijnsel zijn. Door de verschijnselen op te geven maar de leegte te omarmen zou hij lijken op degene die zich, om de pieken te vermijden, in een bergstroom stort. Daarom staat de Superieure Mens met een been in het positieve, zonder er evenwel zijn toevlucht te zoeken, en met het andere been in het negatieve, zonder daar zijn toevlucht te zoeken. Hoewel hij zich aan geen van beide vastklampt, geeft hij ze geen van beide op. (82)


Hoe duisterder de geest

Hoe duisterder de Geest van de Wijze wordt, hoe helderder schijnt het licht van zijn Spiegel; hoe kalmer zijn Geest wordt, hoe spontaner zijn reactie. Zijn dit tegenstrijdigheden? Nee, dat zijn het niet. (85)


Uit een brief van Sengzhao aan Liu I-min over deel III, On Prajna not Cognizant:


Eenzijdig

Ik ben bang dat uw vrienden te veel nadruk leggen op mijn woorden. … U houdt vast aan wat u weet en houdt uzelf voor onfeilbaar. Daarom ziet u het weten van de Wijze aan voor de aanwezigheid van kennis, zijn niet-weten voor het ontbreken daarvan. Bevestiging en ontkenning zijn beide eenzijdig, en zo lang u aan beide vasthoudt, bevindt u zich niet op de Middenweg die de uitersten mijdt. (105)


Zij weet noch weet niet

Daarom vermijdt de Wijze beide uitersten, en zijn de dingen in zijn ogen bestaand noch onbestaand. Hij eigent ze zich niet toe noch stoot hij ze af. Hij ziet ze zoals ze zijn, waardoor illusies niet kunnen ontstaan, want aan de voorwaarden voor hun ontstaan is niet voldaan. Iets dergelijks geldt voor zijn weten en niet-weten. Daarom zegt een soetra: “Wijsheid erkent noch miskent de dharma. Zij weet noch weet-niet.” (105)


Niet-wetend

Weten is iets weten. Als de dharma die de Wijze kent niet iets is, wat weet hij dan? Onder niet weten wordt gewoonlijk verstaan het onvermogen van onbezielde voorwerpen zoals hout, steen en lege ruimte, om zich ergens bewust van te zijn. … Als ik de term niet-wetend gebruik, bedoel ik echter iets anders, want ik wil daarmee beide alternatieven uitsluiten: [de Wijze] weet noch weet niet (in de gewone betekenis van het woord). Iets dergelijks geldt voor de term niet-bestaand, die dan staat voor bestaand noch onbestaand. (106)


Uit deel IV, On the Namelessness of Nirvana


Maar wat ronddrijven

Denken veronderstelt een geest, lichaam veronderstelt een eigenaar van het lichaam; maar zonder Ego, eigenaar van het lichaam, wordt “de hitte die erts doet smelten niet gevoeld.” Zonder Ego, eigenaar van de geest, drijft de geest maar wat rond. Wat er plaatsvindt tussen het persoonlijke zelf en de rest, wat kan Hem [de Wijze] dat schelen? (126)


Nirwana

Spraak vindt zijn oorsprong in woorden, woorden berusten op definities, definities veronderstellen definieerbare dingen. Zonder definities geen woorden. Zonder woorden geen spraak. Zonder spraak geen onderricht. Een soetra zegt: “Nirwana is dharma noch niet-dharma. Met kan het niet leren, men kan het niet denken. Het laat zich niet beredeneren. (129)


Gedaan met de dualiteit

De dingen hebben niet de eigenschap te bestaan of niet te bestaan, noch maakt de Wijze onderscheid tussen het een en het ander. Als de Wijze geen onderscheid maakt, ontstaan er geen afzonderlijke dingen in zijn geest. Als de dingen niet uiteenvallen in bestaand of niet bestaand, behoren ze niet toe aan categorieën. Dit zo zijnd, is het gedaan met de dualiteit. Tegenstellingen gaan op in Eenheid. Van [de Wijze] geen spoor. Dit is Nirwana. (131)


Het rijk van het niet-bereiken

De Werkelijkheid komt tevoorschijn wanneer men de wereld opgeeft, Illusie wordt geboren wanneer men zich aan de wereld vastklampt. Vastklampen is proberen iets te bereiken, opgave reikt naar het naamloze. Hij die de Waarheid volgt, wordt één met de Waarheid, hij die de Illusie volgt, wordt één met illusie. U gelooft in de realiteit van het verkrijgen en streeft ernaar iets te verkrijgen; Ik geloof er niet in en vind mezelf terug in het rijk van het niet-bereiken. (144)


Einde

In Nirwana komt al het aardse tot een mystiek einde. Daarin versmelten Hemel en Aarde, de Duizend Dingen zijn weggespoeld, goden zijn gelijk aan mensen, en identiteit onderscheidt zich niet van verschil. In Nirwana is geen persoonlijk zelf te zien of te horen. Nirwana bereikt men nooit, men bereikt het aldoor. Een soetra zegt: Nirwana is geen Samsara, noch is het iets anders dan Samsara. (144)


Wie?

Als Wereld identiek is met Niet-wereld, wie is het dan de deze bereikt? Als Nirwana gelijk is aan Niet-nirwana, wat wordt er dan bereikt?
De Fang-Kuang zegt: “Is Verlichting een kwestie van Bestaan?
De Boeddha antwoordt: Nee.
Van Niet-bestaan?
Hij antwoordt: Nee.
Van beide?
Hij antwoordt: Nee.
Van geen van beide?
Hij antwoordt: Nee.
Hoe bedoelt u?
Hij antwoord: Verlichting bereiken betekent niet-bereiken.”
Daarom zeg ik dat men het bereikt heeft wanneer men het niet-bereiken bereikt heeft. Als bereiken niet-bereiken betekent, wie kan dan nog zeggen dat hij het niet bereikt heeft? (144)


‘Het’ weten is niet-weten

Het Verre Rijk is niet een land tussen andere landen. Het wordt niet bereikt door aan te komen.
Mystiek Inzicht is geen kennis van bepaalde zaken: ‘het’ weten is niet-weten.
De vorm van de Kosmos is verborgen in het vormeloze: ‘het’ zien is niet-zien.
Het Kosmische Geluid zit verstopt in de stilte: ‘het’ horen is niet-horen. (145)


Uit de inleiding van Walter Liebenthal:


Welk universum?

We moeten goed voor ogen houden dat Sengchao zich niet ten doel stelt een kaart van het Universum op te stellen maar, integendeel, wil aantonen dat het territorium op deze kaart, en de reizigers die er gebruik van maken, helemaal niet bestaan in de gewone zin van het woord. (25)


Subject versus object

Wijsheid weerspiegelt of verlicht de Duizend Dingen. Men zegt dat zij weerspiegelt, niet dat zij waarneemt, want dit laatste veronderstelt alweer een onderscheid tussen waarnemer en waargenomene. (26)


In de Grote Leegte stappen

Chao, als leerling van Kumarajiva, was een Madhyamika.
Madhyamika’s zijn geen iconoclasten (net zomin als Ch’anmonniken trouwens). Voor hen behoren goden en hun hemelen, en zelfs het nirwana, opgevat als dit of dat, tot het aardse. Het Mystieke is onkenbaar. Je moet al het bekende laten varen en in de Grote Leegte stappen. Want je hebt geen vaste grond onder je voeten. De Wereld wordt nergens door gedragen. Deze stap – die het stellen van een daad is, en niet het koesteren van een gedachte – was nog nooit eerder gepredikt. (45)