Shantideva

De volmaakte deugd van de wijsheid; citaten van mahasiddha en madhyamaka-filosoof Shantideva (685-763) over leegte en vergankelijkheid, illusie en werkelijkheid, denken en geest.

Hieronder hoofdstuk 9, ‘De volmaakte deugd van de wijsheid’ van Bodhicaryavatara, De weg tot het inzicht van Santideva; vertaald uit het Sanskriet door Ria Kloppenburg, Meulenhoff, Amsterdam 1980.

Redactie Hans van Dam; titelnummers origineel; niet-cursieve tekst is van Santideva, cursieve tekst is afkomstig uit het commentaar van Prajnakaramati en ingevoegd door vertaalster Ria Kloppenburg.

Dwaalgids > Zen > Shantideva

Tip: Nagarjuna


1
De Wijze heeft dit geheel van volmaakte deugden bezongen omwille van de wijsheid. Vandaar dat je wijsheid moet ontwikkelen als je ernaar verlangt het lijden te beëindigen.

2
Er worden twee werkelijkheden onderscheiden: de conventionele of empirische werkelijkheid en de hoogste werkelijkheid. De hoogste werkelijkheid ligt niet binnen het bereik van het intellect: het intellect wordt derhalve tot de conventionele werkelijkheid gerekend.

3
Binnen deze conventionele werkelijkheid worden twee soorten mensen onderscheiden: de yogins, die in hun meditaties de kenmerken van alle dingen hebben geschouwd, en de gewone mensen, die de oorzaak van hun voortgang in de kringloop van het bestaan niet kennen.

4
Ook yogins verschillen onderling omdat zij door hun verschil in begrip zich op verschillende niveaus bevinden. Hoewel zij er verschillende interpretaties aan geven, accepteren zij de vergelijking van de Boeddha waarin hij alles vergelijkt met een illusie, een spiegelbeeld en een luchtkasteel omdat er geen eigen realiteit aan de dingen kan worden toegeschreven. Maar als het gaat om het doel, namelijk de vervolmaking van verdienste en kennis, door middel van de vrijgevigheid en de andere volmaakte deugden, met het besluit om alle wezens te verheffen, wordt aan deze opvatting van de afwezigheid van realiteit in de dingen niet vastgehouden.

5
Gewone mensen zien en beschouwen de dingen als reëel. Maar yogins beweren dat zij op een illusie lijken. Daarin zit hem het verschil tussen yogins en gewone mensen.

6
Directe zintuiglijke waarneming, visuele enzovoort, is gebaseerd op een communis opinio – zij gaat terug op een conventioneel denken, op een populair spraakgebruik, maar niet op een bron van waarachtige kennis. De communis opinio is op zichzelf vals en vergelijkbaar met het voor rein houden van iets dat onrein is.

7
De Beschermer heeft geleerd dat de dingen, bij voorbeeld de delen waaruit de menselijke persoon bestaat, reëel zijn om zo de gewone mensen op weg te helpen en ze uiteindelijk te leiden tot het inzicht in de Leegheid, om ze met zachte hand verder te helpen; maar niet als hoogste waarheid. Volgens de hoogste waarheid zijn de delen waaruit de menselijke persoon bestaat niet reëel, ook niet voor een ogenblik (zoals de aanhangers van de Hinayana-scholen menen).
‘Dan zijn zij volgens de conventionele waarheid dus wel voor een ogenblik reëel. Maar dat wordt juist tegengesproken.’

8
In de conventionele waarheid van de yogins is geen fout, zij mediteren over het feit dat een individualiteit niet bestaat en voor hen betekent de waarheid het inzicht in de kortstondige realiteit van de delen waaruit de menselijke persoon bestaat; vergeleken met de gewone mensen zien zij de waarheid! Als je dit onderscheid tussen yogins en gewone mensen niet maakt kom je in tegenspraak met de gewone mensen. Bijvoorbeeld: jij verklaart, tijdens jouw meditatie over onreinheid, dat een vrouw onrein is. Dan ben je in tegenspraak met gewone mensen die niet mediteren en verklaren dat een vrouw lieflijk is.

9
‘Hoe kun je aannemen dat je verdiensten verwerft door jouw verering van de Overwinnaar, als je stelt dat hij gelijk is aan een illusie?’
Datzelfde kun je je ook afvragen als je aanneemt dat hij werkelijk bestaat!
‘En als je stelt dat een levend wezen gelijk is aan een illusie, hoe kan dat dan opnieuw geboren worden als het overleden is?’

10
Omdat de illusie blijft bestaan zolang het complex van oorzaken bestaat. Alleen omdat het een illusie is met een lange continuïteit, betekent dat nog niet dat een ‘levend wezen’ in werkelijkheid bestaat!

11
‘Er steekt geen kwaad in het doden, het bestelen enzovoort van een persoon die door magie is opgeroepen.’
Dat is waar, want die kent geen denken. Maar zodra er denken aanwezig is in een persoon, ook al is die illusoir, ontstaat er een onderscheid tussen goed en kwaad.

12
‘Maar denken is geen illusie! Magische formules en dergelijke zijn toch niet in staat denken te veroorzaken!’
Er zijn veel soorten illusie, voortgekomen uit verschillende oorzaken. Eén enkele oorzaak is op generlei wijze in staat om alle gevolgen te doen ontstaan.

13
‘Als alles en iedereen een illusie is en als iemand die volgens de hoogste waarheid verlost is zich slechts volgens de conventionele waarheid in deze kringloop van het bestaan zou bevinden met behulp van een illusie, dan zou de Boeddha zelf ook telkens weer in deze wereld geboren worden. Wat heb ik dan nog aan de weg tot inzicht?’

14
Zolang de oorzaken ervan nog niet zijn opgeheven wordt ook de illusie niet opgeheven. Echter, door de vernietiging van de oorzaken verdwijnt de mogelijkheid van bestaan, zelfs op het niveau van de conventionele waarheid.

15
‘Als er geen denken is dat los staat van die illusie, waardoor wordt die illusie dan waargenomen?’

16
Als het zou is dat voor jou, Vijnanavadin, de illusie niet bestaat, maar alleen het denken, wat neemt dat dan waar? (Een subject zonder object is toch een onmogelijkheid!)
‘Dat wat waargenomen wordt is een verschijningsvorm van het denken.’
Als dat zo is dan fungeert die verschijningsvorm van het denken in werkelijkheid als iets anders, namelijk als een object van het denken.

17
En als het denken, het subject van de kennis, gelijk is aan het object van de kennis, dat wil zeggen de illusie, wat wordt er dan waargenomen en door wie wordt er dan waargenomen? De Beschermer van de wereld heeft verklaard dat het denken niet door het denken kan worden waargenomen; evenmin als het scherp van een zwaard zichzelf kan doorklieven kan de geest zichzelf kennen.

18
‘Maar ik beweer dat het denken zichzelf verlicht, zoals een lamp.’
Dat gaat niet op, want de lamp wordt zelf niet door duisternis omgeven en hoeft daarom niet zelf verlicht te worden.

19
Dat kan wel wezen, maar als ik zeg dat zij zichzelf verlicht, beweer ik niet dat de lamp zichzelf verlicht zoals zij ook een pot verlicht die in het donker staat, maar dat zij als gevolg van haar eigen wezen, namelijk lichtgevend, onafhankelijk is van iets anders.’ Want iets dat blauw is, is niet gelijk aan een kristal. Als dat blauw is kijk je naar iets anders (dat daarin gereflecteerd wordt). Zo kun je iets beschouwen als afhankelijk van iets anders of als onafhankelijk.’

20
Als er in het object zelf, in dit geval in het kristal, geen blauw aanwezig is, wordt het niet waargenomen, zoals iets dat ui eigen gronden blauw is, want het heeft niet zichzelf blauw gemaakt.

21
[weggevallen]

22
Als jij geconstateerd hebt dat een lamp verlicht, en zelf onafhankelijk is van een andere lichtbron, wordt dat bevestigd door jouw kennis. Maar door welke kennis, door welk denken wordt bevestigd dat het denken verlicht?

23
Of het denken nu verlicht of niet verlicht: als het door niets wordt waargenomen, is het even zinloos erover te spreken als over de charme van de dochter van een onvruchtbare vrouw.

24
‘Maar als het denken zich niet van zichzelf bewust zou zijn, hoe kun je je dan iets herinneren?’
Er ontstaat herinnering door associatie tijdens het waarnemen van iets anders, zoals slangengif in het lichaam kan zijn maar zich pas later manifesteert.

25
‘Toch verlicht het denken zichzelf door het beschouwen van bepaalde factoren; je kunt bijvoorbeeld het denken van anderen kennen en je herinneren met behulp van magische krachten.’
Maar als je een pot ziet omdat je magische oogzalf gebruikt hebt, betekent dat toch niet dat die pot hetzelfde is als de oogzalf? (Het denken van anderen kun je kennen zoals je een pot kunt kennen, maar dat zegt nog niet dat het denken zichzelf kan kennen)

26
Maar als het denken zichzelf niet kent, kan het ook een object niet bevatten.’
Wij ontkennen niet de realiteit op het niveau van de empirische werkelijkheid van dingen die bevat kunnen worden door middel van het oog, het oor of het verstand. Maar op het niveau van de hoogste waarheid wordt deze hypothese ontkend, want zij is de oorzaak van het lijden.

27
Jullie Vijnanavadins, verklaren dat de illusie, het object, niet anders is dan het denken, maar ook dat het er niet aan gelijk is! Als je dat stelt dan bestaat het in feite niet!

28
Wij beweren dat zoals een object, een illusie, gezien wordt, ook al bestaat het niet, zo ziet de geest, ook al bestaat die niet. Als zoals jullie menen, de kringloop van het bestaan een reëel iets, namelijk het denken, als basis zou hebben, dan is het ervan verschillend, en dus niet reëel, zoals de ruimte.

29
Jawel, maar hoewel de kringloop van het bestaan niet reëel is, zal er toch de mogelijkheid zijn tot activiteit, omdat het het reële bestaan van het denken als basis heeft.’
Hoe kan iets dat niet reëel is actief zijn omdat het op een reëel iets, het denken gebaseerd is? Voor jullie bestaat het denken toch als iets dan tuniek is, en met niets anders samengaat?

30
Als het denken op deze manier vrij is van een object, dan zijn alle wezens Tathagata’s, want dan is er geen gehechtheid meer. Als dat zo is, wat voor nut heeft het dan nog aan te nemen dat alleen het denken bestaat? (Dan heeft filosoferen geen zin meer want iedereen is al verlost)

31
‘Maar als jij beweert dat het denken even irreëel is als een illusie, hoe kan het dan de hartstochten vernietigen (en streven naar verlichting)? Dat lijkt op de liefde van de magiër voor het magische beeld van een vrouw die hij zelf heeft opgeroepen!’

32
Dat klopt niet, want die magiër heeft nog steeds het idee dat hij de werkelijkheid, namelijk het irreëel zijn van die vrouw, bezoedelt, wanneer hij haar ziet als reëel. Maar op het moment dat hij haar waarneemt is die indruk die hij heeft van haar onwerkelijkheid, haar ‘Leegheid’ zeer zwak.

33
Door vast te houden aan het idee van de onwerkelijkheid, de Leegheid, verdwijnt het idee van de realiteit. Als het idee dat niets bestaat herhaaldelijk is opgekomen, verdwijnt daardoor vervolgens ook dat idee zelf.

34
Als er geen bestaan meer wordt waargenomen waarvan de realiteit ontkend moet worden, hoe kan het niet-bestaan dan nog in de geest aanwezig zijn? Het heeft dan immers geen basis meer!

35
Als dan noch bestaan noch niet-bestaan meer in de geest aanwezig zijn, komt de geest tot rust. Los van een basis omdat er geen andere mogelijkheid meer is om zich aan vast te hechten.

36
Als iedere voorstelling van denken verdwenen is bij degene die verlost is, hoe kan de Heer, de Boeddha, dan werken voor het heil van anderen?’
Zoals een wensjuweel en een geluksboom wensen vervullen, zo ook verschijnt de figuur van de Overwinnaar, door de kracht van de verdienstelijke werken van zijn volgelingen en door de kracht van zijn gelofte, om alle wezens heil te brengen.

37
Een slangenbezweerder kan omkomen nadat hij een magisch geneesmiddel krachtig heeft gemaakt; maar lang na zijn dood kan het geneesmiddel nog slangengif en dergelijke tegenwerken.

38
Op dezelfde manier kun je zeggen dat de Bodhisattva dit magische geneesmiddel van de Overwinnaars, dat overeenkomt met de weg tot inzicht, krachtig heeft gemaakt; het vervult alles wat ervan verwacht wordt ook al is de Bodhisattva ingegaan in het nirwana.

39
‘Hoe kan de verering van een wezen, waarvan jij stelt dat zijn gedachten niet werkelijk bestaan, vruchtbaar zijn?’
Omdat er geleerd is dat er geen verschil is tussen de verering van de Boeddha tijdens zijn leven of na zijn intrede in het nirwana.

40
Volgens de canonieke teksten is de verering van de Boeddha vruchtbaar, of die vrucht nu gerekend wordt als behorend tot de conventionele werkelijkheid of als behorend tot de hoogste werkelijkheid. Wanneer de verering van een Boeddha die zoals bij ons niet als werkelijk bestaand wordt beschouwd al vrucht draagt, dan draagt die verering van een Boeddha die zoals bij jullie als werkelijk bestaand wordt beschouwd toch zeker vrucht.

41
‘Verlossing ontstaat door het inzicht in de vier edele waarheden. Waarom heb je dan nog inzicht nodig in de Leegte?’
Omdat er buiten deze weg van het inzicht in de Leegte geen inzicht in de zin van de canonieke teksten te vinden is.

42
‘Maar ik accepteer jouw Mahayana-ideeën niet als authentiek.’
Waarom accepteer je jouw canon wel als authentiek?
‘Omdat dat de teksten zijn die wij allebei als authentiek accepteren.’
Maar dat heb je ook niet vanaf het begin gedaan (daar had je eens een reden voor).

43
Dezelfde argumenten en dezelfde overwegingen die je ertoe geleid hebben jouw canon te accepteren, kun je ook gebruiken om het Mahayana te accepteren.
‘Als de waarheid die wij beiden erkennen in mijn canonieke geschriften ook in die van een ander te vinden zou zijn, zou er ook waarheid te vinden zijn in de Veda’s en in andere Brahmaanse teksten.’

44
‘Overigens zijn ook de aanhangers van het Mahayana het onderling oneens.
Als dat een geldig argument is moet je ook zelf afstand nemen van jouw canon, want jullie zijn het oneens met de ketters en ook onderling, binnen je eigen teksttraditie.

45
Het onderricht van de Boeddha heeft als basis het monnikschap, een leven in onthechting, gericht op het bereiken van het inzicht, en dat monnikschap is moeilijk vast te houden – net zoals het nirwana – voor hen die hun denken gericht hebben op een object en daaraan gehecht raken.

46
Als verlossing het gevolg zou zijn van de vernietiging van de hartstochten die volgt op het inzicht in de vier waarheden, dan zou zij daar onmiddellijk op moeten volgen. Maar dat is niet zo want degenen die de hartstochten vernietigd hebben, de heiligen, de arhats, worden beschouwd als lieden die nog steeds behept zijn met de mogelijkheid te handelen, ook al is dat vrij van hartstocht.

47
‘Maar er wordt bij hen geen begeerte meer gevonden, en daarmee geen mogelijkheid meer om wedergeboren te worden.
Zij kennen nog onwetendheid, waarom zouden zij dan geen begeerte kennen, een begeerte die niet verbonden is met de hartstochten?

48
Bovendien: de basis van de begeerte wordt gevormd door de gevoelens en gevoelens tref je bij arhats nog aan. Het inzicht in de vier edele waarheden is dus niet voldoende om begeerte en daarmee wedergeboorte te vernietigen. Denken, dat verbonden is met een object van denken, moet zich ergens op vastleggen en in die hechting van denken en object is er geen bevrijding van de wedergeboorte.

49
Zonder de Leegheid is het denken gebonden aan een object en wordt het wedergeboren. Dat geldt ook voor de zogenaamde ‘toestand zonder waarneming’. Daarom moet de Leegte ontwikkeld worden.

50 – 52
[ontbreken]

53
‘Goed, doordat zij niet vrij zijn van gehechtheid worden de wezens die lijden vastgehouden in de kringloop van het bestaan, evenzeer als door hun verblinding. Maar ook door hun angst voor de Leegheid. Dat is een gevolg van jouw leer van de Leegheid.’

54
Zo’n tegenwerping raakt de positie van de Leegheid niet. Daarom nogmaals: het is boven alle twijfel verheven dat de Leegheid ontwikkeld moet worden!

55
Want de Leegheid is de vijand van de duisternis die gevormd wordt door de hartstochten en door het idee dat de dingen als reëel kenbaar zijn. Als je de alwetendheid wenst te bezitten, moet je haar snel ontwikkelen!

56
Er is angst voor alles wat lijden veroorzaakt. Maar Leegheid brengt het lijden tot rust: hoe kan zij dan angstwekkend zijn?

57
Angst kan er zijn voor alles en nog wat op voorwaarde dat ik, die bang ben, werkelijk besta. Maar als ik in werkelijkheid niet besta, wie kan er dan bang zijn?

58
Tanden, haar, noch nagels vormen het ‘Ik’, noch beenderen of bloed, slijm of spuug of lymfe.

59
Het ‘Ik’ is niet merg, zweet of vet; het ‘Ik’ is niet de ingewanden. Het ‘Ik’ is niet de darmen, feces of urine.

60
Het ‘Ik’ is niet het vlees of de spieren, het is niet de lichaamswarmte of de adem. Het ‘Ik’ wordt niet gevormd door de lichaamsopeningen en zeker niet door de zes soorten van zintuiglijke waarneming.

61
Als het ‘Ik’ de auditieve kennis zou zijn, zou er voortdurend geluid worden waargenomen, omdat het ‘Ik’ als eeuwig wordt beschouwd.
‘Vast staat dat die auditieve kennis eeuwig is maar omdat geluid zo nu en dan voorkomt, is er niet steeds een werkelijke manifestatie van die kennis.’
Maar zonder object van kennis is er geen enkele kennis mogelijk en is kennis als zodanig niet aantoonbaar.

62
Als iets, dat op een bepaald moment niet kent, ‘kennis’ is, dan kun je het begrip ‘kennis’ ook toepassen op een stuk hout. Het staat vast dat er geen sprake is van ‘kennis’ zonder dat er een object van kennis is waarop die kennis is gebaseerd.

63
Als datzelfde ‘Ik’, dat auditief kent, ook visueel kent, waarom hoort het dan niet tegelijkertijd?
‘Omdat het op het moment waarop het ziet niet gericht is op geluid.’
Dan kan het ‘Ik’ niet auditieve kennis zijn!

64
Hoe kan iets dat de natuur heeft geluid waar te nemen, ook vorm waarnemen, het ‘Ik’ is toch ondeelbaar? Dezelfde persoon kan beschouwd worden als vader en als zoon, maar alleen in een voorstelling van denken, niet in werkelijkheid, want het is een en dezelfde persoon, niet twee.

65
Maar in jouw Samkhya filosofie is er één wereld waarin de eigenschappen ‘goedheid’, ‘energie’ en ‘duisternis’ de hele en enige werkelijkheid vormen en daarom is er in werkelijkheid noch vader noch zoon. Als het ‘Ik’ in verbinding staat met auditieve waarneming dan is zijn natuur van visuele waarneming niet zichtbaar.

66
Als het dan visueel waarneemt met een andere natuur, dan is het wisselvallig als een acteur en niet eeuwig. Als iets tegelijk zijn eigen natuur is en de natuur van iets anders, dan is het iets nieuws geworden. En dat noem jij een eenheid?

67
‘Maar de natuur van iets anders is niet zijn ware natuur, maar iets bijkomstigs.’
Verklaar mij dan zijn eigen, ware natuur! Als dat de hoedanigheid ‘kennis’ is dan zou daaruit volgen dat alle mensen éénzelfde ding vormen.

68
Dan kun je ook zeggen dat intelligente en niet-intelligente wezens gelijk zijn omdat zij het fysieke bestaan gemeen hebben. Als specifieke verschillen, bij voorbeeld tussen auditieve en visuele waarneming, als onwaar worden afgedaan, wat is dan de basis voor eventuele overeenkomsten?

69
Zonder intelligentie is het ‘Ik’ ook niet, want het is niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld een lap stof, die zonder intelligentie is. Bezit het ‘Ik’ dan kennis omdat het verbonden is met intelligentie? Dan volgt daaruit dat het ‘Ik’ er niet meer is als het zich in een toestand zonder kennis bevindt.

70
Of het nu bij tijd en wijle verbonden is met intelligentie of niet, het ‘Ik’ blijft zichzelf, één.’
Als het ‘Ik’ dan onveranderlijk is, wat voor invloed heeft het verbonden zijn met intelligentie dan? Niets natuurlijk. En dan kan de hoedanigheid ‘Ik’ evengoed toegeschreven worden aan de ruimte die ook geen kennis bezit en ook niet handelt.

71
‘Maar zonder ‘Ik’ is er geen relatie aantoonbaar tussen de handeling en haar morele gevolg. Want als iemand verdwijnt nadat hij een handeling heeft verricht, op wie zal dan het morele gevolg van die handeling neerkomen?’

72
Voor ons beiden is het boven alle twijfel verheven dat de handeling en haar morele gevolg ieder een ander steunpunt hebben, de handeling in dit leven, het gevolg in een volgend bestaan. In jouw redenering echter beschrijf jij het ‘Ik’ als inactief, het kan volgens jou dus niet handelen en gevolgen ervaren, en daarom is verdere discussie hierover zinloos.

73
‘Maar als er geen ‘ik’ is, is het niet dezelfde die in dit leven handelt en in een volgend bestaan het gevolg daarvan ervaart. Je ziet dan geen relatie tussen degene die de oorzaak is en degene die het morele gevolg ondervindt.’
De Boeddha heeft in zijn onderricht gesproken van ‘een handelende persoon’ en ‘een die de gevolgen van de handeling ervaart’ door zich op een fictieve eenheid van het continuüm te baseren, dat eigenlijk een ononderbroken stroom is van vele momenten die op elkaar volgen en niet bestaan op grond van behoeften en oorzaken.

74
De gedachte, verleden of toekomstig, is ook niet het ‘Ik’, omdat ze nu, op dit moment, niet wordt waargenomen. Is het ‘Ik’ dan de gedachte van het tegenwoordige moment? Als dat zo was, zou er geen ‘Ik’ meer bestaan als de gedachte verdwenen was.

75
De stam van een bananenboom bestaat niet meer als zodanig wanneer hij in stukken gehakt is. Zo bestaat het ‘Ik’ ook niet echt meer wanneer het dieper en nader onderzocht wordt.

76
‘Als er dan geen ‘wezen’, geen ‘Ik’ bestaat, wie is dan het object van het medelijden van de bodhisattva’s?’
Dat is een ‘wezen’ dat als ‘wezen’ wordt voorgesteld, met behulp van een illusie, die geaccepteerd wordt omwille van het doel, de verlossing, het boeddhaschap.

77
‘Maar als er geen ‘wezen’, geen ‘Ik’ bestaat, wie heeft er dan een doel?’
Niemand. In werkelijkheid komt ook het streven naar het boeddhaschap voort uit een illusie. Maar omwille van het tot rust brengen van het lijden is de illusie van het doel niet verboden.

78
‘Als je de illusie van het doel niet verbiedt, waarom dan wel de illusie van een “Ik”‘?
Door de illusie van een ‘Ik’ neemt het zelfbewustzijn, de oorzaak van het lijden, toe. En als dat niet kan worden opgeheven vanwege die illusie van een ‘Ik’, is het beter een leer te ontwikkelen die het ‘Ik’ ontkent.

79, 80
Het lichaam is niet de voeten, de benen, de dijen; het lichaam is niet de heupen, de buik, de rug, de borst of de armen; het is niet de handen, de zijden, de oksels of de schouders; niet de nek of het hoofd. Is het lichaam daarbij?

81
‘Niet ieder deel op zich wordt het lichaam genoemd, het is meer zo dat het alle ledematen omvat, het is het geheel van alle ledematen.’
Als je beweert dat het lichaam als geheel in ieder van de ledematen aanwezig zou zijn, dan bestaat uit deeltjes die in delen aanwezig zijn en waar blijf het dan als geheel?

82
En als het lichaam als geheel in ieder van de ledematen aanwezig zou zijn, zouden er evenveel lichamen zijn als ledematen.

83
‘Lichaam’ of ‘persoon’ is dus niet iets wat daarbinnen te vinden is, noch daarbuiten. Het lichaam kan niet in de ledematen aanwezig zijn en toch bestaat het ook niet afzonderlijk van de ledematen. Hoe bestaat het dan eigenlijk wel?

84
‘Lichaam’ bestaat niet! Uit verblinding past men het begrip ‘lichaam’ toe op de ledematen. Dit gebeurt doordat een verschijningsvorm foutief geïnterpreteerd wordt, zoals je in een boomstronk een man meent te zien.

85
Zolang er een complex van oorzaken is waardoor die illusie als werkelijkheid wordt beschouwd, wordt het lichaam als even echt gezien als je die man meent te zien in die boomstronk. Je kunt het ook zo stellen: zolang er lichaamsdelen zijn, wordt daarin een ‘lichaam’ gezien.

86
Zo kun je verder gaan: wat is een voet? Hij bestaat immers uit een hoopje tenen. En een teen bestaat weer uit een aantal kootjes en die zijn op hun beurt weer onder te verdelen.

87
Ook die deeltjes zijn niet uiteindelijk reëel, omdat die weer onderverdeeld kunnen worden in atomen. Ook dat atoom is niet uiteindelijk reëel, omdat het weer verspreid wordt over de windrichtingen. Verspreid over de windrichtingen, omdat het geen deeltjes meer bezit, wordt het ruimte en die is niet reëel. Daarom bestaat ook het atoom niet als uiteindelijke realiteit.

88
Zo zijn dus alle materiële constructies even echt als beelden in een droom. Wie zich dat bewust is, kan er ook niet meer aan hechten! Als het lichaam dus niet bestaat, wie is er dan man of vrouw?

89
Als gevoel, bijvoorbeeld pijn, een werkelijk bestaand iets is, waarom drukt de pijn dan niet op degenen die zich blij voelen? Als je meent dat bijvoorbeeld iets lekkers aangenaam is, waarom smaakt het dan bijvoorbeeld niet iemand die door verdriet is overmand?

90
Als je van mening bent dat een bepaald gevoel niet ervaren wordt wanneer het door een sterker gevoel wordt overheerst, vraag ik mij af of dat gevoel dan bij iemand kan bestaan zonder dat het ervaren wordt.

91
Je zou kunnen zeggen dat het gevoel van pijn op een onmerkbare manier aanwezig is, maar dat de duidelijke manifestatie ervan onderdrukt wordt door het gevoel van blijdschap. Als het anders zou zijn, namelijk als het gevoel geheel en al uit plezier zou bestaan, dan zou de onmerkbare toestand van pijn er niet zijn.

92
Als volgens jou een gevoel van pijn niet opkomt omdat er reden is voor het tegenovergestelde gevoel, kom je dan niet tot de conclusie dat wat jij ‘gevoel’ noemt een schepping is van de verbeelding?

93
Deze reflectie is opgezet als een verwerping van het idee dat gevoel iets reëels is. Want ook de yogins hebben als dagelijkse bezigheid de meditaties, die voortkomen uit het gebied van de zuivere reflectie.

94
Maar gevoel komt voort uit het contact van de zintuigen met een object.’
Als je zegt dat er sprake is van twee verschillende dingen, namelijk zintuig en object, hoe kan er dan contact zijn tussen die twee? En als je zegt dat er geen sprake is van twee verschillende dingen dan zijn zintuig en object één en kan er ook geen contact zijn tussen die twee.

95
Hoewel zij niet meer deelbaar zijn is er wel degelijk samengaan mogelijk van atomen, maar in dat contact is er geen sprake van een onderlinge doordringing van deeltjes.’
Dat is zo. Een atoom kan niet binnendringen in een ander atoom, het heeft geen ruimte en het is gelijk aan dat andere atoom. Maar als er geen sprake is van binnendringen dan is er ook geen sprake van samengaan en als er geen sprake is van samengaan dan is er ook geen sprake van contact.

96
Het is absoluut onmogelijk dat iets dat ondeelbaar is met iets anders samengaat. Mocht je ooit in een samengaan ondeelbaarheid constateren, dan moet je mij dat eens laten zien.

97
En wat betreft het bewustzijn dat volgens jou ontstaat in het contact tussen zintuig en object, dat is niet materieel en op iets dat niet materieel is kun je niet een begrip als samengaan toepassen. Dat geldt evenzeer voor verzamelingen van atomen, de objecten, omdat ook die geen eigen realiteit bezitten, maar slechts opeenhopingen zijn van deeltjes die niet reëel zijn zoals ik al eerder heb verklaard.

98
Als er dus geen contact bestaat tussen zintuig en object dan kan er ook geen gevoel ontstaan, nietwaar? Waarom dan al die moeite om geluk te ervaren en lijden te vermijden.’ Voor wie zou er verdriet enzovoort bestaan – er is immers geen ‘Ik’ – en waar zou dat vandaan komen – er is immers geen contact tussen zintuig en object!

99
Nu je de situatie begrepen hebt – er is geen subject dat voelt en geen gevoel – waarom verdwijn jij niet, begeerte?

100
Je ziet, je raakt aan, maar dat wordt gedaan door een ‘Ik’ dat vergelijkbaar is met een droombeeld, een illusie, door een denken dat ontstaan is in afhankelijkheid van andere factoren, maar dat volgens de hoogste waarheid niet op zichzelf bestaat. En tegelijk met dat denken ontstaat wat je ziet of aanraakt. Daarom erken ik ‘gevoel’ niet als een reëel bestaand iets.

101
‘Iets dat tegelijk met het zien ontstaat, zie je niet. Pas daarna ontstaat de kennis, gebaseerd op de vorm van het object en die kennis is als het ware de “waarnemer” ervan.’
De kennis, of die nu eerder dan de waarneming aanwezig is of later, herinnert zich, maar ervaart niet. Gevoel ervaart zichzelf niet en wordt ook niet tegelijk door een ander soort kennis ervaren.

102
Er bestaat geen subject dat voelt, daaruit volgt dat er in werkelijkheid geen gevoel is. Dit complex, dat de menselijke persoon vormt, bestaat zonder ‘Ik’ en daarom is er ook geen individu dat met gevoel verbonden is.

103
Het denken bevindt zich niet in de zintuigen, noch in de objecten van de zintuigen, noch tussen die beide, niet buiten het lichaam, noch binnen het lichaam, en ook elders vind je het denken niet.

104
Iets dat niet in het lichaam is, noch daarbuiten, dat niet zowel binnen als buiten het lichaam is, noch ergens los daarvan, dat is niets. Daaruit volgt dat de wezens van nature al volledig verlost zijn.

105
Als zintuiglijke kennis er eerder is dan het object van kennis, waarop is zij dan zelf gebaseerd? Als je ervan uitgaat dat zij gelijk met haar object ontstaat, blijft de vraag waarop zij zelf gebaseerd is.

106
Ook als zij later zou ontstaan dan haar object vraag ik waar de kennis zelf vandaan komt. Met eenzelfde redenering kun je stellen dat niets ontstaan is, het ontstaan kan namelijk niet aan de oorzaak voorafgaan, noch tegelijkertijd optreden, noch erop volgen.

107
‘Als je op deze manier beweert dat de conventionele of empirische werkelijkheid niet bestaat, dan zijn er ook niet twee werkelijkheden. Ook als die conventionele werkelijkheid, die illusoir is, zou zijn ontstaan door middel van een andere conventionele werkelijkheid, dat wil zeggen door de geest, die zelf even onwerkelijk is, zou zijn geschapen, kan er geen sprake zijn van een ‘verloste’!

108
Zo’n ‘verloste’ bestaat alleen als een constructie in het denken van een ander, maar niet in de empirische werkelijkheid van hem zelf. Iemand die bepaald is door voorafgaande factoren bestaat in de empirische werkelijkheid, maar als hij daar niet meer door bepaald is bestaat de empirische werkelijkheid niet meer voor hem.

109
De voorstelling van denken en hetgeen voorgesteld wordt zijn van elkaar afhankelijk. Iedere overweging is volgens mij op deze twee gebaseerd en wel zoals zij in de wereld, dat wil zeggen in de conventionele of empirische werkelijkheid, worden gebruikt.

110
Als je kritisch nadenkt en dat zelf ook weer aan een kritisch onderzoek onderwerpt, kom je terecht in een eindeloze argumentatie, want iedere kritiek zou op zijn beurt weer bekritiseerd moeten worden.

111
Als hetgeen kritisch beschouwd moet worden inderdaad kritisch bekeken is, dan is er verder geen basis meer voor kritisch denken. Omdat het dan geen basis van bestaan meer heeft, komt het ook niet meer op. En dat wordt nirwana genoemd. (122)

112
Als je echter deze twee, het kritisch denken en dat wat overwogen wordt, voor werkelijk bestaand houdt, bevind je je in een uitermate slechte positie. Als je een object voor werkelijk houdt op grond van jouw kennis ervan, wat is dan de grond voor jouw accepteren van de realiteit van de kennis?

113
Of als je de kennis voor reëel houdt op grond van het object van die kennis, wat is dan de grond voor jouw accepteren van de realiteit van dat object van kennis? Of als je aanneemt dat zij op grond van hun reciprociteit beide reëel zijn dan bestaan zij geen van beide, omdat er geen bewijs is voor hun afzonderlijke realiteit.

114
Als je bijvoorbeeld zegt dat er geen ‘vader’ is zonder een ‘zoon’, wie is dan de oorzaak van het bestaan van de zoon? Als er geen ‘zoon’ is, is er ook geen ‘vader’. Daaruit zou dan volgen dat geen van beiden werkelijk bestaat.

115
‘Maar wij zeggen niet dat zij op grond van hun reciprociteit bestaan. De jonge plant komt voort uit het zaadje en het zaadje wordt in de plant geopenbaard. Zo openbaart de kennis die ontstaan is uit het object van kennis de realiteit van dit object. Waarom kun je dat niet concluderen?’

116
Je komt tot de conclusie dat er een zaadje is, niet op grond van het bestaan van de plant, maar op grond van iets anders, namelijk kennis van het verband tussen oorzaak en gevolg, zaad en plant. Maar hoe kun je de realiteit kennen van de kennis waarmee je tot de conclusie komt over de realiteit van het object?

117
De mensen zien op grond van directe zintuiglijke waarneming en van de kennis die daarop is gebaseerd vele verschillende oorzaken: de verscheidenheid van lotusbloem, stengel enzovoort ontstaat door een verscheidenheid van oorzaken.

118
Als je daarvan uitgaat kun je je afvragen hoe die verscheidenheid van oorzaken ontstaan is: op grond van een verscheidenheid van oorzaken die daar weer aan voorafgaat? Enzovoort.

119
‘God is de oorzaak van de wereld.’
Zeg mij eens: wat versta je daarbij onder God? Als hij de elementen is, wat een moeite doen jullie dan om het bestaan te bewijzen van iets dat alleen maar een naam is! Ik noem het elementen en jij God. Dat is toch geen verschil!

120
Maar de elementen, de aarde enzovoort, zijn samengesteld en niet eeuwig, niet tot activiteit in staat, niet goddelijk, zij zijn te verwaarlozen, onrein: de elementen zijn niet God.

121
Ook de ruimte is niet God, omdat zij geen activiteit kent. Ook het ‘Ik’ niet, want het bestaan daarvan hebben wij reeds ontkend. Als je zegt dat God niet te bevatten is dan zou ook het feit dat hij schepper is niet te bevatten zijn. Waarom wordt daar dan wel over gesproken?

122
‘ Hij is onmogelijk te begrijpen in zijn eigen wezen dat zeer moeilijk doorschouwd kan worden, maar zijn schepping kan wel begrepen worden.’
Wat heeft hij willen scheppen? Is dat de ziel? Maar die is volgens jou eeuwig en dus niet geschapen. Zijn het de elementen? Nee, want jij neemt aan dat ook die eeuwig zijn. Zijn eigen wezen? Maar hij is God en duw ook eeuwig. Is dat kennis? Dat kan ook niet want kennis komt te allen tijde voort uit een object van kennis.

123
Terwijl geluk en lijden een gevolg zijn van handelingen. Zeg mij: wat is er door God geschapen?
Verder: als de oorzaak, God, zelf geen begin heeft, hoe kan dan het gevolg, de schepping, een begin hebben? Is hij eeuwig, de oorzaak van de wereld, of niet? Als hij eeuwig is, heeft hij, de oorzaak van de wereld, geen begin, en daarom kan het gevolg, de wereld, geen begin hebben. Toch zien wij dat de wereld in iedere wereldperiode opnieuw geschapen wordt.

124
Waarom verricht hij zijn scheppingswerk niet voortdurend? Hij heeft immers met niets anders rekening te houden. Want er is niets dat niet door hem geschapen is. Waarmee heeft hij dan rekening te houden?

125
Als jij zegt dat hij rekening moet houden met een complex van voorwaarden om tot scheppen te komen, dan is hij niet de oorzaak. Hij is dan niet de meester in die zin dat hij kan afzien van handelen als het complex van voorwaarden geschikt is; en dat hij wel kan handelen als de voorwaarden niet geschikt zijn.

126
Als God handelt zonder dat zelf te willen is hij van een ander afhankelijk, aan een ander gehecht. Ook als hij handelt terwijl hij dat wel wil, zou hij afhankelijk zijn, namelijk van zijn wil. Dan is er als hij handelt geen sprake van goddelijke soevereiniteit.

127
Degenen die beweren dat de atomen eeuwig zijn, de aanhangers van de Mimamsa en Vaisesika, hebben wij al eerder weerlegd. De aanhangers van de Samkhya beweren dat er een eeuwige oorzaak van de wereld is, de Natuur (pradhana).

128
Natuur noemen zij datgene waarin de eigenschappen ‘goedheid’, ‘energie’ en ‘duisternis’ in een toestand van evenwicht zijn. De wereld beschouwen zij als een toestand waarin deze drie eigenschappen niet in evenwicht zijn.

129
Het is onmogelijk dat de Natuur, die één is, een drievoudig wezen heeft. Daarom bestaat zij niet. De eigenschappen bestaan om diezelfde reden ook niet afzonderlijk, want ook die zien jullie als drievoudig. Jullie zeggen immers dat alles uit een combinatie van die drie eigenschappen is samengesteld.

130
Als de eigenschappen niet bestaan, is er ook geen realiteit meer van het geluid, volgens jullie het eerst ontstane, en de rest van het universum dat voortkomt uit combinaties van de drie eigenschappen. Dan ontstaat er ook geen geluk meer, geen lijden en geen verblinding, gevolgen van de eigenschappen ‘goedheid’, ‘energie’ en ‘duisternis’. Immers geluk bij voorbeeld vind je niet in een kledingstuk of iets dergelijks, een ding zonder bewustzijn.

131
Zeg jij dat bijvoorbeeld kleren reële dingen zijn die bijvoorbeeld geluk kunnen veroorzaken, dan verwijs ik naar mijn uiteenzetting waarin ik de realiteit van dingen heb weerlegd. Daar komt bij dat in jou Samkhya-leer bijvoorbeeld Geluk, als behorend tot de eigenschap ‘goedheid’, de oorzaak is van het geluksgevoel en niet de kleren of iets dergelijks.

132
Wel is het zo dat er geluk kan zijn op grond van bijvoorbeeld kleren en dat er geen geluk kan zijn als die kleren er niet zijn.
Wat betreft de eeuwigheid van geluk enzovoort, zoals jullie die aannemen op grond van de eeuwigheid van de eigenschappen: die wordt nergens geconstateerd.

133
Als geluk steeds werkelijk zichtbaar gemanifesteerd zou zijn, zou je het overal en altijd moeten waarnemen.
‘Maar als het niet wordt waargenomen dan komt dat doordat het soms overgaat in een onzichtbare toestand.’
Maar hoe kan iets dat eeuwig is nu eens duidelijk zijn en dan weer onzichtbaar?

134
Mocht het overgaan in een onzichtbare toestand, nadat het de toestand van zichtbare manifestatie verlaten heeft, dan zijn beide toestanden niet permanent. En daar dat overgaan van de ene toestand in de andere ook geldt voor alle eeuwige dingen, is toch evident dat zij niet permanent, niet eeuwig zijn!

135
Als het geluk in de toestand van zichtbare manifestatie niets anders zou zijn dan Geluk zelf zoals dat aanwezig is in de toestand van evenwicht van de eigenschappen, de Natuur, pradhana, dan is duidelijk dat Geluk niet eeuwig is.
‘Maar juist als het niet bestaat moet je toch aannemen dat iets dat niet bestaan kan ontstaan!’
Uit die woorden blijkt dat voor jou vaststaat, ook al wil je dat niet, dat er iets ontstaat dat er niet werkelijk is.

136
Als, zoals jullie denken, het gevolg al in de oorzaak aanwezig is, zou iemand die rijst eet in feite uitwerpselen eten. Als kledingstuk zou hij een zaadje van een katoenboom kunnen kopen en er zich mee bedekken!

137
Jij zegt dat de mensen uit verblinding niet inzien dat het gevolg al in de oorzaak aanwezig is. Maar ik zeg: ook jij, kenner van de waarheid, blijft je gedragen als die verblinden, ook jij gaat door met het eten van rijst en kleed je niet met een zaadje van de katoenboom.

138
Ook voor gewone mensen zou deze wetenschap bereikbaar zijn. Waarom zien die het dan niet?
Jij zegt dat dat komt doordat de gewone mensen geen passend middel hebben om tot die kennis te komen. Als dat zo is dan bezitten zij ook niet de mogelijkheid duidelijk gemanifesteerde dingen waar te nemen. En dat is voor ons evident. Want alle gewone kenmiddelen zijn volgens de hoogste waarheid geen kenmiddelen.

139
‘Maar als het kenmiddel niet werkelijk een kenmiddel blijkt te zijn, is ook het inzicht dat daarmee bereikt wordt vals. Daarmee is dan ook jouw leer van de Leegheid van de dingen volgens de hoogste waarheid onjuist.’

140
Als je je niet vastklampt aan iets waaraan door de verbeelding realiteit is toegekend, dan klamp je je ook niet vast aan iets dat niet-bestaand is. Van iets dat niet werkelijk bestaat is het niet-bestaan natuurlijk ook niet werkelijk.

141
Als je droomt dat je een zoon verloren hebt dan is het idee ‘hij is er niet meer’ een valse voorstelling. Dat idee maakt een eind aan het idee dat hij bestaat, hetgeen eveneens vals is.

142
Dus: door op deze manier kritisch te denken blijkt er niets te bestaan dat geen oorzaak heeft. Ook niets dat in aanzet aanwezig is in de oorzaak of de oorzaken, afzonderlijk of allemaal tezamen.

143
Er blijkt ook dat niets van de ene plaats of tijd naar een andere plaats of tijd gaat, dat niets hetzelfde blijft en dat niets ergens anders heen gaat. Wat is het verschil tussen een illusie en dat wat de dwazen voor werkelijk houden?

144
Of het nu door een illusie geschapen is of door oorzaken: er moet onderzocht worden waar het vandaan komt en waar het heen gaat!

145
Iets dat slechts waargenomen wordt doordat het zich in de nabijheid bevindt van andere dingen, bestaat niet apart van die dingen. Het is, gelijk een spiegelbeeld, iets kunstmatigs. Hoe kan dat realiteit bevatten?

146
Wat is het nut van een oorzaak voor iets dat werkelijk bestaat? Wat het nut van een oorzaak voor iets dat niet werkelijk bestaat?

147
Iets dat niet bestaat kan niet veranderd worden, nog niet door honderdduizend oorzaken.
‘Maar het gaat niet om een verandering van iets dat niet bestaat, maar om het ontstaan ervan.’
Hoe kan iets dat niet bestaat ontstaan? En wat anders kan er tot een toestand van bestaan komen dan iets dat niet bestaat?

148
‘In de tijd van het niet-bestaan is er geen bestaan, maar op een bepaalde tijd zal het bestaan worden door het verdwijnen van het niet-bestaan.’
Als bestaan niet aanwezig is tijdens het niet-bestaan, zal er nooit bestaan zijn.

149
En: zolang niet-bestaan niet verdwenen is komt er geen aanleiding op voor bestaan. Het bestaande kan ook niet tot een toestand van niet-bestaan komen, want als dat zo was, zou daaruit volgen dat iets de dubbele natuur zou bezitten van bestaan en niet-bestaan, en dat is onmogelijk.

150
Er is dus nooit sprake van vernietiging evenmin als van ontstaan. Heel deze wereld is zonder ontstaan en zonder vernietiging.

151
De vormen van bestaan zijn even onwerkelijk als een droom, even vergankelijk als een bananenboom. Er is ook geen wezenlijk verschil tussen hen die verlost zijn en hen die niet verlost zijn.

152
Als alle dingen leeg zijn, wat wordt er dan nog bereikt, wat verloren? Wie zal er nog geprezen worden, wie veracht? Door wie?

153
Waardoor is er geluk of lijden? Wat is aangenaam of onaangenaam? Wat is begeerte en waar zou die in werkelijkheid gezocht moeten worden?

154
Als je er kritisch over nadenkt vraag je je af wat de wereld van de levenden is. Wie zal er daar sterven? Wie zal er geboren worden? Wie heeft er geleefd? Wie is er familie, wie vriend? En van wie?

155
Laten allen die even dwaas en onwetend zijn als ik, inzien dat alles leeg is zoals de ruimte leeg is. Wij worden kwaad om onwerkelijke ruzietjes en wij zijn blij met onwerkelijke pleziertjes.

156
Wij zijn in ons leven met verdriet en inspanningen, met depressies, met elkaar pijnigen en kwetsen, met veel moeite, met kwaad, op zoek naar ons eigen geluk.

157
Na onze dood komen wij terecht in lagere vormen van bestaan, bij voorbeeld in de hel, waar wij langdurig en hevig pijn lijden. En als wij dan uiteindelijk aangeland zijn in een goede vorm van bestaan, bij voorbeeld in de hemel, zitten wij ons steeds meer te vergenoegen in dat onwerkelijke geluk.

158
[onvertaalbaar verklaard]

159
In de kringloop van het bestaan zijn er onvergelijkbare, hevige, eindeloze oceanen van leed. Er is weinig kracht en een korte levensduur.

160
Je bent er voortdurend bezig om in leven te blijven, om gezond te blijven. Er is honger, ziekte, uitputtende arbeid. Er is slaap. Er zijn natuurrampen, er zijn nutteloze contacten met dwazen.

161
Doelloos en snel gaat het leven voorbij. Door al deze dingen is het vrijwel onmogelijk enig onderscheidingsvermogen te ontwikkelen, en te komen tot een stopzetten van de aangewende verwarring van het denken.

162
In deze kringloop van het bestaan probeert Mara ons in de afgrond van de hel te werpen. Twijfel is er moeilijk te overwinnen vanwege de veelvuldige confrontatie met onjuiste en slechte praktijken en ideologieën.

163
Nog een keer een menselijke geboorte tet krijgen is erg moeilijk, nog moeilijker is het om de verschijning van een Boeddha in deze wereld mee te maken en om de stroom van de hartstochten tegen te gaan. Ach! Wat een opeenvolging van leed!

164
Ach! Wat ontzettend beklagenswaardig is de toestand van de wezens die in deze stroom van lijden verkeren, die hun eigen slechte situatie niet kennen, te zeer ingekapseld in die slechte toestand.

165
Zij lijken op iemand die zich in het vuur werpt, telkens als hij een koud bad genomen heeft. Zij hebben het idee dat zij zich in een gelukkige toestand bevinden, terwijl zij er in feite uiterst slecht aan toe zijn.

166
Zo blijven zij volharden in hun spel van jeugd en onsterfelijkheid, terwijl er afschuwelijk onheil op hen afkomt, de dood voorop.

167
Ik hoop eens het vuur van het lijden te verzachten voor allen die gekweld worden, door regens van geluk die voortkomen uit de wolken van mijn eigen verdiensten!

168
In deze conventionele werkelijkheid zal ik de Leegheid leren aan allen die overtuigd zijn van de realiteit van het bestaan, en vol respect, het noodzakelijke bezit van verdienste zonder daar realiteit aan toe te kennen.