Simon Vinkenoog

‘Ik ken de woorden van de taal niet die ik spreek, en verwonderd zie ik mijn gedachten na.’ Poëzie van schrijver en dichter Simon Vinkenoog (1928-2009).

Redactie Hans van Dam; titels origineel.

Dwaalgids > Belletrie > Simon Vinkenoog


bron: Vinkenoog verzameld: Gedichten 1948 -2008, 2008


[zonder titel]

ik ken de woorden van de taal niet die ik spreek
en verwonderd zie ik mijn gedachten na,
het zijn de handen van de liefste niet
het zijn geen zwanen in het water
het is geen hulpkreet
die de muur doorbreekt,
het is ook de wereld niet
waarin ik verga.
(13)


Faits divers

Je est un autre.
Arthur Rimbaud

ik ben een vreemde in eigen bloed
mijn hartslag klopt aan andere deuren
van het schuim der goden herken ik de kleuren
maar het is ik die mij huiveren doe

het zijn de eigen ogen die mij breken
en de stenen
die als ontluikende bloemen
langzaam aan de ingewanden groeien

ik ben verdronken in dit drijfzandlied
van waaruit duizend doden smeken:

– in dit naaktlandschap dat leven heet
drijft doodgezongen de tijd uiteen –
kringen verleden zonder heden
woorden klanken gestamel
(18)


uit Koorts

het boek te lezen en het boek te schrijven
dat alles zegt
verwachten en wanhopig wezen:
met de pen in de hand
geen woord kunnen zeggen
tussen duizenden boeken
geen woord kunnen lezen

schrijfstom en leesblind zijn

vergeten het woord dat amen zegt
het schrijven verleerd de pen
een doelloos voorwerp tussen lege
vingers: koortsthermometer
het boek een onbeschreven blad
de taal die ik bezat
verloren
eeuwig vergeten
doof en eindeloos wit
in de marge geboren
(27)


Handel

ik handel in gebaren
in en verkoop expertise
ik wuif met mijn handen
door de dagen zonder winstbejag

ik drijf handel met mijn stem
een lege stem een weerhaakstem
en in mijn vingers danst
de lucht vol blote tekeningen

ik woon in het weke zand
van afrika ik ken de dorpen
van de oekraïne en ik loop alleen
door de straten langs de seine-kaden

ik weeg voortdurend mijn eigen-
waarde tegen het leven af
ik lieg niet meer ik spreek geen
waarheid noch orakeltaal

ik weet niets meer ik geloof niet meer
ik doe alleen in liefde tweedehands-
herinneringen

ik spreek de natuur niet meer tegen
ik ben bij de aanvang aller dingen
thuis
(56)


uit Science-fiction: levenslust

De eerste wetten van de tijd:
alles moet weg, en niemand is gehouden
de wet na te leven, alles is weg,
niets blijft bestaan, alles verandert,
niets is wat is
zoals het is en/of is, en/en is,
beide – geen van beide…

Nog ik van vrijheid droom.
nog ik de wijsbegeerte achterna,
de liefdesbegeerte, de begeerte naar schoonheid
die áftrappend dicteert, de balletten van het
scheppende lichaam,
zon op of zon onder achter waterlandverfland-
schappen.
wolkenformaties, trillingen licht en kleur en kleur en klank en

– het woord betrapt. Alles Achteraf Overbodig
Achterhaald.
Om Niets. Niets Gebeurt; in niets alles schuilgaat,
alles zich openbaart, vergaart, verklaart,
nieuw maakt, eenmalig maakt, tot ervaring
maakt…
(466)


Als…

Als wij eens wisten, dat het leven alleen maar uit
openbaringen bestond, zouden wij nog bang voor de dood zijn?

Als wij eens wisten, dat de wonderen waaraan wij zo gewend
zijn, nog steeds grote wonderen zijn?

Als wij eens wisten, dat de dood niet bestond en het eeuwige
leven HIER & NU gestalte krijgt, zouden wij nog bang
voor de dood zijn?

Als wij eens wisten, dat er meer dimensies waren dan die wij
nu kennen, zouden wij niet verder willen?

Als wij eens wisten, dat het leven een voorbereiding op
de dood is, zouden wij weigeren te leven?

Als wij eens wisten, dat de dood in ons schuil gaat?
Als wij eens wisten, dat de dood naast ons staat?
Als wij eens wisten, dat de dood ons het naast staat?
Als wij eens wisten, dat wij ons niet kunnen verschuilen?

Als wij eens wisten
Als wij eens wisten
Als wij eens wisten
(470)


uit Verkenning in niemandsland

Verkenner in niemandsland
tussen hier en eeuwigheid beland
tussen ruimte en tijd
tussen links en rechts tussen oost en west
tussen volmaakt en onvolmaakt
tussen goed en temidden van ’t kwaad
tussen wet en onrecht
tussen spijt en respijt.

Stop, stil, wacht: verkenning in Niemand’s land
niets aan de hand – geef maar mee
– sta maar toe – laat maar gaan.

Tussen nu en nooit
tussen toen en dan
tussen ‘jamaar’ en ‘laat maar’
tussen de wal en de sloot
tussen nakend en bloot
tussen vriend en vriendin
de wijde eigen wereld in
– achter ons groeit de jungle weer dicht,
en vóór ons gaat alles weer open
(544)


uit Made in Limburg

Ik leg een knoop in mijn oor
en vergeet wat ik weet:
een onbeschreven blad
waar de tijd geen vat op heeft.

Toe maar. Ga maar.
Laat maar gaan.
Laat maar los.
Toch altijd weer…
Toch! Altijd! Weer!
een nieuw begin moeten maken
opnieuw de handen uit de mouwen
opnieuw de vraag ‘waarom?’
vanaf het begin
opnieuw te ontsluiten

openbreken openhouwen
openbaren
(552)


uit Boven de boomgrens

HIER PRIMAL SCREAM,
want wat weet ik ervan
die geboren en herboren werd,
dat het pijn deed,
of het pijn deed!
Geworpen in de paradox,
met lichaam bekleed,
onzichtbaar geworden.
(563)


uit Rondo allegro

Het weten dat niets hoeft te bewijzen.
De wetenschap zonder formules.
De geheime leer van het niets.
Ervaringen tijdens het vallen.
(570)


uit Staan en gaan

Het laat zich leiden door het rijm,
een oud geheim –
het doet je wat, het leert je wat,
je leert het af, het groeit weer aan
tot je de woorden laat begaan
– en jij niets meer weet,
het woord zich met je meet
met wat je wist of dacht of was
gegroet, o heilig gras!

Als je nergens meer bent,
onwennig en ontwend herkent:
dit is het pas.
Hier staat het.
(601)


uit ‘Naam’

alles zeker niets zeker
leeg zeker vol zeker

niets begint niets eindigt
niet een dag niet een minuut
niet een leven

niets dan leven.
(660)


uit De weg van de dwaas

Waarom danste Krishna met de meisjes?
Welk wijsje speelde de rattenvanger van Hameln?
Wie weet waarom de dwazen reageren?
Waarom moest Adam proeven van de vruchten
van de boom van kennis van goed en van kwaad?
Waarom stierf Jezus Christus aan het kruis in Golgotha?

Of niet soms? Of wel? En dan weer: zó is het,
of niet soms?

Soms is éénmaal álles waar
– geen vraag meer en geen antwoord;
wie kent nog een weg die niet naar God leidt?
Wie durft nog ontkennen dat alles alles even waar is?

wat is het leven toch een grap!
Wat een dure grap!
Wat een kosmische practical joke!
Het leven: je kunt er niet mee, en je kunt er niet zonder.

De mens als oefening: als loutering:
als ontluistering: als benadering:
als begeleiding –
om verder te gaan,
hoger te komen,
dieper in af te dalen
– van de verregaande vergezichten van het licht
en de diepste duisternissen:
hoe hard het ook is, toe kunnen geven:
ook dit ben ik, broeder moordenaar,
zuster bedriegster
– hoe hard het ook is, omdat het werkelijk verbijsterend is,
meedogenloos wreed soms, van geen ophouden weet.
(664)


uit À propos (Poetry Factory)

Waar alles is open gelegd
niets je meer beidt of opwacht,
niets meer voor je of naast je staat –
Jij alleen daarin, en ik spiegel ik
tussen mensen die ik niet ken
en die net als ik hun begin zonder
end met zich meedragen, zonder
alias of alibi –
(739)


uit Eigenleerdicht

Nooit meer éen vraag stellen – in voortdurende vraagtoestand
blijven.
(748)


uit Zoden aan de dijk of de wal keert het schip

SUMMA SCIENTIA NIHIL SCIRE

De nieuw-ontwaakte mens weet dat hij niets weet –
(758)


Zelf gezien

Driftig krabde de meeuw
zich achter zijn veren oren,
rechterpoot geheven,
als een kat, dacht ik.

Ik was het vergeten
dat vogels dat ook konden:
zich achter de oren krabben.

Onweerlegbaar
en vanzelfsprekend
gedachten dromen
werk voltooien
spelen

in de wende van vraag en teken

waarom? daarom.
(767)


Ik roep

Wat doe ik hier?
Ik roep.
Ik roep.
Ik roep.
Ik weet niet wat ik roep.
Wie ik roep weet ik niet.
Ik roep iemand zwak, iemand gebroken, iemand trots
door niets gebroken.

Ik roep.
Ik roep iemand daarvandaan,
iemand verloren in de verte,
iemand van een andere wereld.
Ik roep.
Voor dit instrument zo helder, is het niet alsof
met mijn eigen dove stem.
Voor dit zingend instrument dat mij niet oordeelt,
dat mij niet gadeslaat,
verliezend alle schaamte, roep ik,
roep ik,
roep ik uit de diepte van het graf van mijn jeugd
dat dreinst en zich samentrekt,
uit de diepte van mijn huidige woestijn,
roep ik,
roep ik.
De roep verbaast mij zelf.
Hoewel het te laat is, roep ik.
Om mijn plafond te doorbreken
zonder twijfel
bovenal

roep ik.
(781)


Doolhof

Er is geen eind
en er is geen begin,
je komt er nooit uit
en je gaat er nooit in

Je eerste passen
zijn je laatste schreden,
linksom of rechtsaf:
geen enkele reden.

Je loopt in het vierkant
en je loopt in het rond,
soms denk je: hier ben ik
eerder geweest hier is het
alsof ik er eerder
– even zoekend en spiedend –
stond.

Je stapt vooruit en schrikt terug,
je spiegelt en weerspiegelt,
gekromd, vermomd, verstomd –

Je bent alleen
al tel je velen
die met je
hetzelfde pad begaan.

Soms wacht je, volg je,
leid je even – steeds blijft
de tijd voor je stil staan.

Is dit nu? Was dit toen?
Heb ik wel? Moet ik dan?
Geen vraag komt meer in je op,
een antwoord is niet te geven.

Levend, dood hangend, zittend, liggend,
lopend, fietsend, snel of langzaamaan –
alles om het even.

Laat me eruit! gil ik en rammel
aan de tralies: laat me erin!

Laat me leven! beuk ik
aan de onzichtbare poort,
en kijk om me heen.

Niemand, niets, zie ik,
doet iets anders:
levend beleven.
(788)


Chaos

Woest en ledig
alvorens dit begon
evenmin orde
scheppende regelmaat
waanzin kortzicht
aan het bewind

Tussen yin en yang
tuimelt de tol
die de mens betaalt
tussen Hel en Hemel
brandt het vuur
stroomt het bloed
sidderen de gedachten
verdwalen de gevoelens
verontrusten de gemoederen
Schande! roepen de
verontwaardigingen
Kwaadaardige
betweterige herinneringen

God Allemachtig
roept de stem en aanvaardt:

gaan moet het zoals het gaat
geen zee te hoog
voor niets vervaard
en altijd onderweg

Heg noch steg.
(795)


In de eerste plaats dit

In de eerste plaats dit:
de voetstappen ongeteld
en de mensen onmetelijk

De trage uren van de winter
als de dag niet licht
en de avond nooit nacht wordt

In de eerste plaats dit leven
en overleven – hoe heugt
het geheugen?

Hoe klinkklaar dit alles
hoe eigen en nooit anders
dan zichzelf in eigenste
eigenheid

Hoe onuitsprekelijk
hoe ontzag wekkend
hoe vertrouwd en onbekend

hoe teder en breekbaar
voelbaar en hoorbaar
dit heilige alles
(801)


uit Herinnering

Toen je nog niet wist
dat iets de eerste keer was

Toen je nog niet wist
dat je iets kon onthouden of vergeten

Toen nog niet tot je was doorgedrongen
hoe belangrijk het was zeker te weten
niets te weten
(802)


Kriskras

Waterpas – de hele wereld past – elk gezicht daarin
en niettemin en desalniettemin en niettegenstaande doen mee
en ja maar en jammer en nou ja en ja en of
kriskras vergaard geen woord verjaart telkens nieuw
de rechter en de linker stap de vooruit en de achteruit
het paradepaard van de paradox en de kleuters in hun bow
de datum die je vergeten was het eerste en het laatste ras
volgas, plank- of tegengas kriskras

schrikdraad waar gevaar op staat
een raam waarachter muziek aanstaat

Kriskras signalen in je oor
elk geluid op het eerste gehoor
kriskras vegen op je netvlies
ruimte voor elleboog en linker lies

startklaar apparaat tot beamen paraat
gris gras woord pas kriskras

kriskras
voor de rondvraag een cirkelzaag
voor de agenda voor de goede orde voor het ogenblik
van de weeromstuit van de weerga niet van de kouwe grond

zelfgemaakt aangeraakt meegeproefd ingevoeld
aangevreten doorgewinterd overgeleverd

kriskras

tussen lotus en robot
tussen doen en laten
onvoorbedachte rade
tussen hoeken en gaten
de melkweg gestremd
kriskras

van zeker naar onzeker
het hoogste lot
het veegste lijf
de kruispolka
kriskras waar was jij
kriskras waar ben jij gebleven
kriskras waar kom jij vandaan?
(821)


De vlucht van de adelaar

ik vlucht in de letters
ik vlucht in de woorden
ik vlucht in mijn werk
ik vlucht in mijn liefde
ik vlucht in de studie
ik vlucht in gezelschap
ik vlucht in de libanese hasjisj
ik vlucht in de merdeka-wiet
ik vlucht in mijn vriendenkring
ik vlucht in het nietsdoen

ik vlucht in het nächtsliegende
ik vlucht in de toekomst
ik vlucht in de wereldrecordpoging
anderhalf miljoen dominostenen omverwerpen
ik vlucht in mijzelf
ik vlucht naar voren
ik vlucht naar binnen
ik vlucht nergens heen
ik vlucht nergens vandaan

ik sta mijn mannetje

ik vlucht in de poëzie
ik vlucht in de vluchtpogingen
ik vlucht in het duister van de nacht
ik vlucht in mijn netvlies
ik vlucht in de herinnering
ik vlucht in de kantlijn van de zesentwintigste regel
ik vlucht in mijn vingervlugheid
ik vlucht voor jou
ik vlucht voor allerlei meningen
ik vlucht voor het verslindende daglicht
ik vlucht voor de vrede

ik vlucht voor de luidkeels dubbelganger
die mijn strottenhoofd bewoont
ik vlucht niet langer
ik vlucht in de overgave
ik vlucht in het moment
ik vervluchtig

ik vlieg
(836)

 


uit Het mooist

Het mooist is
niets meer hoeven tegen te spreken
niet meer te verbleken
door de grond te zakken
wennen aan het boven de afgrond hangen

Het mooist is
alles geheel zichzelf
en oorspronkelijk
geen vergelijk
beter of minder
geen last
en geen hinder
(864)


Eenvoud

Alles zo vanzelf laten gaan,
dat het lijkt alsof het geen moeite kost.

De handen eenvoudig uit de mouwen,
doen wat vanzelfsprekend wordt.

De namen krijgen vergezichten,
de zon draait de dag in het rond.

Morgen weer heel andere dingen,
geen wereld waar geen eind aan komt.
(869)


uit Wie ik ben

Ik ben wat zal-zijn en is:
deel van het leven zelf,
een open geheimenis.

Overal vormen te vinden
Overal verhaal te halen
Overal chaos & orde
Overal uiteen & ineen
Overal tekens & betekenis
Op weg naar de vraag wie wij zijn,
en wie wat waar hoe en waarom
wij in leven zijn,
het leven IS.
(885)


‘Kiezen’, (een keuze-onderwerp)

Wie voor is, of tegen,
wie ja zegt of nee, of misschien,
het hangt er van af.
Scrupules en overwegingen,
argumenten en meningen,
over mijmeringen en ideeën,
over tolerantie en vrijheid
en/en/oftewel
moesten die Twee van Breda
nu vrijgelaten worden of niet?

Kiezen voor vrede, in vrede
met je vijanden leven
(zoals de zoon van Frederik van Eeden,
die ondertussen ook al weer 78 jaar is)

Kiezen of stemmen, zwijgen of
toestemmen,
voor jezelf, de ander, de wereld, de
kosmos,
geheel en al jezelf, al dan niet
vertegenwoordigd door 150
praatkamerleden,
in de wandelgangen kiezen,
de gangen van je menu,
links af of rechts af,
vooruit of achteruit,
stopzetten of voortgaan,
vechten of vluchten
of
geen van beide?

Vlees noch vis
merg noch been
bloed noch zweet of tranen
kiezen voor dood of leven
kiezen voor de overgave
kiezen voor het vege lijf
kiezen voor de naakte wanhoop
kiezen voor de juiste woorden
kiezen voor een taal die niet liegt
kiezen voor het woord
dat altijd
verdervliegt.
(886)


uit Jaloezie, etc.

Niets dat zeker is staat vast
een en al beweging is ‘t, onverwacht
en verrast
(894)


Wie, wat, waar

Wat hebben wij gemeen?
Wat delen wij met elkaar?
Welke woorden zijn echt, en welke alleen maar nagepraat?
Waarom doen wij wat wij doen?
Wat brengt ons samen, wat hebben wij gemeen?

In hoeverre lijken wij op elkaar,
waarin zijn wij anders, of anderen,
waarom deze ontmoetingen rond het woord,
waarom de stilte van het schrijven,
waarin alles van binnenuit wordt gehoord?

Wat voltrekt zich in ons wezen,
wat gebeurt er als wij schrijven?
Welke technieken, methodieken, welke ingevingen,
openbaringen, welke toevalstreffers, welke dwaalwegen?

Wat hebben wij te zeggen?
Wat hebben wij ons zelf, elkaar, anderen te zeggen?
Waar gaat het om,
waar slaat het op,
wat is er aan de hand, en
‘wat,’ zei je, ‘is de vraag?’

Wat hebben wij te zeggen,
wat kunnen wij naar voren brengen,
waar willen wij naar luisteren, naar wie en waarom,
wat hebben wij voor,
wat laten wij achter,
waarom schrijven wij?

Waarom onze monden open,
waarom anderen confronteren, tegemoettreden en ontmoeten?

Wat herkennen wij,
wat weten wij, wat delen wij? Delen wij mee,
delen wij in de gave van het woord,
geven wij tekens van een oer(to)taal?

Wat doet de schrijver?
Wat beweegt de dichter?
Hoe komt de zanger aan zijn lied,
wat zijn onze laatste woorden?

Wat blijft er van ons over?
Wat zijn wij meer dan stof en as?
Wie roert in de oersoep van de herinnering,
wie stoot zich aan het buitengebeuren,
wie leeft rijk, diep, innerlijk en oprecht?

Wie heeft vrede gevonden?
Wie zingt zich vrij-uit?
Wie ademt verbeeldingskracht?
Wie heeft het hoogste woord?

Wie wacht op een ander?
Wie heeft de eigen weg gevonden?
Wie kan het leven weerleggen?

Wie stelt de vragen?
Wie kent de antwoorden?

Wat betekenen deze woorden?
Wat hebben wij te zeggen?
Wat hebben wij gemeen?
(907)


uit Vertrouwde gezichten

de niet te weerleggen verwondering
van het kind dat voor het eerst zijn ogen opent
(915)


Solo

Woorden gedragen door een stem
zo ben ik hem zo ken ik hem
nog steeds

in woorden op papier
reikend van ver naar hier
nog steeds

quantumsprong oneindigheid
waar de grens zichzelf overschrijdt

tussen eens en altijd
nog steeds
(972)


House

De genen verstek laten gaan
de jeugd laten opspelen

aangeboren of verworven
overgeleverd of georven

meegemaakt of voortgesleurd
halsoverkop doormidden gescheurd
lumineus tenonder doorgedonderd

geen open boek de wereld
geen uitzicht onthult zichzelf

de vrije hand heeft nog niet toegeslagen
alles houdt op aan het eind van de straat
(975)


Letter en leven

Niemand ontvalt je
in het Niets dat overblijft

ruim is de keuze, tussen
nacht en nevel, rook
of vreugde

hel en hemel staan in brand
broeit en schroeit de Aarde

ere wie ere toekomt
ik brandschat
(977)


Groet

In de pijnkamer van onthechting
overgave deint en dreint

alles weten om niets te weten
lessen vergeten alles opnieuw
van te voren

kleine roofridder
hard als staal

adieu
(979)


uit Invisible man

Hij meldt zich,
niet aansprakelijk voor ongelukken,
als ontdekkingsreiziger in Niemandsland,
incognito gerakend aan de aanvang der tijden.

Hij laat de eerste keer niet los –
het teder wonder mens zoekt tijdloos onderdak
stuiterend weerom op de brug
tussen sterven & geboren worden,

schuilgaand aan de zelfkant
van de zelfkant van de
zelfkant –

verkenner en waarnemer van de leemte
tussen dag en nacht,
levensgroot op scherp gesteld.
(1002)


uit De kunst

Onbekend en onverwacht. Onvoorstelbaar,
nooit gedacht. De euvele moed
en de wervelwind – een ouder een kind.

Het verhaal van de mens is nog nooit geschreven
er is nog nooit iets begonnen of ten einde gebracht
er is nooit verder dan tot het verst voorstelbare gereikt.

Het laatste woord is nog nooit gezegd
op het slappe koord geen koers verlegd.

Het onzichtbare avontuur:
het kent geen tijd het kent geen duur
geen trend of mode
geen leergang cursus of diploma
geen eerbetoon of geheime leer.
(1005)


Niets dan goeds

Niets dan goeds
onder woorden brengen
niets dan goeds
op je kerfstok hebben
niets dan goeds
als metgezel

– maar ik wist niet wat
noch wist ik hoe

tranen drogen
honger stillen
dorst lessen

pijn doen verdwijnen
honger uit de wereld helpen

– maar ik wist niet wat
noch wist ik hoe

kwaad bestrijden
twisten laten betijen
oorlogen doen wijken
vriendschappen sluiten
eigen taken kwijten

– niets dan goeds
maar ik wist niet wat
noch wist ik hoe

Niets dan goeds wens ik de wereld toe
levenskrachtig levensmoe tot daden geleid
of aan het einde van de strijd
in een tartende tussentijd
uit de hoorn des overvloeds
niets dan goeds
in de toekomende tijd
(1015)

We may come, touch and go, from atoms and ifs, but we are presurely destined to be odds without ends.
(James Joyce, Work in progress,Transition, Parijs)
(1063)


Satsang

Wijze woorden wil ik zwijgen
In alle talen lachen leren

Spelen met ideeën en begrippen
(hersenen en kuitenflikkers)

Alle ritmes wil ik dansen
Tijd en ruimte samen verschalken.

Het leven zelf en de zin daarin
De zon boven dit alles
En wij daarin –

In alle talen kunnen zwijgen
In alle talen lachen leren
(1067)


uit Natura Artis Magistra

Is dan alleen het leven waar,
als ik weet ‘wie ik ben’,
jij bent, wij zijn, de mens is?
(1070)


uit Ik leef van de pen

ik leef van de dingen die mij te binnen schieten
ik leef van het weten niet te weten
ik leef met hart en ziel, lijf en leden
ik leef van binnen en van buiten,
inzicht en uitzicht

ik leef van nieuws, ik leef vanouds
ik leef van jong en vertrouwd
ik leef van ingeving en uitlaatklep
ik leef zonder einde of begin
ik leef in alles midden-in.
(1073)


uit Afscheid van een onbekende

Je bent een raadsel, mens,
of je al dan niet weet
waar je vandaan komt
en waar je heen gaat.
(1092)


uit Lara Cornelia Philips

o, mysterie dat ons omgeeft
hoe alles leeft en ons overleeft
van zand en gras wortel, boom vuur en as
(1095)


van de website simonvinkenoog.nl:


Niet iets niet

Niets weten wij, en van dat Niets veel te weinig. Die Leegte, the Void, geen tijd, geen plaats, niet iets, ook niet iets niet.


uit Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte:


Blijven uitdijen

Ik heb niets weten vast te leggen in wereldbeschouwelijke systemen, ik behoor niet tot die piramide-bouwende vastleggers, die nooit een uitgang vrijlaten, ik schep hier geen nieuwe modellen van het heelal, ik wil blijven uitdijen, elke minuut van mijn leven zijn er ontelbare geweest, die ik, tijdloos beschouwende, van vele dimensies kan voorzien. (En de talloos meerdere, die ik zelf niet zie: de gevolgen en de oorzaken, de anderen, degenen die door mijn daden werden beïnvloed, die er van leerden, of iets afleerden.) Misschien schrijf ik nog eens vanuit een andere dimensie, nu deze mij zo bekend zijn geworden en mij soms te krap zitten.