Soefisme

‘Zij die zich aan hun eigen zicht vastklampen, blijven blind als vleermuizen in het volle licht.’ Citaten uit de islamitische mystiek.

Titels en redactie Hans van Dam, illustratie: Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Mystiek > Soefisme

Tip: De derwisj en de dwaas


uit Het pad van de Soefi, Idries Shah, uitgeverij Ten Have, Kampen 2009:


Losmaken

Soefi zijn wil zeggen zich losmaken van dwangvoorstellingen en vooroordelen; en niet proberen te ontlopen wat je lot is. (Abu-Sai, zoon van Abi-Khair, pagina 4)


Het lege boek

Het boek van de soefi is niet geletterdheid en letters. (Rumi, 59)


Berooid

Je bezit alleen maar wat niet bij een schipbreuk verloren kan gaan. (El Ghazali, 74)


Onthouding

Het geheim moet aan alle niet-mensen onthouden worden. Het mysterie moet aan alle idioten verborgen blijven. Zie wat je de mensen aandoet. Het Oog moet aan alle mensen verborgen blijven. (Khayyam, 76)


Niet de hel, niet de hemel

In cel en kloostergang, in klooster en synagoge: Sommigen vrezen de hel en anderen dromen van het paradijs. Maar niemand die werkelijk de geheimen van zijn God kent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant. (Khayyam, 76)


Wie dan wel?

Hoewel wijn verboden is, geldt dit al naar gelang wie ze drinkt, al naar gelang hoeveel, ook met wie men drinkt. Als aan die drie eisen voldaan is: spreek eerlijk; als de wijzen geen wijn mogen drinken, wie dan wel? (Khayyam, 77)


Helaas

Je bent geen goud, onwetende en onachtzame,
Zodat, eenmaal in de aarde, iedereen
je er weer uit haalt.
(Khayyam, 77)


Toverlantaarn

Weet je wat een mens van de aarde kan zijn, Khayyam? Een lantaren van fantasieën en daarbinnen een lamp. (Khayyam, 78)


Basta

Iedere clique heeft een theorie over mij. Ik ben mezelf; wat ik ben, ben ik. (Khayyam 78)


Een lege dop

Een muezzin in Ishafan was naar de top van een minaret geklommen en riep ten gebede op.
Intussen kwam er een gek langs en iemand vroeg hem: “Wat doet hij daar, in die minaret?”
De gek zei: “Die man daarboven is waarlijk aan het schudden met een notendop waar niets in zit.”
Als ge de negenennegentig namen van God aanroept, speelt ge eveneens met een holle notendop. Hoe kan God nu door namen gekend worden?
Aangezien ge niet met woorden over het wezen Gods kunt spreken, is het maar het beste over helemaal niemand te spreken.
(Attar van Nishapur, 83)


Alles verliezen

Verneem over de tijd toen er zielen waren en geen lichamen.
Dit was een periode van enkele jaren, maar elk van die jaren was er een van onze millennia.
De zielen waren alle in slagorde geschaard. De wereld werd hun getoond. Negen van de tien zielen renden eropaf.
Daarop werd de overblijvende zielen de hel getoond. Negen van de tienden renden er vol afschuw van weg.
Toen waren er nog maar enkele zielen, zij die door niets werden geraakt. Ze voelden zich niet aangetrokken door de aarde of door het paradijs, maar evenmin hadden ze de hel gevreesd. De Hemelse Stem sprak tot de overblijvenden en zei: “Idiote zielen, wat willen jullie dan?”
De zielen antwoordden in koor: “Gij die alles weet, weet ook dat Gij het zij die we begeren en dat we Uw Aanwezigheid niet wensen te verlaten.”
De stem zei tot hen: “De begeerte naar Ons is gevaarlijk, veroorzaakt ontbering en talloze gevaren.”
De zielen antwoordden hem: “Gaarne willen we alles meemaken als me maar bij U kunnen zijn, en alles verliezen teneinde alles te verwerven.” (Ilahi-Nama, 86)


Zelfvertering

De ware minnaar vindt alleen dan het licht wanneer hij, zoals de kaars, zijn eigen brandstof is en zichzelf verteert. (Attar, 89)


De waarheid

Ze heeft alle geleerden van de islam in verwarring gebracht.
Iedereen die de psalmen bestudeerd heeft.
Elke joodse rabbi.
Elke christelijke priester.
(Ibn el-Arabi, 97)


Een ruïne

De alchemist sterft in pijn en frustratie terwijl de dwaas in een ruïne een schat ontdekt. (Saadi van Shiraz, 102)


De parel

Een regendruppel, vallend uit een wolk,
Schaamde zich toen hij de zee zag.
“Wie ben ik als er een zee is?” zei hij.
Toen hij zich met het oog der nederigheid zag,
Koesterde een schelp hem in haar omhelzing.
(Saadi, 103)


Geleerden en kluizenaars

Geeft geld aan de geleerden zodat ze meer kunnen studeren.
Geeft niets aan de kluizenaars zodat ze kluizenaar blijven. (Saadi, 103)


Het verschil

Dwazen zijn begiftigd met zo’n voorziening
Dat honderd geleerden er paf van zouden staan.
(Saadi, 108)


Het gevaar

Als een derwisj in een toestand van zielsverrukking bleef verkeren, zou hij in beide werelden tot brokstukken uiteenvallen. (Saadi 109)


Fopneus

Ik zag een man die zich in gebed ter aarde wierp en riep uit: “Je legt de last van je neus op de grond met de uitvlucht dat dit een vereiste van het bidden is.” (Hakim Jami, 113)


Verder

Het staat beschreven in de overlevering van de meesters dat Jami eens gezegd heeft toen men hem vroeg wat hij dacht over schijnheiligheid en eerlijkheid:
“Wat is eerlijkheid iets prachtigs en wat is schijnheiligheid iets vreemds!
Ik ben naar Mekka en Baghdad getrokken en ik heb het gedrag van de mensen op de proef gesteld.
Als ik ze vroeg om eerlijk te zijn, behandelden ze me altijd vol eerbied, omdat men hun geleerd had dat goede mensen altijd zo spreken en ze geleerd hadden dat ze hun ogen neer moeten slaan wanneer de mensen het over eerlijkheid hebben.
Toen ik ze zei de schijnheiligheid te schuwen, waren ze het allen met me eens.
Maar ze wisten niet dat ik, als ik “waarheid” zei, wist dat zij niet wisten wat waarheid is en dat daarom zij en ik dan schijnheiligen waren.
Ze wisten niet dat ze, als ik ze zei geen schijnheiligen te zijn, schijnheiligen waren om me niet naar de methode te vragen. Ze wisten niet dat ik een schijnheilige was door alleen maar te zeggen “Wees geen schijnheilige”, omdat woorden de boodschap niet uit zichzelf overbrengen.
Ze hadden daarom eerbied voor mij als ik schijnheilig handelde. Dit had men hun zo geleerd. Ze respecteerden zichzelf terwijl ze schijnheilig dachten; want het is schijnheilig te denken dat men beter wordt door alleen maar te denken dat het slecht is om schijnheilig te zijn.
Het Pad leidt verder: naar de praktijk waar geen schijnheiligheid kan bestaan, waar eerlijkheid niet iets is dat het doel van de mens is.” (Jami, 115)


Een beletsel

Hou op met dat pochen op intellect en geleerdheid, want hier is intellect een beletsel en geleerdheid domheid. (Jami, 116)


Ik ken mijzelf niet eens

Wat kan ik doen, moslims? Ik ken mijzelf niet eens.
Ik ben geen christen, geen jood, geen magiër, geen muzelman.
Niet uit het oosten, niet uit het westen.
Niet van het land, niet van de zee.
Niet van de ijn der natuur, niet van de cirkelende hemelen.
Niet van de aarde, niet van het water, niet van de lucht, niet van het vuur.
Niet uit India, China, Bulgarije, Saqseen.
Niet van het koninkrijk der Irakezen of van Khorasan.
Niet van deze wereld of de volgende, niet van hemel of hel.
Niet van Adam, Eva, de tuinen van het paradijs of Eden.
Mijn plaats plaatsloos, mijn spoor spoorloos.
Noch lichaam, noch ziel:
Alles is het leven van mijn Geliefde.
(Jalaludin Rumi, 121)


Nergens anders

Kruis en christenen, begin tot einde, heb ik onderzocht. Hij was niet aan het kruis. Ik ben naar de hindoe-tempel gegaan, naar de oude pagode. In geen daarvan was ook maar enig teken. Naar de hooglanden van Herat ben ik gegaan, en naar Kandahr. Ik zocht. Hij was niet in de hooglanden of in de laaglanden. Vastberaden ben ik naar de top van de berg Kaf gegaan. Daar was slechts de woonstee van de Anqua-vogel. Ik ben naar de Kaaba van Mekka geweest. Hij was er niet. Ik heb naar hem gevraagd bij Avicenna de denker. Hij was buiten het bereik van Avicenna. Ik zocht in mijn eigen hart. Op die, zijn plaats, zag ik hem. Hij was nergens anders. (Rumi, 123)


Verzegeld

Steeds wanneer men iemand de Geheimen van de Waarneming leert, zijn zijn lippen dichtgenaaid om niet van het Bewustzijn te spreken. (Rumi, 124)


Ra ra

Hiervan bestaat geen academisch bewijs in de wereld;
Want ze is verborgen, en verborgen, en verborgen.
(Rumi, 124)


Vreemder

Vol vreugde het moment waarop we in het prieel zaten, Jij en Ik;
In twee vormen en met twee gezichten – met één ziel, Jij en Ik.
De kleur van de tuin en het lied van de vogels geven het elixer van de onsterfelijkheid,
Zodra we in de boomgaard komen, Jij en Ik.
De sterren van de hemel komen op om naar ons te kijken –
We zullen ze de maan zelf laten zien, Jij en Ik.
Jij en Ik, met geen ‘Jij’ of ‘Ik’, zullen één worden door ons ervaren;
Gelukkig, veilig tegen het ijdele geklap, Jij en Ik.
De vrolijke papegaaien van de hemel zullen ons benijden –
Als we op die manier lachen, Jij en Ik.
Dit is vreemder, dat Jij en Ik, hier in dit hoekje…
In een adem zowel in Irak als in Khorasan zijn – Jij en Ik.
(Rumi 125)


Onvoorstelbaar

Telkens weer ben ik als gras gegroeid.
Ik heb zevenhonderdzeventig vormen meegemaakt.
Ik ben aan het minerale gestorven en plantaardig geworden.
Ik ben aan het plantaardige gestorven en dierlijk geworden.
Ik ben aan het dierlijke gestorven en een mens geworden.
Waarom dan bang zijn door de dood te verdwijnen?
De volgende keer sterf ik en breng vleugels en veren als de engelen voort.
Daarna, hoger opvliegend dan de engelen;
Wat u zich niet kunt voorstellen: dat word ik.
(Rumi 125)


Een zee zonder kust

De Man Gods is dronken zonder wijn:
De Man Gods is verzadigd zonder voedsel.

De Man Gods is verrukt, verbaasd:
De Man Gods kent voedsel noch slaap.

De Man Gods is een koning onder een nederige mantel:
De Man Gods is een schat in een bouwval.

De Man Gods is niet van wind en aarde:
De Man Gods is niet van vuur en water.

De Man Gods is een zee zonder kust:
De Man Gods regent parels zonder een wolk.

De Man Gods heeft honderd manen en hemelen:
De Man Gods heeft honderdvoudig zonneschijn.

De Man Gods is wijs door de Waarheid:
De Man Gods is geen geleerde uit een boek.

De Man Gods gaat zowel geloof als ongeloof te boven:
Wat bestaat er voor ‘zonde’ of ‘verdienste’ voor de Man Gods?
[…]
(Rumi, 126)


Mensdom

De Wetenschap der Waarheid lost op in de kennis van de soefi.
Wanneer zal het mensdom dit gezegde gaan begrijpen?
(Rumi 127)


Geen daden maar woorden

Ik geef de mensen wat ze wensen. Ik zeg gedichten op omdat de mensen die als amusement begeren.
In mijn eigen land houden de mensen niet van gedichten. Ik heb lang naar mensen gezocht die daden willen zien, maar het enige wat ze willen is woorden. Ik ben bereid om u daden te laten zien; maar niemand die deze daad begunstigt.
Daarom geef ik u – woorden.
(Rumi, 127)


Vogelvrij

Slechts zoetgevooisde vogels zitten gevangen.
Uilen worden niet in kooien bewaard.
(Rumi, 128)


Schuld en boete

Een dief brak in bij een winkel. Terwijl hij daar was, drong een scherpe els die de winkelier op een plank had laten liggen in zijn oog en maakte het blind.
De dief begon een proces en zei: “De straf op stelen is de gevangenis, maar de straf op nalatigheid waardoor schade aan een oog wordt berokkend is een belangrijke schadevergoeding.” “Hij kwam om me te bestelen”, zei de winkelier ter verdediging. “Dat wordt door een ander gerechtshof behandeld,” zei de rechter, “en gaat ons hier niets aan.”
“Als u me al mijn bezittingen ontneemt,” zei de dief, “zal mijn gezin hongerlijden als ik in de gevangenis zit. Dat is duidelijk niet eerlijk tegenover ze.”
“Dan zal ik bevel geven het oog van de winkelier ter vergelding te doen uitsteken”, zei de rechter.
“Maar als u dat doet,” zei de winkelier, “dan verlies ik meer dan de dief en dat is niet billijk. Ik ben juwelier en het verlies van een oog zou betekenen dat ik niet meer kan werken.”
“Best,” zei de rechter, “aangezien de wet onpartijdig is en niemand meer moet lijden dan nodig is en aangezien de gehele gemeenschap deelt in de winst of het verlies van sommige harer leden, breng dan iemand die maar één oog nodig heeft – een boogschutter bijvoorbeeld – en steek hem het andere oog uit.
En aldus gebeurde. (159)


Dwepers

Bahaudin zat met enkele discipelen toen er een aantal volgelingen de zaal van de bijeenkomst binnenkwam.
El-Shah vroeg aan ieder van hun te willen zeggen waarom hij daat was.
De eerste zei: “U bent de grootste mens op aarde.”
“Ik gaf hem een drankje toen hij ziek was en dus denkt hij dat ik de grootste mens op aarde ben”, zei El-Shah.
De tweede zei: “Mijn geestelijk leven is opengegaan sedert ik u heb mogen bezoeken.”
“Hij was onzeker en weinig op zijn gemak en niemand wilde naar hem luisteren. Ik heb hem gezelschap gehouden en de rust en vrede die daarop volgde wordt door hem zijn geestelijk leven genoemd”, zei El-Shah.
De derde zei: “U begrijpt me en het enige dat ik vraag is dat u me toestaat uw verhandelingen bij te wonen, ter wille van mijn ziel.”
“Hij heeft aandacht nodig en wenst dat men aandacht aan hem besteedt, al oefent men alleen maar kritiek uit”, zei El-Shah. “Dit noemt hij ‘ter wille van de ziel’.”
De vierde zei: “Ik ben van de een naar de ander gegaan en heb gedaan wat ze leerden. Pas toen u mij een wazifa [bepaalde oefening] gaf, voelde ik echt de openbaring van het contact met u.”
“De oefening die ik deze man gaf,” zei El-Shah, “was een verzinsel dat niets met zijn ‘geestelijke’ leven te aken had. Ik moest het hersenschimmige van zijn onstoffelijkheid aantonen voor ik bij dat deel van deze man kon komen dat waarlijk spiritueel is, niet sentimenteel.” (175)


Eén antwoord

Vele vragen, één antwoord.
Ik kwam in een stad, waar de mensen om me heen dromden.
Ze zeiden: “Waar komt u vandaan?”
Ze zeiden: “Waar gaat u heen?”
Ze zeiden: “In wat voor gezelschap reist u?”
Ze zeiden: “Wat is uw stamboom?”
Ze zeiden: “Wat is uw erfenis?”
Ze zeiden: “Wie kunt u begrijpen?”
Ze zeiden: “Wie begrijpt u?”
Ze zeiden: “Wat is uw leer?”
Ze zeiden: “Wie heeft de hele leer?”
Ze zeiden: “Wie heeft er helemaal geen leer?”
Ik zei tegen hen:
“Wat u als veel voorkomt is één;
Wat u eenvoudig voorkomt is het niet;
Wat u samengesteld voorkomt is eenvoudig.
Het antwoord aan u allen is: ‘De soefi’s’.” (179)


Beroemd

Men meent dat iemand belangrijk is omdat hij beroemd is. Het tegenovergestelde kan even goed waar zijn. (Andakik, 181)


Meervoud

Onze kennis is niet van deze wereld, maar van de werelden (Faghnavi, 182)


Alle windstreken

We wonen niet in het oosten of westen; we studeren niet in het noorden, evenmin onderwijzen we in het zuiden. Op die manier zijn we niet gebonden maar wel kunnen we gedwongen worden zo te praten. (Al-Lahi, 183)


Lastpakken

Ge kunt ons niet vernietigen als ge tegen ons bent. Maar ge kunt het ons moeilijk maken zelfs als ge denkt dat ge ons helpt. (Badauni, 184)


Goochelaars

Bahaudin ontving eens een bedelende Qalander die aanbood om wonderen te verrichten teneinde te bewijzen dat hij een vertegenwoordiger was van de grootste van alle mystieke meesters. El-Shah zei:
“We zijn hier in Bokhara, de unieke gemeenschap wier geloof verwekt noch in stand gehouden wordt, zelfs niet in het kleinste detail, door buitengewone gebeurtenissen die men wonderen noemt. Maar voor u is het van waarde om wonderen te verrichten voor de gehele bijeenkomst van derwisjen en ook allen die ons komen opzoeken.”
Hij regelde het dus zo dat de volgende feestdag gereserveerd voor de opvoering van de vreemde Qalander.
Een hele dag lang verrichtte de bedelmonnik wonder na wonder: hij bracht de doden weer tot leven, hij liep op water, hij liet een afgehouwen hoofd spreken, en vele andere wonderen. De Bokharanen maakten veel misbaar. Sommige van hen verklaarden dat deze man een discipel van de duivel moest zijn, want ze wensten zijn levenswijze niet over te nemen of aan hem ook maar enige weldadige krachten toe te schrijven. Sommige van de aanhangers van El-Shah die het verst van zijn leer afstonden verklaarden zich tevreden omdat er ‘een nieuwe Zon was verrezen’, en troffen maatregelen om te vertrekken naar waar zijn klooster ook gelegen mocht zijn. Enkele van de nieuwere discipelen van El-Shah smeekten hem om dergelijke wonderen te verrichten om te laten zien dat hij hiertoe in staat was.
Bahaudin deed drie dagen lang niets. Toen, nadat de mensen waren toegestroomd, begon hij dingen te vertonen die alleen maar wonderen genoemd kunnen worden. De een na de andere, zagen de mensen dingen die ze nauwelijks konden geloven. Ze zagen, hoorden en beroerden dingen die men zich zelfs in de overleveringen over de wonderen van de grootste heiligen aller tijden niet kon voorstellen.
Toen liet Bahaudin hun, de een na de andere, zien hoe de trucs werden uitgevoerd en dat het niets dan trucs waren.
“Zij onder u die zoekers naar goochelwerk zijn – volgt het pad van het goochelen,” zei hij, “want ik ben aan serieuzer werk bezig.” (184)


Hasan van Basra

Toen men hem vroeg: “Wat is islam en wie zijn de moslims?” antwoordde hij:
“Islam is in de boeken en moslims zijn in het graf.” (197)


Niets

De mens beeldt zich in dat hij de Waarheid kent en de goddelijke perceptie. In feite weet hij niets (Juzjani, 197)


Woordenhandel

U noemt me christen om me boos te maken en uzelf een prettig gevoel te bezorgen. Anderen noemen zich christen om eens andere gevoelens te ondergaan. Goed dan, zo we in opwindende woorden handelen, dan noem ik u een aanbidder van de duivel. Dat moet u dan wel een opwinding bezorgen waar u lange tijd genoegen aan beleeft. (Zabardast Kahn, 198)


De macht der gewoonte

Shibli, een trotse hoveling, ging naar Junaid om de ware kennis te zoeken. Hij zei: “Ik hoor dat u de goddelijke kennis bezit. Geef, of verkoop die mij.”
Junaid zei: “Ik kan u die niet geven, omdat u die anders te goedkoop zou hebben. U moet zich, zoals ik gedaan heb, in het water onderdompelen, teneinde de parel te verkrijgen.”
“Wat zal ik doen?” vroeg Shibli.
“Ga heen en wordt zwavelverkoper.”
Toen er een jaar voorbij was, zei Junaid tegen hem: “U maakt het goed als koopman. Word nu derwisj en doe niets dan bedelen.” Shibli bracht een jaar door met bedelen in de straten van Baghdad, maar zonder succes.
Hij ging terug naar Junaid. De meester zei hem:
“Voor de mensheid bent u nu niets. Laat die niets voor u worden. In het verleden was u gouverneur. Ga nu terug naar die provincie en zoek iedere persoon op die u onderdrukt hebt. Vraag elk van hen om vergiffenis.” Hij ging weg, vond ze allen op een na en werd door hen vergiffenis geschonken.
Bij zijn terugkeer zei Junaid dat hij nog altijd een zekere eigendunk bezat. Hij moest nog een jaar gaan bedelen. Het geld dat hij op die manier verkreeg werd elke avond aan de meester gebracht, die het aan de armen schonk. Shibli zelf kreeg pas de volgende ochtend te eten.
Hij werd als discipel aangenomen. Toen er een jaar voorbij was, doorgebracht als dienaar van andere leerlingen, voelde hij zich als de nederigste mens in heel de schepping.
Hij illustreerde altijd het verschil tussen de soefi’s en de niet wedergeborenen door onbegrijpelijke dingen tegen het grote publiek te zeggen.
Op een dag werd hij door lieden die hem wilden kleineren in het openbaar als krankzinnige bespot vanwege zijn geheimzinnige taal. Hij zei:
Naar uw mening ben ik gek.
Naar mijn mening bent u gezond van geest.
Ik bid dus om mijn waanzin te versterken
En uw gezonde geest te versterken.
Mijn ‘waanzin’ komt voort uit de macht der liefde.
Uw gezonde geest komt voort uit de kracht van uw onbewustheid. (200-202)


Duivels

Er was eens een derwisj. Toen hij in contemplatie zat, bemerkte hij dat er een soort duivel naast hem zat.
De derwisj zei: “Waarom zit u daar zo zonder kwalijke streken uit te halen?”
De demon hief vermoeid het hoofd op. “Sedert de theoretici en aanstaande leraren van het Pad in zulken getale zijn verschenen, blijft er voor mij niets anders over.” (205)


Niets van dat alles

Al lerende, zoals zijn gewoonte was gedurende dingen van het dagelijkse leven, reed sjeik Abu Tahir Harami op een dag zijn ezel het marktplein op, terwijl een discipel hem volgde. Een man riep uit, toen hij hem zag: “Kijk, daar heb je de oude ongelovige!”
Harami’s leerling ontstak in toorn en schreeuwde naar de lasteraar. Al gauw vond er een heel gekijf plaats.
Daarop kalmeerde de soefi zijn leerling en zei: “Als je nou op wilt houden met dat lawaai, zal ik je laten zien hoe je aan dit soort moeilijkheden kunt ontkomen.”
Ze gingen samen naar het huis van de oude man. De sjeik zei zijn volgeling hem een doos met brieven te brengen. “Kijk hier eens naar. Dit zijn allemaal aan mij gerichte brieven. Maar ze zijn in verschillende bewoordingen opgesteld. Hier noemt iemand me ‘Sjeik van de islam’; daar ‘Verheven Leermeester’. Een ander zeg dat ik de ‘Wijze van de Twee Heiligdommen’ ben. En er zijn anderen. Merk op dat iedereen je betitelt al naargelang hij meent dat ik ben. Maar ik ben niets van dat alles. Iedereen noemt de ander net zoals hij denkt dat hij is. En dat heeft ook die ongelukkige op de markt daar zojuist gedaan. En toch ergert je dat. Waarom, aangezien het de algemene regel in het leven is?” (211)


Een les

Hilali, vergezeld door vijf van zijn discipelen, ging een lange reis door Midden-Azië maken. […] Toen ze Balkh bereikten en een afvaardiging van het grote volk uit die stad de meester kwam begroeten zei Hilali tegen Yusuf Lang: “Jij treedt als meester op.” Yusuf werd ontvangen en geëerd. De verhalen deden de ronde hoe hij wonderen had verricht door alleen maar met bepaalde zieken onder één dak te verblijven. “Dit is wat men denkt dat het derwisj-zijn betekent en wat wij weten dat het niet is”, zei Hilali.
In Surkhab trokken de reisgezellen de stad in, allen op dezelfde wijze gekleed, niemand die voor de andere uitliep. “Wie is de grote meester?” vroeg het stadshoofd. “Dat ben ik”, zei Hilali. Onmiddellijk gingen de mensen achteruit en riepen uit: “Dat wisten we aan het licht in zijn ogen.”
“Laat dit jullie een les zijn”, zei Hilali tegen zijn gezellen. […] (214)


Begrepen

Een discipel kwam bij Maruf Karkhi en zei:
“Ik heb met de mensen over u gesproken. Joden beweren dat u een jood bent; christenen vereren u als een van hun eigen heiligen; moslims houden vol dat u de grootste van alle moslims bent.”
Maruf antwoordde:
“Dit is wat de mensheid in Baghdad zegt. Toen ik in Jeruzalem was, zeiden joden dat ik een christen was, moslims dat ik een jood was en christenen dat ik een moslim was.”
“Wat moeten we dan van u denken?” zei de man.
“Sommigen begrijpen me niet en vereren me. Anderen begrijpen me niet en schelden op me. Dat ben ik komen vertellen. Je moet aan me denken als een die dit gezegd heeft. (217)


Relatief

Merk op dat de dingen die vandaag als juist worden beschouwd die dingen zijn die gisteren nog als onmogelijk werden bevonden. Dat wat vandaag als fout wordt beschouwd is dat wat morgen juist wordt geacht. (Hudhaifa, 227)


Niets zeggend

De mensheid maakt drie stadia door.
Eerst aanbidt hij alles: man, vrouw, geld, kinderen, de aarde en stenen.
Daarna, als hij wat vorderingen heeft gemaakt, aanbidt hij God.
Ten slotte zegt hij niet: “Ik aanbid God”; ook niet: “Ik aanbid God niet.”
Hij is van de eerste twee stadia in het laatste overgegaan.
(Rumi, 229)


Wegdoen

Soefi zijn is wegdoen wat er in uw hoofd is – gefantaseerde waarheid, vooropgezette meningen, conditionering – en onder ogen zien wat u kan gebeuren. (Abu Said 265)


Verwerping

Aan hen die in de conventionele godsdienst waarheid zoeken:
Totdat seminarium en minaret tot puin zijn vervallen
Wordt dit heilige werk van ons niet gedaan.
Tot het geloof verwerping wordt
En verwerping geloof
Zal er geen ware gelovige bestaan.
(Abu Said 265)


Zonder vorm

Soefisme is waarheid zonder vorm.
(Ibn el-Jalali, 268)


Een spel

De wereld bezit geen wezen behalve als verschijningsvorm;
Van eind tot eind is haar toestand een tijdverdrijf en een spel.
(Shabistari, 270)


Stom

Hij ontneemt hun die het geheim delen de tong:
Opdat ze niet wederom over het geheim van de koning spreken.
(Nizami, 272)


Memento mori

Slaap met de herinnering aan de dood en sta op met de gedachte dat ge niet lang te leven hebt. (Uwais el-Qarni, 272)


Doorgangshuis

Op een keer ging Khidr naar het paleis van de koning en liep regelrecht op de troon af.
Zijn uiterlijk was wel dusdanig vreemd dat niemand hem durfde tegen te houden.
De koning, Ibrahim ben Adam, vroeg hem wat hij daar zocht. De bezoeker antwoordde:
“Ik zoek een slaapplaats in deze karavanserai.”
Ibrahim antwoordde:
“Dit is geen karavanserai, dit is mijn paleis.”
De vreemdeling zei:
“Van wie was het voor u?”
“Van mijn vader”, zei Ibrahim.
“En daarvoor?”
“Van mijn grootvader.”
“En durft u dan dit gebouw waar de mensen komen en gaan, vertoeven om weer verder te gaan, iets anders dan een karavanserai te noemen?” (288)


Ketters

Niemand bereikt de Graad van Waarheid eer een duizendtal eerlijke mensen getuigd hebben dat hij een ketter is. (Junaid van Baghdad, 297)


Dertig lange jaren

Toen iemand bij hem aanklopte, riep Bayazid: Wie zoekt u?
De bezoeker antwoordde: Bayazid.
Bayazid zei: Ik zoek hem al drie decennia en nog heb ik hem niet gevonden. (302)


Sterf

Mens, ge komt schoorvoetend op de wereld, huilend als een verlaten baby;
Mens, ge verlaat dit leven, weer beroofd, weer huilend, met spijt.
Leef daarom dit leven zo dat niets daarvan werkelijk weggegooid is.
Ge moet er gewend aan raken na er niet gewend aan te zijn geweest.
Als ge er gewend aan bent geraakt, moet ge eraan wennen het zonder te doen.
Mediteer over deze beweging.
Sterf daarom ‘voor ge sterft’ in de woorden van de Gereinigde. Voltooi de kringloop alvorens die voor u voltooid wordt.
Tot ge dit doet, tenzij u het hebt gedaan, verwacht bitterheid aan het eind zoals er aan het begin was; in het midden als er aan het eind zal zijn.
Ge zag het patroon niet terwijl ge kwam; en toen ge er was, zag ge een ander patroon.
Toen ge dit duidelijke patroon zag, verhinderde men u de draden van het komende patroon te zien.
Tot ge beide ziet, zult ge zonder tevredenheid zijn. Wie geeft ge de schuld? En waarom geeft ge de schuld? (Hashim de Sidqi, 323)


uit Het pad van de soefi, Javad Nurbakhsh, 2006:


Achtergelaten

De minnaar is gestorven en heeft
zowel islam als ongeloof achtergelaten.
De nachtvlinder maakt geen onderscheid
tussen licht van een moskee en licht van een klooster.
(p63)


Het breken van het verstand

Wat is liefde?
De oceaan van niet-zijn.
Daar in duiken houdt in:
Het breken van het verstand.
(Rumi, 74)


Opduiken

Voor gewone mensen betekent diep nadenken dat zij onderduiken in een zee van veronderstellingen en illusies. Voor de bijzondere mensen betekent diep nadenken dat zij onderduiken in de oceaan van inzicht.
(Ruzbhihan, 160)


Gods wezen is Zijn verborgenheid

De profeet zei: ‘Debatteer niet over Gods essentie.
Je veronderstelt daarop te kunnen contempleren,
maar in feite kun je de essentie niet zien.
Gods wezen is Zijn verborgenheid.
Op weg naar God zijn er honderdduizend sluiers.
(Rumi, 163)


Gods wegen

Er zijn drie soorten verboden contemplatie: contemplatie op de goddelijke essentie en eigenschappen, hetgeen onthutsing veroorzaakt omdat Gods essentie en eigenschappen niet kunnen worden begrepen; contemplatie op Gods beloning en straf, hetgeen oorzaak is van klagen omdat men Gods beslissingen niet zal kunnen aanvaarden; en contemplatie op de geheimen van de schepping, hetgeen weerstand veroorzaakt omdat men die niet kan doorgronden. (Javad Nurbakhsh, 165)


Redeloos

Laat de rede los en wees verenigd met God;
het oog van een vleermuis kan het zonlicht niet verdragen.
(Rumi, 167)


En Hij in mij

Ik werd aangetrokken tot de Geliefde
als een nachtvlinder naar de vlam.
Toen ik bij zinne kwam
was ik verbrand in Hem.
(Ashiq Isfahani, 171)


 

Uit De geur van de woestijn: klassieke soefiwijsheid, Andrew Harvey en Eryk Hanut, 2005:


Iemand die niet is

Een soefi geeft niet om een gelapte jas en een bidkleed. Een soefi geeft niet om de conventies en gebruiken van een soefi. Een soefi is iemand die niet is.
(Kharaqani, 23)


In de slaap van deze wereld

Je mag vele jaren in een stad gewoond hebben,
maar zodra je in slaap valt,
rijst er een andere stad in je geest op,
vol van zijn eigen goed en kwaad.
Je eigen stad, waar je lang woonde,
verdwijnt volledig uit je herinnering.
Je zeg niet: ‘Ik ben hier een vreemdeling;
dit is mijn stad niet.’
Je meent dat je hier altijd gewoond hebt,
je denkt dat je hier geboren bent en opgegroeid.
Verbaast het je niet dat je ziel zich haar vroegere tehuis niet herinnert?
Maar hoe zou zij zich dit kunnen herinneren?
Zij is gewikkeld in de slaap van deze wereld,
als een ster bedekt door wolken.
Zij heeft door zoveel steden gereisd
en het stof dat haar visie verduistert
is nog niet weggeveegd.
(Rumi, 38)


Laat de tak los

Een man werd door een tijger van een rots gejaagd. Hij viel en kon net nog een tak grijpen. Boven hem stond de tijger en grauwde. Dertig meter onder hem sloegen hoge golven tegen barre rotsen. Tot zijn ontzetting zag hij dat twee ratten bezig waren de tak, waaraan hij zich vastklampte, aan te vreten. Beseffend dat hij verloren was, schreeuwde hij: ‘Heer, red mij.’
Hij hoorde een stem die zei: ‘Natuurlijk. Ik zal je redden. Maar laat eerst de tak los.’
(traditioneel soefiverhaal, 43)


De toetssteen

De goddelijke toetssteen faalt nooit;
Het onware zal er nooit langs kunnen;
hij alleen zal de test doorstaan,
die, nog levend, weet hoe te sterven.
(Kabir, 47)


Beide sluiers moeten verdwijnen

Eens zag men Rabia hardlopen met vuur in de ene hand en water in de andere. Men vroeg haar waarom zij dit deed en waar zij heen ging. Zij antwoordde: ‘Ik ren om een vuur in de hemel aan te steken en water op de vlammen in de hel te gieten, zodat beide sluiers die het Gelaat verbergen voor altijd zullen verdwijnen.
(Rabia, 81)


Dood van de zoeker

Deze dood is in alle authentieke mystieke tradities bekend. In de christelijke traditie wordt dit de ‘donkere nacht van de ziel’ genoemd. De soefi’s, evenals Johannes van het Kruis en Angela van Foligno, weten dat niemand het ‘herrezen leven’ kan leven zonder de vernederingen, slagen en beproevingen van de kruisiging te hebben doorgemaakt. (119)


Verloren in mijn eigen woestenij

Een vlam laait op in mijn hart; een grote, onmeetbare vlam, die mijn hele wezen tot as verbrandt. Weet ik nog waar ik leef? Kan ik nog proeven wat ik eet? Ik ben verloren in mijn eigen woestenij… Ik word naar de dood getrokken. De dood leeft in mij.
(Majnun in Nizami’s Leila en Majnun, 126)


Verdwijnen

Gelijk een druppel water die in het droge woestijnzand valt, onmiddellijk wordt opgezogen, moeten wij tot niets worden en… verdwijnen.
(Bhai Sahib, 127)


Veilig in de ruimte

Iedereen raakt verstrikt in het web van illusie,
zowel de zogenaamde ‘heilige’ als de wereldling.
En zij die veiligheid zoeken
onder de comfortabele beschutting
van vorm, ritueel en dogma,
worden door de stormwind van het leven geslagen.
Blijf dus in de ruimte
je zult er veilig en beschut zijn.
(Kabir, 129)


Ziende blind

Zij die hun gezichtsvermogen verloren,
gingen de hele schepping zien,
stralend in hun eigen licht.
Zij die zich aan hun eigen zicht vastklampen,
blijven blind als vleermuizen in het volle licht.
(Kabir, 129)


Naakt als de woestijn

Het uiteindelijke doel van de liefde is naakt te worden als de woestijn.
(Al-Ghazali, 129)


Ver weg

Ver weg in de oceaan is de kust niet te zien en de zwemmer spant zich tevergeefs in.
(Saadi, 133)


Niet-bestaan

Het is noodzakelijk te sterven vóór je sterft om deze staat te kennen. […] Die mens, waarin deze toestand van dood optreedt, zal de totale vernietiging van alles behalve God zien en zal zelf niet langer bestaan. Dit niet-bestaan is totaal niet-bestaan.
(Ibn Arabi, 146)


De twee toestanden van verwondering

Eens werd Dhu al-Nun gevraagd: ‘Wat is het eerste stadium dat de gnosticus moet doormaken?’
Hij antwoordde: ‘Verwondering, dan behoefte, dan vereniging, dan weer verwondering.’
De eerste verwondering is over Gods handelen en gaven aan de mens. Want hij beseft dat zijn dankbaarheid voor Gods gaven nooit voldoende is […]. Hij weet ook dat, zelfs als hij dankbaar is, die dankbaarheid een geschenk van God is, waarvoor hij dankbaar dient te zijn.
De tweede verwondering ontstaat in de woestijn van vereniging, waarin alle sporen zijn uitgewist, waarin het begrip van de gnosticus volkomen verloren gaat en zijn verstandelijke vermogens verminderen voor de grootheid van Gods kracht, ontzagwekkendheid en majesteit. Deze tweede verwondering bevrijdt een mens van alle trots, omdat het hem leert dat hij nooit iets kan weten. Hij dwaalt in woestijn na woestijn […].
(Kalabadhi, 147, 148)


Deze woestijn is oneindig

Deze woestijn is oneindig,
en zelfs al dwaalde je hier duizend jaren,
je zou jezelf niet vinden noch een ander.
Zij die hier leven, hebben voeten noch hoofden,
zij zijn ‘gelovigen’ noch ‘ongelovigen’.
Dronken door de wijn van zelfloosheid,
hebben zij goed en kwaad opgegeven.
Dronken, zonder lippen of mond, door de waarheid
hebben zij alle gedachten aan naam en faam verworpen,
en alle praat over wonderen, visioenen, geestelijke stadia,
dromen, geheime kamers, lichten en verschijnselen.
(Shabistari, 148, 149)


Slechts schijnheiligheid

Zij hebben hun zintuiglijke waarneming opgegeven,
en zijn van iedere kleur en geur bevrijd,
[…].
Voor hen zijn devotie en vroomheid slechts schijnheiligheid;
zij zijn het moe meester of leerling te zijn;
zij hebben het stof van mesthopen van hun ziel verwijderd,
en spreken zelfs niet over het kleinste deel van wat zij zien.
(Shabistari, 149,150)


Geen hoedanigheden

De mensen, die volmaaktheid hebben bereikt, hebben alle stadia gerealiseerd en zijn verder gegaan naar het stadium, dat boven majesteit en schoonheid ligt. Zij hebben geen hoedanigheden en kennen geen beschrijving.
Iemand vroeg Bayazid: ‘Hoe gaat het je vanochtend?’
Hij antwoordde: ‘Ik ken geen ochtend en geen avond. Ochtend en avond behoren bij iemand die door hoedanigheden begrensd wordt en ik ken geen hoedanigheden.’
(Ibn Arabi, 159)


Zonder sluier

De echte soefi’s nemen waar zonder kennis, zonder zien, zonder informatie te ontvangen, objectief, zonder beschrijving, zonder versluierd te worden, zonder sluier.
Dhu al-Nun, 164)


Noch het een noch het ander

Bayazid zei: ‘De eerste keer dat ik het Heilige Huis binnentrad, zag ik het Heilige Huis. De tweede keer zag ik de Heer van het Huis. De derde keer zag ik noch het Huis noch zijn Heer.’
(Bayazid Bistami, 165)


Geen spoor of teken

Een man kwam aan de deur van het huis van Bayazid en riep hem.
Bayazid vroeg: ‘Wie zoek je?’
De man zei: ‘Bayazid!’
Bayazid zei: ‘Jij arme dwaas! Ik zoek al dertig jaar naar Bayazid en kan geen spoor of teken van hem vinden.’
(Bayazid Bistami, 166)


Als kaf

Al mijn oude ideeën en overtuigingen
werden als kaf door de wind weggeblazen.
Het kwam niet om iets wat ik ben,
het kwam niet omdat ik iets deed […].
(Kabir, 165)


Onder de sluiers van het mysterie

Alle dingen zijn in hem, maar hij is ver van alle dingen, geborgen onder de sluiers van het mysterie.
(Shabistari, 169)


Dat niets

Op een dag trad een koning zijn koninklijke paleis binnen en zag dat er een vreemdeling was, die niet, als de anderen, voor hem boog. Hij was verontwaardigd over zo’n brutaliteit en riep uit: ‘Hoe durf je niet voor mij te buigen! God alleen buigt niet voor mij en er bestaat niets groter dan God. Wie ben jij dan?’
De haveloze vreemdeling antwoordde glimlachend: ‘Ik ben dat niets.’
(traditioneel soefiverhaal, 170)