Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken

Voorbij gelijk en ongelijk; standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken in de eindeloze ruimte van niet-weten. Voor uitloopmensen.

Op deze pagina:

Kwam de trein nou te laat, op tijd of te vroeg?

Zegt de eerste passagier: Deze trein kwam drie kwartier te laat, dat geloof je toch niet?

Zegt de tweede: Deze trein kwam precies op tijd, ik kon zo instappen.

Zegt de derde: Deze trein kwam net te vroeg, ik had graag nog even een kopje koffie gehaald.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

Kwam de dood nou te laat, op tijd of te vroeg?

Geschreven naar aanleiding van de suïcide van Joost Zwagerman.

Zegt de eerste lezer: De dood kwam veel te laat, wat heeft die man geleden.

Zegt de tweede: De dood kwam precies op tijd, hij heeft genoeg geleden en geschreven.

Zegt de derde: De dood kwam veel te vroeg, hij had nog zoveel kunnen schrijven.

Zegt de eerste: Hij kwam toch echt te laat.

Zegt de tweede: Hij kwam toch echt op tijd.

Zegt de derde: Hij kwam toch echt te vroeg.

Zegt Joost:

Een standpunt is een loopgraaf

Een standpunt over standpunten

‘Wat is een standpunt, Hans?’

‘Een loopgraaf.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Medestanders genoeg, maar je kunt niet voor- of achteruit.’

Een plek waar je tot stilstand komt

Een stilstandpunt

‘Wat is een standpunt?’

‘Een plek waar je tot stilstand komt.’

‘Vind jij dat we in beweging moeten blijven?’

‘Dat zou weer een standpunt zijn.’

‘Heb je daar iets op tegen?’

‘Dat zou opnieuw een standpunt zijn.’

‘Wat vind je dan wel?’

‘Dat zou nog steeds een standpunt zijn.’

En toen was ik weer thuis

Vinger naar de maan

Hans: ‘Gisteren stak een weggebruiker zijn middelvinger naar me op. Ik dacht,

Het ís ook mijn schuld…

Nee, het is zijn schuld…

Nee, we zijn beiden schuldig….

Nee, we zijn beiden onschuldig…

Nee, we zijn beiden een beetje schuldig en een beetje onschuldig…

Nee, het is de schuld van de gemeente, die hier een stoplicht had moeten plaatsen…

Nee, het is de schuld van de wegenbouwer, want zonder weg hadden we hier niet gereden…

Nee, het is de schuld van de fietsenfabriek, want zonder fiets had ik hier niet gefietst…

Nee, het is de schuld van mijn baas, want zonder hem was ik nog thuis geweest…

Nee, het is de schuld van onze ouders, want zonder hen waren wij nooit geboren…

Nee, het is de schuld van het hele universum, want als ook maar één factor anders was geweest…

Maar ‘het universum’ is een concept, dus kan het ook niets veroorzaken…

Als vrije wil niet bestaat is de schuldvraag sowieso niet aan de orde…

Is oorzakelijkheid niet slechts een categorie van het denken…

Misschien droom ik dit alleen maar…

Misschien ben ik slechts het doek waarop deze film verschijnt…

Bestaat dé waarheid eigenlijk wel…

Misschien is alles wel waar en onwaar tegelijk…

Misschien is alles wel waar noch onwaar…

Misschien is ‘alles’ ook maar een woord…

Misschien dit, misschien dat – nou ben ik het zat.’

Grietje: ‘En toen?’

Hans: ‘En toen was ik weer thuis.’

Een standpunt is een grens

‘Wat is een standpunt?’

‘Een grens.’

‘Waartussen?’

‘Medestanders en tegenstanders.’

‘Alle grenzen zijn kunstmatig.’

‘Dat is opnieuw een grens.’

‘Waartussen?’

‘Medestanders en tegenstanders van het standpunt dat alle grenzen kunstmatig zijn.’

‘Maar alles is toch één?’

‘Dat is opnieuw een grens.’

‘Waartussen?’

‘Medestanders en tegenstanders van het standpunt dat alles één is.’

‘Wat zou het anders kunnen zijn?’

‘Nul, niet-een, twee, niet-twee, drie, drie-in-een, vier, zeven, honderdacht, veel, aftelbaar oneindig, overaftelbaar oneindig, ontelbaar, dit alles tegelijk, niets van dit alles en zo.’

‘Eenheid is geen getal, eenheid is een ervaring.’

‘Dat is ook maar een hokje.’

‘Een ervaring is ook maar een hokje?’

‘Een ervaring in plaats van een standpunt, een gevoel, een gedachte, een idee, een waan, een woord, een inzicht, wijsheid, dwaasheid, waarheid en noem maar op.’

‘Vind jij dat we alle grenzen moeten slechten?’

‘Ik kan wel zoveel vinden.’

‘Voor jou hoeft het niet.’

‘Wat ben ik, een separatist?’

‘Wat vind jij dan wel?’

‘Waarvan?’

Denkt het dode meisje…

Denkt het mooie meisje: ‘Ik wou dat ik slim was.’
Denkt het slimme meisje: ‘Ik wou dat ik mooi was.’
Denkt het mooie, slimme meisje: ‘Ik wou dat ik dom en lelijk was.’
Denkt het domme, lelijke meisje: ‘Ik wou dat ik dood was.’
Denkt het dode meisje…

Geen standpunt maar een doorgangspunt

‘Wat is een standpunt voor jou, Hans?’

‘Een doorgangspunt.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik kijk even rond en vervolg mijn weg.’

‘Waarheen?’

‘Naar het volgende doorgangspunt.’

‘Jij hebt alleen maar doorgangspunten.’

‘Ik heb ze niet, ik passeer ze.’

‘Aha.’

‘Of ze passeren mij.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Vandaar.’

‘Goeie les.’

‘Gauw weer door.’

Geen standpunt maar een vluchtpunt

‘Het leven is een mysterie, Hans.’

‘Dat is ook maar een standpunt.’

‘Je doelt op het idee dat er geen absolute waarheden zijn.’

‘En nog een.’

‘Alleen maar eindeloos veel standpunten.’

‘En nog een.’

‘Die ons alleen maar eindeloos vastzetten.’

‘En nog een.’

‘Wat is een standpunt voor jou?’

‘Een vluchtpunt.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik maak meteen dat ik wegkom.’

‘Waar is dat goed voor?’

‘Zeg jij het maar.’

‘En jij dan?’

‘Ik maak vast dat ik wegkom.’

Geen standpunt maar een verdwijnpunt

‘Wat is een standpunt?’

‘Een verdwijnpunt.’

‘Wat verdwijnt daarin?’

‘Waarin?’

‘In het verdwijnpunt natuurlijk.’

‘Welk verdwijnpunt?’

‘Standpunten?’

‘Wat is daarmee?’

‘Jij zelf?’

‘Wie?’

‘Het verdwijnen dan?’

‘Je spreekt in raadselen.’

‘Nou weet ik nog niks.’

‘Snap je?’

Baas boven baas

Reder: Ik ben het belangrijkste want ik bepaal de vracht!

Kapitein: Ik ben het belangrijkste want ik bepaal de belading!

Stuurman: Ik ben het belangrijkste want ik bepaal de route!

Machinist: Ik ben het belangrijkste want ik houd de machines draaiende!

Kok: Ik ben het belangrijkste want ik houd de mensen draaiende!

Matroos: Ik ben het belangrijkste want ik houd het dek begaanbaar!

Werf: Ik ben het belangrijkste want ik onderhoud het schip!

Fabriek: Ik ben het belangrijkste want ik lever het staal!

Zee: Ik ben het belangrijkste want ik houd het schip drijvende!

Bodem: Ik ben het belangrijkste want ik houd de zee drijvende!

Hans: Ik ben het belangrijkste want ik schrijf deze tekst!

Lezer:

Nergens in blijven hangen, ook hierin niet

‘Waarmee kun je niet-weten vergelijken?’

‘Met een nomadenbestaan.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je zwerft van kamp naar kamp zonder ergens te blijven hangen.’

‘Almaar verder gaan, daar komt het op aan!’

‘Ach.’

‘Wat?’

‘Je hangt alweer.’

De hokjesgeest en de rijtjesgeest

‘Geloof jij in toeval, Hans?

‘Alles is toeval. Niet alles is toeval. Niets is toeval.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Er is geen enkele samenhang tussen de dingen. Er is weinig samenhang tussen de dingen. Er is zeker samenhang tussen de dingen. De meeste dingen hangen samen. Alles hangt samen. Alles is één, dus wat zou er samen moeten hangen?’

‘Maar wat is jouw standpunt?’

‘Ik heb geen standpunt. Ik heb één vast standpunt. Ik heb nu eens dit standpunt, dan weer dat. Ik heb meerdere standpunten tegelijk. Ik huldig alle standpunten. Geen enkel standpunt is mij vreemd, geen enkel standpunt is mij eigen.’

‘Wat heb je nou aan die stomme rijtjes.’

‘Alles heeft een doel. Niet alles heeft een doel. Niets heeft een doel.’

Ben jij voor de reiger of voor de vis?

Een leerling maakt een ommetje met de meester. In de sloot staat een reiger visjes te vangen. De leerling roept: ‘Hup reiger!’ Er schiet een zilveren ruggetje voorbij. De leerling roept: ‘Visje, pas op!’ De meester vraagt: ‘Zeg, voor wie ben je nou eigenlijk?’ De leerling antwoordt: ‘Ik… eh… dat is te zeggen… tjee.’ De meester zegt: ‘Gevangen.’

Ben jij voor de ooievaar of voor de kikker?

Twee meesters maken een ommetje. In de sloot staat een ooievaar kikkers te vangen. Zegt de ene meester: ‘Hup ooievaar.’ Zegt de andere: ‘Hup kikkers.’ Zegt de ene: ‘Ja, hup kikkers.’ Zegt de andere: ‘Ja, hup ooievaar.’
Hoofdschuddend lopen ze verder.

Spiritualiteit voor alle seizoenen

De schaatsenrijder en de bromvlieg

1. Lente

Twee kinderen maken een ommetje. In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. Zegt het ene kind tegen het andere: ‘Zag je dat!’ Later zien ze in de eetkamer een bromvlieg herhaaldelijk tegen het raam botsen. Zegt het ene kind tegen het andere: ‘Zie je dat!’

2. Zomer

Een meester en een leerling maken een ommetje. In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. Zegt de meester: ‘Een schaatsenrijder ziet wel de oppervlakte maar niet de diepte.’ Zegt de leerling: ‘Je moet altijd verder kijken dan je neus lang is.’ Later zien ze in de eetkamer een bromvlieg herhaaldelijk tegen het raam botsen. Zegt de meester: ‘Een vlieg ziet wel de diepte maar niet de oppervlakte.’ Zegt de leerling: ‘Je moet nooit verder kijken dan je neus lang is.’

3. Herfst

Twee meesters maken een ommetje. In een sloot zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. De ene meester zegt niets. De andere meester zwijgt. Later zien ze in de eetkamer een bromvlieg herhaaldelijk tegen het raam botsen. De ene meester zegt niets. De andere meester zwijgt.

4. Winter

Twee bejaarden kijken televisie. In een sloot op tv zien ze een vis een schaatsenrijder verschalken. Zegt de ene bejaarde tegen de andere: ‘Zag je dat!’ Later zien ze in de eetzaal een bromvlieg herhaaldelijk tegen het raam botsen. Zegt de ene bejaarde tegen de andere: ‘Zie je dat!’

Verwarring is het meest nabij

Roept de eerste leerling: De wereld is in verwarring.

Roept de tweede: Welke wereld? Je geest is in verwarring.

Roept de derde: Welke geest? Je gedachten zijn in verwarring.

Roept de vierde: Welke je? Gedachten zijn verwarring.

Roept de vijfde: Welke gedachten? Waar zijn ze nu?

Zegt de meester: Nou weet ik het helemaal niet meer.


Geïnspireerd op koan 20 van het Boek van sereniteit:

Dizang: Waar ga je heen?
Fayan: Op bedevaart.
Dizang: Waar is dat goed voor?
Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang: Niet weten is het meest nabij.

Zie ook koan 29 van de Poortloze Poort.

De bergbeklimmer en de berg

Bergbeklimmer: Ik heb al tien bergen bedwongen!

Berg: Ik heb al tienduizend klimmers bedwongen!

Denk je nou nog steeds dat je hier iets komt leren?

Meester: Ik ken een goeie. Zegt Hildegard van Bingen: ‘Alweer zo’n prachtig visioen van het Levende Licht!’ Zegt de migrainelijder: ‘Alweer zo’n ellendig scotoom!’

De meester begint keihard te lachen. De leerlingen kijken hem verbaasd aan.

Meester: Sorry.

Leerling: Wie is Hildegard van Bingen?

Meester: Een middeleeuwse mystica.

Leerling: Wat is een scotoom?

Meester: De zinderende lichtvlek die een migraineaanval inluidt.

Leerling: Maar wat is nou de clou?

Meester: Zeggen jullie het maar.

Leerling: Dat Hildegard van Bingen een scotoom aanzag voor een visioen.

Leerling: Dat de migrainelijder een visioen aanzag voor een scotoom.

Leerling: Dat een scotoom best mystiek kan zijn.

Leerling: Dat je ziet wat je wilt zien.

Leerling: Dat je ziet wat je kunt zien.

Leerling: Dat je ziet wat je moet zien.

Leerling: Dat de waarheid verschillende kanten heeft.

Leerling: Dat er verschillende waarheden zijn.

Leerling: Dat waarheid niet bestaat.

Meester: Hier krijg ik nou hoofdpijn van.

Leerling: Maar wat is nou de clou?

Meester: Zeg jij het maar.

Leerling: Ik bedoel, wat kan ik hiervan leren?

Meester: Denk je nou nog steeds dat je hier iets komt leren?

Een wonder, prijs de heer!

Een gebedsgenezer legt zijn hand op het voorhoofd van een vrouw, die ineens weer kan zien. Hij roept: ‘Een wonder, prijs de Heer!’ Later die dag legt hij zijn hand op het voorhoofd van een andere vrouw, die op slag blind wordt. Hij roept: ‘Een beroerte, haal een arts!’

Een wonder, haal een rolstoel!

Een gebedsgenezer legt zijn hand op het voorhoofd van een vrouw, die prompt door haar knieën zakt. Hij roept: ‘Een wonder, haal een rolstoel!’ Later die dag legt hij zijn hand op het voorhoofd van een andere vrouw, die ineens weer kan lopen. Hij roept: ‘Een simulant, haal een psychiater!’ De vrouw protesteert: ‘Dit hadden we toch afgesproken!’ De man roept: ‘Hoort u dat? Ze geeft het nog toe ook!’

Dat is ook maar een gedachte

Mirakelspel

De meester heft zijn handen ten hemel en roept: Een wonder!

Leerling: Dat deed u gisteren ook al.

Meester: Kan best wezen, maar het blijft een wonder.

Leerling: Dat is ook maar een gedachte.

Meester: Dat het maar een gedachte is ook.

Leerling: En wat is een gedachte nou helemaal.

Meester: Een wonder!

Leerling: Hè?

Meester: Niet dan?

Leerling: Ik denk het… niet.

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

Leerling: Ik bedoel, ik denk het ook.

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

Leerling: Dat het maar een gedachte is ook.

Meester: Dat kan ik niet tegenspreken.

Leerling: Bedoelt u dat we nooit voorbij de horizon van onze gedachten kunnen kijken?

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

De leerling heft zijn handen ten hemel.

De meester roept: Een wonder!

Het baasje en de hond

Baasje: Ik heb mijn hond leren apporteren!

Hond: Ik heb mijn baasje leren gooien!

De wijsheid voorbij alle wijsheid

Een meester uit de eenentwintigste eeuw trad op als medium voor Gautama Boeddha om een aantal kernwijsheden op tegeltjes over te brengen. Het was een doorslaand succes: de Gezegende vertaalde zijn hele leer in aforismen en hield niets achter.

Mis ging het pas na afloop van de seance toen één van de monniken in een aanval van razernij alle tegeltjes kapot smeet. Voordat hij tegengehouden kon worden lagen ze allemaal aan diggelen. Groot was de verontwaardiging onder de andere monniken: wandspreuken van de Verhevene vernielen!

De kok die op het tumult afkwam keek het een tijdje aan, hief zijn armen op en zei: ‘Niks aan de hand, de Boeddha is helemaal in zijn nopjes. Hoe vaak heeft hij ons al niet aangespoord voorbij alle wijsheid te gaan?’

Tip: De lege leer.

De baby en de ouder

Baby: Er komt geen eind aan die box!

Ouder: Het huis wordt te klein!

Wat heb je liever, botpijn, wondpijn of fantoompijn?

De afzetter

Patiënt: Toen mijn been er nog aan zat deed het verschrikkelijk zeer, toen het er net af was deed het verschrikkelijk zeer, en nu we een jaar verder zijn doet het nog steeds verschrikkelijk zeer.

Dokter: Eerst had je botpijn, toen wondpijn en nu fantoompijn.

Patiënt: Wat maakt mij dat nou uit.

Dokter: Jou misschien niets, maar voor de behandeling maakt het wel degelijk verschil.

Patiënt: Voor de behandeling misschien wel, maar voor de pijn niet.

Dokter: Hoor eens, ik ben God niet.

Patiënt: Hadden we het nou maar meteen fantoompijn genoemd.

Dokter: Hoezo?

Patiënt: Dan had ik tenminste mijn been nog gehad.

De wandelaar en de drenkeling

Wandelaar: Die uitlaatgassen!

Drenkeling: Lucht!

De boeddhist en de hooligan

Buitenspel

Plaats: Japie Patat
Tijd: Na de wedstrijd

Zegt de ene boeddhist: Het maakt mij geen fluit uit wat mensen aanhangen. Ze zijn me allemaal even lief. In de privésfeer praat ik daarom niet meer over boeddhisme. Het lijkt wel of ik sindsdien ruimer in mijn jasje steek. Ik voel me werkelijk een ander mens.

Zegt de andere: Waar praat je dan wel over?

Zegt de ene: Over voetbal.

Roept een hooligan: Het maakt mij geen fluit uit wat mensen aanhangen. Ze zijn me allemaal even lief. In de privésfeer praat ik daarom niet meer over voetbal. Het lijkt wel of ik sindsdien ruimer in mijn jasje steek. Ik voel me werkelijk een ander mens.

Roept een andere: Waar praat je dan wel over?

Roept de ene: Over boeddhisme.

De meester en de leerling

De onbemiddelde werkelijkheid

Meester: Ik heb al tien leerlingen verlost!

Leerling: Ik heb al honderd meesters versleten!

Bodhidharma in het westen, of was het nou het oosten?

Schreeuwt een leerling: Alles leeg en niets heilig!

Schreeuwt een tweede: Alles heilig en niets leeg!

Schreeuwt een derde: Leegte is heiligheid!

Schreeuwt een vierde: Leegte noch heiligheid!

Zegt de meester: Ja, dat komt er nou van.

Toelichting

‘Alles leeg en niets heilig’ is volgens de overlevering het antwoord dat Bodhidharma in het jaar 520 aan keizer Wu Ti gaf toen deze hem naar de kern van het boeddhisme vroeg.

Bodhidharma is de Indiër die het boeddhisme in China zou hebben geïntroduceerd, dat ten oosten van India ligt. ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’ werd een gevleugelde vraag in de ch’anpraktijk.

Europa en Amerika liggen op hun beurt ten westen van China en India. En ten oosten natuurlijk, wie had dat ooit gedacht.

En het debat over leegte en heiligheid is nog steeds niet uitgeraasd. Wie had dat ooit gedacht.

Oorspronkelijke geest of schreeuwgeest?

Terug naar de boeddhanatuur; ver-wenserij van de stamboekfee. Dwaaltekst over eeuwige onenigheden tussen boeddhistische scholen.

Twee sangha’s voeren een dharmastrijd in een weiland.

De eerste sangha schreeuwt: Leve de lineage.

De koeien roepen: Boe.

De tweede sangha schreeuwt: Weg met de lineage.

De koeien roepen: Boe.

De eerste sangha schreeuwt: Alleen zo houden we de leer zuiver.

De koeien roepen: Boe.

De tweede sangha schreeuwt: Alleen zo houden we de leer zuiver.

De koeien roepen: Boe.

De tweede sangha bestookt de eerste met watervaste verfbommen in alle kleuren van de regenboog.

De koeien roepen: Boe.

De eerste sangha slaat terug met lineageborden van voorchristelijk eikenhout.

De koeien roepen: Boe.

Een lekenjury oordeelt traditiegetrouw: Onbeslist.

De koeien roepen: Boe.

Bont en blauw druipen de schreeuwers af naar hun heilige huisjes, en op het land keert de rust weer.

De koeien roepen: Boe.

Woordenlijstje

sangha: [Sanskriet] (hersen)stam

lineage: [Engels] stamboom van boeddha’s

rasboeddhist, rabboe: boeddhist met stamboom; ware afstammeling van Gautama Boeddha

bastaardboeddhist, babboe: boeddhist zonder stamboom; synoniem: vuilnisbakkenboeddhist (pejoratief)

schreeuwgeest: atavistische mentaliteit die ernaar streeft de onderlinge banden te verstevigen door de onderlinge verschillen te benadrukken (zie ook religie, parlement, teamsport, chimpansee)

Boeddhist of niet-boeddhist?

Miljardennota voor miljoenen

Leerling: Niet te geloven, er zijn honderden miljoenen boeddhisten.
Meester: Niet te geloven, er zijn zeven miljard niet-boeddhisten.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er zijn zeven miljard niet-boeddhisten.
Meester: Niet te geloven, er zijn helemaal geen niet-boeddhisten.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er zijn helemaal geen niet-boeddhisten.
Meester: Niet te geloven, er zijn helemaal geen boeddhisten.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er zijn helemaal geen boeddhisten.
Meester: Niet te geloven, er zijn honderden miljoenen boeddhisten.

Boeddhist of boeddha?

Leerling: Niet te geloven, er zijn honderden miljoenen boeddhisten.
Meester: Niet te geloven, er is maar één boeddha.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er is maar één boeddha.
Meester: Niet te geloven, er is niet één boeddha.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er is niet één boeddha.
Meester: Niet te geloven, er zijn honderden miljoenen boeddhisten.

Boeddhist of mens?

Leerling: Niet te geloven, er zijn honderden miljoenen boeddhisten.
Meester: Niet te geloven, er zijn zeven miljard mensen.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er zijn zeven miljard mensen.
Meester: Niet te geloven, er zijn zeven miljard boeddha’s.

Jaren later

Leerling: Niet te geloven, er zijn zeven miljard boeddha’s.
Meester: Niet te geloven.

Lood of oud ijzer?

Een identiteitscrisis

ben ik glas
of ben ik lood
riep het raam
in hoge nood

Joodloos of jood?

ben jij doodloos
of ben je dood
vroeg de nazi
voor hij schoot

jood

Glas of beeld?

Niet-twee en niet-een

ben ik glas
of ben ik beeld
zei de spiegel
diep verdeeld

ik ben glas
en ik ben beeld
zei de spiegel
nu geheeld

ben ik glas
of ben ik beeld
zei de spiegel
weer verdeeld

ik ben glas
en ik ben beeld
zei de spiegel
nu verveeld

hef het glas
en breek het beeld
ben je toch nog
vrijgespeeld

Kip of ei?

Drie identiteitscrisissen

1.

‘Ben ik nou borst
of ben ik dij’
dacht de kip en
lei een ei.

2.

‘Ben als de dooier
dat ik faal’
dacht het ei en
brak zijn schaal.

3.

‘Ik ben geen kip
maar ook geen ei’
dacht het kuiken,
‘Ketterij!’

Groeten uit Tibet

ben ik nou geel
of ben ik rood
vroeg oranje
heel devoot

Toelichting

Tibet kent veel boeddhistische scholen, waaronder de geelhoeden (gelugpa) en de roodhoeden (drukpa). De dalai lama is de hoogste geelhoed.

De geelhoeden en de roodhoeden strijden al eeuwen om de macht. Deze strijd is met de verspreiding van het Tibetaanse boeddhisme over heel de wereld geëxporteerd. Ook Nederlanders (oranjehoeden) worden geacht partij te kiezen voor de geelhoeden of de roodhoeden.

In een bovenwoning in Amsterdam is onlangs een veelhoed gesignaleerd. Zijn hoeden hebben alle kleuren van de regenboog en hij draagt ze allemaal tegelijk.
De veelhoed is de hoogste veelhoed.

Wij en zij

Hechting en onthechting in de hoogste divisie.

Zegt de ene Oranjefan: ‘De halve finale hebben we gewonnen!’
Zegt de andere: ‘Maar de finale hebben ze verloren.’

Iedereen droomt

Als je maar
geen auto’s had,
dacht de haas
een beetje plat.

Was het water
maar niet nat,
dacht de wader
op het wad.

Als ik nou
maar niks vergat,
dacht het oudje,
Zei ik wat?

Als de mens
maar tot mij bad,
dacht de boeddha
ladderzat

Als de huid
geen pukkels had,
lachte puist,
werd ik een wrat.

dromer: iemand die verlossing zoekt in voorstellingen van een beter zelf of een betere wereld

Iedereen klaagt

Was z’n gat nou
maar een mond,
dacht de haas
vanuit de hond.

Was de mest nou
maar geen stront,
klonk het klaaglijk
uit de grond.

Was mijn ei maar
niet zo rond,
kreunde kip
vanuit zijn kont.

Schone snedes
zijn gezond,
zwoegde mes
vanuit mijn wond.

Was mijn haar maar
niet zo blond,
dacht het spook
dat niet bestond.

Konijn in hond

klager: iemand die verlossing zoekt in weeklagen en wensdenken

De piekerpad op het piekerpad

Ben ik inheems
of toch exoot,
dacht de pad
die nooit besloot.

Ben ik koud
of ben ik kil,
dacht de pad
en rilde stil.

Is ’t al maart
of pas april,
dacht de pad
en zocht zijn bril.

Ben ik kikker
of ben ik dril,
dacht de pad
en ging van bil.

Van de wal of
in de sloot,
dacht de pad
en brak zijn poot.

Woordenlijstje

piekerpad (de): denkend wezen, menselijk of anderszins, dat vastzit in schijndilemma’s*

piekerpad (het, pejoratief): rinzai-zen volgens sotoboeddhisten

Piekerpad (hoofdletter, het): de Grote Weg volgens Sint Pieker

Sint Pieker is de patroonheilige van het Piekerpad.
De vier Edele Waarheden volgens Sint Pieker:

1. Er is piekeren
2. Het piekeren heeft een oorzaak
3. De oorzaak van het piekeren kan opgeheven worden
4. Door het Piekerpad te volgen wordt het piekeren beëindigd

Het Piekerpad is wel lang maar niet moeilijk.
Eerst pieker je onophoudelijk over je leven.
Na je inwijding pieker je onophoudelijk over je boeddhisme.
Op een dag in dit leven of in een volgend (reïncarnatie) dringt het tot je door dat het allemaal nergens over gaat (sunyata), dat je nergens iets over te zeggen hebt (anatman) en dat alles onbegrijpelijk is (afhankelijk ontstaan), en ben je voorgoed uitgepiekerd (nirwana).

‘Piekeren om een einde te maken aan het piekeren is je verstand gebruiken om je verstand te saboteren.’ (Sint Pieker, Paradoxale Spiritualiteit, uitgeverij Sam @ Sarah, 2013, p112, € 25,-)

Sint Pieker is de achtenzestigste of de zesentachtigste reïncarnatie of dharma-opvolger van de Boeddha of diens ego of eega – daar is hij nog niet uit.
Wel durft hij zichzelf ‘althans op oneven dagen’ volmondig een bodhisattva te noemen: ‘een uitgepiekerde die onophoudelijk piekert over andermans gepieker.’

* Volgens Sint Pieker is ‘schijndilemma’ een pleonasme, maar daar ben ik nog niet uit.

Alias Jones or Smith

Zoeken naar je ware gezicht

1.
Wat is nou
mijn ware schil,
dacht een ui
en gaf een gil.

2.
Ben ik vlees
of ben ik vis,
dacht een appel
niet zo gis.

Ze tobde door
totdat ze wist,
‘k Ben een jona
of een smith.

En na een jaar
al niet meer fris,
Ben ik granny
of nog miss?

appelvis

3.
Bloemen van de
piekerboom
zijn alleen maar
een symptoom.

Vruchten van de
piekerboom
zijn zo echt als
een fantoom.

Mijn ware gezicht zag ik in ’t gesticht
(Nietzsche in Na de Woordvloed)

Hulpmiddelen voor de hokjesgeest

Leerling: Waarmee kan ik de waarheid zien?
Meester: Met oogkleppen.
Leerling: Ik bedoel, hoe kan ik de waarheid in het vizier krijgen?
Meester: Door een helm op te zetten.
Leerling: Laat ik het zo zeggen: waarvan getuigt de waarheid?
Meester: Van kokervisie.

Ziende blind

Leerling: Hoe voorkom ik kokervisie?
Meester: Door je ogen te sluiten.
Leerling: Dan zie je niks meer.
Meester: Dan zie je alles.
Leerling: Alleen de waarheid niet.
Meester: Alleen niet als waarheid.

Uitgekookt

Leerling: Elke visie is een kokervisie.
Meester: Deze ook.
Leerling: Maar dat kan toch helemaal niet!
Meester: Die ook.

Elke visie is een kokervisie, deze ook

Kijken vanuit een standpunt betekent iets zien en de rest niet zien. Wat vanuit jouw standpunt niet te zien is, bestaat niet.

Je bekijkt iets als christen maar niet als moslim.
En gelijk dat je hebt!

Als moslim maar niet als christen.
En gelijk dat je hebt!

Als Tibetaan maar niet als Chinees.
En gelijk dat je hebt!

Als Chinees maar niet als Tibetaan.
En gelijk dat je hebt!

Als Roodhoed maar niet als Geelhoed.
En gelijk dat je hebt!

Als Geelhoed maar niet als Roodhoed.
En gelijk dat je hebt!

Als aanrander maar niet als slachtoffer.
En gelijk dat je hebt!

Als slachtoffer maar niet als aanrander.
En gelijk dat je hebt!

Als ouder maar niet als pedofiel.
En gelijk dat je hebt!

Als pedofiel maar niet als ouder.
En gelijk dat je hebt!

Als autochtoon maar niet als vluchteling.
En gelijk dat je hebt!

Als vluchteling maar niet als autochtoon.
En gelijk dat je hebt!

Als multinational maar niet als punker.
En gelijk dat je hebt!

Als punker maar niet als multinational.
En gelijk dat je hebt!

Als boeddhist maar niet als non-dualist.
En gelijk dat je hebt!

Als non-dualist maar niet als boeddhist.
En gelijk dat je hebt!

Als boeddha maar niet als mens.
En gelijk dat je hebt!

Als mens maar niet als boeddha.
En gelijk dat je hebt!

Als jood maar niet als nazi.
En gelijk dat je hebt!

Als nazi maar niet als jood.
En gelijk dat je hebt!

Als bontdrager maar niet als dierenbeschermer.
En gelijk dat je hebt!

Als dierenbeschermer maar niet als bontdrager.
En gelijk dat je hebt!

Als ooievaar maar niet als kikker.
En gelijk dat je hebt!

Als kikker maar niet als ooievaar.
En gelijk dat je hebt!

Maar dat gelijk dank je helemaal aan je beperkte blik. Gelijk heb je doordat je oogkleppen draagt. Je kijkt door een koker die je gezichtsveld beperkt. Je visie is een kokervisie. Alleen binnen een kokervisie is een eenduidig ja of nee mogelijk. Zonder dat je het doorhebt, is het de koker zelf die je bevestigt. Het is de bestaansvoorwaarde voor je heilige gelijk.

Dat geldt niet alleen voor controversiële onderwerpen. Een mooi voorbeeld van academische kokervisie is de Euclidische meetkunde. Dit mathematische bouwwerk is ruim twee millennia lang onaantastbaar geweest. Zelfs de grootste wiskundigen meenden dat de Euclidische meetkunde algemeengeldig was. Pas in de negentiende eeuw besefte men dat er vele meetkundes mogelijk zijn, waarvan sommige beperkt toepasbaar zijn op geïdealiseerde objecten zoals platte vlakken, boloppervlakken of zadeloppervlakken, en andere (vooralsnog) zonder toepassing blijven.

Misschien kom je nu in de verleiding om een algemene filosofie te formuleren met als centrale leerstelling dat elke visie een kokervisie is. Een leer van die strekking bestaat al, onder de naam perspectivisme. Mocht het perspectivisme in algemene zin al waar zijn dan is de visie dat elke visie een kokervisie is, op haar beurt een kokervisie – een beperkte en beperkende zienswijze die alleen maar waar lijkt zolang je de wereld door de koker van het perspectivisme bekijkt. Dus waarom zou je?

olifant

De ene ezel leidt de andere

Raad van elf

Nasroeddin rijdt achterstevoren op zijn ezel door het dorp…

1.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Welnee, mijn ezel loopt de verkeerde kant op.’

2.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Wat is er verkeerd aan die kant?’

3.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Als niemand keek waar hij heen ging zouden er heel wat minder ongelukken gebeuren.’

4.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Als mijn ezel maar de goede kant op kijkt.’

5.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Ik hoef niet te zien waar ik heen ga.’

6.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Maar als mijn ezel achteruit gaat lopen, zit ik goed.’

7.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Wil ik weten waar een ezel heen gaat?’

8.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Zo denkt mijn ezel dat hij me dwars zit en brengt me toch waar ik wezen moet.’

9.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Het is eenvoudiger voor een man om terug te kijken dan voor een ezel om achteruit te lopen.’

10.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘Je kijkt zelf de verkeerde kant op.’

11.

‘Hé Nasroeddin, je kijkt de verkeerde kant op.’

‘De ene ezel leidt de andere.’

ezeltje strek je

Weg van alle antwoorden en weg van alle vragen

Nasroeddin raast op zijn ezel door het dorp…

1.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Naar een plek waar mijn ezel stil wil blijven staan.’

2.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Hé mensen, waar blijven jullie nou?’

3.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Dat moet je mijn ezel vragen.’

4.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Het is de aarde die onder mij door draait.’

5.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Hoe hard ik ook ga, ik zit steeds op mijn ezel.’

6.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Rennende ezels balken niet.’

7.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Dat weet ik pas als ik er ben.’

8.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Ik probeer aan mijn ezel te ontkomen.’

9.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Als ik maar onderweg ben.’

10.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘De weg is te heet om stil te blijven staan.’

11.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Als ik dat wist, zou ik dan nog haast maken?’

12.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Als ik dat wist, ging ik wel de andere kant op.’

13.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Dat vraag ik me mijn hele leven al af.’

14.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Wie zegt dat ik ergens heen moet?’

15.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Wie snel gaat, is snel nergens.’

16.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Naar iemand die me dat kan vertellen.’

17.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Weg van alle antwoorden.’

18.

‘Hé Nasroeddin, waar moet je zo snel heen?’

‘Weg van alle vragen.’

Van meningen en meningitis

1.

Leerling: Niemand weet wat, maar iedereen heeft een mening.

Meester: Weet je dat of is het een mening?

2.

Leerling: Iedereen houdt de grenzen van zijn eigen gezichtsveld voor de grenzen van de wereld.

Meester: Is dit de grens van jouw gezichtsveld of die van de wereld?

3.

Leerling: Ervaring is een karikatuur van de werkelijkheid.

Meester: Is dit de werkelijkheid of een karikatuur van je ervaring?

4.

Leerling: Ervaring is de regel waarop de volgende gebeurtenis een uitzondering is.

Meester: Is dat jouw ervaring of een uitzonderlijke gebeurtenis?

5.

Leerling: Het onverwachte is een uitnodiging om je verwachtingen op te geven.

Meester: Toch weer een regel ontdekt?

6.

Leerling: Onze ervaring bestaat eerder uit verloren illusies dan uit verworven wijsheid.

Meester: Ook die illusie ben ik kwijt.

7.

Leerling: Het inzicht van vandaag is de dwaling van morgen.

Meester: Dit inzicht ook.

8.

Leerling: Een vlaag van verstandsverbijstering is een blik in de eeuwigheid.

Meester: Is dit een vlaag van verstandsverbijstering of een blik in de eeuwigheid?

9.

Leerling: Een fanaticus is iemand die niet van gedachten kan veranderen en niet van onderwerp wil veranderen.

Meester: Hoe vaak heb ik je dat al niet horen zeggen.

‘Meningitis’ is de medische term voor een hersenvliesontsteking. Een van de symptomen is stijfheid of verkramping van de nek; vandaar de synoniemen ‘nekkramp’ en ‘stijfkramp’.

Een verstand dat op een standpunt staat is een puntverstand

Wandspreuken voor oneliners*

Een verstand dat op een standpunt staat is een puntverstand.

Een puntverstand is een verstand dat op het standpunt staat dat een verstand dat op een standpunt staat een puntverstand is.

Een verstand dat ergens op staat is een verstandbeeld.

Het verstand is een verstandbeeld van het verstand.

Een verstand dat ergens op staat is een verstand dat nergens op slaat.

Een verstand dat ergens voor staat is een verstand dat nergens achter komt.

Een verstand dat ergens voor staat is een verstand dat nergens binnen komt.

Een verstand dat nergens voor staat is een verstand dat nergens voor gaat.

Een verstand dat zich een houding aanmeet staat niet garant voor een goede verstandhouding.

Verstand is wat zichzelf verzint; verstand is wat zichzelf ontbindt.

* oneliner: 1. bondig aforisme; 2. iemand wiens denken beperkt blijft tot oneliners (1)

In mijn ervaring is het project om niet weten in één zin te vangen al net zo hopeloos als het project om het in één woord te vangen of in één gedicht of in een artikel, correspondentie, boek, gebaar, ritueel, handeling, blik, gemoedstoestand, enkelvoudig pad, meervoudig pad, praktijk, meditatievorm, levenshouding, filosofie, moraal, systeem, traditie of wat dan ook. Niet weten laat zich niet vangen, dus ook niet in het woord ‘niet weten’, dat opnieuw een gevangenis is – en geloof dat ook maar niet.

Tip: Dwaalspreuken.

Voorbij gelijk en ongelijk

1. Gelijk spel

Leerling: Het lijkt wel of u altijd gelijk hebt.

Meester: Ik heb nooit gelijk.

Leerling: Ach gut.

Meester: En nooit ongelijk.

Leerling: Bedoelt u dat de waarheid voorbij gelijk en ongelijk ligt?

Meester: De wat?

Leerling: Of dat waarheid niet bestaat?

Meester: Ik ben mij van geen bedoeling bewust.

Leerling: Bedoelt u dat wij iedere bedoeling los moeten laten?

Meester: Met welk doel?

Leerling: Ziet u wel?

Meester: Wat?

Leerling: Het lijkt wel of u altijd gelijk hebt.

2. Ongelijk spel

Leerling: Ik heb nooit gelijk.

Meester: Behalve nu zeker.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Wat?

Leerling: Maar dat bewijst het toch?

Meester: Wat bewijst het toch?

Leerling: Dat ik nooit gelijk heb.

Meester: Behalve nu zeker.

Leerling: En ook nooit ongelijk.

Meester: Je zegt het maar.

Leerling: Nee, dan moet u vragen, ‘Bedoel je dat de waarheid voorbij gelijk en

ongelijk ligt?’

Meester: De wat?

Leerling: En dan zeg ik: ‘De wat?’

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Ziet u wel?

Meester: Wat?

Leerling: Het lijkt wel of u altijd gelijk hebt.

Overal de keerzijden van zien

‘Hans, wat is niet weten?’

‘Overal de keerzijden van zien.’

‘Ook van de keerzijden?’

‘Ook.’

‘Dan ben je nooit meer ergens helemaal vóór!’

‘Dat is inderdaad de keerzijde.’

‘Of tegen.’

‘Dat is inderdaad de keerzijde.’

‘Dan ben je nooit meer helemaal neutraal.’

‘Dat is inderdaad de keerzijde.’

‘Dan hoor je nooit meer ergens helemaal bij.’

‘Dat is inderdaad de keerzijde.’

‘Dan sta je nooit meer ergens helemaal buiten.’

‘Allemaal keerzijden.’

‘Veelzijdig hoor.’

‘En wat is daarvan de keerzijde?’

‘Nou?’

‘Veelzijdigheid is best eenzijdig.’

‘Verdraaid.’

‘Dus wat je ermee opschiet?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Maar om dat nou een keerzijde te noemen.’

‘Wat zijn de keerzijden van niet weten?’

‘Niet weten heeft geen keerzijden.’

‘Hoe kan dat nou!’

‘Niet weten heeft geen zijden.’

‘Onzijdig hoor.’

Koekepeer van de lege leer

Onbetwistbaar een overgevoelige huilebalk die van een vlo al uit balans raakt, ben ik tegelijk absoluut zeker, maar waarvan? Nergens van. Of, om dit nergens een fantasienaam te geven: van de lege leer.

De lege leer is een bijzondere leer want hij heeft geen leerstellingen.
Dus ook niet dat je niets kunt weten.
Ook niet dat je niet moet oordelen of dat je best mag oordelen maar alleen in de wereld van het relatieve of dat je daar iets over te zeggen hebt of dat je er niets over te zeggen hebt.
Ook niet dat er alleen maar dit is of dat of dat alles eigenlijk zus is of zo.
Ook niet dat waarheid niet bestaat of dat de waarheid voorbij de woorden is of dat alles relatief is of dat het relatieve opkomt en ondergaat in het absolute.
Ook niet dat god wel bestaat of niet bestaat of dat zijn al dan niet bestaan niet bewezen kan worden of dat hij voorbij bestaan en niet-bestaan is.
Ook niet dat we allemaal al boeddha’s zijn of kunnen worden als we maar lang genoeg hard genoeg ons best doen of dat alles leeg is of afhankelijk ontstaat of dat dat niet zo is of dat we ons daar niet druk over moeten maken, of wat dan ook.

Als leer is de lege leer enig in zijn soort.
Je kunt hem niet aanleren, je kunt hem niet afleren.
Je kunt hem niet kennen, je kunt hem niet ontkennen.
Je kunt hem niet verstaan, je kunt hem niet misverstaan.
Je kunt hem niet bewijzen, je kunt hem niet ontkrachten.
Je kunt hem niet aanvallen, je kunt hem niet verdedigen.
Je kunt hem niet aanhangen, je kunt hem niet afvallen.
Je kunt hem niet opleggen, je kunt hem niet verbieden.
Je kunt hem niet ontvangen, je kunt hem niet weggeven.
Je kunt hem niet hebben, je kunt hem niet kwijtraken.
Je kunt er niets om doen, je kunt er niets om laten.
Je kunt er niets mee opwekken, je kunt er niets mee bezweren.
Je kunt er niets mee wettigen, je kunt er niets mee veroordelen.
Je kunt er niemand mee zegenen, je kunt er niemand mee vervloeken.
Je kunt er niemand mee bevrijden, je kunt er niemand mee vangen.
Je kunt er niemand mee helen, je kunt er niemand mee kwetsen.
Je kunt er niemand mee verheffen, je kunt er niemand mee neerhalen.
Ongelofelijk.
Ik bedoel, kom er maar eens om.
De lege leer: klaar ben je ermee.
En hij bestaat niet eens!

Lees ook: De lege leer.