Stephen Jourdain

‘De beste poging die je nu zou kunnen ondernemen is deze: de werkelijkheid van alles wat er in jou nu, meteen, onmiddellijk gebeurt, in twijfel trekken.’ Citaten van non-dualist en bon-vivant Stephen Jourdain.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Advaita > Stephen Jourdain


Uit Zomaar verlicht, Gilles Farcet, 2006:


Een pure leugen

Eén ding moet je goed begrijpen: intellectueel gezien valt er uit verlichting geen munt te slaan. Iedere leer die er uit voort zou vloeien, zou een pure leugen zijn. Uit verlichting valt niets te halen. Het kenmerkende van verlichting is juist dat ze iedere gevolgtrekking, iedere logische verklaring tot niets reduceert. (77)


In de prullenbak

Als ik verlichting wil beschrijven of uitleggen, dan moet ik natuurlijk wel intellectuele en filosofische termen gebruiken, dat kan niet anders. Maar als je er een boek over wilt schrijven, dan kun je het beste de linkerpagina’s vol schrijven en op de rechterpagina’s zetten: ‘Gelieve de pagina’s links in de prullenbak te gooien!’ (77)


De dood van de ander

In feite is de ander tenietgedaan. […] De ander is geëlimineerd. Verlichting betekent in zekere zin de dood van de ander, want het bewustzijn van de ander vormt juist de kern van de begoocheling; een idee waar weinigen van gecharmeerd zullen zijn. (77,78)


Allemaal niets

‘Maar’, hoor ik iedereen al uitroepen, ‘dingen bestaan toch?’ ‘Nee, die zijn er niet!’ ‘Nou, maar de anderen dan? Je vrouw bijvoorbeeld?’ Allemaal niets, niets zeg ik je. (78)


Daar geloof ik niet in

Wat de Mensheid betreft: die kan me gestolen worden. Daar geloof ik niet in, net zo min als in mijn lichamelijke organen. (79)


Korte metten

In wat de mensen ‘feiten’ noemen zie ik het gezicht van de duivel en daar maak ik korte metten mee! Ik heb geen enkel respect voor mijn lichaam, geen enkel respect voor de zes miljard kwetsbare en sterfelijke mensen, voor de arme Chineesjes enzovoorts; ik heb geen enkel respect voor de kosmos, het kan me allemaal gestolen worden! Het enige wat mij als legitiem voorkomt is het aardse landschap waarin ik me nu, op dit moment bevind. De rest betekent absoluut niets; een opgeklopt verhaaltje van het allerslechtste soort […]. (80)


Marionet

Verlichting ziet alles als een uitbreiding van zichzelf, als een marionet waarbij hij aan de touwtjes trekt. Al geef ik nog zo’n prachtige uiteenzetting over de aard van verlichting, toch zie ik dat mijn verhaal onwerkelijk is, zoals bij een marionet die ik laat bewegen. Omdat ik niet kan vergeten dat het mijn eigen hand is die de pop laat bewegen, kan ik ook niet geloven dat hij echt is. Ik zal dus nooit kunnen geloven in een filosofie die ik misschien wel rond verlichting zou kunnen opbouwen. (82)


Nooit meer

Nooit meer zal ik mij in een identiteit laten inkapselen. (101)


God noch duivel

Ik geloof noch in God, noch in de duivel. En ik geloof al helemaal niet in mezelf terwijl ik de woorden uitspreek die jij uit mijn mond hoort komen. (106)


Geen millimeter

Omdat er geen moraal bestaat, zo concluderen ze, heb ik het volste recht mij immoreel te gedragen. De vent die zichzelf dit soort nonsens wijsmaakt, is nog geen millimeter aan zijn normale bewustzijn ontstegen: hij hecht nog steeds geloof aan de realiteit van zijn geest, aan de objectieve realiteit van logische waarheden. (106)


Vernietigingsproces

Op dit niveau zijn alle problemen, alle vragen en alles wat maar vragen zou kunnen oproepen, vernietigd. En voor zover dit vernietigingsproces tevens een bewustzijnsverschijnsel is, vernietigt het ook zichzelf. (106)


Zo zit het!

Op de vraag: ‘Is verlichting ook moreel?’ luidt mijn antwoord: ‘Er is geen verlichting, er is geen moraal.’
– ‘Maar is er dan’, hoor ik iedereen al protesteren, ‘zoiets als niet-verlichting en immoraliteit?’
– ‘Er is noch niet-verlichting, noch immoraliteit.’
– ‘Maar er is toch wel een keuze?’
– ‘Er is geen keuze.’
– ‘Nou zeg, moet je horen, er moet toch ja of nee zijn?’
– ‘Er bestaat geen ja, en er bestaat geen nee.’
– ‘Wat jij daar allemaal beweert…’
– ‘Ik heb absoluut niets beweerd en je staat er helemaal alleen voor.’
Zo zit het! (107)


Alle trucs doorzien

Je gelooft er niet langer meer in, die tijd is voorbij! Je bent achter de schermen van je eigen ik vandaan gekropen, je hebt alle trucs doorzien. (108)


Roman

Een verlicht iemand staat net zo tegenover zijn leven als de lezer tegenover de roman die hij aan het lezen is. Hij kan met de hoofdpersoon sympathiseren, maar hij zit er niet meer aan vast. Er is dus om zo te zeggen wel betrokkenheid, maar geen vereenzelviging. (110)


Vergeten

Wat is het verschil tussen iemand die verlicht is en iemand die nog in een gewone bewustzijnstoestand gevangen zit? Die laatste is ook de lezer van zijn eigen leven, maar dat herinnert hij zich niet meer. Hij is vergeten dat hij in feite de lezer is, en ziet zichzelf aan voor de hoofdpersoon in het boek. (110)


De dood is een gedachte

Als je de dood hebt ontdaan van iedere objectieve grond, van iedere werkelijkheid, dan kan hij je niet veel angst meer inboezemen. De dood is zuiver een gedachte […] en dus… niets! (173)


Op geen enkele manier

Ik geloof op geen enkele manier in het bestaan van een fysieke werkelijkheid. Intellectueel noch filosofisch gezien hecht ik er enig geloof aan, en al helemaal niet gevoelsmatig. (173)


Nee dus!

Als mensen het tegen mij over het menselijk lichaam hebben, weet ik niet wat ze bedoelen. ‘Maar toch’, roepen ze uit, ‘hebt u een lichaam en organen…’ Nee dus! Dat is kennis, dat zijn gedachten die moeten worden uitgewist. (174)


Uitgeveegd

Het bord waarop alle kennis staat moet leeg zijn. Alles moet worden uitgeveegd, en onder de dingen die moeten worden uitgeveegd bevinden zich mijn organen, mijn hart, de kogel die mij zal treffen en doden, mijn dood, het universum, etc. Dat moet allemaal voortdurend worden uitgewist, net als uiteindelijk het bord zelf. (174)


Rigoreus afwijzen

En zelfs als je op sterven lag, zou ik je hetzelfde zeggen: de dood is zuiver een gedachte. […] Ik kan niet anders dan wat je met je vraag [of niet tenminste je eigen dood of die van je vrouw echt is] bedoelt, rigoureus afwijzen. Daarmee wijs ik de vraag zelf, degene die de vraag heeft gesteld en degene die hem beantwoordt rigoureus af. (174)


Allemaal ideologie

‘Volgens de oosterse spiritualiteit […] zou je het grofweg zo kunnen samenvatten: ik ben voortgekomen uit het Grote Al en ik denk dat ik Gilles ben. Wat ik nu moet doen is niet meer denken dat ik Gilles ben. Als ik daarin slaag, zal ik, als ik sterf, terugkeren naar dit Grote Al en ermee versmelten.’ [stelt Gilles Farcet bij wijze van vraag]
‘Ik begrijp wat je bedoelt. Dit is allemaal ideologie, een duivelse ideologie zelfs! Satan is hier op de meest doortrapte manier aan het werk, want hij tooit zich met de naam van God.’ (175)


Om zeep helpen

In feite is een van de kenmerken van wat ik verlichting noem het om zeep helpen van wat anderen ‘waarheid’ of zelfs de ‘wetenschappelijke waarheid’ noemen. (177)


Dood stuk hout

Voor eens en voor altijd heeft [de verlichte] ingezien dat de waarheid ‘niets’ is. De waarheid is voor hem net een dood stuk hout. Hij ziet het liggen, pakt het op en breekt het over zijn knie in tweeën. Met andere woorden: ik kijk op een heel andere manier tegen de waarheid aan. De waarheid is waar als mij dat zo uitkomt; ze is ‘niets’ als het mij uitkomt dat ze ‘niets’ is. (178)


Dan vernietig ik haar

Zodra de waarheid die ik kan toekennen aan het lijden van de wereld zich van mij dreigt af te scheiden en zich tot een werkelijk object gaat vormen, vernietig ik haar. (178)


In één moeite door

Het getuigt van een volstrekte waanzin om niet al je energie en heel je wezen in dienst te stellen van een zoektocht die erop gericht is de waarheid van wat je bent aan het licht te brengen. Maar nogmaals: wat ik nu zeg, ligt op het niveau van de waarheid, van een bewering, en het enige wat ik daarmee kan, is ze in één moeite door vernietigen. (179)


De klap met het zwaard

[Verlichting] is de klap met het zwaard die, als het goed wordt aangepakt, zelf ook deel uitmaakt van alles wat wordt weggemaaid. Op dat moment wordt alles overstegen: het zijn, het niets, gisteren, morgen, het universum, de kosmos, God, heel je verleden. (187)


Het verleden ontkennen

Ben je […] in staat om het bestaan van heel het verleden tot en met de big bang te ontkennen en vrij te zijn van dit verdomde verleden, vrij te zijn van heel de geschiedenis van de mensheid? (190,191)


Ontkennen wat niet te ontkennen valt

Je moet dus alles wat niet te ontkennen valt ontkennen, overal waar het opduikt, dat wil zeggen in je totale waarnemingsveld. (192)


Alles uit de weg ruimen

De vernietiging die moet plaatsvinden is gigantisch. Je kunt de droom niet bij stukjes en beetjes aanvallen. […]. Je moet dus alles uit de weg ruimen en voortdurend je hersens afpijnigen terwijl je je ondertussen realiseert dat je nooit anders hebt waargenomen dan via je denken. (193)


Zeepbel

Wat wij beschouwen als de werkelijkheid dringt zich als een obsessie aan ons op. De kosmos is niet meer dan een zeepbelletje dat mijn ziel aan het blazen is. Die zeepbel moet je dus uiteen laten spatten. (193)


Namaakuniversum

Het leven van een mens die gevangen zit in de normale bewustzijnstoestand speelt zich af in het centrum van een subjectieve zeepbel die hij voortdurend aan het blazen is; hij zit in een namaak universum dat het denkende subject insluit. (193)


In twijfel trekken

De beste poging die je nu zou kunnen ondernemen is deze: de werkelijkheid van alles wat er in jou nu, meteen, onmiddellijk gebeurt, in twijfel trekken. (195)


Uit Cette vie m’aime, 1962, Editions Gallimard (vertaald uit het Frans in het Engels door Keith Waldrop):


Uiterst merkwaardig

Kijk eens goed rond in je hoofd. Vraag jezelf af: ben ik daar, in het midden, een paar centimeter achter mijn voorhoofd? of een stukje lager, net boven het linkeroor? of ergens achterin? Natuurlijk ben je helemaal nergens. En al gauw wordt dat uiterst merkwaardig, om nergens te zijn. Helemaal verdomd vreemd is het dat het geen donder uitmaakt dat je er niet bent, dat in de verlaten, schemerige ruimte van je hersenpan de gedachten gewoon blijven circuleren – de jouwe, een leven, opwellend, een onverklaarbare film – de jouwe, alsof het kleine mannetje dat er nooit geweest is, waarmee je je geïdentificeerd hebt, het al die tijd al wist! alsof de ingebeelde passagier niet al meteen bij vertrek (door diens naamkaartje te confisqueren) de rol van conducteur heeft overgenomen! alsof men nog steeds op ieder moment kennis zou kunnen maken met dit fantoom, de ware eigenaar van deze gedachten, van dit leven, van deze film!