Het Evangelie van Thomas

‘Verbijsterd zijnde zal hij in verwondering opgaan.’ Integrale tekst van het Thomas-Evangelie in de vertaling van Erik van Ruysbeek.

Redactie Hans van Dam.

Onderstaande versie van het Thomas-Evangelie is ontleend aan Het Evangelie van Thomas, Erik van Ruysbeek, Marcel Messing, Ankh-Hermes, 1990. Dit boek bevat behalve het Thomas-evangelie ook een non-dualistische parafrase van Erik van Ruysbeek, die ik hier niet heb overgenomen.

Het Thomas-Evangelie bestaat uit een ongenummerde inleiding van drie regels (hieronder nummer 0) en 114 genummerde spreuken of logia.

Dwaalgids > Mystiek > Het Evangelie van Thomas

Tip: Meester Nebbisj


0

Dit zijn de geheime woorden
die Jezus de Levende gesproken heeft
en die Didymus Judas Thomas heeft opgeschreven.


1

En hij heeft gezegd:
Hij die de betekenis van deze woorden zal vinden
zal de dood niet smaken.


2

Jezus heeft gezegd:
Dat hij die zoekt niet ophoude met zoeken
tot hij gevonden heeft
en als hij gevonden zal hebben
zal hij verbijsterd zijn
en verbijsterd zijnde
zal hij in verwondering opgaan
en hij zal heersen over het Al.


3

Jezus heeft gezegd:
Indien zij die u leiden u zeggen:
ziet, het Rijk is in de hemel,
dan zullen de vogels van de hemel u vóór zijn;
indien zij zeggen: ziet, het is in de zee,
dan zullen de vissen u vóór zijn.
Maar het Rijk, het is het binnenste
en het is het buitenste van u.
Wanneer gij uzelf zult kennen
dan zult gij gekend zijn
en zult gij weten dat gijzelf
de zonen van de levende Vader zijt.
Maar indien gij uzelf niet kent,
dan zijt gij in armoede en gijzelf zijt armoede.


4

Jezus heeft gezegd:
Een oude van dagen zal niet aarzelen
een heel klein kind van zeven dagen te ondervragen
naar de plaats van het leven
en hij zal leven
want vele eersten zullen de laatsten worden en zij zullen Eén zijn.


5

Jezus heeft gezegd:
Ken wat vóór uw gelaat is
en wat u verborgen is zal u onthuld worden
want niets is verborgen dat niet openbaar zal worden.


6

Zijn discipelen ondervroegen hem, zeggende:
Wilt ge dat we vasten?
Hoe zullen we bidden?
Hoe zullen we aalmoezen geven?
En welke voorschriften zullen we volgen
voor het eten?
Jezus zei:
Liegt niet,
en wat ge haat, doet dat niet,
omdat alles onthuld is in het aanschijn van de hemel.
Niets dat verborgen is zal ongeopenbaard blijven
en niets dat bedekt is
zal ononthuld blijven.


7

Jezus heeft gezegd:
Gelukkig is de leeuw
die door de mens gegeten zal worden,
en de leeuw zal mens zijn;
en ongelukkig is de mens
die door de leeuw gegeten zal worden,
en de mens zal leeuw zijn.


8

En hij heeft gezegd:
De mens is als een wijze visser
die zijn net in zee had geworpen.
Hij haalde het uit de zee vol kleine vissen.
Onder hen
vond de wijze visser een grote en goede vis.
Al de kleine vissen wierp hij terug
in de diepte der zee,
zonder aarzelen koos hij de grote vis.
Wie oren heeft om te horen, hore!


9

Jezus heeft gezegd:
Ziet, de zaaier ging uit.
Hij vulde zijn handpalm. Hij wierp.
Enkele graankorrels vielen op de weg,
de vogels kwamen en pikten ze.
Andere vielen op de rotsgrond,
ze schoten geen wortel in de aarde
en hieven geen aren ten hemel.
En andere vielen tussen de doornen,
deze verstikten het zaad
en de worm at het op.
En anderen vielen op een goede aarde,
zij zonden een goede vrucht naar de hemel:
er kwamen er zestig per maat.
en honderdtwintig per maat.


10

Jezus heeft gezegd:
Ik heb vuur op de wereld geworpen
en nu behoed ik het
tot het oplaait.


11

Jezus heeft gezegd:
Deze hemel zal voorbijgaan
en die boven hem is zal voorbijgaan
en zij die dood zijn leven niet
en de levenden zullen niet sterven.
De dagen dat gij at wat dood is
hebt gij het tot iets levends gemaakt.
Wanneer gij in het licht zult zijn,
wat zult gij dan doen?
Ten tijde dat gij één waart
hebt gij u tot twee gemaakt,
maar dan, twee zijnde,
wat zult gij doen?


12

De discipelen zeiden tot Jezus:
Wij weten dat gij ons zult verlaten.
Wie zal dan groot zijn over ons?
Jezus zei hun:
In uw graad van ontwikkeling
zult gij naar Jacobus de Rechtvaardige gaan.
De zaken van hemel en aarde komen hem toe.


13

Jezus heeft tot zijn discipelen gezegd:
Vergelijkt mij
en zegt mij op wie ik lijk.
Simon Petrus zei hem:
Gij lijkt op een rechtvaardige engel.
Mattheus zei hem:
Gij lijkt op een wijze denker.
Thomas zei hem:
Meester, mijn mond zal zeker weigeren
te zeggen op wie gij lijkt.
Jezus zei:
Ik ben uw meester niet meer
want gij hebt gedronken
en hebt u beroesd aan de opborrelende bron
die ik heb laten opwellen.
En hij nam hem terzijde
en zei drie woorden tegen hem.
Toen Thomas terug bij zijn gezellen kwam
ondervroegen dezen hem:
Wat heeft Jezus u gezegd?
Thomas zei hun:
Indien ik u een enkel woord zei
van wat hij mij gezegd heeft,
zoudt gij stenen grijpen
en zoudt gij ze naar mij werpen,
en het vuur zou uit de stenen springen
en ze zouden u verbranden.


14

Jezus heeft hun gezegd:
Indien gij vast
zult gij uzelf een zonde veroorzaken,
en indien gij bidt
zult gij veroordeeld worden,
en indien gij aalmoezen geeft
zult gij uw geesten kwaad berokkenen.
En indien gij in enig land gaat
en in die streken rondgaat, indien men u ontvangt,
eet wat men u voorzet,
geneest diegenen onder hen die ziek zijn.
Want wat in uw mond zal binnengaan
zal u niet verontreinigen
maar wat uit uw mond zal komen
dat zal u verontreinigen.


15

Jezus heeft gezegd:
Als ge hem zult zien
die niet uit de vrouw geboren is,
werpt u dan neer op uw aangezicht
en aanbidt hem.
Hij is het: uw Vader.


16

Jezus heeft gezegd:
Wellicht denken de mensen
dat ik gekomen ben
om vrede over de wereld te verspreiden
en weten zij niet
dat ik verdeeldheid op aarde ben komen werpen,
het vuur, het zwaard, de oorlog.
Want vijf zullen een huis bewonen,
drie tegen twee zullen ze zijn
en twee tegen drie
de vader tegen de zoon
en de zoon tegen de vader.
En ze zullen er staan als éénlingen.


17

Jezus heeft gezegd:
Ik zal u geven wat het oog niet gezien heeft
wat het oor niet gehoord heeft
en wat de hand niet geraakt heeft
en wat tot het hart van de mens niet gestegen is.


18

De discipelen zeiden tot Jezus:
Zeg ons hoe het einde zal zijn.
Jezus zei:
Hebt gij daarom dan het begin ontsluierd
om naar het einde te zoeken?
Want daar waar het begin is
daar zal het einde zijn.
Zalig hij die in het begin zal staan
en hij zal het einde kennen
en hij zal de dood niet smaken.


19

Jezus heeft gezegd:
Zalig hij die reeds was
vooraleer hij bestond.
Indien gij mijn discipelen zijt
en mijn woorden hoort
zullen deze stenen u dienen.
Gij hebt immers vijf bomen in het paradijs
die zomer noch winter bewegen
en hun bladeren vallen niet.
Wie hen zal kennen
zal de dood niet smaken.


20

De discipelen zeiden tot Jezus:
Zeg ons waaraan het rijk der hemelen gelijk is.
Hij zei hun:
Het is gelijk aan een mosterdzaad
het kleinste van alle zaden
maar als het valt in bewerkte grond
groeit er een grote scheut uit
die een schuilplaats is voor de vogelen des hemels.


21

Mariam zei tot Jezus:
Op wie gelijken uw discipelen?
Hij zei:
Zij gelijken op kleine kinderen
die zich op een veld ophouden
dat niet van hen is.
Als de meesters van het veld zullen komen
zullen zij zeggen:
Laat ons ons veld!
En zij, zij kleden zich in hun bijzijn uit
om hun hun veld te laten en te geven.
Daarom zeg ik u:
Als de meester van het huis weet
dat de dief komt,
zal hij waken vóór hij komt
en hij zal hem geen gat laten boren
in het huis van zijn rijk
om er zijn zaken uit weg te halen.
Wat u betreft: waakt tegenover de wereld,
omgordt uw lendenen uit alle kracht
opdat de rovers geen weg vinden tot u.
Want het voordeel waar gij naar uitkijkt,
zij zullen het vinden.
In het centrum van uzelf
zij er een verwittigd man!
Toen de vrucht rijp was
is hij inderhaast gekomen, zijn sikkel in de hand,
hij heeft haar geplukt.
Wie oren heeft om te horen, hore!


22

Jezus zag kleine kinderen die gezoogd werden.
Hij zei tot zijn discipelen:
Deze zuigende kleintjes zijn te vergelijken
met hen die naar het Rijk gaan.
Ze zeiden hem:
Indien we dus klein zijn,
zullen wij dan het Rijk binnengaan?
Jezus zei hun:
Als ge van twee één zult maken
en het binnenste als het buitenste
en het buitenste als het binnenste
en het bovenste als het onderste
om het mannelijke en het vrouwelijke
tot één te maken
opdat het mannelijke niet mannelijk blijve
en het vrouwelijke niet vrouwelijk,
als ge ogen zult maken in plaats van een oog
en een hand in plaats van een hand
en een voet in plaats van een voet
een beeld in plaats van een beeld,
dan zult gij het Rijk binnengaan.


23

Jezus heeft gezegd:
Ik zal u uitkiezen, een uit duizend
en twee uit tienduizend
en zij zullen bevestigd worden in hun éénzijn.


24

Zijn discipelen zeiden hem:
Licht ons in over de plaats waar gij zijt
want het is nodig dat we haar zoeken.
Hij zei hun:
Wie oren heeft, hore!
Er is licht
binnen een lichtend wezen
en het verlicht de ganse wereld.
Indien het niet verlicht
is het duisternis.


25

Jezus heeft gezegd:
Bemin uw broeder als uw ziel
waak over hem
als over uw oogappel.


26

Jezus heeft gezegd:
De splinter in het oog van uw broeder
gij ziet hem
maar de balk in uw eigen oog
gij ziet hem niet.
Als gij de balk uit uw oog verwijderd zult hebben
dan zult gij klaar zien
om de splinter uit het oog van uw broeder
te verwijderen.


27

Als gij niet vast ten opzichte van de wereld
zult gij het Rijk niet vinden,
als gij van de sabbat niet de sabbat maakt
zult gij de Vader niet zien.


28

Jezus heeft gezegd:
Ik stond in het midden van de wereld
en ik heb mij aan hen in vlees geopenbaard.
Ik heb ze allen dronken gevonden.
Ik heb onder hen niemand gevonden die dorst had,
en mijn ziel heeft voor de zonen der mensen geleden
omdat ze blind zijn in hun hart
en niet zien
dat ze ledig ter wereld zijn gekomen
en zelfs pogen de wereld ledig te verlaten.
Maar ziet: nu zijn ze dronken.
Als ze hun wijn zullen hebben opgegeven
dan zal hun geaardheid veranderen.


29

Jezus heeft gezegd:
Als het vlees ontstaan is wegens de geest
is het een wonder,
maar als de geest onstaan is wegens het lichaam
is het wonder boven wonder.
Maar ik, ik verwonder mij over het volgende:
hoe deze grote rijkdom
in deze armoede heeft gewoond.


30

Jezus heeft gezegd:
Daar waar drie goden zijn
zijn het goden,
daar waar er twee zijn of één,
daar ben ik met hem.


31

Jezus heeft gezegd:
Geen enkele profeet wordt in zijn dorp aanvaard,
een geneesheer verzorgt diegenen niet
die hem kennen.


32

Jezus heeft gezegd:
Een stad die gebouwd is op een hoge berg
en die sterk is
kan niet vallen
noch kan zij verborgen zijn.


33

Jezus heeft gezegd:
Wat ge met het ene oor zult horen
schreeuw het in het andere oor
verkondig het op uw daken.
Want niemand steekt een lamp aan
en zet ze onder de korenmaat
noch zet ze op een verborgen plaats,
maar hij zet ze op de kandelaar
opdat diegenen die komen en gaan
haar licht zouden zien.


34

Jezus heeft gezegd:
als een blinde een blinde leidt,
vallen ze alle twee in een diepe kuil.


35

Jezus heeft gezegd:
Het is niet mogelijk
dat iemand binnenbreke in het huis van de sterke
en het met geweld inneme
tenzij hij zijn handen vastbindt:
dan zal hij zijn huis ondersteboven keren.


36

Jezus heeft gezegd:
Maakt u geen zorgen van ’s morgens tot ’s avonds
en van ’s avonds tot ’s morgens
om wat gij zult aantrekken.


37

Zijn discipelen zeiden:
Op welke dag zult gij u aan ons openbaren
en welke dag zullen wij u zien?
Jezus zei:
Als gij uw schaamte zult afleggen
uw klederen zult nemen
ze aan uw voeten zult leggen
en zoals de zeer kleine kinderen
ze zult vertrappelen,
dan zult ge de Zoon zien
van Hem die levend is
en gij zult geen angst kennen.


38

Jezus heeft gezegd:
Hoevele malen hebt gij ernaar verlangd
om deze woorden te horen
die ik u zeg,
en gij hebt niemand anders
van wie gij ze kunt horen.
Er zullen dagen komen
waarop gij mij zult zoeken
en mij niet zult vinden.


39

Jezus heeft gezegd:
De Farizeeën en de schriftgeleerden
hebben de sleutelen der gnosis ontvangen
en hebben ze verborgen.
Ze zijn niet binnengetreden
en hen die wilden binnentreden
lieten ze niet toe.
Maar u, weest voorzichtig als de slangen
en zuiver als de duiven.


40

Jezus heeft gezegd:
Een wijnstok werd buiten de Vader geplant
en daar hij niet vaststaat
zal hij met de wortel uitgeroeid worden
en hij zal vergaan.


41

Jezus heeft gezegd:
Aan wie in zijn hand heeft
zal men geven
en aan wie niet heeft
zal zelfs het weinige dat hij heeft
ontnomen worden.


42

Jezus heeft gezegd:
Weest voorbijgangers.


43

Zijn discipelen zeiden hem:
Wie zijt gij, die ons zulke dingen zegt?
– Door de dingen, die ik u zeg,
weet gij dan niet wie ik ben?
Maar gij, gij zijt als de Joden:
zij houden van de boom
zij verfoeien zijn vrucht,
zij houden van de vrucht
zij verfoeien de boom.


44

Jezus heeft gezegd:
Wie de Vader lastert
hem zal vergeven worden,
en wie de Zoon lastert
hem zal vergeven worden.
Maar wie de zuivere Geest lastert
hem zal noch op aarde noch in de hemel vergeven worden.


45

Jezus heeft gezegd:
Men oogst geen druiven op de doornen
en men plukt geen vijgen op de distels,
want ze geven geen vrucht.
Een goed man haalt iets goeds uit zijn schat
een kwade man haalt iets kwaads
uit de kwade schat
die in zijn hart is
en hij zegt kwade dingen:
want uit de overvloed des harten
haalt hij iets kwaads.


46

Jezus heeft gezegd:
Van Adam tot Johannes de Doper
onder hen die uit de vrouw geboren zijn
overtreft niemand Johannes de Doper,
zodanig dat zijn ogen niet vernietigd zullen worden.
Maar ik heb gezegd:
Hij onder u die klein zal zijn
zal het Rijk kennen
en Johannes overtreffen.


47

Jezus heeft gezegd:
Het is niet mogelijk
dat een man twee paarden berijdt
dat hij twee bogen spant
en het is niet mogelijk
dat een dienaar twee heren dient,
of hij zal de ene eren
en de andere smaden.
Nooit drinkt een man oude wijn
of hij wenst onmiddellijk nieuwe wijn te drinken
en men giet geen nieuwe wijn
in oude zakken
uit angst dat ze zouden barsten
en men giet geen oude wijn
in een nieuwe zak
uit angst dat hij deze zou bederven.
Men naait geen oude lap
aan een nieuw kleed
want er zou een scheur ontstaan.


48

Jezus heeft gezegd:
Indien twee onder elkaar vrede maken
in eenzelfde huis,
zullen zij tot de berg zeggen:
verwijder u,
en hij zal zich verwijderen.


49

Jezus heeft gezegd:
Zalig zijt gij, éénlingen, uitverkorenen,
omdat gij het Rijk zult vinden.
Daar gij gesproten zijt uit Hem
zult gij er terugkeren.


50

Jezus heeft gezegd:
Als de mensen u zeggen:
Vanwaar komt gij?
zegt hun:
Wij zijn gekomen uit het licht
daar waar het licht uit zichzelf geboren is.
Het stond op
en openbaarde zich in hun beeld.
Als ze zeggen:
Wie zijt gij?
zegt:
wij zijn zijn zonen
en de uitverkorene van de levende Vader.
Als zij u vragen:
Wat is het teken van uw Vader die in u is?
zegt hun:
Het is een beweging en een rust.


51

Zijn discipelen zeiden hem:
Op welke dag
zal de rust komen van hen die dood zijn?
En op welke dag
zal de nieuwe wereld komen?
Hij zei hun:
Wat gij verwacht is gekomen
maar gij, gij kent het niet.


52

Zijn discipelen zeiden hem:
Vierentwintig profeten hebben gesproken in Israël
en allen hebben door u gesproken.
Hij zei hun:
Hem die levend vóór u staat hebt gij verlaten
en gij hebt over doden gesproken.


53

Zijn discipelen zeiden hem:
Is de besnijdenis nuttig of niet?
Hij zei hun:
Indien zij nuttig was
zou hun vader ze besneden
uit hun moeder verwekken.
Maar de waarachtige besnijdenis, in de geest,
heeft een volledig nut gevonden.


54

Jezus heeft gezegd:
Zalig zijt gij, armen,
want u behoort het rijk der hemelen.


55

Jezus heeft gezegd:
Wie vader en moeder niet verwerpt
kan mijn discipel niet worden
en wie broeders en zusters niet verwerpt
en zijn kruis niet draagt zoals ik het draag
zal mij niet waardig zijn.


56

Jezus heeft gezegd:
Wie de wereld heeft gekend
heeft een lijk gevonden
en wie een lijk heeft gevonden
de wereld is hem niet waardig.


57

Jezus heeft gezegd:
het Rijk van de Vader is vergelijkbaar met een man
die een goed zaad bezat.
Zijn vijand kwam in de nacht
hij zaaide onkruid onder het goede zaad.
De man liet hun het onkruid niet uitrukken
uit angst, zegde hij hun, dat gij zoudt gaan, zeggende:
Wij zullen het onkruid uitrukken,
en dat gij, samen met het onkruid,
ook het graan zoudt uitrukken.
Inderdaad, op de dag van de oogst
zal het onkruid wel verschijnen
en men zal het uitrukken en verbranden.


58

Jezus heeft gezegd:
Zalig de mens die de beproeving heeft gekend:
hij heeft het leven gevonden.


59

Jezus heeft gezegd:
Kijkt naar Hem die levend is
zolang gij leeft,
opdat gij niet zoudt sterven
en zoudt pogen Hem te zien,
en gij niet zoudt kunnen zien.


60

Zij zagen een Samaritaan
die, een lam dragend,
naar Judea ging.
Hij zei tot zijn discipelen:
Wat zal hij doen met het lam?
Zij zeiden hem:
Het doden en opeten.
Hij zei hun:
Zolang het levend is
zal hij het niet opeten
tenzij hij het doodt
en het een lijk is.
Zij zeiden:
Anders zal hij het niet kunnen doen.
Hij zei hun:
Gijzelf dan, zoekt voor uzelf een plaats
in het innerlijke van de rust
opdat gij geen lijken zoudt zijn
en niet opgegeten zoudt worden.


61

Jezus heeft gezegd:
Twee rusten op een bed
de ene zal sterven, de andere zal leven.
Salomé zei:
Wie zijt gij, man?
Is het, als gesprotene uit het ene
dat gij op mijn bed gestegen zijt
en aan mijn dis heb gegeten?
Jezus zei haar:
Ik ben diegene die is
gesproten uit diegene die gelijk is,
mij is gegeven wat van mijn Vader komt.
– Ik ben uw discipel.
– Daarom zeg ik dit:
Als de discipel leeg is
zal hij vol licht zijn
maar als hij verdeeld is
zal hij vol duisternis zijn.


62

Jezus heeft gezegd:
Ik zeg mijn geheimenissen
aan hen die mijn geheimenissen waardig zijn.
Wat uw rechterhand zal doen
dat uw linkerhand niet wete
wat ze doet.


63

Jezus heeft gezegd:
Er was een rijk man
die een groot fortuin bezat.
Hij zei:
Ik zal mijn fortuin gebruiken
om te zaaien, te oogsten, te planten,
mijn zolders met graan te vullen
opdat ik van niets tekort zou hebben.
Dàt dacht hij in zijn binnenste
en diezelfde nacht stierf hij.
Wie oren heeft, hore!


64

Jezus heeft gezegd:
Een man had gasten
en nadat hij de maaltijd had aangericht
zond hij zijn dienaar om de gasten uit te nodigen.
Hij ging naar de eerste
en zei hem:
Mijn meester nodigt u uit.
Deze zei:
Ik heb geldzaken met kooplieden,
ze komen vanavond bij mij,
ik zal hun richtlijnen geven.
Ik verontschuldig mij voor de maaltijd.
Hij ging naar een andere
en zei hem:
Mijn meester nodigt u uit.
Deze zei hem:
Ik heb een huis gekocht en ik heb een dag nodig.
Ik zal niet beschikbaar zijn.
Hij kwam bij een andere
en zei hem:
Mijn meester nodigt u uit.
Deze zei hem:
Mijn vriend gaat trouwen
en ik zal de maaltijd voorbereiden,
ik zal niet kunnen komen,
ik verontschuldig mij voor de maaltijd.
Hij ging naar een ander en zei hem:
Mijn meester nodigt u uit.
Deze zei hem:
Ik heb een hoeve gekocht,
ik ga de pacht innen,
ik zal niet kunnen komen,
ik verontschuldig mij.
De dienaar keerde terug,
hij zei tegen zijn meester:
Zij die gij tot de maaltijd hebt uitgenodigd
hebben zich verontschuldigd.
De meester zei tot zijn dienaar:
Ga langs de wegen
wie ge zult vinden
breng ze hier om de maaltijd te gebruiken.
De kopers en de handelaars
zullen niet binnenkomen
in de plaatsen van mijn Vader.


65

Hij heeft gezegd:
Een rijk man had een wijngaard.
Hij gaf hem aan pachters
om hem te bewerken
en om er de vrucht uit hun handen van te ontvangen.
Hij zond zijn dienaar
om van de pachters
de vrucht van de wijngaard te ontvangen.
Ze maakten zich meester van zijn dienaar,
ze sloegen hem,
weinig scheelde het of ze hadden hem gedood.
De dienaar vertrok.
Hij zei het aan zijn meester.
Zijn meester zei:
Wellicht hebben zij hem niet herkend.
Hij zond een andere dienaar.
De pachters sloegen hem ook.
Toen zond de meester zijn zoon.
Hij zei:
Misschien zullen ze hem, mijn zoon, eerbiedigen.
Maar die pachters wisten
dat hij de erfgenaam van de wijngaard was,
grepen hem en doodden hem.
Wie oren heeft, hore!


66

Jezus heeft gezegd:
toont mij de steen
die de bouwlieden verworpen hebben:
hij is het, de hoeksteen.


67

Jezus heeft gezegd:
Hij die het Al kent
als hij van zichzelf beroofd wordt
wordt hij van het Al beroofd.


68

Jezus heeft gezegd:
Weest gelukkig
als men u haat
als men u vervolgt,
en men zal nergens een plaats vinden
op de plek zelf waar men u vervolgd heeft.


69

Jezus heeft gezegd:
Zalig zijn zij
die in hun hart vervolgd werden.
Zij zijn het, in waarheid,
die de Vader gekend hebben.
Zalig de hongerigen
want men zal de buik verzadigen van wie wil.


70

Jezus heeft gezegd:
Als gij dat, wat gij hebt, in u zult voortbrengen
zal het u redden.
Als gij dat niet in u hebt
zal dat, wat gij niet in u hebt, u doden.


71

Jezus heeft gezegd:
Ik zal dit huis omverwerpen
en niemand zal het weer kunnen opbouwen.


72

Iemand zei tot hem:
Spreek tot mijn broeders
opdat ze de goederen van mijn vader met mij delen.
Hij zei hem:
Mens, wie heeft van mij een verdeler gemaakt?
Hij keerde zich tot zijn discipelen,
hij zei hun:
Ben ik dan een verdeler?


73

Jezus heeft gezegd:
Het is waar dat de oogst overvloedig is
maar de arbeiders zijn zeldzaam.
Vraagt de meester dus
dat hij arbeiders stuurt naar de oogst.


74

Hij heeft gezegd:
Meester, velen staan rond de put
maar niemand in de put.


75

Jezus heeft gezegd:
Er zijn er velen
die bij de deur staan
maar het zijn de éénlingen
die het bruidsvertrek zullen binnengaan.


76

Jezus heeft gezegd:
Het Rijk van de Vader is vergelijkbaar
met een koopman
die een vracht goed had
op het ogenblik dat hij een parel vond.
Die koopman was wijs,
hij verkocht de vracht
en kocht de unieke parel.
Gij ook, zoekt voor uzelf de schat
die niet vergaat
die daar ligt
waar de mot niet komt om te eten
en waar de worm niets vernielt.


77

Jezus heeft gezegd:
Ik ben het licht dat op hen allen rust.
Ik ben het Al.
het Al is uit mij gekomen
en het Al is tot mij geraakt.
Klieft het hout en ik ben dáár.
Heft de steen:
dáár zult gij mij vinden.


78

Jezus heeft gezegd:
Waarom zijt gij naar de velden gegaan?
Om een riet te zien, bewogen door de wind
en om een mens te zien, die fijne kleren draagt?
Dáár zijn uw koningen en uw groten der aarde
zij dragen fijne kleren
en zij zullen de waarheid niet kunnen kennen.


79

Een vrouw in de menigte zei hem:
Zalig de buik die u gedragen heeft
en de borsten die u gevoed hebben!
Hij zei haar:
Zalig zij die het woord van de Vader gehoord hebben
en het in waarheid bewaard hebben!
Want er zullen dagen zijn dat gij zult zeggen:
Zalig de schoot die niet ontvangen heeft
en de borsten die geen melk hebben gegeven.


80

Jezus heeft gezegd:
Wie de wereld heeft gekend
heeft het lichaam gevonden,
maar wie het lichaam heeft gevonden
de wereld is hem niet waardig.


81

Jezus heeft gezegd:
Wie rijk geworden is
hij worde koning
en wie de macht heeft
hij verzake.


82

Jezus heeft gezegd:
Wie dicht bij mij is, is dicht bij de vlam
en wie ver van mij is, is ver van het Rijk.


83

Jezus heeft gezegd:
De beelden openbaren zich aan de mens
en het licht dat ze bevatten is verborgen.
In het beeld van het licht des Vaders
wordt het licht ontsluierd
en zijn beeld zal verborgen worden door het licht.


84

Jezus heeft gezegd:
De dagen dat gij uw vorm ziet
verheugt gij u.
Maar als gij uw oerbeelden zult zien
die in de oorsprong in u waren
die noch sterven noch zich openbaren
o, hoeveel zult gij dan verdragen!


85

Jezus heeft gezegd:
Adam spruit voort uit een grote macht
en een grote rijkdom, en hij is u niet waardig geweest.
Want was hij waardig geweest
hij zou de dood niet gesmaakt hebben.


86

Jezus heeft gezegd:
De vossen hebben hun holen
en de vogels hun nest
maar de Zoon van de mens heeft geen plaats
om zijn hoofd neer te leggen en te rusten.


87

Jezus heeft gezegd:
Ellendig is het lichaam dat afhangt van een lichaam
en ellendig de ziel die afhangt van deze beide.


88

Jezus heeft gezegd:
De engelen zullen naar u komen met de profeten
en zij zullen u geven wat u toekomt.
Gijzelf, wat ge in uw handen hebt,
geeft het hun
en bedenk het volgende:
op welke dag zullen ze komen
om te ontvangen wat hun toekomt?


89

Jezus heeft gezegd:
Waarom reinigt gij het buitenste van de schaal?
Begrijpt gij niet
dat wie het binnenste geschapen heeft
ook het buitenste schiep?


90

Jezus heeft gezegd:
Komt tot mij
omdat mijn juk goed is
en zacht mijn gezag
en gij zult voor uzelf de rust vinden.


91

Ze zeiden hem:
Zeg ons wie gij zijt
opdat wij in u geloven.
Hij zei hun:
Gij doorgrondt het aanschijn van hemel en aarde
en Hem die voor u staat
gij herkent hem niet
en dit ogenblik: gij kunt het niet waarderen.


92

Jezus heeft gezegd:
zoekt en gij zult vinden.
Maar de dingen waarover gij mij
in die dagen hebt ondervraagd
terwijl ik ze u toen niet gezegd had,
vandaag wil ik ze zeggen
en gij vraagt er niet naar.


93

Geeft niet aan de honden wat rein is
uit angst dat ze het op de mesthoop gooien.
Werpt geen paarlen voor de zwijnen
uit angst dat ze er vuilnis mede maken.


94

Jezus heeft gezegd:
Wie zoekt zal vinden
en wie klopt, hem zal opengedaan worden.


95

Jezus heeft gezegd:
Als gij geld hebt
leen niet uit tegen rente
maar geeft
aan wie niet teruggeven zal.


96

Jezus heeft gezegd:
Het Rijk van de Vader
is vergelijkbaar met een vrouw:
ze nam een weinig zuurdesem
en verborg hem in het deeg
en maakte er dikke broden van.
Wie oren heeft, hore!


97

Jezus heeft gezegd:
Het Rijk van de Vader is vergelijkbaar met een vrouw
die een kruik droeg vol meel
en ging op een lange weg.
Het oor van de kruik brak
het meel verspreidde zich achter haar op de weg.
Daar ze het niet wist
kon ze er niet droef om zijn.
Thuisgekomen
zette ze de kruik op de grond:
ze vond haar leeg.


98

Jezus heeft gezegd:
Het Rijk van de Vader is vergelijkbaar met een man
die een machtig man wilde doden.
Thuis trok hij het zwaard uit de schede
en stootte het dóór de muur
om te weten of zijn hand betrouwbaar was.
Dan doodde hij de machtige man.


99

De discipelen zeiden hem:
uw broeders en uw moeder staan buiten.
Hij zei hun:
Zij die op deze plaats de wil van mijn Vader verrichten
zij zijn mijn broeders en mijn moeder.
Zij zijn het
die in het Rijk van mijn Vader zullen binnengaan.


100

Zij toonden Jezus een goudstuk
en zeiden hem:
De mannen van Caesar eisen belasting van ons.
Hij zei hun:
Geeft Caesar wat van Caesar is
geeft God wat van God is
en wat van mij is, geeft het mij.


101

Wie vader en moeder niet haat
zoals ik
zal mijn discipel niet kunnen worden
en wie vader en moeder niet liefheeft
zoals ik
zal mijn discipel niet kunnen worden.
Want mijn moeder baarde mij voor de dood
maar mijn ware Moeder heeft mij het leven
geschonken.


102

Jezus heeft gezegd:
Wee de Farizeeën!
Zij lijken op een hond
liggend in de voerbak der ossen:
hij eet niet
noch laat hij de ossen eten.


103

Jezus heeft gezegd:
Zalig de mens die weet
waar en wanneer de rovers binnenbreken
zodat hij zal opstaan
zijn krachten verzamelen
zijn lendenen omgorden
vóór ze binnenkomen.


104

Ze zeiden hem:
Kom, laten we vandaag bidden en vasten.
Jezus zei:
Welke zonde heb ik dan begaan
of waardoor ben ik overwonnen?
Maar als de bruidegom het bruidsvertrek verlaat
dan is het tijd om te vasten en te bidden!


105

Jezus heeft gezegd:
Hij die de Vader en de Moeder kent,
zal men hem hoerenjong noemen?


106

Jezus heeft gezegd:
Als gij van twee één zult maken
zult gij Zoon van de mens zijn
en indien gij zegt:
Berg, verwijder u,
hij zal zich verwijderen.


107

Jezus heeft gezegd:
Het Rijk is vergelijkbaar met een herder
die honderd schapen had.
Een onder hen, het dikste, verdween.
Hij liet de negenennegentig
hij zocht het ene
tot hij het gevonden had.
Na de beproeving
zei hij tegen het schaap:
Ik wil u meer dan de negenennegentig!


108

Jezus heeft gezegd:
Wie van mijn mond drinkt
zal zijn als ik.
Ik ook, ik zal hèm zijn
en wat verborgen is zal hem openbaar worden.


109

Jezus heeft gezegd:
Het Rijk is vergelijkbaar met een mens
die in een veld een verborgen schat had
waar hij niets van wist.
En bij zijn dood liet hij het veld aan zijn zoon.
De zoon wist niets,
hij nam het veld
en verkocht het.
En hij die het gekocht had kwam.
Terwijl hij ploegde vond hij de schat
en hij begon geld uit te lenen tegen rente
aan wie hij wilde.


110

Jezus heeft gezegd:
Wie de wereld gevonden heeft
en rijk geworden is
hij verzake de wereld.


111

Jezus heeft gezegd:
De hemelen zullen zich voor uw ogen oprollen
evenals de aarde
en de Levende, gesproten uit de Levende
zal dood kennen noch angst,
omdat Jezus zegt:
Wie zichzelf vindt
de wereld is hem niet waardig.


112

Jezus heeft gezegd:
Ellendig het vlees dat van de ziel afhangt!
Ellendig de ziel die van het vlees afhangt!


113

Zijn discipelen zeiden hem:
Het Rijk, op welke dag zal het komen?
– Het is niet door uit te kijken
dat men het zal zien komen.
Men zal niet zeggen:
Kijk, het is hier!
of: Zie, dit is het ogenblik!
Maar het Rijk van de Vader spreidt zich over de aarde
en de mensen zien het niet.


114

Simon Petrus zei hun:
Dat Mariam vanuit ons midden wegga
omdat vrouwen het leven niet waardig zijn.
Jezus zei:
Ziet: ik zal ze tot mij halen
om haar mannelijk te maken
opdat ook zij een levende geest zou zijn,
u, mannen, gelijk.
Want elke vrouw die mannelijk zal worden
zal intreden in het Rijk der Hemelen.