Ton Lathouwers

‘Het bestaan is een mysterie, een raadsel. Het is: niet weten. Het komt als een levensgrote vraag op je af.’ Toespraken en citaten van hoogleraar en zenleraar Ton Lathouwers.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Zen > Ton Lathouwers

Janwillem van de Wetering, Nico Tydeman, de Linji-lu, de Poortloze Poort


Het lege scherm

Hieronder een transcriptie door Hans van Dam van de gelijknamige BOS-documentaire over en met Ton Lathouwers uit 2004.
Titels: HvD.

geprojecteerde tekst aan het begin van de documentaire:

Professor Ton Lathouwers is een eigenzinnige zenleraar, altijd op zoek naar een brug tussen Oost en West. Voor hem ligt de mystiek van de Russisch-orthodoxe kerk dichtbij die van het boeddhisme. Zijn spirituele openheid is dan ook voor een groot deel gevormd door zijn fascinatie met Rusland en de literatuur van Sovjet schrijvers. Daarin vind hij voorbeelden van diepe getuigenissen van verlichting en bevrijding.

Ton Lathouwers:

Dat blauwgrijze geruis
Er is in de Sovjetliteratuur één verhaal wat mij erg getroffen heeft omdat er zoveel elementen in voorkomen die ik op een… in een andere verwoording ook in de zentraditie terugvond. Eh… het is een roman. Over een zoektocht van een student, een jonge academicus… de titel is misschien ook al, eh… het is, eh… Leven in kosmische dimensies. Leven in kosmische dimensies. Het gaat over een soort innerlijke ontdekkingsreis van een jonge astronoom. Maar gaandeweg de zoektocht komt het veel dichterbij te liggen dan de kosmische dimensies waar hij eerder aan denkt… het komt zo dichtbij te liggen… en zo… zoals dat in de zentaal dan heet, hier en nu, en bij de gewone dingen, dat het eigenlijk een ommekeer wordt, en een bevrijding.

En hij leert dat van een jong meisje, Esther, die heel dicht bij het leven staat, en die soms zeer wijze dingen zegt, eh… ook wel wonderlijke dingen. Allereerst maakt zij hem erop attent hoeveel er in het leven toch gesynchroniseerd is, hè, hoe weinig vrijheid er is. Hij ziet het een keer als hij uit zijn flat kijkt. Hij kijkt uit op de flat tegenover zijn flatgebouw en hij ziet daar zo een acht verdiepingen hoog gebouw met, eh, zes of zeven ingangen, honderden woningen, en hij kan zo zien hoe, als de televisiebeelden verspringen, hoe in alle huizen die televisiebeelden tegelijk verspringen, en ineens heeft hij zo’n voorstelling van een gesynchroniseerde wereld. Wat natuurlijk zo is. Wij lezen in onze cultuur en in onze tijd voor een groot deel dezelfde boeken, dezelfde televisieprogramma’s, dezelfde kranten, dezelfde radio’s.

En ineens komt dat met een schok op hem af: wij leven niet. Ik leef niet. Ik word geleefd. En dan gooit hij de ramen open en dan roept hij: ‘is er iemand?’ Maar er komt geen antwoord. Alleen stilte. En in die stilte begint zijn zoektocht. En in de gesprekken. Met dat meisje, Esther. En die leert hem ook, eh, dat jachtige zoeken naar een greep op het leven, naar een proberen te begrijpen wat het mysterie van het leven is, om dat los te laten. Ze zegt soms tegen hem, als hij zo zegt dat hij zo zin van het leven wil zoeken, en kosmische dimensies wat het is, ‘dan moet je hier komen zitten.’
‘En dan?’
‘Nou, gewoon luieren op de divan.’
‘Wat? Luieren op de divan?’
‘Ja. Luieren op de divan. En gewoon naar buiten kijken.’
En daar begint het mee. En, langzaam leert zij hem die houding aan te nemen die wij in de zen kennen, van stil worden, en aandacht, en wachten, en waken. Dat ze ’s nachts, als er televisie gekeken is, blijft zitten voor de televisie met dat lege beeld. Er is alleen dat blauwgrijze geruis. En dan zegt ze: ‘Ik doe de televisie niet uit.’

Ooit in het verleden zat ik als kind ook zo voor de televisie en ik wist: ik moet waken voor dit lege scherm. En nu opnieuw weet ik: ik moet hier zitten. Juist als er geen beelden meer zijn, en geen woorden meer zijn, op het lege scherm van de televisie. Kijkend en wachtend met het lege scherm van mijn ziel. Wachten en waken. In stilte. Want misschien dat dan eindelijk ooit dat ene tot mij zal doordringen. Dat ene dat werkelijk bevrijdt, uit al die abstracties, uit onze impasses, uit onze platitudes. Dat ene, waarvan we niet kunnen zeggen in woorden wat het is, maar wat ons werkelijk zal bevrijden. Echt. Anders dan de wetenschap. Anders dan onze techniek. Anders dan onze economie. Misschien zal het even ergens oplichten. Even.

Kleverige blaadjes
Zoals u ziet zitten we wel in een heel aparte ruimte. Zeker als we weten dat we toch vooral praten over eh, over boeddhisme. En zenmeditatie. Maar dit is een Russische kerk. Met iconen. En toch begint daar mijn verhaal eigenlijk. Of mijn weg, die mij gebracht heeft bij eh, het zitten in zen, in ch’an. In meditatie. Dat begon namelijk op de middelbare school met een eerste, plotselinge en heel onverwachte confrontatie met eh, met Rusland. Met iets van Rusland. Waar ik amper van gehoord had. Een schrijver die vertelde over zijn beleving, ervaren van de werkelijkheid, zijn religieuze innerlijke houding. Waar ik zo mee in de knoop zat, toen. Opgevoed in een, laat ik zeggen, zeer streng katholiek milieu. Met een biechtvader die sprak over hel en verdoemenis. Met een religie die voor mij allereerst, eh, structuur was. Gestold in woorden waar ik geen raad mee wist. ‘Straf’. ‘Wetten’. ‘Eisen’. En daar komt ineens een auteur aan bod die ook religieus is, die ook zelfs op een hele authentieke manier over Christus praat, maar die verder zo’n eigen taal heeft, en zoveel punten aanraakt die mij, eh, blijvend op een andere weg brachten.

Allereerst, wat de meeste indruk maakte, dat een hoofdfiguur in een van de romans, Iwan, tegen zijn broer die monnik is – monnik in een kerk als hier, met iconen, met de liturgie – maar zijn broer die is eigenlijk… niets, en die zegt dat ook. Als ik niet meer in het leven geloof, en ik herkende natuurlijk in die uitingen veel van mijzelf, wat in me omging, als ik integendeel overtuigd ben dat alles in chaos is. Als ik geen betekenissen meer zie. Als ik teleurgesteld ben in al mijn vastheden, als alles mij ontglipt, wat ontdek ik dan? Paradoxaal, tegen alles in, tegen mijn logica in? Ik ontdek dat ik toch wil leven. Wil leven met heel mijn wezen. En dat ik de beker van het leven aan mijn lippen wil zetten en wil drinken, tot op de bodem. En dat ik dan, maar nogmaals juist als ik geen houvast meer heb, als de zekerheden wegvallen, de zingevingen, dat ik dan houd van de kleverige blaadjes, en het wonder ervan zie. En houd van de sterren. En houd van de kinderen. En houd van sommige mensentalen. Al weet ik niet waarom. Al kan ik er soms amper in geloven.

Misschien was dit het allerdiepste. En ook dat Dostojevski zo nadrukkelijk zei dat de kern van het religieuze nooit in woorden te vangen is. Het diepste wezen van de religie kun je bij geen één theorie onderbrengen. In geen één begrip vangen. Je zult het altijd over iets anders hebben, al lijkt het of je de begrippen hanteert die de religie zelf hanteert, het gaat over iets anders. Je kunt het niet pakken. Nooit. Met geen enkele religie… religieus woord. Met geen enkele vorm. Met geen enkel dogma.

Maar later toen ik Russische literatuur ging studeren, merkte ik dat wat mij raakte bij Dostojevski, en wat mij vijfentwintig jaar later, of eigenlijk nu nog, zo raakt in het mahayana-boeddhisme, bij heel veel auteurs in die tijd – in de negentiende eeuw – al voorkwam. En later in de twintigste eeuw; in de zogenaamde ‘atheïstische’ literatuur. Waar ik me bewust, veel later, in verdiepte, omdat ik dacht: dat is een onbevangen literatuur. Dat is, eh, onbevooroordeeld. Daar hoef ik niet bang te zijn geconfronteerd te worden met religieuze begrippen waar ik niks mee kan. Dat is atheïstisch. Maar ik heb zelden zulke diepe voorbeelden van authentieke religiositeit ontdekt als in die zogenaamde atheïstische literatuur.

Verveling
Ik was, eh, negentien of twintig toen ik hier voor het eerst kwam; een klooster met Russische liturgie die ik in Nijmegen had leren kennen, die een enorme indruk op me maakte: de prachtige muziek, de prachtige symboliek, de mooie iconen, nou, dat was de stemming waarmee ik hier dus aankwam in Chevetogne, en ik kon dat elke dag meemaken, en ik zag die oude paters daar staan, in de kerk, en één maakte een enorme indruk op me. Hij stond wat krom, dus ik dacht, dat is een ascese, witte grijze baard, oud, krakende stem. Ik dacht, ik heb mijn eh, ik heb mijn Starets gevonden. En ik vroeg aan de gastenpater van goh, eh, eh, dat is, eh, die trof mij zo, dat is natuurlijk een echte Rus, dat lijkt me, echt zo uit de boeken van Dostojevski weggelopen.
‘Ja ja,’ zei hij, ‘wil je met hem praten?’
Ik zeg: ‘Zou dat kunnen?’
‘Ja, natuurlijk.’
Ik zeg: ‘Goh, dat zou ik heel indrukwekkend vinden. Zo iemand die dan helemaal in die liturgie leeft, en, eh, die dat elke dag meemaakt, z’n hele leven lang, en een echte Rus, en zo ascetisch…’
‘Ja ja,’ zei hij, ‘ga maar vast in de tuin zitten.’

Nou, ik ging op een bankje zitten, zoals hier, of op een stoel, hier in deze tuin, en ik wachten, en daar komt hij aan, die Rus. Met een stok. Beetje krom lopend. Is hij vlak bij me, dan zegt hij: ‘Hai, maar ik ben gene Rus en ik ben een Vlaming.’
Nou, ik wist niet wat ik had, de wereld viel onder me weg.
En toen zei hij: ‘En ik ben helemaal geen asceet, ik heb teveel gegeten en ik heb nou een maagzweer.’

Nou, toen ging hij in een stoel zitten bij me, en, eh, ik begon natuurlijk wel over dat ik die liturgie zo indrukwekkend vond, en die muziek, en één ding in dat gesprek dat is me bewaard gebleven. Dat is dat hij zei: ‘Ja, dat is natuurlijk mooi. Dat had ik in het begin ook. Maar als je dit dag in dag uit, drie keer, vier keer per dag, week in, maand in, jaar in, jaar uit… ja, dan wordt het anders. Dan wordt dat onherroepelijk ook verveling. Dan is het iets wat je doet. Waar je alleen maar bij blijft. Dit is voor mij de plek. Maar het is niet meer dat… óók soms… natuurlijk, het is niet helemaal… Maar het is anders dan die eerste ervaringen van, eh, genade, wierook en onsterfelijke tranen.’

En dat heeft mij heel erg geraakt dat hij dat zei. Het was mijn eerste gesprek met wat ik dacht, een monnik van deze traditie. En eigenlijk bracht hij het zo terug tot de nuchterheid van het werk van alledag, en de plek van alledag, en dat de romantische kant altijd wegebt.

Pascal zegt: bijna alles wat we in het leven doen is gericht op divertissement – ik heb dat woord toen onthouden – en dat is alleen om niet te voelen wat er op ons afkomt als er geen verstrooiing meer is. En die verstrooiing kan zijn: lezen, studeren, mooie Russische muziek, mooie liturgie, een kick, alles, alles in het leven kan dat zijn. Iets wat even nieuw is, wat… Maar als dat niet meer gebeurt, dan worden we geconfronteerd met de grondhouding van onze ziel. Ik was geschokt dat ik dat las, de eerste keer. Dat was niet zo lang na die ontmoeting met die oude monnik. En die grondhouding is, in het Frans stond er ennui. Verveling. Gemis en leegte. En we doen alles om dat niet te voelen. We lopen weg. Divertissement. Verstrooiing.

En aan die grondhouding kunnen wij niets doen. Dat is wachten. En waken. En als daar iets gebeurt is dat genade. Wij kunnen het niet invullen, die leegte. En dat gemis. We kunnen het uithouden. We kunnen er middenin blijven. We kunnen waken. Maar wat dan werkelijk gebeurt, komt niet door onze wil. Komt niet door ons zoeken naar, eh, duidelijk aanwijsbare stemmingsveranderingen, of emoties, of gevoelens, of bijzondere ervaringen. Dat was tamelijk onthutsend. En dat brengt het ook terug bij mijn leven en bij ieders leven. Als er in onze tijd iets, iets nodig is, op alle plekken, dan is het mensen die het uithouden in de woestijn. Want de wereld is een woestijn. Overal. En altijd.

Iets anders
Igor Yefimov, ik denk dat het een van de eerste Sovjetromans die ik later las was, en daar kwam ik ook precies dat tegen. Dat haasten en zoeken. En dan ineens dat niet meer willen. Dat overkwam iemand. De hoofdfiguur. Die eerst op jacht is. Die zoekt in de gezichten van anderen, en in situaties van anderen: wat kan mij de zin van het leven openbaren. Er komt een moment voor dat hij bij de ingang gaat staan van de metro, als ’s avonds de mensen naar huis komen. En dan zie je die honderden mensen zo op de, op die trap naar boven komen. Zo staat die jongen daar en hij wil iets ontdekken. Hij wil zien: is er iemand die op zijn gezicht uitstraalt dat het voorbij de verveling is die ik voel. Iemand in wiens gezicht het vervulde er is. Ik weet niet eens wat dat is, het vervulde. Ik weet niet wat dat is. Maar we zoeken allemaal iets, en deze mensen helemaal, onze cultuur helemaal. Er is geen cultuur die zich zo inspant om het geluk te verwezenlijken, en dat moet ik toch kunnen zien op de gezichten van de mensen die bezig zijn dat geluk te verwezenlijken. En ik kijk, en ik zie het niet. Bij niemand.

En dat wordt zijn impasse. En die impasse spitst zich helemaal toe. Als hij een keer op dienstreis moet, ook weer ergens naar Siberië… hij mist de trein. Dat betekent niet dat je na een uur een andere trein hebt, dat is na weken. Of na een week. En na een periode van vloeken en zuchten gaat hij ten slotte maar zitten. In die stilte waar hij een week lang in moet blijven. En dat zit hij. Meer niet.

Hij doet iets wat mij later trof in de zenmeditatie. Zo zitten. Wachten. En het uithouden. Niet in een romantisch Siberië. Op een vervelend, klein stationnetje. En dan gebeurt er in dat zitten, en dat wachten, in die stilte iets wat hij nooit vermoedt. In de verveling. Er wordt iets duidelijk. Maar hij kan niet zeggen wat. Ik geloof dat hij dat zo zegt. Maar als je zo lang zit, zo heel lang, dan wordt er iets duidelijk. Ik begon te vermoeden dat ik zo kon komen bij de zin van kinderen en de zin van oude mensen en de zin van leven en dood, maar ik kon het niet pakken. Ik kon het niet grijpen, ik kon het niet begrijpen. Ik wist alleen dat als de laatste gedachte, de laatste vlucht naar een verstrooiing, het laatste willen grijpen zou ophouden, dat er dan iets anders zou komen.

Wie ben ik
In ’68 werd ik in, eh, Leuven benoemd aan de universiteit, voor Russische letterkunde, maar in ’71 kreeg ik een beurs voor vier maanden voor Moskou. En ik ben dus keurig naar Moskou gegaan. Ik ben er twee weken gebleven en om een onverklaarbare reden besloot ik, plotseling, om door te reizen naar het verre oosten. Dat is iets wat eigenlijk niet kon, met een beurs voor Moskou doorreizen naar een andere bestemming, maar ik deed het toch. Dwars door Siberië, een boot gepakt naar Japan. En via zo’n orthodox klooster kwam ik ten slotte in aanraking met Masao Abe. Daar begon eigenlijk mijn weg van meditatie.

Ik kwam bij hem, eh, als academicus natuurlijk, en ik begon wat te vertellen over mijn belangstelling voor dit en dat, maar zijn vragen waren zo gericht dat hij mij bracht bij een punt waarop ik niks meer kon zeggen. Hij zei eigenlijk, wie ben ik. Nou, ik wist dat gewoon niet. Ik heb dat natuurlijk mooi, achteraf, in zenverhaaltjes gelezen van die eerste grote zenmeester uit Indon… eh, uit India, Bodhidharma, die zijn eerste Chinese leerling kreeg, en dat hij ook die man laat ontdekken dat hij niet weet wie hij is. Ik kende dat verhaal niet. Voor mij was dat echt tamelijk dramatisch toegeven: ik weet het niet meer. Ik zie het niet meer. En ik voelde me niet aanvaard.

Ik was op dat moment echt in mijn leven op alle punten doodgelopen. Al was ik dan prof, al had ik dan een paar boekjes geschreven, ik vond het één puinhoop, en één mislukking, en ik voelde me niet aanvaard. Niet door het leven, door niets. En ik heb hem dat eigenlijk zo in dat gesprek ook, eh, voor de voeten geworpen. En toen kwamen zijn woorden die voor mij echt toch heel belangrijk waren: ‘you are accepted just as you are’. Je bent aanvaard precies zoals je bent. Niet zoals je zou willen zijn. Niet zoals ik… een ideaalbeeld van mezelf… zó. Met de brokstukken. Met de uitzichtloosheid. Met het gevoel – dat had ik toen – van zinloosheid. Met alles. Allereerst dat. You are accepted. Just as you are. En dat het enige wat ik kon doen – ja, wat kon ik doen, dat vroeg ik hem ook: ‘Wat kan ik doen? Hoe moet ik verder?’

Ja, hij leerde mij zitten. In meditatie. En voor de rest, zei hij, zelfs de Boeddha kan het je niet vertellen. Zelfs de Boeddha kan het niet… ‘You decide!’

Ik heb daar een paar weken gemediteerd. Mijn eerste gevoel was: Ja, ik ben op een weg gekomen… Dit ga ik verder! Ik weet niet waarom. Dat is dus de ontdekking van het hart. Dit is de plek. Dit is mijn plek! Oók dit is mijn plek, ook de andere dingen. En… om de zoveel tijd mocht ik naar hem toe. En ik weet dat ik na een paar weken zo dol was van dat mediteren dat ik dacht, ik word helemaal niet rustig, ik word helemaal niet helder, ik word helemaal niet kalm, en, eh, het is de vraag of dit überhaupt wel de weg is. Ik heb het gedacht maar eh… En ik gooide dat er bij hem uit: ‘I cannot meditate! I am restless! I am disturbed!’ Enzovoorts, enzovoorts. Eh, chaotisch, eh, verward. Ik denk, hij zal wel goeie raad geven, van, eh, een beetje rechter zitten, een beetje meer wilskracht… Hij zegt: ‘Beautiful meditation! Oh, beautiful meditation! This is today. This is this week your meditation. Beautiful meditation! Try. Try.’ Hè, een belletje en ik kon, eh, weggaan.

Dat is mij ook maar bijgebleven. Zoals een achtergrond bij alle meditaties waarvan ik dacht, het is een puinhoop; nee, beautiful meditation! Altijd opnieuw.

Precies daar
Een verhaal wat ik kreeg van, eh, Howard Cooper. Die ook therapeut was. En die beschrijft iets wat met hem gebeurde in zijn leven. En dat is een prachtige en een diepe illustratie die eh in, die wij, of tenminste zeker ik, zo herkende als een… een impasse. Of een muur. Of een, een woestijn waar alle instrumenten waarmee je voordien het leven kon aanpakken, wegvallen. En hij beschrijft wat met hem gebeurde.

Het verhaal heet The therapist and the suffering servant. Hè, de lijdende dienaar van Jahweh. En die, die van alles wat mooi is ontdaan is. Hè, de… een mens waar niets van over is als ellende. En hij ontmoet zo iemand. Aan het eind van een dag staat daar plotseling iemand voor hem. En hij denkt, nou die wil misschien ook nog even een gesprek met mij als therapeut, en hij laat hem binnenkomen… En die man zwijgt. En het enige wat hij weet is dat hij zo alle ellende van de mensheid uitdrukt. En die man zit daar en zwijgt. En in het begin denkt hij, nou ja, laat hem maar even, dat is misschien zijn tactiek en nou ja, ik ben therapeut, ik kan dat wel aan, maar in de loop van de volgende sessies, in de loop van al die ontmoetingen en dat blijven zwijgen, wordt alles in die therapeut afgebroken waar hij houvast aan had.

Het is zo’n diepe confrontatie met zijn onmacht, met zijn naakt-zijn, met zijn negatieve kanten. Want hij komt zichzelf tegen. Met het verlangen toch iets te vinden, om iets, om iets te doen. Met hem, met zichzelf. Maar niks lukt. En dan botst hij op zichzelf. En op zijn woede. Woede over zijn onmacht. Woede over die ander die hem zijn onmacht laat voelen. Tot… tot op het bot, tot in zijn hart. Woede om de… en pijn, om de eenzaamheid van die man. En de eigen eenzaamheid. Verschrikkelijk is de eenzaamheid van de mens. Dat schreeuwt hij er ergens uit. En wij zijn hopeloos. Wij zijn verloren. Niets.

En precies daar, op dat dieptepunt, waar hij niets meer overhoudt, gebeurt iets met hem. En misschien is het mooiste in het verhaal dat hij daar maar heel kort over spreekt. Alleen… dat de woestijn gaat bloeien. Dat waar geen leven meer is, daar waar niets meer mogelijk leek – en daar is het eigenlijk prachtig een zenverhaal in – van een impasse en een uitkomst. Daar wordt als het ware voor hem alles opnieuw geboren. Maar dat is religieus. Daar heeft hij amper woorden voor. Hij kan zijn handen vouwen. Hij kan weten dat het wonder bestaat. En dan wordt de man die hem ontmaskerde de man die hem het verste, innerlijk, geholpen heeft.

Don’t knooooow
Hij noemt dus heel nadrukkelijk die houding, dat wachten: de nacht van het niet weten. Als Johannes van het Kruis.

Het is voor mij heel levend geworden door een Koreaanse zenmeester, Soen Sa Nim, die zeer slecht Engels sprak, waardoor alles wat hij zei bij mij… in mijn herinnering bewaard gebleven is, en een van de eerste dingen, die hij altijd herhaalde, dat was [zet zware stem op]: ‘Don’t knooooow’.

‘Wat is meditatie?’
Dan ging hij zo zitten en dan zei hij: ‘Don’t knooooow’.
‘Wat is de boeddhanatuur?’
‘Don’t knooooow.’
‘Wat is dit leven?’
‘Don’t knooooow.’

Maar de kracht van dit don’t know, wat hij iedereen aanraadde, you must have don’t-know-mind, is mij altijd bijgebleven. Het is mede levend geworden door de Sovjetliteratuur, en mede door de contacten, het lezen, en ook door het spreken met de monniken hier van een totaal andere traditie.

Don’t know is een ander woord voor het wasteland, en voor de verveling, en voor wat Pascal noemt, de leegte. Alles waaraan ik mij kan vasthouden valt weg. En diezelfde Soen Sa Nim, met zijn korte Engelse gezegden, drukte dat dikwijls uit met put it all down.
Put it all down.
Al die verstrooiingen, al die kicks, al die bijzonderheden:
Don’t know.


Leegte en vorm. Zen en christendom

Bron

Inleiding
Het geplande onderwerp voor vanmiddag, voor zover we dingen in stukken kunnen knippen, is een beetje stilstaan bij de traditie van zen, die oosters is en voor een groot stuk zijn wortels heeft in het boeddhisme, en het christendom. Laat ik vooraf zeggen dat ik dit het moeilijkste, het meest subtiele en het minst te verwoorden onderwerp vind. Maar we moeten er ook over praten.
Zen is geen religie, in de zin dat het geen ideologische vorm, geen uitbeelding heeft. Het is dat wat daaraan vooraf gaat. Het groeide wel binnen het boeddhisme, maar als houding van stil worden en leeg en onbevangen worden, met alle consequenties, kan het ook voor christenen een weg zijn. Al maakt Ama-Samy (jezuïet én geautoriseerd zen-leraar) duidelijk in zijn boek dat hijzelf jarenlang de fout heeft gemaakt om al te snel christelijke elementen in zijn meditatie binnen te brengen. Ik moet dat erbij zeggen: het is een gevaar in het Westen, dat men het al invult voor dat men echt de zen, het stil worden, het leeg worden, heeft laten doorwerken.

Vol-Ledig
Het boek van Ama-Samy heet Leere und Fülle. En eigenlijk ligt daar het hele thema al gegeven: leegte en volheid. Het lijkt zo tegenover elkaar te staan. Het Oosten spreekt over leegte. Het Oosten heeft de neiging te zeggen wat het niet is. Die uiteindelijke grond die bloot komt te liggen als je onbevangen bent, als je naakt bent, niet meer belast met alle vroegere ervaringen die gestold zijn, als je helemaal open bent, hier en nu, wat je dan ervaart: Leegte. Maar ook D. Suzuki, die zen in het Westen heeft bekend gemaakt, zal zeggen, als men hem vraagt wat dan toch bedoeld wordt met die sunyata, die leegte, dat het ook volheid is.

En het Westen zal misschien meer de nadruk leggen op de volheid, op de uitbeelding, op de vorm. Maar de hele traditie van zen, van deze weg van stil worden – want het woord zen mag je vergeten – is de ontdekking, de ervaring (en niet het leren omdat het op papier staat) dat vorm en leegte één zijn. Eindeloos wordt het herhaald: de vormen zijn niet anders dan de leegte. Wij halen het uit elkaar, onmiddellijk worden het er twee, onmiddellijk wordt het dualistisch, tegenover elkaar geplaatst: hier heb je de vormen en daarachter de leegte, daarachter God. Hier heb je de werkelijkheid, daar de schijn. Maar in de diepste onbevangenheid is dat niet zo. En daar kun je eigenlijk met woorden niet bij.

JIJ worden
Om de twee jaar organiseren wij in de Tiltenberg een internationale conferentie boeddhisme-christendom. Daar komen katholieke en protestantse theologen samen om te praten met zen-mensen. In het begin werd gezocht om eerst duidelijk te maken wat, in al die verschillende vormen, de kern van het christendom en de kern van het boeddhisme is. Men kwam er niet uit. De ontdekking die men deed was dat er zoveel verschillende richtingen en uitdrukkingen zijn, die onderling ook nog wrijvingen hebben, dat het niet mogelijk was tot een soort grootste gemene deler van christendom of van boeddhisme te komen.

Op de laatste conferentie werd de vraag eigenlijk nog meer toegespitst. Het was de ontdekking dat iedereen, als je heel ver doorpraat, iedereen op heel unieke wijze ervaart wat voor hem dat betekent, wat een christen dan noemt de ontmoeting met het Uiteindelijke, met God, of wat een boeddhist de Leegte noemt.

In het Oosten, zeker in zen, wordt dit elke keer benadrukt: ‘ja, de Boeddha kan dit zeggen en Bodhidharma kan dat zeggen en Dogen zegt zó, al die teksten onder je neus zeggen iets, maar wat zeg jij? Wat is jouw uitdrukking tegenover dat grote mysterie dat het bestaan is, hoe raakt het jou?’.
En het is de ontdekking dat dit uniek is en dat jij alleen maar JIJ hoeft te worden en naarmate je meer jij wordt, unieker, onherhaalbaarder, eenmaliger, dat dan meer die diepste grond doorklinkt. Dat het dus in plaats van boeddhist te worden of zen-mannetje te worden het een ontdekken is om jij te worden.
Het Westen kent ook zoiets. Ruusbroec – een Vlaams mysticus nota bene – zegt het in zijn boek ‘Van de blinkende steen’. Die uitdrukking komt uit de Apocalyps, het boek der openbaring. Daarin staat dat op het eind der tijden iedereen een blinkend steentje krijgt, met daarop een naam, een tekst die alleen die ene persoon kan lezen. Volgens Ruusbroec betekent dit dat precies de manier waarop ik meer mezelf word, meer geraakt wordt door dat eeuwige, uniek is. De rest is grootste gemene deler maken.

Een persoonlijke God?
Zo ook als we het woord God gebruiken. Hoe kunnen wij in woorden, in beelden, in vormen tot uitdrukking brengen wat ons het diepste raakt? Dat kunnen we niet, niet in het woord Leegte, niet in het woord Volheid, niet door te zeggen dat het een Persoon is. Dat kan niet, dat is zo uniek. Die uniciteit maakt het dus vreselijk moeilijk toch toe te spitsen op die vraag: is er een persoonlijke God? Een boeddhist zegt nee en een christen zegt ja. Maar, zolang we het niet echt ervaren, bestaat zo een uitdrukking als ‘persoonlijk’ alleen maar, vanuit de vroegere ervaringen van wat voor ons een persoon is. En personen zijn de mensen die wij ontmoeten. We maken daar een beeld van. We maken een beeld van die absolute persoon. En de ervaring, de diepste ervaring breekt dat stuk.

Ook in de christelijke mystiek. Je kent misschien het woord van Eckehart, een dominicaan, een middeleeuwer die prachtige teksten schrijft, die door het Oosten herkend worden als: ‘dit is vlak bij ons’, waar hij over God zegt: ‘God is een louter Niets‘. Dat is natuurlijk ook stamelen. Maar dat wil alleen maar uitdrukken dat het niets is van alles waarmee ik denk het te kunnen invullen, het is niets van alles wat ik denk te weten. Geen enkel begrip, hoe heilig, hoe hoog ook of het valt stuk.
Hij zegt: ‘wenn das Ich entwertet, entwertet auch God’. Als het ‘ik’, dat mij eigenlijk isoleert maar waar ik mij zo aan vast houd, dat gevormd en gekneed is door anderen, naar modellen, en dat dus niet uniek is, als dàt wegvalt en ik pas echt mijn ‘oorspronkelijk gelaat’ heb, dan is daar ook ‘god’ niet meer. Dan is daar niet meer wat dat ‘ik’ projecteerde of uitdacht. Zolang er een ik is, is alles wat dat ‘ik’ zich inbeeldt en vorm geeft, niet waar het uiteindelijk echt om gaat.

In die diepste ontmoeting, die men dan aanduidt met ‘unio mystica’ – in dit alleen-zijn is er ook al-één zijn. Helemaal alleen zijn, onherhaalbaar zijn en dat is eenzaam zijn, betekent tegelijk daarin ontdekken dat je met iedereen verbonden bent. Dat is stamelen. Als je het zo hoort, denk je, dat is nonsens. Als ik alleen ben en eenzaam, is dat verschrikkelijk (dat is ook zo) en toch is dat andere ook waar. En Eckehart stamelt daar op zijn manier over. En Johannes van het Kruis beschrijft precies hetzelfde.

Niet-Weten
Om dat een beetje levendiger te maken dan dit, wat misschien nogal theoretisch lijkt: een tekst Terre des hommes van Etienne de Saint-Exupery. Die zegt iets heel merkwaardigs over zijn diepste religieuze ervaring, waarvan de theoloog professor Blommestijn uit Nijmegen zegt, in zijn boek ‘Tot op de bodem van het Niets’, dat hij het een van de ontroerendste westerse teksten vindt op gebied van de mystiek. Want het is tot op de bodem van het niets. Proberen in woorden te stamelen wat die wonderlijke diepste ervaring is.

‘Het gebeurde dat mijn diepste wanhoop plaats maakte, plotseling, voor een onverwachte en uitzonderlijke kalmte. Er ontstond in mij een soort gelijkmatige helderheid uit de diepste grond van mijn bestaan.’

Dat klinkt mooi. Daar kunnen we nog bij. Had ik dat ook maar! Maar dan… wat hij dan zegt. Waarom is daar die helderheid en vrede?

‘Want ik wist niets meer. Maar er bestond ook niets dat ik zou hebben kunnen kennen zonder walging.’

Op die momenten van die diepste vrede en helderheid en volheid des harten, waar hij geen woorden voor vindt, zegt hij: de kern ervan is: ik wist niets.
De middeleeuwse mystiek kent dat ook in ‘De wolk van niet-weten’. En de Koreaanse zenmeester, bij wie ik heel lang in het klooster was, zei altijd: de kern van zen is ‘don’t know (niet weten)’. Het is niet eens ‘I don’t know’, want dat ‘I – zei hij – stelt niets voor. Zo onbevangen dat nog niets gestold is tot kennis, tot begrippen en woorden – wat onmiddellijk gebeurt, zoals bij koning Midas alles wat hij aanraakt in goud verandert. En De Saint-Exupery doet die ontdekking, hij leert dat niet, hij ervaart het en dan zegt hij: ‘ik wist niets’; méér nog: ‘er zou niets kunnen zijn dat ik kende, laat staan dat onnoembare dat we met het woord ‘God’ noemen, zonder dat ik onmiddellijk walging zou voelen.’
Ik zou voelen: dit is het niet, dit is een skelet, dit is een stolsel, een sintel van een levende ervaring. Het is bijna tegenstrijdig, want ergens zegt hij, dat hij hier raakt aan zijn diepste grond, maar raken is het niet, want dat stellen wij ons ook weer voor – elk woord schiet tekort.

‘Ik had hier (in die vrede des harten, in die volheid) geenszins aan God geraakt, want een god die zich laat aanraken (laat kennen) is geen god meer’

Dat is eigenlijk zeggen: waar mijn ‘ik’ wegvalt, valt ook god weg. Ik kan hier niets meer zeggen, het is alleen ervaring, het is zwijgen, eenheid, unio mystica. God die zich laat kennen is geen god meer.

Géén antwoord ontvangen
En De Saint-Exuperie gaat verder:

‘Noch als hij gehoorzaamt aan mijn gebed. En voor de eerste keer besefte ik dat de grootheid van het gebed vooral gelegen is in het feit dat het géén antwoord ontvangt.’

Dat staat haaks op wat wij meestal denken. De antwoorden die ik krijg, dat is ruilhandel zegt hij:

‘En dat het afzichtelijke van ruilhandel geen enkele rol meer speelde in deze ontmoeting. En dat de leerschool van het gebed, de leerschool van de stilte was.’

En dan zijn we precies bij de meditatie – de leerschool van het gebed zonder antwoord. Kierkegaard zegt daar ook iets over:

‘Ik krijg geen antwoord, geen bevestiging, geen teken uit de hemel, geen verschijning waar ik een beeld uit kan maken en waar ik een houvast aan kan hebben.’

Dit is stamelen dat het juist zuiver wordt, waar ik het niet kan vangen.

‘En meer nog’ zegt hij ‘dat ook de echte liefde en de echte ontmoeting pas daar begint waar er geen gave terug te verwachten is; en de oefening van het gebed.’ ‘Pardon,’ zegt hij ‘ik bedoel de stilte, is precies zo belangrijk omdat ze dit aan de mensen leert.’ Géén antwoord ontvangen. Een antwoord, een teken zou mij alleen maar dieper in mezelf opsluiten, nog meer mij in mezelf besloten maken.

‘Zij die van God een teken verwachten, maken van hem een spiegelbeeld, waarin zij slechts zichzelf ontdekken.’

Dit is natuurlijk stamelen. Je kunt ook het omgekeerde zeggen. Iemand zei eens op een lezing: ‘Als hij zegt: ik had geenszins aan God geraakt is dat niet waar’. Nee natuurlijk niet, letterlijk is dat ook niet waar. Juist daar waar je wel raakt, zegt hij: ik raak er niet aan. Dat is eigenlijk willen zeggen: hier valt alle kennis weg.

Dat is wat Krishnamurti ergens zegt: ‘Liefde is vernietiging van alle kennis‘. Waar slaat dàt in godsnaam op? Maar juist in alles wat ik denk te kennen van een ander, wat ik hard kan maken, wat ik kan pakken, wat continu is: het was er gisteren dus ook vandaag, het is geen wonder meer, juist dàt is niet wat een echte ontmoeting uitmaakt. Een echte ontmoeting, ook van iemand die je veertig jaar kent, is elk moment ergens nieuw, is wonder, beweegt, leeft, verandert, heeft iets onaanraakbaars waar je niet bij kunt, waar je nooit bij kunt.

In de theologie wordt dit gezegd over die grote Jij als ‘verborgen God‘. Het Oosten accentueert dat verborgene sterker dan wij, hoewel in het Oosten natuurlijk ook beelden ontstaan. Maar zeker in de weg van zen is dat héél puur en heel dicht bij Johannes van het Kruis, en bij Eckehart en bij De Saint-Exuperie en zoveel anderen, ook Russen, zoals Lev Sjestow, die vanuit een christelijk-joodse traditie alleen maar hetzelfde kunnen zeggen….


Don’t know – loskomen uit het web van het denken

Bron

Deze tekst werd samengesteld uit toespraken dd 10.04.11 en 15.07.11.

Over de sutra De Identiteit van Veelheid en Eenheid – de Tsóu-Fung-Ch’i of Sandokai
– is veel gediscussieerd, ook binnen de zen. Er is van de tekst wel gezegd dat het Taoïsme zou zijn, dat daarmee een andere weg beschreven is dan de boeddhistische; het is een andere uiting. In de eerste regel wordt gezegd dat de wijsheid van ‘de barbaar’ – bedoeld wordt Bodhidarma – “op intieme wijze” werd doorgegeven. Dat verwijst naar de liberating intimacy (bevrijdende initimiteit) waar ik eerder al eens over sprak. De wijsheid werd niet doorgegeven als een soort regel, een voorschrift of een handleiding voor de weg. Er zijn geen richtingwijzers die zeggen: als je dit doet, kom je daar uit. Meerdere teksten in de zentraditie zeggen zelfs ronduit: kijk uit voor de weg. De Hart-sutra zegt bijvoorbeeld: geen weg, geen bereiken, geen niet-bereiken, geen inzicht. En ook Rinzai waarschuwt: volgers van de weg!, pas op voor mensen die met u spreken over de weg, loop mijlen ver van hen vandaan, want u raakt verward…. We moeten dat dus altijd een beetje in gedachten houden.

In de Identiteit wordt ook gezegd dat oorzaak en gevolg uit de zelfde bron komen. Dat is moeilijk om te beseffen. We hebben altijd het idee dat als er iets gebeurt, het een oorzaak heeft. Of dat als je iets doet, er een gevolg zal zijn. Ik ga zitten in meditatie, dat is een begin, een oorzaak. Daar moet vervolgens iets uitrollen: verlichting, ontwaken of goed moreel gedrag. Nee dus, oorzaak en gevolg komen voort uit dezelfde bron. In die regel zit de waarschuwing aan de Boeddha verpakt, de stem van Mara die tegen hem zegt: begin er niet aan, je hebt het nog niet uitgesproken of het is voor je toehoorder toch weer bekend terrein. Het wordt begrepen, het wordt doorgegeven en ingepast, er ontstaan hiërarchieën, rituelen, commentaren, boeken, enzovoorts. Dit gebeurt telkens opnieuw en niet alleen in een boeddhistische of christelijke traditie. Hoe je ook gevormd bent en wat je achtergrond ook is, je moet telkens weer loskomen uit het web van het denken, steeds opnieuw.

In Japan zijn er twee soorten kloosters: Rinzai en Soto. In de Rinzai-kloosters wordt met koan gewerkt. Een koan is een soort van onmogelijke vraag. Je moet tijdens gesprekken met de leraar over die vraag laten zien dat je elke neiging om de vraag rationeel te beantwoorden doorbreekt, van binnenuit.

Bij één van de Rinzai-kloosters kwam ooit een hoogleraar filosofie uit Amerika aan. Hij had veel gestudeerd en een zekere status opgebouwd. Hij ging vooral voor sightseeing naar Japan, maar had natuurlijk van al die kloosters gehoord, en omdat hij er toch was, wilde hij ook een maand in een klooster doorbrengen. Nu was het vroeger gebruikelijk dat als je een maand naar een klooster ging, je moest laten zien dat het je menens was. Dus bij aankomst kreeg je zo’n onmogelijke vraag, een koan. Als je het antwoord niet wist, werd je zonder pardon buiten gezet. In de portiersloge kreeg je een bord soep en een matje om te slapen en dan mocht je de volgende ochtend laten merken dat het je ernst was; je klopte dan nog een keer aan. Goed, onze hoogleraar klopt aan bij het klooster, waar al flink wat Amerikanen – ook als monnik – aan het mediteren zijn. De bedoeling is dat de poortmonnik aan degene die naar binnen wil de onmogelijke vraag stelt. Dus de hoogleraar stelt zichzelf voor: I’m a professor from the United States and I want to stay some time in your monastery. Yes, yes, zegt de poortmonnik – in dit geval ook een Amerikaan – en stelt hem de onmogelijke vraag. De hooggeleerde is een beetje beduusd en beantwoordt de vraag. Want al had hij nooit gemediteerd, hij had wel wat boeken gelezen over boeddhisme. Het antwoord blijkt goed te zijn. Hij wordt binnen gelaten en ze drinken samen een kop thee. De poortmonnik is verrast en onder de indruk en hij kan het niet laten om te vragen: heb je echt nooit gemediteerd, met een leraar en zo? Nee, nee. Hoe wist je dan meteen het goede antwoord op de koan, dat maak ik niet zo vaak mee; hoe wist je dat, waar komt dat bij jou vandaan? Nou, zegt de hoogleraar, ik kwam het tegen in de boeken van Suzuki. Vervolgens zegt hij: mag ik ook iets vragen? Hoe wist jij eigenlijk dat dit echt het goede antwoord was? Ja, zegt die ander, ook uit de boeken van Suzuki.

Het is een gek, maar waar gebeurd verhaal en het lijkt een beetje op wat ik meemaakte in het eerste zenklooster waar ik kwam. Maar het is juist Suzuki die ergens in zijn boeken duidelijk maakt dat dit de valkuil is van iedereen. Iedereen heeft de neiging om te denken dat je het met kennis en inzicht van anderen – uit een overgeleverde traditie, uit boeken – kunt ontdekken. Zo gaat het dus niet.

Zo’n zelfde verhaal kennen we over een katholieke hoogleraar, ook al uit Amerika. Hij was goed op de hoogte en wist vooral veel van de mystiek. Deze man ging naar de berg Athos, want hij wilde het Jezusgebed leren. Hij had gelezen over de traditie van het stil worden, het zitten, en de betekenis van het Jezusgebed. Het lijkt alles bij elkaar een beetje op zenmeditatie, maar dan met een christelijke achtergrond. De professor had er zelfs publicaties aan gewijd, maar hij was nooit op de berg Athos geweest. Toen hij daar aankwam vroeg hij: is er een monnik die dit al heel lang doet? Ja, er was een oude monnik die in een kluis op de berg zat. De prof gaat erop af en als hij bij de monnik aankomt, stelt hij zich voor en legt uit wat hij komt doen. De oude monnik knikt en zegt: drink eerst maar een kop thee. Ja, maar ik zou heel graag dat Jezusgebed…. Ja, ja, zegt de monnik, laten we nog een kopje thee drinken. Er wordt over van alles gebabbeld en na een uurtje zegt de prof: ik heb dat en dat gelezen over die en die visie op het Jezusgebed, maar er is ook een heel andere, erg interessante kijk op. Ja, ja, zegt de monnik, weet je wat, we gaan een stukje wandelen. Na anderhalf uur kwamen ze onder aan de berg bij de zee en de monnik zei: ga maar zitten. Ah, dacht de prof, nu zal hij het eindelijk gaan vertellen. Ruik je het water, hoor je de golven, vroeg de monnik. Ja-a, maar hoe zit het nou met het Jezusgebed? Kom, wieg nou maar mee met de golven. Hij, professor doctor Huppelepup, meebewegen met de golven, nee dat was écht…. Nou ja, misschien duurt dit vijf minuten, dacht hij, en hij begon mee te bewegen. De volgende dag ging het weer zo en vervolgens kon de hooggeleerde twee weken lang niets anders doen dan zitten langs de vloedlijn en meebewegen. Ja, maar ik wilde nog wel een stap verder gaan, zei hij. O, dat is goed, zei de monnik, dan zullen we iets hogerop in het gras gaan zitten…

Aan het eind van de maand had de monnik op Athos één wijsheid voor de professor: niemand kan het je vertellen, jij moet het ontdekken. Maar eerst moet je heel stil worden en afkicken van alle plaatjes.

Ik vertelde vaker over Sjestov, een auteur die niet iedereen aanspreekt, maar die mij overtuigt omdat hij zo authentiek is. Het eerste wat ik van hem las, is precies wat ik probeer te vertellen met deze twee verhalen. Ik was net afgestudeerd in de Slavistiek en vond een boek met ‘Sjestov’ erop. Ik dacht: dat is een Rus, laat ik het maar kopen. Ik wist niet dat het me zoveel zou doen. Er zijn mensen die hem op het eerste zicht niet erg zien zitten. Ik ken iemand die het boek van Sjestov op mijn aanraden aanschafte, maar het werd daarna op mijn bureau gesmeten met de opmerking dat hij er niets mee kon. Die persoon kwam daar later overigens wel op terug, maar goed.

Ik kom uit de christelijke traditie, ik ben opgevoed door Jezuïeten. Streng opgevoed, met echt veel religieuze angst, met schuldgevoel, zonde, mislukking – en vooral met veel theologische zekerheden. Ik ben gaan zoeken en lezen, want ik dacht er met veel lezen achter te komen. En opeens was er Sjestov…

Deze joodse schrijver met een atheïstische opvoeding, die bij toeval het Evangelie en de Psalmen leest, en die ooit wat de Boeddha noemt een ommekeer meemaakt – een revolution of the fundaments in zijn innerlijk -, kende alle angsten zoals die worden opgesomd in de Hart-sutra. Hij vertelt één keer over die ‘revolutie’, in een na zijn dood gevonden dagboek. Sjestov is dus ook een Rus en u kunt zich misschien voorstellen met hoeveel vuur hij die gebeurtenis beschrijft. Hij schrijft, naar aanleiding van zijn ervaringen, onder andere over Psalm 22: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij me verlaten? God staat voor alle zekerheden die hij tot dan toe had. Alle emotionele zekerheden, alle verstandelijke zekerheden: alles glipt onder zijn handen vandaan. Het was heel pijnlijk; hij had het gevoel dat alles verloren was, dat er niets meer over was. En daar begint het, zegt hij, met een scheppen uit het niets. Sjestov zegt – ook als hij andere auteurs, als Plotinus, letterlijk citeert – dat elke keer als wij naderen tot hetgeen wij niet in woorden kunnen pakken, wat niet uitgedrukt kan worden, geen vorm heeft en niets lijkt, ons hart terugdeinst. Ons hart deinst dan terug omdat het lijkt alsof we staan voor het niets… En toch!

Er zijn regels van Sjestov waar ik in het begin niets mee kon, maar waarvan ik wel ergens voelde dat het waar was. Het zijn regels waar ik dankbaar voor ben. Hij zegt: het lijkt of alles geëindigd is en inderdaad, alles is geëindigd. Het lijkt of alles wat waardevol is, alles wat je diep raakt en waar je hart naar uit gaat, verloren gaat, en inderdaad, het ís verlies. Maar tegelijkertijd begint er iets totaal nieuws, waardoor het niet verloren is. Dat is zó tegenstrijdig… In het Evangelie staat ook dat je moet verliezen om jezelf te vinden. Soms moet je dingen die je heel dierbaar zijn verliezen. Soms denk je: dit kan niet, dit mag niet – en toch gebeurt er dan wat Sjestov benoemt als het raken aan het wonder van het oerbegin. Het ‘scheppen uit het niets’ begint daar. Dat is natuurlijk stamelen van Sjestov en bij hem is het heel dramatisch gestamel. Als het dramatisch is, kan het verduidelijkend werken, maar het hoeft niet op die manier te gebeuren.

In de Identiteit wordt ook gesproken over de weg die geen zuidelijke of noordelijke leraren kent. Wie zijn dat dan? Wel, de ene richting stelde dat het geleidelijk gebeurt, zonder bijzondere ervaringen. De andere richting benadrukt meer dat je botst op een muur en er geen raad mee weet, maar dat dat kan veranderen. Neem het allemaal maar met een korreltje zout en weet dat er over elke tekst – hoe heilig ook – onophoudelijk is gediscussieerd. Er waren altijd mensen binnen de traditie die zeiden: dat klopt niet. Dat werd zelfs gezegd over de Hart-sutra, die toch zo boven alles verheven lijkt te zijn. “Hier is vorm Leegte, Leegte vorm, is vorm niet gescheiden van de Leegte, Leegte niet gescheiden van de vorm. Al wat vorm uitdrukt is Leegte, al wat Leegte is heeft vorm”. Wij
kunnen daar met ons gevoel nauwelijks bij, maar de tekst ontstond in een tijd dat iedereen permanent deze vorm van uitdrukken hanteerde om iets van het Boeddhisme duidelijk te maken. Men probeerde te formuleren: kijk uit, het hogere ligt niet “dáár”. De leegte is niet boven en niet beneden, is niet het armzalige gedoe met vorm; het is Eén. En dan krijgen we Dogen, die zegt: er klopt niets van die Hart-sutra. Leegte is wel degelijk ook leegte en vorm is ook vorm; we moeten een stap verder gaan dan de Hart-sutra. Geen enkele tekst is heilig. Misschien is het zo dat iedere tekst, of één enkele regel ervan, soms even iets wakker kan maken.

Voor mij is misschien wel het meest levend hoe de Koreaanse meester, die zo slecht
Engels sprak dat ik alles heb onthouden, het zei: Don’t know, only go straight. Don’t know mind. En als je dan zei: maar ik zit hier toch echt met een groot probleem, was het: Put it all down… I think, I feel…, don’t make I, my, me, I like…! Stop your likes and dislikes, don’t make opposite“- en dat was het zo ongeveer. Het Koreaanse klooster had ook een bakkerij waar allerlei taartjes en hapjes verkocht werden en die hadden namen als don’t knowtaartjes of only go straight-wafels. De meester was een man met humor. Ik was zes maanden in dat klooster en maakte ooit mee dat iemand tegen hem zei: “I like the zen, but I have to tell I’m a deeply believing Christian and to me Jesus Christ is everything”. Waarop de meester zei: “Oh? Yes? Ah, thank you very much, I am so happy to hear. Begin there“. En een ander zei eens: “I hate all religion, I hate the Buddha, all this crazy religious crap, I spit on it”. “Oh, I’m so glad to hear, thank you very much. Begin there”. Dat is mooi: je kunt overal beginnen.

Nog even terug naar de tegenstellingen. Er staat in de Identiteit dat donker en licht bij
elkaar horen, maar dat in het donker ook het licht is, zoals in het licht het donker. De
schrijver van de Identiteit bedoelt daarmee dat in het donker licht is, zoals Johannes van het Kruis zei dat het donker hem licht genoeg was. Dat was een diepe ontdekking, waar hij geen andere woorden voor had. Zonder grond en toch gedragen, dat is ook zo’n uitdrukking. We hebben allemaal een voorkeur voor licht – dat denken we toch. Licht is een van de prachtigste symbolen: dat het licht worde…. Maar iemand als Rilke schrijft in zijn gedichten dat hij zich meer thuis voelt in het donker: “Oh Dunkelheit, aus der ich stamme...”. Ik weet niet of u het kunt aanvoelen, maar soms kan licht zó ontluisterend zijn. Sartre noemde het de vervloekte helderheid waarin alles schrijnend duidelijk wordt. ’s Nachts wordt dat bedekt, wordt het uitgewist. De nacht heeft iets heel ontroerends. De schrijver van de Identiteit zegt: idealiseer het donker niet, idealiseer het licht niet.

Er staat in de tekst opeens – en dringend – ook: oordeel niet. Het oordelen speelt ons altijd parten, we doen het voortdurend en over alles. Als we iets of iemand voor het eerst zien of als we een boek lezen – bij eerste confrontaties – hebben we bijna onmiddellijk een oordeel. Het is een tweede natuur; het zit in onze genen. En tóch moet je daar doorheen: oordeel niet! In sommige Chinese variaties van de Identiteit staat het duidelijker vertaald dan in Engelse teksten – er zijn acht of negen vertalingen – don’t set up your own standards. Hanteer niet je eigen maatstaven, want dan wordt alles klein. Voor je het weet stolt alles wat je in dat particuliere coördinatenstelsel stopt. We kunnen dat allemaal aanvoelen, zodra je iets uitspreekt wordt het vastgelegd; stolt en versteent het.

Dat is precies wat Hisamatsu bedoelt als hij verwijst naar het bijbelverhaal van Genesis over het eten van de Boom van Kennis. Het is de boom des doods, zegt hij, die boom is een soort waarschuwing. Het gaat er niet om dat we niet mogen denken of geen kennis mogen hebben, maar als het hele leven gevangen, gegrepen wordt in begrippen, dan missen wij het meest levende. Daarom is die waarschuwing zo belangrijk: oordeel niet.

In Amsterdam heb ik ooit les gehad van de schaakkampioen Max Euwe. Hij gaf wiskunde én theologie. Hij vertelde ons dat in het Evangelie staat: oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Dat klinkt naar en een beetje kinderachtig: als jij iemand oordeelt, zal ik jou ook te grazen nemen. Maar dat staat er niet, zei Euwe, want in het Grieks staat iets wat letterlijk vertaald betekent: opdat gij uzelf niet oordeelt. Als ik alles om mij heen probeer te vangen in begrippen, zekerheden en oordelen – dit is donker en dat is licht, dit is goed en dat niet – dan versteent mijn wereld. En daarmee oordeel ik over mijzelf. Daarom eindigt de Identiteit vanuit dat niet-oordelen met ‘de weg’. De tekst zegt dat je zelfs niet hoeft te weten hoe die weg er uit ziet. “Als je de weg niet ziet, zie je die ook niet als je hem gaat”. Je hoeft het niet te zien. Dat is ook wat Rinzai zegt.

Ja, terugkijkend kun je misschien zeggen dat je een paar passen gemaakt hebt. Maar als je vooruit kijkt, geldt wat Hisamatsu zegt: ga staan waar geen plek is om te gaan staan. We weten het niet. En als we het toch willen of denken te weten, dan rijdt het bestaan zelf ons wel in de wielen. Wij wéten het niet en dat is heel bevrijdend: “Dan zie je die ook niet als je hem gaat”. Want wij gaan hem, allemaal. Waar we ook staan, wat we ook doen: we gaan die weg. Maar als je de bron verliest, zie je alleen nog maar spoken. Ook daar wordt naar verwezen, naar de waandenkbeelden. Naar likes en dislikes en opposites, zoals de Koreaanse meester zei. Daarin kun je verstrikt raken, maar in feite kun je niet van de weg afraken.

Tot slot zal ik daar een mooi voorbeeld van geven, ’t mooiste voorbeeld wat ik ken uit
de moderne techniek. Ik maakte het zelf mee, toen ik met iemand meereed en erachter kwam wat een TomTom is. Ik weet niet meer waar we naar toe gingen, maar de TomTom gaf een bepaalde richting aan en ik wist een veel kortere weg, dus ik corrigeerde het apparaat. En later zei ik nog een keer: nee, nee, niet linksaf, we moeten hier doorrijden. Ik ben de hele weg, tot het einde toe, blijven zeuren. Maar wat ik zei klopte van geen kanten, ik was gewoon eigenwijs. Het apparaat zei op z’n Vlaams steeds heel lief: als je kunt, keer om – maar wij bleven dus op mijn aangeven doorrijden. Hoe ver ik ook van huis raakte omdat ik de aanwijzingen steeds maar negeerde en blééf roepen dat het fout was en we gewoon verder moesten rijden, de TomTom bleef steeds maar geduldig zeggen: toe maar jongen, nu de eerste weg links, bij de rotonde de tweede rechts, enzovoorts. Op het einde kwamen we precies uit waar we moesten zijn. Dát vind ik nou precies zoals het bestaan is: je kunt er niet uitvallen, al verdwaal je compleet. Het mooie van een TomTom is dat je thuis wordt gebracht over wegen die je misschien helemaal niet wilt gaan.

In Meer dan een mens kan doen staat het verhaal van de zwarte schrijfster Ntozake Shange. Jaren geleden, toen ik het op een sombere, regenachtige dag in San Francisco niet meer ‘zag’, keek ik uit het raam van de tram en zag een poster hangen. Er stond een regenboog op en de tekst: For coloured girls who have considered suicide, when the rainbow is enough. Ik ben gaan zoeken en vond het boek van Shange. Tussen al haar prachtige teksten vond ik een regel die me hetzelfde leerde als de TomTom. Aan het einde van haar weg schreef Shange: You are the answer to my prayers, but you are not at all what I prayed for my whole life. Jij was totaal niet wat ik wilde, niet wat ik zocht, maar nu het zo is moet ik zeggen: dit is het antwoord op al mijn gebeden. Goddank.


Meer dan een mens kan doen

Uit: Meer dan een mens kan doen: zentoespraken, Ton Lathouwers, 2000:
(Titels Hans van Dam)


Het web van denken

Je wilt de mensen iets meegeven, is het niet? Doe maar, babbel maar een eind weg. Probeer het maar, het zal je niet lukken. Elk woord dat je uitspreekt, stolt onmiddellijk in hun geest, valt meteen dood. Het wordt meteen gevangen in het web van denken, in het web van de eindige vormen en de pseudo-zekerheden. (45)


Gestold

[De Boeddha] spreekt van een bodemloos niet-weten, een groot duister, een donkere, diepe afgrond, de leegte. Zoveel negatieve termen om het uit te drukken en alweer even zoveel valstrikken. Want nog voor je het goed en wel beseft, zijn ook deze woorden weer gestold tot plaatjes. (45)


Niets is niet iets

‘Klamp je nooit vast aan het niets alsof het een iets is en wees vrij in alle richtingen.’ (49)


Ongrond

De bevrijdende uitgang ligt nochtans precies in de andere richting: precies waar we nog dieper de duisternis ingaan, of welke naam daar verder ook aan gegeven wordt: sunyata, leegte, ongrond. Allemaal woorden die de bedoeling hebben geen ruimte te laten voor enig houvast. (52)


Weet ik niet

Keer op keer wijst de zentraditie ons terug naar dat essentiële niet-weten. Dat begint al bij Bodhidharma, de Indiër die volgens de overlevering de zenmeditatie naar China bracht. Nadat Bodhidharma de religieuze vormen waarin de vrome Chinese keizer zekerheid dacht te vinden, onderuit haalde, vraagt de keizer wie degene is die nu voor hem staat. En Bodhidharma zegt met een uiterste zuinigheid van woorden: ‘Weet ik niet.’ (52)


Omkering

‘Ik krijg geen greep op mijn geest en dat maakt mij angstig’ wordt: ‘ik weet niets en dat is mijn redding’. (53)


Alles weg

Ontwennen en loslaten: al die schijnbare zekerheden en houvasten, al die ideeën over onze eigen zenpraktijk en hoe wij het ervan afbrengen. Maar ook loslaten van onze voorstellingen over verlichting, mystieke ervaringen, doorbraken … Alles weg: hier zit ik met niets, onbevangen, niet wetend, als een kind. (54)


Bolwerk

Niet-weten klinkt negatief en onaantrekkelijk. Terwijl het net andersom is, honderdtachtig graden omgekeerd. Weten in de zin van kennis is een bolwerk dat je ook gevangen houdt, niet-weten is een eindeloze open ruimte. (57)


Brokstukken

Het leven stroomt door, laat zich niet vatten binnen de hekken van onze bepalingen, van al onze kennis. Er hoeft maar even een stroomversnelling te komen en daar staan wij verwezen naar de brokstukken te staren. Waarna we, met de toepasselijke moed der wanhoop, onze verdedigingswal weer proberen op te trekken. (57)


Geen verzekeringen

Zij dagen ons uit om onze borstweringen van weten en kennis te verlaten. Zij dagen ons uit om ons vrijmoedig en zonder reserve, als een kind zo vrij, en zonder na te denken – ‘zingend en zonder herinnering’, zoals de dichter Nijhoff het noemt – toe te vertrouwen aan de stroom. Zij dagen ons uit om die sprong te wagen. En als wij vooraf om verzekeringen vragen, om geruststellingen, lachen ze ons vierkant uit. (58)


Geen antwoord

“Plotseling besefte ik tot in de grond van mijn hart dat de grootste genade van het gebed is, dat ik geen antwoord krijg.” [Antoine de Saint-Exupéry] (59)


Drie tenten

Je kunt boven op de berg drie tenten bouwen voor de nacht. Maar morgenvroeg moet je die weer opbreken en verder trekken. (83)


Levensgrote vraag

Fundamenteel twijfelen aan alles wat op je afkomt. Fundamenteel niet-weten en tegelijk uitgedaagd worden van daaruit je unieke antwoord te geven. Daar je eigen onvervreemdbare uitdrukking aan te geven. Het bestaan is een mysterie, een raadsel. Het is: niet weten. Het komt als een levensgrote vraag op je af. (92,93)


Korte metten

Want eigenlijk willen we geruststelling en mooie ervaringen en speeltjes voor de afleiding. Maar de zenweg maakt daar korte metten mee. Er is zelfs een zenuitdrukking die stelt: ‘Kleine twijfel, kleine verlichting; grote twijfel, grote verlichting.’ (93)