Toon Hermans

‘Muizenissen, hersenspinsels, mensen lijden aan verzinsels, maar je leert wel mettertijd: denken is geen werkelijkheid.’ Gedichten en citaten van kleinkunstenaar, schilder en dichter Toon Hermans (1916-2000).

Redactie Hans van Dam, titels origineel.

Dwaalgids > Belletrie > Toon Hermans


uit het Groot versjesboek (1983)


De visser

Ouwe Koos had geen horloossie,
had ie nooit bij stilgestaan,
ook geen klokkie in een doossie,
nee, dat sprak ‘m niet zo aan.

Zittend op z’n ouwe kotter
sprak ie met een net vol vis:
‘Het wordt nie beter én nie rotter,
as ik weet hoe laat het is.’
(pagina 16)


De mier

Ik heb sinds kort een mier,
ik noem het beessie Bartje,
’t is zo’n mieren-mini-dier,
hij heeft een héél klein hartje,
maar dikwijls denk ik, sapperloot,
wat leeft er in die kleine?
’t Geheim in hem is nét zo groot
of groter dan het mijne.
(27)


Lieveheersbeestjes

Zijn onze lieve-Here-beestjes werkelijk
ook katholiek of zijn ze buitenkerkelijk.
Ze zijn, zoals geleerden pas ontdekten,
met mug en vlieg en wesp verdeeld in sekten.
(28)


Lente

Het ene is nog mooier dan het andere,
de appelboom, de perelaar
en zienderogen staan ze te veranderen,
ik sta erbij en kijk er naar.

‘k Heb er geen hand voor uit hoeven te steken
mijn hand is trouwens daarvoor veel te klein,
maar ik raak op al dit moois niet uitgekeken,
staat dit er allemaal voor óns, zou dat zo zijn?

Nu hier de witte bloesems uit de takken breken,
nu is de verre hemel even héél dichtbij
en wat ik zie, dat kan ik niet in woorden spreken,
er gaat vandaag gewoon een wonder door de wei.
(38)


Zee

Dat ik met twee blauwe kralen
en met twee van die pupillen
de zee kan zien van oost naar west,
daar kan ik van verstillen.
(40)


De wind

De wind rent razend door de tuin
en door de smalle straten
en langs de zee en door het duin,
er valt niet mee te praten.

De bomen buigen naar de grond,
je moet ‘m horen blazen,
hij maakt het wel wat al te bont,
hoor nou die gek es razen.

Waar blijven maten en gewicht,
wat is nog groot of klein,
als iets wat je niet eens kunt ‘zien’,
al zó brutaal kan zijn.
(47)


Wonderen

Als de meeuwen schreeuwen,
als de bloesems sneeuwen,
als de hemelen donderen,
ik hoor en ik zie de wonderen.
(48)


Huwelijk

Mijn liefje, toen we trouwden,
toen las ik in je blik,
wij trouwen met z’n drieën,
‘het wonder’, ‘jij’ en ‘ik’.

En het wonder is gebleven
het grote ‘je ne sais pas’,
we hebben al, een leven lang
‘un mariage à trois’.
(80)


Zomaar

Ik kan me dagenlang verstrooien
met ’n blocnote en een pen,
met gemijmer over leven
over wie en wat ik ben,
maar mijn povere gedachten,
stijgen op als een ballon,
als ik zomaar zit te zitten
in het gras en in de zon.

Ik kan dagen, soms zelfs nachten
denken over ’s levens lot,
over hopen en vertrouwen,
over liefde, over God,
maar het gekke is, ik voel me
altijd dichter bij de bron,
als ik zomaar zit te zitten
in het gras en in de zon.
(89)


Bidden

Bidden gaat met woorden,
maar ik doe het liever zonder
en ben opeens een beetje
bevangen door het wonder.
(92)


Vlinders

Probeer ze niet te vangen,
de vlinders, laat ze gaan,
niet weten en het antwoord niet verlangen,
bevangen, in het wonder staan,
de longen vol met lucht,
zo met z’n allen samen
en in het hart die zelfde zucht,
Ontferm u onzer. Amen.
(93)


Leven

Er zijn er heel wat
(en ze voelen geen gemis)
die weten op geen stukken na
wat leven is.

Dan zijn er nog een paar,
die weten het ongeveer
en die het weten,
hebben zelf geen leven meer.
(124)


Ik wou

Ik wou, dat ik mijn mond kon houwen,
want o… ik klets wat enden weg.
Toch blijf ik alsmaar weer vertrouwen,
dat ik óóit nog es iets zinnigs zeg.
(135)


Ikke

Ze zeggen altijd, zoek je zelf,
maar ik weet niet wie ik ben,
er wonen mensen diep in mij,
die ik nog nauw’lijks ken.

Er leven er belach’lijk veel
onder diezelfde huid
en als ik zoek naar wie ik ben,
zoek ik de beste uit.
(141)


Vijftigste verjaardag

Wat is ’t nou nog
een halve eeuw?
Vogelvoetjes
in de sneeuw.
(146)


Ik wou (wauw, wauw…)

Ik wou
dat ik es niets zou willen,
maar ach,
dat lukt me niet zo gauw.
Ik wou
dat ik es heel’maal zou verstillen,
maar ach,
‘niet willen’ dat begint al met ‘ik wou…’
(166)


Bellen

Bellen blazen vond ik prachtig,
al die bellen hadden iets,
o ik vond dat blazen machtig,
vooral dat overgaan in ‘niets’.
(170)


Bellen

Zoals de bellen uit een stenen pijpenkop,
zo zweven wij een poosje door dit dalletje,
geblazen uit een onbegrijp’lijk sop,
zó broos, je hoort aan ’t end niet eens ’n knalletje.
(176)


Hij dacht…

Hij dacht: ‘Dat is een boze hond,’
maar toen hij héél dicht bij hem stond
likte de hond zijn handen.

Hij dacht: ‘Mijn vliegtuig is defect,’
en toen hij dacht: ‘De tank die lekt,’
zag hij het veilig landen.

Hij dacht: ‘Dit is een overval,’
hij hoorde al de laatste knal,
er was niet eens een wapen.

De dood vond hij de grootste ramp,
toen is hij naast de schemerlamp
heel rustig ingeslapen.
(177)


Akkoorden

Ik sla maar een paar akkoorden aan
in het totale niets
en af en toe denk ik ineens,
verhip, nou hoor ik iets.
(195)


Leven

Hij at takjes peterselie
en een stronkje verse bree,
met wat fijngemalen lelie
en een dronkje saliethee.

Hij at knoflook, hele strengen,
heeft de bermen leeggeplukt
om zijn leven te verlengen,
maar het is hem niet gelukt.

Je kunt het leven nergens eten,
’t is geen drank, geen hap, geen beet;
wát het is valt niet te weten
als je dát maar héél goed weet.
(198)


Leven

Als Piet die paar minuten
had over kunnen slaan,
dan was hij niet voor zeven jaar
de bajes ingegaan.

Als Jan toen op die dinsdag
zijn nest was ingekropen,
in plaats van in zijn auto,
was het niet zo gelopen.

Waarom het liep zoals het liep,
heeft niemand ooit gevonden,
de stopwatch gaat zijn eigen gang
in tienden van seconden.
(201)


Ik speel

Ik speel, ik dans,
ik spreek, ik zwijg,
zing af en toe een lied
en als ik niets
te spelen krijg
speel ik een poosje niet.
Maar ergens buiten
mijn verstand,
erboven of eronder,
ben ik een kleine muzikant
die meespeelt
in ‘het wonder’.
(208)


Gedroomd leven

Vergeef me als ik droom,
vergeef me als ik zweef,
als ik, wat her en der gebeurt
maar vagelijk beleef,
vergeef me als ik vlucht
van oorlog en geweld
en blij ben met de lucht
in het open vrije veld.
(232)


uit Dan heb je geluk (1989):


Slim

Het leven wàs, of is, of wordt
’t gaat slecht, of goed, of beter
we leven lang, we leven kort
en ‘slim zijn’… helpt geen meter
(pagina 43)


Onvolledig

‘k Hou niet van dat bedachte
zorgvuldig afgewogen
van doen we dit of doen we dat?
of zou zoiets wel mogen?

’t is allemaal onvolledig
het denken duurt maar kort
het doen is evenredig
ik zie wel wat het wordt.
(47)


Muizenissen

Muizenissen, hersenspinsels
mensen lijden aan verzinsels
maar je leert wel mettertijd
‘denken is geen werkelijkheid’.
(54)


Leven

Ik nam het deel
wat mij het leven gaf
doe zèlf niet veel
ik wacht alleen maar af

het heeft iets van ’n droom
iets van zingen zonder lied
de vruchten van de boom
ze vallen in m’n schoot… of niet
(84)


Héé

Ik wil niet weten wie ik ben
het denken maakt me moe
of ik mij overàl in herken
dat doet er weinig toe

wèl vind ik het domweg fijn
te denken: ‘héé, zou ik dat zijn?’
(85)


Ik

Ik besta
ik weet het wel
pluk ’n bloem
en blaas ’n bel

hoewel ik dikwijls
amper weet
wat ik doe
of wat ik deed
(87)


uit Zo waait de wind (1994):


Waarom

Ik wil geloven
in leven en wonder
ik zal niet meer vragen
en kijk niet meer om

er gaat veel meer boven
m’n pet dan er onder
ik zal niet meer vragen
waarom?
(pagina 6)


Tevergeefs

Ik heb zo doelloos, vaak zo nutteloos gedacht…
zo tussen weet het niet en zachtjes wenen
de optocht waar’k op heb gewacht
is nooit verschenen.
(17)


Weet u het?

Kijk daar staat iets in de grond
wat er gisteren nog niet stond.
Heeft de nacht dit schoons gebaard
heel heel stilletjes, heel bedaard?
’t Is gemaakt van “‘k weet niet wat”
maar hoe heeft het die vorm gevat?
Heeft dit groen iets van een blom
en weet u ook misschien waarom?
(18)


Het

Als mens vragen: ‘Hoe maakt u het?’
Zeg dan maar:
‘Ik ben nog bezig, het is nog niet af!’
(58)


Laat maar

Je weet dat het onzin is om te denken ‘mij kan niets gebeuren’ en je weet ook dat het onzin is om te denken ‘mij kan wèl iets gebeuren’, maar eigenlijk wéét je niets. Daar zou ik het maar op houwen. Laat alles maar geschieden. (66)


Tussen acht en elf

’s Avonds tussen acht en elf
begin ik lichtelijk te zweven
leef ik in ’n ander leven
’s avonds tussen acht en elf

in mijn eigen oogopslag
kom’k ’n ander mannetje tegen
en ik zie mijzelf bewegen
en dan hoor ik dat ik lach

in het felle witte licht
ben ik blij en opgetogen
zijn dit wel m’n eigen ogen?
is dit niet ’n nieuw gezicht?

en al zoveel lange jaren
blijft dat zo – zo waait de wind
ook al sneeuwt ’t in m’n haren
ik ben en blijf ’n dolend kind.
(85)


Denken

Ik wil denken wat ik wil
ijzer, hout of koud of kil
aan of uit of luid of stil
ik wil denken wat ik wil

ik wil denken sprakeloos
witte sneeuw of rode roos
goud of blik of stout of rein
want ik wil mijn denken zijn

lieve dingen wil ik denken
bombardon of liefdeslied
aan verdriet geen aandacht schenken
maar af en toe dan lukt het niet.
(119)


uit Van de schaduw en het licht (2006):

toon-hermans-van-de-schaduw-en-het-licht


De weg

Liefde, vreugde of verdriet
wat op je weg komt weet je niet
dus kijk maar niet zo ver vooruit
het heeft geen nut, je ziet geen fluit.
(pagina 24)


Appelboompje

Het is misschien wel mogelijk dat ik aardig ’n anekdote uit mijn leven kan vertellen, misschien zijn het er zelfs twee – toch zijn dat slechts kleine ervaringen, grappig, triest, goed, fout, noem maar op, maar het lukt mij nooit om iets te zeggen over mijn leven zélf, over wie en wat ik ben. Het meest lijk ik – denk ik dan – op een appelboompje. Het is klein begonnen, het groeide en wist van niets en hoewel het van niets wist kwamen er appeltjes aan zijn takken en bladeren en er kwamen steeds meer takken en meer bladeren… zo maar… Dat deden de zon en de regen, de aarde en de wind, maar het boompje zelf stond alleen maar daar en keek toe… af en toe verrast door de lekkere rooie kleurtjes van de appels, maar ook af en toe geteisterd door de storm, de hagel, de sneeuw en de kou.
Daar zie ik wel iets in van mezelf. Ik geloof in leven dat zich voltrekt… buiten jezelf om… Natuurlijk doe je een beetje mee en vang je ’n zonnetje of ’n regendruppel op, maar toch niet zo veelvuldig… Het geschiedt, het verval en het rijpen. Ik doe haast niets. (25)


uit Angst

[…]
Ik geloof dat een deel van onze angst te herleiden is tot een van onze meest potsierlijke pogingen: het zeker van iets willen zijn. Hoe minder een mens aan die behoefte lijdt, des te minder angsten heeft hij.
Helaas verbeelden wij ons maar al te vaak ergens zeker van te kunnen zijn; en als die zekerheid dan wordt geschokt en de twijfel komt, als bijvoorbeeld plotseling ons iets ontvalt waarvan wij dachten dat het ons eigendom was, dan staat de deur al op een kier voor de angst. Kleine, bescheiden mensen die minder geneigd zijn zekerheden omtrent iets naar zich toe te halen en ervan uitgaan dat er au fond geen zekerheden zijn en zich min of meer overgeven aan het leven, hebben minder kans door angst of vrees te worden bevangen.
Hoe nederiger en toegeeflijker je staat tegenover de dingen die met je kunnen geburen, hoe minder kansen zijn er voor de angst. (30)


uit Bumper

Ik geloof dat de mens zijn ontroering dankt aan dat onvolledige. Dat on-invulbare, aan dat zweven tussen hoop en vrees, dat vragen van: ‘Is het dát nou – of komt er nog wat?’ En daarom zeg ik het nóg maar eens (één van mijn favoriete kreten!): ‘Niet mikken op de roos.’
De roos is gezichtsbedrog.
Gewoon ademen,
mag best es wat piepen.
Niet van dat hele gave.
Nergens voor nodig.
We hebben allemaal wel es ’n gaatje in de jumper,
we hebben allemaal wel es ’n deukie in de bumper. (44)


Zijn

Zolang j’er bent
moet je iets zijn
verdrietig of gelukkig.

Zolang j’er bent
moet je iets zijn
of boos, of blij, of nukkig.

Wat zal ik zijn, een harlekijn,
een engel of een beest?

Een zielenpoot,
een idioot
‘k ben alles al geweest.

Maar grof of fijn
of groot of klein,
zó blijft het, tot aan ’t end.

Je maakt je wijs
dat j’iets moet ‘zijn’,
dat komt omdat j’er ‘bent’.
(90)


Wisseling

de weemoed komt
de weemoed gaat
ik wist dat ze vandaag zou komen
ik zie het paard
dat in de regen staat
maar niet de appels in de bomen
(129)


Vraag

Vandaag is het geluk je deel
en morgen vallen klappen
oh er gebeurt zo veel zo veel
waar wij geen barst van snappen
(141)


uit Levensboek (2001):

(titels HvD)


Het wonder en de verwondering

Op school was ik een slechte leerling. Ik had geen hoge pet op van het weten. Onbewust voelde ik dat leven en weten twee verschillende dingen zijn, en dat het leven zelf zoveel sterker is dan het weten. Ik had iets tegen weten. Maar ik wist niet wat dat was en ik dacht dat er andere dingen in het leven waren die belangrijker zijn dan weten. Ik had toen al zoiets van ‘laat het leven over aan het leven zelf’. Al heel vroeg zag ik het wonder in het leven. En als de meester in de natuurkundeles vertelde over de zon, de maan en de sterren, en uitlegde dat de aarde een van de kleinste planeten was, zat ik mij te verdiepen in een onzelieveheersbeestje dat toevallig op mijn inktlap zat. Ik zag in het diertje hetzelfde mysterie als in het kosmische verhaal van de meester.
O, ik vond het weleens boeiend, de ene meester deed het beter dan de andere, maar ik was van nature niet nieuwsgierig naar het weten, en zou het zonde vinden om daar tijd aan te besteden. Ik maakte mijn huiswerk ook niet af, of helemaal niet, omdat ik zo met mijn eigen wereldje bezig was. Dat eigen wereldje was niet gericht op een bepaald iets. Ik was mij van weinig dingen bewust, en liet Gods water maar over Gods akker lopen, zonder mij erom te bekommeren. Ook toen we straatarm waren was er iets in mij dat zei: ‘Laat maar gebeuren, het zal wel zo moeten zijn.’
Zo voelde ik dat in mijn jonge jaren. Het wonder en de verwondering, die hebben mijn leven gemaakt tot wat het is. Ik heb er zelf niet zoveel aan gedaan. Primair heb ik het leven altijd ervaren als een wonder. (11)


De kleine wondertjes van alledag

Ik heb alles maar laten geschieden, heb me erover verbaasd, ben ervan geschrokken, heb erom gelachen, heb erom gejankt, maar alles voltrok zich eerder in een soort verwondering dan in een drift om het te kunnen verklaren. Dat laatste is zo gebleven. Ik hou mij altijd vast, en vind nog steeds mijn kracht in het mysterieuze, en het onzegbare, het onbeschrijflijke. Dat hoeven niet per se grote dingen te zijn, nee, de kleine wondertjes van alledag raken me misschien nog wel meer. Hoge dingen zijn dikwijls zo onbereikbaar. Ik weet nog altijd niet wat ik doe, en hoe het komt dat ik doe wat ik doe. Dat hoef ik ook niet te weten. Zolang het er is, is het er.
Wat wij weten is zo’n armzalig beetje, dat valt niet te vergelijken met wat we niet weten, en nog veel petieteriger dan al het vele wat wij niet kunnen weten. (27)


Onbegonnen

Ik weet niet hoeveel interviewers die naar mijn leven kwamen informeren, mij de vraag hebben gesteld: ‘Hoe bent u begonnen?’ Ik zeg dan wel eens dat ik nooit begonnen ben, dat het al begonnen was toen ik het merkte. (29)


Verwant

Het is de mens nooit echt geleerd dat naast een bepaalde mate van verstrooiing het leven om aandacht vraagt. Wie ben ik? Wat is leven? Ik geloof dat mensen die zich niet bewust zijn van hun eigen leven en zich nooit rekenschap geven van wat ze aan het doen zijn, met deze levenshouding ook de ontwikkeling van hun innerlijke leven tegenhouden.
Wij zijn niet gemaakt om mysteries te doorgronden, maar wij zijn verwant aan wonderen, aan kleine en grote wonderen die zich dagelijks in ons en om ons heen voltrekken. (102)


Alleen maar misschien

Zoals ik eens heb geschreven: We hebben mensen nodig die stilstaan / bij wat ze niet horen en niet zien. / En dan verdergaan / met alleen maar misschien.
Dit is een leven vol raadsels, vol kleine mirakels. Je moet leren begrijpen dat het menselijke denken heel pover is als je het vergelijkt met het onverklaarbare, het onbeschrijfelijke, dat wat wij dag aan dag meemaken en wat al begint als ’s morgens het daglicht binnenkomt op kousenvoeten. (135)


Een raadsel

Na een voorstelling in theater Carré reed Godfried Bomans eens met me mee naar huis. Onderweg naar Haarlem vroeg hij me: ‘Krijg je nooit eens het gevoel als je daar zo in die lampen staat, dat de mensen plotseling kunnen zien hóé je het doet? Zoals dat ook een goochelaar wel eens kan overkomen als het oortje van een wit konijn net iets te vroeg uit zijn mouw hangt?’
Ik zei: ‘Nee, Godfried, dat heb ik nog nooit gehad. Ik weet namelijk zelf niet hoe ik het doe.’
Dat is ongeveer 27 jaar geleden, en als hij me vandaag weer die vraag zou stellen, zou hij hetzelfde antwoord krijgen.
Ik heb me mijn leven lang verwonderd over de rare fratsen die ik op het toneel heb uitgehaald, en over hoe de mensen daarop reageren.
Grappenmakerij is een uitermate vreemd verschijnsel. Een beetje raadselachtig. Al ziet het er naar buiten toe niet zo uit en denken de mensen dat je de witte konijntjes zomaar uit je mouw schudt. Het zal altijd een raadsel blijven, daar heb ik honderden voorbeelden van, die ik nu niet allemaal ga opsommen uiteraard, maar ik kan me de dag nog goed herinneren dat ik Rietje in de keuken een conference voorlas die ikzelf bloedgek vond, en dat zij toen geen spier vertrok. Erger nog, toen ik haar vroeg: ‘Hoe vind je het?’ vroeg ze bijna verbouwereerd: ‘Ben je van plan om dit op het toneel te doen, nee toch, hè?’
En met dit uitspraak kon ik het wel doen. Ik deed het ja toch, maar met het grootste wantrouwen. De eerste zinnetjes kwamen er dan ook aarzelend uit.
Het ging over een vergadering van vrouwen, en bestond eigenlijk alleen uit het opnoemen van namen, mevrouw Peper, mevrouw Zwaarmakers, mevrouw Opdebeke, mevrouw Stip, mevrouw Hak, mevrouw Loofhutjes, etc.
En net zo onzeker als ik de conference was begonnen, lachten de mensen aanvankelijk, maar hoe meer de opsomming vorderde hoe erger het lachen werd. Ik mag wel zeggen, het ontaardde in een luid geschater. Ze piesten in hun broek van het lachen, en na de voorstelling kwam de baas van Carré naar me toe en toonde mij inderdaad in de zaal ettelijke natte plekken op de roodpluchen stoeltjes.
Ik wil maar zeggen: de entertainer weet van tevoren niets. De entertainer die het wél weet, is een boekhouder. Als het raadsel ophoudt, houdt de grap ook op. (168)


Honderdduizend vragen

Ook als ze er zitten ’s avonds, rij aan rij, elleboog aan elleboog. Dan stel ik mijzelf, terwijl ze bulderen van de lach, honderdduizend vragen.
Wat zou dat nou zijn?
Hoe komt dat nou?
Wie ben ik nu?
Is dit mijn leven?
Ik heb toch wel iets anders aan mijn hoofd?
Moet dat nou?
Maar zuiver doordringen tot de kern en een psychologische analyse maken die klopt, daar voel ik mij niet meer toe in staat (182)


God

Niemand kan over leven iets allesomvattends zeggen. Wie dat wel kan, mag nu zijn vinger opsteken. Wat ik vertellen kan, zijn alleen maar ervaringen of belevenissen. Dingen die ik onderweg zo links en rechts ben tegengekomen en nog dagelijks tegenkom. Ik zou heel graag pogingen willen doen ook iets te zeggen over het leven als het meest wonderbaarlijke verschijnsel op deze planeet, maar daar durf ik mij niet aan te wagen. Ik laat het wonder maar geschieden, ieder uur van de dag, iedere dag van de week, iedere week van de maand, iedere maand van het jaar en ieder jaar van mijn leven. Onder alle omstandigheden ben ik mij van het wonder bewust. Een bewustwording die niet het resultaat is van wetenschappelijk onderzoek, maar die onopvallend in mij is gegroeid zoals de takken en de bladeren groeien aan de boom.
Ik spreek hier in verband met leven over wonder, en als u misschien zou willen weten wat ik onder wonder versta, dan moet ik zeggen: ‘God’. (219)


Bron onbekend:


Denken

Eerst dacht ik: ‘niet aan denken’,
Dat heb ik toen gedaan,
maar twee seconden later,
dacht ik er tòch weer aan.

Nee, zo eenvoudig is dat niet,
want weet je, wat je doet,
je denkt er óók aan als je denkt
dat j’er niet aan denken moet.


De kunst van niet-weten (interview 1995)

Bron
Volgende week wordt hij 79, volgende maand komt hij met een nieuwe show. Wat hem drijft? Op dat soort aardse vragen heeft hij geen antwoord. Want Toon Hermans doet niets liever dan zich overgeven aan het niet-begrijpen van dingen.

Voorzichtig proeft hij het woord. Laat het even in zijn mond en gedachten rondgaan, kauwt erop en krijgt de smaak te pakken. ‘Particularly’, zegt hij lachend. ‘Particularly. Hoor je het? Net alsof je een brommer probeert te starten. Hoor dan: P- p-particularly. Daar maak je dan die beweging bij met je hak. Je krijgt die zogenaamde bromfiets maar niet aan de gang en dan zeg je dat woord, zes, zeven keer achter elkaar. Dat vinden de mensen leuk.’

De blauwe ogen stralen, de handen zijn beweeglijk bezig om de woorden kracht bij te zetten. En het lijkt waarachtig wel of er buiten iemand met een bromfiets in de weer is. De Limburgse boterham uit zijn jeugd – een stevig sneetje bruin met een plak roggebrood en een beetje kaas ertussen – moet maar even wachten. Aan de keukentafel in zijn ruime, lichte huis wil Toon Hermans nu liever praten dan eten. Praten over het leven en over het theater en over zijn nieuwe show waar hij zo vol van is. Wat volgt is een lange stream of consciousness waar met moeite af en toe een vraagje tussen te frommelen valt.

‘Marjan Berk heeft eens geschreven: Toon Hermans kan de woorden goed laden. Een woord een andere lading geven door de manier van zeggen. Daar heb ik misschien wel gevoel voor, ja. Dat is geen verdienste of talent, dat zit gewoon in me. Voor mij is het iets heel gewoons, ik weet niet hoe ik het doe en ik hoef het ook niet te weten. Een eekhoorntje weet ook niet hoe het in de boom geklommen is.

Ik weet bijvoorbeeld niet waarom ik mijn show begin met het liedje waarmee ik begin. Dat is eigenlijk helemaal geen beginliedje. Het gaat zo: ”Het is vandaag een onwaarschijnlijk mooie dag, de mensen om me heen zijn duidelijk opgetogen. Met zachte stem zingt hij de melodie, de hand slaat rustig de maat. ‘Het zijn nooit van die Hollandse cabaretliedjes, omdat ik geen cabaretier ben. Het cabaret legt altijd iets uit of deelt iets mee. Ik zing atmosferische zinnetjes en daar kunnen de mensen van maken wat ze willen. Ze kunnen het ook niks laten zijn – dat is mij nog het liefst.’

Hij schenkt thee in, is even stil. ‘Gek dat je altijd even aan elkaar moet wennen, hè’, zegt hij dan met ontwapenende schuchterheid. ‘Ik kan me voorstellen dat jij denkt: wat zou dat voor een rare ouwe knar zijn. Jij hebt natuurlijk allerlei opgedrongen ideeën over mij in je hoofd die anderen je hebben voorgetoverd op papier. Daar komt de grote misleiding vandaan bij interviews. Alles wat over je geschreven wordt, is maar een schim van de werkelijkheid en heeft niets te maken met je persoonlijkheid, alleen met de dingen die je doet. De grootste gekken zijn vaak de meest serieuze mensen. Carmiggelt was een zeer melancholiek mens, en dan heb ik het nog over een schrijver, bij de gratie Gods natuurlijk. Maar ook grote clowns als Grock of Buziau waren treurige mensen.’

Zelf is hij, zegt hij na enige aarzeling, wel een optimistisch mens. ‘Optimistisch zijn betekent niet elke dag lachen, maar moed hebben. Franciscus van Assisi heeft gezegd: er is moed nodig om gelukkig te zijn. Die moed heb ik af en toe gehad, en soms ook helemaal niet. Maar je moet somber kunnen zijn om weer te kunnen lachen – die twee dingen horen bij elkaar. Humor wortelt in verdriet.

In mijn leven is mijn vak zo klein, het stelt bijna niets voor. Ik identificeer mij niet erg met mijn werk. Theater is ook zoiets merkwaardigs hè, ik kom er nooit achter wat het is. Je kunt aan een horlogemaker vragen hoe hij een horloge in elkaar zet, maar ik kan je niet vertellen hoe ik theater maak. Het voltrekt zich gewoon. We lullen er zoveel over, dan komt er weer iemand langs om te vragen: vertelt u eens over het vak, hoe doet u dat nou? Maar er is niets te achterhalen. Alles is al gezegd, en zeker die onnozele dingen over het theater. Dat is maar zo’n klein partje van wat er gaande is in de wereld. Die meneer die die moppen vertelt is maar een heel klein menneke, die betekent echt helemaal niks.
In de nieuwe show vertel ik over het theater en hoe ik het heb ervaren, want ik schei er hierna natuurlijk mee uit, ik kan niet aan de gang blijven. Maar dat vertel ik in een soort theatertaal die toch niet het wezenlijke raakt, want als ik er de woorden voor had, kon ik beter een essay schrijven.

Bij mij dient zich gewoon aan wat ik op het toneel ga doen. Opeens krijg ik een bepaalde impuls: de waterketel. Die gaat dan in me borrelen en blazen en fluiten. Daar speel ik mee, zoals een kind met een blokkendoos. Omgaan met niets en daar iets van maken – daar ben ik van bezeten. Meer is het niet, meer moet het ook niet zijn. Ik kan niet verder, wil het ook niet.’ Hij kijkt er heel ernstig bij en herhaalt zachtjes maar nadrukkelijk: ‘Ik wil het niet. Er zijn mensen die op het toneel iets willen meedelen en erg graag intellectueel willen zijn. Maar ik heb er maling aan of ik intellectueel ben of niet. Ik hoef niets te zijn, ik ben gewoon Toon. Ik bedoel ook niks, ik adem uit wat in mij leeft.’

‘Als je grappen maakt over wat er gisteren in de krant stond’, vervolgt hij een tikje spottend, ‘dan ben je goed. Maar dat is helemaal niet waar. Als je een meloen kunt nadoen of een flesje spuitwater – dan ben je een echte artiest. Danny Kaye kon een kaars nadoen. Een mens is theater of hij is het niet. Ik zal me er wel voor hoeden om te zeggen wie het wel is en wie niet, maar ik zie het natuurlijk wel met mijn oude ogen.
Wij zijn een echt wauwellandje, er wordt hier ontzettend veel gewauweld. Daar komt het cabaret ook vandaan, dat is eigenlijk een mengeling van journalistiek en theater. Maar ik vind het vaak eerder journalistiek. Theater is doen. Doen en zijn, en niet alleen maar lullen. Ik kan ook goed wauwelen, maar ik kan nog iets anders. Ik doe iets op het toneel, ik straal iets raars uit. Ik ben van mezelf een raar schepsel.’

Van de voorstellingen die hij vanaf januari weer gaat geven, zal er niet een hetzelfde zijn. Toon Hermans maakt een compositie, maar de uitvoering is telkens anders. ‘Ik zal bijvoorbeeld iets vertellen over een kinderstoel. Die vond ik vroeger te hoog, ik werd duizelig als ik naar beneden keek. Dan staat er in mijn script alleen: ”Kinderstoel”, en er staat een bruggetje naar het volgende thema: hoe je leert lopen en waar het lopen vandaan komt. De eerste mensen liepen vooruit omdat hun voeten nu eenmaal die kant op stonden. Dat vind ik dom. Als ik dat nu zo zeg, is het zwak. Maar straks, in de lachwolk van de mensen, wordt het iets leuks. Zij doen je de grap maken.’

Hij is opgesprongen en opent de deur naar een sfeervolle werkkamer. ‘Hier schrijf ik mijn liedjes’, zegt hij. Op het overladen bureau staat een kartonnen bordje met een handgeschreven bezweringsformule erop: ‘Op de eerste avonden moet je de grote lijn vasthouden en eromheen improviseren. Ze hoeven niet altijd te lachen.’ ‘Ja, ik zeg ook altijd tegen jonge cabaretiers: je moet eromheen, anders ga je geschreven praten. Ze apen me soms een beetje na, dat mag ik misschien wel zeggen nu het toch bijna afgelopen is. Ik vind dat niet erg hoor, ik ben daardoor gevleid. Maar wie improviseert op het toneel, moet wel langzaam spreken, omdat je nog niet weet wat je gaat zeggen maar alleen voelt dat er iets geks kan komen. Ik probeer tegen de mensen te spreken, niet te galmen – dat is heel wat anders.’

Die mensen, de ‘kleine’ mensen voor wie Toon Hermans speelt en waarvan er zoveel zijn, zoveel meer dan het handjevol ‘grote’ mensen, verstaan zijn theatertaal. Zij houden van zijn eenvoud, zijn kolderieke sketches en lieve liedjes over de bloemetjes en de bijtjes en de ballonnetjes, zoals critici zijn werk soms wat badinerend typeren. Een volkshumorist, noemde Wim Ibo hem. Toon Hermans vindt het best. Send in the clowns. ‘Veel mensen hebben zich geïdentificeerd met mijn leven – zij kennen hetzelfde geluk en hetzelfde verdriet en schrijven mij dat ook. Ik krijg de prachtigste brieven. Zij zullen zich wel afvragen of die Hermans door een zijdeurtje is verdwenen, en misschien vinden ze het wel leuk als ik nog een keertje mijn kop laat zien.’

Als hij ermee ophoudt, houdt deze vorm van theater op, vreest hij. ‘De epoque van mijn soort entertainers is eigenlijk nu al afgelopen. Tony Bennet, Danny Kaye: dat is mijn lichting, en dat is voorbij. Dat vind ik jammer. Niet dat ik voorbij ben, maar dat de klank van die liedjes verdwijnt uit het theater, die warmte van mensen als Cole Porter. Die muziek is zo mooi en toch zo simpel! I got you under my skin – kleine zinnen, maar lieve, warme zinnen. Over tien jaar zingt niemand die mooie liedjes meer. En er is geen sprake van dat er iets mooiers voor in de plaats komt. Het blijft vaak bij vinnige, venijnige, hotserige, knotserige, luide muziek. Ik hoor er eerder barbarij in dan iets menselijks. Ook de clownerie verdwijnt uit het theater, en daar komt betweterigheid voor in de plaats.
Humor moet zacht zijn, in mijn ogen. Ik vind de mens een zachtaardig schepsel, en ik denk dat ruwheid niet echt bij de mensen hoort. Als je iemand liefhebt ga je ook zachter spreken en niet harder. Leven is mooi en fragiel, miraculeus en niet te begrijpen. Als het over het leven gaat, moet je niet hard schreeuwen. En bij humor moet je zelfs nog een toontje lager gaan.’

‘Over mij wordt vaak gesproken alsof ik al dood ben: de helaas te vroeg overleden Toon Hermans’, zegt hij met een grijns. Alsof hij al is bijgezet als laatste van de Grote Drie – Kan, Sonneveld en Hermans – die altijd in een adem werden genoemd. Maar het is dan ook stil geweest sinds hij twee jaar geleden zijn show Ik heb je lief halverwege de tournee afbrak. Wat een hommage aan zijn overleden vrouw Rietje had moeten zijn, werd een emotionele crisis. ‘Ik ben gestopt omdat haar dood iedere avond opnieuw op me afkwam.’ Hij loopt naar het portret in de gang dat hij ooit van haar schilderde. ‘Het went niet, zonder haar’, zegt hij, en mompelt: ‘Ik moet het schoonmaken, het wordt dof.’

Vijf jaar geleden overleed Rietje. Meer dan veertig jaar waren ze getrouwd. Een van de laatste dingen die ze tegen hem zei, was dat hij door moest gaan met optreden. Hoe oud was ze eigenlijk toen ze overleed? Hij kijkt geschrokken. ‘Dat weet ik niet, geen idee’, zegt hij kortaf. ‘Gek he, ik weet het echt niet.’

Toon Hermans heeft geen geheugen voor data en jaartallen, leeftijden en aantallen. Hij heeft er ook geen belangstelling voor. Als je hem naar zijn verleden vraagt, krijg je geen feiten op een rij maar een biografie in beelden. Hij vertelt niet dat hij in 1916 geboren werd in Sittard, waar zijn vader berooid stierf toen hij veertien was en waar hij debuteerde in het dorpscafé toen hij zong op het biljart, maar hij schetst de personen die hij was: het kind, de komiek, de volwassene.

‘Wanneer ik als kind thuiskwam uit school vroeg mijn moeder altijd wie ik gezien had. Dan zei ik: ik heb de kapelaan gezien, de ober van het Oranjehotel en de dokter. En dan deed ik ze alle drie na, in hun manier van lopen en spreken. Mijn moeder vond dat prachtig. Veel later heb ik eens een briefje teruggevonden dat ik als klein jochie aan haar had geschreven. Dat had ik ondertekend met ”U kloun”. Op die leeftijd weet je nog helemaal niks, en toch dacht ik al: ik ben een clown.

Dat ik weiger om ingewikkelde grappen te maken zal ook wel een traumatische reactie op vroeger zijn. Ik was dom, toen ik kind was. Nee: niet dom, maar ongeïnteresseerd. Ik was moeilijk te grijpen, ik was een soort bal die zomaar wat van de ene kant naar de andere rolde. Op school lette ik niet op. Ik had totaal geen aanleg om te leren en ik had niks te maken met al die genummerde mannen, die Willem de Tweede Lodewijk de Veertiende en Floris de Vijfde. Nooit kwamen er vrouwen aan te pas, behalve die ene, hoe heet dat mens met die toeter op haar hoofd – Jacoba van Beieren. Ik vond de meester stomvervelend en ik vond dat hij niks wist zoals hij daar stond te ouwehoeren. Dat dacht ik toen niet, hoor, dat zeg ik nu; als kind dacht ik helemaal niks. Ik geloof dat ik tot mijn vijftigste nooit iets gedacht heb. Ik leefde maar gewoon wat – ik bestond, maar ik gaf me geen rekenschap van wie ik was.

Nu heb ik soms wel momenten waarop ik denk: wat ben ik toch stom, ik weet helemaal niks. Dat vind ik wel een gemis. Soms kijk ik naar een quiz of een forum en dan denk ik: als ik daar bij had gezeten, had ik nergens antwoord op kunnen geven. Maar misschien moeten er ook mensen zijn die niks weten en daardoor weer andere dingen weten die de mensen die zoveel weten helemaal niet weten.

Echt, pas na mijn vijftigste ben ik een beetje gaan nadenken. Toen brak het bewustzijn in alle hevigheid uit, en nu nog. Ik begin te begrijpen wie ik ben en wat ik zie. Daarvoor keek ik zoals een hond kijkt: opnemen en niet weten wat je ermee moet doen. Ik heb heel lang in een soort bewusteloze toestand verkeerd. Dat is een fantastisch gevoel hoor, daar gebruiken ze nu drugs voor maar ik had dat van nature. Ik liep niet door Amsterdam, ik danste door Amsterdam. Niet dat ik zo stom als een varken was, want ik heb in de oorlog nog wel mooie dingen vertaald. Les pensees van Pascal nota bene. Het denken heb ik vertaald, terwijl ik zelf helemaal niet dacht! Maar de onverschilligheid was mateloos. Ik kende de nuances van gevoelens niet. Ik rookte tachtig sigaretten per dag en was bijna iedere avond dronken. Dat heb ik een jaar of twintig volgehouden. Ja, dat waren echt vlegeljaren.

Toen ik voor het eerst alleen in Carré stond, was ik me daar ook nauwelijks van bewust. Niemand had een one-man-show in die tijd, maar ik vond echt niet dat ik de anderen nu eens voor moest zijn of een voorbeeld moest stellen. Ik vond helemaal niks, daar was ik veel te onnozel voor. Mijn collega’s dachten: die man uit Limburg is gek geworden dat-ie alleen op het toneel gaat staan. Sonneveld stond met tien, twaalf mensen op het podium die allemaal goed genoeg waren voor een one-man-show. Maar ik was de enige die het deed. Ik vond het wel romantisch, dat theater, daar werd ik door bedwelmd. Die geweldige omgeving van Carré en Amsterdam… dat was wel wat voor zo’n klein menneke uit een provinciestadje.’

Het was nog in zijn ‘vlegeljaren’ dat Toon Hermans eens de les gelezen werd door de eigenaar van een klein restaurant. Toen hij alleen nog een mandje stokbrood op tafel had staan, vroeg de man hem of het smaakte. ‘Maar ik heb nog niks’, zei Hermans verbouwereerd. Niks, niks, of dat niks was! En de man vertelde over het brood en het meel, het graan en het veld en de zon, en vroeg hem dat brood nog eens goed te proeven. ‘Ik was toen nog heel jong, maar er ritselde al iets in mij van het gevoel dat nu zo groot geworden is. Dat is gegroeid door te luisteren naar dit soort verhalen. Het was alsof ik in dat restaurant een goudkorrel vond. Die liet ik toen nog liggen op de bodem van mijn ziel, maar later hebben al die zaadjes zich vermenigvuldigd.

Nu ervaar ik zo sterk dat alles bij alles hoort. Het licht bij het donker, het blad bij de tak, de tak bij de boom, de boom bij de aarde. Dat merk ik ook als ik schilder: niets in de natuur onttrekt zich aan het geheel. Alles voegt zich in, behalve de mens. Wij kunnen ons niet goed invoegen en overgeven. Wij zijn te ver verwijderd van die boeddhistische leer. Bij Zen komt het eenheidsbegrip duidelijk naar voren, maar de mens heeft het individuele en het materiële voorop gesteld. Het is allemaal gericht op het ik: hoe verdien ik het meest, hoe vergroot ik mijn succes. Terwijl je pas echt begint te leven als je zegt: ik ben een stukje van alles, een korreltje van het zand. Dat betekent veel meer dan zeggen: ik ben ik. Niet dat mij dat altijd lukt, maar ik probeer het te zien en er iets mee te doen. En verder zoekt iedereen het maar uit, ik ben geen predikant, ik ga de mensen niet bekeren.’

In het reusachtige, chique boek met zijn schilderijen dat onlangs uitkwam, bekent Hermans dat hij ‘een van die gekken’ is die met bomen praat. ‘Dat klinkt voor veel mensen ontzettend sentimenteel, maar voor mij is dat net zo gewoon als ademhalen.’ Natuurlijk is hem bekend dat hij zich met deze gewoonte in koninklijk gezelschap mag verheugen. ‘Ik heb het er wel eens met Irene over gehad, jaren geleden. Zij ging vaak naar Zwitserland als wij er ook waren. Dan kwam ze ’s avonds langs of we kwamen elkaar tegen in een cafeetje. Het is zo toevallig dat nu haar boek is uitgekomen over het praten met bomen, en dat ik het ook in mijn boek noem. Nou ja – toevallig…’, mompelt hij erachteraan.

De voormalig reclametekenaar schildert al zo lang hij zich kan heugen, maar pas nu wil hij het aan anderen tonen. De schilderijen zijn als zijn gedichtjes: primitief. ‘De morgenstond / en ging weer zitten. / De zon had al ’n rooie kop. / De dag verstreek / met datten en ditten. / De avond viel / en stond weer op.’ ‘Het is niet direct de beste schilderkunst van West-Europa, maar het is wel atmosferisch. Bij het schilderen voltrekt zich ook zo’n merkwaardig proces. Dat linnen staat voor me, en dan heb ik maar een paar kleuren in mijn hoofd. Uit die kleuren komen weer andere voort en opeens wordt het iets, soms weet ik niet eens wat. Dan zul je zeggen: waarom blijft het dan niet abstract? Maar dat kan ik niet vasthouden, ik zie opeens een boom of een lucht.’

Het is als met zijn grappen: die vindt hij, zoals een kind schelpen op het strand vindt. ‘Ja, het klinkt wat lyrisch, maar ik doe het niet echt zelf, het gebeurt met me. Ineens kom ik weer een grap tegen. Ik probeerde ze te vinden toen ik middenin mijn verdriet zat, maar toen kon ik er geen grap meer uitpersen. Op zo’n moment voel je dat het allemaal innerlijke bewegingen zijn die je niet kunt duiden.

Soms voel ik ook dingen waarvan ik denk: godverdorie, ik lijk Jomanda wel. Als het gaat sneeuwen, ruik ik dat al dagen van tevoren. Dat klinkt alsof ik de weerman ben, maar het is echt waar. Je neus staat in verband met je intuïtie en gevoelens. Dat is bij dieren ook zo: die krijgen door te snuffelen een heel verhaal.’

Waar oudere mensen vaak wijs en soms cynisch worden, alles al hebben gezien en dus alles beter weten, blijft Toon Hermans snuffelen en zich verbazen als een kind. ‘Mijn verwondering wordt alleen maar groter. Dat komt misschien doordat ik me helemaal niet oud voel. Ik voel me net zo oud als jij, en jij bent jong en ik ben oud, volgens de kalender. Ik blijf mij verwonderen. Er wordt zo ontzettend veel gepraat; we denken allemaal dat we iets kunnen achterhalen, maar er is niks te achterhalen.

Jezus van Nazareth is de grote voorganger geweest, in hoe hij de mensen tot elkaar bracht’, zegt Hermans bedachtzaam. ‘Op een eenvoudige manier: stil, niet schreeuwerig en bombastisch. Dat geheim bezat hij. Hij was eigenlijk de eerste socialist op aarde: alles samen delen en iedereen is gelijk. Zijn makkers waren eenvoudige jongens die naar vis roken en met z’n allen streefden ze het goede na.’

Of Hermans zelf een socialist is? Onmiddellijk zegt hij: ‘O, zeker. Mijn theater komt voort uit een socialistisch gevoel, niet politiek maar menselijk gezien. Ik vind het fijn om mensen te laten lachen, en lachen is toch iets heel groots – veel groter dan velen denken. Een socialist is iemand die van mensen houdt. In de politiek kunnen ze dat niet, dat is een materieel socialisme. Als een mens in zijn medemens dezelfde mens ziet als in zichzelf, dan is hij een echte socialist.’

En of hij een christen is? ‘Ik ga wel naar de kerk, iedere week tien minuten. Dan delen ze het brood uit en dat vind ik iets moois. De man van Nazareth deed dat ook, die riep de jongens bij elkaar en zei: Als ik er niet meer ben, moet je dat brood eten en aan mij denken. En dat doe ik. Ik eet het brood en denk aan hem. Ik vind Jezus de grootste mens die ooit op aarde was en als je die eventjes in je gedachten kunt halen, is dat heel aangenaam. Alsof je even in de zon gaat zitten – meer niet. Daarna ga ik naar huis, want wat er in die kerk verder allemaal gewauweld wordt interesseert me niet.

Er is een god of een oerheid of een kracht, hoe je het noemen wilt, en het is afschuwelijk dat die gesplitst wordt in zoveel verschillende religies. De mijter en de staf, op de grond liggen of omhoog springen: het is allemaal theater. God is ook veel te gevormd, het lijkt wel of-ie een baard heeft als je de mensen erover hoort praten.’

Dat is hem allemaal veel te concreet. Toon Hermans denkt niet concreet maar abstract; vaart niet op kennis maar op intuïtie; is niet rationeel maar emotioneel, en schrikt van praktische vragen. Waarom-vragen als waarom hij in januari weer op het toneel gaat staan, blijven onbeantwoord. ‘Ik heb geen feitelijke meldingen.’

Feiten wist hij zelfs zo snel mogelijk uit zijn geheugen. ’s Middags om vijf uur, met zijn jas al bijna aan, vraagt hij pas waar hij die avond moet spelen, anders vergeet hij het. ‘Dat is altijd zo geweest. Vroeger, als ik afspraakjes maakte met meisjes, vroegen ze bijvoorbeeld: wat denk je van de eenentwintigste? Maar ik dacht niks van de eenentwintigste! Dan zei ik: bel me maar op de eenentwintigste, dan zien we wel weer verder. Nu mag ik van mijn secretaresse niet aan de agenda komen. Als ik dat doe, loopt alles spaak. Dan staan er opeens drie gasten tegelijk in de gang.’

Beslissingen neemt hij volkomen intuïtief, wat hem vaak wispelturig en soms lastig maakt. Zo keek hij ooit vlak voor een optreden in Assen de zaal in, zuchtte en maakte rechtsomkeert. De zaal stond hem niet aan. De rechter strafte hem hiervoor met een boete van 2500 gulden.

Tot wanhoop van zijn omgeving is Hermans ook altijd alles kwijt. De weg, zijn huissleutels, zijn paspoort. Het praktische bestaan is voor hem een terra incognita. Hij weet niet hoe het koffiezetapparaat of de geluidsinstallatie werkt en kan niets klaarmaken in de keuken. ‘Maar dan ook helemaal niks’, geeft hij volmondig toe. ‘Nog geen koppie thee, verdomme. Wat dat betreft ben ik volslagen achterlijk.’

Zijn weinig aardse karakter maakt hem wel eens wat eenzaam. ‘Ik denk vaak dat de mensen niet begrijpen wat ik bedoel. Niet dat ik zo’n hoge pet op heb van mezelf – het is juist heel kinderlijk en naïef wat ik allemaal denk. Maar toch voel ik vaak dat mensen niet snappen wat ik zeg. Dat maakt dat ik me een beetje onbegrepen voel.

Een groot deel van mijn leven heb ik besteed aan een soort mensbeschouwing, en dat is toch een beetje vaag gedoe. Dat is te wazig voor de normale wereld, die zich bezighoudt met Coca Cola, hoeveel-verdien-ik en hoe-laat-moet-ik-er-zijn. Filosofie lijkt daartegenover zwak te staan, terwijl het zo fundamenteel is in het leven. Maar het trekt toch vaak aan het kortste eind; alles wat concreet is wordt eerder begrepen. Mensbeschouwing is te traag, het past niet in het tempo waarin wij leven.

De mens schuilt in alle dingen die ik doe. Als ik op het toneel een spreker nadoe, doe ik de mens na die altijd vindt dat-ie iets moet mededelen. Vijfentwintig jaar geleden speelde ik al de voorzitter die telkens roept: ”Weet ik veel!” Dat was een kreet waarin verborgen is dat ik eigenlijk niks weten wil. Ik vind niet-weten nog altijd belangrijker dan wel-weten. Als je niet weet, is er veel meer ruimte. Als je het weet, is het het einde van de zin, van het begrijpen. Maar er is niets te begrijpen. Er is niets te begrijpen. Het leven is een wonder, een spel, maar ik begrijp er niks van. En ik geef me over aan het niet-begrijpen van de dingen. Ik heb daar niets aan toe te voegen.’