Toon Tellegen

‘Ik schreef eens op papier van lucht en alles wat ik schreef was lucht, en alles wat ik dacht.’ Poëzie van schrijver, arts en dichter Toon Tellegen (1941).

Redactie Hans van Dam; titels origineel.

Dwaalgids > Belletrie > Toon Tellegen


uit Gedichten 1977 – 1999, 2001:


Ik ben niet wie ik ben

In het stadion buigen honderdduizend filosofen deemoedig hun filosofische hoofden.
‘Ik ben niet wie ik ben!’ roept de heiland in zijn hemd.
Een licht gaat hun op. (27)


Ik spring voor mezelf

Ik ben een trein,
door flarden mist en over natte kiezels.
Ik spring voor mezelf
en ik rijd fluitend door. (47)


Een kraai van lucht

Ik schreef eens op papier van lucht
en alles wat ik schreef was lucht, en alles wat ik dacht,
en toen ik naar buiten keek zag ik een kraai van lucht (107)


In minder dan één stap

Ik begon te lopen, ik had nog nooit één voet verzet,
en ik liep en ik liep.
Toen keerde ik op mijn schreden terug
in minder dan één stap. (108)


Toen ik mij vooroverboog

En toen ik mij vooroverboog
om iets te zien
was er iets dat tussenbeide kwam –
ik kon het niet goed zien, hoe ver ik mij ook vooroverboog –
en de zon ging onder,
terwijl ik mij steeds verder en verder vooroverboog
om iets te zien. (116)


Streep eronder

Soms neem ik mij voor om ergens een streep onder te zetten,
maar ik weet niet waaronder
[…]
dan denk ik dat alles zo zal blijven als het altijd is,
maar ik weet niet hoe alles altijd is (133)


Noemt u maar iets

als u heel stil bent kunt u uzelf nu horen
luister
mijn god wat schreeuwt u mooi
u bent heel groot
of wilt u zich liever vergissen in uzelf
en zoudt u eindelijk eens iets willen weten
noemt u maar iets! (136)


Alle kanten uit

Ik liep alle kanten uit,
verloor mijzelf al spoedig uit het oog,
kwam ergens aan, stond stil
en ging toevallig juist naar binnen
toen ik daar juist naar buiten kwam. (140)


Doorwaadbaar

Er is een doorwaadbare plaats in mij.
[…]
Waad, waad maar door, tot je zelf doorwaadbaar wordt. (143)


Dat zegt me niets

Ik zat onder een boom, ontmoette de dood,
die iets verklaarde en spoedig uitgepraat zijn weg weer ging.
Ik zei hem niets, zei hij.
‘Maar ik ben echt,’ zei ik.
Dat zei hem nog minder, zei hij.
‘Is er wel iets dat u wat zegt? riep ik.
Hij dacht van niet, riep hij (148)


Wat beter is weet God alleen

Het uur is aangebroken om te gaan.
Ieder van ons volgt zijn eigen weg.
Ik om te sterven, jullie om te leven.
Wat beter is weet God alleen. (174)


Wij vergaten onze vragen

Wij reden door grijze valleien,
bereikten een dorp.
Daar zagen wij onszelf door de straten gaan,
wij tikten op de ramen,vroegen iedereen wie wij waren
en iedereen dacht na.
Toen vergaten wij onze vragen. (200)


Ik…

Na de storm
sprak ik niet meer tegen mijzelf,
besloot mijzelf volkomen te vergeten.
Soms begon ik nog gedachteloos met ‘Ik…’,
hield mijn adem in,
sprak niet verder meer. (234)


Ik val

Ik val
en denk al vallend na.
Zal ik nog iets roepen, iets van het allergrootst belang
dat onweerstaanbaar zal weerkaatsen
tegen een overkant?
En zal ik nog iets meeslepen in mijn val?
Ruw en onverwachts?
Of val ik nergens langs?
[…]
De zon gaat op,
de grond verschijnt.
Nadenkend val ik verder. (252)


Nooit!

‘Ik ben nooit wie ik ben! Nooit!’ riep ik.
Dát wist ik tenminste zeker, nat van regen
langs een watergracht.
‘Wie ben je dan?’ riep iemand terug. (256)


Niemand

Ik werd geboren
en iemand kwam aansjokken, zette een ladder
tegen mij aan en klom naar boven
met op zijn rug mijn ziel en mijn gedachten.
Het begon te regenen
en hij sprong naar benden, holde weg
[…]
De zon verscheen,
maar er klom niemand meer naar boven,
niemand legde uit hoe ik mijn gedachten
moest gebruiken,
niemand bracht schaduw,
niemand haalde de ladder weg,
niemand zei dat er niemand meer zou komen. (332)


Muur

Er is een muur aan de rand van mijn gedachten.
Soms, als ik heel goed kijk, zie ik mijzelf
over die muur heen klimmen,
haastig,
langs aan elkaar geknoopte lakens,
aandoenijk.
Alsof ik iets besef.
Heel klein en heel ver weg. (345)


Ik ben de duisternis

Er zijn honderden goden […]
en er is één mens,
die met stijf dichtgeknepen ogen,
zijn vingers in zijn oren,
zijn hoofd omlaag,
op het puntje van zijn stoel
halsstarrig gilt:
‘Ik ben het licht! Ik ben de duisternis!’ (425)


Streep

Ik trok een streep:
tot hier,
nooit ga ik verder dan tot hier.
Toen ik verder ging
trok ik een nieuwe streep,
en nog een streep.
De zon scheen
en overal zag ik mensen,
haastig en ernstig,
en iedereen trok een streep,
iedereen ging verder. (522)


Als ik waarlijk mijzelf was

De zee is groot en glad,
ik vaar in een klein, wit bootje,
niemand, niemand om mij heen.
Maar ik weet: als ik waarlijk mijzelf was
voeren er galjoenen achter mij,
triremen
en snelle fregatten –
pijlen, kogels floten langs mijn oren,
troffen mij.
Als ik waarlijk mijzelf was verbrandde ik ze,
de galjoenen, de triremen
en alle andere schepen,
en voer ik verder in een klein wit bootje,
licht gewond
en enigszins van pijn vertrokken mijn gezicht,
over de grote gladde zee,
niemand, niemand om mijn heen. (547)


We denken

De zee is blauw, de hemel groot en geheimzinnig.
In de verte rotsen.
We denken dat daar de Sirenen zijn.
We denken dat we bevelen geven, dat we dat kunnen.
We denken dat we ons laten vastbinden aan een mast.
De Sirenen zingen.
We denken dat we worstelen,
dat we moeten worstelen,
dat we roepen: maak me los! nu! (551)


Nou en?

We klimmen over het hek heen.
We graven.
We graven verbeten.
We vinden goud.
Goud! Goud!
Maar wat kan goud ons eigenlijk schelen? (566)


Voorwaarden waaraan een gedicht moet voldoen

Het moet pijnlijk zijn:
altijd, hoe dan ook.
Ik moet het er nooit mee eens
zijn.
Met een lantaarn en een vergrootglas moet ik –
op mijn knieën en vervolgens op mijn buik –
de logica zoeken,
die het telkens laat vallen. (585)


Zo wil ik denken

ik wil vijandige gedachten
die mijn gedachten terugdringen, verwonden,
decimeren,
ik wil in de as gelegde begrippen en onder de voet gelopen ideeën,
ik wil dat mijn gedachten verloren zijn,
maar koortsachtig nog plannen smeden –
noodlottige plannen, wonderschone plannen –
zo wil ik denken
zolang ik denken kan. (593)


Een hand

Er verscheen een hand aan de hemel.
Iedereen keek omhoog.
Het is heel goed mogelijk dat het zomaar een hand was
die iemand had weggegooid
en die toevallig in een opstijgende luchtstroom terecht was gekomen.
En anders is er wel een andere verklaring die aannemelijk is.
Een vinger wees naar ons.
Maar dat kan alles, letterlijk alles betekenen. (599)


Mis

Een man sloeg mis,
en hij sloeg opnieuw mis
en opnieuw,
hij sloeg voortdurend mis,
hij sloeg altijd mis.
[…]
Nu sla ik raak, dacht hij telkens weer,
nú, nú. (604)


Muurtje

Mensen denken
en bouwen al denkend een muurtje tussen hier en daar.
[…]
Als het muurtje af is gaan ze ervoor staan
en roepen:
‘We zijn hier! We zijn allemaal hier!’
Ze wachten,
ze houden een hand achter hun oor.
Een mus trippelt op het muurtje heen en weer.
Verder is het stil.
Dan trappen ze ertegen – zo hard als ze kunnen.
Ze dansen van pijn –
dat muurtje! dat verschrikkelijke muurtje! (621)


Geen verschil

Voor doodslaan en gelukkig zijn en schromen
en weifelen
en in een afgrond vallen
en ontkennen en schuldig zijn
en koortsachtig zoeken naar waarheid, schoonheid
maakt vrijheid geen verschil. (633)


uit de dichtbundel …mnopq…, Toon Tellegen, 2005:


De rede

Met gevaar voor eigen leven
verkondigen filosofen de terugkeer van de rede,
de rede die over mij zal vaardig worden…
[…]
maar ik wil niet denken,
ik wil weten,
ik wil weten hoe ik mij omdraai
en wegga
en binnen de kortste keren mijn verstand verlies.