Vrede sluiten met je onvrede

Niet-weten is berusten in je onrust, vrede sluiten met je onvrede en niet oordelen over je oordelen. Want onverstoorbaar zijn alleen de doden.

Dwaalgids > Verlichting, Zen > Vrede sluiten met je onvrede

Lees ook: Er is meer in mij dan liefde alleen, Leven is geen kunst, Zingeving voor zottenZielsverrukt, Van grote vrees naar grote vrede,

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van gemoedsrust, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

Niet goed is ook goed (en omgekeerd)

Noem dat maar troost

Jaimy: Wat is de troost van niet weten?

Hans: Niet goed is ook goed.

Jaimy: Waarom?

Hans: Omdat je toch niet weet wat goed is.

Jaimy: Nee.

Hans: En omdat je ook niet weet waar niet goed allemaal nog goed voor is.

Jaimy: Ook al niet.

Hans: Vandaar.

Jaimy: Maar dan is goed ook niet goed.

Hans: Klopt.

Jaimy: Omdat je toch niet weet wat niet goed is.

Hans: Precies.

Jaimy: En omdat je ook niet weet waar goed allemaal weer niet goed voor is.

Hans: Kan je nagaan.

Jaimy: Noem dat maar troost.

Hans: Noem het dan maar niet weten.

Nergens voor staan en nergens mee zitten

Als alle (wan)hoop is vervlogen

Thorben: Wat is onverstoorbaarheid?

Hans: Nergens meer voor staan en nergens meer mee zitten.

Thorben: Wanneer zal ik nergens meer voor staan en nergens meer mee zitten?

Hans: Als alle hoop vervlogen is.

Thorben: Blijf ik zeker met de wanhoop zitten.

Hans: Die vervliegt met de hoop.

Thorben: Zal ik wel antwoorden hebben?

Hans: Je zal alle antwoorden kwijt zijn.

Thorben: Blijf ik zeker met de vragen zitten.

Hans: Die vervliegen met de antwoorden.

Thorben: Blijf ik zeker met niets zitten.

Hans: Met niets kan je niet zitten.

Thorben: Zit jij nog ergens mee?

Hans: Gewoonlijk niet, mee.

Thorben: En als je toch ergens mee zit?

Hans: Kan gebeuren.

Thorben: Wat dan?

Hans: Dan zit ik daar niet mee.

Thorben: En als je er toch mee zit?

Hans: Dan zit ik dáár niet mee.

Thorben: Gewoonlijk zit je nergens mee, en als je toch ergens mee zit dan zit je daar niet mee, en als je er toch mee zit dat je ermee zit dan zit je dáár niet mee?

Hans: En gewoonlijk sta ik nergens voor, en als ik toch ergens voor sta dan sta ik daar niet voor, en als ik er toch voor sta dat ik ervoor sta dan sta ik dáár niet voor.

Thorben: En dat wou jij onverstoorbaarheid noemen?

Hans: En dat wou jij onverstoorbaarheid noemen.

Onder ogen zien dat je niet alles onder ogen kan zien

‘Ik had me er meer van voorgesteld.’

Yasemin: Wat is innerlijke vrede?

Hans: Alles onder ogen zien.

Yasemin: En als je dat niet kan?

Hans: Niks aan de hand.

Yasemin: Maar wat dan?

Hans: Dan zie je dat gewoon onder ogen.

Yasemin: En als dat ook niet helpt?

Hans: Jij denkt nog steeds dat iets zal helpen.

Yasemin: Wou jij beweren van niet?

Hans: Daar ben ik helemaal niet mee bezig.

Yasemin: Ik weet niet of ik dit wel wil weten.

Hans: Dan zie je dat maar onder ogen.

Yasemin: Als ik alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?

Hans: Ooit iemand ontmoet die alles onder ogen zag?

Yasemin: Persoonlijk?

Hans: Nou?

Yasemin: Jou.

Hans: Dat weet je toch niet?

Yasemin: Maar jij toch wel?

Hans: Ik zie onder ogen dat ik niet alles onder ogen zie.

Yasemin: Wat zie je bijvoorbeeld niet onder ogen?

Hans: Verwondingen aan mijn eigen lichaam bijvoorbeeld niet. En als er bij mij bloed afgenomen moet worden kijk ik altijd weg. Dan nog val ik meestal flauw.

Yasemin: Gaat dat ooit veranderen, denk je?

Hans: Daar ben ik helemaal niet mee bezig.

Yasemin: Als ik onder ogen zie dat ik niet alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?

Hans: Weet ik niet.

Yasemin: Tja.

Hans: Wat?

Yasemin: Ik had me er meer van voorgesteld.

Hans: Ook dat moet je onder ogen zien.

Als het je niet meer uitmaakt dat het je uitmaakt

Spreek je uit ervaring of heb je het bedacht?

Hans: Wat is niet weten volgens jou?

Ragnar: Dat het je niet uitmaakt.

Hans: Waarom niet?

Ragnar: Omdat je niet zou weten waarom.

Hans: En als het je toch uitmaakt?

Ragnar: Maakt niet uit.

Hans: En als ook dat je nog uitmaakt?

Ragnar: Maakt niet uit.

Hans: Spreek je uit ervaring of heb je het bedacht?

Ragnar: Wat maakt dat nou uit.

Hans: Eerlijk zeggen.

Ragnar: …

Hans: Nou?

Ragnar: Ik heb het bedacht.

Hans: Geen probleem.

Ragnar: Maar het werkt niet.

Hans: Dat haal je de koekoek.

Ragnar: Je wordt verdomme helemaal niet onverstoorbaar van niet weten.

Hans: Maakt niet uit.

Ragnar: Je wordt er verdomme helemaal niks van!

Hans: Dat is niet weten.

Gedachten zijn duistere machten

Het viel me zomaar in

Savino: Wat is bezorgdheid?

Hans: Denken dat je iets kan overkomen.

Savino: Wat is gemoedsrust?

Hans: Denken dat je niets kan overkomen.

Savino: Wat denk jij?

Hans: Dat het denken je overkomt.

Savino: Meen je dat nou?

Hans: Och.

Savino: Waarom zeg je het dan?

Hans: Het viel me zomaar in.

Morgen is niet nu, maar de angst voor morgen wel

Bij de wortel

Hans: Morgen moet ik naar de tandarts.

Cliff: Je gaat me toch niet vertellen dat je bang bent?

Hans: Nou en of.

Cliff: Dat is anders nergens voor nodig.

Hans: Waarom niet?

Cliff: Morgen is alleen maar een gedachte.

Hans: Dat morgen alleen maar een gedachte is ook.

Cliff: Maar morgen is toch niet nu?

Hans: Maar de angst voor morgen is wel nu.

Cliff: Maar angst heeft toch helemaal geen zin?

Hans: Een blindedarm heeft ook helemaal geen zin.

Cliff: En?

Hans: Toch heb ik hem.

Cliff: Een blindedarm?

Hans: En angst voor de tandarts.

Cliff: Ik eerlijk gezegd ook.

Hans: Wat?

Cliff: Een blindedarm en angst voor de tandarts.

Hans: Nou dan.

Cliff: Maar ik wil het niet weten.

Hans: Ben jij soms bang voor angst?

Cliff: Het is zo irrationeel.

Hans: Ben jij soms bang voor irrationaliteit?

Niets verwachten van niets verwachten

Maggy: Sereniteit is niets verwachten.

Hans: Je verwacht er nogal wat van.

Maggy: Waarvan?

Hans: Van niets verwachten.

Maggy: Wat dan?

Hans: Sereniteit zei je toch?

Maggy: Verdraaid.

Vele wegen naar onverstoorbaarheid

‘Hans, ken jij de weg naar onverstoorbaarheid?’

‘Ik ken er maar een.’

‘Zeg op.’

‘Zelfdoding.’

‘Wát?’

‘Maar dat kan wel op veel manieren.’

Onverstoorbaar zijn alleen de doden

Niet weten brengt je niets.

Sharmila: Heeft niet weten jou onverstoorbaarheid gebracht?

Hans: Niet weten heeft mij niets gebracht.

Sharmila: Heeft dat niets het karakter van onverstoorbaarheid?

Hans: Van onverstoorbaarheid weet ik niets.

Sharmila: Jij bent dus niet onverstoorbaar?

Hans: Integendeel, zou ik haast zeggen.

Sharmila: Integendeel?

Hans: Ik ben compleet verstoorbaar.

Sharmila: Maar jij bent toch…

Hans: Zijn is verstoorbaar zijn.

Sharmila: Dat snap ik niet.

Hans: Het is heel eenvoudig. Een waarneming is een verstoring van de vorige waarneming of van de stilte tussen twee waarnemingen. Een gedachte is een verstoring van de vorige gedachte of van de stilte tussen twee gedachten. Een gevoel is een verstoring van het vorige gevoel of van de stilte tussen twee gevoelens. Niet weten is een verstoring van het weten dat eraan vooraf ging. Weten is een verstoring van een ander weten of van een niet weten dat eraan vooraf ging. Slaap is een verstoring van de waak, waak weer van de slaap, honger van verzadiging en omgekeerd, rust van inspanning, en zo verder.

Sharmila: Niet weten betekent dus niet dat je onverstoorbaar bent?

Hans: Onverstoorbaar zijn alleen de doden.

Sharmila: Mag ik aannemen dat de onvermijdelijke verstoringen jou sinds je niet meer weet in ieder geval niet meer storen?

Hans: Pardon?

Sharmila: Dat je ze aanvaardt of zelfs omarmt, zoals het de verlichte betaamt?

Hans: Wou jij beweren dat ik verlicht ben?

Sharmila: Nou…

Hans: Wou jij beweren dat de verlichte iets betaamt?

Sharmila: Dus niet weten heeft jou geen onverstoorbaarheid gebracht?

Hans: Niet weten heeft mij niets gebracht.

Lees ook: De dood doodgedacht

Hoe je tot niet-oordelen komt

of hoe je het ook moet noemen

Waldo: Hoe kom ik tot niet-oordelen?

Hans: Eerst leer je dat je niets fout kan doen.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat je niets goed kan doen.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat je niets kan doen.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat je niets kan laten.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat er geen jij is.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat er geen niet-jij is.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat er niets te leren valt.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat er niets af te leren valt.

Waldo: En dan?

Hans: Leer je dat ook nog af.

Waldo: En dan?

Hans: Ben je af.

Waldo: En dan oordeel je niet meer?

Hans: En dan oordeel je als vanouds.

Waldo: Wat heb je dan gewonnen?

Hans: Misschien dat je er niet meer in gelooft?

Waldo: Misschien?

Hans: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Waldo: En als je er toch in gelooft?

Hans: Misschien dat je daar dan niet meer over oordeelt?

Waldo: Misschien?

Hans: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Waldo: En als je er toch over oordeelt?

Hans: Misschien dat je dáár dan niet meer in gelooft?

Waldo: Misschien?

Hans: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Waldo: En als je er toch in gelooft?

Hans: Misschien dat je dáár dan niet meer over oordeelt?

Waldo: Misschien?

Hans: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Waldo: En als je er toch over oordeelt?

Hans: Dat zien we dan wel weer.

Waldo: En dat wou jij niet-oordelen noemen?

Hans: En dat wou jij niet-oordelen noemen.

Het oordelen onder ogen zien

Als je het niet kan aanzien

Gonnie: Hoe kom ik van het oordelen af?

Hans: Waarom zou je er vanaf willen?

Gonnie: Omdat het niet goed is.

Hans: Dat is een oordeel.

Gonnie: Maar hoe kom ik van het oordelen af?

Hans: Wie zegt dat het van jou is?

Gonnie: Wat als het niet van mij is?

Hans: Dan kan je er ook niet vanaf.

Gonnie: Maar hoe kom ik er nou vanaf?

Hans: Wie zegt dat je er vanaf kan komen?

Gonnie: Wat moet ik er dan mee?

Hans: Dat onder ogen zien?

Gonnie: Maar ik kan het gewoon niet aanzien.

Hans: Omdat je erover oordeelt.

Gonnie: Hoe kom ik van het oordelen af?

Ben je slecht als je anderen veroordeelt?

Drie oordelen

‘Ik ben een slecht mens, Hans.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik anderen veroordeel.’

‘Dat waren twee oordelen.’

‘Oordelen is verkeerd.’

‘En dat is drie.’

Dat wat alles in zijn waarde laat

Wou je nog een diploma ook?

Bodi: Wat is de toegevoegde waarde van niet-weten?

Hans: Niet weten voegt geen waarde toe.

Bodi: Is het dan een soort ontwaarding?

Hans: Niet weten neemt geen waarde weg.

Bodi: Wat is niet-weten dan wel?

Hans: Dat wat alles in zijn waarde laat.

Bodi: Om precies te zijn?

Hans: Dat wat nergens de waarde van kent.

Bodi: Ik dacht even dat je op iets moois aanstuurde.

Hans: Zoals?

Bodi: Onvoorwaardelijke liefde, indifferentie, keuzeloos gewaarzijn, niet oordelen.

Hans: O, dat.

Bodi: Nou?

Hans: Daar weet ik allemaal niks van.

Bodi: Niet-weten klinkt meer als een brevet van onvermogen.

Hans: Wou je nog een diploma ook?

Is het jouw schuld dat er voortdurend allerlei oordelen in je opkomen?

Dat had je gedroomd

Deva: Hoe kom ik van dat oordelen af?

Hans: Je veronderstelt dat je er verantwoordelijk voor bent.

Deva: Wie anders?

Hans: Is het jouw schuld dat je blauwe ogen hebt?

Deva: Natuurlijk niet.

Hans: Is het jouw schuld dat je iedere dag moet eten?

Deva: Natuurlijk niet.

Hans: Is het jouw schuld dat je je moerstaal spreekt?

Deva: Nee, maar…

Hans: Is het jouw schuld dat je de normen en waarden van je cultuur met je meezeult?

Deva: Ik neem aan van niet, maar…

Hans: Is het dan jouw schuld dat er voortdurend allerlei oordelen in je opkomen conform de normen en waarden van je cultuur?

Deva: Bedoel je dat ik er niets aan kan doen?

Hans: Wie?

Deva: Ik.

Hans: Is het jouw schuld dat je denkt dat je iemand bent?

Deva: Jij niet soms?

Hans: Is het jouw schuld dat je denkt dat ik iemand ben?

Deva: Ik kies ervoor…

Hans: Is het jouw schuld dat je denkt dat je een vrije wil hebt?

Deva: Wou jij soms zeggen…

Hans: Is het jouw schuld dat je denkt dat ik niet in de vrije wil geloof?

Deva: Moet ik hieruit opmaken…

Hans: Is het jouw schuld dat je altijd maar conclusies trekt en goede voornemens maakt?

Deva: Ik zal het nooit meer doen.

Hans: Dat is opnieuw een voornemen.

Deva: Ik neem hem terug.

Hans: Dat had je gedroomd.

Deva: Bedoel je dat ik daar ook niets over te zeggen heb?

Hans: Zie je wel?

Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid

Als oordelen verkeerd is, dan ook het oordeel dat oordelen verkeerd is

Het kan verkeren

Heidi: Oordelen is verkeerd.

Hans: Als oordelen verkeerd is, dan ook het oordeel dat oordelen verkeerd is.

Heidi: En als oordelen niet verkeerd is?

Hans: Dan ook niet het oordeel dat oordelen verkeerd is.

Heidi: Nou weet ik nog niks.

Hans: Dat is niet verkeerd.

Voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen

Winston: Er bestaat geen ongunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.

Hans: Er bestaat geen gunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.

In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed of verkeerd

Nabor: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.
Hans: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.

Thymen: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.
Hans: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.

Alisha: In het hele universum ligt nog geen grassprietje…
Hans: Goed of verkeerd.

Caro: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed of verkeerd.
Hans: Heb je ze allemaal gecontroleerd?

Germain: In het hele universum…
Hans: In het wat?

Freia: Zelfs over het kleinste grassprietje heb ik niets te melden.
Hans: Waarom doe je het dan toch?

En anders maar wel

Ik veroordeel niet mijn oordelen
(of mijn veroordeling daar weer van)
((of mijn veroordeling daar weer van))
(((of mijn veroordeling daar weer van)))

Ik vervloek niet mijn vloeken
(of mijn vervloeking daar weer van)
((of mijn vervloeking daar weer van))
(((of mijn vervloeking daar weer van)))

Ik weersta niet mijn weerstand
(of mijn weerstand daar weer tegen)
((of mijn weerstand daar weer tegen))
(((of mijn weerstand daar weer tegen)))

Gedachten zijn zo voorbij (deze ook)

Louran: Vergankelijkheid is eigenlijk een zegen.
Hans: Hoezo?
Louran: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.
Hans: Maar daar is de volgende alweer.

Sigrid: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.
Hans: Maar daar is ze voor de zoveelste keer.

Volker: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.
Hans: De heerlijkste ook.

Yoka: Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.
Hans: Hoezo?
Yoka: Iedere gedachte is zo voorbij.
Hans: Deze ook.
Yoka: Verdraaid.
Hans: Deze ook.
Yoka: Verdraaid.
Hans: Deze ook.
Yoka: Wat nu?
Hans: Deze ook.
Yoka: Niet te geloven.
Hans: Die ook.
Yoka: Maar dat is wel precies wat ik bedoel.
Hans: Wat?
Yoka: Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.
Hans: Die ook.

Hoe je boos kan worden als je niks weet

En jij maar denken

Elcke: Word jij weleens boos?

Hans: Waarom zou ik niet boos worden?

Elcke: Hoe kan je nou boos worden als je niks weet?

Hans: Wie zegt dat je daar iets voor moet weten?

Elcke: Ik dacht dat jij dat wel zou weten.

Hans: Vraag het liever aan iemand die niks weet.

Elcke: Zo iemand ben jij toch?

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Elcke: En ik maar denken dat jij nooit meer boos zou zijn.

Hans: En jij maar denken.

Denk je soms dat ik mijn woede onder controle heb?

Leg mij dan maar eens uit hoe ik ervoor moet zorgen dat ik mij op het juiste moment herinner dat ik niets weet.

Quinten: Word jij weleens woedend?

Hans: Waarom zou ik niet woedend worden?

Quinten: Maar dan is het zeker zo voorbij?

Hans: Waarom zou het zo voorbij zijn?

Quinten: Zodra je beseft dat je woede grondeloos is…

Hans: Sinds wanneer heeft woede gronden nodig?

Quinten: Dat weet ik eigenlijk niet.

Hans: Nou, ik ook niet.

Quinten: Maar zodra het tot je doordringt…

Hans: Denk je soms dat ik mijn woede onder controle heb?

Quinten: Daar ging ik wel van uit.

Hans: Nou, ik niet.

Quinten: Maar jij hoeft je toch alleen maar even te herinneren dat je niets weet?

Hans: Wie zegt dat ik niets weet?

Quinten: Maar ik dacht…

Hans: Als je zo goed kan denken, leg mij dan maar eens uit hoe ik ervoor moet zorgen dat ik mij op het juiste moment herinner dat ik niets weet…

Quinten: Maar…

Hans: Terwijl ik GODVERDOMME niet eens weet of ik niets weet.

Quinten: …

Hans: ALS JE DAT MAAR WEET!

Dit is waar menigeen blijft hangen

Emoties

Zurab: De verlichte heeft nog steeds emoties maar blijft er niet meer in hangen.

Hans: Dit is waar menigeen blijft hangen.

Meningen

Eduardo: De verlichte heeft nog steeds meningen maar blijft er niet meer in hangen.

Hans: Dit is waar menigeen blijft hangen.

Ideeën

Elin: De verlichte heeft nog steeds ideeën maar blijft er niet meer in hangen.

Hans: En als ie er nou toch in blijft hangen?

Elin: Dan is hij niet langer verlicht of nooit verlicht geweest.

Hans: Dit is waar menigeen blijft hangen.

Dit is waar iedereen vast komt te zitten

Bedoel je dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?

Malon: De verlichte heeft nog steeds een ego maar zit er niet meer aan vast.

Hans: Is dit een mening of zit je eraan vast?

Malon: Je kan niet vastzitten aan je ego; het ego is vastzitten.

Hans: Dit is waar menigeen vast komt te zitten.

Malon: Bedoel je dat de verlichte geen ego meer heeft?

Hans: Dit is waar menigeen vast komt te zitten.

Malon: Help me nou eens een beetje.

Hans: Waarmee?

Malon: Ik zit helemaal vast.

Hans: Of is dat ook maar een gedachte?

Malon: Bedoel je dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?

Hans: Of is dat ook maar een gedachte?

Malon: Bedoel je dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?

Hans: Dit is waar menigeen vast komt te zitten.

Malon: Ik wil niet meer vastzitten.

Hans: Dit is waar menigeen…

Malon: Jezus.

Hans: Dit is waar…

Malon: Waarom help je mij nou niet!

Hans: Dit is waar iedereen vast komt te zitten.

Niet-weten is geen gemoedstoestand

Een duidend niet duiden

Ik zie in sereniteit – hoe diep en constant ook – geen teken van iets groters, zoals verlichting of vereniging met god. Evenmin zie ik in onrust of onvrede een teken van het tegendeel. Niet-weten – agnose met een mooi woord – is niet een bepaalde gemoedstoestand, maar een consequent niet duiden van om het even wat, om niet te zeggen (een extra ontkenning kan nooit kwaad) een zelfs niet niet-duiden. Ik doel op een duiden tussen aanhalingstekens en een niet-duiden tussen aanhalingstekens of, om een typisch taoïstische zinswending te gebruiken, een duidend niet duiden. Welke gemoedstoestand daarvan ook het gevolg mag zijn. Of de oorzaak.

Wat betekent het dat iemand nooit boos is?

Beketenissen

Judith: Als iemand nooit boos wordt, betekent dat toch dat hij verlicht is?

Hans: Voor jou misschien.

Judith: En voor jou?

Hans: Waarom zou het iets betekenen?

Judith: Wou jij beweren van niet?

Hans: Waarom zou het niets betekenen?

Judith: Wou jij beweren van wel?

Hans: Misschien betekent het alleen dat hij zijn gevoelens onderdrukt.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien voelt hij ze wel, maar toont hij ze niet.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien toont hij ze wel, maar niet aan jou.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien toont hij ze wel, maar zie jij ze niet.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien is hij nooit boos, maar betekent het niets.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien betekent het iets maar weet niemand wát.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien betekent het iedere keer wat anders.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien betekent het voor iedereen wat anders.

Judith: Dat kan ook nog.

Hans: Of misschien is de ambiguïteit ervan wel de belangrijkste betekenis.

Judith: Nou weet ik nog niks.

Hans: Zeker weten?

Judith: Als iemand niks weet, betekent dat dan dat hij verlicht is?

Hans: Voor jou misschien.

Judith: En voor jou?

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Waar je moet gaan staan als er geen plek meer is om te staan

Hier is altijd plek

Brian: Hisamatsu wist het heel treffend te zeggen.

Hans: Dat zal best.

Brian: Wil je niet weten wat?

Hans: Wedden dat jij het me nu gaat uitleggen?

Brian: Hij vroeg waar je moet gaan staan als er geen plek meer is om te staan.

Hans: O, dat…

Brian: Wat?

Hans: Het probleem is niet dat er geen plek is.

Brian: Wat is het probleem dan wel?

Hans: Dat er dáár geen plek is.

Brian: Ik zie het verschil niet.

Hans: Hier is altijd plek.

Brian: Maar als je nou niet hier wil zijn?

Hans: Dan is dat waar je bent.

Brian: En als je je tegenzin niet kan aanvaarden?

Hans: Dan is dat waar je bent.

Brian: Op die manier.

Hans: Hier is altijd plek.

Brian: Je zal wel gelijk hebben…

Hans: Daar nooit.

Brian: Maar ik wil niet meer hier zijn!

Hans: Ik ook niet.

Brian: Jij ook niet?

Hans: Zullen we dan maar een ommetje gaan maken?

Even later

Hans: Wat is er nou?

Brian: Mijn ouders zijn aan het dementeren.

Hans: Tja.

Brian: Mijn vrouw is bij me weggelopen.

Hans: Tja.

Brian: Ik ben uit de ouderlijke macht ontzet.

Hans: Tja.

Brian: Ik ben ontslagen wegens fraude.

Hans: Tja.

Brian: Ik heb schulden.

Hans: Tja.

Brian: Er is prostaatkanker bij me geconstateerd.

Hans: Tja.

Brian: Ik slaap op straat.

Hans: Tja.

Brian: De remsporen staan in mijn onderbroek.

Hans: Tja.

Brian: Ik ruik naar uien en verschaald bier.

Hans: Tja.

Brian: Ik voel me net Job op de mesthoop.

Hans: Tja.

Brian: Ik wil niet op een mesthoop zitten.

Hans: Tja.

Brian: Ik overweeg zelfmoord te plegen.

Hans: Tja.

Brian: Ik ben bang dat ik zelfs daar nog een potje van zal maken.

Hans: Tja.

Brian: Ook ben ik bang dat mijn poging zal slagen.

Hans: Tja.

Brian: Ik wil niet overal zo bang voor zijn.

Hans: Tja.

Brian: Ik wil niet meer van mijn angst af willen.

Hans: Tja.

Brian: Ik wil niet meer van alles niet willen.

Hans: Tja.

Brian: En ik haat onze gesprekken.

Hans: Tja.

Brian: Ze leiden tot niets.

Hans: Nee.

Brian: Nooit.

Hans: Maakt niet uit.

Brian: Wat niet?

Hans: Niks niet.

Brian: Hoezo niet?

Hans: Hier is altijd plek.

Lees ook: Meester Tja en de tao van tja, Zeg maar tja tegen het leven.

Schijndilemma’s

Voor je staat iemand met een mes, achter je iemand met een pistool…

Jeroen: Waar moet je gaan staan als er geen plek meer is om te staan?

Hans: Lekker blijven zitten.

Jeroen: Zo kan ik het ook.

Hans: Dat mocht je willen.

Jeroen: Voor je staat iemand met een mes, achter je iemand met een pistool, links iemand met een zwaard en rechts iemand met een knots. De man voor je vraagt hoe je wil sterven. Wat zeg je dan?

Hans: Wie zegt dat ik wil sterven?

Jeroen: Je moet sterven; je kan alleen nog kiezen op welke wijze.

Hans: Wie zegt dat ik kan kiezen?

Jeroen: Als je weigert te kiezen, zal er voor je worden gekozen.

Hans: Wie zegt dat ik kan weigeren?

Jeroen: Omdat je weigert te kiezen rijt de man met het mes je buik open. Je darmen vallen eruit en je sterft een langzame, pijnlijke dood. Heb je nou je zin?

Hans: Ik niet, jij?

Niets doen tot je in actie komt en doorgaan tot je ophoudt

Het orakel van-Zelphi

Claudia: Ik weet echt niet meer wat ik doen moet.

Hans: Maar ik kan je precies vertellen wat er gaat gebeuren.

Claudia: Kan je nou ook al waarzeggen?

Hans: Iedereen kan waarzeggen.

Claudia: Wat gaat er dan gebeuren?

Hans: Je zal niets doen totdat je in actie komt.

Claudia: Ja, zo kan ik het ook.

Hans: Dat zeg ik.

Claudia: Wat heb je daar nou aan.

Hans: Ik dacht dat het je misschien gerust zou stellen.

Claudia: Daar is heel wat meer voor nodig.

Hans: Wat dan?

Claudia: Ik wil weten waarom ik nu nog niet in actie kom.

Hans: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Claudia: Ik wil weten wanneer het eindelijk zover zal zijn.

Hans: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Claudia: Ik wil weten wat ik dan ga doen.

Hans: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Claudia: Ik wil weten hoe het afloopt.

Hans: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Claudia: En ik wil weten of ik juist heb gehandeld.

Hans: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Claudia: Verdraaid.

Hans: Wat is er?

Claudia: Nou weet ik nog niks.

Hans: Je weet alles wat je moet weten.

Claudia: Wat dan?

Hans: Dat je niets zal doen tot je in actie komt.

Claudia: Ja, en dan?

Hans: Dan zul je in actie blijven tot je ophoudt.

Claudia: Schertsfiguur.

Hans: Hela, waar ga je heen?

Claudia: Val dood!

Hans: Kom terug!

Even later

Hans: Zeg eens eerlijk, had je dit voorzien?

Claudia: Nee.

Hans: En toch kwam je in actie.

Claudia: Schei toch uit.

Hans: Ga eerst eens rustig zitten.

Even later

Hans: Zeg eens eerlijk, had je dit voorzien?

Claudia: Nee.

Hans: En toch kwam je tot rust.

Claudia: Toegegeven.

Hans: Wat heb je hiervan opgestoken?

Claudia: Dat alles vanzelf gebeurt.

Hans: Dat heb ik niet gezegd.

Claudia: Dat alles gaat zoals het gaat.

Hans: Dat heb ik niet gezegd.

Claudia: Dat alles op zijn pootjes terechtkomt.

Hans: Dat heb ik niet gezegd.

Claudia: Dat je niet moet gaan zitten gissen.

Hans: Dat heb ik niet gezegd.

Claudia: Wat heb je dan wel gezegd?

Hans: Bij mijn weten niets.

Claudia: Hè?

Hans: Zo kan je het ook zeggen.

Claudia: Waar ben jij nou eigenlijk mee bezig!

Hans: Niets zeggen, zou ik zeggen, maar wie ben ik.

Claudia: Wat heeft dat nou voor zin!

Hans: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest

Wat het ook mag kosten

Kess: Wat moet je doen als je het allemaal niet meer weet?

Hans: Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest.

Kess: En dan?

Hans: Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest.

Kess: Enzovoort?

Hans: Dat hangt van de richting af.

Kess: Want voor hetzelfde geld keer je op je schreden terug, wou je zeggen.

Hans: Of wat het ook mag kosten.

Niet met de stroom meegaan is meegaan met de tegenstroom

Wijze raad voor elke daad

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan ga ik bij de NSB.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan ga ik bij het verzet.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan zit ik het uit.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan duik ik onder.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan vaar ik naar Engeland.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan spring ik van de brug.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Ik kan niet zwemmen.

Als je het met niemand (on)eens bent

Dat zien we dan wel weer

Ninke: Stel, iemand betwist jou het voogdijschap over je kind. De rechter dreigt het kind in tweeën te hakken als jullie het onderling niet eens worden. Wat nu?

Hans: Ik ben het met niemand oneens.

Ninke: Maar het is toch zeker jouw kind?

Hans: Een kind is van niemand.

Ninke: Bedoel je dat je het kind zonder strijd zal afstaan?

Hans: Dat zien we dan wel weer.

Ninke: Bedoel je dat je misschien toch de strijd zal aangaan?

Hans: Dat zien we dan wel weer.

Ninke: Hoe kan je strijd verantwoorden als kinderen van niemand zijn?

Hans: Strijd is ook van niemand.

Ninke: Zelfs niet van degene die strijdt?

Hans: Wie zal het zeggen.

Ninke: Wat is er eigenlijk wel van jou?

Hans: Wat eigenlijk niet.

Ninke: Dat is heel wat anders.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Ninke: Ik snap er niks meer van.

Hans: Daar heb je het al.

Ninke: En als de rechter het kind aan een onafhankelijke partij toewijst?

Hans: Wat is de vraag?

Ninke: Ben je het daar dan wel mee eens?

Hans: Ik ben het met niemand eens.

Ninke: Behalve met jezelf natuurlijk.

Hans: Ken ik niet.

Ninke: Waarom ben je het met niemand eens?

Hans: Ik weet niet of ik het daar wel mee eens ben.

Ninke: Uit principe?

Hans: Of bij gebrek aan principes.

Ninke: Maar eigenlijk?

Hans: In de praktijk.

Sommige mensen verkeren in de waan dat ze niet in een waan verkeren

Wanenbal

Ciska: Sommige mensen verkeren in de waan dat er iets te doen valt.

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat er niets te doen valt.

Ciska: Bedoel je dat iedereen in een waan verkeert?

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat iedereen in een waan verkeert.

Ciska: Bedoel je dat niet iedereen in een waan verkeert?

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat niet iedereen in een waan verkeert.

Ciska: Wat bedoel je dan?

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat ik iets bedoel.

Ciska: Bedoel je soms niets?

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat ik niets bedoel.

Ciska: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat ze het niet meer weten.

Ciska: Ben jij niet zo iemand?

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat ze iemand zijn.

Ciska: Bedoel je dat we niemand zijn?

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat er niemand is.

Ciska: En zo kunnen we maar doorgaan.

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat er geen einde aan komt.

Ciska: Maar alles is vergankelijk natuurlijk.

Hans: Sommige mensen verkeren in de waan dat alles voorbij gaat.

Ciska: Wat is nou de waan; dat er iets te doen valt of dat er niets te doen valt?

Hans: Dat je daartussen moet kiezen?

Hoe noemen we hem die het leven niet kent?

Nomen nescio

Sereen is hij die het leven aanvaardt. Rusteloos is hij die het leven afwijst. Maar hoe noemen we hem die het leven niet kent? Die niet weet of er eigenlijk wel zoiets is als ‘het leven’ en die het ook niet meer kan schelen? Die niet weet of hij iemand is of niemand of iemand en niemand of iemand noch niemand of wat dan ook? Die nu eens dit denkt, dan weer dat? Die zijn gedachten niet gelooft, zelfs niet de gedachte dat hij zijn gedachten niet gelooft?

Hoe noemen we hem op wie de woorden ‘hem’, ‘sereen’ en ‘rusteloos’ helemaal niet meer van toepassing zijn?