Voorbij macht en onmacht – de onvrije wil

Ben jij het die wat wil of heerst de wil in jou? Is kiezen wel een keuze? Dwingende dialogen over onvrije wil en ongewilde vrijheid.

Als serie verschenen in het Boeddhistisch Dagblad als ‘De perongelukexpress’.

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van de vrije wil, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


De perongelukexpress

Half januari rijmelde ik in deze krant (dat wil zeggen, in het Boeddhistisch Dagblad, begin 2016):

Kikker in je wil

de wil zegt altijd ik
ze zweert je eeuwig trouw
maar is dat wat jij wil
of wat zij wil in jou?

de wil zegt altijd ik
“ik ben er steeds voor jou”
maar als ik niet meer wil
legt zij me aan een touw

de wil zegt altijd ik
gedraagt zich als een pauw
en als ik haar negeer
slaat zij me bont en blauw

de wil zegt altijd ik
voor mij is ze te nauw
maar als ik me verstop
schudt zij me uit haar mouw

de wil zegt altijd ik
maar deed ze wat ik wou
dan liet ze mij met rust
en toonde ze berouw

de wil zegt altijd ik
ik laat het er maar bij
want ik ben wel van haar
maar is zij wel van mij?

Voor veel mensen staat het vast dat wij een vrije wil hebben.
Voor anderen, zowel van materialistische als religieuze en spirituele komaf, staat het al even vast dat de vrije wil een illusie is.
Sommige van deze laatsten zien zichzelf als een radertje in het materiële of ideële uurwerk van de kosmos.
Anderen identificeren zich met de kosmos zelf.
Weer anderen identificeren zich met datgene waarin de kosmos zich volgens hen manifesteert: de Bron, de Boeddhanatuur, Bewustzijn, Brahman, de Leegte, het Ene, het Alomvattende, het Oneindige.
Nog weer anderen weten zich overgeleverd aan de genade van geesten, krachten of machten van bovennatuurlijke, goddelijke, duivelse of mysterieuze oorsprong.

Ook het boeddhisme worstelt met de kwestie van keuzevrijheid en toerekeningsvatbaarheid.
Zonder vrije wil kun je geen boeddhist zijn.
Wat stellen geloften, het achtvoudige pad, meditatie, mededogen, dana, liefdevolle vriendelijkheid, aandachtigheid en onthechting nou helemaal voor als alles je alleen maar overkomt?
Mét vrije wil kun je ook geen boeddhist zijn.
Wat stellen leegte, niet-zelf, karma, het net van Indra en afhankelijk ontstaan nou helemaal voor als je gewoon je eigen lot kunt bepalen?
Niet zonder en niet met, wat nu?
Het lijkt waarachtig wel een koan.
Een koan in het hart van de dharma.

perongelijk express

In deze serie verken ik het innerlijke spanningsveld en leerstellige mijnenveld van de vrije wil.
Niet met lange filosofische, religieuze, boeddhologische of wetenschappelijke beschouwingen want die zijn er genoeg.
Alleen al op het internet vind je leesvoer voor minstens vijfhonderd levens, de analfabetische niet meegeteld – een heerlijk tijdverdrijf voor recidiverende reïncarnisten als de te veel te vroeg verloste vos van Hyakujo*.
Daarom zal ik me grotendeels beperken tot simpele dialoogjes en tekeningen.
Lees mee of klik weg – wat jij wilt.
Of wat jij moet, ook goed.


* Volgens de vierhonderdnegenennegentigste wedergeboorte van de koan over de vos van Hyakujo zal de vijfhonderste wedergeboorte van de koan over de vos van Hyakujo samenvallen met het eind van deze serie.
Maar alleen voor degenen die heilig in reïncarnatie geloven.
Voor alle anderen verschijnt er op die dag een blanco artikel.


Een kurken ziel

‘Is de wil vrij of onvrij?’
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Het laat me gewoon niet los.’
‘Nou dan.’

‘Is de wil vrij of onvrij?’
‘Waarom laat je het niet los?’
‘Ik wil het gewoon weten.’
‘Nou dan.’

‘Is de wil vrij of onvrij?’
‘Wat jij wil.’
‘Ik wil niets dan de waarheid.’
‘Nou dan.’

‘Is de wil vrij of onvrij?’
‘Proost.’
‘Ik drink alleen nog maar thee.’
‘Nou dan.’

proost
Een goed geloof en een kurken ziel, dan drijft men de zee over (Nederlands Spreekwoord)

Op goed geloof

‘Ik geloof heilig in de vrije wil.’
‘Niets aan te doen.’
‘Volgens mij bepaalt iedereen zelf wat hij denkt, doet en voelt.’
‘Zou je er ook niet in kunnen geloven als je dat wilde?’
‘In de vrije wil?’
‘Nou?’
‘Zeker weten.’
‘Doe eens.’

‘En?’
‘Ik geloof niet dat ik het wil.’
‘Ja, dat is altijd maar weer afwachten.’

boeddha op water


Vrije wil of vrije val

Leerling: Niet in de vrije wil geloven is net zoiets als niet in de zwaartekracht geloven.
Meester: Geloof jij daar dan in?
Leerling: Hè?
Meester: Wat?
De leerling laat zich plat op de grond vallen.
Meester: Mensen vielen ook al voordat de zwaartekracht werd bedacht.
Leerling: Het gaat erom dat ik het vrijwillig deed.
Meester: Mensen handelden ook al voordat de vrije wil werd bedacht.
Leerling: Het is maar een concept, wou u zeggen.
Meester: Dat het maar een concept is ook.
Leerling: Waar gelooft u dan in?
Meester: Hè?
Leerling: Niet in geloven geloven is net zoiets als in niet-geloven geloven.
Meester: Geloof jij daar dan in?

zwaartekracht

zwaartekrach 2t


Stand-up comedy

Leerling: Hebben wij een vrije wil of niet?
Meester: Sta eens op.
De leerling staat op.
Meester: Ga eens zitten.
De leerling gaat zitten.
Meester: Deed je dat nou uit jezelf of niet?
Leerling: Volgens mij wel.
Meester: Als ik niets gevraagd had, zou je het dan ook gedaan hebben?
Leerling: Ik stemde in met uw verzoek.
Meester: Sta eens op.
De leerling blijft zitten.
Meester: Blijf eens zitten.
De leerling staat op.
Leerling: Ziet u wel?
Meester: Wat?
Leerling: U heeft niets over mij te zeggen.
Meester: Zou je dat ook gedaan hebben als ik je niets had gevraagd?
Leerling: Wat?
Meester: Opstaan als ik je vraag om te gaan zitten en omgekeerd.
Leerling: Misschien niet, maar ik koos er zelf voor.
Meester: Blijf dan maar staan.
De leerling gaat zitten en staat meteen weer op.
Meester: En als ik had gezegd ‘ga dan maar zitten’?
De leerling slaakt een kreet en gaat languit op de grond liggen.
Meester: Blijf dan maar liggen.
Leerling: Dat bepaal ik nog altijd zelf.
Meester: Dan ga ik intussen wat anders doen.
Leerling: Ik denk dat ik maar weer opsta.
Meester: Je doet maar wat je niet laten kunt.

vreemdeling


Bewijs in het ongerijmde

‘Geloof jij in de vrije wil?’
‘Vrije wil bestaat niet, Hans.’
‘Denk jij dat of overkomt die gedachte je?’
‘Die… overkomt me, zou ik zeggen.’
‘Waarom zou je je er dan nog wat van aantrekken?’
‘Omdat ik niet anders kan?’
‘Niet omdat het waar is?’
‘Maar het voelt wel waar.’
‘Misschien overkomt dat gevoel je ook alleen maar.’
‘Als gedachten en gevoelens me alleen maar overkomen, kan ik ook niet weten of ze waar zijn, wou je zeggen.’
‘Geldt dat ook voor deze gedachte?’
‘Ik vrees van wel.’
‘Waarom zou je je er dan nog wat van aantrekken?’
‘Omdat ik niet anders kan?’
‘Niet omdat het waar is?’
‘Maar het voelt wel waar.’
‘Misschien overkomt dat gevoel je ook alleen maar.’
‘Als de gedachte dat ik niet weet of gedachten en gevoelens waar zijn omdat ze me alleen maar overkomen, me ook alleen maar overkomt, is het eind zoek.’
‘Geldt dat ook voor deze gedachte?’
‘Daar heb je het al.’
‘Conclusie?’
‘Ik zeg niks meer.’
‘Mislukt.’
‘Wat zeg jij?’
‘Wat ik zeg.’
‘Maar doe jij dat of overkomt het je?’
‘Ik geloof het niet.’

poppenkast]


Ervaarbewijs

‘Hebben wij een vrije wil, Hans?’
‘Geen idee.’
‘Erváár jij een vrije wil?’
‘Zo vaak.’
‘Nou dan.’
‘Dat ik bijziend ben betekent toch niet dat de wereld onscherp is?’
‘Bedoel je dat de vrije wil een illusie is?’
‘Ik bedoel dat ervaring niet doorslaggevend is.’
‘Dat zie ik toch anders.’
‘Zeker nooit gedroomd.’
‘Dat is ’s nachts.’
‘Zeker nooit verliefd geweest.’
‘Dat is tijdelijk.’
‘Is het leven een hel omdat ik depressief ben? Is het leven een feest omdat ik euforisch ben?’
‘Stemmingen zijn subjectief, Hans.’
‘Is de wereld grijs omdat ik kleurenblind ben?’
‘Stel je voor!’
‘Is de wereld gekleurd omdat jij kleuren ziet?’
‘Hè?’
‘Bestaat Sinterklaas omdat je bij hem op schoot hebt gezeten?’
‘Sinterklaas is een collectieve kinderwaan.’
‘Dacht je dat ook toen je bij hem op schoot zat?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Geeft je ervaring dan niet de doorslag?’
‘In dit geval niet.’
‘Maar in het geval van de vrije wil wel.’
‘Die ervaar ik nog steeds.’
‘Sinterklaas ook; jaar in, jaar uit.’
‘Maar ik geloof er niet meer in.’
‘Zie je wel?’
‘Wat?’
‘Ervaring is niet doorslaggevend.’
‘Wat dan wel?’
‘Of je erin gelooft.’
‘Ik geloof er niks van.’
‘Waarom kan jouw ervaring je geloof in de vrije wil dan wel bevestigen maar je ongeloof in Sinterklaas niet ontkrachten?’
‘Tja…’
‘Ik bedoel maar.’
‘Ik zou je bijna gaan geloven.’
‘Nou nog ervaren.’

st. klaas


Argumentum ex silentio

‘Geloof jij dat je het voor het zeggen hebt, Hans?’
‘Maakt niet uit.’
‘Jouw mening is belangrijk voor mij.’
‘Ik kan wel zoveel zeggen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Stel dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel…’
‘Waarom zou je?’
‘Wat maakt het uit als ik het niet voor het zeggen heb?’
‘Goeie vraag.’
‘Dan zou jij geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘Of stel dat ik het wel voor het zeggen heb, maar beweer van niet…’
‘Waarom zou je?’
‘Om aan mezelf te bewijzen dat ik het kan, bijvoorbeeld?’
‘Op die manier.’
‘Dan zou jij weer geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘Het zou ook kunnen dat ik meen wat ik zeg.’
‘Daar ga ik zonder meer van uit.’
‘Maar dat weet je niet.’
‘Strikt genomen niet.’
‘Ruim genomen ook niet.’
‘Toegegeven.’
‘Dan zou jij opnieuw geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘En zelfs als ik meende wat ik zei, zou ik het best eens mis kunnen hebben.’
‘Ook dat nog.’
‘Dan zou jij nog steeds geen steek wijzer wezen.’
‘Integendeel.’
‘Dus wat ik ook zeg, je schiet er niets mee op.’
‘Nee.’
‘Hiermee ook niet.’
‘Maar geloof jij dat je het voor het zeggen hebt?’
‘Zie je wel?’

megafoonmonnik


Nar of narcist?

‘Hebben wij een vrije wil, Hans?’
‘Dat moet je zelf uitmaken.’
‘Maar ik kan toch zeker doen wat ik wil?’
‘Dat is het punt niet.’
‘Wat is het punt wel?’
‘Of je zelf kunt bepalen wat je wilt.’
‘Maar ik kan toch zeker zelf keuzes maken?’
‘Dat is het punt ook niet.’
‘Wat is het punt wel?’
‘Of je zelf kunt bepalen waar je voor kiest.’
‘Ik snap het niet.’
‘Val je op mannen of op vrouwen?’
‘Op mannen.’
‘Zou je ook op vrouwen kunnen vallen als je ervoor koos?’
‘O, zo.’
‘Snap je?’
‘Ooit heb ik een prachtige vrouw moeten afwijzen…’
‘Ooit heb ik een prachtige man moeten afwijzen…’
‘Ajax of Feyenoord?’
‘Tennis.’
‘Een voetbalfan komt makkelijker aan zijn trekken.’
‘Djokovic of Murray?’
‘Federer.’
‘De fans van Djokovic hebben meer te vieren.’
‘Groente of fruit?’
‘Snoep.’
‘Fijn voor de tandarts.’
‘Ik zie het patroon.’
‘En dat wou jij vrije wil noemen.’
‘Kan ik het helpen.’
‘Boeddha of Brahman?’
‘Hou op, schei uit.’

narcist nar


Kiezen is (g)een keuze

‘Wat is vrije wil?’
‘Datgene wat je geen keuze laat.’
‘Maar je kunt toch doen wat je wil?’
‘Maar kun je ook laten wat je wil?’
‘Alleen als je wil.’
‘Dan doe je nog steeds wat je wil.’
‘Maar je kunt toch laten wat je niet wil?’
‘Maar kun je ook doen wat je niet wil?’
‘Alleen als je wil.’
‘Dan doe je nog steeds wat je wil.’
‘Dus?’
‘Heb je geen keus.’
‘Maar is kiezen nou een keuze of niet?’
‘Wat jij wil.’

kiezen is een keuze 2


De lijdende vorm bedrijven

‘Wij denken niet, Hans, wij worden gedacht.’
‘Geldt dat ook voor dit denken?’
‘Uiteraard.’
‘Hoe weet je dan of het waar is?’
‘Hm.’
‘Want jij staat er niet voor in.’
‘Niet als we worden gedacht.’
‘Als jij er niet voor instaat, wie dan wel?’
‘Daar moet ik nog eens goed over nadenken.’
‘Wie?’
‘Ik bedoel, daar moet nog eens goed over worden nagedacht.’
‘Jij zeg het.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Daar moet ik nog eens goed over worden nagedacht?’

antenne


Verbeurd

‘Ik doe niet, ik gebeur!’
‘Is dit spreken ook wat gebeurt?’
‘Natuurlijk.’
‘Hoe weet je dan of het waar is?’
‘Dat voel ik.’
‘Is dit voelen ook wat gebeurt?’
‘Natuurlijk.’
‘Hoe weet je dan of het klopt?’
‘Dat denk ik.’
‘Is dit denken ook wat er gebeurt?’
‘Ik zie waar je naartoe wilt.’
‘Is dit zien ook wat er gebeurt?’
‘Waar wil je eigenlijk naartoe?’
‘Wil ik ergens naartoe of word ik ergens naartoe gewild?’
‘Ik geloof niet dat ik dit wil.’
‘Het is al gebeurd.’

 


Afgetuigd

‘Ik ben slechts de getuige, niet de doener.’
‘Waarvan?’
‘Van het hele… gedoe, zou ik zeggen.’
‘Ook van het getuige zijn?’
‘Wat?’
‘Of behoort dat soms niet tot het hele gedoe?’
‘Nou je het zegt.’
‘Waar is die getuige dan nog voor nodig?’
‘Tja…’
‘Waar is die doener dan nog voor nodig?’
‘Hè?’

pop in hoek


Afgedaan

‘Ontvangen wat er gaande is, meer hoeven we niet te doen, Hans.’
‘Is ontvangen soms niet wat er gaande is?’
‘Nou je het zegt.’
‘Wat valt er dan nog te doen?’
‘Bedoel je dat we zelfs niet hoeven ontvangen?’
‘Ik heb wel wat beters te doen.’

‘Ontvangen wat er gaande is, meer hoeven we niet te doen.’
‘In tegenstelling tot?’
‘Afwijzen wat er gaande is, zou ik zeggen.’
‘Is afwijzen soms niet wat er gaande is?’
‘Nou je het zegt.’
‘Of moet dat afwijzen soms weer ontvangen worden?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘En als je dat dan weer afwijst?’
‘Ik snap er niks meer van.’
‘Meer valt er niet te doen.’

komeet 2


Willen wat er gebeurt

‘Het hoogste geluk is niet doen wat je wilt, maar willen wat je doet!’
‘Je kan wel zoveel willen.’
‘Daarom probeer ik alles te willen wat ik doe, Hans.’
‘Je zal wel moeten.’
‘Laat ik het dan zo zeggen: het hoogste geluk is niet doen wat je wilt, maar willen wat er gebeurt.’
‘En als niet-willen nou is wat er gebeurt?’
‘Wat dacht je hiervan: het hoogste geluk is niet hebben wat je wilt, maar willen wat je hebt?’
‘Je kan niet alles hebben.’
‘Wat is volgens jou het hoogste geluk?’
‘Niet weten wat het hoogste geluk is?’
‘Als ik nou zeg: het hoogste geluk is niet zeggen wat je wilt maar willen zeggen wat je zegt?’
‘Dan zeg ik: ik wou dat ik dat had willen zeggen.’
‘Zeg je nu wat je wilt zeggen of wil je zeggen wat je zegt, Hans?’
‘Wat jij wilt.’

3 marionetten kruis


Denken wat je wilt denken

Leerling: Ik wil mijn gedachten leren beheersen.
Meester: Wie zegt dat ik je dat kan leren?
Leerling: Dat dacht ik.
Meester: Wie zegt dat ik het je wil leren?
Leerling: Dat hoopte ik.
Meester: Wie zegt dat je dan beter af bent?
Leerling: Dat meende ik.
Meester: Allemaal gedachten.
Leerling: Kunt u…
Meester: Misschien ben ik ook maar een gedachte.
Leerling: Rare gedachte.
Meester: In dat geval vraag jij een gedachte om je gedachten te leren beheersen.
Leerling: Het moet niet veel gekker worden.
Meester: Misschien ben jij ook maar een gedachte.
Leerling: Kon het toch gekker.
Meester: In dat geval vraagt de ene gedachte de andere om zijn gedachten te leren beheersen.
Leerling: Als ik u zo hoor beheerst u uw gedachten ook niet helemaal.
Meester: Wie zegt dat gedachten beheersbaar zijn?
Leerling: Dat…eh…
Meester: Nou?
Leerling: Dacht ik.
Meester: Nog een gedachte?
Leerling: Daar lijkt het wel op.
Meester: Je favoriete gedachte misschien?
Leerling: Hoe weet u dat?
Meester: Iedereen wordt beheerst door gedachten over gedachtebeheersing.

knoppen helm


Balspel of speelbal

‘Wie of wat bepaalt jouw leven?’

‘Mijn wil, zou ik zeggen.’

‘Welke wil?’

‘Gewoon, de mijne.’

‘Niet de wil van je reptielenbrein? Niet die van je hersenstam? Niet die van je epifyse? Niet die van je hormonen? Niet die van je genen? Niet die van je geslachtsdelen? Niet die van je instinct? Niet die van je id? Niet die van je ego? Niet die van je superego? Niet die van je lichaam? Niet die van je geest? Niet die van je ziel? Niet die van je…’

‘Ik geef me over!’

Hart? Niet die van je intuïtie? Niet die van je vrouw? Niet die van je baas? Niet die van je kinderen? Niet die van je vrienden? Niet die van de burgemeester? Niet die van de rechter? Niet die van de staat? Niet die van de natuur? Niet die van de aarde? Niet die van de wereld. Niet die van de kosmos? Niet die van je innerlijke goeroe? Niet die van je zelf? Niet die van het zelf? Niet die van…’

‘Genade!’

‘Genade is de wil van god.’

meerarmen dirigent


Voor elk wat wils

Volgens rationalisten heeft het verstand het voor het zeggen.
Ben jij een rationalist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens romantici heeft het hart het voor het zeggen.
Ben jij een romanticus?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens materialisten heeft de stof het voor het zeggen.
Ben jij een materialist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens idealisten heeft de geest het voor het zeggen.
Ben jij een idealist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens fascisten heeft de sterkste het voor het zeggen.
Ben jij een fascist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens sociologen heeft de groep het voor het zeggen.
Ben jij een socioloog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens biologen heeft de soort het voor het zeggen.
Ben jij een bioloog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens deterministen heeft het verleden het voor het zeggen.
Ben jij een determinist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens teleologen heeft de toekomst het voor het zeggen.
Ben jij een teleoloog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens scheikundigen hebben moleculen het voor het zeggen.
Ben jij een scheikundige?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens natuurkundigen hebben snaren het voor het zeggen.
Ben jij een natuurkundige?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens neurologen heeft het zenuwstelsel het voor het zeggen.
Ben jij een neuroloog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens genetici hebben de chromosomen het voor het zeggen.
Ben jij een geneticus?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens ecologen heeft de omgeving het voor het zeggen.
Ben jij een ecoloog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens psychologen heeft de mind het voor het zeggen.
Ben jij een psycholoog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens psychoanalytici heeft het id het voor het zeggen.
Ben jij een psychoanalyticus?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens astrologen hebben de sterren het voor het zeggen.
Ben jij een astroloog?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens holisten heeft het geheel het voor het zeggen.
Ben jij een holist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens taoïsten heeft de tao het voor het zeggen.
Ben jij een taoïst?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens christenen heeft god het voor het zeggen.
Ben jij een christen?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens hindoes heeft brahman het voor het zeggen.
Ben jij een hindoe?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens non-dualisten heeft atman het voor het zeggen.
Ben jij een non-dualist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens boeddhisten heeft anatman het voor het zeggen.
Ben jij een boeddhist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

Volgens individualisten hebben wij het zelf voor het zeggen.
Ben jij een individualist?
Is dat je eigen keuze?
Geloof je dat nou echt?

veel dirigent


Geen touw aan vast te knopen

‘Ben jij een marionet of trek je aan de touwtjes?’
‘Ik ben de marionet die aan de touwtjes trekt.’

‘Ben jij een marionet of trek je aan de touwtjes?’
‘Stel jij die vraag of moest je wel?’

‘Ben jij een marionet of trek je aan de touwtjes?’
‘Misschien trek ik wel aan de touwtjes…’
‘Maar?’
‘Of ze ook ergens aan vast zitten?’

marionet2


(D)raaien maar

‘Loop jij vanzelf of draait er iemand aan jouw sleuteltje?’
‘Stel dat er iemand aan mijn sleuteltje draait…’
‘Nou?’
‘Wie draait er dan aan zijn sleuteltje?’
‘Verdraaid.’
‘Stel daarentegen dat er niemand aan mijn sleuteltje draait…’
‘Nou?’
‘Waarom zou je het dan aan mij toeschrijven?’
‘Verdraaid.’

opwinden


De poppen aan het dansen

‘Ben jij de pop of de speler?’
‘Het spel.’

‘Ben jij de pop, de speler of het spel?’
‘De coach.’

‘Ben jij de pop, de speler, het spel of de coach?’
‘De toeschouwer.’

‘Ben jij de pop, de speler, het spel, de coach of de toeschouwer?’
‘Het veld.’

‘Ben jij de pop, de speler, het spel, de coach, de toeschouwer of het veld?
‘Allemaal.’

‘Ben jij de pop, de speler, het spel, de coach, de toeschouwer, het veld of allemaal?’
‘Geen van alle.’
‘En ik dan?’
‘Jij bent degene die niet van ophouden weet.’
‘En jij dan?’
‘Daar is geen beginnen aan.’

2 marionetten


Voor het begin beginnen

‘Hebben wij een vrije wil?’
‘Eerst maar eens vaststellen of we een wil hebben.’
‘Hebben wij een wil?’
‘Eerst maar eens vaststellen of we zijn.’
‘Zijn wij?’
‘Eerst maar eens vaststellen wat zijn is.’
‘Wat is zijn?’
‘Wat is dat nou weer voor vraag.’

dominostenen


Turgor et emergo

‘Hebben wij een vrije wil?’
‘Eerst maar eens vaststellen of wij een wil hebben.’
‘Hebben wij een wil?’
‘Heeft een auto een wil?’
‘Wat?’
‘Waar in de auto zit de wil om te rijden? In de tank? In de motor? In de wielen?’
‘In de chauffeur natuurlijk.’
‘Waar in de mens zit de wil?’
‘Wat een vraag.’
‘Als de stemming erin zit, waar zit die dan in?’
‘Wanneer?’
‘Op een feestje, in een café…’
‘Dat is een wijze van spreken.’
‘Iemand een wil toedichten niet?’
‘De wil is reëel.’
‘Waar in de lucht zit de wil om te waaien?’
‘Dat is een kwestie van druk.’
‘Waar in het water zit de wil om te bevriezen?’
‘Dat is een kwestie van temperatuur.’
‘Waar in de steen zit de wil om te vallen?’
‘Ja, zo kan ik het ook.’
‘Wat?’
‘Je beperkt je tot levenloze dingen.’
‘Waar in de plant zit de wil om te groeien?’
‘Groeien gebeurt vanzelf.’
‘Handelen niet?’
‘Handelen komt voort uit de wil.’
‘Waar in de plant zit de wil om naar het licht te keren?’
‘Een mens is geen plant.’
‘Is naar het licht keren geen handelen?’
‘Naar het licht keren is een kwestie van turgor.’
‘Waar in de bacterie zit de wil om zich te vermenigvuldigen?’
‘Kunnen we het niet over hogere wezens hebben?’
‘Waar in de geit zit de wil om melk te geven?’
‘Dat is een kwestie van hormonen.’
‘De wil niet?’
‘Kunnen we het niet over hogere wezens hebben?’
‘Waar in de koe zit de wil om te loeien?’
‘Een koe loeit maar wat.’
‘Een mens kletst maar wat.’
‘Jij in elk geval wel.’
‘Waar in de chimpansee zit de wil om te krijsen?’
‘Ik ben toch zeker geen chimpansee?’
‘Waar in de mens zit de wil?’
‘In zijn hele wezen.’
‘Net als zijn bewustzijn zeker.’
‘Het bewustzijn is een uitvinding van het hindoeïsme.
‘Net als zijn ziel zeker.’
‘De ziel is een uitvinding van het christendom.’
‘De wil zeker niet.’
‘Misschien kun je de wil nergens vinden omdat je hem bént.’
‘Misschien kun je de wil nergens vinden omdat hij nergens is.’
‘Misschien kun je de wil nergens vinden omdat hij overal is.’
‘Misschien kun je de wil overal vinden omdat het een idee is.’
‘Misschien is dat ook maar een idee.’
‘Misschien is dat ook maar een idee.’
‘Dus volgens jou heb ik geen vrije wil?’
‘Misschien is dat ook maar een idee.’
‘Hè?’
‘Wat?’
‘Bedoel je dat ik toch een vrije wil heb?’
‘Eerst maar eens vaststellen of je een ik hebt.’

bloem maan


Vrijheidsbeeld of beeldenstorm

‘Ik zoek de vrijheid.’
‘De wat?’
‘Je weet best wat ik bedoel.’
‘Je zegt het maar.’
‘Ik bedoel de vrijheid die je bereikt door ieder begrip, iedere definitie a priori te weigeren.’
‘A priori?’
‘Aha, je was me voor.’
‘Begrip?’
‘En nog eens.’
‘Weigeren?’
‘Jeetje.’
‘Bereiken?’
‘Hm.’
‘Ik?’

‘En dit wou jij vrijheid noemen?’

beeldenstorm


Kiezen en delen

‘Wat is activisme?’
‘De overtuiging dat je iets moet doen om de wereld te verbeteren.’
‘Wat is fatalisme?’
‘De overtuiging dat je niets kunt doen om de wereld te verbeteren.’
‘Wat is beter?’
‘Eerst maar eens vaststellen of je kunt kiezen.’
‘Hoezo?’
‘Zonder keuzevrijheid heb je er niets aan om te weten wat beter is.’
‘Kun je kiezen?’
‘Eerst maar eens vaststellen of de wereld echt is.’
‘Hoezo?’
‘Wat heb je eraan om een illusie te verbeteren?’
‘Is de wereld echt?’
‘Hoe stel je zoiets vast?’
‘Dit schiet niet op.’
‘Activist.’
‘Ik geef het op.’
‘Fatalist.’

opstand


Edele delen

‘Wat is onze natuurlijke staat?’
‘Verdeeldheid natuurlijk.’
‘Eenheid natuurlijk.’
‘O ja?’
‘Daar streef ik tenminste al jaren naar.’
‘Nou dan.’

lange benen


’t Is niet anders

‘Wat is de aard van de wil?’
‘Dat je steeds wat anders wil.’
‘Steeds wat anders?’
‘Ga maar na wat je in je leven zoal hebt gewild.’
‘Ik wil altijd iets hebben wat ik niet heb… Ik wil altijd iets niet hebben wat ik wel heb… Ik wil altijd iets zijn wat ik niet ben… Ik wil altijd iets niet zijn wat ik wel ben.’
‘Zie je wel?’
‘Steeds wat anders.’
‘Dat is de aard van de wil.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Zie je wel?’

siamese tweeling


De grote verdeler

‘Wat is de wil?’
‘Wat je verscheurt.’
‘De wil is wat je verscheurt?’
‘Dat zeg ik.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘Je wilt deugen én ondeugend zijn. Je wilt honger hebben én vol zitten. Je wilt lui zijn én sporten. Je wilt snoepen én slank zijn. Je wilt drinken én helder blijven. Je wilt roken én fit zijn. Je wilt spelen én werken. Je wilt je binden én vrij blijven. Je wilt verzorgd worden én autonoom zijn. Je wilt leven én eruit stappen. Je wilt uitgaan én thuisblijven. Je wilt bezitten én zorgeloos zijn. Je wilt opvallen én onopgemerkt blijven. Je wilt intimideren én vertrouwen wekken. Je wilt contact én met rust gelaten worden. Je wilt geven én nemen. Je wilt vrede én oorlog. Je wilt kwellen én troosten. Je wilt scheppen én vernietigen. Je wilt je zin doordrijven én loslaten. Je wilt van anderen leren én hun ongelijk bewijzen.’
‘Dat kan ik allemaal niet ontkennen.’
‘Mensen bidden om veiligheid én om de volgende ramp.’
‘Kun jij soms gedachten lezen?’
‘De wil verdeelt en heerst.’
‘Hoe kom ik tot eenheid?’
‘Dat bedoel ik.’
‘Wat?’
‘Eenheid nastreven is verdeeld blijven.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Omdat je je daarmee verzet tegen je innerlijke verscheurdheid.’
‘Maar ik wil me niet verzetten!’
‘Zie je wel.’
‘Maar ik wil niet verscheurd blijven!’
‘Zie je wel.’

box


Een hopeloze zaak

‘Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door me niet langer met mijn wil te identificeren?’
‘Afstand doen van je wil is verdeeld raken.’
‘Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door mezelf niet langer als een persoon op te vatten?’
‘Afstand doen van je persoon is verdeeld raken.’
‘Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door niet langer te investeren in concepten als ‘innerlijk’, ‘verdeeldheid’ en ‘eenheid’?’
‘Wat opgegeven is kun je niet meer overwinnen.’
‘Ik weiger mij nog langer door mijn wil te laten verdelen.’
‘Je identificeert je met je wil.’
‘Maar ik kan toch niet…’
‘Je vat jezelf op als een persoon.’
‘Maar eenheid is toch…’
‘Je investeert in concepten.’
‘Ik geef het op.’
‘Dat mocht je willen.’
‘Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door me niet langer met mijn wil te identificeren?’

ezel spiegel


Opzetter

‘Wat ik nog het ergste vind: ik wílde je pijn doen.’
‘Waarom is dat erg?’
‘Het was boos opzet!’
‘Maar was je ook opzettelijk boos?’
‘Hè?’
‘Koos je er soms voor om boos te zijn?’
‘Doe niet zo gek.’
‘Koos je er soms voor om toe te laten wat zich spontaan aandiende?’
‘Kan ik me niets van herinneren.’
‘Hm.’
‘Hm.’

rook uit je oren


De perongelukexpress

A: Ik deed het per ongeluk!
B: Je deed het expres!
A: Ik deed het per ongeluk!
B: Je deed het expres!
C: Wat bedoel jij met per ongeluk?
A: Dat ik er niets aan kon doen.
C: Wat bedoel jij met expres?
B: Dat hij erop uit was.
C: En als je er nou eens niets aan kunt doen dat je erop uit bent?
A: Dan is expres een soort per ongeluk.
B: Dan is per ongeluk een soort expres.
C: Dan zijn we eruit.

haas auto


Vrije expressie

‘En ik deed het nog expres ook.’
‘Maar deed je het expres expres?’
‘Pardon?’
‘Deed je het opzettelijk met opzet?’
‘Er was zeker opzet in het spel…’
‘Maar niet opzettelijk?’
‘Ik geloof niet dat ik ervoor koos om het met opzet te doen.’
‘Waarom verontschuldig je je dan?’
‘En als ik nou had gezegd dat ik het opzettelijk met opzet deed?’
‘Dan had ik gevraagd of je het met opzet opzettelijk met opzet deed.’

karel appel


Verschil mag er zijn

‘Neem jij iemand weleens iets kwalijk, Hans?’
‘O, zo vaak.’
‘Ik ook.’
‘Wie niet.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Dat jij weleens denkt dat je gelijk hebt.’
‘Ik denk ook weleens dat de ander gelijk heeft, hoor.’
‘En dat is het tweede verschil.’


De mest is geen heilige

‘Wat moet ik doen om net zo vergevingsgezind te worden als jij?’
‘Hoe kom je daar nou bij.’
‘Wat ik ook doe, jij vergeeft het mij.’
‘Welnee.’
‘Zelfs als ik zweer dat ik iets met opzet deed, vergeef je mij nog.’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik heb je nog nooit iets vergeven.’
‘Wat zeg je me daar?’
‘Ik neem alleen niet aan dat jij jezelf in de hand hebt.’
‘Jij neemt aan dat ik mezelf niet in de hand heb.’
‘Ook niet.’
‘En anderen?’
‘Ik neem niet aan dat anderen zichzelf in de hand hebben.’
‘Maar wel dat ze zichzelf niet in de hand hebben?’
‘Ook niet.’
‘En jij?’
‘Ik neem niet aan dat ik mezelf in de hand heb.’
‘En ook niet dat je jezelf niet in de hand hebt, zeker.’
‘Mij niet gezien.’
‘Jij neemt niet aan dat mensen toerekeningsvatbaar zijn.’
‘Of ontoerekeningsvatbaar.’
‘Waar ga je dan van uit?’
‘Ik ga nergens van uit.’
‘Behalve dat je nergens van uitgaat, zeker.’
‘Dat ook niet.’
‘En daarom vergeef je zo gemakkelijk.’
‘Met vergeving heeft het dus niets te maken.’
‘Het is niet zo dat je voortdurend je hart laat spreken.’
‘Wie luistert er nou naar zijn hart.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat obstinate gebonk.’
‘Ik bedoel natuurlijk je gevoel.’
‘Als ik daarnaar moest luisteren…’
‘Wat dan?’
‘Dan waren er al duizend doden gevallen.’
‘Wat?’
‘Dan had ik al duizend keer mijn geld weggegeven.’
‘Echt?’
‘Dan was ik al duizend keer vader geweest.’
‘Waar luister je dan wel naar?’
‘Overal naar, zou ik zeggen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nergens naar, dan?’
‘Ik snap er niks van.’
‘Nou dan.’
‘Het is dus geen goedheid van jouw kant.’
‘Wat is dat?’
‘En ik maar denken dat jij een soort heilige was.’
‘En jij maar denken.’

Ezeltje boeken
De mest is geen heilige maar doet wonderen waar hij valt (Nederlands spreekwoord)

Samenloop van verstandigheden

‘Stel dat er een tak bovenop je hoofd valt, sleep jij de boom dan voor de rechter?’
‘Natuurlijk niet, Hans.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat een boom niet toerekeningsvatbaar is.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat er geen boos opzet in het spel is.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ik… eh… dat veronderstel ik.’
‘Waarom?’
‘Het afbreken van de tak net als ik er onderdoor loop is gewoon een samenloop van omstandigheden.’
‘Wat voor omstandigheden?’
‘Natuurkrachten. Toevalligheden. Een windvlaag. Misschien is de tak wel beschadigd bij een aanrijding met een vrachtwagen eerder dat jaar. Het toenemend gewicht van de bladeren in combinatie met de zwaartekracht. Bezuinigingen bij de plantsoenendienst. Het feit dat ik me vanmorgen verslapen heb waardoor ik wat later dan gewoonlijk naar mijn werk ging. De omweg die ik nam om een beker meeneemkoffie te kopen. Dat soort dingen.’
‘Stel dat een voorbijganger je met een eind hout voor je kop slaat, sleep je hem dan voor de rechter?’
‘Reken maar.’
‘Waarom?’
‘Omdat er dan wel boos opzet in het spel is.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Waarom zou hij mij anders slaan?’
‘Samenloop van omstandigheden. Je liep daar net op het verkeerde moment. Je droeg een rode jas net als degene…’
‘Een mens is geen boom.’
‘O?’
‘Een dader heeft altijd een keuze.’
‘Hoe gaat dat kiezen in zijn werk?’
‘Hij heeft allerlei gedachten die ertoe bijdragen dat hij iemand wil molesteren en uiteindelijk juist mij als slachtoffer uitkiest…’
‘Zijn gedachten soms geen omstandigheden?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Onder omstandigheden versta ik krachten die niemand beheerst.’
‘Nou dan.’
‘Gedachten zijn een keuze.’
‘Denk je dat of overkomt die gedachte je?’
‘Dat gedachten een keuze zijn?’
‘Nou?’
‘Dat denk ik. Denk ik.’
‘Is het bijvoorbeeld denkbaar dat jij iemand die jou heeft gemolesteerd niet voor de rechter zou slepen?’
‘Ondenkbaar!’
‘Nou dan.’

bomenrechter


Vrije wil, vrije geest en vrij bewustzijn

Kiezen of keuzeloos gewaarzijn? Het never mind van de nevermind.

‘Hoeveel soorten vrijheid zijn er volgens jou?’
‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’
‘Ik vraag het nu aan jou, Hans.’
‘Dan zijn er drie soorten vrijheid.’
‘Welke drie?’
‘Vrije wil, vrije geest en vrij bewustzijn.’
‘Wat moet ik me voorstellen bij een vrije wil?’
‘Doen wat je wilt en laten wat je niet wilt.’
‘Wat moet ik me voorstellen bij een vrije geest?’
‘Denken wat je wilt zonder zeggenschap over je doen en laten.’
‘Wat moet ik me voorstellen bij een vrij bewustzijn?’
‘Kijken wat je wilt zonder zeggenschap over je denken, doen en laten.’
‘Hoe heet degene met een vrije wil?’
‘De doener of de persoon.’
‘Hoe heet degene met een vrije geest?’
‘De denker of de commentator.’
‘Hoe heet degene met een vrij bewustzijn?’
‘De kenner of de getuige.’
‘Non-dualisten en dzogchenboeddhisten geloven dat wij slechts de kenner zijn, ook al houden we onszelf voor de doener.’
‘Stelletje denkers.’
‘De vrije wil en de vrije geest zijn in hun optiek illusies.’
‘Misschien is dat ook maar een illusie.’
‘Maar hebben wij volgens jou nou een vrije wil, een vrije geest of een vrij bewustzijn, Hans?’
‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’
‘Ik vraag het toch aan jou?’
‘Vragen staat vrij.’
‘Ik moet me echt inhouden nu.’
‘Noem dat maar vrijheid.’
‘Wat versta jij onder gebondenheid?’
‘Geloven dat je een vrije wil, een vrije geest of een vrij bewustzijn hebt.’
‘Hè?’
‘Had je niet gedacht, hè?’
‘Maar wat versta jij dan onder vrijheid?’
‘Niet geloven dat je een vrije wil, een vrije geest of een vrij bewustzijn hebt.’
‘Bedoel je dat we geen van drieën hebben?’
‘En niet geloven dat je geen vrije wil, vrije geest of vrij bewustzijn hebt.’
‘Maar wat is vrijheid dan wel?’
‘Je gedachten niet geloven.’
‘Aha!’
‘Deze ook niet.’
‘Vrijheid is al je gedachten achter je laten?’
‘Deze ook.’
‘Niet te geloven, dit.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Ik bedoel, nou weet ik nog niks.’
‘Dan noem je dat toch vrijheid.’
Is dat vrijheid?’
‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’

lorrie


Kwadratuur van de twijfel

‘Dus jij betwijfelt dat we een vrije wil hebben, Hans.’
‘Ik betwijfel dat de wil vrij is.’
‘Bedoel je dat de wil onvrij is?’
‘Ik betwijfel dat de wil onvrij is.’
‘Het enige waar je niet aan twijfelt is de wil zelf.’
‘Ik betwijfel dat we een wil hebben.’
‘Denk je dat we geen wil hebben?’
‘Ik betwijfel dat we er geen hebben.’
‘Wou jij beweren dat ik…’
‘Ik betwijfel dat er een ik is.’
‘Bedoel je dat ik niet besta?’
‘Ik betwijfel dat er geen ik is.’
‘Maar we leven toch in een wereld waarin…’
‘Ik betwijfel dat er een wereld is.’
‘Bedoel je dat alles een illusie is?’
‘Ik betwijfel dat alles een illusie is.’
‘Bedoel je dat er een hogere realiteit is?’
‘Ik betwijfel dat er een hogere realiteit is.’
‘Jij twijfelt overal aan.’
‘Zeker weten?’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Zeker weten?’
‘In ieder geval twijfel ik nu aan de vrije wil.’
‘Ik allang niet meer.’
‘Bedoel je dat toch een vrije wil hebben?’
‘Ik bedoel dat ik niet meer twijfel.’
‘Bedoel je dat de vrije wil niet bestaat?’
‘Ik bedoel dat ik niet meer twijfel.’
‘Maar als je niet meer twijfelt dan weet je toch hoe het zit?’
‘Of het interesseert je niet meer.’
‘Op die manier.’
‘Of je gelooft niet meer in de vraag.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of in de begrippen waarop de vraag is gebaseerd.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of in de aannames die aan de vraag ten grondslag liggen.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of in de mogelijkheid van een eenduidig antwoord.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of in het nut daarvan.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of zelfs maar in niet-geloven.’
‘Jij twijfelt nergens meer aan.’
‘Zeker weten?’
‘Nou weet ik het helemaal niet meer.’
‘Zeker weten?’

lorrie ruimte


Eigenmacht of overmacht

‘Wat is de wil?’
‘Welke wil?’
‘De vrije wil, Hans.’
‘Een innerlijke eigenmacht die je in staat stelt iets te doen of te laten.’
‘Is er dan nog een andere wil?’
‘De onvrije wil.’
‘Wat is dat?’
‘Een innerlijke overmacht die je dwingt iets te doen of te laten.’
‘Welke wil is de sterkste?’
‘Verschillende namen voor hetzelfde.’
‘Wanneer gebruik je de ene naam en wanneer de andere?’
‘Als je je ermee identificeert noem je het de vrije wil, als je je ervan distantieert de onvrije.’
‘Hoe noem jij het?’
‘Wat?’
‘Ik bedoel, identificeer jij je ermee of distantieer jij je ervan?’
‘Wie?’
‘Hè?’
‘Waarmee?’
‘Nou ja!’
‘Waarvan?’
‘De wil, man!’
‘Wat is de wil?’

januskop


Vrije wil en gebonden wil

‘Hebben wij een vrije wil?’
‘Vrije wil bestaat niet.’
‘Hoezo?’
‘De wil is altijd gebonden.’
‘Waaraan?’
‘Aan wat hij maar wil.’
‘Zoals?’
‘Een droomhuis, verlossing, wijsheid, een kind, alcohol, nirwana, een slank lichaam, een betere wereld, liefde, geld, gezondheid, werelds geluk, hemels geluk, zelfbeheersing, onverstoorbaarheid, populariteit, een goede leraar, leerlingen, vrede, oorlog, het beste, het slechtste, het hoogste, het laagste, het duurste, het goedkoopste, het grootste, het kleinste, het mooiste, het lelijkste…’
‘Maar ik kan toch zeker…’
‘Kun jij ergens in jezelf ook maar het geringste spoortje vrije wil ontdekken?’

‘En?’
‘Niks.’
‘De wil is altijd gebonden.’
‘Raar.’
‘Vandaar dat je er nooit over kunt beschikken.’

baton


Tobbedansen

Leerling: Wat is de overeenkomst tussen de verlichte en de onverlichte?
Meester: Wat niet.
Leerling: Beiden drijven stuurloos rond op de oceaan van het leven.
Meester: Maar?
Leerling: De onverlichte heeft een buitenboordmotor.
Meester: Maak je borst dan maar nat.
Leerling: Ik bedoel zijn waarheidszucht.
Leerling: De onverlichte dénkt dat hij een buitenboordmotor heeft.
Leerling: Jij denkt dat de onverlichte dat denkt.
Leerling: Jij denkt dat hij dat denkt.
Leerling: Jij denkt dat er een verschil is tussen de verlichte en de onverlichte.
Leerling: Jij denkt dat er geen verschil is tussen de verlichte en de onverlichte.
Leerling: Jij denkt dat ik dat denk.
Leerling: Jij denkt dat ik denk.
Leerling: Jij denkt dat ik echt ben.
Leerling: Als je niet echt bent, wat ben je dan wel?
Leerling: Een verschijning in jouw droom?
Leerling: Misschien ben ik wel een verschijning in jouw droom.
Leerling: Meester, wat denkt u?
Leerling: Je veronderstelt dat meester wat denkt.
Leerling: Je veronderstelt dat meester echt is.
Leerling: Jij veronderstelt dat meester een illusie is.
Leerling: Jij veronderstelt dat ik iets veronderstel.
Leerling: Droomfiguren kunnen niet veronderstellen.
Leerling: Wie zegt dat we droomfiguren zijn?
Leerling: Zo komen we nergens.
Leerling: Moet je ergens heen dan?
Leerling: Wou je hier blijven dan?
Meester: Mijn koninkrijk voor een buitenboordmotor.

waterskier


Echte dromen

‘Heb jij het voor het zeggen in dit leven?’
‘Nou en of, ik maak mijn eigen keuzes.’
‘De mensen waarover je ’s nachts droomt, hebben die het voor het zeggen?’
‘Ik denk het niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ze niet echt zijn.’
‘Waarom zijn ze niet echt?’
‘Omdat ze alleen in mijn dromen verschijnen.’
‘De ik in je dromen, heeft die het voor het zeggen?’
‘In mijn dromen denkt hij van wel.’
‘En achteraf?’
‘Achteraf natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij dan niet echt blijkt te zijn.’
‘Maar jij bent wel echt?’
‘Wie droomt anders al die dromen?’
‘En als je zometeen wakker wordt?’
‘Nog een keer?’
‘Hoezo?’
‘Ik ben vanmorgen ook al wakker geworden.’
‘Misschien was dat ook maar een droom.’
‘En dit gesprek dan?’
‘Zeker weten dat het echt is?’
‘Als ik op mijn gevoel af ga wel.’
‘Is je gevoel absoluut betrouwbaar?’
‘Was dat maar waar.’
‘Als dit een droom zou zijn, heb jij het dan op dit moment voor het zeggen?’
‘Ik vrees van niet.’
‘Meer heb ik niet te zeggen.’

monniksvlinder
“Ben ik een vlinder die droomt dat hij Zhuang Zi is of Zhuang Zi die droomt dat hij een vlinder is?”

Kippenkoorts

‘Alle voelende wezens hebben een wil.’
‘Hoezo?’
‘Alle voelende wezens doen iets, nietwaar?’
‘En?’
‘Als je iets doet betekent dat per definitie dat je het wilt.’
‘Kan een kip zonder kop iets willen?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom rent ze dan toch rond?’
‘Wou jij de mens vergelijken met een kip zonder kop?’
‘Eerder met een kop zonder kip.’
‘Heeft een kop zonder kip soms geen wil?’
‘Dat weet ik zo net niet…’
‘Maar?’
‘Hij gaat in elk geval nergens meer heen.’

kippensanga


Volens nolens

‘Is er een manier om mezelf te bevrijden van mijn wil?’
‘Hier spreekt de wil.’
‘Ik dacht dat ik het zelf was.’
‘Je wilt je toch van de wil bevrijden?’
‘Nou en of.’
‘Is dat soms geen willen?’
‘Hoelang zal ik nog aan mijn wil gebonden blijven?’
‘Zolang je je ermee identificeert.’
‘En als ik er afstand van neem?’
‘Waarom zou je?’
‘Omdat ik me er niet langer mee wil identificeren natuurlijk.’
‘Hier spreekt de wil.’
‘Stel dat ik mij er op geen enkele wijze meer mee identificeer.’
‘Wat dan?’
‘Ben ik er dan van bevrijd?’
‘Die vraag is dan niet meer aan de orde.’
‘Waarom niet?’
‘Wat is iemand die zich niet meer identificeert met zijn wil?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Wat is een wil waarmee niemand zich meer identificeert?’
‘Idem dito.’
‘Wie is het dan die zich waarvan zou moeten bevrijden?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Maar hoe bevrijd ik mij nu van de vraag hoe ik mij van de wil bevrijd?’
‘Hier spreekt de wil.’

dirigent 2


Vrijheidsjunkie

‘Ik wil helemaal vrij zijn!’
‘Dan zit je daarin vast.’

‘Ik wil helemaal vrij zijn van het verlangen naar vrijheid!’
‘Dan zit je daarin vast.’

‘Ik wil helemaal vrij zijn van het verlangen naar het verlangen naar vrijheid!’
‘Dan zit je daarin vast.’

‘Ik wil helemaal vrij zijn van het verlangen naar het verlangen naar het verlangen…’
‘Houdoe.’

vrijheid 2


Vrek

‘Ik heb álles over voor de vrijheid!’
‘Ook jezelf?’
‘Alles!’
‘Ook het zelf?’
‘Alles.’
‘Ook niet-zelf?’
‘Eh… alles?’
‘Ook de vrijheid?’
‘Ik geloof…’
‘Ook de overtuiging dat je alles over hebt voor de vrijheid?’
‘Nou…’
‘Ben je bereid zelfs het opgeven van jezelf, van het zelf, van niet-zelf, van de vrijheid en van al je overtuigingen op te geven?’

‘Als ik het niet dacht.’

vrijheidvlam


Geloofsdwang

‘Zonder vrije wil kun je iedere aansprakelijkheid afwijzen.’
‘Met welk excuus?’
‘Dat alles gebeurt zoals het moet gebeuren.’
‘Zonder vrije wil kun je er niet voor kiezen wat dan ook af te wijzen met welk excuus ook.’
‘Maar als iemand met dat soort excuses komt, wat moet je dan?’
‘Het hangt ervan af of je in de vrije wil gelooft of niet.’
‘Als je erin gelooft?’
‘Dan moet je dat soort excuses wel afwijzen.’
‘En als je er niet in gelooft?’
‘Dan moet je ze wel aanvaarden.’


Inconsequenties

‘Als mensen het niet voor het zeggen hebben, waarom zou je ze dan nog bedanken?’
‘Omdat je het niet voor het zeggen hebt?’

‘Als je niet weet of mensen het voor het zeggen hebben, waarom zou je ze dan nog bedanken?’
‘Als je niet weet of mensen het voor het zeggen hebben, waarom niet?’

‘Als we het werkelijk niet voor het zeggen hebben, moeten we consequent zijn en ophouden elkaar te bedanken.’
‘Niet zolang we inconsequent moeten zijn.’

‘Zonder vrije wil kun je wel ophouden met het belonen van goed gedrag.’
‘Zonder vrije wil kun je nergens mee ophouden.’

‘Als we de vrije wil afschaffen, gaat de verantwoordelijkheid mee. Als we de verantwoordelijkheid afschaffen, gaat de moraal mee. Als we de moraal afschaffen, gaat de beschaving mee. Als we de beschaving afschaffen, wordt het een jungle.’
‘Zonder vrije wil kan niemand iets afschaffen.’
‘En als het toch gebeurt?’
‘Zonder vrije wil kan niemand dat tegengaan.’

‘Als we het niet voor het zeggen hebben, hoeven we ook geen complimentjes meer te geven.’
‘Als we het niet voor het zeggen hebben, hoeven we ze ook niet in te houden.’
‘En als we ze toch inhouden?’
‘Dan is daar niets aan te doen.’
‘En als we onszelf weten te overwinnen en toch complimentjes geven?’
‘Dan helpt daar geen lieve moedertje aan.’

‘Zonder keuzevrijheid valt er geen eer meer te behalen.’
‘Zonder keuzevrijheid zul je wel moeten.’

‘Zonder vrije wil kunnen we net zo goed bij de pakken neer gaan zitten.’
‘Ook daar heb je dan niets over te zeggen.’

‘Determinisme leidt tot fatalisme.’
‘Alleen als het is voorbestemd.’

‘Deterministen verleiden ons tot wanhoop.’
‘Ze moeten wel.’

‘Zonder vrije wil kun je niet eens tegen een ander zeggen ‘doe dit’ of ‘laat dat’ of ‘je moet’ of ‘je mag niet’.’
‘Zonder vrije wil kun je het niet eens laten.’
‘Maar dan hoeft de ander zich er niets meer van aan te trekken.’
‘Zonder vrije wil kan hij dat ook niet laten.’

‘Zonder vrije wil kan niemand mij meer laf noemen.’
‘Zonder vrije wil kan niemand zich inhouden.’
‘Maar dan hoef ik me er in ieder geval niets meer van aan te trekken!’
‘Tenzij je het niet kunt laten.’

‘Zonder vrije wil kunnen we het opvoeden wel staken.’
‘Staken veronderstelt een vrije wil.’

‘Als we het niet voor het zeggen hebben, kunnen we de rechtspraak wel opheffen.’
‘Niet als we het niet voor het zeggen hebben.’

‘Hoe kan ik nou trots zijn op mezelf als alles me overkomt?’
‘Hoe kun je nou niet trots zijn op jezelf als het je overkomt?’

‘Als we het niet voor het zeggen hebben, verandert alles.’
‘Maar niet door ons.’

‘Als we het niet voor het zeggen hebben, verandert er niets.’
‘Tenzij vanzelf.’

Enzovoort, enzovoort.

dirigent spiegel


Stijl- en schertsfiguren

‘Geloof jij in de vrije wil?’
‘Zeker, Hans.’
‘Waarom?’
‘Ik heb nog nooit iemand zonder vrije wil gezien.’
‘Hoe gedraagt iemand zonder vrije wil zich volgens jou?’
‘Hij neemt niemand iets kwalijk. Hij onderneemt niets. Hij probeert niemand op te voeden. Hij probeert zichzelf niet te verbeteren. Hij heeft geen moraal en geen geweten. Hij bedankt niemand en neemt geen bedankjes in ontvangst. Hij heeft geen eergevoel en eert niemand. Hij doet niet aan complimentjes. Hij heeft geen schuldgevoel en kent geen schaamte.’
‘Is dat hoe iemand zonder vrije wil zich gedraagt of hoe jij denkt dat iemand zonder vrije wil zich zou gedragen?’
‘Het lijkt me nogal logisch.’
‘Is dat hoe jij je zou gedragen als je geen vrije wil had of hoe jij je zou proberen te gedragen als je dacht dat je geen vrije wil had?’
‘Nou….’
‘Hebben romanfiguren volgens jou een vrije wil?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ze een verzinsel van de auteur zijn.’
‘En toch gedragen ze zich alsof ze een vrije wil hebben.’
‘Daarom heet het fictie.’
‘Als jij geen vrije wil had, zou jij je dan kunnen gedragen zoals jij meent dat iemand zonder vrije wil zich zou gedragen?’
‘Niet als het al niet vanzelf gebeurde.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik het dan niet voor het zeggen had.’
‘Nou dan.’

boekenlegger


Doen alsof

‘Als je een vrije wil hebt ben je overal voor verantwoordelijk, Hans.’
‘Nou, overal…’
‘Als je geen vrije wil hebt, ben je nergens voor verantwoordelijk.’
‘En als je het niet weet?’
‘Dat kan ik beter aan jou vragen.’
‘Dan leef je alsof het allebei waar is.’
‘Waarom niet alsof het allebei onwaar is?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Of waar én onwaar?
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Of waar noch onwaar?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘En als je ook dat niet meer weet?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Maar zijn we nou wel of niet verantwoordelijk?’
‘Daar komt het wel op neer.’

verkeer leiden


Weeghals

‘Als je niet in de vrije wil gelooft, hoef je je nergens meer voor te schamen, Hans.’
‘Een hele opluchting.’
‘Als je wel in de vrije wil gelooft, kun je blij zijn met ieder complimentje en bedankje.’
‘Een groot genoegen.’
‘Als je erin gelooft noch niet gelooft, zit je nergens meer aan vast, wat een ander woord is voor vrijheid.’
‘Wat is je vraag?’
‘Wat is volgens jou de beste zienswijze?’
‘Je veronderstelt dat er een beste zienswijze is.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Je veronderstelt dat ik dat weet.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.’
‘Als jij het niet weet, bij wie moet ik dan wezen?’
‘Je veronderstelt dat iemand het weet.’
‘Bedoel je dat niemand het weet?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Hoe moet ik er dan achter komen?’
‘Je veronderstelt dat je erachter kunt komen.’
‘Volgens mij ben je het beste af als je in iedere situatie de prettigste zienswijze kiest.’
‘Nou veronderstel je weer een vrije wil.’

weegschaal


Kroongetuigen

‘Is kiezen lastiger als je niets weet?’
‘Wel als je zelf kunt kiezen.’
‘Kun je zelf kiezen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘En als je niet zelf kunt kiezen?’
‘Dan gaat het kiezen vanzelf.’
‘Maakt het dan nog uit of je niets weet?’
‘Alleen als je er iets voor moet weten.’
‘Moet je er iets voor weten?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Is kiezen voor jou moeilijker geworden sinds je niet meer weet?’
‘Wie zegt dat ik niet meer weet?’
‘Maar is kiezen moeilijker voor je geworden?’
‘Tja.’
‘O.’
‘Maar dat zeg ik onder voorbehoud.’
‘Welk voorbehoud?’
‘Dat er een sinds is.’
‘Is er een sinds?’
‘Zeg jij het maar.’
‘Vond jij kiezen vroeger moeilijk?’
‘Soms wel, soms niet.’
‘En tegenwoordig?’
‘Tegenwoordig vind ik er niets meer van.’
‘Sinds je niet meer weet of nu, op dit moment?’
‘Ik zie het verschil niet.’
‘Is het een keuze of overkomt het je?’
‘Wat?’
‘Om niets meer van kiezen te vinden.’
‘Ik heb voornamelijk kronen.’
‘Toe nou.’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Niet zelf kunnen kiezen lijkt mij makkelijker.’
‘Waarom?’
‘Dan kun je rustig afwachten tot de keuze zichzelf maakt.’
‘Alsof je dan nog kunt kiezen om rustig af te wachten.’
‘Hoe voelt het om niet zelf te kunnen kiezen?’
‘Vraag dat maar aan iemand die niet zelf kan kiezen.’
‘Dus je kunt toch zelf kiezen?’
‘Daar zou ik zeker voor kiezen.’
‘Is kiezen lastiger als je niets weet?’

oude man


Het karma van de dharma

In de The Book of Equanimity (Shoyoroku) een verzameling van honderd koans, staat een voor kaaskoppen wel heel raar verhaal:

#8. Hyakujo en de vos
Iedere keer dat meester Hyakujo zijn monniken onderhield, woonde een oude man zijn preek bij. Op een dag sprak de meester hem aan: ‘Kan ik u van dienst zijn?’ De grijsaard zei: ‘Ooit was ik hier zelf zenpriester. In die hoedanigheid stelde een monnik mij eens de vraag: “Is de volmaakt verlichte nog onderhevig aan de wet van oorzaak en gevolg?” “Nee”, zei ik argeloos. Sindsdien word ik steeds als vos wedergeboren, nu al vijfhonderd keer. Alstublieft meester, wat had ik dan moeten zeggen?’ Hyakujo zei: ‘De volmaakt verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’ Daarop kwam de oude man tot volmaakte verlichting.

  1. Is dit verhaal volgens jou historisch of overdrachtelijk bedoeld?
  2. In wat voor wereld(beeld) leven of leefden (kl)oosterlingen of althans boeddhisten of althans zenpriesters dat er ten eerste onjuiste antwoorden mogelijk waren of zijn en dat ze ten tweede door een enkel onjuist antwoord maar liefst vijfhonderd levens als vos mogen of mochten of moeten of moesten slijten?
  3. Vijfhonderd identieke levens in steeds hetzelfde vossenlichaam of vijfhonderd verschillende levens in steeds hetzelfde vossenlichaam of vijfhonderd verschillende levens in opeenvolgende vossenlichamen, wat denk jij?
  4. Waarom vijfhonderd en niet vijf of vijftigduizend?
  5. Waarom een vos en niet een fugu of een bonobo?
  6. Na die vijfhonderd vossenlevens in één keer mens of via onvermelde tussenstappen?
  7. Hoe wist de oude man dat hij vijfhonderd levens als vos achter de rug had; hield hij dat ergens bij of overleefde zijn geheugen elke vossendood of hield de Boeddha het voor hem bij of was het voorgeprogrammeerd of ging hij af op zijn gevoel of gaf hij uitdrukking aan hoe het voelde of zei hij maar wat of wat?
  8. Welke wet van oorzaak en gevolg was of is hier werkzaam: een karmische of een fysische, deterministisch of indeterministisch, een morele of een feitelijke, een goddelijke of een duivelse, een biologische of een boeddhistische van leegte of afhankelijk ontstaan misschien?
  9. Zijn dit in wezen dezelfde wetten of verschillende?
  10. Gesteld dat de volmaakt verlichte inderdaad één is met de wet(ten) van oorzaak en gevolg, geldt dit dan ook voor de 1. onvolmaakte verlichte, 2. volmaakt onverlichte en 3. onvolmaakt onverlichte?
  11. Duidt het geloof in volmaakte verlichting volgens jou op onvolmaakte verlichting? Zo nee, waarop duidt het dan wel? Zo ja, waarop duidt het geloof in onvolmaakte verlichting?
  12. Is de wet van oorzaak en gevolg zelf oorzaak of gevolg en zo ja, waarvan?
  13. Waar is de wet van oorzaak en gevolg?
  14. Wie zou je zijn zonder wet van oorzaak en gevolg 1. als je eraan onderhevig was; 2. als je er niet aan onderhevig was; 3. als je er één mee was?
  15. Wie (of wat) is het die (of dat) één is met de wet van oorzaak en gevolg?
  16. Kun je er volgens jou voor kiezen om één te zijn of te worden met de wet van oorzaak en gevolg of overkomt het je of was je het altijd al of moet je ervoor oefenen of moet je je overgeven of moet je oefenen in overgave of moet je minstens eenmaal of langdurig in de aanwezigheid van een volmaakt verlichte verblijven of zo?
  17. Wil deze koan ons volgens jou verrijken met of bevrijden van deze manier van vragen en denken of beide of geen van beide?

In The True Dharma Eye; Zen Master Dōgen’s Three Hundred Koans; van Kazuaki Tanahashi and John Daido Loori staat een eeuwen oudere versie van Hyakujo’s vos die ik je niet wil onthouden.
Misschien vind je er antwoorden in op bovenstaande vragen of misschien vind je er vragen in op bovenstaande antwoorden of misschien kom je wel tot onvolmaakte of volmaakte verlichting of misschien zijn je dagen als (schijn)verlichte of (schijn)heilige wel geteld en als vos aanstaande of misschien sta je op het punt de eerste volmaakt verlichte vos te worden, weet ik veel.
Ik bedoel, weet jij veel.
Maar zeg eens, heeft degene die onderhevig is aan de wet van oorzaak en gevolg een vrije wil of niet?
En degene die er één mee is?

#102. Baizhang en de vos
Iedere keer als meester Baizhang Huaihai onderricht gaf, kwam er een oude man naar zijn preek luisteren. Aan het eind van de preek sloop de grijsaard altijd weg maar op een dag bleef hij achter. Baizhang zei: ‘Met wie heb ik het genoegen?’ De oude man zei: ‘Ik ben geen menselijk wezen. Ten tijde van Kashyapa Boeddha was ik de abt van dit klooster. Op een dag vroeg een leerling mij: Is de verlichte onderhevig aan oorzaak en gevolg? Ik antwoordde: ‘Nee, dat is de verlichte niet.’ Had ik het maar nooit gezegd! Nu ben ik al vijfhonderd levens lang een wilde vos. Maar wat had ik dan moeten zeggen? Is de verlichte onderhevig aan oorzaak en gevolg? Toe meester, bevrijd me uit dit vossenlichaam!’ Meester Baizhang zei: ‘Veronachtzaam oorzaak en gevolg niet!’ Onmiddellijk kwam de oude man tot grote verlichting. Hij maakte een paar buigingen en zei: ‘Eindelijk ben ik uit mijn vossenlichaam verlost! U zult het aantreffen aan de andere kant van deze berg. Meester, doe me een plezier en behandel het als het lichaam van een overleden monnik.’

Baizhang verzocht de hoofdmonnik bekend te maken dat er na de maaltijd een begrafenisplechtigheid zou worden gehouden. De kloosterlingen zeiden tot elkaar: Wat heeft dit nou weer te betekenen? Hier is iedereen gezond en in de nirvanazaal zijn ook geen zieken.’ Na het eten leidde Baizhang de monniken naar de voet van een rots aan de andere kant van de berg. Prikkend met zijn stok vond hij het vossenlichaam, dat op traditionele wijze werd gecremeerd.

’s Avonds hield Baizhang een toespraak over de oude man. Na afloop vroeg Huangbo: ‘De oude meester gaf een fout antwoord en moest vijfhonderd levens als vos doorbrengen. Wat zou er gebeurd zijn als hij geen fout antwoord had gegeven?’ Baizhang zei: ‘Kom eens hier, dan zal ik het in je oor fluisteren.’ Huangbo stapte naar voren en gaf Baizhang een klinkende draai om zijn oren. De meester klapte in zijn handen en zei lachend: ‘Ze zeggen dat barbaren rode baarden droegen; hier staat het levende bewijs.’

Wet van oorzaak en gevolg in de Wikipedia.
Wet van oorzaak en gevolg in het boeddhisme.

500 levens vos


Linksom of rechtsom

‘Wat vind jij van het boeddhisme?’
‘Een mijnenveld.’
‘Mijn idee, Hans.’
‘Hoezo?’
‘Geloften en goede voornemens leiden alleen maar tot bestendiging van het geloof in de persoon, de vrije wil en de maakbaarheid van de wereld.’
‘Wat zou volgens jou het beste zijn?’
‘Geen goede voornemens meer maken, geen geloften meer afleggen en dat ook niet van anderen verlangen.’
‘Je veronderstelt een persoon, een vrije wil en een maakbare wereld.’
‘Wat?’
‘Geen goede voornemens meer maken, geen geloften meer afleggen en dat ook niet van anderen verlangen leidt alleen maar tot bestendiging van het geloof in de persoon, de vrije wil en de maakbaarheid van de wereld.’
‘Verdraaid.’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Een mijnenveld.’

buddha bom


Rust en vrede zonder rede

‘Meester, breng mijn wil tot rust!’
‘Breng me je wil en ik breng hem tot rust.’

Dit dialoogje is een variatie op:

‘Meester, breng mijn geest tot rust!’
‘Breng me je geest en ik breng hem tot rust.’

Wat op zijn beurt een parafrase is van koan 41 van de Poortloze Poort:

Bodhidharma brengt de geest tot vrede
Bodhidharma zit naar de muur te staren. Zijn toekomstige opvolger staat in de sneeuw en biedt zijn afgehouwen arm aan Bodhidharma aan. Hij roept uit: Mijn geest is niet in vrede. Meester, breng mijn geest tot vrede. Bodhidharma zegt: Als je mij die geest wilt brengen, zal ik hem voor je tot vrede brengen. De opvolger zegt: Als ik mijn geest doorzoek, kan ik hem niet bevatten. Bodhidharma zegt: Dan is uw geest al tot vrede gebracht.

(uit Zen-zin, Zen-onzin, Paul Reps, 1972)

Deze koan valt zoals iedere koan (en iedere tekst) op talloze manieren uit te leggen.
Eén zo’n interpretatie, waarmee ik de Perongelukexpress wil afsluiten, gaat uit van de doctrine van de leegte (sunyata) van alle dingen en begrippen:

Als alles leeg is, dan ook de geest.
Zonder geest valt er niets tot vrede te brengen.
Beseffen dat er niets tot vrede gebracht hoeft te worden of kan worden en dat er geen jij is om dat te doen of na te laten, is vrede.

Deze redenering kunnen we ook toepassen op de wil:

Als alles leeg is, dan ook de wil.
Zonder wil valt er niets tot rust te brengen.
Beseffen dat er niets tot rust gebracht hoeft te worden of kan worden en dat er geen jij is om dat te doen of na te laten is rust.

Maar als alles leeg is, dan ook de leegte zelf.
Als de leegte zelf leeg is, wat betekent het dan nog wanneer we in onze lege wijsheid pontificeren dat de dingen en de begrippen en de wil en de geest en de rust en de vrede en degene die ze nastreeft allemaal leeg zijn?
Waar hebben we het nog over?

kikker aan het eind

Hier beneden
In het heden
Rust en vrede
Zonder rede
Diep tevreden
Zonder reden
In het heden
Hier beneden


In het Boeddhistisch Dagblad, waarin deze pagina als serie is verschenen, werd de laatste tekst gevolgd door een uitleiding die tevens als inleiding fungeerde voor de volgende serie aldaar:


Welkom in het Kaartenhuis

‘Nirwana, leven en dood zijn bloemen van de verbeelding.’

(Zhangzhou Xiucai)

En zo, beste passagère, heeft de Perongelukexpress na de nodige vertragingen, ontberingen, ontremmingen en ontsporingen in het schier eindeloze Niemendal dan toch zijn bestemming bereikt: Nirwana (Nibbana zegt de allochtoon, Narwana de autochtoon, Narrenwaan de cartoon) – de laatste tussenstop vóór het terminale Parinirwana, dat op voorspraak of zonder tegen- of inspraak van de Gelijkste1 uitsluitend toegankelijk is voor de gevallen prins2 zonder carnaval3 Gautama B. zelf, Zelf of niet-zelf4 en voor zijn niet minder uitgedoofde3 buddhies uit verleden, toekomst en heden mits driewerf overleden, want verschil moet er zijn, ook in het ongedifferentieerde.

Dit voertuig rijdt per ongeluk expres niet verder en ook niet terug, maar zal ter plaatse ontmanteld worden. Daarom wordt iedereen verzocht hier uit te stappen met achterlating van alle bagage, en in te checken in het Kaartenhuis, de enige accommodatie in heel Op- en Neerwana, waarin voor koffers geen plaats is maar voor kaffers5 en keffers6 des te meer – voelende wezenlozen zonder onderscheid zoals u en ik, vossen, ossen, honden en andere uit de rails gelopen boeddha’s – allemaal van harte welkom, want onverschil mag er zijn, ook in het gedifferentieerde.

Intussen serveert het Kaartenhuis heerlijke lichtverterende kletskoeken ter versterking van de noodwendige mens en claimt ook in andere opzichten beter op uw wederkomst te zijn voorbereid dan bij eender welke eerdere incarnaties, talrijk als de zandkorrels van de majeustueuze Dinges. Zo wordt het dak van het Kaartenhuis onophoudelijk hersteld, heeft uw onverheven heergast ons onophoudelijk verzekerd, want alle gezegenden komen van boven of van bovenskamers, daar wil hij vanaf zijn, en dat gaat niet altijd van een leien dakje.

Sowieso is er weinig reden tot gemekker, want voor pelgrims, asielzoekers en andere reislijders staan vanaf morgen trappelvoeten, benenwagens, stoklorries en schietstoelen klaar, met en zonder wielen, voor naar keuze de bestijging, ontstijging, ophoging, afgraving, afdaling, ondermijning, omcirkeling of blote contemplatie van naar keuze de of het heilige Makke – de zomer komen we dus ook wel weer door.

Was getekend,

Ahumba Sans Dhamma

 

NASCHRIFT
Het citaat waarmee deze tekst opent is de slotzin van het prachtige verlichtingsgedicht van de Chinese ch’anmeester Zhangzhou Xiucai (Chosetsu Shusai):

In alle werelden schijnt hetzelfde licht.
Wijzen en dwazen, ieder schepsel is al thuis.
Waar gedachten niet blijven hangen is alles helder.
Wie zijn zintuigen of geest volgt, rent rond in een dichte mist.
Wie het zoekt in soberheid vergroot zijn onrust.
Wie de waarheid wil bezitten, grijpt ernaast.
Aardse zaken bezoedelen niemand.
Nirwana, leven en dood zijn bloemen van de verbeelding.7

Zoek je blijvende helderheid dan is het te hopen dat ook de krachtige gedachten van Zhangzhou niet in je blijven hangen.
Is het je om het even dan is het mij om het even.

NOTEN

  1. De Gelijkste: De historische boeddha is volgens veel boeddhistische leerscholen geen god maar mens en mensgelijk. Niettemin wordt hij dikwijls de Verhevene genoemd, met een hoofdletter, en worden de aan hem toegeschreven maar onveranderlijk postume werken gelezen als goddelijke openbaringen. ‘Evam me sutam, aldus heb ik gehoord.’ Mij is het om het even.
  2. Gevallen want dood. Verder was Gautama oorspronkelijk een prins, maar heeft hij de aardse troon zo snel hij kon verruild voor de hemelse, die door krabbelaars unaniem hoger wordt aangeslagen. Omhooggevallen dus. Mij is het om het even.
  3. Nirwana = uitgedoofd, onthecht; vandaar ook ‘zonder carnaval’. Veel boeddhisten schuwen aardigheden en streven hartstochtelijk naar onthechting. Critici noemen het quïetisme. Mij is het om het even.
  4. Of parinirwana nou anatman of misschien toch het ultieme zelf of beide of geen van beide is of dat het onheilzaam is om je over deze kwestie te buigen – daarover zijn de geleerden het weer eens niet eens. Het Nederlandstalige lemma Parinibbana en het Engelstalige lemma Parinirvana in de Wikipedia evenmin. Je kunt het ook niet een, twee, drie zelf nagaan; uit parinirwana is immers nog nooit iemand teruggekeerd, per definitie niet, of het moet na een bijna-dood-ervaring van een helemaal-verlichte zijn, of samsara moet niet alleen nirwana maar ook nog eens parinirwana zijn, of wijzelf moeten al bij leven Dát zijn (Tat tvam asi), afijn. Mij is het om het even.
  5. Kaffer in de zin van zondaar op het achtvoudige pad, en wie is dat nou niet. Van het christendom zijn we hoegenaamd of zogenaamd verlost, maar de zonde hebben we via de oosterpoort weer binnengesmokkeld en de heilige heet nu een boeddha of een arahant, of was dat nou een plant, of was het nou een vlinder, of was het Zhuang Zi, ik weet het effe nie, afijn. Mij is het om het even.
  6. Keffer als in de canonieke maar dubieuze vertaling van de eerste koan van de Poortloze Poort: ‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’ ‘Nee.’ Dit is het soort gedachten dat de koffer van menig bodhisattva al vóór zijn intreding doet uitpuilen. Mij is het om het even, maar kruien moet je zelf.
  7. Zen and Zen Classics Volume Four: Mumonkan, Case XXXIX Ummon and a Mistake, R.H. Blyth, Hokuseido Press 1966, p257

‘Welkom in het Kaartenhuis’ is de laatste dwaaltekst van De Perongelukexpress en de eerste van Een Kaartenhuis, een reeks metaforen voor niet-weten. Te lezen in de krant die de keerzijde niet schuwt. Jij?