Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid

Ben jij het die wat wil of heerst de wil in jou? Wil jij de vrijheid wel? Dwingende dialogen over vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid.

Dwaalgids > Filosofie > Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid

Lees ook: Voorbij goed en kwaad, Bodhisattvageloften

Op deze pagina:

Een aanbeveling

Leerling: Wat weet u eigenlijk van de vrije wil?

Meester: Minder dan wie ook.

Leerling: Dat lijkt me geen aanbeveling.

Meester: Integendeel.

Kikker in je wil

De wil zegt altijd ik
Ze zweert je eeuwig trouw
Maar is dat wat jij wil
Of wat zij wil in jou?

Is mijn wil wel van mij?

De wil zegt altijd ik
Ik ben er steeds voor jou
Maar als ik niet meer wil
Legt zij mij aan een touw

De wil zegt altijd ik
Gedraagt zich als een pauw
En als ik haar negeer
Slaat zij mij bont en blauw

De wil zegt altijd ik
Voor mij is zij te nauw
Maar als ik me verstop
Schudt zij mij uit haar mouw

De wil zegt altijd ik
Maar deed zij wat ik wou
Dan liet ze mij met rust
En toonde ze berouw

De wil zegt altijd ik
Ik laat het er maar bij
Want ik ben wel van haar
Maar is zij wel van mij?

Als het vraagstuk van de vrije wil je niet loslaat

Leerling: Is de wil vrij of onvrij?

Meester: Waarom wil je dat weten?

Leerling: Het laat me gewoon niet los.

Meester: Nou dan.

Een theeverslaafde

Kies dan maar eens het tegenovergestelde.

Leerling: Is de wil vrij of onvrij?

Meester: Glaasje wijn?

Leerling: Ik drink alleen nog maar thee.

Meester: Nou dan.

Leerling: Ik kies er anders zelf voor geen alcohol meer te drinken.

Meester: Kies er dan maar eens zelf voor wel alcohol te drinken.

Leerling: Wat?

Meester: Glaasje wijn?

Leerling: Dat… kan ik niet.

Meester: Nou dan.

Kan je geloven wat je wil?

Geloof dan maar eens wat anders

Leerling: Ik geloof heilig in de vrije wil.

Meester: Niets aan te doen.

Leerling: Volgens mij bepaalt iedereen zelf wat hij denkt, doet en voelt.

Meester: Zou je er ook niet in kunnen geloven als je dat wilde?

Leerling: In de vrije wil?

Meester: Nou?

Leerling: Zeker weten.

Meester: Doe eens.

Leerling: …

Meester: En?

Leerling: Ik geloof niet dat ik het wil.

Meester: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Vrije wil in vrije val

Geloofskwesties

Leerling: Niet in de vrije wil geloven is net zoiets als niet in de zwaartekracht geloven.

Meester: Geloof jij daar dan in?

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

De leerling laat zich plat op de grond vallen.

Meester: Mensen vielen ook al voordat de zwaartekracht werd bedacht.

Leerling: Het gaat erom dat ik het vrijwillig deed.

Meester: Mensen handelden ook al voordat de vrije wil werd bedacht.

Leerling: Het is maar een concept, wou u zeggen.

Meester: Dat het maar een concept is ook.

Leerling: Waar gelooft u dan in?

Meester: Hè?

Leerling: Niet in geloven geloven is volgens mij net zoiets als in niet-geloven geloven.

Meester: Geloof jij daar dan in?

Je doet maar wat je niet laten kan

Stand-up comedy

Leerling: Hebben wij een vrije wil of niet?

Meester: Sta eens op.

De leerling staat op.

Meester: Ga eens zitten.

De leerling gaat zitten.

Meester: Deed je dat nou uit jezelf of niet?

Leerling: Volgens mij wel.

Meester: Als ik niets gevraagd had, zou je het dan ook gedaan hebben?

Leerling: Ik stemde in met uw verzoek.

Meester: Sta eens op.

De leerling blijft zitten.

Meester: Blijf eens zitten.

De leerling staat op.

Leerling: Ziet u wel?

Meester: Wat?

Leerling: U hebt niets over mij te zeggen.

Meester: Zou je dat ook gedaan hebben als ik je niets had gevraagd?

Leerling: Wat?

Meester: Opstaan als ik je vraag om te gaan zitten en omgekeerd.

Leerling: Misschien niet, maar ik koos er zelf voor.

Meester: Blijf dan maar staan.

De leerling gaat zitten en staat meteen weer op.

Meester: En als ik had gezegd, ‘Ga dan maar zitten’?

De leerling slaakt een kreet en gaat languit op de grond liggen.

Meester: Blijf dan maar liggen.

Leerling: Dat bepaal ik nog altijd zelf.

Meester: Dan ga ik intussen een blokje om.

Leerling: Ik denk dat ik maar weer opsta.

Meester: Je doet maar wat je niet laten kan.

Denk jij dat of overkomt die gedachte je?

Bewijs in het ongerijmde

Meester: Geloof jij in de vrije wil?

Leerling: Vrije wil bestaat niet.

Meester: Denk jij dat of overkomt die gedachte je?

Leerling: Dat denk ik.

Meester: Bepaal jij zelf wanneer je juist deze gedachte denkt?

Leerling: Nou…

Meester: Of komt hij spontaan in je op?

Leerling: Dat laatste, zou ik zeggen.

Meester: Waarom zou je je er dan nog iets van aantrekken?

Leerling: Omdat ik niet anders kan?

Meester: Niet omdat hij waar is?

Leerling: Maar hij voelt wel waar.

Meester: Misschien overkomt dat gevoel je ook alleen maar.

Leerling: Als gedachten en gevoelens me alleen maar overkomen, kan ik ook niet weten of ze waar zijn, wou u zeggen.

Meester: Geldt dat ook voor deze gedachte?

Leerling: Ik vrees van wel.

Meester: Waarom zou je je er dan nog iets van aantrekken?

Leerling: Omdat ik niet anders kan?

Meester: Niet omdat hij waar is?

Leerling: Maar hij voelt wel waar.

Meester: Misschien overkomt dat gevoel je ook alleen maar.

Leerling: Als de gedachte dat ik niet weet of gedachten en gevoelens waar zijn omdat ze me alleen maar overkomen me ook alleen maar overkomt, is het eind zoek.

Meester: Geldt dat ook voor deze gedachte?

Leerling: Daar heb je het al.

Meester: Conclusie?

Leerling: Ik zeg niks meer.

Meester: Mislukt.

Leerling: Wat zegt u?

Meester: Ik zeg maar wat.

Leerling: Maar doet u dat of overkomt het u?

Meester: Ik geloof het niet.

Ervaring is niet doorslaggevend

Ervaarbewijs is geen bewijs

Leerling: Hebben wij een vrije wil?

Meester: Geen idee.

Leerling: Erváárt u een vrije wil?

Meester: Zo vaak.

Leerling: Nou dan.

Meester: Dat ik bijziend ben betekent toch niet dat de wereld onscherp is?

Leerling: Bedoelt u dat de vrije wil een illusie is?

Meester: Ik bedoel dat ervaring niet doorslaggevend is.

Leerling: Dat zie ik toch anders.

Meester: Zeker nooit gedroomd.

Leerling: Dat is ’s nachts.

Meester: Zeker nooit verliefd geweest.

Leerling: Dat is tijdelijk.

Meester: Is het leven een hel omdat ik depressief ben? Is het leven een feest omdat ik euforisch ben?

Leerling: Stemmingen zijn subjectief.

Meester: Is de wereld grijs omdat ik kleurenblind ben?

Leerling: Stel je voor.

Meester: Is de wereld gekleurd omdat jij kleuren ziet?

Leerling: Hè?

Meester: Bestaat Sinterklaas omdat je bij hem op schoot hebt gezeten?

Leerling: Sinterklaas is een collectieve kinderwaan.

Meester: Dacht je dat ook toen je bij hem op schoot zat?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Geeft je ervaring dan niet de doorslag?

Leerling: In dit geval niet.

Meester: Maar in het geval van de vrije wil wel?

Leerling: Die ervaar ik nog steeds.

Meester: Sinterklaas ook; jaar in, jaar uit.

Leerling: Maar ik geloof er niet meer in.

Meester: Daar heb je het al.

Leerling: Daar heb je wat al?

Meester: Ervaring is niet doorslaggevend.

Leerling: Wat dan wel?

Meester: Of je erin gelooft.

Leerling: Ik geloof er niks van.

Meester: Waarom kan jouw ervaring je geloof in de vrije wil dan wel bevestigen maar je ongeloof in Sinterklaas niet ontkrachten?

Leerling: Eh…

Meester: Ik bedoel maar.

Leerling: Ik zou u bijna gaan geloven.

Meester: Nou nog ervaren.

Geloof jij dat je het voor het zeggen hebt?

Je kan wel zoveel zeggen

Leerling: Gelooft u dat u het voor het zeggen hebt?

Meester: Maakt niet uit.

Leerling: Uw mening is belangrijk voor mij.

Meester: Ik kan wel zoveel zeggen.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Stel dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel.

Leerling: Waarom zou u?

Meester: Wat maakt het uit als ik het niet voor het zeggen heb?

Leerling: Goeie vraag.

Meester: Stel dus dat ik het niet voor het zeggen heb, maar beweer van wel, dan zou jij geen steek wijzer wezen.

Leerling: Integendeel.

Meester: Of stel dat ik het wel voor het zeggen heb, maar beweer van niet.

Leerling: Waarom zou u?

Meester: Om aan mezelf te bewijzen dat ik het kan, bijvoorbeeld.

Leerling: Op die manier.

Meester: Dan zou jij weer geen steek wijzer wezen.

Leerling: Integendeel.

Meester: Het zou ook kunnen dat ik meen wat ik zeg.

Leerling: Daar ga ik zonder meer van uit.

Meester: Maar dat weet je niet.

Leerling: Strikt genomen niet.

Meester: Ruim genomen ook niet.

Leerling: Toegegeven.

Meester: Dus zou je opnieuw geen steek wijzer wezen.

Leerling: Integendeel.

Meester: En zelfs als ik echt meende wat ik zei, zou ik het best eens mis kunnen hebben.

Leerling: Ook dat nog.

Meester: En zou jij nog steeds geen steek wijzer wezen.

Leerling: Integendeel.

Meester: Dus wat ik ook zeg, je schiet er niets mee op.

Leerling: Nee.

Meester: Hiermee ook niet.

Leerling: Maar gelooft u dat u het voor het zeggen hebt?

Meester: Zie je wel?

Je kiest wat je wil, maar wie bepaalt wat je wil?

Waar val je op?

Leerling: Hebben wij een vrije wil?

Meester: Dat moet je zelf uitmaken.

Leerling: Maar ik kan toch zeker doen wat ik wil?

Meester: Dat is het punt niet.

Leerling: Wat is het punt wel?

Meester: Of je zelf kan bepalen wat je wil.

Leerling: Maar ik kan toch zeker zelf keuzes maken?

Meester: Dat is het punt ook niet.

Leerling: Wat is het punt wel?

Meester: Of je zelf kan bepalen waar je voor kiest.

Leerling: Ik snap het niet.

Meester: Val je op mannen of op vrouwen?

Leerling: Op mannen.

Meester: Zou je ook op vrouwen kunnen vallen als je ervoor koos?

Leerling: O, zo.

Meester: Snap je?

Leerling: Ooit heb ik een prachtige vrouw moeten afwijzen…

Meester: Ooit heb ik een prachtige man moeten afwijzen…

Leerling: Ajax of Feyenoord?

Meester: Tennis.

Leerling: Een voetbalfan komt makkelijker aan zijn trekken.

Meester: Djokovic of Nadal?

Leerling: Federer.

Meester: De fans van Djokovic hebben meer te vieren.

Leerling: Groente of fruit?

Meester: Snoep.

Leerling: Fijn voor de tandarts.

Meester: Zie je het patroon?

Leerling: Ik zou het liever niet zien.

Meester: En dat wou jij vrije wil noemen?

Leerling: Kan ik het helpen.

Meester: Jezus of Boeddha?

Leerling: Hou op, schei uit.

Is kiezen een keuze?

Wat jij wil

Leerling: Wat is vrije wil?

Meester: Datgene wat je geen keus laat.

Leerling: Maar je kan toch doen wat je wil?

Meester: Maar kan je ook laten wat je wil?

Leerling: Alleen als je wil.

Meester: Dan doe je nog steeds wat je wil.

Leerling: Maar je kan toch laten wat je niet wil?

Meester: Maar kan je ook doen wat je niet wil?

Leerling: Alleen als je wil.

Meester: Dan doe je nog steeds wat je wil.

Leerling: Dus?

Meester: Heb je geen keus.

Leerling: Maar is kiezen nou een keuze of niet?

Meester: Wat jij wil.

Denken of gedacht worden?

De lijdende vorm bedrijven

Leerling: Wij denken niet, wij worden gedacht.

Meester: Geldt dat ook voor dit denken?

Leerling: Uiteraard.

Meester: Hoe weet je dan of het waar is?

Leerling: Hm.

Meester: Want jij staat er niet voor in.

Leerling: Niet als we worden gedacht.

Meester: Als jij er niet voor instaat, wie dan wel?

Leerling: Daar moet ik nog eens goed over nadenken.

Meester: Wie?

Leerling: Ik bedoel, daar moet nog eens goed over worden nagedacht.

Meester: Jij zeg het.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Daar moet ik nog eens goed over worden nagedacht?

Doen of gebeuren?

Verbeurd

Leerling: Ik doe niet, ik gebeur.

Meester: Is dit spreken ook wat gebeurt?

Leerling: Natuurlijk.

Meester: Hoe weet je dan of het waar is?

Leerling: Dat voel ik.

Meester: Is dit voelen ook wat gebeurt?

Leerling: Natuurlijk.

Meester: Hoe weet je dan of het klopt?

Leerling: Dat denk ik.

Meester: Is dit denken ook wat er gebeurt?

Leerling: Ik zie waar u naartoe wilt.

Meester: Is dit zien ook wat er gebeurt?

Leerling: Waar wilt u eigenlijk naartoe?

Meester: Wil ik ergens naartoe of word ik ergens naartoe gewild?

Leerling: Ik geloof niet dat ik dit wil.

Meester: Het is al gebeurd.

Waar is die getuige dan nog voor nodig?

Wat een gedoe

Leerling: Ik ben slechts de getuige, niet de doener.

Meester: Waarvan precies?

Leerling: Van het hele… gedoe, zou ik zeggen.

Meester: Ook van het getuige zijn?

Leerling: Wat?

Meester: Of behoort dat soms niet tot het hele gedoe?

Leerling: Nou u het zegt.

Meester: Waar is die getuige dan nog voor nodig?

Leerling: Eh…

Meester: Waar is die doener dan nog voor nodig?

Leerling: Hè?

Ontvangen wat er gaande is?

Ik heb wel wat beters te doen

Leerling: Ontvangen wat er gaande is, meer hoeven we niet te doen.

Meester: Is ontvangen soms niet wat er gaande is?

Leerling: Nou u het zegt.

Meester: Wat valt er dan nog te doen?

Leerling: Bedoelt u dat we zelfs niet hoeven ontvangen?

Meester: Ik heb wel wat beters te doen.

Is afwijzen soms niet wat er gaande is?

Meer valt er niet te doen

Leerling: Ontvangen wat er gaande is, meer hoeven we niet te doen.

Meester: In tegenstelling tot?

Leerling: Afwijzen wat er gaande is, zou ik zeggen.

Meester: Is afwijzen soms niet wat er gaande is?

Leerling: Nou u het zegt.

Meester: Of moet dat afwijzen soms weer ontvangen worden?

Leerling: Daar vraagt u me wat.

Meester: En als je dat dan weer afwijst?

Leerling: Ik snap er niks meer van.

Meester: Meer valt er niet te doen.

Doen wat je wil of willen wat je doet?

En als niet-willen nou is wat er gebeurt?

Leerling: Het hoogste geluk is niet doen wat je wil maar willen wat je doet.

Meester: Je kan wel zoveel willen.

Leerling: Daarom probeer ik alles te willen wat ik doe.

Meester: Je zal wel moeten.

Leerling: Laat ik het dan zo zeggen, het hoogste geluk is niet doen wat je wil maar willen wat er gebeurt.

Meester: En als niet-willen nou is wat er gebeurt?

Leerling: Wat dacht u hiervan, het hoogste geluk is niet hebben wat je wil maar willen wat je hebt?

Meester: Je kan niet alles hebben.

Leerling: Wat is volgens u het hoogste geluk?

Meester: Niet weten wat het hoogste geluk is?

Leerling: Als ik nou zeg, het hoogste geluk is niet zeggen wat je wil maar willen zeggen wat je zegt?

Meester: Dan zeg ik, ik wou dat ik dat had willen zeggen.

Leerling: Zegt u nu wat u wilt zeggen of wilt u zeggen wat u zegt?

Meester: Wat jij wil.

3 marionetten kruis
Het hoogste geluk

Iedereen wordt beheerst door gedachten over gedachtenbeheersing

Allemaal gedachten

Leerling: Ik wil mijn gedachten leren beheersen.

Meester: Wie zegt dat ik je dat kan leren?

Leerling: Dat dacht ik.

Meester: Wie zegt dat ik het je wil leren?

Leerling: Dat hoopte ik.

Meester: Wie zegt dat je dan beter af bent?

Leerling: Dat meende ik.

Meester: Allemaal gedachten.

Leerling: Kan u…

Meester: Misschien ben ik ook maar een gedachte.

Leerling: Rare gedachte.

Meester: In dat geval vraag jij een gedachte om je gedachten te leren beheersen.

Leerling: Het moet niet veel gekker worden.

Meester: Misschien ben jij ook maar een gedachte.

Leerling: Kon het toch gekker.

Meester: In dat geval vraagt de ene gedachte de andere om zijn gedachten te leren beheersen.

Leerling: Als ik u zo hoor beheerst u uw gedachten ook niet helemaal.

Meester: Wie zegt dat gedachten beheersbaar zijn?

Leerling: Dat…eh…

Meester: Nou?

Leerling: Dacht ik.

Meester: Nog een gedachte?

Leerling: Daar lijkt het wel op.

Meester: Je favoriete gedachte misschien?

Leerling: Hoe weet u dat?

Meester: Iedereen wordt beheerst door gedachten over gedachtebeheersing.

Wil de echte wil nu opstaan?

Balspel of speelbal

Meester: Wie of wat bepaalt jouw leven?

Leerling: Mijn wil, zou ik zeggen.

Meester: Welke wil?

Leerling: Gewoon, de mijne.

Meester: Niet de wil van je reptielenbrein? Niet die van je hersenstam? Niet die van je epifyse? Niet die van je hormonen? Niet die van je genen? Niet die van je geslachtsdelen? Niet die van je instinct? Niet die van je id? Niet die van je ego? Niet die van je superego? Niet die van je lichaam? Niet die van je geest? Niet die van je ziel? Niet die van je…

Leerling: Oké, oké.

Meester: … hart? Niet die van je intuïtie? Niet die van je vrouw? Niet die van je baas? Niet die van je kinderen? Niet die van je vrienden? Niet die van de burgemeester? Niet die van de rechter? Niet die van de staat? Niet die van de natuur? Niet die van de aarde? Niet die van de wereld. Niet die van de kosmos? Niet die van je innerlijke goeroe? Niet die van je zelf? Niet die van het zelf? Niet die van de…

Leerling: Genade!

Meester: Genade is de wil van god.

Vierentwintig bazen

Voor ieder uur van de dag

1.

Volgens rationalisten heeft het verstand het voor het zeggen. Ben jij een rationalist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

2.

Volgens romantici heeft het hart het voor het zeggen. Ben jij een romanticus? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

3.

Volgens materialisten heeft de stof het voor het zeggen. Ben jij een materialist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

4.

Volgens idealisten heeft de geest het voor het zeggen. Ben jij een idealist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

5.

Volgens fascisten heeft de sterkste het voor het zeggen. Ben jij een fascist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

6.

Volgens sociologen heeft de groep het voor het zeggen. Ben jij een socioloog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

7.

Volgens biologen heeft de soort het voor het zeggen. Ben jij een bioloog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

8.

Volgens deterministen heeft het verleden het voor het zeggen. Ben jij een determinist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

9.

Volgens teleologen heeft de toekomst het voor het zeggen. Ben jij een teleoloog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

10.

Volgens scheikundigen hebben moleculen het voor het zeggen. Ben jij een scheikundige? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

11.

Volgens natuurkundigen hebben snaren het voor het zeggen. Ben jij een natuurkundige? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

12.

Volgens neurologen heeft het zenuwstelsel het voor het zeggen. Ben jij een neuroloog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

13.

Volgens genetici hebben de chromosomen het voor het zeggen. Ben jij een geneticus? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

14.

Volgens ecologen heeft de omgeving het voor het zeggen. Ben jij een ecoloog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

15.

Volgens psychologen heeft de mind het voor het zeggen. Ben jij een psycholoog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

16.

Volgens psychoanalytici heeft het id het voor het zeggen. Ben jij een psychoanalyticus? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

17.

Volgens astrologen hebben de sterren het voor het zeggen. Ben jij een astroloog? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

18.

Volgens holisten heeft het geheel het voor het zeggen. Ben jij een holist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

19.

Volgens taoïsten heeft de tao het voor het zeggen. Ben jij een taoïst? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

20.

Volgens christenen heeft god het voor het zeggen. Ben jij een christen? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

21.

Volgens hindoes heeft brahman het voor het zeggen. Ben jij een hindoe? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

22.

Volgens non-dualisten heeft atman het voor het zeggen. Ben jij een non-dualist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

23.

Volgens boeddhisten heeft anatman het voor het zeggen. Ben jij een boeddhist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

24.

Volgens individualisten hebben wij het zelf voor het zeggen. Ben jij een individualist? Is dat je eigen keuze? Geloof je dat nou echt?

Ben jij een marionet of trek je aan de touwtjes?

1.

Leerling: Bent u een marionet of trekt u aan de touwtjes?

Meester: Ik ben de marionet die aan de touwtjes trekt.

2.

Leerling: Bent u een marionet of trekt u aan de touwtjes?

Meester: Stel jij die vraag of moest je wel?

3.

Leerling: Bent u een marionet of trekt u aan de touwtjes?

Meester: Misschien trek ik wel aan de touwtjes…

Leerling: Maar?

Meester: Of ze ook ergens aan vast zitten?

Loop jij vanzelf of draait er iemand aan jouw sleuteltje?

(d)raaien maar

Leerling: Loopt u vanzelf of draait er iemand aan uw sleuteltje?

Meester: Stel dat er iemand aan mijn sleuteltje draait…

Leerling: Nou?

Meester: Wie draait er dan aan zijn sleuteltje?

Leerling: Verdraaid.

Meester: Stel daarentegen dat er niemand aan mijn sleuteltje draait…

Leerling: Nou?

Meester: Waarom zou je het dan aan mij toeschrijven?

Leerling: Verroest.

Tip: Het regressieprobleem.

De poppen aan het dansen

Curieuzer en curieuzer

1.

Leerling: Bent u de pop of de speler?

Meester: Het spel.

2.

Leerling: Bent u de pop, de speler of het spel?

Meester: De toeschouwer.

3.

Leerling: Bent u de pop, de speler, het spel of de toeschouwer?

Meester: De speelruimte.

4.

Leerling: Bent u de pop, de speler, het spel, de toeschouwer of de speelruimte?

Meester: Alles.

5.

Leerling: Bent u de pop, de speler, het spel, de toeschouwer, het veld, de speelruimte of alles?

Meester: Niets.

Leerling: En ik?

Meester: Jij bent degene die niet van ophouden weet.

Leerling: Ik dacht dat u degene was die niet van ophouden wist.

Meester: Ik weet van niets.

Onuitgesproken veronderstellingen

Leerling: Hebben wij een vrije wil?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of we een wil hebben.

Leerling: Hebben wij een wil?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of we zijn.

Leerling: Zijn wij?

Meester: Eerst maar eens vaststellen wat zijn is.

Leerling: Wat is zijn?

Meester: Wat is dat nou weer voor vraag.

Waar in de mens zit de wil?

Turgor et emergo

Leerling: Hebben wij een vrije wil?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of wij een wil hebben.

Leerling: Hebben wij een wil?

Meester: Heeft een auto een wil?

Leerling: Wat?

Meester: Waar in de auto zit de wil om te rijden? In de tank? In de motor? In de wielen?

Leerling: In de chauffeur natuurlijk.

Meester: Waar in de mens zit de wil?

Leerling: Wat een vraag.

Meester: Als de stemming erin zit, waar zit die dan in?

Leerling: Wanneer?

Meester: Op een feestje, in een café…

Leerling: Dat is een wijze van spreken.

Meester: Iemand een wil toedichten niet?

Leerling: De wil is reëel.

Meester: Waar in de lucht zit de wil om te waaien?

Leerling: Dat is een kwestie van druk.

Meester: Waar in het water zit de wil om te bevriezen?

Leerling: Dat is een kwestie van temperatuur.

Meester: Waar in de steen zit de wil om te vallen?

Leerling: Ja, zo kan ik het ook.

Meester: Wat?

Leerling: U beperkt u tot levenloze dingen.

Meester: Waar in de plant zit de wil om te groeien?

Leerling: Groeien gebeurt vanzelf.

Meester: Handelen niet?

Leerling: Handelen komt voort uit de wil.

Meester: Waar in de plant zit de wil om naar het licht te keren?

Leerling: Een mens is geen plant.

Meester: Is naar het licht keren geen handelen?

Leerling: Naar het licht keren is een kwestie van turgor.

Meester: Waar in de bacterie zit de wil om zich te vermenigvuldigen?

Leerling: Kunnen we het niet over hogere wezens hebben?

Meester: Waar in de geit zit de wil om melk te geven?

Leerling: Dat is een kwestie van hormonen.

Meester: De wil niet?

Leerling: Kunnen we het niet over hogere wezens hebben?

Meester: Waar in de koe zit de wil om te loeien?

Leerling: Een koe loeit maar wat.

Meester: Een mens kletst maar wat.

Leerling: U in elk geval wel.

Meester: Waar in de chimpansee zit de wil om te krijsen?

Leerling: Ik ben toch zeker geen chimpansee?

Meester: Waar in de mens zit de wil om te willen?

Leerling: In zijn hele wezen.

Meester: Net als zijn bewustzijn zeker.

Leerling: Het bewustzijn is een uitvinding van het hindoeïsme.

Meester: Net als zijn ziel dan.

Leerling: De ziel is een uitvinding van het christendom.

Meester: De wil zeker niet.

Leerling: Misschien kan je de wil nergens vinden omdat je hem bént.

Meester: Misschien kan je de wil nergens vinden omdat hij nergens is.

Leerling: Misschien kan je de wil nergens vinden omdat hij overal is.

Meester: Misschien kan je de wil overal vinden omdat het een idee is.

Leerling: Misschien is dat ook maar een idee.

Meester: Misschien is dat ook maar een idee.

Leerling: Dus volgens u heb ik geen vrije wil?

Meester: Misschien is dat ook maar een idee.

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: Bedoelt u dat ik toch een vrije wil heb?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of je een ik hebt.

Vrijheidsbeeld of beeldenstorm?

Als je ieder begrip a priori weigert

Leerling: Ik zoek de vrijheid.

Meester: De wat?

Leerling: Ik bedoel de vrijheid die je bereikt door ieder begrip, iedere definitie a priori te weigeren.

Meester: A priori?

Leerling: Aha, u was me voor.

Meester: Begrip?

Leerling: En nog eens.

Meester: Weigeren?

Leerling: Jeetje.

Meester: Bereiken?

Leerling: Hm.

Meester: Ik?

Leerling: …

Meester: En dit wou jij vrijheid noemen?

Zonder keuzevrijheid heb je er niets aan om te weten wat beter is

Kiezen en delen

Leerling: Wat is activisme?

Meester: De overtuiging dat je iets moet doen om de wereld te verbeteren.

Leerling: Wat is fatalisme?

Meester: De overtuiging dat je niets kan doen om de wereld te verbeteren.

Leerling: Wat is beter?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of je kan kiezen.

Leerling: Hoezo?

Meester: Zonder keuzevrijheid heb je er niets aan om te weten wat beter is.

Leerling: Kan je kiezen?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of de wereld echt is.

Leerling: Hoezo?

Meester: Wat heb je eraan om een illusie te verbeteren?

Leerling: Is de wereld echt?

Meester: Hoe stel je zoiets vast?

Leerling: Dit schiet niet op.

Meester: Activist.

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Fatalist.

Verdeeldheid is je natuurlijke staat

Streven naar eenheid is een vorm van verdeeldheid

Leerling: Wat is onze natuurlijke staat?

Meester: Verdeeldheid natuurlijk.

Leerling: Eenheid natuurlijk.

Meester: O ja?

Leerling: Daar streef ik tenminste al jaren naar.

Meester: Nou dan.

De wil wil steeds wat anders

’t Is niet anders

Leerling: Wat is de aard van de wil?

Meester: Dat je steeds wat anders wil.

Leerling: Steeds wat anders?

Meester: Ga maar na wat je in je leven zoal hebt gewild.

Leerling: Ik wil altijd iets doen wat ik niet doe… Ik wil altijd iets niet doen wat ik wel doe… Ik wil altijd iets hebben wat ik niet heb… Ik wil altijd iets niet hebben wat ik wel heb… Ik wil altijd iets zijn wat ik niet ben… Ik wil altijd iets niet zijn wat ik wel ben.

Meester: Zie je wel?

Leerling: Steeds wat anders.

Meester: Dat is de aard van de wil.

Leerling: Maar dat wil ik helemaal niet.

Meester: Zie je wel?

De wil is wat je verscheurt

De grote verdeler

Leerling: Wat is de wil?

Meester: Wat je verscheurt.

Leerling: De wil is wat je verscheurt?

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Geef eens een voorbeeld.

Meester: Je wil deugen én ondeugend zijn. Je wil honger hebben én vol zitten. Je wil lui zijn én sporten. Je wil snoepen én slank zijn. Je wil drinken én helder blijven. Je wil roken én fit zijn. Je wil spelen én werken. Je wil je binden én vrij blijven. Je wil verzorgd worden én autonoom zijn. Je wil leven én eruit stappen. Je wil uitgaan én thuisblijven. Je wil bezitten én zorgeloos zijn. Je wil opvallen én onopgemerkt blijven. Je wil intimideren én vertrouwen wekken. Je wil contact én met rust gelaten worden. Je wil geven én nemen. Je wil vrede én oorlog. Je wil kwellen én troosten. Je wil scheppen én vernietigen. Je wil je zin doordrijven én loslaten. Je wil van anderen leren én hun ongelijk bewijzen.

Leerling: Dat kan ik allemaal niet ontkennen.

Meester: Mensen bidden om veiligheid én om de volgende ramp.

Leerling: Kan u soms gedachten lezen?

Meester: De wil verdeelt en heerst.

Leerling: Hoe kom ik tot eenheid?

Meester: Dat bedoel ik.

Leerling: Wat?

Meester: Eenheid nastreven is verdeeld blijven.

Leerling: Dat snap ik niet.

Meester: Omdat je je daarmee verzet tegen je innerlijke verscheurdheid.

Leerling: Maar ik wil me niet verzetten.

Meester: Zie je wel.

Leerling: Maar ik wil niet verscheurd blijven.

Meester: Zie je wel.

Kan je je innerlijke verdeeldheid overwinnen?

Een hopeloze zaak

Leerling: Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door me niet langer met mijn wil te identificeren?

Meester: Afstand doen van je wil is verdeeld raken.

Leerling: Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door mezelf niet langer als een persoon op te vatten?

Meester: Afstand doen van je persoon is verdeeld raken.

Leerling: Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door niet langer te investeren in concepten als ‘innerlijk’, ‘verdeeldheid’ en ‘eenheid’?

Meester: Wat opgegeven is kan je niet meer overwinnen.

Leerling: Ik weiger mij nog langer door mijn wil te laten verdelen.

Meester: Je identificeert je met je wil.

Leerling: Maar ik kan toch niet…

Meester: Je vat jezelf op als een persoon.

Leerling: Maar eenheid is toch…

Meester: Je investeert in concepten.

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Dat mocht je willen.

Leerling: Kan ik mijn innerlijke verdeeldheid overwinnen door me niet langer met mijn wil te identificeren?

Ben jij opzettelijk boos?

Kies je er soms voor om boos te zijn?

Leerling: Wat ik nog het ergste vind: ik wílde u pijn doen.

Meester: Waarom is dat erg?

Leerling: Het was boos opzet.

Meester: Maar was je ook opzettelijk boos?

Leerling: Hè?

Meester: Koos je er soms voor om boos te zijn?

Leerling: Doe niet zo gek.

Meester: Koos je er dan misschien voor om toe te laten wat zich aan je opdrong?

Leerling: Niet dat ik weet.

Meester: Nou dan.

Doe je het expres met opzet?

Kies je ervoor om iets met opzet te doen?

Leerling: En ik deed het nog expres ook.

Meester: Maar deed je het expres expres?

Leerling: Pardon?

Meester: Deed je het opzettelijk met opzet?

Leerling: Er was zeker opzet in het spel…

Meester: Maar niet opzettelijk?

Leerling: Ik geloof niet dat ik ervoor koos om het met opzet te doen.

Meester: Waarom verontschuldig je je dan?

Leerling: En als ik nou had gezegd dat ik het opzettelijk met opzet deed?

Meester: Dan had ik gevraagd of je het met opzet opzettelijk met opzet deed.

De perongelukexpress

Als per ongeluk een soort expres is en expres een soort per ongeluk

Jan: Ik deed het per ongeluk.

Jans: Je deed het expres.

Jan: Ik deed het per ongeluk.

Jans: Je deed het expres.

Meester: Wat bedoel jij met per ongeluk?

Jan: Dat ik er niets aan kon doen.

Meester: Wat bedoel jij met expres?

Jans: Dat hij erop uit was.

Meester: En als je er nou eens niets aan kan doen dat je erop uit bent?

Jan: Dan is expres een soort per ongeluk.

Jans: Dan is per ongeluk een soort expres.

Meester: Dan zijn we eruit.

Neem jij iemand weleens iets kwalijk?

Twee verschillen

Leerling: Neem jij iemand weleens iets kwalijk?

Meester: O, zo vaak.

Leerling: Ik ook.

Meester: Wie niet.

Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Dat jij weleens denkt dat je gelijk hebt.

Leerling: Ik denk ook weleens dat de ander gelijk heeft, hoor.

Meester: En dat is het tweede verschil.

Ik neem niet aan dat jij jezelf in de hand hebt

En ook niet van niet

Leerling: Wat moet ik doen om net zo vergevingsgezind te worden als u?

Meester: Hoe kom je daar nou bij?

Leerling: Wat ik ook doe, u vergeeft het mij.

Meester: Welnee.

Leerling: Zelfs als ik zweer dat ik iets met opzet deed, vergeeft u mij nog.

Meester: Dat lijkt maar zo.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Ik heb je nog nooit iets vergeven.

Leerling: Wat zeg je me daar?

Meester: Ik neem alleen niet aan dat jij jezelf in de hand hebt.

Leerling: U neemt aan dat ik mezelf niet in de hand heb.

Meester: Ook niet.

Leerling: En anderen?

Meester: Ik neem niet aan dat anderen zichzelf in de hand hebben.

Leerling: Maar wel dat ze zichzelf niet in de hand hebben?

Meester: Ook niet.

Leerling: En u?

Meester: Ik neem niet aan dat ik mezelf in de hand heb.

Leerling: En ook niet dat u uzelf niet in de hand hebt, zeker.

Meester: Mij niet gezien.

Leerling: U neemt niet aan dat mensen toerekeningsvatbaar zijn.

Meester: Of ontoerekeningsvatbaar.

Leerling: Waar gaat u dan van uit?

Meester: Ik ga nergens van uit.

Leerling: Behalve dat u nergens van uitgaat, zeker?

Meester: Dat ook niet.

Leerling: En daarom vergeeft u zo gemakkelijk?

Meester: Met vergeving heeft het dus niets te maken.

Leerling: Het is niet zo dat u voortdurend uw hart laat spreken?

Meester: Wie luistert er nou naar zijn hart.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Dat obstinate gebonk.

Leerling: Ik bedoel natuurlijk je gevoel.

Meester: Als ik daarnaar moest luisteren…

Leerling: Wat dan?

Meester: Dan waren er al duizend doden gevallen.

Leerling: Wat?

Meester: Dan had ik al duizend keer mijn geld weggegeven.

Leerling: Echt?

Meester: Dan was ik al duizend keer vader geweest.

Leerling: Waar luistert u dan wel naar?

Meester: Overal naar, zou ik zeggen.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Nergens naar, dan?

Leerling: Ik snap er niks meer van.

Meester: Nou dan.

Leerling: Het is dus geen goedheid van uw kant.

Meester: Wat is dat?

Leerling: En ik maar denken dat u een soort heilige was.

Meester: En jij maar denken.

Is een boom toerekeningsvatbaar?

Samenloop van verstandigheden

Meester: Stel dat er een tak bovenop je hoofd valt, sleep jij de boom dan voor de rechter?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat een boom niet toerekeningsvatbaar is.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat er geen boos opzet in het spel is.

Meester: Hoe weet je dat?

Leerling: Omdat ik… eh… dat veronderstel ik.

Meester: Waarom?

Leerling: Het afbreken van de tak net als ik er onderdoor loop is gewoon een samenloop van omstandigheden.

Meester: Wat voor omstandigheden?

Leerling: Natuurkrachten. Toevalligheden. Een windvlaag. Misschien is de tak wel beschadigd bij een aanrijding met een vrachtwagen eerder dat jaar. Het toenemend gewicht van de bladeren in combinatie met de zwaartekracht. Bezuinigingen bij de plantsoenendienst. Het feit dat ik me vanmorgen verslapen heb waardoor ik wat later dan gewoonlijk naar mijn werk ging. De omweg die ik nam om een beker meeneemkoffie te kopen. Dat soort dingen.

Meester: Stel dat een voorbijganger je met een eind hout voor je kop slaat, sleep je hem dan voor de rechter?

Leerling: Reken maar.

Meester: Waarom?

Leerling: Omdat er dan wel boos opzet in het spel is.

Meester: Hoe weet je dat?

Leerling: Waarom zou hij mij anders slaan?

Meester: Samenloop van omstandigheden. Je liep daar net op het verkeerde moment. Je droeg een rode jas net als degene…

Leerling: Een mens is geen boom.

Meester: O?

Leerling: Een dader heeft altijd een keuze.

Meester: Hoe gaat dat kiezen in zijn werk?

Leerling: Hij heeft allerlei gedachten die ertoe bijdragen dat hij iemand wil molesteren en uiteindelijk juist mij als slachtoffer uitkiest.

Meester: Zijn gedachten soms geen omstandigheden?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Onder omstandigheden versta ik krachten die niemand beheerst.

Meester: Nou dan.

Leerling: Gedachten zijn een keuze.

Meester: Denk je dat of overkomt die gedachte je?

Leerling: Dat gedachten een keuze zijn?

Meester: Nou?

Leerling: Dat denk ik. Denk ik.

Meester: Is het bijvoorbeeld denkbaar dat jij iemand die jou heeft gemolesteerd niet voor de rechter zou slepen?

Leerling: Ondenkbaar.

Meester: Nou dan.

Vrije wil, vrije geest of vrij bewustzijn?

Kiezen of keuzeloos gewaarzijn? Het ‘never mind’ van de nevermind.

Leerling: Hoeveel soorten vrijheid zijn er?

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Leerling: Ik vraag het nu aan u.

Meester: Dan zijn er drie soorten vrijheid.

Leerling: Welke drie?

Meester: Vrije wil, vrije geest en vrij bewustzijn.

Leerling: Wat moet ik me voorstellen bij een vrije wil?

Meester: Doen wat je wil en laten wat je niet wil.

Leerling: Wat moet ik me voorstellen bij een vrije geest?

Meester: Denken wat je wil zonder zeggenschap over je doen en laten.

Leerling: Wat moet ik me voorstellen bij een vrij bewustzijn?

Meester: Kijken wat je wil zonder zeggenschap over je denken, doen en laten.

Leerling: Hoe heet degene met een vrije wil?

Meester: De doener of de persoon.

Leerling: Hoe heet degene met een vrije geest?

Meester: De denker of de commentator.

Leerling: Hoe heet degene met een vrij bewustzijn?

Meester: De kenner of de getuige.

Leerling: Non-dualisten en dzogchenboeddhisten geloven dat wij slechts de kenner zijn, ook al houden we onszelf voor de doener.

Meester: Stelletje denkers.

Leerling: De vrije wil en de vrije geest zijn in hun optiek illusies.

Meester: Misschien is dat ook maar een illusie.

Leerling: Maar hebben wij nou een vrije wil, een vrije geest of een vrij bewustzijn?

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Leerling: Ik vraag het nu aan u.

Meester: Vragen staat vrij.

Leerling: Ik moet me echt inhouden nu.

Meester: Noem dat maar vrijheid.

Leerling: Wat verstaat u onder gebondenheid?

Meester: Geloven dat je een vrije wil, een vrije geest of een vrij bewustzijn hebt.

Leerling: Hè?

Meester: Had je niet gedacht, hè?

Leerling: Maar wat verstaat u dan onder vrijheid?

Meester: Niet geloven dat je een vrije wil, een vrije geest of een vrij bewustzijn hebt.

Leerling: Bedoelt u dat we geen van drieën hebben?

Meester: En niet geloven dat je geen vrije wil, geen vrije geest en geen vrij bewustzijn hebt.

Leerling: Maar wat is vrijheid dan wel?

Meester: Je gedachten niet geloven.

Leerling: Aha.

Meester: Deze ook niet.

Leerling: Vrijheid is al je gedachten achter je laten?

Meester: Deze ook.

Leerling: Niet te geloven, dit.

Meester: Dat bedoel ik.

Leerling: Ik bedoel, nou weet ik nog niks.

Meester: Dan noem je dat toch vrijheid.

Leerling: Is dat vrijheid?

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Kwadratuur van de twijfel

Een moeras van veronderstellingen

Leerling: Dus u betwijfelt dat we een vrije wil hebben?

Meester: Ik betwijfel dat de wil vrij is.

Leerling: Bedoelt u dat de wil onvrij is?

Meester: Ik betwijfel dat de wil onvrij is.

Leerling: Het enige waar u niet aan twijfelt is de wil zelf.

Meester: Ik betwijfel dat we een wil hebben.

Leerling: Denkt u dat we geen wil hebben?

Meester: Ik betwijfel dat we er geen hebben.

Leerling: Wou u beweren dat ik…

Meester: Ik betwijfel dat er een ik is.

Leerling: Bedoelt u dat ik niet besta?

Meester: Ik betwijfel dat er geen ik is.

Leerling: Maar we leven toch in een wereld waarin…

Meester: Ik betwijfel dat er een wereld is.

Leerling: Bedoelt u dat alles een illusie is?

Meester: Ik betwijfel dat alles een illusie is.

Leerling: Bedoelt u dat er een hogere realiteit is?

Meester: Ik betwijfel dat er een hogere realiteit is.

Leerling: U twijfelt overal aan.

Meester: Zeker weten.

Leerling: Nou weet ik nog niks.

Meester: Zeker weten?

Leerling: In ieder geval twijfel ik nu aan de vrije wil.

Meester: Ik allang niet meer.

Leerling: Bedoelt u dat we toch een vrije wil hebben?

Meester: Ik bedoel dat ik niet meer twijfel.

Leerling: Bedoelt u dat de vrije wil niet bestaat?

Meester: Ik bedoel dat ik niet meer twijfel.

Leerling: Maar als u niet meer twijfelt dan weet u toch hoe het zit?

Meester: Of het interesseert je niet meer.

Leerling: Op die manier.

Meester: Of je gelooft niet meer in de vraag.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of in de begrippen waarop de vraag is gebaseerd.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of in de aannames die aan de vraag ten grondslag liggen.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of in de mogelijkheid van een eenduidig antwoord.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of in het nut daarvan.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of zelfs maar in niet-geloven.

Leerling: U twijfelt nergens meer aan.

Meester: Zeker weten.

Leerling: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Meester: Zeker weten?

Eigenmacht of overmacht?

Verschillende namen voor hetzelfde

Leerling: Wat is de wil?

Meester: Welke wil?

Leerling: De vrije wil.

Meester: Een innerlijke eigenmacht die je in staat stelt iets te doen of te laten.

Leerling: Is er dan nog een andere wil?

Meester: De onvrije wil.

Leerling: Wat is dat?

Meester: Een innerlijke overmacht die je dwingt iets te doen of te laten.

Leerling: Welke wil is de sterkste?

Meester: Verschillende namen voor hetzelfde.

Leerling: Wanneer gebruik je de ene naam en wanneer de andere?

Meester: Als je je ermee identificeert noem je het de vrije wil, als je je ervan distantieert de onvrije.

Leerling: Hoe noemt u het?

Meester: Wat?

Leerling: Ik bedoel, identificeert u zich ermee of distantieert u zich ervan?

Meester: Wie?

Leerling: Hè?

Meester: Waarmee?

Leerling: Nou ja.

Meester: Waarvan?

Leerling: De wil, man.

Meester: Wat is de wil?

januskop

De wil is altijd gebonden

Kan jij ergens in jezelf ook maar het geringste spoortje vrije wil ontdekken?

Leerling: Hebben wij een vrije wil?

Meester: Vrije wil bestaat niet.

Leerling: Hoezo?

Meester: De wil is altijd gebonden.

Leerling: Waaraan?

Meester: Aan wat hij maar wil.

Leerling: Zoals?

Meester: Een droomhuis, verlossing, wijsheid, een kind, alcohol, nirwana, een slank lichaam, een betere wereld, liefde, geld, gezondheid, werelds geluk, hemels geluk, zelfbeheersing, onverstoorbaarheid, populariteit, een goede leraar, leerlingen, vrede, oorlog, het beste, het slechtste, het hoogste, het laagste, het duurste, het goedkoopste, het grootste, het kleinste, het mooiste, het lelijkste…

Leerling: Maar ik kan toch zeker…

Meester: Kan jij ergens in jezelf ook maar het geringste spoortje vrije wil ontdekken?

Leerling: …

Meester: En?

Leerling: Niks.

Meester: De wil is altijd gebonden.

Leerling: Raar maar waar.

Meester: Vandaar dat je er nooit over kan beschikken.

Heeft je droom-ik een vrije wil?

Echte dromen

Meester: Heb jij het voor het zeggen in dit leven?

Leerling: Nou en of, ik maak mijn eigen keuzes.

Meester: De mensen waarover je ’s nachts droomt, hebben die het voor het zeggen?

Leerling: Ik denk het niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ze niet echt zijn.

Meester: Waarom zijn ze niet echt?

Leerling: Omdat ze alleen in mijn dromen verschijnen.

Meester: De ik in je dromen, heeft die het voor het zeggen?

Leerling: In mijn dromen denkt hij van wel.

Meester: En achteraf?

Leerling: Achteraf natuurlijk niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat hij dan niet echt blijkt te zijn.

Meester: Maar jij bent wel echt?

Leerling: Wie droomt anders al die dromen?

Meester: En als je zo aanstonds wakker wordt?

Leerling: Nog een keer?

Meester: Hoezo?

Leerling: Ik ben vanmorgen ook al wakker geworden.

Meester: Misschien was dat ook maar een droom.

Leerling: En dit gesprek dan?

Meester: Zeker weten dat het echt is?

Leerling: Als ik op mijn gevoel af ga wel.

Meester: Is je gevoel absoluut betrouwbaar?

Leerling: Was dat maar waar.

Meester: Als dit een droom zou zijn, heb jij het dan op dit moment voor het zeggen?

Leerling: Ik vrees van niet.

Meester: Meer heb ik niet te zeggen.

Heeft een kip zonder kop een wil?

Kippenkoorts

Leerling: Alle voelende wezens hebben een wil.

Meester: Hoezo?

Leerling: Alle voelende wezens doen iets, nietwaar?

Meester: En?

Leerling: Als je iets doet betekent dat per definitie dat je het wil.

Meester: Kan een kip zonder kop iets willen?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Waarom rent ze dan toch rond?

Leerling: Wou u de mens vergelijken met een kip zonder kop?

Meester: Eerder met een kop zonder kip.

Leerling: Heeft een kop zonder kip soms geen wil?

Meester: Dat weet ik zo net niet…

Leerling: Maar?

Meester: Hij gaat in elk geval nergens meer heen.

Is er een manier om jezelf te bevrijden van je wil?

Wat is het dat zich waarvan wil bevrijden?

Leerling: Is er een manier om mezelf te bevrijden van mijn wil?

Meester: Hier spreekt de wil.

Leerling: Ik dacht dat ik het zelf was.

Meester: Je wil je toch van de wil bevrijden?

Leerling: Nou en of.

Meester: Is dat soms geen willen?

Leerling: Hoelang zal ik nog aan mijn wil gebonden blijven?

Meester: Zolang je je ermee identificeert.

Leerling: En als ik er afstand van neem?

Meester: Waarom zou je?

Leerling: Omdat ik me er niet langer mee wil identificeren natuurlijk.

Meester: Hier spreekt de wil.

Leerling: Stel dat ik mij er op geen enkele wijze meer mee identificeer.

Meester: Wat dan?

Leerling: Ben ik er dan van bevrijd?

Meester: Die vraag is dan niet meer aan de orde.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Wat is iemand die zich niet meer identificeert met zijn wil?

Leerling: Daar vraagt u me wat.

Meester: Wat is een wil waarmee niemand zich meer identificeert?

Leerling: Idem dito.

Meester: Wie is het dan die zich waarvan zou moeten bevrijden?

Leerling: Ik zou het ook niet weten.

Meester: Nou, ik ook niet.

Leerling: Maar hoe bevrijd ik mij nu van de vraag hoe ik mij van de wil bevrijd?

Meester: Hier spreekt de wil.

Vastzitten in je verlangen naar vrijheid

Vrijheidsjunkies

Leerling: Ik wil helemaal vrij zijn.

Meester: Dan zit je daarin vast.

Jaren later

Leerling: Ik wil helemaal vrij zijn van het verlangen naar vrijheid.

Meester: Dan zit je daarin vast.

Jaren later

Leerling: Ik wil helemaal vrij zijn van het verlangen naar het verlangen naar vrijheid.

Meester: Dan zit je daarin vast.

Jaren later

Leerling: Ik wil helemaal vrij zijn van het verlangen naar het verlangen naar het verlangen…

Meester: Houdoe.

Heb jij werkelijk alles over voor de vrijheid?

Zelfs de overtuiging dat je alles over hebt voor de vrijheid?

Leerling: Ik heb álles over voor de vrijheid!

Meester: Ook jezelf?

Leerling: Alles!

Meester: Ook het zelf?

Leerling: Alles.

Meester: Ook niet-zelf?

Leerling: Eh… alles?

Meester: Ook de vrijheid?

Leerling: Ik geloof…

Meester: Ook de overtuiging dat je alles over hebt voor de vrijheid?

Leerling: Nou…

Meester: Ben je bereid zelfs het opgeven van jezelf, van het zelf, van niet-zelf, van de vrijheid en van al je overtuigingen op te geven?

Leerling: …

Meester: Als ik het niet dacht.

Kan je zonder vrije wil iedere aansprakelijkheid afwijzen?

Geloofsdwang

Leerling: Zonder vrije wil kan je iedere aansprakelijkheid afwijzen.

Meester: Met welk excuus?

Leerling: Dat alles gebeurt zoals het moet gebeuren.

Meester: Zonder vrije wil kan je er niet voor kiezen wat dan ook af te wijzen met welk excuus ook.

Leerling: Maar als iemand met dat soort excuses komt, wat moet je dan?

Meester: Het hangt ervan af of je in de vrije wil gelooft of niet.

Leerling: Als je erin gelooft?

Meester: Dan moet je dat soort excuses wel afwijzen.

Leerling: En als je er niet in gelooft?

Meester: Dan moet je ze wel aanvaarden.

Wat als we de vrije wil afschaffen?

Inconsequenties

1.

Leerling: Als mensen het niet voor het zeggen hebben, waarom zou je ze dan nog bedanken?

Meester: Omdat je het niet voor het zeggen hebt?

2.

Leerling: Als je niet weet of mensen het voor het zeggen hebben, waarom zou je ze dan nog bedanken?

Meester: Als je niet weet of mensen het voor het zeggen hebben, waarom niet?

3.

Leerling: Als we het werkelijk niet voor het zeggen hebben, moeten we consequent zijn en ophouden elkaar te bedanken.

Meester: Niet zolang we inconsequent moeten zijn.

4.

Leerling: Zonder vrije wil kan je wel ophouden met het belonen van goed gedrag.

Meester: Zonder vrije wil kan je nergens mee ophouden.

5.

Leerling: Als we de vrije wil afschaffen, gaat de verantwoordelijkheid mee. Als we de verantwoordelijkheid afschaffen, gaat de moraal mee. Als we de moraal afschaffen, gaat de beschaving mee. Als we de beschaving afschaffen, wordt het een jungle.

Meester: Zonder vrije wil kan niemand iets afschaffen.

Leerling: En als het toch gebeurt?

Meester: Zonder vrije wil kan niemand dat tegengaan.

6.

Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, hoeven we ook geen complimentjes meer te geven.

Meester: Als we het niet voor het zeggen hebben, hoeven we ze ook niet in te houden.

Leerling: En als we ze toch inhouden?

Meester: Dan is daar niets aan te doen.

Leerling: En als we onszelf weten te overwinnen en toch complimentjes geven?

Meester: Dan helpt daar geen lieve moedertje aan.

7.

Leerling: Zonder keuzevrijheid valt er geen eer meer te behalen.

Meester: Zonder keuzevrijheid zul je wel moeten.

8.

Leerling: Zonder vrije wil kunnen we net zo goed bij de pakken neer gaan zitten.

Meester: Ook daar heb je dan niets over te zeggen.

9.

Leerling: Determinisme leidt tot fatalisme.

Meester: Alleen als het is voorbestemd.

10.

Leerling: Deterministen verleiden ons tot wanhoop.

Meester: Ze moeten wel.

11.

Leerling: Zonder vrije wil kan je niet eens tegen een ander zeggen ‘doe dit’ of ‘laat dat’ of ‘je moet’ of ‘je mag niet’.

Meester: Zonder vrije wil kan je het niet eens laten.

Leerling: Zonder vrije wil hoeft de ander zich er niets meer van aan te trekken.

Meester: Zonder vrije wil kan hij dat ook niet laten.

12.

Leerling: Zonder vrije wil kan niemand mij meer laf noemen.

Meester: Zonder vrije wil kan niemand zich inhouden.

Leerling: Maar dan hoef ik me er in ieder geval niets meer van aan te trekken.

Meester: Tenzij je het niet kan laten.

13.

Leerling: Zonder vrije wil kunnen we het opvoeden wel staken.

Meester: Staken veronderstelt een vrije wil.

14.

Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, kunnen we de rechtspraak wel opheffen.

Meester: Niet als we het niet voor het zeggen hebben.

15.

Leerling: Hoe kan ik nou trots zijn op mezelf als alles me overkomt?

Meester: Hoe kan je nou niet trots zijn op jezelf als het je overkomt?

16.

Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, verandert alles.

Meester: Maar niet door ons.

17.

Leerling: Als we het niet voor het zeggen hebben, verandert er niets.

Meester: Tenzij vanzelf.

Hoe gedraagt iemand zonder vrije wil zich volgens jou?

Stijl- en schertsfiguren

Meester: Geloof jij in de vrije wil?

Leerling: Zeker.

Meester: Waarom?

Leerling: Ik heb nog nooit iemand zonder vrije wil gezien.

Meester: Hoe gedraagt iemand zonder vrije wil zich volgens jou?

Leerling: Hij neemt niemand iets kwalijk. Hij onderneemt niets. Hij probeert niemand op te voeden. Hij probeert zichzelf niet te verbeteren. Hij heeft geen moraal en geen geweten. Hij bedankt niemand en neemt geen bedankjes in ontvangst. Hij heeft geen eergevoel en eert niemand. Hij doet niet aan complimentjes. Hij heeft geen schuldgevoel en kent geen schaamte.

Meester: Is dat hoe iemand zonder vrije wil zich gedraagt of hoe jij denkt dat iemand zonder vrije wil zich zou gedragen?

Leerling: Het lijkt me nogal logisch.

Meester: Is dat hoe jij je zou gedragen als je geen vrije wil had of hoe jij je zou proberen te gedragen als je dacht dat je geen vrije wil had?

Leerling: Nou…

Meester: Hebben romanfiguren volgens jou een vrije wil?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ze een verzinsel van de auteur zijn.

Meester: En toch gedragen ze zich alsof ze een vrije wil hebben.

Leerling: Daarom heet het fictie.

Meester: Als jij geen vrije wil had, zou jij je dan kunnen gedragen zoals jij meent dat iemand zonder vrije wil zich zou gedragen?

Leerling: Hm.

Meester: Wat?

Leerling: Niet als het al niet vanzelf gebeurde.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ik het dan niet voor het zeggen had.

Meester: Nou dan.

Als je niet weet of je een vrije wil hebt

Van twee walletjes eten

Leerling: Als je een vrije wil hebt ben je overal voor verantwoordelijk.

Meester: Nou, overal.

Leerling: Als je geen vrije wil hebt, ben je nergens voor verantwoordelijk.

Meester: En als je het niet weet?

Leerling: Dat kan ik beter aan u vragen.

Meester: Dan leef je alsof het allebei waar is.

Leerling: Waarom niet alsof het allebei onwaar is?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Leerling: Of waar én onwaar?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Leerling: Of waar noch onwaar?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Leerling: En als je ook dat niet meer weet?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Leerling: Maar zijn we nou wel of niet verantwoordelijk?

Meester: Daar komt het wel op neer.

Wat is de beste zienswijze?

Weeghals

Leerling: Als je niet in de vrije wil gelooft, hoef je je nergens meer voor te schamen.

Meester: Een hele opluchting.

Leerling: Als je wel in de vrije wil gelooft, kan je blij zijn met ieder complimentje en bedankje.

Meester: Een groot genoegen.

Leerling: Als je erin gelooft noch niet gelooft, zit je nergens meer aan vast, wat een ander woord is voor vrijheid.

Meester: Wat is de vraag?

Leerling: Wat is volgens u de beste zienswijze?

Meester: Je veronderstelt dat er een beste zienswijze is.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik dat weet.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.

Leerling: Als u het niet weet, bij wie moet ik dan wezen?

Meester: Je veronderstelt dat iemand het weet.

Leerling: Bedoelt u dat niemand het weet?

Meester: Hoe moet ik dat weten?

Leerling: Hoe moet ik er dan achter komen?

Meester: Je veronderstelt dat je erachter kan komen.

Leerling: Volgens mij ben je het beste af als je in iedere situatie de prettigste zienswijze kiest.

Meester: Nou veronderstel je weer een vrije wil.

Is kiezen lastiger als je niets weet?

Kroongetuigen

Leerling: Is kiezen lastiger als je niets weet?

Meester: Wel als je zelf kan kiezen.

Leerling: Kan je zelf kiezen?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: En als je niet zelf kan kiezen?

Meester: Dan gaat het kiezen vanzelf.

Leerling: Maakt het dan nog uit of je iets weet?

Meester: Alleen als je er iets voor moet weten.

Leerling: Moet je er iets voor weten?

Meester: Hoe moet ik dat weten?

Leerling: Is kiezen voor u moeilijker geworden sinds u niet meer weet?

Meester: Wie zegt dat ik niet meer weet?

Leerling: Dat weet u natuurlijk ook niet.

Meester: Jij kan het weten.

Leerling: Maar is kiezen voor u moeilijker  geworden?

Meester: Tja.

Leerling: O.

Meester: Maar dat zeg ik onder voorbehoud.

Leerling: Welk voorbehoud?

Meester: Dat er een sinds is.

Leerling: Is er een sinds?

Meester: Zeg jij het maar.

Leerling: Vond u kiezen vroeger moeilijk?

Meester: Soms wel, soms niet.

Leerling: En tegenwoordig?

Meester: Tegenwoordig vind ik er niets meer van.

Leerling: Sinds u niet meer weet of nu, op dit moment?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Leerling: Is het een keuze of overkomt het u?

Meester: Wat?

Leerling: Om niets meer van kiezen te vinden.

Meester: Ik heb voornamelijk kronen.

Leerling: Toe nou.

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Leerling: Niet zelf kunnen kiezen lijkt mij makkelijker.

Meester: Waarom?

Leerling: Dan kan je rustig afwachten tot de keuze zichzelf maakt.

Meester: Alsof je dan nog kan kiezen om rustig af te wachten.

Leerling: Hoe voelt het om niet zelf te kunnen kiezen?

Meester: Vraag dat maar aan iemand die niet zelf kan kiezen.

Leerling: Dus u kan toch zelf kiezen?

Meester: Daar zou ik zeker voor kiezen.

Leerling: Is kiezen lastiger als je niets weet?