Wat is verlichting?

‘Verlichting is een bevrijdend inzicht.’ Geloof je dat nou nog steeds? Lucht en leegte; het denken doorzien door het denken.

‘Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte.’

Prediker 1:2

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van spirituele verlichting, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

Klaar

Terugschrijdend inzicht

1.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het weten is opgelost.’

2.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het weten is opgelost.’
‘Jij verblijft in zuiver niet weten?’
‘De mist van niet weten is opgelost.’

3.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het weten is opgelost.’
‘Jij verblijft in zuiver niet weten?’
‘De mist van niet weten is opgelost.’
‘En dat zou verlichting zijn?’
‘De mist van verlichting is opgelost.’

4.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het weten is opgelost.’
‘Jij verblijft in zuiver niet weten?’
‘De mist van niet weten is opgelost.’
‘En dat zou verlichting zijn?’
‘De mist van verlichting is opgelost.’
‘Alle mist is opgelost?’
‘De mist van het oplossen is opgelost.’

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Helder

Voortschrijdend uitzicht

1.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’

2.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’

3.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’
‘Met het zelf bedoel ik atman.’
‘De mist van atman is opgelost.’

4.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’
‘Met het zelf bedoel ik atman.’
‘De mist van atman is opgelost.’
‘Jij hebt anatman gerealiseerd?’
‘De mist van anatman is opgelost.’

5.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’
‘Met het zelf bedoel ik atman.’
‘De mist van atman is opgelost.’
‘Jij hebt anatman gerealiseerd?’
‘De mist van anatman is opgelost.’
‘Geen atman, geen anatman, wat dan?’
‘De mist van het wat dan is opgelost.’

6.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’
‘Met het zelf bedoel ik atman.’
‘De mist van atman is opgelost.’
‘Jij hebt anatman gerealiseerd?’
‘De mist van anatman is opgelost.’
‘Geen atman, geen anatman, wat dan?’
‘De mist van het wat dan is opgelost.’
‘Heb je de non-dualiteit gerealiseerd?’
‘De mist van de non-dualiteit is opgelost.’

7.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’
‘Met het zelf bedoel ik atman.’
‘De mist van atman is opgelost.’
‘Jij hebt anatman gerealiseerd?’
‘De mist van anatman is opgelost.’
‘Geen atman, geen anatman, wat dan?’
‘De mist van het wat dan is opgelost.’
‘Heb je de non-dualiteit gerealiseerd?’
‘De mist van de non-dualiteit is opgelost.’
‘En dat zou verlichting zijn?’
‘De mist van verlichting is opgelost.’

8.
‘Wat is verlichting voor jou?’
‘De mist van het ik is opgelost.’
‘Jij hebt het zelf gerealiseerd?’
‘De mist van het zelf is opgelost.’
‘Met het zelf bedoel ik atman.’
‘De mist van atman is opgelost.’
‘Jij hebt anatman gerealiseerd?’
‘De mist van anatman is opgelost.’
‘Geen atman, geen anatman, wat dan?’
‘De mist van het wat dan is opgelost.’
‘Heb je de non-dualiteit gerealiseerd?’
‘De mist van de non-dualiteit is opgelost.’
‘En dat zou verlichting zijn?’
‘De mist van verlichting is opgelost.’
‘Alle mist is opgelost?’
‘De mist van het oplossen is opgelost.’

mist-verdwijnt-3

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Bekeken zaak

‘Verlichting is een inzicht.’
‘Verlichting is een doorzicht.’
‘Wat wordt er dan doorzien?’
‘Het inzien wordt doorzien.’
‘Dat inzicht een illusie is?’
‘Dat is nog steeds een inzicht.’
‘Ook dat is maar een inzicht.’
‘Dat heb je goed gezien.’

magrite-dali

Een verleidend inzicht

H: Wat is verlichting voor jou?
X: Een bevrijdend inzicht, Hans.
H: Hoe kan een inzicht nou bevrijden.
X: Dan weet je hoe het zit.
H: Dan zit je daarin vast.
X: Wat is verlichting volgens jou?
H: Vrij zijn van inzicht.
X: Verlichting is vrij zijn van inzicht?
H: Dat is nog steeds een inzicht.
X: Waarom zei je het dan?
H: Om ons ervan te kunnen bevrijden.
X: Maar wat is nou verlichting?
H: Ja dat is nou verlichting.
X: Verlichting is jezelf bevrijden van ieder inzicht?
H: Dat is opnieuw een inzicht.
X: Waarvan we ons opnieuw moeten bevrijden?
H: Zo blijf je aan de gang.
X: Je moet je niet willen bevrijden van ieder inzicht, want dan blijf je aan de gang?
H: Jij zegt het.
X: Jij niet?
H: Zeg, ik blijf niet aan de gang.
X: Maar wat is nou verlichting?
H: Ja dat is nou verlichting.

stenen-tablet

Een bevrijdend inzicht

‘Steeds denk ik dat ik het doorheb en dan ontglipt het me weer.’
‘Het gaat niet om het doorhebben.’
‘Waarom dan wel?’
‘Om het ontglippen.’
‘Maar daar heb je nou net niks over te zeggen.’
‘Heb je het door?’

Afzien

‘Verlichting is alles aanvaarden.’
‘Verlichting is alles afstaan.’
‘Ik bedoel, verlichting is alles opgeven.’
‘Ik bedoel, verlichting is alles terugnemen.’
‘Ik bedoel, verlichting is alles inzien.’
‘Ik bedoel, verlichting is alles aanzien.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’

box

Gezien

‘Verlichting is inzien.’
‘Verlichting is afzien.’
‘Waarvan afzien?’
‘Overal van afzien.’
‘Alles gaat verloren?’
‘Ook het verliezen.’
‘Wat heb je dan?’
‘Dan heb je het gehad.’
‘Wat ben je dan?’
‘Dan ben je gezien.’

Bezinner’s geest

brillenman

‘Verlichting is alles aanzien.’
‘Verlichting is alles herzien.’
‘En dan?’
‘Alles herzien.’
‘En dan?’
‘Alles herzien.’
‘Gesnopen.’
‘Wat?’
‘Verlichting is blijven herzien.’
‘Tenminste…’

Steeds het wiel uitvinden

denken-doorzien-door-zwart

Basic

BASIC is een eenvoudige programmeertaal waarmee ik begin jaren tachtig leerde werken.
Ook als je de taal niet kent, laat de code zich makkelijk lezen:

10 PRINT ‘Verlichting is het denken’
20 PRINT ‘doorzien door het denken’
30 GOTO 20

RUN

Verlichting is het denken
doorzien door het denken
doorzien door het denken
doorzien door het denken
doorzien door het denken

[Esc]

Zo zonder leestekens wordt het samengestelde en geneste karakter van deze eeuwig uitdijende zin niet duidelijk en ontgaat je misschien de zin ervan.
Mijn fout.
Laten we ons programmaatje iets uitbreiden.

10 PRINT ‘Verlichting is’
20 PRINT ‘het denken’
30 VERLICHTING = ‘het denken doorzien door het denken’
40 PRINT ‘en’
50 PRINT VERLICHTING
60 VERLICHTING = ASCII(66) + VERLICHTING + ASCII(66) + ‘ doorzien door het denken’
70 GOTO 40

RUN

Verlichting is
het denken
en
het denken doorzien door het denken
en
‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken
en
‘ ‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken’ doorzien door het denken
en

[Esc]

De tekst tussen RUN en Esc is een aardige omschrijving van verlichting voor dummy’s oftewel niet-weten.
Een nog betere is RUN.
Weghollen – maar waarvandaan en waarheen?
De beste is volgens mij Esc, want dan kun je gewoon op je kont blijven zitten.
Esc is wat op de escape-toets staat, de noodknop op je toetsenbord waarmee je op ieder moment uit de mallemolen kunt stappen op ieder moment uit de mallemolen kunt stappen op ieder moment uit de mallemolen kunt stappen op ieder moment uit de mallemolen kunt stappen
[Esc]

Of zoals de Chinese zenmeester Shisuang al zei: Wie de top van een honderd voet hoge bamboepaal heeft bereikt moet nog één stap zetten, moet nog één stap zetten, moet nog één stap zetten, moet nog één stap zetten
Etc.

blindemannetje

Kijk eens aan.
Nog meer metaforen voor verlichting.1
En die dan weer doorzien
En die dan weer doorzien
En die dan weer doorzien
En die dan weer doorzien
Enz.

  1. Wat zelf ook al een metafoor is.
    Maar waarvoor?
    Voor de wijsheid zonder wijsheid.2
  1. Wat zelf ook al een metafoor is.
    Maar waarvoor?
    Voor non-dualiteit.3
  1. Wat zelf ook al een metafoor is.
    Maar waarvoor?
    Voor niet-weten.4
  1. Wat zelf ook al een metafoor is.
    Maar waarvoor?
    Voor steeds opnieuw beginnen.5
  1. Wat zelf ook al een metafoor is.
    Maar waarvoor?
    [Esc]1

Een hersencrash

hersencrash

Indertijd, nog vóór de uitvinding van internet, toen beeldschermen van glas waren, toetsenborden van bakeliet, muizen van vlees en geheugens van graniet, heb ik behalve Basic ook A Programming Language geleerd, het elegante APL waarvan de programma’s wiskundige functies zijn:

VERLICHTING_IS
x0 = ‘het denken doorzien door het denken’
f(xn+1) = ASCII(66) + f(xn) + ASCII(66) + ‘ doorzien door het denken’

Best gek, een functie die zichzelf aanroept.
Dat heet recursie en daarmee kun je wonderlijke dingen doen, maar deze functie doet ongeveer hetzelfde als het BASIC-programmaatje uit de vorige paragraaf.
Ziehier de tussenwaarden van x voor n = 1, 2, 3 en 4 van de recursieve functie VERLICHTING_IS:

x1 = het denken doorzien door het denken

x2 = ‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken

x3 = ‘ ‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken’ doorzien door het denken

x4 = ‘ ‘ ‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken’ doorzien door het denken’ doorzien door het denken

En de eindwaarde van x?
Tja.
Of een foutmelding: bad syntax, out of memory, account disabled.
Of een computercrash.
Of x zelf, de of het grote onbekende, want de waarde blijft maar veranderen.*
Of kortsluiting van het brein.
Een hersencrash.
Een hersencrèche.
Bewaarplaats en speelzaal voor de mind.

Kijk eens aan.
Nog meer metaforen voor verlichting.
En die dan weer doorzien.

* Wiskundig uitgedrukt: f(x) = x oftewel het is wat het is, of ik ben die ik ben1 – constant variabel.

1. Ehje Asjer Ehje – ‘Ik ben die ik ben’, zegt God tegen Mozes in Exodus 3:14.

Van wielzinnen en zinnenwielen

Een zin die begint en eindigt met dezelfde woorden – ‘het denken doorzien door het denken’ of ‘niet geloven in niet geloven’ of ‘niet weten van niet weten’ – noem ik een wielzin of een cirkelzin.
Buigen we zo’n zin terug op zichzelf met weglating van de dubbele woorden dan ontstaat er een zinnenwiel.

niet-weten-geel

Een zinnenwiel kunnen we opvatten als een taalautomaat die een oneindig aantal isomorfe wielzinnen voortbrengt.
Een slinger aan het zinnenwiel ‘niet weten van’ levert de volgende wielzinnen op:

  1. niet weten
  2. niet weten van niet weten
  3. niet weten van ‘niet weten van niet weten’
  4. niet weten van ‘niet weten van ‘niet weten van niet weten”

Verlichting kunnen we nu definiëren als de conjunctie van wielzinnen voortgebracht door het zinnenwiel ‘niet weten van’:

niet weten
en
niet weten van niet weten
en
niet weten van ‘niet weten van niet weten’
en
niet weten van ‘niet weten van ‘niet weten van niet weten”

of van het zinnenwiel ‘niet geloven in’:

niet-geloven-in-blauw

niet geloven
en
niet geloven in niet geloven
en
niet geloven in ‘niet geloven in niet geloven’
en
niet geloven in ‘niet geloven in ‘niet geloven in niet geloven”

of van het zinnenwiel ‘het denken doorzien door’:

denken-doorzien-door-rood

het denken doorzien
en
het denken doorzien door het denken
en
‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken
en
‘ ‘het denken doorzien door het denken’ doorzien door het denken’ doorzien door het denken

Minder kun je haast niet zeggen.
Niet zeggen is de zuiverste uitdrukking van niet weten.
Meer valt er niet te zeggen.

Hoe moeten we zo’n conjunctie van wielzinnen die zichzelf tot in het oneindige weerspreekt nou noemen?
Een weerzin?
Een waanzin?
Een krankzin?
Of gewoon een onzin?

Kijk eens aan.
Nog meer metaforen voor verlichting.
En die dan weer doorzien.

Het denken doorziet

Omdat het dwijze denken zichzelf niet eens en voor altijd heeft doorzien, maar steeds opnieuw doorziet, nu, en nu, en nu, geef ik de voorkeur aan de bedrijvende vorm van de cirkelzin ‘het denken doorziet het denken’ boven de lijdende vorm van de cirkelzin ‘het denken doorzien door het denken’:

denken-doorziet-groen

Een slinger aan dit zinnenwiel levert de volgende wielzinnen op:

  1. het denken doorziet
  2. het denken doorziet het denken
  3. het denken doorziet ‘het denken doorziet het denken’
  4. het denken doorziet ‘het denken doorziet ‘het denken doorziet het denken”

Plak deze wielzinnen aan elkaar en je krijgt weer een onzin van jewelste.
Zó gaat het denken teloor in eindeloze weerspraak.
Zo bijt het denken zichzelf in de staart.

Doorzien

‘Wat als je de illusie doorziet?’
‘Dan ben je gedesillusioneerd.’
‘Hè?’
‘Wat dacht jij dan?’
‘Verlicht.’
‘Ook die illusie ben je kwijt.’
‘Het enige wat overblijft is desillusie?’
‘Ook die illusie ben je kwijt.’

kapotte-lamp

Sofisterijstebrij

H: Wat is verlichting volgens jou?
X: Het failliet van het verstand, Hans.
H: Niet slecht.
X: Dank je.
H: Weg ermee.
X: Waarom?
H: Anders blijf je daar weer mee zitten.
X: Waar weer mee zitten?
H: Waarmee dan ook.
X: Met je failliet?
H: Waarmee dan ook.
X: Met je verstand?
H: Waarmee dan ook.
X: Met je verlichting?
H: Waarmee dan ook.
X: Is dat dan verlichting?
H: Is wat dan verlichting?
X: Nergens meer mee zitten?
H: Daar sta ik niet voor in.
X: Nergens meer voor staan?
H: Daar ga ik niet in mee.
X: Nergens meer voor gaan?
H: Vinger naar de maan.
X: Ik snap het al.
H: Hij snapt het weer.
X: Verlichting is vrij zijn van verlichting.
H: Sofisterij.
X: Moet jij zeggen.
H: Weg ermee.
X: Is dat dan verlichting?
H: Is wat dan verlichting?
X: Weg ermee zeggen?
H: Zakdoekje leggen.
X: Nou weet ik nog niks.
H: Dan noem je dat toch verlichting.
X: Verlichting is niet weten?
H: Ik zou het ook niet weten.
X: Zo hou je niets over.
H: Hoe hou je niets over?
X: Op die manier.
H: Nou, manier.
X: Je kan het kwalijk een weg noemen.
H: Laat staan een doel.
X: Doel je op het niets?
H: Een bel is nog geen fiets.
X: Een bel is toch een klok?
H: Een lepel zonder kok.
X: Ik geef het op.
H: Kous op je kop.
X: Wat een mop.
H: Maar om dat nou verlichting te noemen…

klok

De wijsheid voorbij alle wijsheid

‘Wat is verlichting?’
‘Geen idee.’
‘Je laat me in mijn eigen sop gaarkoken.’
‘Gaar is gaar.’
‘Halve gare.’
‘Raar maar waar.’
‘Wat kun je mij aanraden?’
‘Raden maar.’
‘Is verlichting maar zien?’
‘Je ziet maar.’
‘Is verlichting maar wat doen?’
‘Je doet maar.’
‘Is verlichting maar wat zeggen?’
‘Je zegt het maar.’
‘Is verlichting…’
‘Bekijk het maar.’
‘Zo komen we nergens.’
‘Dan noem je dat toch verlichting.’
‘Is dat verlichting?’
‘Geen idee.’

kookpot

Vergezichten

vuurtoren

X: Hans, wat is verlichting volgens jou?
H: Niet weten wat verlichting is.
X: Zeker weten?
H: Natuurlijk niet.
X: Waarom niet?
H: Omdat ik niet weet wat verlichting is.
X: O nee.
H: Wat nu?
X: Ken jij iemand die verlicht is?
H: Hoezo?
X: Dan kunnen we het daar gaan vragen.
H: Ik ken sowieso niemand.
X: Wat?
H: Laat staan iemand die verlicht is.
X: Behalve jezelf natuurlijk.
H: Ken ik niet.
X: Zeker weten?
H: Natuurlijk niet.
X: Dit kan toch geen verlichting zijn?
H: Spreek je uit ervaring?
X: Ik denk het niet.
H: Dat weet je ook al niet?
X: Ik vrees van niet.
H: Ken je iemand die zonder twijfel verlicht is?
X: Jou?
H: Zonder twijfel?
X: Meester puntje-puntje-puntje.
H: Ken je hem persoonlijk?
X: En uit zijn boekjes.
H: Hoe weet je dat hij verlicht is?
X: Dat zegt hij.
H: Waar zegt hij dat?
X: Tijdens bijeenkomsten.
H: Misschien zegt hij maar wat.
X: En in zijn boekjes.
H: Misschien heb je de tekst wel verkeerd begrepen.
X: Anderen zeggen het ook.
H: Wat zeggen anderen ook?
X: Dat meester puntje-puntje-puntje verlicht is.
H: Waar zeggen anderen dat ook?
X: Op die bijeenkomsten. In die boekjes. Tegen mij persoonlijk.
H: Misschien praten ze meester puntje-puntje-puntje wel na.
X: Dat kan ik niet uitsluiten.
H: Misschien ken je dus wel niemand die verlicht is.
X: De Boeddha.
H: Die is van voor jouw tijd.
X: In dit leven wel.
H: Wat weet jij van vorige levens?
X: Op dit moment niks.
H: Dan is de Boeddha op dit moment van voor jouw tijd.
X: Tja.
H: Al was je de Boeddha zelf.
X: Je wrijft het er wel in.
H: Je weet dus niet wat verlichting inhoudt?
X: Of ik moest nu al verlicht zijn.
H: Maar dat wist je toch niet?
X: Tenzij dat verlichting is.
H: Is dat verlichting?
X: Ik zou het ook niet weten.
H: En zou je dan wél weten wat verlichting inhoudt?
X: Dan had ik nog steeds geen idee.
H: Wat maakt het dan uit?
X: Ik zou het echt niet weten.
X: Dan ben je even ver als ik.

Uiterwaarden

‘Wat is verlichting?’
‘Uiterste diepzinnigheid.’
‘Wat is niet weten?’
‘Uiterste oppervlakkigheid.’
‘Hoe kom ik tot verlichting?’
‘Vraag dat maar aan de verlichte.’
‘Hoe kom ik tot niet weten?’
‘Door zo diep te gaan dat je aan de andere kant weer opduikt.’
‘Wat is er aan de andere kant?’
‘Vraag dat maar aan de verlichte.’
‘Waarom niet aan jou?’
‘Omdat ik het niet weet.’
‘Bedoel je dat er geen verschil is met deze kant?’
‘Vraag dat maar aan de verlichte.’
‘Ja, zo kan ik het ook.’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Uiterste oppervlakkigheid.’

landschap-2-dimensies

Geen spelletje en geen menens

‘Wat is verlichting?’
‘Geen ja en geen nee.’
‘Wat is het dan wel?’
‘Tja.’
‘Als ik je vraag of jij verlicht bent, wat zeg je dan?’
‘Geen ja en geen nee.’
‘En dan moet ik zeker weer vragen wat wel.’
‘En dan zeg ik weer tja.’
‘Voorspelbaar.’
‘Jij of ik?’
‘Help me nou eens een beetje.’
‘Nog een keertje dan.’
‘Als ik je vraag of je verlicht bent, wat zeg je dan?’
‘Wie?’
‘Nou weet ik weer niks.’
‘Wat wil je nog meer.’
‘Ik dacht dat je me ging helpen.’
‘Nog een keertje dan.’
‘Als ik je vraag of je verlicht bent, wat zeg je dan?’
‘Wat?’
‘Tja.’
‘Niet slecht.’

schaken-koningin

Weg van hier

‘Wat is verlichting?’
‘Thuiskomen.’
‘Waarin?’
‘In den vreemde.’

Weg van daar

‘Wat is verlichting?’
‘Vreemdgaan.’
‘Waarin?’
‘In het bekende.’

Volgende keer

– Wat is verlichting?
– Thuiskomen in den vreemde.
– Vorige keer zei je ‘vreemdgaan in het bekende’.
– Dat hou ik allemaal niet zo bij.
– Maar wat is verlichting nou echt?
– Beide natuurlijk.
– Vorige keer zei je ‘geen van beide natuurlijk’.
– Dat hou ik allemaal niet zo bij.
– Dus wat is verlichting nou echt?
– Wat heet echt.
– Vorige keer zei je ‘wat heet verlichting’.
– Dat hou ik allemaal niet zo bij.
– Je spreekt jezelf voortdurend tegen.
– Dan noem je dat toch verlichting.
– Vorige keer zei je ‘dat heeft er niets mee te maken’.
– Dat hou ik allemaal niet zo bij.
– Gaat het er bij verlichting om, niets meer bij te houden?
– Wat is verlichting?

bevrijdend-inzicht

Vreemd eigenlijk

‘Wat is verlichting?’
‘Het eigene wordt vreemd, het vreemde wordt eigen.’
‘Tegelijkertijd?’
‘En achtereenvolgens.’
‘Vreemd.’
‘En toch eigen.’

Curiouser and curiouser

X: Vaak voel ik mij totaal vervreemd, Hans.
H: Dat lijkt me heel normaal.
X: Een vreemde in de kosmos.
H: En zelfs op onze eigen aarde.
X: En zelfs in mijn eigen land.
H: En zelfs in mijn eigen stad.
X: En zelfs in mijn eigen straat.
H: En zelfs bij mijn eigen soort.
X: En zelfs op mijn eigen werk.
H: En zelfs bij mijn eigen vrienden.
X: En zelfs in mijn eigen huis.
H: En zelfs bij mijn eigen partner.
X: En zelfs bij mijn eigen kinderen.
H: En zelfs in mijn eigen lichaam.
X: En zelfs in mijn eigen geest.
H: En zelfs in mijn eigen hart.
X: En áls ik me al eens ergens thuis voel…
H: Met de nadruk op als…
X: Dan voelt dát weer vreemd.
H: Breek me de bek niet open.
X: Ik vind dat dus echt niet normaal.
H: Dat lijkt me heel normaal.

zwervelingen-412

Geen zwerver is niet thuis

‘Vroeger voelde ik mij vaak een vreemde op aarde.’
‘En als dat niet het geval was, Hans?’
‘Dan voelde ik mij er thuis.’
‘En nu?’
‘Nu niet meer.’
‘Wat niet meer?’
‘Niks niet meer.’
‘Waar ben je nu?’
‘Niet binnen en niet buiten.’
‘Aan deze zijde of aan gene zijde?’
‘Niet hier en niet daar.’
‘Wat ben je nu?’
‘Geen vreemde en niet thuis.’
‘Ontheemd maar niet onpluis?’
‘Geen niersteen en geen gruis.’

hangmat

Door het ijs

‘Hoe kan het dat jij je sinds je verlichting niet langer een vreemde op aarde voelt?’
‘Sinds mijn wat?’
‘Sinds je verlichting.’
‘Waar?’
‘Op aarde.’
‘Een wat?’
‘Een vreemde.’
‘Wie?’
‘Jij.’
‘Wat zeg je toch een vreemde dingen allemaal.’
‘Speel jij soms een spelletje met mij?’
‘Speel jij soms geen spelletje met mij?’
‘Wat voor spelletje speel jij dan?’
‘Een spelletje menens?’
‘Ik bedoel, wat wil je nou eigenlijk zeggen?’
‘Misschien wel dat ik niks wil zeggen?’
‘En anders?’
‘Dat woorden gebruiken geen kunst is?’
‘Wat is wel een kunst?’
‘Erbij stilstaan?’
‘Als je erbij stilstaat, wat ontdek je dan?’
‘Het is meer wat je niet ontdekt.’
‘Wat ontdek je dan niet?’
‘Waar ze precies voor staan.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘Verlichting.’
‘Verlichting is toch gewoon… verlichting betekent alleen maar…’
‘Jij.’
‘Maar jij is toch gewoon… jij betekent alleen…’
‘Ik.’
‘Ik is toch gewoon… ik betekent alleen maar… nou moe.’
‘Zie je wel.’
‘Wat?’
‘Niet te lang bij stilstaan.’

wak

Het grote sterven

‘Verlichting wordt ook wel de grote dood genoemd. Herken je dat?’
‘Ik ken alleen het grote sterven.’
‘Wat houdt dat in?’
‘Eerst sterf je aan het bekende en word je geboren in het onbekende.’
‘En dan?’
‘Sterf je aan het onbekende en word je geboren in het bekende.’
‘En dan?’
‘Sterf je aan het bekende en word je geboren in het onbekende.’
‘En dan sterf je aan het onbekende en word je weer geboren in het bekende, zeker.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hè?’
‘Ik zit net weer even in het onbekende.’
‘Komt er ooit een einde aan?’
‘Aan het onbekende?’
‘Dat ook.’
‘Precies op dit moment.’
‘En aan het grote sterven?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hè?’
‘Ik zit net weer even in het onbekende.’

januskop-schedel

Schijn-werpers

‘Ben jij verlicht, Hans?’
‘In zekere zin.’
‘In welke zin?’
‘Als een konijn in de lamp van een stroper.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Verblind en hulpeloos.’
‘En dat wou jij verlicht noemen?’
‘Mij niet gezien.’
‘Wie dan wel?’
‘De stroper?’

konijn-licht-ogen-dicht

Het wezen

‘Wat is het wezen van verlichting?’
‘Geen wezen.’
‘Verlichting heeft geen wezen?’
‘En dat is nog maar de helft van het verhaal.’
‘Wat is de andere helft van het verhaal?’
‘Geen wezen wordt verlicht.’

‘Wat is het wezen van bevrijding?’
‘Geen wezen.’
‘Bevrijding heeft geen wezen?’
‘En dat is nog maar de helft van het verhaal.’
‘Wat is de andere helft van het verhaal?’
‘Geen wezen wordt bevrijd.’

‘Wat is het wezen van realisatie?’
‘Geen wezen.’
‘Realisatie heeft geen wezen?’
‘En dat is nog maar de helft van het verhaal.’
‘Wat is de andere helft van het verhaal?’
‘Geen wezen wordt gerealiseerd.’

schimmenspel-boeddha

‘Wat is het wezen van ontwaken?’
‘Geen wezen.’
‘Ontwaken heeft geen wezen?’
‘En dat is nog maar de helft van het verhaal.’
‘Wat is de andere helft van het verhaal?’
‘Geen wezen ontwaakt.’

[Esc]

Het punt

‘Wat is de pointe van verlichting?’
‘Geen pointe.’
‘Verlichting is geen punt!’
‘En ook geen uitroepteken.’

De clou

‘Wat is de clou van verlichting?’
‘Geen clou meer hebben.’
‘Van verlichting?’
‘Van wat?’

derwish-draai

De kluts

‘Wat is verlichting?’
‘De kluts kwijt zijn.’
‘Ben jij de kluts kwijt?’
‘Ik heb hem nooit gehad.’

kluts-kwijt

All-risk

‘Wat is verlichting?’
‘Niets claimen.’
‘No-claim?’
‘En geen verzekering.’

woestijnauto

Burn-out

‘Wat is verlichting?’
‘In vuur en vlam staan, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Helemaal opgebrand zijn.’

afgebrande-lucifer-ravijn

Lunatics

Verlichting is…

maantrappetje

ook niet op de maan blijven hangen.

Een pyrrusoverwinning

‘Wat is verlichting?’
‘Geen triomfboog aan het einde van geen weg.’

ravijn

Keerzijden

Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Niets meer te doen!
Meester: Of te laten.

Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Niets meer te vragen!
Meester: Of te antwoorden.

Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Niets meer te verliezen!
Meester: Of te winnen.

Meester: Wat is verlichting?
Leerling: Absolute zekerheid!
Meester: Over absoluut niets.

‘Verlichting’

– Wat is verlichting?
– Alles tussen aanhalingstekens.
– Behalve de aanhalingstekens zeker.
– Die ook.
– Zo hou je niets over.
– ‘Niets’.
– Noem dat maar verlichting.
– Noem het dan maar ‘verlichting’.

monnik

‘Voort’

– Wat is verlichting?
– Ik wordt ‘ik’.
– En ‘ik’?
– Wordt ”ik”.
– En ”ik”?
– Wordt ”’ik”’.
– En dan?
– Wordt ‘dan’.
– En toen?
– Wordt ‘toen’.
– En nu?
– Wordt ‘nu’.
– Enzovoort?
– Wordt ‘voort’.

waslijn

‘Dat’

– Wat is verlichting?
– Ik wordt ‘ik’ en jij wordt ‘jij’ en Hij wordt ‘Hij’ en hier wordt ‘hier’ en daar wordt ‘daar’ en toen wordt ‘toen’ en dan wordt ‘dan’ en nu wordt ‘nu’.
– En weten?
– Wordt ‘weten’.
– En niet weten?
– Wordt ‘niet weten’.
– En dat is dat?
– En dat is ‘dat’.

Bij wijze van spreken

– Wat is in zo min mogelijk woorden verlichting?
– ‘Ik’.
– Ik?
– Nee, ‘ik’.
– Tussen aanhalingstekens.
– Precies.
– Verwijs je naar niet-ik?
– ‘Niet-ik’ dan toch.
– Of ik én niet-ik?
– ‘Ik en niet-ik’ dan toch.
– Of ik noch niet-ik?
– ‘Ik noch niet-ik’ dan toch.
– En ik maar denken dat de verlichte niemand was.
– ‘Niemand’ dan toch.
– Maar niet iemand?
– Of ‘iemand’ natuurlijk.
– Of iemand én niemand?
– ‘Iemand en niemand’ dan toch.
– Of iemand noch niemand?
– ‘Iemand noch niemand’.
– Of gewoon alles?
– ‘Alles’.
– Of niets.
– ‘Niets’.
– Als het maar tussen aanhalingstekens staat.
– Tussen aanhalingstekens.
– Kan het nog korter?
– Tja.
– Nou?
– …
– En dat wou jij verlichting noemen?
– En dat wou jij verlichting noemen?

Bij wijze van zwijgen

– Wat is in zo min mogelijk woorden verlichting?
– ‘Ik’.
– En in seculiere termen?
– ‘Wereld’.
– En in filosofische termen?
– ‘Waarheid’.
– En in theologische termen?
– ‘God’.
– Noem dat maar verlichting.
– Noem het dan maar ‘verlichting’.
– Is dat wat verlichting is of wat jij ervan maakt?
– Dat is wat jij ervan maakt.
– En wat maak jij ervan?
– Noem het dan maar niet weten.
– ‘Niet weten’ dan toch.
– Ik zie het verschil niet.
– Het lijkt anders verdacht veel op weten.
– Noem het dan maar ‘weten’.

aanhalingstekens-ballonnen