Weetnietkunde

Lemma’s over met niet-weten verwante filosofische, religieuze, mystieke en spirituele begrippen; kennis over het gat in onze kennis.

Absurdisme

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.
Hoofdkenmerk is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.
Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l’absence.

Hoewel het absurdisme floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), zie je het al in de daoïstische geschriften van Zhuangzi en Liezi, en bereikte het zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millennium in de Chinese ch’an-literatuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan.

Voor de consequent volgehouden ontkenning kan men verder onder meer terecht bij de via negativa van de mystici en in de advaita vedanta, vooral in de hedendaagse variant die steeds vaker aangeduid wordt met neo-advaita (Harding, Parsons), waarvan de bijeenkomsten in elk geval op een nitwit als ik of niet-ik bepaald absurdistisch overkomen.
Men krijgt er te horen dat de stoel stoelt en de klok klokt, en terecht, want als we toch van de persoonlijke voornaamwoorden afzien kunnen we net zo goed de bezem door de werkwoorden halen.
De betaler betaalt, de gek gekt en de realisatie realiseert.
Perfect.

Het absurde vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning en de scepsis in de twijfel aan zichzelf.
Het is precies deze zelfvernietiging die de kern van niet weten uitmaakt.
Dwijsheid laat zich daarom graag uitdrukken in dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt opgevoerd.
Niet om te verwijzen naar ‘het absolute voorbij de woorden’, niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát.

wachten op boeddhat

dwijsheid: wijsheid noch dwaasheid

weetnietkunde: studie van met niet-weten verwante begrippen in de filosofie, mystiek, religie en spiritualiteit; kennis over het einde van de kennis

Dit lemma is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.


Advaita

De term advaita (a-dvaita) of non-dualisme betekent letterlijk niet-tweeheid een ontkenning van de dualistische leer dat de mens uit twee substanties bestaat, namelijk lichaam en geest, of dat de werkelijkheid uit twee substanties bestaat, namelijk stof en geest, of dat de werkelijkheid uit twee tegenpolen bestaat, namelijk subject en object.
Etymologisch gezien is non-dualisme niet de bevestiging van een monistische of pluralistische ontologie maar de ontkenning van een dualistische.
Het is een onleer.

Steeds vaker wordt de term non-dualistisch op een heel andere manier gebruikt, namelijk in de zin van niet-afgescheiden.
Afgescheidenheid – het idee dat ik maar een klein radertje ben in het reusachtige mechaniek van de wereld – is in deze zienswijze een illusie.
In werkelijkheid bevind ik mij niet in de wereld maar bevind de wereld zich in mij.
Ik ben het bewustzijn (brahman, de bron, de ruimte, openheid, liefde, god, de geest, big mind, zoheid, boeddhanatuur et cetera) waarin zowel mijn ik (de persoon) als de wereld (maya) verschijnen.
Om precies te zijn: ik ben het geheel van het onvergankelijke bewustzijn en zijn vergankelijke inhouden.
Dit type advaita is geen ontkenning van willekeurig welke vorm van dualisme maar een bevestiging van de absolute eenheid van het schijnbaar menigvuldige.
Het is geen onleer maar een ontologie, en wel een monisme.
Een monisme dat ten onrechte non-dualisme heet.

‘Niet weten’ is steno voor ‘niet weten te onderscheiden’.
Hoe langer ik nadacht over de verschillen tussen mijzelf en de ander, tussen mijzelf en de wereld en tussen de dingen onderling, hoe minder ik ervan begreep.
Hoezeer ik ook mijn best deed, ik bleek niet in staat om de onderscheidingen die zich onophoudelijk aan mij voordeden, ook maar enigszins te onderbouwen.
Op een dag heb ik het gewoon opgegeven.
Ik kan er niet meer in geloven, in al die onderscheidingen, ik kan ze niet langer serieus nemen, ook al blijven ze zich voordoen en heb ik er maar mee om te gaan en kan ik me een leven zónder ook niet voorstellen.
Voor mij zijn ze zowel werkelijk als onwerkelijk, of moet ik zeggen, werkelijk noch onwerkelijk.
Ik hang er zo’n beetje tussenin.
Mijn wereld is dualistisch noch non-dualistisch, pluralistisch noch monistisch.
Hij is ook niet van mij of niet van mij of van niet-mij.
Niet dat ik weet.

Herdefiniëren we non-dualisme als het onvermogen om tot definitieve of zelfs maar voorlopige uitspraken te komen inzake welke onderscheiding ook, dan mag je mij rustig een non-dualist noemen.
We hebben het hier dan wel over een non-theorie, de onleus van een tegenpartij zonder eigenprogramma, die niets onderschrijft en niets voorschrijft.
Ook dit niet.


Apatheia en ataraxia

Het stoïsche woord apatheia [Grieks, a, niet + pathè, emotie] betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.
Hiermee wordt niet zoals met het Nederlandse apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afstomping of lusteloosheid bedoeld maar een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.
De intellectuele pendant van apatheia is ataraxia [Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken], letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik eveneens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.

borstbeeld

Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is misschien niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.
Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme, meer in het bijzonder het pyrronisme.
Apatheia bereikt de stoïcijn door het – binnen het volslagen fatalisme van de Stoa – enige juiste oordeel te vellen dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet, namelijk goed.
Ataraxia bereikt de pyrronist door, als uiterste consequente van zijn onbegrensde scepsis, ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten: de zogeheten epoche.

Apatheia en ataraxia zijn weliswaar Griekse woorden, maar dat betekent niet dat het streven naar onverstoorbaarheid, als we het zo mogen noemen, typisch Grieks of westers is.
Boeddhistische en hindoeïstische beschrijvingen van nirwana (uitdoving) en moksha komen min of meer op hetzelfde neer.
Zelfs wanneer er sprake is van ‘opperste gelukzaligheid’ en ‘volkomen harmonie’ blijkt men daarmee vaak geen euforie, verrukking, vervoering of extase te bedoelen, die immers van voorbijgaande aard zijn, maar een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.
In de advaita vedanta bijvoorbeeld komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën, maar om ze onaangedaan, als het ware van buitenaf, te ondergaan.
Rustig bezie je zelfs je heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn toneelspel.
Het is alsof je je hebt verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer en je in de eerste hebt teruggetrokken; uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken voorbij als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren, of als een storm aan de oppervlakte die de diepzee onberoerd laat.

Datgene wat niet verstoord wordt en ook niet verstoorbaar zou zijn – in bovenstaande beeldspraak de hemel, de diepzee – gaat schuil achter vele namen, die afhankelijk van wie je het vraagt al dan niet naar hetzelfde verwijzen, gesteld dat ze ergens naar verwijzen.
Zo spreekt men in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, in het non-dualisme van bewustzijn, het kennen, het waarnemen of het beminnen (versus bewustzijnsinhouden, het gekende, het waargenomene en het beminde), in het zenboeddhisme van het ware zelf, de boeddhanatuur, de geest of de zoheid der dingen, in de mystiek van god of de godheid of het ene, in het taoïsme van de tao.
Hierbij gaat het steevast om iets dat het alledaagse transcendeert en principieel niet voor te stellen is en principieel niet of slechts incidenteel of slechts onvolkomen of slechts bij toeval of pas na een lange praktijk te ervaren is, maar van elk ervaren, van elk voorstellen de grond en het wezen zou zijn, ongeveer zoals dingen alleen maar kunnen bestaan in een ruimte die zelf niet als ding aanwezig is.

Het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme en de mystiek – al deze en andere religieuze, spirituele en filosofische tradities schurken bij wijlen tegen niet weten aan, en omgekeerd.
Toch moeten we tradities niet proberen te reduceren tot een radicaal niet weten, en een radicaal niet weten niet tot een of andere traditie, want daarmee doen we beide tekort.
Immers, in een radicaal niet weten blijft geen enkel begrip, niet-begrip of onbegrip overeind, geen enkel dualisme, non-dualisme, non-dualistisch dualisme, monisme of nihilisme, geen enkele leer, antileer of non-leer, geen dharma of niet-dharma, geen karma of niet-karma, geen dharmakaya, sambhogakaya of nirmanakaya, geen idealisme of defaitisme, geen moralisme, immoralisme of amoralisme, geen weg of niet-weg, geen doel of niet-doel, geen doen of niet-doen, geen bereiken of niet-bereiken, geen spreken en geen zwijgen.
Aan een radicaal niet weten gaat alles te gronde, ook het niet weten zelf.
Hoe zou het dan ooit een traditie kunnen zijn?
Hoe zou het ooit onderdeel van een traditie kunnen zijn?
Hoe zou een traditie er ooit onderdeel van kunnen zijn?

Voor wie niet weet blijft het transcendente per definitie in nevelen gehuld, gesteld dat er zoiets is als het transcendente.
Of het moest zijn dat het zich niet in nevelen hult, maar nevelen ís.
Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin hij zelf gehuld is, gesteld dat hij iemand is.
Of het moest zijn dat hij niet in nevelen gehuld is, maar nevelen ís.
Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin de dingen gehuld zijn, gesteld dat er dingen zijn.
Of het moest zijn dat ze niet in nevelen gehuld zijn, maar nevelen zíjn.
Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin het transcendente gehuld is, gesteld dat er zoiets is.

Nevelen of in nevelen gehuld of nevelen in nevelen gehuld of niet, voor mij is alles kraakhelder en doodeenvoudig.
Niet weten is tja zeggen het scepticisme en tja zeggen tegen het pyrronisme en tja zeggen tegen het stoïcisme en tja zeggen tegen het non-dualisme en tja zeggen tegen het hindoeïsme en tja zeggen tegen het zenboeddhisme en tja zeggen tegen het taoïsme en tja zeggen tegen de mystiek.
Niet weten is tja zeggen tegen het bewustzijn en tja zeggen tegen atman, brahman en parabrahman en tja zeggen tegen het ware zelf, de boeddhanatuur, het absolute, de bron, de zoheid der dingen en tegen iedere andere vorm van transcendentie en intranscendentie en ontkenning daarvan.
Niet weten is tja zeggen tegen jezelf en tegen niet-zelf, tegen de alledaagse geest en tegen de algeest, tegen subject en object en hun al dan niet vermeende dualiteit, non-dualiteit of identiteit, tegen weten, niet-weten en wetend niet weten, tegen het ja en het nee en het tja tja tja.

Een saaie bedoening, zou je denken, een triangel wordt nooit een orkest, maar dan vergis je je deerlijk.
Ongelooflijk hoe fijn het is om niet meer te weten, maar dan ook helemaal niet meer.
Hoe rustig je ervan wordt, vredig tot in je kern, of vanuit je kern, gesteld dat er zoiets is, en anders maar bij wijze van spreken of niet-spreken.
Het hart spint bij iedere streling van het tja.
De ziel swingt lui op het ritme van het tja.
Zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.
De muziek van de stilte – daar kan geen band tegenop.

Wie dit apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet laten.
Wie het alles behalve apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet doen.
Ik word er niet warm of koud van.

triangel

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.


Apofase, via negativa, neti neti

Bevestigen of ontkennen? Ont-kennen.

Het zelfstandig naamwoord ‘apofase’ is afgeleid van het Griekse apophasis, ‘ontkenning’, en wordt in onze taal nauwelijks gebruikt.
Het bijvoeglijk naamwoord, apofatisch, wel.
‘Apofatisch’ betekent ontkennend, in tegenstelling tot ‘katafatisch’, bevestigend. Een apofatische manier van spreken of schrijven gebruik je om datgene aan te duiden wat je slechts kunt omschrijven door te zeggen wat het niet is – het onzegbare, het ondenkbare, het onbenoembare, het onuitsprekelijke, het ondefinieerbare, het ongrijpbare.

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa (in tegenstelling tot de katafatische benadering of via positiva) en in het hindoeïsme neti neti – niet dit, niet dat.
Zo schrijft Pseudo-Dionysius de Areopagiet in een van de beroemdste voorbeelden van de via negativa, het tractaatje ‘Over mystieke theologie’, hoofdstuk IV:

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

In het boeddhisme heeft de apofase de gedaante aangenomen van niet-zelf (anatman) en leegte (sunyata).
Leegte wordt door sommige boeddhisten opgevat als een transcendente werkelijkheid (dé leegte), door andere als een eigenschap van de alledaagse werkelijkheid (afhankelijk ontstaan).
Schoolvoorbeelden van apofatische teksten uit het mahayana-boeddhisme zijn de diamantsoetra en zeventig verzen over de leegte van Nagarjuna:

Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen. Derhalve bestaat er geen onwetendheid gebaseerd op onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid ontstaat er geen karma. Zo ook voor de andere tien oorzaken van het lijden.

(verzen 9 en 10)

Ook van een methodiek of een filosofie kun je zeggen dat zij apofatisch is.
Denk maar aan de socratische vraagmethode in de Dialogen van Plato of aan de deconstructie in het postmodernisme.
Apofatisch zijn tevens mijn dwaalteksten, die gewoonlijk bestaan uit een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen.
De obstinate apofase van een radicaal niet-weten heeft alleen niet tot doel het ongrijpbare, het onzegbare, het onkenbare aan te duiden, maar de aandacht te vestigen op het niet grijpen, niet zeggen, niet kennen, niet duiden zelf.
Dwaalteksten zijn daarvan een demonstratie.
Niet weten is een werkwoord.
Ik ben niet geïnteresseerd in het ongrijpbare maar in niet-grijpen; niet in het onzegbare maar in niet-zeggen; niet in het onkenbare maar in niet-kennen; niet in het onduidbare maar in niet-duiden.
Daarin zit voor mij de bevrijding; de rest is kosmologie.

Dwaalteksten verwijzen dus niet naar een of andere onkenbare transcendentie en/of immanentie, zoals het ware zelf of je oorspronkelijke gezicht of het eeuwige heden of het absolute of de leegte of de boeddhanatuur of het numineuze of het mysterie of het ene of de non-dualiteit of de oorspronkelijke geest of de godheid of het bewustzijn of het zijn.
Omdat ik het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, dit ook niet, ben ik niet in staat om zelfs maar één zinvolle uitspraak over deze kwestie te doen, apofatisch, katafatisch of anderszins, of over welke filosofische, religieuze of spirituele kwestie ook.
Afatisch is wat ik ben – met stomheid geslagen.
Al zou je het soms niet zeggen.

Waarnaar verwijzen dwaalteksten wel?
Naar zichzelf.
Naar datgene wat ze doen en waartoe ze uitnodigen:
Dwalen.
Verdwalen.
Ver dwalen.
Zo ver als je durft.
Steeds een stukje verder.
Weg van alle weten en niet-weten.
Weg van alle hokjes, hekjes en haakjes.
Weg van alle woorden en gedachten, ook deze.
Weg van alle bevestigingen en ontkenningen, ook deze.

Voor menig lezer een vieze tegenvaller, voor de schrijver een onuitputtelijke bron van vreugde.

Zwervelingen 264

Deze tekst is in het Boeddhistisch Dagblad verschenen met de titel Apofase, via negativa, neti neti en sunyata.


Apeiron

Een fopspeen voor de geest

Apeiron is Grieks voor het onzegbare, datgene wat alleen negatief (apofatisch*) aangeduid kan worden als noch dit noch dat, te weten het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt maar waarvan men desondanks of juist daardoor zelfs niet kan zeggen dat het bestaat of niet bestaat.
In het algemeen lijkt apeiron te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke.

Reductionisme

Reductionisten uit verschillende tradities hebben één ding met elkaar gemeen: zij willen heel de verontrustende veelheid aan verschijnselen terugvoeren op één onderliggende principe dat zelf niet tot de verschijnselen hoort – liefde, tao, atman, god.
Een fopspeen voor de geest, zo niet de hoogste waarheid.
Helaas is er op het moment van schrijven nog altijd geen consensus bereikt over het onderliggende principe, maar dat is nog slechts een kwestie van tijd, verzekeren universalisten mij stralend.
Sommige claimen zelfs dat het allang zover is, en spannen ongegeneerd alle wijzen en tradities voor hun eenwieler, van Boeddha tot Blavatsky, van Lou de Palingboer tot Anton Heyboer, kijk ze eens kruien, de dode zielen.
Reductionisme is alvast van alle tijden, dus wie weet.

Principia metabletica

Een kleine greep uit een onbeperkt aanbod.
Bij de presocratische filosoof Anaximander is het apeiron de oer, de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische atman of brahman.
Bij Parmenides is het apeiron het zijn zelf, het plenum.
Bij Aristoteles is het apeiron de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.
Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles.
In de mystiek is het apeiron de immanente godheid, het mysterie, het numineuze.
In de advaita vedanta is het apeiron het bewustzijn, de aandacht, het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is (of beter: kenbaar noch onkenbaar).
In het zenboeddhisme is het apeiron het ware zelf of de boeddhanatuur, bij Immanuel Kant het Ding-an-sich, bij Heidegger het onverborgen zijn (het aletheia).
Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit door het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

Neoreductionisme

Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat in plaats van het apeiron spreekt van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere, het beslisbare, het grijpbare et cetera.
Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens de postmodernist restloos te bepalen.
Steeds zijn er nieuwe interpretaties mogelijk en niemand heeft het laatste woord, niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.
Niemand heeft het laatste woord, claimt het postmodernisme, bij wijze van laatste woord.

Protagoras

Niet weten wordt regelmatig verward met postmodernisme, maar dat is onzin.
Zo neemt de weetniet geen enkel standpunt in over bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of over welke postmoderne kwestie ook.
Hij erkent noch ontkent de werkelijkheid, laat staan dat hij deze probeert te scheiden in een kenbaar deel en een onkenbaar deel, of in een werkelijk deel en een illusoir deel, die vervolgens geacht worden in een bepaalde relatie tot elkaar te staan of integendeel samen een ondeelbare eenheid te vormen, al dan niet met inbegrip van het subject.
Zoals een andere prescocraat, Protagoras, het zei: ‘Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.’
Van een apeiron weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.
Van een enkelvoudig onderliggend principe is in niet weten sprake noch geen sprake.

Is niet weten dan misschien het apeiron zelf?
Hooguit per definitie.
Voor dzogchenboeddhisten en voor non-dualisten als Philip Renard, Jan van Delden en Jan van den Oever is niet-weten een ander woord voor het onkenbare kennen dat wij zijn.
Voor mij niet.
Al was het maar omdat het onkenbare kennen zich nog altijd niet aan mij bekend gemaakt heeft.

Beeldenbreker

Voor mij is niet weten niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als realiteit of als bron, maar het niet bepalen zelf, de spontane, onophoudelijke mentale deconstructie van de mentale constructies die zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen en opdringen.

Dan nog is niet weten geen ijsbreker die zich met donderend geweld een weg naar het apeiron baant, maar het breken van het ijs zelf, zonder hoger doel, zonder achterliggend motief, zonder wijsgerige pretentie.
Gewoon omdat het zo prachtig kraakt.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.


Aporie

Een aporie is een onoplosbaar raadsel, meestal van filosofische, mathematische, theologische of spirituele aard.
Een voorbeeld van een aporie is: ik weet niets en dat ook niet.

Zoals ik met mijn dwaalgesprekken* duidelijk probeer te maken, is de weg naar ‘verlichting’ bezaaid met aporieën, waarvan de grootste wel de weg en de verlichting zelf zijn.

Gewoonlijk streeft men ernaar aporieën op te lossen of ze te omzeilen door het paradigma dat er aanleiding toe gaf te verlaten of te overstijgen.
In beide gevallen ziet men ze als een tijdelijk, overwinnelijk kwaad.
Ikzelf zie aporieën als tijdelijk noch overwinnelijk noch kwaad (noch eeuwig noch onoverwinnelijk noch goed).
Als ik al ergens naar streef, dan is het om ze onder de aandacht te brengen.
Of gaat dat ook al vanzelf?
Dan zal het ook wel vanzelf mislukken.
Geen probleem.
Wie kent het verschil tussen gelukt en mislukt.


Asylum ignorantia

[Latijn asylum, vrijplaats + ignorantia, onkunde]
1. vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet weten
2. vlucht uit niet weten in de onnozelheid van de wereld


Athetisch

Het woord athetisch [Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling] betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.
Postmoderne teksten worden – soms pejoratief – athetisch genoemd wanneer ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Stellingen in dwaalteksten* worden niet opgevoerd om iets te poneren.
Poneren ze toch iets, dan alleen om voorafgaande stellingen tegen te spreken.
Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is.
Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – zij het gestileerde en verdichte – weergave is van het dwijze* denken.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, dat zich misschien nog het beste laat vertalen als ‘de lege stelling’; de enige ‘stelling’ van de lege leer.


Bewijs

vliegend-tapijtje

Kan een wiskunstenaar wiskunde bedrijven?
Een weetniet wetenschap?
Een dwijsgeer wijsbegeerte?
Gewetensvragen aan een weteloze.

Een bewijs kun je zien als een taalspel waarin je vanuit bepaalde premissen (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) in een bepaalde taal (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een bepaalde logica (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot ware uitspraken probeert te komen.

Bewijsvoering is in die zin een taalspel dat het pas gespeeld kan worden wanneer de spelers het eens zijn over de spelregels die oneindige ruzies over oneindige regressies moeten voorkomen.
Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht is het spel uit.
Zodra iemand wil overschakelen op een andere logica is het spel uit.
Zodra iemand de taal ter discussie stelt waarvan de bewijsvoering zich bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal) is het spel uit.

‘Waar’ is een gegeven uitspraak alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven, dat wil zeggen voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen – en alleen voor hen.
Zo bezien is waarheid een kwestie van conventie, van consensus, van sportiviteit.
Waarheid is voor teamspelers en supporters.
De rest staat buitenspel.

Het ‘hoogste’ spel wordt gespeeld in de wiskunde en in de exacte wetenschappen.
Daarin wordt relatief de meeste aandacht besteed aan het uitschrijven van de primitieven, postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels.
In de alfa-wetenschappen, in de filosofie en in de theologie is eerder sprake van redeneren dan bewijzen, in het openbare debat, in de religieuze praktijk en in het dagelijks leven eerder van overreden dan redeneren.
Ook de rede en de retoriek kun je zien als taalspelen, met geheel eigen spelregels.

Wat voor spel is niet-weten?
Een spel van niet beweren of althans niet geloven wat je zo nodig schijnt te moeten denken en roepen – dit ook niet.
Waar niets beweerd, geloofd of nagestreefd wordt, dit ook niet, valt niets te bewijzen, beredeneren of overreden, ook niet met betrekking tot het bewijzen, beredeneren of overreden zelf.
Niet weten kent geen vaststellingen, geen doelstellingen, geen winnaars en geen verliezers.
Het werpt balletjes op en het slaat balletjes weg.
Het ene na het andere, nu dit balletje weer.
Een minichoreografie, een ballètje.
Meer heeft het niet om het lijf, zei de keizer zonder rijk of kijk.
Niet weten, dat is kinderspel.

Wat natuurlijk niet betekent dat de weetniet geen wiskunde, wetenschap, filosofie enzovoort kan bedrijven.
Hoe had ik anders dit lemma kunnen schrijven?
Het betekent alleen maar dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering, rede of retoriek heet en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze.
Integendeel, hij bekijkt de resultaten vanuit steeds wisselende standpunten, zeg maar gerust verdwijnpunten, monistische, dualistische, non-dualistische, pluralistische, nihilistische en noem maar op, net hoe de wind waait, de steen rolt, de pet staat, de vlag erbij hangt, of de onderjurk.
Geen van de ontelbare gezichtspunten in de eindeloze ruimte houdt hij voor absoluut waar of onwaar, geldig of ongeldig, canoniek of aprocrief, subjectief of objectief, palliatief of curatief, exclusief of inclusief, tentatief, definitief of aperitief.
Dit gezichtspunt ook niet.


weetniet, weteloze, dwijsgeer, wiskunstenaar: iemand die niet weet

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.


Categoriefout

We spreken van een categoriefout als iemand een idee, zoals ‘universiteit’, aanziet voor een ding, zoals een universiteitsgebouw, of vice versa, met alle problemen van dien.
Zo kun je je aan een universiteitsgebouw niet inschrijven, aan een universiteit wel, en kun je de universiteit niet schilderen, een universiteitsgebouw wel.
Volgens de Britse filosoof Gilbert Ryle berust het idee van de geest, en daarmee het hele cartesiaanse dualisme, op een simpele categoriefout.

Een ander voorbeeld van een categoriefout is niet weten, in dit geval meestal geschreven als niet-weten, opgevat als een ding, in het bijzonder als een onkenbare immanentie of transcendentie zoals kracht, energie, ether, bewustzijn, god of liefde, of als een bron, een werkelijkheid, een wet of een principe.
Voor mij is niet weten niet de ontkenning van een dergelijke grootheid per se als wel de ontkenning dat het dat zelf zou zijn of er toegang toe zou hebben of geven.

In mijn woordenboek betekent niet weten gewoon dat je het allemaal niet meer weet.
Maar om dat nou een categoriefout te noemen?


Conditio tacita

In de argumentatieleer onderscheidt men de noodzakelijke voorwaarde, of conditio sine qua non, van de vanzelfsprekende, impliciete voorwaarde, de conditio tacita.
In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet.
Kenmerkend voor het normale denken is nu juist dat zelfs noodzakelijke, non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende.
Sterker nog, de mogelijkheidsvoorwaarden manifesteren zich doorgaans helemaal niet.
Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en zonder stil te staan bij de mogelijkheid van enig voorbehoud.
Dat is wat het woord vanzelfsprekend betekent:
Stilzwijgend.
Ongedacht en onbesproken blijvend.
Tacita.

Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden ‘waar’ te maken, zo komt het mij soms voor.
Mijn schuldgevoel bijvoorbeeld verschijnt altijd en uitsluitend in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter discussie staat.
Voor zover ik dat introspectief kan nagaan, is die wereld er niet op voorhand; hij ontstaat – en vergaat – samen met, als context van, het schuldgevoel in kwestie.
Ik krijg hem er gratis bij, niet in de vorm van een uitgesproken vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek, maar in de vorm van een ongevraagd uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.

Ga maar na.
Volg een gedachte maar eens op de voet.
Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de gedachte zelf wordt meegeleverd?
Alsof hij zijn eigen mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin de (en het) gedachte eventjes kan bestaan?
Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de gedachte zelf en toch lijkt die wereld voor zolang als het duurt – voor zo kort als het duurt – tijdloos, constant, absoluut en onbetwijfelbaar.

Als deze beschrijving klopt dan zijn gedachten kosmogeen, wereldwekkend.
Ze maken zichzelf waar door stiekempjes een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun bestaansvoorwaarden voldaan is.
Ze zijn als het ware zwanger van de wereld die ze waarmaakt.
Ze zijn pregnant of zelfevident.
De wereld die de gedachte waarmaakt is zelfrijzend.

Het idee van de zelfvoorzienende gedachte doet denken aan het dier dat zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel en de mens de stad.
Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich thuis voelt, en de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar lijkt.

Is dit waar?
Zijn gedachten inderdaad wereldwekkend en selbstverständlich?
Zo ja, dan geldt dat ook voor deze gedachten en weten we nog niets.
Zo nee, dan weten we nog steeds niets.
In beide gevallen zijn we geen steek opgeschoten, alle moeilijke woorden ten spijt.
Maar in ieder geval heb ik ze uitgesproken.


Cynisme

Cynisme is een radicaal ongeloof in alles en iedereen, dat tot uitdrukking komt in spot, sarcasme en negativiteit.

Zelf geloof ik net zomin in geloof als in ongeloof, net zomin in alles als in niets, net zomin in iedereen als in niemand, net zomin in uitdrukken als in zwijgen, net zomin in spot als in lof, net zomin in sarcasme als in oprechtheid en net zomin in positiviteit als in negativiteit.
Zelfs in niet weten geloof ik niet – en geloof dat ook maar niet.

Zeg nou zelf, wat is daar cynisch aan?


Deconstructie

Deconstructie betekent zoiets als tussen de regels door lezen.
De aandacht van de lezer gaat daarbij niet zoals gewoonlijk uit naar de manifeste inhoud van de tekst, maar naar de vooronderstellingen en de impliciete tegenstrijdigheden ervan.
Door deze bloot te leggen verliest de tekst zijn vanzelfsprekendheid en zijn eenduidigheid.
De term deconstructie en de leesmethode die ermee aangeduid wordt, zijn bedacht door de Franse filosoof Jacques Derrida.

Voor mij verwijst de term ‘deconstructie’ niet naar een leesmethode en ook niet naar een denkmethode, maar naar een spontaan, zelfbewust denken dat zich niet meer in de luren laat leggen door de manifeste inhoud van zijn gedachten.
Een deconstructieve geest als de mijne houdt de aandacht voortdurend gericht op wat normaliter impliciet blijft en gedachten hun suggestieve kracht, hun meedogenloze macht verleent.
Ik heb het over de talloze aannames en onderscheidingen die aan iedere gedachte ten grondslag liggen, over de zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden en ideaalbeelden die in iedere gedachte vervat liggen, over de innerlijke tegenspraken die in iedere gedachte verstopt zitten – kortom over de hele mentale onderbouw die, zo blijkt telkens weer, het heldere licht van de weetnietgeest niet kan velen.
Dat geldt ook voor deze gedachten.

Deconstructie betekent voor mij: het afgraven van de ongrond waarop gedachten berusten; of het begraven van gedachten in hun eigen ongrond.
Omdat onder onderstellingen andere onderstellingen schuil gaan en onder onderscheidingen andere onderscheidingen, is deconstructie nooit volledig.
Een eerste aanzet is daarom niet minder compleet dan een ver doorgevoerde analyse.
In de meeste gevallen komt het bij mij helemaal niet meer tot een inhoudelijke deconstructie en haal ik alleen maar mijn schouders op over mijn gedachten – en dan nog alleen maar bij wijze van spreken.
Dat geldt ook voor deze gedachten.

Een tekst waarin een bepaalde gedachte stapsgewijs gedeconstrueerd wordt, noem ik een dwaaltekst.


Denotatie en annotatie

Volgens de betekenisleer bestaat de betekenis van een gedachte uit een kleine bewuste bovenbouw, de zogeheten denotatie of sensus superficialis, gedragen door een reusachtige latente onderbouw, de zogenaamde annotatie of sensus subliminalis, waarvan je je slechts vagelijk bewust bent.

De annotatie van een gedachte vormt als het ware de infrastructuur ervan.
De tijdelijke ongrond waarin zij wortelt, groeit en afsterft.
De wegwerpwereld* waarin zij vanzelfsprekend lijkt.
Ik bedoel daarmee het geheel van onderscheidingen en onuitgesproken aannames dat aan de gedachte in kwestie ten grondslag ligt, en alle onderscheidingen en aannames daar weer onder,
et cetera, zonder welke de denotatie letterlijk in de lucht zou hangen.
Kortom, het geheel van koekoeksgedachten* dat erin verscholen zit als poppetjes in een matroesjka, die de context verschaffen waarbinnen de gedachte eerst betekenisvol kan zijn.

Bij een bewering is de denotatie het gestelde, de annotatie het veronderstelde.
Neem bijvoorbeeld de uitroep ‘Heet hier.’
Zodra je deze zin van slechts twee woorden leest, weet je wat er staat.
Je weet wat ‘heet’ betekent en je weet wat ‘hier’ betekent en je weet wat ‘heet
hier’ betekent zonder dat iemand het je uit moet leggen.
Aan de oppervlakte, denotatief, is er geen vuiltje aan de lucht.
Annotatief wel.
Want wat is heet?
En wat is hier?

Om een en ander uit te leggen, ontkom je er niet aan je lichaam te introduceren.
Je moet het over zweten hebben, over hijgen, blossen op de wangen, kleding en het verlangen die uit te trekken, jezelf koelte toewapperen,
een raam openzetten, een ventilator aanzetten; over warm,
lauw, koud en ijskoud, thermometers, het weer, de
verwarming, temperatuurverschillen en warmteregulatie.
En waar is hier?
Niet daar.
Nu begint je over ruimte, dimensionaliteit, punt, lijn, vlak, lichaam, afstand, richting,
boven, onder, links, rechts, achter, voor, relatief, absoluut,
stilstand, beweging, spierkracht, arbeid, massa en energie.

En dat is nog maar het begin.
Want alle woorden die je hebt gebruikt in je uitleg hebben hun eigen annotatie.
Wat is zweten?
Nu volgt een verhaal over de huid, over zweetklieren en
warmtesensoren en doorbloeding en haarvaten en lichaamsvocht en nieren
en vochthuishouding en zoutconcentraties en electrolytenbalans en
lichaamstemperatuur en homeostatische regelsystemen.
Wat zijn zweetklieren?
Wat zijn warmtesensoren?
Wat is doorbloeding?
Wat zijn haarvaten?
Wat is lichaamsvocht?
Wat zijn nieren?
Enzovoort, enzovoort.

Hoe meer je uitlegt, hoe meer je uit te leggen hebt.
Alleen legt niemand ooit wat uit.
Niet echt.
De annotatie blijft eeuwig impliciet, net zoals de lucht die we inademen of de lege ruimte waar we doorheen moeten kijken om verderop iets te kunnen zien.

Dit onbegrensde enzovoort vormt volgens de betekenisleer het impliciete wereldbeeld, het semantische en episodische netwerk, de annotatie die ogenblikkelijk door de denotatie wordt opgeroepen, deze legitimeert en er op haar beurt door gelegitimeerd wordt, waardoor beide vanzelfsprekend schijnen, zoals een weg direct de auto’s verklaart en de auto’s onmiddellijk de weg.
Maar wat verklaart de weg met de auto’s?


Dialectiek

Dialectiek is het denken van these (stelling) via antithese (tegenstelling) naar synthese (samenstelling), waarna de laatste weer als these voor de volgende rondgang dient.
Dialectiek leidt volgens liefhebbers spiraalsgewijs van het bijzondere naar het algemene, van het relatieve naar het absolute, van het meervoudige naar het enkelvoudige, van het tegenstrijdige naar het harmonieuze.
Het zou een progressieve denkwijze zijn, die alleen maar kan eindigen in de hoogste waarheid.
Dat dezelfde methode in de loop der tijd tot steeds andere en grotendeels onverenigbare hoogste waarheden leidde, heeft het vertrouwen erin nauwelijks geschaad.
In elk geval niet in religieuze en spirituele kringen.

In niet weten is het denken eerder regressief of digressief dan progressief.
De dwijze* denkt eerder achterwaarts of zijwaarts dan voorwaarts.
Het dwijze denken leidt van het algemene naar het singuliere.
Van stelling naar onderstelling of nevenstelling.
Van het enkelvoudige naar het meervoudige.
Van werkelijkheid naar mogelijkheid.
Van het hogere naar het lagere.
Van conclusie naar premisse.
Van synthese naar paradox.
Van zekerheid naar twijfel.
Van antwoord naar vraag.
Van orde naar chaos.


Ding-an-sich

Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant is een Ding-an-sich een object zoals het is voordat het menselijk kenvermogen zich er meester van maakt.
Dat wil zeggen, een lege huls of een kaal raamwerk waaraan het verstand (Vernunft) zelf bepaalde kwaliteiten toekent, zoals ruimtelijkheid, tijdelijkheid, vorm, substantie, kleur, textuur, geur en smaak.

Hoewel iedere beeldspraak tekortschiet, of te ver gaat, kun je je het ding-op-zich voorstellen als een soort negatief, een ongemanifesteerd gat waarvan wij mensen
zelf een positief maken door het op te vullen met kwaliteiten.
Deze kwaliteiten zijn in Kant’s visie niet eigen aan het ding als zodanig maar aan het ding zoals het zich voordoet aan het kennende subject.
Een ding is geen ding in en op zichzelf maar een ding voor mij.

Als we Kant mogen geloven is de wereld an sich onkenbaar.
Object en subject zijn onlosmakelijk met elkaar verknoopt.
Wat het gezonde verstand ook zegt, onze voorstelling van de wereld is geen getrouwe afspiegeling van de objectieve werkelijkheid maar een constructie, een projectie van datzelfde verstand, dat zich niet alleen ex nihilo een fantoombeen en een regenboog weet te scheppen maar met evenveel gemak een heel lichaam en een wereld om in rond te lopen: für mich.

Zelf neem ik niet aan dat dingen op zichzelf genomen onkenbaar zijn, of dat ze dat niet zijn.
Ik neem niet aan dat dingen bestaan, of dat ze niet bestaan, of dat ze bestaan en niet bestaan of dat ze bestaan noch niet bestaan.
Ik neem niet aan dat dingen alleen maar zijn wat ze zijn voor het subject, of dat dat niet het geval is.
Ik neem niet aan dat er zoiets is als een subject, of dat die er niet is of dat subject en object één ondeelbaar veld van wederkerigheden vormen of dat ze in essentie leeg zijn of wat dan ook.

Voor mij zijn dingen geen gaten die worden opgevuld door het menselijk verstand.
Voor mij is het menselijk verstand ook geen gat dat wordt opgevuld door de dingen.
Het gat, dat ben ik zelf.
Daarin verdwijnen niet alleen de Dinge an sich maar ook de Dinge für mich, de filosoof Immanuel Kant, de Kritik der reinen Vernunft, het kenvermogen, de kwaliteiten, het subject, de wereld, het weten, het niet-weten – de hele rataplan, met inbegrip van het gat dat ik zogenaamd zou zijn en het zogenaamde verdwijnen daarin van alle denkbare en ondenkbare zaken.
Waarna het hele liedje weer van voren af aan begint.

Maar of dat nog hetzelfde liedje is?


Dissensus

Dissensus is het tegenovergestelde van consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening.
Volgens Lyotard moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin je niet de waarheid najaagt maar slechts het verslaan van de tegenspreker.
Streefde het modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het postmodernisme* streeft juist naar dissensus in de vorm van kleine verhalen die alleen maar een lokale geldigheid hebben.

Dwaalgesprekken* zijn taalspelen waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.
De een streeft naar consensus, de ander naar dissensus.
Dwaalgesprekken zijn een bijzonder geval van dwaalteksten*, die er ongeacht hun vorm naar streven zichzelf tegen te spreken.
Niet weten is een radicale, niet aflatende dissensus waarin de dwijze* ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Zelf heb ik geen bijzondere voorkeur voor dissensus.
Ik streef er in ieder geval niet naar.
Voor zover ik kan nagaan streef ik nergens naar, ook niet naar niet streven, noch weerstreef ik er iets mee.
Hoogstens constateer ik in mijn eigen denken en schrijven een zekere hang naar dissensus.
Dissensus met mezelf.
Ik ben het er dan ook niet mee eens dat dwaalgesprekken taalspelen zijn waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.
Ik ben het er ook niet mee eens dat niet-weten een radicale, niet aflatende dissensus is waarin de dwijze ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.


Dogma

Een dogma is een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.
Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.
Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma’s.
Aldus Van Dale.

Verstopt in deze definities zit een typisch westers verlichtingsideaal.
Ik doel op het idee dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke.
Deze zou zich hierin van dogmatische kennis onderscheiden dat zij voor rede vatbaar is.
Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens twee dogma’s, namelijk het idee dat gefundeerde kennis mogelijk is en het idee dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen.

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden.
Niet weten is nou eenmaal de weg van het midden.
Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden.
Niet uit principe maar uit vermoeidheid; omdat er nog nooit eentje overeind gebleven is.
Deze zal ook wel niet overeind blijven.
Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets te weten, in concreto voor iedere uitspraak die niet onmiskenbaar wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel uitmaakt of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.

Niet weten is niet anti-dogmatisch.
Dat kan ook niet want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma’s is opnieuw een dogma.
Ik zou niet weten op welke gronden ik dat moest verdedigen.
Niet weten kunnen we eventueel adogmatisch noemen, dat wil zeggen zonder dogma’s.
Opnieuw niet uit principe maar simpelweg als gegeven, als iets dat ik steeds opnieuw bij mezelf moet vaststellen.


Epoche

Aangezien volgens de Griekse wijsgeer Pyrrho ieder bewijs* op onbewezen premissen berust, zou opschorting van ieder oordeel voor onbepaalde tijd
de enige juiste wijsgerige houding zijn.
Deze consequent doorgevoerde opschorting heet in het Grieks epoche.

Helaas en/of/noch gelukkig berust de redenering waaruit volgt dat epoche de enige juiste houding is, zelf op onbewezen premissen, waaronder de aanname dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is, de aanname dat je moet doen wat logisch is, de aanname dat je vrij kunt kiezen om je oordeel al dan niet op te schorten en de aanname dat je bij opschorting beter af bent,
of althans het juiste doet.
Is dat allemaal wel waar?
Eerst bewijzen zou ik zeggen, het liefst zonder nieuwe premissen, anders blijven we aan de gang.
Tot die tijd moeten we het oordeel dat we alle oordelen voor onbepaalde tijd moeten opschorten voor onbepaalde tijd opschorten.
En dit oordeel?


Eschatologie

Volgens een gangbare interpretatie van het Evangelie van Thomas betekent de komst van het Rijk Gods niet het einde van het universum maar het einde van de subjectieve werkelijkheid, mijn werkelijkheid, die waarin ik, juist als subject, afgescheiden ben van de rest van de wereld, die mij tot object dient.
Het is deze persoonlijke, dualistische wereld die door de komst van het Rijk Gods vernietigd wordt, en wel precies op het moment dat ik tot inzicht kom omtrent haar ware, non-duale aard.
De werkelijkheid is al het rijk der hemelen, maar we zien het niet.
We leven de waarheid al maar we weten het niet.
De waarheid is onzegbaar en onkenbaar maar zij is.
Het is niet de werkelijkheid als zodanig die vernietigd moet worden, maar de schijnwerkelijkheid in ons, en wij met haar, opdat eindelijk de Ene Werkelijkheid die wij zijn aan de dag kan treden.
Aldus de non-dualistische interpretatie.

In niet weten vindt het idee van een hogere werkelijkheid geen onderdak, noch het tegengestelde idee dat er geen hogere werkelijkheid zou zijn, noch enig ander idee.
Niet weten betekent: geen idee.
Of, als het idee van een hogere werkelijkheid er toch onderdak vindt, dan ook
het idee dat er geen hogere werkelijkheid is, en ieder ander idee.
Niet weten betekent: elk idee.
Zo raak je in niet weten de werkelijkheid in iedere zin kwijt, en iedere zin voor de werkelijkheid.
Je weet niet eens óf de werkelijkheid is, laat staan hoe
zij is, of wát, of uit welke delen zij bestaat, laat staan in welk verband deze delen staan.

In niet weten hoeft de werkelijkheid niet vernietigd te worden want zij wordt niet verondersteld, noch als realiteit, noch als illusie.
Haar bestaan wordt ontkend noch bevestigd.
Niet weten maakt daarom niet alleen een einde aan de bekende wereld maar ook aan het einde daarvan.
Om over de onbekende wereld nog maar te zwijgen.
Van een hogere waarheid of een diepere werkelijkheid is in niet weten sprake
noch geen sprake.

Noem dit desnoods het koninkrijk der hemelen of het honingrijk der zemelen of wat je maar wilt.
Zelf zeg ik liever niks.


Existentialisme

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen
waarin echte communicatie onmogelijk is en de mens in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.
Heel wat mensen hebben mij al aangezien voor een existentialist.
Ten onrechte.
Tussen mijzelf en de existentialist gaapt een kloof die met geen worp, sprong of gedachtevlucht te overbruggen is.
Om kort te gaan:

De existentialist weet dat er een wereld is, ik niet.
De existentialist weet dat deze betekenisloos is, ik niet.
De existentialist weet dat hij bestaat, ik niet.
De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, de wereld in hem), ik niet.
De existentialist weet dat er andere geworpenen zijn, ik niet.
De existentialist weet dat echte
communicatie met de andere geworpenen onmogelijk is, ik niet.
De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, ik niet.
De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, ik niet.
De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen, ik niet.

Om nieuwe misverstanden te voorkomen:
Ik claim ook niet dat er géén wereld is.
Ook niet dat de wereld toch betekenisvol is.
Ook niet dat ik niet besta.
Ook niet dat ik niet in deze wereld geworpen ben.
Ook niet dat er geen andere geworpenen zijn.
Ook niet dat echte communicatie met andere geworpenen toch mogelijk is.
Ook niet dat ik niet gedoemd ben tot eenzaamheid.
Ook niet dat ik niet tot vrijheid veroordeeld ben.
Ook niet dat iemand of iets anders zin aan mijn bestaan kan geven of dat ik dat voor anderen kan doen.
Ook niet dat je dit allemaal niet kunt weten.

Nee, existentialisme kun je dit beslist niet noemen.
Hoe je het wel moet noemen weet ik niet.
Daarom noem ik het niet weten.


Fideïsme

Fideïsme [Latijn, fides, geloof] is de doctrine dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven is.
Van menen te weten.
Niet alleen het religieuze weten maar ook
het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Ikzelf geloof, meen of weet niets over weten, menen of geloven.
Zelfs niet dat ik daarover niets geloof, meen of weet.
Laat staan dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven zou zijn.


Gezond verstand

Onder gezond verstand verstaat men de verzameling van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel eens zijn.
Alle zaken dus die vanzelfsprekend, om niet te zeggen vanzelfschreeuwend zijn.
Volgens het gezonde verstand is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.
Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse filosofie het gezonde verstand in ere wilde herstellen is de common sense philosophy van Thomas Reid.
Een ongelovige filosoof die zijn eigen non-filosofie bolstert door die van de goegemeente te legitimeren.
Kan het gekker?
Nou en of.

Het gezonde verstand waarop velen zich beroepen gaat in niet weten niet verloren, maar komt wel in de lucht te hangen en verliest daarmee vanzelf zijn (on)natuurlijke gezag.
Voor mij, wie dat ook moge wezen, is het vooral vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook moge wezen, verbijstert, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.
Omgekeerd is het voor diezelfde mij, zo die al bestaat, al even verbijsterend dat diezelfde wereld, als er al zoiets is, desondanks vanzelf blijft spreken en zijn/mijn/onze/eenieders/niemands verbijstering onophoudelijk overschreeuwt.

Daardoor of desondanks verkeer ik niet langer in de ban van het gezonde verstand, maar evengoed wel, en in nog heviger mate, in dat van het ongezonde, of laten we zeggen kortgesloten verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt, ook al stelt het geen enkel belang meer in de antwoorden, en zich nog steeds geroepen voelt de antwoorden die desondanks uit allerlei bronnen blijven opborrelen onophoudelijk te herroepen – ook deze.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere.
Kan het gekker?


Ignotum per ignotius

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent: ‘het onbekende herleiden tot het onbekendere’.
Zij is gewoonlijk bedoeld als ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar kan ook opgevat worden als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Wanneer een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard?
Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht?
Daarvoor moet je bij de natuurkundige wezen, zeg jij dan.
Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk relativistisch verhaal over massa en tijdruimte of een ander volstrekt onbegrijpelijk quantumfysisch verhaal over gravitonen en higgs-velden.
Dit heet: van kwaad tot erger.
Ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijk.
Integendeel.
De natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe.
Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgs-deeltjes.
Wat is de ontologische status van dit soort begrippen?
Daarvoor moet je bij de metafysicus wezen, zeg je.
Ik op zoek naar zo’n wezen, nergens te vinden.
Blijkt de hele metafysica op zijn gat te liggen.
En wat voor gat.
Zo zwart als wat.
Om nog maar te zwijgen over het feit dat zowel de doorijlende fysica zelf als wijlen de na-ijlende metafysica ongeacht hun resultaten, als ver schijnsel, als bezigheid, als bedrijf, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn.
Zeker in termen van hun eigen verklaringsmodellen.

Een vergelijkbare term is obscurum per obscurius – het herleiden van het duistere tot het meer duistere.
De uitdrukking ignoramus et ignorabimus betekent zoveel als ‘wij weten niet en zullen nooit weten’.


Kenleer

Misschien ben jij een van die mensen die denkt dat epistemologie – de filosofie van de grenzen van het weten – de beste weg naar niet weten is.
Maar is niet weten wel een bestemming, is er wel een weg naartoe – laat staan meerdere waarvan er een de beste is – en wil je die wel gaan?

Als weg naar niet weten maakt kenleer sowieso een valse start door van meet af aan van alles te veronderstellen.
Zo maakt het zonder enige rechtvaardiging onderscheid tussen weten en niet weten en tussen een kennend subject en een uitwendig object waarvan de kenbaarheid onderzocht moet worden.
Verder neemt het zonder meer aan dat natuurlijke taal een geschikt instrument is om epistemologisch onderzoek mee te verrichten en de grenzen van het weten mee uit te drukken, dat het gebruik van logica de geldigheid van de gebruikte redeneringen garandeert, dat je vanuit onbewezen premissen tot bewezen conclusies kunt komen en dat geldige redeneringen volstaan als het erom gaat jezelf en je medemens ergens van te overtuigen.

Stevige aannames voor een discipline die weetbaarheid tot thema heeft.
Eigenlijk zou de kentheoreticus deze veronderstellingen eerst moeten onderzoeken voordat ze tot uitgangspunt van epistemologisch onderzoek kunnen dienen.
Maar hoe pleeg je onderzoek zonder onderscheidingen?
Hoe druk je je uit zonder taal?
Hoe redeneer je zonder logica?
Hoe overtuig je zonder redenen?


Nominalisme

Nominalisme is de sceptische opvatting dat universalia (algemene begrippen), zoals ‘woord’, ‘ruimte’, ‘hoofd’, ‘wolk’, ‘voet’ en ‘grond’ geen werkelijkheidsgehalte hebben.
Alleen het singuliere bestaat echt.
Aangezien al onze kennis vervat is in universalia die volledig losstaan van particularia, weten we eigenlijk niets.
Het nominalisme verzet zich met name tegen de ideeënleer van Plato, die concrete objecten als armzalige aftreksels van zuivere ideeën beschouwt.
Hoewel het nominalisme in de middeleeuwen hoogtij vierde, is het in de twintigste eeuw in een postmodern jasje opnieuw aan de orde gesteld, onder andere in de filosofie van de verwondering van Cornelis Verhoeven.

Problematisch aan het nominalisme is in de eerste plaats de status van het nominalisme zelf.
Is het slechts een loze naam of een reële entiteit?
‘Werkelijkheidsgehalte’, heeft dat wel enig werkelijkheidsgehalte of is het ook maar een woord?
‘Universalia’, bestaan die eigenlijk wel, of zwetst het universalium ‘nominalist’ hier in het universalium ‘ruimte’?
Want Plato mag zijn hoofd dan wel in de wolken hebben gehad, daarom heeft de nominalist nog geen voet aan de grond.


Postmodernisme

Het postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes.
Toch is met het postmodernisme het einde van het relativeren nog niet bereikt.
Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn, dan kunnen we op termijn een nieuw tijdperk tegemoet zien, dat we hier maar even het postpostmodernisme of gewoon het einde der tijden zullen noemen, waarin men zich niet meer in een volgend tijdperk waant, of terug in een vorig, of gevangen in een eeuwig heden, dat ook niet, en daaromtrent geheel vrij van verwachtingen en verlangens is.
Ook van de verwachting en het verlangen daaromtrent geheel vrij van verwachtingen en verlangens te zijn.
Daarmee zou het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zijn, evenals het doemdenken, zodat we ook niet meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren.
Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Het schijnt dat Baudrillard al in 1992 in Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd.
Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander: van de wereld (eschatologie*), van de filosofie (scepticisme*, pyrronisme*), van de oorlog (‘the war to end all wars’) van de kunst (Arthur Danto), van het subject (advaita vedanta, zen*), van het boek, van de roman, van de poëzie, van de schilderkunst, van de muziek, van de godsdienst, van de staat, van de geschiedenis (Francis Fukuyama), van het metaverhaal (Lyotard) en van de representatie (Derrida), om maar eens wat te noemen.
De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt endisme (‘endism’) genoemd, een term die zonder meer een plaatsje in een toekomstige DSM-versie verdient, als die er tenminste nog komt.

Naar verluid werkt voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn dood op 6 maart 2007 in alle rust aan een studie getiteld: Illusion de la fin de la fin.
Zelf werk ik aan een definitieve studie over het laatste woord, getiteld de illusie van het laatste woord.
Bij deze kondig ik ook het einde van het endisme aan, voordat iemand mij weer voor is, in de hoop ten minste één keer in mijn leven gelijk te krijgen.
Al is het maar postuum.


Quiëtisme

Het quiëtisme is een mystieke beweging uit de zeventiende eeuw gericht tegen de scholastiek en het dogmatisme, die zwijgzaamheid, niet denken, contemplatie en overgave predikt.
In ruimere zin staat quiëtisme voor de gedachte dat de waarheid voorbij de woorden is, en zich alleen in daden laat uitdrukken.

Vanuit Wittgenstein’s adagium dat men moet zwijgen over datgene waarover men niet kan spreken, kun je gemakkelijk tot de conclusie komen dat de dwijze* in het algemeen, of tenminste Hans van Dam in het bijzonder, dan maar zijn mond moet houden.
Deze conclusie berust op twee misverstanden.
Ten eerste weet Hans van Dam zelfs niet dat hij niet weet, ten tweede heeft Wittgenstein in zijn ijver de helft vergeten, namelijk dat je moet spreken over datgene waarover je niet kunt zwijgen.
Dus waarom zou uitgerekend Hans van Dam zijn mond moeten houden?
Laat Wittgenstein eerst maar eens het goede voorbeeld geven.


Scepticisme

Van het scepticisme bestaan talloze varianten, die lang niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte, en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:

  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten en ook niet hoe je moet leven (radicaal scepticisme)
  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten maar wel hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis)
  • je kunt niets weten, behalve dat je niets kunt weet (dogmatisch scepticisme)
  • je kunt niets zeker weten maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme)
  • je kent alleen de associaties van het verstand (Hume)
  • je kunt alleen iets weten doorheen de categorieën van het verstand, (tijd, ruimte, oorzaak en getal; Kant)
  • je kunt alleen weten wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.)
  • je kunt alleen bewustzijnsinhouden kennen (idealisme, Bacon)
  • je kunt alleen maar de inhoud van je eigen bewustzijn kennen (solipsisme)
  • je kunt alleen maar weten wat werkt (pragmatisme, Peirce)
  • je kunt alleen maar weten wat niet waar is (falsificationisme, Popper)
  • je kunt alleen maar iets weten voor jezelf (subjectivisme)
  • je kunt alleen maar weten wat in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf hypothese)
  • je kunt alleen iets weten binnen een gegeven context (contextualisme)
  • je kunt alleen iets weten binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme)

Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet weten?
Geen enkel.
Niet weten is ‘tja’ zeggen tegen ieder isme.
Dus ook tegen iedere vorm van scepticisme.
Niet omdat je het beter weet, maar omdat je het niet meer weet.
Kan het eenvoudiger?


Terra incognita

Terra incognita betekent ‘onbekend gebied’.
Het is een term uit de cartografie waarmee je een oord aanduidt waarover niets bekend is.

Op globes en kaarten werd terra incognita vroeger aangegeven met witte vlekken, en soms met de tekst ‘Hier zijn draken’ (Latijn: Hic sunt dracones) of ‘hier zijn leeuwen’ (Hic sunt leones), want het onbekende werd en wordt als vreeswekkend ervaren.
Toch werden er met name vanaf de vijftiende eeuw vanuit Europa tal van ontdekkingsreizen georganiseerd om de witte vlekken op de Europese kaarten in te vullen en het areaal van het terra incognita te verkleinen.

Het spirituele pad kun je opvatten als een uitnodiging om het bekende terrein van je eigen persoon, je eigen gedachten, de medemens en de wereld waarin je leeft, diepgaand te onderzoeken.
Je weet nooit wat je daarbij zult ontdekken of kwijtraken, ook al denk je van wel.
Zelf moest ik tot mijn ontsteltenis constateren dat het oppervlakkig bekende ten diepste onbekend was.
Mijn weg werd geen ontdekkingsreis waarbij onbekende gebieden ontsloten werden maar, tegen wil en dank, een toedekkingsreis waarbij ik met gum en witkwast in de hand en met pijn in het hart mijn terra cognita stukje bij beetje prijsgaf aan het onbekende, waarvan het natuurlijk, zeg ik achteraf, al die tijd deel was blijven uitmaken.

Naarmate mijn persoon, mijn gedachten, mijn medemens en mijn wereld witter werden, kon ik ze steeds moeilijker uit elkaar houden, en ten slotte heb ik het maar opgegeven.
Wat niet betekent dat alles één is, want hoe kan iets wat je niet kunt onderscheiden nou één zijn met iets wat je ook niet kunt onderscheiden?

In de beeldspraak van het terra incognita is wit de kleur van niet-weten.
Witten is het uitgummen van al je uitgangspunten, waarden, idealen en zekerheden met betrekking tot waarheid, vrijheid, bewustzijn, metafysica, vrije wil, waarneming, geloften, mededogen, God, mystiek, denken, logica, identiteit, gemoedsrust, verlichting, liefde, de dood, ethiek, de zin van het leven enzovoort.
Wit noem je iemand die het allemaal niet meer weet.

Na het witten rest de witte alleen nog het witten van het witten zelf.
Pas als hij ook zijn witte bril heeft afgezet, is hij werkelijk wit, dat wil zeggen, niet.
Want werkelijk wit bevat alle kleuren van de regenboog.
Kleurrijk is mijn persoon, kleurrijk zijn mijn gedachten, kleurrijk is mijn medemens en kleurrijk is de wereld.


Therapeutisch scepticisme

Volgens een variant van de twijfelleer die tegenwoordig bekend staat als het therapeutisch scepticisme, is de hoofddoelstelling van de sceptische levenshouding ataraxie*, volstrekte gemoedsrust.
De eerste westerse exponent van deze visie is voor zover bekend Pyrrho van Elis (360 – 275 voor Christus).
Pyrrho meende dat ataraxie te bereiken is door in te zien dat wij niets kunnen weten, zodat oordelen geen zin meer heeft en het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust komt.

Merkwaardig genoeg staat het therapeutisch scepticisme bol van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.
Om te beginnen is er het weten dat wij niets kunnen weten en, voor gevorderden, dat wij zelfs dat niet kunnen weten.
Vervolgens is er het weten dat dit besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk sereniteit, en niet, bijvoorbeeld, depressiviteit, apathie, agitatie, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets, al dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden.
Ten derde is er het idee dat wij meester over ons lot zijn en ervoor kunnen kiezen ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden teneinde tot het gewenste besef te komen.
Ten vierde is er het geloof in de suprematie van de rede, die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten wanneer wij eenmaal kennis hebben genomen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Dat dit soort gedachten voor sommige mensen therapeutisch werkt, wil ik best aannemen, al behoor ik zelf niet tot de gelukkigen.
Maar wat er sceptisch aan is?


Trilemma van Agrippa

Volgens sceptici kun je een stelling, S, maar op twee manieren rechtvaardigen:

  1. Door botweg te stellen dat het nou eenmaal zo is: S want S.
  2. Door een beroep te doen op een onderliggende stelling, S’, waaruit S langs logische weg wordt afgeleid.

S want S
Te zeggen dat het nou eenmaal zo is heet dogmatisme.
Een bewering in de vorm ‘S want S’ heet een tautologie.
Bij gebrek aan beter doet de dogmaticus graag een beroep op het gezond verstand.
S heet dan vanzelfsprekend of zelf-evident te zijn.

S want S’
Wie een beroep doet op een onderliggende stelling S’ verschuift het probleem.
Gevraagd naar een rechtvaardiging van S’ zal hij zich opnieuw moeten beroepen op een onderliggende stelling S”, en zo voort.
Deze terugtrekkende beweging heet regressie.
Hiervan bestaan drie soorten:

  1. Eindige regressie
  2. Circulaire regressie
  3. Oneindige regressie

Eindige regressie
Een eindige regressie bestaat uit een beperkt aantal unieke stellingen, waarvan de laatste alle andere draagt terwijl ze zelf ongerechtvaardigd blijft.
Iemand die gelooft dat de stapsgewijze herleiding van een stelling tot een onbetwijfelbare vanzelfsprekendheid voldoende rechtvaardiging biedt, heet een fundamentist – een aanhanger van het fundamentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kortst denkbare eindige regressie, met een lengte van 1.

Circulaire regressie
Het kan ook zijn dat je achteruit redenerend na een of meer stappen op een stelling stuit waarop je je eerder ook al hebt moeten beroepen, zodat er een cirkelredenering ontstaat.
Iemand die gelooft dat de hechte, vicieuze samenhang van een groep uitspraken voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak afzonderlijk, heet een coherentist – een aanhanger van het coherentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kleinst mogelijke cirkelredenering, met een lengte van 1.

Oneindige regressie
Het kan ook zijn dat je almaar achteruit blijft redeneren.
Hierdoor ontstaat – in theorie – een oneindige regressie.
Iemand die gelooft dat een in principe oneindige regressie voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak in de reeks, heet een infinitist – een aanhanger van het infinitisme.

Iemand die gelooft dat dogmatisme, fundamentisme, coherentisme en infinitisme onvoldoende rechtvaardiging bieden voor welke stelling dan ook, heet een scepticus – een aanhanger van het scepticisme.

Trilemma
Het trilemma van Agrippa vat het probleem van het rechtvaardigen van een uitspraak puntig samen.
Volgens Agrippa moet je kiezen uit drie kwaden: dogmatisme, een cirkelredenering of een oneindige regressie.
De enige uitweg uit dit trilemma is volgens hem het scepticisme.

Wat dit laatste betreft heeft Agrippa een driehoornige bok geschoten.
Wie niet weet, zoals ik, voelt zich niet gehouden aan welke logica ook.
Wie zich niet gehouden voelt aan welke logica ook, kan niet gevangen raken in welk dilemma, trilemma, polylemma of monolemma ook.
Wie nergens in gevangen zit hoeft zich nergens van te bevrijden en heeft niets te rechtvaardigen, bewijzen of ontkrachten.
Hoe makkelijk kan het zijn.


Utopie

Een ideaalbeeld van de wereld of van een staat heet een utopie [Grieks, eu-, goed of ou, niet, nergens + topia, plaats].
Een van de bekendste utopieën is de socialistische heilstaat Utopia van Thomas Moore (1516).
De christelijke heilstaat is een staatsbestel op kerkelijke grond waarin iedere burger allereerst onderdaan van God is.
Het Derde Rijk was een heilstaat op eugenetische grondslag.
De boeddhistische heilstaat is die van een wereld zonder grenzen waarin het lijden is uitgebannen en iedereen verlicht is.

Een schrikbeeld van de wereld of van een staat heet een dystopie [Grieks, dus-, moeilijk, slecht].
Dystopieën vinden we onder meer terug in Brave new world van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell.
Volgens sommigen is de huidige wereld de ergst denkbare.
Volgens anderen, zoals Gottfried Leibniz, is de huidige wereld, hoe erg ook, juist de beste van alle mogelijke werelden.

Wat voor de een een utopie is, is voor de ander een dystopie.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de socialistische heilstaat, de christelijke heilstaat en de boeddhistische heilstaat.
Wat voor de een een dystopie is, is voor de ander een utopie.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan het Derde Rijk, Brave new world en 1984.

Wie niet weet, zoals ik, houdt er geen vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden of schrikbeelden op na.
Utopisme, dystopisme, activisme, neutralisme en fatalisme vinden in hem geen enkel houvast.


Verlichtingsdenken

In het postmodernisme* wordt met de term ‘verlichtingsdenken’ verwezen naar het rationele denken dat karakteristiek is voor de Verlichting (circa 1650-1900) en gebaseerd is op een groot vertrouwen in de rede en de vooruitgang.
De ‘grote verhalen’ (Lyotard) van de twintigste eeuw, zoals het fascisme, de eugenetica, het socialisme en het communisme, gezamenlijk aangeduid als het modernisme, vertonen dezelfde kenmerken en worden daarom eveneens tot het verlichtingsdenken gerekend (maar natuurlijk niet tot de Verlichting).
Het postmodernisme wil niet alleen afrekenen met het modernisme maar met iedere vorm van rationalisme.
Vandaar dat het postmodernisme ook wel antiverlichtingsdenken wordt genoemd, en antirationalisme, wat tussen haakjes niet hetzelfde is als irrationalisme.

De term ‘verlichtingsdenken’ is ook geschikt voor een ander type denken, namelijk het geloof in spirituele verlichting waarbij je ontwaakt tot – ja, tot wat eigenlijk?
Tot de waarheid, de weg, een principe, een alomtegenwoordigheid, een hogere werkelijkheid, wat dan ook.
Tot een schokvrije rotsbodem waarop we eindelijk zekerheid en veiligheid vinden, onder meer aangeduid als de realiteit, non-dualiteit, de waarheid, nirwana, de boeddhanatuur, gewaarzijn, het absolute, het hart, de bron, energie, essentie, het ene, god, brahman, tao, het leven, bewustzijn, openheid, het kennen, het koninkrijk der hemelen, en zo meer.
Evenals het filosofische verlichtingsdenken is het spirituele verlichtingsdenken optimistisch van aard en behoort het tot de grote verhalen – ook al zijn ze vaker antiek dan modern.
Anderzijds ziet het spirituele verlichtingsdenken (net als de Romantiek) de ratio (het verstand, het denken, de geest, het ego, de mind) eerder als hinderpaal dan als instrument tot bevrijding.
Uitzonderingen zoals het Werk van Byron Katie en de autolyse van ‘Jed McKenna’ daargelaten.

Het spirituele verlichtingsdenken kan afgezet worden tegen wat ik hier voor de duur van deze alinea mijn eigen verduisteringsdenken zal noemen.
Daarin is sprake van een radicaal ongeloof in alle verhalen, groot en klein, inclusief het postmodernisme, inclusief het verhaal van het radicale ongeloof in alle verhalen, groot en klein.
Niet uit keuze of overtuiging, maar als gegeven, en slechts voor zolang het duurt.
Hoewel dit ‘verduisteringsdenken’ nergens tegen gekant is, en we het dus ook geen antiverlichtingsdenken of antirationalisme kunnen noemen, zaagt het wel voortdurend aan de stoelpoten van het weten dat karakteristiek is voor zowel de verlichting als het modernisme en wat ik hierboven het spirituele verlichtingsdenken heb genoemd.


Vinger naar de maan

Sinds jaar en dag waart door de wijsheidsliteratuur van veel tradities de metafoor van de meester die met zijn vinger naar de maan wijst (een hogere werkelijkheid) terwijl de leerling alleen de vinger ziet.
Niet weten is niet zo’n traditie, al was het maar omdat niet weten als zodanig nooit een traditie is geweest maar slechts een ondergeschikt element van een aantal heel verschillende spirituele, religieuze en filosofische tradities.

Getuigen van niet weten is net zo lastig als je vinger laten zien aan iemand die denkt dat je ermee wijst.
Ik kan het weten want ik heb al heel wat pogingen achter de rug.*
Toch is ook deze omgekeerde beeldspraak misleidend.
Je zou in de aandachtsverschuiving naar de vinger een vermaning kunnen lezen om je te bepalen tot alleen-maar-dit of ik-ben-dat of het hier-en-nu of het absolute of het ene of zo.
Helaas heb ik geen flauw-benul wat dat allemaal mag wezen.
En heus niet uit onwil.
Integendeel, misschien wilde ik wel te graag en ben ik er juist daardoor niet in geslaagd vast te stellen wat nou helemaal het verschil is tussen dit en dat, zijn en worden, hier en daar, ik en gij, toen en nu en straks, eeuwig en vergankelijk, gewoon en heilig, geenvoudig, eenvoudig, tweevoudig, niet-tweevoudig, meervoudig en veelvoudig, wezen en bijzaak, flauw en hartig, kul en benul, enzovoort.
Van de weeromstuit weet ik van voren niet meer dat ik van achteren leef, of was het nou andersom, en gebruik ik mijn vingers gewoon weer waar ze volgens de wet en de profeten en de regelen der kunst en Joost en Bartjens voor bedoeld zijn.

* Met dieren is het precies andersom. Of het nou honden, apen, geiten, eenden, vissen of kalfjes zijn, ze komen allemaal even aan mijn vinger ruiken, trekken, knabbelen, pikken, sabbelen of zuigen – en houden het dan voor gezien.


Voorwaardelijkheid

Onder voorwaardelijkheid versta ik het voorbehoud dat een bewering, nog los van de vraag of zij waar is, pas waar kan zijn wanneer de onderliggende onderscheidingen geldig en de onderliggende aannames waar zijn.
Vanwege het regressieve karakter van dit voorbehoud is nooit met zekerheid vast te stellen of een bewering waar is.
Het voorbehoud is principieel, eeuwig.

Voorbeelden van voorwaardelijkheid:

  • Wie de waarheid zoekt, neemt aan dat de waarheid bestaat, gevonden kan worden, begrijpelijk is en de moeite van het weten waard.
  • Wie meent dat de wereld een illusie is, veronderstelt dat de illusie zelf geen illusie is.
  • Wie meent dat hij werkelijk bestaat, veronderstelt dat hij op dat moment niet droomt.
  • Wie meent dat niets toeval is, veronderstelt een universele orde.
  • Wie meent dat alles toeval is, veronderstelt een universele chaos.
  • Wie meent dat ware premissen tot ware conclusies leiden, veronderstelt de logica.
  • Wie meent dat de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtig
    graden is, veronderstelt een vlakke ondergrond.
  • Wie claimt iets waars te kunnen zeggen veronderstelt dat taal daarvoor een geschikt medium is.
  • Wie meent dat bladeren groen zijn, veronderstelt dat kleuren buiten de hersenen om bestaan.
  • Wie meent dat tijd absoluut is (Newton) veronderstelt dat tijd onafhankelijk is van beweging.
  • Wie schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een vrije wil.
  • Wie veronderstelt dat iemand zonder vrije wil geen schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een oorzakelijk verband.
  • Wie meent dat hij gelijk heeft omdat wat hij zegt in de bijbel staat, veronderstelt dat de bijbel waar is.
  • Wie meent dat de bijbel waar is omdat hij het woord van god bevat,
    veronderstelt dat de schrijvers geen fouten hebben gemaakt, dat god
    bestaat en dat hij niet liegt.
  • Wie (met Descartes) meent dat god niet liegt omdat hij anders niet volmaakt zou zijn, veronderstelt dat volmaaktheid liegen uitsluit.
  • Wie meent dat het leven zin heeft (of juist niet) veronderstelt dat er zoiets is als ‘het leven’.
  • Wie meent dat er niet zoiets is als ‘het leven’, veronderstelt (bijvoorbeeld) dat algemene woorden (universalia) geen tegenhanger hebben in de wereld.

Ook in het boeddhisme komen we het begrip voorwaardelijkheid tegen.
Hier heet het sunyata (leegte), een term uit het Sanskriet, die staat voor het het idee dat dingen niet op zichzelf bestaan maar het gevolg zijn van ontelbare oorzaken en omstandigheden, die op hun beurt niet op zichzelf bestaan, enzovoort.

Om de eerste (filosofische) voorwaardelijkheid te onderscheiden van de laatste (boeddhistische), zou je kunnen spreken van epistemologische voorwaardelijkheid versus ontologische voorwaardelijkheid.

Mooie woorden weer, fraaie onderscheidingen, maar wat schiet je ermee op?
Als alle beweringen voorwaardelijk zijn, dan ook de bewering dat alle beweringen voorwaardelijk zijn, en als alles leeg is dan ook de leegte.
In beide gevallen staan we weer eens met onze mond vol tanden.


X

In de wiskunde wordt de letter X gebruikt om een onbekende grootheid aan te duiden.
De Franse filosoof Jacques Derrida gebruikt dezelfde letter voor wat hij semi-begrippen of halfbegrippen noemt.
Hiermee bedoelt hij met name postmoderne begrippen als differantie, deconstructie, hymen en parergon, die onzegbaar en ondefinieerbaar zouden zijn.

Halfbegrippen komen we ook tegen in de religie en de spiritualiteit, waar ze worden aangeduid met woorden en uitdrukkingen als god, tao, brahman, het ene, het absolute, het mysterie, dit, de bron, het eeuwige, het bewustzijn, boeddhanatuur en non-dualiteit.
Een van de meest universele spirituele doctrines luidt dat de waarheid onuitsprekelijk is en uitsluitend apofatisch* kan worden gedefinieerd, dat wil zeggen, als dit noch dat.

Het onderscheid tussen begrippen en halfbegrippen wordt niet door iedereen onderschreven.
Het nominalisme erkent alleen particularia en houdt universalia als ‘mens’, ‘levendbarend’ en ‘verandering’ voor betekenisloos.
Sommige boeddhistische scholen gaan nog een stapje verder en houden alle begrippen voor leeg, dat wil zeggen, zonder wezen of substantie.
In deze visie heeft het onderscheid tussen hele begrippen en halfbegrippen natuurlijk geen zin meer.

Ikzelf erken of ontken geen enkel onderscheid tussen begrippen en aanverwante zaken zoals gevoelens, vermoedens, waarnemingen en handelingen, en ook niet tussen begrippen onderling.
Van mij mag ieder begrip X genoemd worden, waarmee ik niet wil beweren dat alle begrippen onzegbaar en ondefinieerbaar zijn, noch het tegendeel, noch iets ertussenin, noch iets anders.
X is X en verder niks.
Of niet soms?


Zen

Het oorspronkelijke boeddhisme is een verlossingsleer, een weg waarlangs je kunt ontsnappen aan de eeuwige kringloop van wedergeboortes, aan samsara en de karmische wetten.
In het zenboeddhisme, zeker in de soto-traditie, is dit aspect van verlossing samen met de reïncarnatieleer op de achtergrond geraakt.
Net als advaita is zen geen ingewikkelde verlossingsleer maar een eenvoudige realisatieleer.
Er is geen doel dus ook geen weg.
Er is niets om je van te verlossen en niemand om te verlossen.
Je hoeft niets te doen of te laten of te worden.
Je hoeft alleen maar te beseffen dat je het onvergankelijke en ongeboren en vormeloze ene bent, altijd al was en eeuwig zult zijn.
Realisatie is niets anders dan je realiseren dat er niets te realiseren valt.

Aangezien er in zen geen weg is, kun je gewoon gaan zitten wachten tot het inzicht zich spontaan aandient.
Dit heet zazen.
Je moet alleen niet bewegen want dat jaagt het inzicht weg.
Niet bewegen doet zeer, maar pijn is goed voor je inlevingsvermogen, en dat is weer goed voor je mededogen, waar zenboeddhist in tegenstelling tot de dolende medemens nooit genoeg van krijgt.
Om de tijd te verdrijven, die anders wel erg langzaam gaat, krijg je raadseltjes op.
Die heten koan, om aan te geven dat ze alleen geschikt zijn voor volwassenen.
Koan hebben geen oplossing en dat is ook geen oplossing, maar dat zeggen we er niet bij.
In de loop der tijd zijn er door excellente zenmeesters toch weer oplossingen bedacht en vastgelegd in antwoordboeken, die strikt geheim zijn.
Diezelfde excellente zenmeesters hebben ook stadia van verlichting bedacht, drie, vier, vijf, zeven, tien, tweeënvijftig, waaruit we in ieder geval één ding met zekerheid kunnen opmaken, dat de bedenker zelf het hoogste stadium heeft bereikt, anders had hij het nooit kunnen bedenken.
Zodoende is de bedenker automatisch geautoriseerd om ook bij anderen de graad van verlichting vast te stellen.
Want verschil moet er zijn.
Zelfs in het ene.
Al met al lijkt zen net een weg, maar daar kom je nog wel achter.
Erachter komen heet realisatie en dat is een opluchting van jewelste.
Een tijdelijke opluchting heet kensho, een opluchting waar geen eind aan komt satori.

En dan niet weten.
Daar wordt je ook niet vrolijk van.
Aan de andere kant word je er ook niet verdrietig van.
Je wordt er eigenlijk niks van.
Het laat je in je eigen sop gaarkoken, en wie wil dat nou niet.
Niet weten is geen verlossingsleer en ook geen realisatieleer.
Eigenlijk is het helemaal geen leer.
Het is het zwarte gat waarin iedere leer verdwijnt.
Hoe kan het ook anders.
Welk leren zou in hemelsnaam tot niet weten kunnen leiden?
Wil je niet weten toch graag als een leer zien?
Dat kan.
Dan noemen we het gewoon de lege leer*.


Zondeval

Een van de oudste christelijke teksten die in verband kan worden gebracht met non-dualiteit staat in het boek Genesis van het Oude Testament. Hij gaat over Adam en Eva in het paradijs, die zich op een goede of kwade dag door een slang laten verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De slang stelt hen wijsheid in het vooruitzicht. Hun ogen zullen worden geopend!

En inderdaad, na het eten van de verboden vruchten zijn hun ogen geopend. Adam en Eva zien elkaar aan en beseffen voor het eerst van hun leven dat ze naakt zijn. Hun schaamte bedekken ze met een vijgenblad en ze trekken zich terug in de bosjes. De kennis van goed en kwaad heeft voorgoed een einde gemaakt aan hun onschuld.

Intussen is God hevig vertoornd omdat Adam en Eva de enige verboden vrucht in de Hof van Eden niet konden laten hangen. In zijn ogen hebben ze iets verkeerd gedaan, maar hoe moesten zij dat weten? Ze hadden immers nog niks gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. God wel. Die heeft die boom zelf geschapen en klaarblijkelijk meteen zijn buikje rond gegeten.
Verschil moet er zijn.

Gods oordeel is hard, zijn straf meedogenloos. Zonder pardon stuurt hij Adam en Eva het paradijs uit, en met hen de hele mensheid. Want hun zonde is niet zomaar een zonde. Het is een erfzonde, die samen met de kennis van goed en kwaad tot op de dag van vandaag van generatie op generatie wordt overgedragen.

Interpreteren we dit antieke verhaal conform de tijdgeest in non-dualistische zin dan staat de boom van de kennis van goed en kwaad voor het maken van onderscheid en het vellen van oordelen. Het paradijs staat voor kinderlijke onschuld, zorgeloosheid, niet-oordelen, gewoon maar zijn en doen. ‘Zalig zijn de eenvoudigen van geest’, schreef Mattheüs al in het naar hem vernoemde Evangelie (11:25).

Een van de vele vragen waarop ik geen antwoord heb, is deze: Voor wie is nou eigenlijk dat paradijs? Niet voor degene die weet van goed en kwaad.
Die mag er niet in. Ook niet voor degene die geen weet heeft van goed en kwaad. Voor hem bestaat het paradijs niet, evenmin als de hel. Aan hem is het niet besteed; hij zou het verschil niet weten. Adam en Eva mogen er dan wel een blauwe maandag hebben gewoond, zodra ze het doorkregen werden ze eruit gezet. Tel uit je winst.

Volgens mij staat het paradijs eeuwig leeg – is het althans nooit bewust bewoond geweest en zal het ook nooit bewust bewoond worden. Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad dan wel? Hoe zullen we het eens noemen, dit non-paradijs waarin je niet langer meent het aangezicht van God te aanschouwen of Zijn eeuwigdurende straf te ondergaan of voorgeborgen te zijn of door een vuur gelouterd te worden; dit ergens noch nergens waarin je niet langer iemand of niemand meent te zijn en geen idee meer hebt wat je moet doen of laten of waar je aan toe bent of wat je er allemaal van moet vinden of zelfs maar wat het is om ergens geen idee van te hebben? Niet de hemel natuurlijk. Niet de hel. Niet het voorgeborchte. Niet het vagevuur. Het vage dan maar? Of zullen we gewoon ‘tja’ zeggen als iemand ons vraagt waar we zijn?