Zoek je selfie

Schijngestalten van het zelf en het zelf als schijngestalte. Houvast voor mensen met een identiteitscrisis. Of hou gewoon vast aan je identiteitscrisis.

Twee aanbevelingen

‘Wat weet jij eigenlijk van jezelf, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het zelf, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

Geen wonder

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp het nietigste bosondeeltje nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de kleinste zandkorrel nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp het eenvoudigste eiwit nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp het laagste virus nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de gewoonste bacterie nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de primitiefste plant nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de geringste aardworm nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de minste muis nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de stomste hond nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik mezelf niet begrijp?’
‘Ik begrijp de domste aap nog niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

‘Hoe komt het dat ik u niet begrijp?’
‘Ik begrijp mezelf niet eens.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Dat begrijp ik ook al niet.’
‘Bedoel je dat we één en dezelfde zijn?’
‘Dat begrijp ik ook al niet.’
‘Ik eigenlijk ook niet.’
‘Nou dan.’

Meltdown (advaitaversie)

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘Valse ik en ware ik.’
‘Hoe verlos ik mij van mijn valse ik?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik mijn ware ik ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘De doener en de getuige.’
‘Hoe verlos ik mij van de doener?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik de getuige ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘De kenner en het gekende.’
‘Hoe verlos ik mij van het gekende?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik de kenner ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘De film en het doek.’
‘Hoe verlos ik mij van de film?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik het doek ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘De golf en de oceaan.’
‘Hoe verlos ik mij van de golf?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik de oceaan ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘Illusie en werkelijkheid.’
‘Hoe verlos ik mij van de illusie?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik de werkelijkheid ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

‘Wat ben ik?’
‘Een munt.’
‘Wat zijn de keerzijden daarvan?’
‘Het relatieve en het absolute.
‘Hoe verlos ik mij van het relatieve?’
‘Door de munt om te smelten.’
‘Maar dan raak ik het absolute ook kwijt!’
‘Als dat geen bevrijding is.’
‘Maar dat wil ik helemaal niet!’
‘Dan blijf je toch lekker jezelf.’

Wie ben ik?

Identiteit à la carte

 

  1. Ik ben mezelf
  2. Ik ben mijn gezin
  3. Ik ben mijn beroep
  4. Ik ben mijn vaderland
  5. Ik ben mijn stamboom
  6. Ik ben mijn godsdienst
  7. Ik ben mijn sportclub
  8. Ik ben mijn prestaties
  9. Ik ben mijn hobby’s
  10. Ik ben mijn karakter
  11. Ik ben mijn rollen
  12. Ik ben mijn idealen
  13. Ik ben mijn opleiding
  14. Ik ben mijn plannen
  15. Ik ben mijn ambities
  16. Ik ben mijn verwachtingen
  17. Ik ben mijn verleden
  18. Ik ben de fouten die ik heb gemaakt
  19. Ik ben mijn gebreken
  20. Ik ben mijn ego
  21. Ik ben mijn persoonlijkheid
  22. Ik ben mijn bezittingen
  23. Ik ben mijn verlanglijstje
  24. Ik ben wat ik niet heb
  25. Ik ben degene die niet om bezit geeft
  26. Ik ben mijn geest
  27. Ik ben mijn ziel
  28. Ik ben mijn hart
  29. Ik ben mijn intuïtie
  30. Ik ben mijn bewustzijn
  31. Ik ben mijn lichaam
  32. Ik ben mijn handen
  33. Ik ben mijn geslachtsdeel
  34. Ik ben mijn ballen
  35. Ik ben mijn zaad
  36. Ik ben mijn genen
  37. Ik ben uniek
  38. Ik ben net als iedereen
  39. Ik ben aarde
  40. Ik ben water
  41. Ik ben lucht
  42. Ik ben vuur
  43. Ik ben aarde, water, lucht en vuur
  44. Ik ben een weegschaal
  45. Ik ben mijn gedachten
  46. Ik ben mijn herinneringen
  47. Ik ben mijn gevoelens
  48. Ik ben mijn angsten
  49. Ik ben mijn waarnemingen
  50. Ik ben wat ik doe
  51. Ik ben wat ik laat
  52. Ik ben mijn doen én laten
  53. Ik ben mijn intenties
  54. Ik ben wat ik zie
  55. Ik ben wat je ziet
  56. Ik ben wat je niet ziet
  57. Ik ben een mens
  58. Ik ben een dier
  59. Ik ben een beest
  60. Ik ben het goede
  61. Ik ben mijn goede daden
  62. Ik ben mijn goede bedoelingen
  63. Ik ben het kwade
  64. Ik ben de macht waarover ik beschik
  65. Ik ben de macht die mij toekomt
  66. Ik ben de macht waarnaar ik verlang
  67. Ik ben machteloos
  68. Ik ben voorbij macht en machteloosheid
  69. Ik ben wie ik ben
  70. Ik ben wie ik was
  71. Ik ben wie ik zijn zal
  72. Ik ben wie ik zijn wil
  73. Ik ben wie ik denk dat ik ben
  74. Ik ben wie anderen denken dat ik ben
  75. Ik ben wat ik denk dat anderen denken dat ik ben
  76. Ik ben de anderen
  77. Ik ben het andere
  78. Ik ben degene die het andere ziet
  79. Ik ben de waarnemer
  80. Ik ben de liefde die alles omarmt
  81. Ik ben de ruimte waarin alles verschijnt
  82. Ik ben openheid naar de wereld
  83. Ik ben een en al afweer
  84. Ik ben semi-permeabel
  85. Ik ben de weg
  86. Ik ben de waarheid
  87. Ik ben het leven
  88. Ik ben de heilige drie-eenheid
  89. Ik ben het licht
  90. Ik ben de werkelijkheid
  91. Ik ben een spiegel van de werkelijkheid
  92. Ik ben leegte
  93. Ik ben een boeddha
  94. Ik ben Atman
  95. Ik ben Anatman
  96. Ik ben Brahman
  97. Ik ben Parabrahman
  98. Ik ben God
  99. Ik ben een deel van God
  100. Ik ben goddelijk
  101. Ik ben een schepping van God
  102. Ik ben de schepper van God
  103. Ik ben een gedachte in God
  104. Ik ben een instrument van God
  105. Ik ben het Koninkrijk gods
  106. Ik ben de duivel
  107. Ik ben des duivels
  108. Ik ben de vernietiger
  109. Ik ben het niets
  110. Ik ben een knooppunt in het net van de realiteit
  111. Ik ben het net zelf
  112. Ik ben een zandkorrel in de woestijn
  113. Ik ben alles
  114. Ik ben het ene
  115. Ik ben energie
  116. Ik ben bewustzijn
  117. Ik ben een manifestatie van het bewustzijn
  118. Ik ben onbegrensd
  119. Ik ben ook de grenzen
  120. Ik ben overal
  121. Ik ben nergens
  122. Ik ben in het hier en nu
  123. Ik ben het hier en nu
  124. Ik ben in de tijd
  125. Ik ben tijd
  126. Ik ben de eeuwigheid
  127. Ik ben zijn
  128. Ik ben een flits van zijn in een eeuwig niet-zijn
  129. Ik ben een flits van worden in een eeuwig zijn
  130. Ik ben een eeuwig niet-zijn
  131. Ik ben vrij van tijd
  132. Ik ben vrije tijd
  133. Ik ben vrijheid
  134. Ik ben de vrijheid voorbij
  135. Ik ben gebonden
  136. Ik ben degene die zich steeds afvraagt wie hij is
  137. Ik ben degene die zich steeds met het een of ander identificeert
  138. Ik ben degene die zich steeds van zijn identificaties bevrijdt
  139. Ik ben een wonder
  140. Ik ben gewoon
  141. Ik bén gewoon
  142. Ik ben gewoon mezelf
  143. Ik ben nooit mezelf
  144. Ik ben een verhaal
  145. Ik weet niet of ik ben
  146. Ik weet niet wat ik ben
  147. Niet-weten is wat ik ben
  148. Ik ben al deze dingen tegelijk
  149. Ik ben niets van dit alles
  150. Ik ben jij

Wie ben jij?

Wat is de mens?

Een realistisch mensbeeldbeeld

(advertentie)

… ‘De beeldmens heeft in de loop der eeuwen al heel wat mensbeelden over zijn medemens afgeroepen’, resumeert professor-doctor Kwast zijn meesterwerk Scherts de Mens over de eigenaardigheden van homo sapiens demens. ‘Heel begrijpelijk. Met mensen weet je het maar nooit; met mensbeelden weet je het nooit niet.’ Hij zuigt op zijn pink en vervolgt: ‘Wat de speen is voor de mond, is het mensbeeld voor de mind.’

(uit het Handboek Psycho-logica, zesenveertigste editie, deel XIII: Het ego en het realiteitsprincipe, pagina 69)

Mensbeeldjes!
Edelstaal, witgoud of platina!
Ambachtelijk gemaakt!
Spaar ze alle tweeënvijftig!
Trouwe-klantenkorting!
Beperkte oplage!
Met gratis vitrinekast!
Ook los verkrijgbaar!

BESTEL HIER!

Modellen editie 2017:

  1. Een rechtopgaand dier (homo erectus)
  2. Een spelend dier (homo ludens)
  3. Een nabootsend dier (homo imitans)
  4. Een lerend dier (homo discens)
  5. Een nieuwsgierig dier (homo investigans)
  6. Een rangschikkend dier (homo hierarchicus)
  7. Een denkend dier (homo rati)
  8. Een handig dier (homo habilis)
  9. Een makend dier (homo faber)
  10. Een technisch dier (homo technologicus)
  11. Een vernieuwend dier (homo innovator)
  12. Een behoudend dier (homo conservator)
  13. Een werkend dier (homo laborans)
  14. Een berekenend dier (homo economicus)
  15. Een politiek dier (homo politicus)
  16. Een gul dier (homo generosus)
  17. Een sociaal dier (homo socius)
  18. Een seksueel dier (homo eroticus)
  19. Een willend dier (homo volans)
  20. Een liefhebbend dier (homo amans)
  21. Een lachend dier (homo ridens)
  22. Een lachwekkend dier (homo risibilis)
  23. Een pratend dier (homo loquens)
  24. Een zwetsend dier (homo loquax)
  25. Een huilend dier (homo sentimentalis)
  26. Een hulpeloos dier (homo inermis)
  27. Een esthetisch dier (homo aestheticus)
  28. Een verbeeldend dier (homo pictor)
  29. Een scheppend dier (homo creator)
  30. Een vernietigend dier (homo destructor)
  31. Een dodend dier (homo necans)
  32. Een dubbelhartig dier (homo duplex)
  33. Een filosofisch dier (homo philosophicus)
  34. Een dolend dier (homo viator)
  35. Een lijdend dier (homo patiens)
  36. Een duidend dier (homo poeticus)
  37. Een in zichzelf opgesloten dier (homo clausus)
  38. Een vals dier (homo falsus)
  39. Een oorlogszuchtig dier (homo bellicosus)
  40. Een vredelievend dier (homo pacificis)
  41. Een duivels dier (homo demonicus)
  42. Een goddelijk dier (homo divinus)
  43. Een godsdienstig dier (homo religiosus)
  44. Een overstijgend dier (homo transcendentalis)
  45. Een wijs dier (homo sapiens)
  46. Een dwaas dier (homo demens)
  47. Een rusteloos dier (homo inquietus)
  48. Een twijfelend dier (homo dubitans)
  49. Een angstig dier (homo phobius)
  50. Een leeg dier (homo cavernosus)
  51. Een twijfelend dier (homo scepticus)
  52. Een universeel dier (homo universalis)

mensbeeld

Mensbeeldjes!
Edelstaal, witgoud of platina!
Ambachtelijk gemaakt!
Spaar ze alle tweeënvijftig!
Trouwe-klantenkorting!
Beperkte oplage!
Met gratis vitrinekast!
Ook los verkrijgbaar!

… ‘De beeldmens heeft in de loop der eeuwen al heel wat mensbeelden over zijn medemens afgeroepen’, resumeert professor-doctor Kwats zijn meesterwerk Scherts de Mens over de eigenaardigheden van homo sapiens demens. ‘Heel begrijpelijk. Met mensen weet je het maar nooit; met mensbeelden weet je het nooit niet.’ Hij zuigt op zijn pink en vervolgt: ‘Wat de speen is voor de mond, is het mensbeeld voor de mind.’

(uit het Handboek Psycho-logica, zesenveertigste editie, deel XIII: Het ego en het realiteitsprincipe, pagina 69)

BESTEL NU!

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Transformaties

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn lichaam.’
‘Welk lichaam?’
‘Dit lichaam.’
‘Hoe lang heb je dit lichaam al?’
‘Altijd al gehad.’
‘Ben je zo geboren?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Wie was je voor je lichaam volwassen werd?’
‘Gewoon, mezelf.’
‘Ook als kind al?’
‘Natuurlijk.’
‘Ook als baby al?’
‘Natuurlijk.’
‘Ook als foetus al?’
‘Ik veronderstel van wel.’
‘Als embryo?’
‘Ik denk…’
‘Als klompje ongedifferentieerde cellen?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Als eencellige net na de versmelting?’

‘Als twee eencelligen net vóór de versmelting?’

‘Zul je nog steeds jezelf zijn als bejaarde met geamputeerde benen?’

‘Als lijk?’

‘Als hoopje as?’

‘Verwaaid naar alle windstreken?’

‘Opgenomen in nieuwe sedimenten, dingen, planten, dieren, mensenlichamen?’

‘Wat hebben al deze gestalten volgens jou gemeen?’

‘Zijn er bepaalde organellen, cellen, weefsels, organen, vormen of structuren in al jouw lichaamsvormen die daarvan de onveranderlijke essentie vormen en waarmee jij je kunt identificeren?’
‘Ik kan zo gauw niets bedenken.’
‘Dan ben je niet je lichaam.’

Transmigraties

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn lichaam.’
‘Als ik je geest overzet in een ander lichaam, ben jij dan nog jij?’
‘Een lichaam is een lichaam.’
‘Als ik je geest overzet in een robotlichaam, ben jij dan nog jij?’
‘Een kunstlichaam is nog steeds een lichaam.’
‘Als ik je geest overzet in een fles, ben jij dan nog jij?’
‘Ik denk het…’
‘Als je geest uit de fles ontsnapt, ben jij dan nog jij?’
‘Ik denk….’
‘Als je geest uit je lichaam treedt, ben jij dan nog jij?’
‘Ik…’
‘Wat is op dat moment jij, je ontzielde lichaam of je lichaamsloze geest?’
‘Beide?’
‘Als je lichaam afsterft maar niet je geest, ben jij dan nog jij?’
‘Eerst dacht ik van niet…’
‘Als je geest afsterft maar niet je lichaam, ben jij dan nog jij?’
‘Eerst dacht ik van wel…’
‘Wat is er dan nog van je over?’
‘Een of andere zombie?’
‘Is dat een vraag of een antwoord?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Dan ben je niet je lichaam.’

Vleeschhouwers

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn lichaam.’
‘Als ik er een stuk afhak, ben jij dan nog jij?’
‘Goeie vraag.’
‘Nou?’
‘Volgens mij wel.’
‘Of wordt je dan minder?’
‘Niet wezenlijk.’
‘Wordt je meer als je aankomt?’
‘Als ik zwaarder wordt?’
‘Ja?’
‘Ik ben een tijdje moddervet geweest.’
‘Was je toen meer?’
‘Eerder minder.’
‘Word je minder als je afvalt?’
‘Eerder meer.’
‘Dan ben je niet je lichaam.’

The proof is in the pudding

‘Ben je er klaar voor?’
‘Helemaal.’
‘Dus je blijft erbij?’
‘Ik ben mijn lichaam.’
‘Daar gaan we dan.’
De meester knipt de leerling zijn haren af.
‘Ben je er nog?’
‘Dat zegt niks, mijn haren waren toch al dood.’
De meester rukt hem de nagels uit.
Leerling, met tranen in zijn ogen: ‘Alles voor de wetenschap.’
De meester zet zijn tenen af.
‘Poe.’
De meester zet zijn voeten, onderbenen, dijen, geslachtsdelen en heupen af.
‘Joehoe.’
‘Je bent in ieder geval eerlijk.’
‘Anders kunnen we wel ophouden.’
De meester amputeert zijn handen, onderarmen, bovenarmen, sleutelbeenderen en schoudergordel.
‘Ik voel me…’
‘Zei je ‘ik’?’
‘Ongelooflijk.’
De meester snijdt zijn romp weg, zet zijn hoofd op tafel en zegt: ‘Ben je er nog?’
‘Wel heb ik ooit…’
De meester scalpeert het hoofd, beitelt de neus weg, snijdt de lippen af, rukt de tong uit en verwijdert de nek en de onderkaak.
‘En?’
De leerling knipoogt.’
De meester snijdt de oogleden weg, steekt de ogen uit en verwijdert een voor een de schedelplaten.
‘Wel?’
Geen reactie.’
‘Iemand thuis?’
De leerling geeft geen krimp.
‘Niemand thuis?’
Geen sjoege.
De meester haalt zijn schouders op.
Iemand doet de klep van het zoutzuurbad open.
De meester laat de hersenen in het zuur zakken en doet een voor een de geamputeerde lichaamsdelen erbij.
Enige tijd klinkt er niets dan het sissen van vervloeiend weefsel.
Ten slotte zegt de meester in de richting van het zuurbad: ‘Eerlijk zeggen.’
Doodse stilte.
De meester doet de klep dicht en staart langdurig uit het raam.
Eindelijk waagt een leerling het zijn keel te schrapen.
De meester schrikt op.
‘Mag ik wat vragen?’
De meester kijkt hem vragend aan.
‘Ben je nou je lichaam of niet?’
‘Ben je er klaar voor?’

Hersenschimmen

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn hersenen.’
‘Als ik je lichaam wegsnijd en je hersenen kunstmatig in leven houd, ben jij er dan nog?’
‘Dat zeg ik.’
‘Als ik je hersenen vervolgens in het lichaam van je tweelingbroer zet, ben jij er dan nog?’
‘Ik wel; over mijn tweelingbroer heb ik zo mijn twijfels.’
‘Als ik je hersenen vervolgens in een nieuw lichaam zet van een ander geslacht en een andere leeftijd en met heel andere mogelijkheden, beperkingen en aandoeningen dan het jouwe, ben jij het dan nog?’
‘Oei.’
‘Als ik je ten slotte een hersenspoeling geef waardoor je al je oude ideeën en waarden kwijtraakt en je voortaan identificeert met een ander land, een ander politiek stelsel, een andere groep intimi, een ander beroep en zo, ben jij het dan nog?’
‘Ik denk het eigenlijk niet.’
‘Dan ben je niet je hersenen.’

Rare kronkels

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn hersenen.’
‘Gesteld dat je ze hebt.’
‘Daar twijfel ik niet aan
‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld of van horen zeggen?’
‘Ik ben hersenchirurg.’
‘Ooit jezelf geopereerd?’
‘Dat niet, maar…’
‘Ooit een scan van je eigen hersenen gezien?’
‘Toevallig niet nee.’
‘Een e.e.g. misschien?’
‘Dat ook niet, maar…’
‘Is er bij jou een hersenbiopt genomen?’
‘Stel je voor!’
‘Hoe weet je dan dat je hersenen hebt?’
‘Iedereen heeft hersenen.’
‘Heb jij iedereen geopereerd?’
‘Dat niet, maar…’
‘Heb je iedereen gescand misschien?’
‘Dat niet, maar…’
‘Heb je iedereen aan de elektro-encefalograaf gehad?’
‘Ja, zeven miljard mensen zeker.’
‘Om over de doden nog maar te zwijgen.’
‘Wou jij beweren dat ik geen hersenen heb?’
‘Wat weet ik daarvan?’
‘Wat wil je dan zeggen?’
‘Niks, als je het mij vraagt.’
‘Waar ben je dan mee bezig?’
‘Ik wil iets demonstreren.’
‘Wat dan?’
‘Hoe goedgelovig je wel bent.’
‘Ben jij wel goed bij je hoofd?’

Pipo de kloon

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn persoonlijkheid.’
‘Wat versta je onder je persoonlijkheid?’
‘Datgene waardoor ik mij onderscheid van anderen.’
‘Namelijk?’
‘De verzameling van eigenschappen die mij als mens uniek maakt.’
‘Maar je bent voor 99,9% hetzelfde als iedereen.’
‘In welk opzicht?’
‘In ieder opzicht.’
‘Zoals?’
‘Erfelijk materiaal, anatomie, fysiologie, biologie, instincten, reflexen, zintuigen, bewustzijn, taal, opvoeding, cultuur, kleding, bezittingen, meningen, gevoelens, gedachten, angsten, behoeften, verlangens, ambities, gewoonten, noem maar op.’
‘Maar niet qua persoonlijkheid.’
‘Ook qua persoonlijkheid.’
‘Zelfs als dat zo zou zijn, wat dan nog?’
‘Waarom zou je je juist met die luttele verschillen identificeren?’
‘Waarmee anders?’
‘Zijn eeneiige tweelingen hetzelfde?’
‘Die hebben nooit dezelfde persoonlijkheid.’
‘O nee?’
‘Dat weet ik eerlijk gezegd niet.’
‘Stel dat we jou duizendmaal klonen en jij en je klonen hebben exact dezelfde persoonlijkheid, zijn jullie dan identiek?’
‘Hm.’
‘Ben jij dan je klonen?’
‘Nou…’
‘Zijn jouw klonen jou?’
‘Eh…’
‘Voor jou duizend anderen?’
‘Nee!’
‘Zou jij jezelf zonder aarzelen opofferen voor de een of andere zaak, groot of klein, nu je toch met zovelen bent?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘We blijven afzonderlijke individuen.’
‘Waarom?’
‘Omdat we niet hetzelfde denken en niet hetzelfde meemaken.’
‘Dan ben je niet je persoonlijkheid.’

Denkwolkjes

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn gedachten.’
‘Welke gedachten?’
‘Wat ik maar denk.’
‘Maar die veranderen toch steeds?’
‘Nou en?’
‘Hoe kun je nou iets zijn dat nog veranderlijker is dan de wind?’
‘Dan ben ik maar veranderlijker dan de wind.’
‘Waarom spreek je dan nog van ik?’
‘Ik…’
‘Waarom spreek je dan nog van zijn?’
‘In grote lijnen denk ik steeds hetzelfde.’
‘Hoe lang al?’
‘Zolang ik me kan heugen.’
‘Dacht jij als kind hetzelfde als nu?’
‘Niet precies, denk ik.’
‘En als baby, toen je nog niets wist en geen woord sprak?’
‘Toen zeker niet.’
‘Weet je nog wat je in de baarmoeder dacht?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Was je toen een ander?’
‘Doe niet zo gek.’
‘Was je toen dezelfde?’
‘Ik…’
‘Wat ben je tussen je gedachten in?’
‘Hè?’
‘Wat ben je ’s nachts als je niet denkt?’

‘Dan ben je niet je gedachten.’

Dementia praecox

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn herinneringen.’
‘Dan was je tien jaar geleden niet wie je nu was.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat er sindsdien allemaal herinneringen bij gekomen zijn.’
‘Maar daarom ben ik nog niet anders.’
‘Wat is er dan hetzelfde gebleven?’
‘De herinneringen uit de periode daarvoor natuurlijk.’
‘Weet je alles van tien jaar geleden nog even goed als alles van gisteren?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat veel herinneringen inmiddels verloren zijn gegaan, veranderd, ontoegankelijk geworden…’
‘Ben jij zelf verloren gegaan, veranderd, ontoegankelijk geworden?’
‘Niet wezenlijk.’
‘Hoe kun jij je herinneringen zijn als ze wezenlijk veranderen en jijzelf niet?’
‘Sommige herinneringen verdwijnen immers nooit.’
‘Wat is je oudste herinnering?’
‘Ik weet nog toen ik drie was…’
‘Is dat je oudste?’
‘Volgens mij wel.’
‘Waar was je voor die tijd?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Als jij je herinneringen bent en je herinnert je niets van voor die tijd, waar was je dan voor die tijd?’
‘Nou…’
‘Wie was je voor die tijd?’
‘Gewoon.’
‘Gewoon?’
‘Mezelf, denk ik.’
‘Hoe kan dat, zonder herinneringen?’
‘Misschien had ik toen wel herinneringen aan mijn eerste levensjaren, die ik inmiddels kwijtgeraakt ben?’
‘Bedoel je dat je destijds bestond bij de gratie van verloren herinneringen maar nu bij afwezigheid van diezelfde herinneringen in diezelfde periode met terugwerkende kracht niet meer bestaat of nooit bestaan hebt?’
‘Dat klinkt wel heel raar.’
‘Als je een boek leest of een film kijkt of staat te koken of iets anders doet waarbij je herinneringen nauwelijks een rol spelen, wie ben je dan?’
‘Gewoon mezelf, denk ik.’
‘Hoe kun je dan je herinneringen zijn?’
‘Misschien niet uitsluitend maar toch wel hoofdzakelijk.’
‘Hoe denk jij over dementie?’
‘Wat is daarmee?’
‘Dementerenden verliezen langzaamaan hun geheugen. Houden ze daarmee volgens jou op degene te zijn die ze waren?’
‘Voorafgaand aan dit gesprek zou ik zeker bevestigend hebben geantwoord.’
‘En nu?’
‘Nu denk ik, daarvoor hoef je echt niet te dementeren.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat iedereen levenslang zijn geheugen verliest.’
‘Wat in jouw denken betekent dat iedereen voortdurend ophoudt degene te zijn die hij is.’
‘Wel als je het geheugen als de enige maatstaf neemt, ja.’
‘Als je voortdurend ophoudt degene te zijn die je was, wanneer val je dan ooit met jezelf samen?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Denk je nu nog steeds dat je je herinneringen bent?’
‘Pardon?’
‘Dat zei je toch?’
‘Daar kan ik me niets van herinneren.’

Prisoners of time(lessness)

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben het het eeuwige heden.’
‘Wanneer ben je tot die slotsom gekomen?’
‘Ik weet het nog precies, dat was op 12 oktober 2007, om twee over zes ’s middags.’

Werkezel

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn werk.’
‘Je werk?’
‘Mijn oeuvre.’
‘O, je bent ouvreuse.’
‘Nee, ik ben kunstenaar.’
‘Hoe lang ben je al kunstenaar?’
‘Al twintig jaar.’
‘Hoe oud ben je nu?’
‘Vijftig.’
‘Wie was je voor je kunstenaar werd?’
‘Nou, eh…’
‘Of was je toen niet?’
‘Natuurlijk wel.’
‘Wat gebeurt er met jou als je werk verdwijnt?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ga jij in rook op als je werk verbrandt?’
‘Niet letterlijk natuurlijk.’
‘Wel figuurlijk?’
‘Ik kan me niet voorstellen…’
‘Zou je er nu niet zijn als je geen kunst had gemaakt?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Zou je er nooit geweest zijn als je geen kunst had gemaakt?’
‘Onzin.’
‘Dan ben je niet je werk.’

Tegenstrever

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben mijn prestaties.’
‘Wie was je voordat je prestaties begon te leveren?’
‘Eh… degene die ze ging leveren?’
‘Is dat iemand anders dan degene die ze heeft geleverd?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Dan ben je niet je prestaties.’

M-m-mooispraak

‘Wat ben jij?’
‘Ik ben niet mijn hersenen, niet mijn lichaam, niet mijn persoonlijkheid, niet mijn gedachten, niet mijn herinneringen, niet het nu, niet mijn werk, niet mijn prestaties en ook niets anders.’
‘Waarom wel zeggen wat je niet bent maar niet wat je wel bent?’
‘Je moet het zien als een apofatische omschrijving van het Zelf.’
‘Van het wat?’
‘Van mijn ware, eh… aard. Van mijn oor… oorspronkelijke gezicht.’
‘Wie denk je wel dat je voor je hebt?’
‘Ik b-b-bewandel de v-v-via n-n-negativa, ik bedoel, niet dit, niet dat, n-n-neti neti…’
‘Waarom wel zeggen wat je niet bent maar niet wat je wel bent?’

‘En nu mét woorden?’
‘Omdat ik dat niet weet, man!’
‘Zeg dat dan meteen.’

Het probleem

‘De mensen hebben geen karakter.’
‘Integendeel.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ze hebben steeds een ander.’

De uitdaging

‘Hoe word ik mezelf?’
‘Probeer eerst maar eens iemand anders te worden.’

Geen kunst

‘Hoe word ik mezelf?’
‘Al klaar.’

Eigenstandig

‘Hoe word ik mezelf?’
‘Hoe lang is de standaardmeter van Parijs?’
‘De standaardmeter van Parijs heeft geen lengte.’
‘Waarom niet?’
‘Daar is het de standaardmeter voor.’
‘Nou dan.’

Vanzelf

‘Hoe word ik mezelf?’
‘Ik zie het probleem niet.’
‘Wie ben ik volgens jou?’
‘Op dit moment?’
‘Nou?’
‘Degene die zichzelf wil worden natuurlijk.’
‘En wie mag dat wezen?’
‘Degene die meent zichzelf niet te zijn. Degene die meent zichzelf te kunnen worden. Degene die meent beter af te zijn als hij zichzelf is. Degene die meent dat ik hem daarbij kan helpen.’
‘Hoe weet jij dat allemaal?’
‘Dat heb je net zelf gezegd.’
‘Volgens mij was jij degene die het zei.’
‘Wat was je vraag ook alweer?’
‘Hoe word ik mezelf?’
‘Nou dan.’

Bezoeking

‘Wie ben jij?’
‘Degene die zijn ware zelf zoekt.’
‘Doe je dat of ben je dat?’
‘Dat ben ik.’
‘Te allen tijde?’
‘Ik ben mijn hele leven al op zoek.’
‘Ook als je de krant zit te lezen?’
‘Dan even niet.’
‘Als je televisie kijkt?’
‘Dan even niet.’
‘Als je zit te roddelen?’
‘Dan even niet.’
‘Als je zit te flirten?’
‘Dan even niet.’
‘Als je boodschappen doet?’
‘Dan even niet.’
‘Als je aan het kokkerellen bent?’
‘Dan even niet.’
‘Als je aan het klussen bent?’
‘Dan even niet.’
‘Als je aan het administreren bent?’
‘Dan even niet.’
‘Als je voor de kinderen zorgt?’
‘Dan even niet.’
‘Als je aan het werk bent?’
‘Dan even niet.’
‘Als je feestviert?’
‘Dan even niet.’
‘Als je aan het tennissen bent?’
‘Dan even niet.’
‘Als je bij de dokter zit?’
‘Dan even niet.’
‘Als je ligt te slapen?’
‘Dan even niet.’
‘Wanneer eigenlijk wel?’

Voor geoefenden

‘Wie ben jij, Hans?’
‘Een invuloefening?’
‘Hè?’
‘Ik ben wat mensen van mij maken.’
‘Maar wie ben je voor jezelf?’
‘Een van die mensen natuurlijk.’
‘Hè?’
‘Je vervalt in herhaling.’
‘Maar ben je nou een mens of een invuloefening?’
‘Dat maak jij ervan.’

Tussenstations

‘Iedereen is een vraagteken voor me geworden, Hans.’
‘Ook die zekerheid ben ik kwijt.’

‘Ik heb gewoon geen idee meer wie ik ben, Hans.’
‘Ook die zekerheid ben ik kwijt.’

Vastzitten

‘Niet weten geeft je de kans om los te komen van het idee dat je…’
‘Los kunt komen.’
‘Ik wou zeggen, van het idee dat je gedachten en gevoelens van jou zijn, Hans.’
‘Maar ook van het idee dat ze niet van jou zijn.’
‘Zeg, hoelang blijf je mij nog tegenspreken?’
‘Zolang jij nog tegen mij blijft spreken?’
‘Waar is dat tegenspreken goed voor?’
‘Wie zegt dat het ergens goed voor is?’
‘Bedoel je dat het nergens goed voor is?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Niet weten geeft je de kans om los te komen van het idee dat je…’
‘Los kunt komen.’

Een absence

‘Hans, wat is niet weten?’
‘Een absence.’
‘Van gedachten zeker?’
‘Ben je gek.’
‘Van de denker zeker?’
‘Ben je gek.’
‘Van het denken zeker?’
‘Ben je gek.’
‘Van het weten zeker?’
‘Ben je gek.’
‘Komt dat ooit nog goed?’
‘Komt wat ooit nog goed?’
‘Die absence natuurlijk.’
‘Die wat?’

Even voorstellen

‘Wie ben jij?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Wat dan?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Dat weet je ook al niet?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Wie ben jij?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Wat dan?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Dat weet je ook al niet?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’

Bij wijze van zwijgen

‘Waarom weet jij niet wie of wat of dat je bent?’
‘Omdat ik niet weten ben.’
‘Maar dat weet je dan weer wel?’
‘Alleen maar bij wijze van spreken.’
‘Waarom niet letterlijk?’
‘Omdat ik niet weten ben.’
‘En daarom weet je niet wie of wat of dat je bent?’
‘Alleen maar bij wijze van spreken.’

Zelfkennis

‘Ik ben niet-weten, Hans.’
‘Jij kan het weten.’
‘Was dat een bevestiging of een ontkenning?’
‘Dat moet je zelf maar weten.’

Doorzichtig

‘Niet weten wat ik ben is wat ik ben.’
‘Toch weer een identiteit gevonden?’

Verzamelaars

Leerling: Wilt u mij een nieuwe naam geven?
Meester: Wou je er nog een identiteit bij?

Leerling: Ik wil voortaan naamloos door het leven.
Meester: Wou je er nog een identiteit bij?

Wat zegt een naam

Leerling: Ik hoef geen nieuwe naam.
Meester: Waarom niet?
Leerling: Ik hecht niet zo aan dat soort dingen.
Meester: Ik wil je er per se een geven.
Leerling: Ik wil er per se geen hebben.
Meester: Vandaar die nieuwe naam.

De strik

‘Ik blijf steeds meer bij mezelf, Hans!’
‘Dan zou ik de teugels maar eens vieren.’

De val

‘Ik val helemaal met mezelf samen!’
‘Ik val alleen nog maar.’

Een graf

‘Wat is ware zelfkennis?’
‘Een graf voor het zelf.’

‘Ware zelfkennis is een graf voor het zelf!’
‘En waarvoor is het zelf een graf?’

Zelf-schennis

‘Wat is zelfkennis?’
‘Niet weten wie je bent.’
‘Wat is hogere zelfkennis?’
‘Niet weten wat je bent.’
‘Wat is de hoogste zelfkennis?’
‘Niet weten of je bent.’
‘Wat is de allerhoogste zelfkennis?’
‘Niet weten of je dat niet weet.’

Sloopwerk

‘Om thuis te komen moet het idee van de persoonlijkheid totaal afgebroken worden, Hans.’
‘Om thuis te komen moet ieder idee totaal afgebroken worden.’
‘Ieder idee?’
‘Ook het idee dat het idee van de persoonlijkheid totaal afgebroken moet worden.’
‘En dat zou de enige weg zijn?’
‘Ook het idee dat er geen andere weg zou zijn.’
‘Er zijn dus verschillende wegen?’
‘Ook het idee dat er verschillende wegen zijn.’
‘Nou ja, zolang er maar een weg is…’
‘Ook het idee dat er een weg is.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Ook het idee dat er geen weg is.’
‘En dat allemaal om thuis te komen.’
‘Ook het idee dat je thuis zult komen.’
‘Zo blijft er niets over, Hans.’
‘Ook het idee dat er niets overblijft.’
‘Bedoel je dat er voor al die ideeën iets anders in de plaats komt?’
‘Ook het idee dat er voor al die ideeën iets anders in de plaats komt.’
‘Ik doel op het Ene, de Bron, het Absolute, Liefde, Onschuld, Non-dualiteit, het Eeuwige Heden, het Ware Zelf, Brahman, Zijn, Bewustzijn, Gewaarzijn, Aanwezigheid, Aandachtigheid, Kennendheid, Stilte, Leegte, Openheid, Vol-ledigheid, Essentie, de Leegte, het Niets en zo.’
‘Zoals het Ene, de Bron, het Absolute, Liefde, Onschuld, Non-dualiteit, het Eeuwige Heden, het Ware Zelf, Brahman, Zijn, Bewustzijn, Gewaarzijn, Aanwezigheid, Aandachtigheid, Kennendheid, Stilte, Leegte, Openheid, Vol-ledigheid, Essentie, de Leegte, het Niets en zo.’
‘Letterlijk ieder idee moet worden afgebroken?’
‘Ook het idee dat letterlijk ieder idee moet worden afgebroken.’
‘Amai, waar ben ik aan begonnen.’
‘Ook het idee dat je ergens aan begonnen bent.’

De laatste vraag

‘Wie zou jij zijn zonder niet weten, Hans?’
‘Ik zou het ook niet weten.’

Tegenvragen

‘Wat is de mens?’
‘Wat niet.’

‘Wat is de mens niet?’
‘Wat wel.’

Uiteindelijk

‘Wat betekent het om een mens te zijn?’
‘Uiteindelijk?’
‘Uiteindelijk.’
‘Niet weten wat het betekent om een mens te zijn.’
‘Zeker weten?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Anders wist ik toch weer wat het betekent om een mens te zijn.’

Zuigelingen

‘Wat is de mens?’
‘Een duim.’
‘Waar is die voor?’
‘Om verhalen uit te zuigen.’
‘Over de werkelijkheid?’
‘Over de wat?’
‘Met welk doel?’
‘Jezelf gerust te stellen?’
‘Niet om de waarheid te ontdekken?’
‘De wat?’
‘Hoe ben je daarachter gekomen?’
‘Waarachter?
‘Dat de mens een duim is?’
‘Uit mijn duim gezogen.’

Geboortegrond

‘Vandaag ben ik jarig.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dit is de dag waarop ik zoveel jaar geleden geboren ben.’
‘Ben jij geboren dan?’
‘Uiteraard, anders was ik er niet.’
‘Kun jij je geboorte herinneren?’
‘Nee, dat niet.’
‘Een enkeling beweert van wel.’
‘Nou, ik niet.’
‘Hoe weet je dan dat je geboren bent?’
‘Hè?’
‘Ik meen het.’
‘Van horen zeggen.’
‘Door wie?’
‘Moeder, vader, tantes, grootouders…’
‘Mensen zeggen zoveel.’
‘Ik heb foto’s van mijn eigen geboorte.’
‘Hoe weet je dat jij het bent die daar geboren wordt?’
‘Dat staat op de achterkant.’
‘Er kan wel zoveel op de achterkant staan.’
‘Maar de naam op de achterkant is de mijne.’
‘Zoveel mensen dragen jouw naam.’
‘Maar het kindje op de foto heeft ook rood haar.’
‘Zoveel mensen hebben rood haar.’
‘En toch ben ik het.’
‘Jij bent toch zeker geen plaatje.’
‘En toch ben ik geboren.’
‘Weet je dat honderd procent zeker?’
‘Wat zeg je tegen mensen die zich hun geboorte wel herinneren?’
‘Ik vraag hoe ze weten dat hun herinnering klopt.’
‘En wat zeggen ze dan?’
‘In eerste instantie of na enig aandringen?’
‘Na enig aandringen.’
‘Dat ze het niet weten.’
‘Dus jij denkt dat ik niet geboren ben?’
‘Ik stel alleen maar vragen.’

In een klein hoekje

‘Dit is een foto van mijn vader en moeder.’
‘Wie is die baby?’
‘Dat ben ik, Hans.’
‘Waar is deze foto genomen?’
‘In het Academisch Ziekenhuis.’
‘Ben jij in een ziekenhuis geboren?’
‘Hoezo?’
‘Zeker weten dat je niet verwisseld bent met een ander kind?’

Spookjes

‘Wanneer ben jij geboren, Hans?’
‘Dat herinner ik me niet.’
‘Wat is jouw eerste herinnering?’
‘Dat ik een grijs konijn kreeg met een roze strik om zijn hals.’
‘En daarvoor?’
‘Daarvoor niets.’
‘Vreemd hè, hoe onze vroegste herinneringen zoekraken.’
‘Als ze er al ooit waren.’
‘Dat kan immers niet anders.’
‘Ik zou niet weten waarom niet.’
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je zomaar uit het niets verscheen om een grijs konijn in ontvangst te nemen?’
‘Met een roze strik.’
‘Voor mijn part.’
‘Waarom niet?’
‘Dat zou pas een sprookje zijn.’
‘Wat denk jij dan?’
‘Dat je geboren bent, net als ieder ander.’
‘Dat zou pas een sprookje zijn.’
‘Geloof je nou echt dat je er zomaar ineens was?’
‘Ik niet.’
‘Dus jij meent ook gewoon geboren te zijn.’
‘Ik niet.’

Een onvermijdelijke onmogelijkheid

‘Het is een wonder dat ik besta, Hans.’
‘Hoezo?’
‘Dat uit al die spermacellen juist het mijne werd uitverkoren.’
‘Een kans van hooguit één op honderd miljoen.’
‘Per zaadlozing.’
‘En hoeveel zaadlozingen waren er niet voor nodig.’
‘En dan ook nog eens precies dat eitje.’
‘Een kans van nog eens één op een miljoen.’
‘Vermenigvuldig dat maar eens met elkaar.’
‘Dan kom ik op een kans van een op een triljoen, zegge en schrijve.’
‘In feite een onmogelijkheid.’
‘Kom kom.’
‘Niet dan?’
‘Eén eitje moest er toch als eerste rijpen, en één zaadje moest er toch als eerste aankomen.’
‘Daar zeg je me wat.’
‘Dus eigenlijk kon het niet anders.’
‘Eigenlijk is het geen wonder dat ik besta.’
‘Hoezo?’

Natuurlijk aangenomen

‘Ben jij geadopteerd?’
‘Hoe kom je daar nou bij?’
‘Niet dan?’
‘Ik ben opgevoed door mijn biologische ouders, Hans.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Dat is gewoon zo.’
‘Hoezo?’
‘Anders hadden ze het me heus wel verteld.’
‘Dat weet je niet.’
‘Er is een geboortekaartje.’
‘Kost een habbekrats.’
‘Er is een geboortebewijs.’
‘Die worden verstrekt zonder getuigen.’
‘Er is vast wel een doktersattest.’
‘Dat weet je niet zeker?’
‘Nooit opgevraagd.’
‘Een attest getuigt sowieso alleen van zijn eigen bestaan.’
‘Er zijn fotoalbums.’
‘Die hebben geadopteerde kinderen ook.’
‘Er zijn lichamelijke overeenkomsten.’
‘Iedereen heeft lichamelijke overeenkomsten.’
‘Mijn ouders zouden me nooit beduvelen.’
‘Denk je dat adoptie-ouders altijd eerlijk zijn tegen hun kind?’
‘Ik vertrouw op mijn intuïtie.’
‘Die heeft je jarenlang in Sinterklaas laten geloven.’
‘Wat zou je wel als bewijs aanvaarden?’
‘Een DNA-test?’
‘Ik geloof er niks van.’
‘Waarom niet?’
‘Je zou meteen vragen hoe ik weet dat het laboratorium bonafide is.’
‘Klopt.’
‘Dus jij denkt dat ik geadopteerd ben.’
‘Welnee.’
‘Denk je van niet?’
‘Ook niet.’
‘Maar je vindt dat ik het moet uitzoeken.’
‘Ook niet.’
‘Wat vind je dan wel?’
‘Ook niet.’

Error

‘Hoeveel ouders heb jij?’
‘Twee, Hans, zoals iedereen.’
‘Hoeveel grootouders?’
‘Twee maal twee is vier natuurlijk, zoals iedereen.’
‘Hoeveel overgrootouders?’
‘Twee maal vier is acht.’
‘Hoeveel betovergrootouders?’
‘Twee maal acht is zestien.’
‘En zo verder?’
‘Vanzelfsprekend.’
‘Dat weet je zeker?’
‘Zo zeker als twee maal twee vier is.’
‘Hou oud ben jij?’
‘Vijfentwintig.’
‘Als we voor het gemak aannemen dat alle ouders zich precies op hun
vijfentwintigste voortplanten, wanneer deden je betovergrootouders het dan?’
‘Mijn ouders vijfentwintig jaar geleden. Mijn grootouders vijftig jaar geleden. Mijn overgrootouders vijfenzeventig jaar geleden, Mijn betovergrootouders honderd jaar geleden. Vier generaties per eeuw.’
‘Vier generaties per eeuw.’
‘Om en nabij.’
‘Als je een eeuw geleden zestien voorouders had, hoeveel had je er dan twee eeuwen geleden?’
‘Zestien maal zestien is 256.’
‘Een straat vol. Drie eeuwen geleden?’
‘Maal zestien… even mijn zakrekenmachine… 4096.’
‘Een dorp vol. Vier eeuwen geleden?’
‘Maal zestien is… 65536, ruim 65 duizend.’
‘Een stad vol. Vijf eeuwen geleden?’
‘Maal zestien is… 1.048576 voorouders, ruim een miljoen.’
‘Een metropool vol. En zes eeuwen geleden?’
‘16.777.2216, bijna zeventien miljoen.’
‘De Nederlandse bevolking. Zeven eeuwen geleden?’
‘298.435.456, bijna driehonderd miljoen.’
‘De Amerikaanse bevolking. Acht eeuwen geleden?’
‘4.294.967.296, ruim vier miljard.’
‘De wereldbevolking in 1985. Negen eeuwen geleden?’
‘68.719.476.740, ruim 68 miljard.’
‘Tienmaal de huidige wereldbevolking. Een millennium geleden?’
‘Dat zijn er pakweg… 300 miljard.’
‘Er moeten alleen nog staanplaatsen geweest zijn.’
‘Niet te geloven.’
‘En duizend jaar daarvoor, rond Jezus’ geboorte?’
‘Momentje… Wát? Een foutmelding!’
‘Die zakrekenmachines van tegenwoordig.’
‘Maar dat kan toch helemaal niet!’
‘En je wist het nog wel zo zeker.’

Wat zegt een naam? Woordenkraam

Ik noem jou laf, jij noemt jezelf voorzichtig. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou zuinig, jij noemt jezelf krenterig. Wat is het verschil?
Ik noem jou ordinair, jij noemt jezelf gewoon. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou slim, jij noemt jezelf gewiekst. Wat is beter?

Ik noem jou onbesuisd, jij noemt jezelf dapper. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou stoer, jij noemt jezelf hanig. Wat is het verschil?
Ik noem jou klef, jij noemt jezelf hartelijk. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou neutraal, jij noemt jezelf onverschillig. Wat is beter?

Ik noem jou hysterisch, jij noemt jezelf hartstochtelijk. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou gevoelig, jij noemt jezelf sentimenteel. Wat is het verschil?
Ik noem jou week, jij noemt jezelf zachtaardig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou wilskrachtig, jij noemt jezelf dominant. Wat is beter?

Ik noem jou onzeker, jij noemt jezelf verlegen. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou actief, jij noemt jezelf druk. Wat is het verschil?
Ik noem jou brutaal, jij noemt jezelf vrijmoedig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou trots, jij noemt jezelf arrogant. Wat is beter?

Ik noem jou kruiperig, jij noemt jezelf onderdanig. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou kritisch, jij noemt jezelf negatief. Wat is het verschil?
Ik noem jou kinderachtig, jij noemt jezelf speels. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou spontaan, jij noemt jezelf impulsief. Wat is beter?

Ik noem jou monomaan, jij noemt jezelf toegewijd. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou berekenend, jij noemt jezelf tactisch. Wat is het verschil?
Ik noem jou hoerig, jij noemt jezelf uitdagend. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou relaxed, jij noemt jezelf sloom. Wat is beter?

Ik noem jou hyper, jij noemt jezelf alert. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou streberig, jij noemt jezelf ambitieus. Wat is het verschil?
Ik noem jou realistisch, jij noemt jezelf pessimistisch. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou kneuterig, jij noemt jezelf gezellig. Wat is beter?

Ik noem jou achterdochtig, jij noemt jezelf oplettend. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou ondernemend, jij noemt jezelf rusteloos. Wat is het verschil?
Ik noem jou vals, jij noemt jezelf ad rem. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou gezeglijk, jij noemt jezelf karakterloos. Wat is beter?

Ik noem jou naïef, jij noemt jezelf onschuldig. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou degelijk, jij noemt jezelf saai. Wat is het verschil?
Ik noem jou versnipperd, jij noemt jezelf veelzijdig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou idolaat, jij noemt jezelf dweepziek. Wat is beter?

Ik noem jou manisch, jij noemt jezelf gedreven. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou gelaten, jij noemt jezelf depressief. Wat is het verschil?
Ik noem jou verbitterd, jij noemt jezelf ervaren. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou eerlijk, jij noemt jezelf bot. Wat is beter?

Ik noem jou geremd, jij noemt jezelf beschaafd. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou zelfstandig, jij noemt jezelf eigenwijs. Wat is het verschil?
Ik noem jou laconiek, jij noemt jezelf stug. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou star, jij noemt jezelf consequent. Wat is beter?

Ik noem jou slap, jij noemt jezelf meegaand. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou ernstig, jij noemt jezelf somber. Wat is het verschil?
Ik noem jou oppervlakkig, jij noemt jezelf luchtig. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou zoet, jij noemt jezelf wee. Wat is beter?

Ik noem jou stout, jij noemt jezelf ondeugend. Wie heeft er gelijk?
Ik noem jou uitbundig, jij noemt jezelf luidruchtig. Wat is het verschil?
Ik noem jou kuis, jij noemt jezelf preuts. Wat ben je nou echt?
Ik noem jou omzichtig, jij noemt jezelf bezonnen. Wat is beter?

Gemeen

‘Als iemand iets gemeens doet, wat betekent dat dan?’
‘Dat hij gemeen is, Hans.’
‘Begrijp ik het goed dat jij de gemeenheid van de dader afleidt uit de gemeenheid van de daad?’
‘Ik had het niet beter kunnen zeggen.’
‘Begrijp ik het goed dat je vervolgens de gemeenheid van de daad verklaart uit de gemeenheid van de dader?’
‘Geen speld tussen te krijgen.’
‘Zoals met iedere circulaire verklaring.’

Gemeen of aardig

‘Stel dat iemand de hele tijd gemene dingen tegen je zegt, is hij dan gemeen?’
‘Nou en of.’
‘En als hij dan onverwacht iets aardigs tegen je zegt?’
‘Dan zal er wel een addertje onder het gras zitten.’
‘En als hij allemaal aardige dingen tegen zijn kinderen zegt?’
‘Wacht maar tot ze ouder worden.’
‘En als hij nog nooit iets onaardigs tegen zijn vrouw heeft gezegd?’
‘Hm.’
‘Nou?’
‘Ik kan het me nauwelijks voorstellen.’
‘Waarom niet?’
‘Je kunt nou eenmaal niet aardig en gemeen tegelijk zijn.’
‘Ik zeg ook niet dat hij aardig is.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Ik zeg ook niet dat hij gemeen is.’
‘Hè?’
‘Als iemand iets gemeens zegt betekent dat toch niet dat hij gemeen is?’
‘O nee?’
‘En als iemand iets aardigs zegt betekent dat toch niet dat hij aardig is?’
‘Wat betekent het dan wel?’
‘Je veronderstelt dat het iets betekent.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Nou veronderstel je weer dat het niets betekent.’

Gemeen en aardig

‘Als ik iets gemeens doe, ben ik dan ook gemeen?’
‘Natuurlijk, Hans, waarom zou je anders iets gemeens doen?’
‘Dus gemeenheid is een onveranderlijke eigenschap van mij?’
‘Dat spreekt vanzelf.’
‘Als ik vervolgens iets aardigs doe, ben ik dan ook aardig?’
‘Eh… ja.’
‘Dus aardigheid is ook een onveranderlijke eigenschap van mij?’
‘Nou….’
‘Ben ik nou gemeen of aardig?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Of ben ik gemeen én aardig?’
‘Dat zal het zijn.’
‘Maar niemand gedraagt zich uitsluitend zus of zo. Iedereen doet wel eens iets uit eigenbelang en iedereen steekt weleens een hand uit. Iedereen gaat weleens tegen iemand in en niemand durft zich altijd te laten gelden. Moeten we dan maar zeggen dat iederéén gemeen én aardig, egoïstisch én hulpvaardig, brutaal én verlegen is?’
‘Dat is dan de consequentie, hè.’
‘Maar wat verklaren karaktereigenschappen dan nog?’

Gemeen noch aardig

‘Als ik het ene moment gemeen doe en het andere moment aardig, wat ben ik dan?’
‘Als ik zeg dat je gemeen bent, kan ik niet verklaren waarom je aardig doet. Als ik zeg dat je aardig bent, kan ik niet verklaren waarom je gemeen doet. Als ik zeg dat je gemeen én aardig bent, heb ik niets gezegd of verklaard.’
‘Zullen we dan maar zeggen dat ik gemeen noch aardig ben?’
‘Dat zal het zijn.’
‘Dan kun je de daad nog wel gemeen of aardig noemen maar de dader niet meer.’
‘Maar daarom heeft de dader het nog wel gedaan.’
‘Maar wie of wat is dan die dader?’
‘Gewoon, degene die het gedaan heeft.’
‘Ik bedoel, wat is een dader zonder eigenschappen?’
‘Pardon?’
‘Een dader die zelf niet gemeen of aardig is, niet egoïstisch of hulpvaardig, niet koket of verlegen, niet sterk en niet zwak, niet macho en niet verwijfd, niet dit en niet dat – wie of wat is die dader dan nog?’
‘Tja.’
‘En waarin verschilt hij nog van jou en mij?’
‘Ik zou het echt niet weten, Hans.’
‘Nou, ik ook niet.’

Denken is geen doen

Noem je iets gemeen dan is het nog niet gemeen.
Denk je iets gemeens dan ben je nog niet gemeen.
Denk je iets gemeens dan doe je nog niets gemeens.
Doe je iets gemeens dan ben je nog niet gemeen.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets aardig dan is het nog niet aardig.
Denk je iets aardigs dan ben je nog niet aardig.
Denk je iets aardigs dan doe je nog niets aardigs.
Doe je iets aardigs dan ben je nog niet aardig.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets slecht dan is het nog niet slecht.
Denk je iets slechts dan ben je nog niet slecht.
Denk je iets slechts dan doe je nog niets slechts.
Doe je iets slechts dan ben je nog niet slecht.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets goed dan is het nog niet goed.
Denk je iets goeds dan ben je nog niet goed.
Denk je iets goeds dan doe je nog niets goeds.
Doe je iets goeds dan ben je nog niet goed.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets smerig dan is het nog niet smerig.
Denk je iets smerigs dan ben je nog niet smerig.
Denk je iets smerigs dan doe je nog niets smerigs.
Doe je iets smerigs dan ben je nog niet smerig.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets netjes dan is het nog niet netjes.
Denk je iets netjes dan ben je nog niet netjes.
Denk je iets netjes dan doe je nog niets netjes.
Doe je iets netjes dan ben je nog niet netjes.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets laf dan is het nog niet laf.
Denk je iets lafs dan ben je nog niet laf.
Denk je iets lafs dan doe je nog niets lafs.
Doe je iets lafs dan ben je nog niet laf.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Noem je iets dapper dan is het nog niet dapper.
Denk je iets dappers dan ben je nog niet dapper.
Denk je iets dappers dan doe je nog niets dappers.
Doe je iets dappers dan ben je nog niet dapper.

Want noemen is geen zijn.
Denken is geen zijn.
Doen is geen zijn.
En denken is geen doen.

Een bevrijdend inzicht

‘Je hoeft alleen maar…’
‘Je veronderstelt een vrije wil.’
‘…In te zien dat je geen vrije wil hebt, wou ik zeggen.’
‘Je veronderstelt een vrije wil.’
‘Maar ik zeg toch…’
‘Alsof je zelf kunt bepalen wat je inziet.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Als het aan mij ligt niet.’
‘Bedoel je dat je niet zelf kunt bepalen wat je inziet of dat je niet wilt wou beweren van niet?’
‘Als het aan mij ligt niet.’

De wijsheid van het woordenboek

‘Ik hoef alleen maar…’
‘Een hoef is een voet van hoorn.’
‘Ik moet alleen maar…’
‘Een moet is een merk of een indruk.’
‘Ik wil alleen maar…’
‘Een wil is een stootkussen of wrijfhout.’

To be or not to be

‘Je bent er al, maar je weet het niet.’
‘Je bent er niet en je weet het al.’
‘Je bent er niet en je weet het al al?’
‘Je weet het niet en je bent het al.’

‘Je bent het al, maar je weet het niet.’
‘Je bent het niet en je weet het al.’
‘Je bent het niet en je weet het al?’
‘Je weet het niet en je bent er al.’

Onder zeil

ik
ik ben
ik ben ‘ik’
‘ik’ben ”ik”
”ik”ben ”’ik”’
”’ik”’ben ””ik””
””ik””ben ””’ik””’
””’ik””’ben ”””ik”””
”””ik”””ben ”””’ik”””’
”””’ik”””’ben ””””ik””””
wat dat ook moge wezen
wat dat ook moge zijn

Zoek de verschillen