Zenboeddhisme

Citaten van André van der Braak, John Cage, Elisabeth Dinnissen, Dogen, Willigis Jäger, Karl Jaspers, Dennis Genpo Merzel, Seido Ray Ronci, Shunryu Suzuki, Eckhart Tolle, Joan Tollifson, Jeroen Witkam en Doris Zölls.

Redactie en titels (tenzij anders vermeld) Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Zen > Zenboeddhisme


Inhoud

André van der Braak

André van der Braak

titels origineel; Bron.


Wachten in het labyrint van samsara

Op het zenkussen kunnen we soms geweldige momenten van stilte ervaren. De eindeloze stroom van gedachten en gevoelens houdt even stil, een open plek licht op in ons bewustzijn, en er is vrede. En rust. Plotseling komen we oog in oog met wat je kan noemen ‘de werkelijkheid-zoals-ze-is’, of ‘zoheid’, of ‘datheid’, of zelfs (wat maakt mij het uit) ‘het ware zelf’.

Sommige zenscholen streven ernaar om zo snel mogelijk het alledaagse getetter van je geest te overstijgen, naar de top van de berg te klimmen, en zo’n piek-ervaring te krijgen. ‘Go for kensho’, noem ik het altijd maar. Ik heb er ook tijdenlang net zo hard aan meegedaan. Maar nu denk ik dat zen zich niet afspeelt richting de top van die berg, maar juist in de vallei, in de schaduw van de bergen. Op het kussen bevinden we ons op die laagvlakte.

De vallei is waar ons zogenaamde alledaagse, profane leven zich afspeelt. Alles wat van de bergtoppen wordt weggespoeld komt daar terecht, alle afval en rommel. Van de top uit gezien is het allemaal nutteloos. Op het kussen dalen we steeds weer af naar die vallei, naar het moeras, naar de waardeloze rotzooi.

Ik heb veel boeddhistische topsporters en krachtpatsers meegemaakt, maar mijn zenpraktijk speelt zich af in de vallei en in de schaduw. In de afgrond van de duisternis van niet-weten. In het wachten op het doorbreken van het licht, soms zelfs zonder nog te weten waarom. Mijn kussen daagt me uit om steeds dieper te durven afdalen in het labyrint van samsara, en te durven verdwalen.

De krankzinnige boodschap van de dertiende-eeuwse Japanse boeddhist Shinran, die voor mij ook in zen doorklinkt, luidt: bevrijding is mogelijk, niet omdat we wijs zijn, maar juist omdat we onwetend, beperkt, onvolmaakt en eindig zijn. De diepte van mijn onwetendheid ligt voorbij mijn bevattingsvermogen. Niet dat ik te weinig weet of het niet begrijp, maar omdat het uiteindelijke mysterie van de werkelijkheid ver buiten het bereik van mijn denken ligt. ‘Ik’ kan het niet pakken. Terugkijkend op mijn spirituele loopbaan word ik getroffen door mijn arrogantie om te denken dat ik, als ik maar genoeg mediteer, een diep inzicht in de werkelijkheid kan verwerven. Het grote Mysterie van ‘zoheid’ ligt voor altijd buiten het bereik van mijn grijpende handen.

En tegelijkertijd ligt het altijd binnen mijn bereik. Als ik het aandurf om te wachten en te luisteren, me open te stellen voor het Grote Mededogen dat alles doortrekt, en dat me voortdurend toeroept. Zoals zenlerares Genno Roshi het eens uitdrukte in een teisho over transmissie: ‘we are all being transmitted to all the time.’

Wachten en luisteren. Afgestemd raken op de werkzaamheid van het Groot Mededogen. Shinran heeft het over het diep-horen van de roep uit de diepte. Verder is er niets wat ik kan doen. Het lijkt zo gemakkelijk. Ik hoef niet meer wijzer, beter, of volmaakter te worden. Maar toen ik nog bergbeklimmer was, had ik één voordeel: ik kon het nog vermijden om een authentiek en echt mens te worden. En dat is misschien nog wel moeilijker dan de boeddhistische superheld uithangen. De psycholoog James Hillman zegt, “de weg door de wereld is moeilijker te vinden dan de weg voorbij de wereld”. De zendo is dan niet langer een of andere afgesloten en afgescheiden ruimte, maar het alledaagse, profane leven.

Maar mijn wachten voelt niet als een ontheemd wachten. Temidden in het wachten kan ik me ook geborgen voelen in de ondersteunende kracht van het Grote Mededogen. Net zo goed als ik met niet eens kan voorstellen hoe onwetend ik eigenlijk ben, kan ik me niet voorstellen hoeveel hulp er altijd al aanwezig is. En soms dringt het tot me door. Dan word ik opeens geraakt door een waarachtig vertrouwen, vreugde, spontaniteit. Waar het vandaan komt? Ik weet het niet. Het voelt als genade, een genade zonder afzender. Ik voel dan een diep verlangen opkomen, en tegelijkertijd een diepe dankbaarheid.

Het mooiste van Shinran vind ik het onderscheid dat hij maakt tussen zelfkracht en Ander-kracht (mijn tekstverwerker maakt er steeds ‘Andre-kracht’ van …). Wachten betekent voor mij Ander-kracht haar werk laten doen. Of dat lukt of niet is ook niet van mij afhankelijk, maar van Ander-kracht. Alles kan er zijn, alles mag er zijn, en ik mag ook volstrekt hulpeloos zijn. Op het zen kussen lukt het me niet om wat dan ook aan mezelf te verbeteren. Voor mij is het leren luisteren, wachten tot ik het Groot Mededogen hoor roepen.

Verdwaald in het labyrint van samsara,
Wachtend op een teken van Leven
Ik span mijn oren, mijn hart, mijn essentie
Wat valt er verder nog te doen?


Santo Daime: vreemd gaan en vreemd blijven

Mijn zo ondertussen al weer dertigjarig huwelijk met het kussen is in die tijd af ten toe onderbroken door wat slippertjes en avontuurtjes, maar sinds anderhalf jaar houd ik er een echt serieuze affaire op na. Ik volg wekelijks de diensten van de Santo Daime kerk, waarin op rituele wijze de entheogene ayahuasca-thee als een sacrament wordt gedronken (entheogeen betekent: afkomstig van de god in onszelf). Santo Daime verbindt het katholieke geloof met de natuurreligie uit het Amazonegebied.

De ayahuasca thee (die daime wordt genoemd, wat “geef mij (kracht en liefde)” betekent), bevat de stof DMT, een lichaamseigen stof die in de pijnappelklier wordt aangemaakt maar meestal meteen weer wordt afgebroken, alsmede MAO-remmers die dit afbreken onderdrukken zodat de DMT in het bloed terecht kan komen. Daime haalt het lichaam dus als het ware ‘van de rem.’ Pim van Lommel speculeert in zijn boek Eindeloos bewustzijn dat bijna-doodervaringen (wit licht en witte tunnels) worden veroorzaakt doordat DMT in crisissituaties in grote hoeveelheden vrijkomt in het lichaam.

Maar een Santo Daime-dienst is niet een soort psychedelische trip waarin iedereen lekker samen zo stoned als een garnaal wordt. Sensatiezoekers, die wel eens iets echt heftigs mee willen maken, haken na een paar bezoekjes meestal af. Santo Daime is voor godzoekers en bodhisattva’s. De dienst wordt begonnen en afgesloten met het Onze Vader en het Wees Gegroet Maria, er worden religieuze liederen gezongen, en het doel is om er gezamenlijk aan te werken om een helende goddelijke energiestroom op te wekken. Niet alleen om zelf geheeld te worden, maar om een voertuig te kunnen worden om alle levende wezens te kunnen bevrijden. De daime werkt daarbij als een facilitator die de deur naar het goddelijke opent.

Hoe daime werkt is een mysterie. De drank wordt al 3000 jaar door verschilllende Indianenstammen uit het Amazonegebied in hun rituelen gebruikt (hoe die stammen, die onderling geen enkel contact hadden, allemaal los van elkaar ditzelfde recept hebben ontdekt is een raadsel). Ik ben er in de loop der tijd van overtuigd geraakt dat er een intelligentie in de drank schuilt die bereid is om als leraar te fungeren en die, aan wie daar voor openstaat, een leraar-leerling relatie aanbiedt. Ik heb die uitnodiging aangenomen en ga nu wekelijks naar school.

Wat ik daar meemaak valt moeilijk te omschrijven. In het begin waren de sessies vaak heftig, en voelde ik dat ik werd schoongemaakt op fysiek, emotioneel en psychologisch niveau. Nu ervaar ik dat ik keer op keer uit mijn vertrouwde wereld wordt getild en word verplaatst naar het vreemde. Ik ga letterlijk vreemd, als Alice die naar Wonderland vertrekt.

In de film Avatar bevinden westerse wetenschappers zich op een verre en vreemde planeet waar ze op het oppervlak niet kunnen ademen. Ze leren daarom om een avatar te besturen, een kunstmatig lichaam dat wel op het oppervlak kan leven. Zo kunnen ze ‘ingeplugd’ worden in de vreemde planeet. Daime lijkt wel zo’n avatar, die me ‘inplugt’ in een wonderbaarlijke en eindeloze wereld die ver voorbijgaat aan ons eigen wereldje in ruimte en tijd. Het is de wereld van de natuur, waarin alles wat leeft met elkaar verbonden is, en waar de zon, de maan en de sterren ons hun voedende kracht schenken. Maar het doet me ook denken aan de hemelse wereld van de sambhogakaya die in de Mahayana sutra’s wordt beschreven. Of de wereld die Dōgen beschrijft, waarin bergen wandelen en Boeddha’s en bodhisattva’s samen met ons op het kussen zitten.

De filosoof Rudi Visker introduceerde een mooie uitdrukking: ‘vreemd gaan en vreemd blijven’: de uitdaging in onze omgang met het vreemde en andere, datgene wat voorbij onze grenzen ligt, is om het niet te laten bij eens incidenteel vreemd gaan, maar om vreemd te blijven, los te blijven staan van het bekende dat ons gevangen houdt. Nietzsches manier van filosoferen is wel eens omschreven als ‘het vreemdmaken van wat we als ‘eigen’ beschouwen door ons het vreemde eigen te maken’. Door ons in vreemde sferen te begeven kunnen we ons eigen denken met nieuwe ogen bekijken. Door een stap terug te doen van onze eigen vanzelfsprekendheden, kunnen we opnieuw het mysterie herkennen in dat wat ons zo vertrouwd was gaan worden.

Ik vind dat wel een mooie omschrijving van wat we op het zenkussen doen: steeds weer met nieuwe ogen kijken naar wat we denken dat we al kennen. Maar voor we het weten hebben we ook zen alweer ingepast binnen ons eigen bekende denkraam. Zen wordt dan een soort mental fitness, een vorm van therapie, of een existentialistische levensbezinning a la Kierkegaard. Maar zen valt niet in te passen binnen enig denkkader. En daime ook niet. Dat is voor mij de overeenkomst tussen deze twee paden. Daime helpt mij om vreemd te gaan en vreemd te blijven, steeds weer oog houden voor hoe anders deze mysterieuze werkelijkheid steeds weer blijkt dan alles wat ik al gewend ben. Daime leidt me me steeds weer liefdevol mijn vertrouwde kaders uit, het vreemde en onbekende in.

Hoe talloos de poortloze poorten ook zijn, ik beloof ze binnen te gaan.


De beste leraar

Zo’n dertig jaar geleden ging ik mijn eerste leraar-leerling relatie aan toen ik werd ingewijd in de geheimen van de Transcendente Meditatie door mijn lerares Annie Balkema. Sindsdien heb ik vele leraren gekend, in allerlei soorten en maten. Maar hoe langer ik nadenk over de leraar-leerling relatie, zeker in de context van zen, hoe groter het mysterie wordt.

De leraar onderricht iets wat eigenlijk niet onderricht kan worden. In zen wordt traditioneel gezegd: de leraar legt niet zozeer boeddhisme uit, hij toont de Boeddha. De leraar is als een vroedvrouw, net zoals Socrates: hij heeft zelf niets te bieden, maar hij kan wel iets in de leerling geboren laten worden. Hij kan een groot en onzegbaar verlangen in de leerling aanwakkeren, dat soms wel als een verlangen naar bevrijding wordt aangeduid, bodhi-mind.

Een controversieel onderwerp in de leraar-leerling relatie is dat van overgave. Moet je je als leerling overgeven aan de leraar? En wat betekent dat? Is het een “niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”? Er bestaan veel onvolwassen vormen van overgave, die beter blinde onderwerping kunnen worden genoemd. Overgave is volgens mij niet hetzelfde als gehoorzaamheid. Het heeft veel meer te maken met een toenemende eenheid tussen leraar en leerlingen, een éénworden met iets dat beiden overstijgt, een intimiteit.

Eén manier om het zenpad te verwoorden (als je al van een pad kunt spreken) is, dat we iets leren kennen dat niet “ik” is. Dat kan alleen maar als we ons eigen besef van “ik” verliezen. De leraar-leerling relatie kan helpen om die grens over te gaan. Er kan een vertrouwen groeien in de leraar, juist als we zijn tekortkomingen duidelijker gaan zien. We vertrouwen de leraar dan “in de dharma”, en dat heeft niets met zijn karakter te maken.

Een gezonde leraar-leerling relatie kan veel ellende verdragen, van beide kanten. Beiden zijn menselijk, al te menselijk. Maar de lotus groeit juist in de modder. Een worsteling tussen leraar en leerling kan juist positief zijn. Soms hebben wij Westerlingen de neiging om leraren te gaan idealiseren (het worden dan goeroes), en ze vervolgens met veel genoegen van hun voetstuk te laten tuimelen.

Shunryu Suzuki zei altijd: “onze leraren onderrichten ons met hun karakter en hun inspanningen”. Daarbij was ook altijd inbegrepen, hun feilen en tekortkomingen, of in ieder geval wat in de ogen van de leerling als tekortkoming telt.

Na vele omzwervingen ben ik uiteindelijk terechtgekomen bij Nico (Tydeman) en bij Ton. Allebei leraren die je uiteindelijk steeds weer op jezelf terugwerpen, die vrijuit hun eigen niet-weten durven te laten zien, en je daarmee confronteren met je eigen niet-weten. Leraren die weigeren om in de alwetende leraarsrol te stappen, en die je er daarmee ook voor behoeden om in de behoeftige leerlingrol te stappen. Misschien is de beste leraar wel iemand die weigert om leraar te zijn.


Bakerpraatjes

Nico [Tydeman] leende mij zes maanden geleden een mooi boek dat pas is uitgekomen: ‘Shoes Outside the Door: Desire, Devotion and Excess at San Franciso Zen Center’. Het is de geschiedenis van het SF Zen Center sinds 1959, toen een Japanse plattelandspriester naar SF werd gestuurd om daar de boeddhistische missie te gaan bemannen. Suzuki Roshi ontwikkelde zich al snel tot een soort peetvader voor de talrijke ontwortelde hippies in SF, die heel goed wisten wat ze allemaal niet wilden maar niet wat ze nu wel wilden. Hij liet ze iedere ochtend om half zes mediteren en bracht ze discipline bij. Ze aanbaden hem.

Maar in 1971 stierf Suzuki, en vlak voor zijn dood gaf hij transmissie aan zijn student Richard Baker, die de nieuwe zenmeester werd: Baker Roshi. Richard Baker had behalve een passie voor zazen ook vooral grote organisatorische en fund raising-gaven, en in de jaren zeventig groeide het SF Zen Center explosief. Het ego van Baker Roshi groeide echter mee: hij hield er een extravagante levensstijl op na, kocht dure kunst, omringde zich als een feodaal landheer met zenstudenten die aan tafel bedienden terwijl Baker met de burgemeester of de gouverneur dineerde, en gedroeg zich als een modern despoot. Baker liep in 1983 uiteindelijk tegen de lamp toen een van zijn talloze affaires werd ontmaskerd tijdens een conferentie in Tassahara (door schoenen die buiten de deur stonden!).

Wat dit boek interessant maakt is dat de schrijver met alle betrokkenen uitgebreid praat over hoe dit nu heeft kunnen gebeuren. Hoe konden zoveel mensen, die tienduizenden uren in zazen gezeten hadden, zo blind zijn, en zo naïef? Hoe kunnen intelligente hoogopgeleide westerlingen, die zich hebben ontworsteld aan allerlei westerse vormen van autoritarisme, zo blindelings vallen voor een oosters autoritarisme? Hoe kunnen de verworvenheden van de westerse verlichting, de scheiding van kerk en staat, zo gemakkelijk weer ongedaan worden gemaakt in een spirituele gemeenschap waarin de leraar het doen en laten van de studenten volkomen bepaalt? Het SF Zen Center werd alom beschouwd als een revolutionair experiment, maar was het eigenlijk met haar feodale autoritaire structuur niet ook ‘achterlijk’?

Wat zegt Zen over autoriteit? Zen is de meest protestante vorm van boeddhisme: iedereen wordt aangemoedigd om de waarheid bij zichzelf te vinden. Niet de sutra’s hebben autoriteit, niet de geschreven leer, zelfs de historische Boeddha niet: ‘if you meet the Buddha on the road, kill him’. De ware dharma kan slechts worden overgedragen direct van persoon op persoon. De directe transmissie van leraar op leerling, daar gaat het om. De enige autoriteit in Zen is de zenleraar.

Dit is wat de studenten van SF Zen Center keer op keer te horen kregen: “het mag dan lijken of Baker Roshi niet deugt, hij heeft transmissie gekregen van Suzuki en is dus Verlicht. En de acties van een Verlicht man zijn vaak ondoorgrondelijk voor niet-verlichten.” Later bleek dat Suzuki in Japan ook transmissie had gegeven aan zijn zoon (die hij nooit als leerling had gehad) zodat die een plattelandstempel kon overnemen, en aan de zoon van een vriend om die vriend een plezier te doen. Transmissie in Japan is zoiets als slagen voor je seminarie-examen: een voorwaarde om aan de slag te kunnen als priester.

Wat heeft autoriteit in Zen? Een mooie koan om mee te besluiten.


John Cage

Cage, John

Uit Silence, 1968:

Ik heb niets te zeggen en dat zeg ik.


Elisabeth Dinnissen

Elisabeth Dinnissen

uit: Brugjes naar de diepte, Elisabeth Dinnissen, Heeswijk: Dabar-Luyten, 2008:


Niet weten

Soms ben ik er heel dicht bij…
Waarbij?
Ik weet het niet.
Soms lijkt het dat er enkel nog
maar een duw nodig is.
Waarvoor?
Ik weet het niet.
Misschien
dat de schaal dan breekt,
het vlies dan scheurt,
of de muur omvalt,
of de brug ophoudt
halverwege…
Ik weet het niet. (p7)


Bidden zonder beelden

[fragment]

Yamada Roshi, de bekende, inmiddels overleden zenmeester van vele Europese en Amerikaanse zen-leraren waaronder meerdere christenen, zei eens dat Zen christenen kan leren: te bidden zonder beelden. Dit stille, zwijgende bidden, ja, dit lege bidden bevordert de innerlijke eenwording van de persoon. Hij doet daarin radicaal afstand van alle dingen, beelden en voorstellingen. Dit loslaten van alle inhouden betekent in de oefening niet: alles wegduwen wat in ons opkomt of wat we waarnemen aan de periferie van ons stil-zijn. Nee, het wil zeggen: de hand openhouden, niets vasthouden, je nergens aan vastklampen. (24)


Hart van stilte

[fragment]

Living nor dead
and I knew nothing,
looking into the heart of light:
the silence.
(T.S. Eliot)

Ik was levend noch dood
ik wist niets
kijkend in het hart
van het licht: stilte.

Psalm 18 zegt ook zoiets: “Zichtbaar werd de bedding der wateren, omgewoeld de grondslagen der wereld…” (vers 16)
De bedding, de bodem, wordt opengelegd. Alles in ons wordt als het ware omgewoeld, tot we bij de grond komen, de Ongrond, zegt Erik van Ruysbeek.
Als zenmeester Bassui (14e eeuw) over zijn wedervaren vertelt, beschrijft hij dat hij op een gegeven moment plotseling gewaarwerd dat hij zijn (vertrouwde) wortels verloor en zich ineens voelde als een vat waaruit de bodem wordt weggeslagen. Een bodemloze bodem, de Ongrond… Of: een poortloze poort… Het zichtbaar worden van de bedding is zo’n ingrijpende, alles-omver-werpende ervaring dat er geen zinnig woord over te zeggen valt! Daar zijn geen woorden voor en Bassui kan dan ook niets anders dan huilen. (26)


Toegesneden op onze ware natuur

[fragment]

De Middeleeuwse mystici gebruikten het woord: capax Dei, gotvaer, godvaardigheid. Onze diepste natuur is capabel om met het goddelijke één te zijn, om de eenheid met God gewaar te worden, te ervaren.
En dan horen we bij Johannes Tauler (1300-1361) hoe we daar komen: ‘Quanto nudius, tanto capacius’, dat is: hoe naakter, hoe meer capabel!

Kennelijk kan er van alles in de weg zitten, kan een mens zelf in de weg zitten. Hij moet eerst uitruimen, loslaten, leeg worden, opzijschuiven. Ja, zelfs zijn eigen toeleg relativeren! In de zenliteratuur is daar sprake van wanneer heel ijverige leerlingen steeds maar weer vragen om onderricht. Maar je komt ook mensen tegen die teveel mediteren. Hoezo: teveel? Hoe meer hoe beter, zou je denken. Zen zegt: ‘Hoe meer je haast maakt, hoe langzamer je vooruitkomt.’ En: ‘De wijze streeft niets na, maar de dwaas slaat zichzelf in boeien.’ (36)


De laatste vragen

Een paar jaar geleden kreeg ik van een Duitse zenvriendin een heerlijke kunstkaart, waarop een kikker op zijn rug in het gras lag en – met zijn ‘armpjes’ zorgeloos over elkaar – de lucht in staarde. En daar stond de volgende tekst van een zekere Janosh bij: ‘Alles ist auf eine so wunderbare Weise ja gar nicht wahr!’ – ‘Alles is op een wonderlijke manier immers helemaal niet waar!’
Ik was er verrukt van. Heerlijk, heerlijk, dacht ik. En toen ik een kopie naar mijn zenmeester stuurde was hij al even verrukt en belde me op om te zeggen dat hij die kaart zou laten vergroten om die ergens op te hangen.

Welke vraag ons ook bezighoudt, tot de laatste en diepste vragen als: wie ben ik, waartoe ben ik, waarom zijn we zoals we zijn, waarom is de wereld zoals ze is, waarom het lijden, wat betekent dood en verrijzenis… enzovoorts, elk antwoord is onbevredigend. Ons denken kan een tijdje vrede vinden met beredeneerde antwoorden, maar dan breken de vragen opnieuw door. Dus, en dat kan een antwoord zijn: zulke vragen zijn niet te beantwoorden. Op een wonderlijke en ook bevrijdende manier kunnen we dan tot de ervaring komen dat die onbeantwoordbare vragen uitkomen bij een ondoorgrondelijk mysterie, waarin al wat is bestaat. Een mysterie waarvan wij deel uitmaken en dat ons draagt.

Het antwoord bestaat in het blootleggen van het mysterie, een dimensie van de Werkelijkheid die ons overstijgt. Alles wat we daarover zeggen is enkel benadering, schiet tekort, is niet helemaal waar, klopt op wonderlijke wijze eigenlijk nooit!

De natuurkunde Edward Witten, bekend om zijn Super-Stringtheorie, weet het ook niet en zegt dat wat er uiteindelijk overblijft is: verwondering.
Geen woorden meer hebben: Ah…! dat betekent: stil zijn, stil zitten, in het hart van het mysterie en laten zijn wat is. Ons overgeven aan de laatste geheimen, mee-ademen, mee-ruisen (mitschwingen), ons toevertrouwen. Antwoord zijn! Daar gaat het om, in de kern van elke ware religie, van het Christus mysterie, van het Paasgeheim. (47)


Woestijn

In de geschiedenis van de spiritualiteit komt het beeld van de woestijn telkens voor. In de woestijn telkens voor. In de woestijn ontmoette het volk Israël voor de eerste keer Jahweh (Ex.3,1.18). Dáár vonden de fundamentele ervaringen plaats, die ten grondslag liggen aan de joodse godsdienst, aan het nieuwe godsbeeld van het jodendom.

Op tal van plaatsen in de Bijbel is sprake van de woestijn en van woestijnervaring. Naast de hele woestijntocht van de Israëlieten en de woestijnervaring van Jezus in het Nieuwe Testament, is er bij de kleine profeet Hosea een tekst die de geestelijke schrijvers altijd bijzonder heeft aangesproken: ‘Ik zal haar lokken, haar brengen in de woestijn en spreken tot haar hart’ (Hosea, 2,16). En dan staat er ook nog: ‘Ik maak haar tot een woestijn’. Het heeft er alles van weg dat de weg van de mens door de woestijn loopt.

De mystieke schrijvers laten daar geen twijfel over bestaan: wie geestelijk wil groeien en rijpen ontkomt daar niet aan. Johannes van het Kruis zegt onomwonden dat God het is die ons door de woestijn leidt en dat de ziel zichzelf ook zo voelt, alsof ze in een onmetelijke woestijn is geplaatst. Het gaat hierbij om een zielenwoestijn waarbij het niet de bedoeling is er weer zo gauw mogelijk uit te geraken, maar om die ervaring door te maken: het gaat om een echte en barre woestijnervaring. Hierin wordt het leven teruggebracht tot het wezenlijke, hier ontstaan de laatste en diepste vragen, hier wordt een mens losgemaakt uit het vertrouwde en vanzelfsprekende, leeggemaakt van beelden en voorstellingen, hier wordt hij arm tot op het bot en blijft hem niets anders meer over dan restloze overgave.

Die woestijn heeft zijn eigen tijd nodig, ze leidt naar ‘innerlijke vrijheid en naar de heilige rust van de kinderen Gods’, zegt Johannes van het Kruis.
De woestijn is een mystiek beeld van de grote losweek-processen, waar de mens en de mensheid doorheen moeten. In die woestijn staat een braamstruik te branden en daar vat de mens zelf vlam. Abt Jozef zei tegen abt Lot: ‘Je kunt geen monnik zijn zolang je niet helemaal vuur en vlam geworden bent’ (Weisung der Väter, 389, Trier 1986). (48,49)


Van oud naar nieuw

[fragment]

De grote godsdiensten kennen speciale voorbereidingstijden die voorafgaan aan grote rituelen, aan grote feesten. De Vastentijd, later Veertigdagentijd genoemd, maakt christenen bewust van het Pasen des Heren en bereidt erop voor. Je zou kunnen zeggen dat we allemaal, als mensheid en als eenling door een proces van omvorming gaan. Dat betekent altijd: het oude loslaten (wat nog niet wil zeggen: verwerpen…) om het nieuwe te kunnen ingaan. Het is een kenotisch proces: ontlediging, leeg-ruimen, plaats maken, loslaten. Wat moet er worden losgelaten? De gerustheid, het absolute vertrouwen op beelden, voorstellingen, rituelen, gewoonten. We moeten als het ware alles waar we zo zeker van zijn, even op losse schroeven durven zetten om met onbezette geest en grote openheid te vertrouwen op de processen die zich aan ons, en via ons aan een mensheid, ja, aan een universum, willen voltrekken. (55)


Kosmisch Lijden

[fragment]

‘De hele natuur zucht en lijdt in barensweeën…’ (Romeinen 8, 22). Uit de levens van meerdere grote zenmeesters, onder meer Dogen en Hakuin, blijkt dat uit de ervaring van geestelijke nood de grote vragen naar de zin van het leven en het lijden worden geboren. Dat laat de mens op zoek gaan naar de laatste oorzaak, naar de zin en de kans van het lijden. Het zou nog wel eens waar kunnen zijn, dat ook het religieuze bewustzijn daaraan ontwaakt. En zelfs, dat zo de religies zijn ontstaan: uit een ervaring van onvermogen. (60)


Het vlakke land

Het leven lijkt zo binnenshuis
geworden, zo dicht en klein
en zonder horizon,
zo vlak en boordevol gelijk.
Waar het maar kon
speelt nog wat zon
door de kieren
speurt met haar licht
naar een rest verlangen
dat het kan ontvangen.

Komt er een einder zonder torens?
Wordt onze ziel ‘het vlakke land’
waar alles vergrijst
waar niets nog verwijst
naar hoogte en verte…
Zou het tenslotte dagen
dat wij naar diepte vragen
waar in de grond begraven
het zaad nu wil verrijzen
opdat wijzelf verwijzen
naar de laatste bron,
van kerk naar kern toe reizen:
de nieuwe horizon?
(63)


Van de voormalige site www.elisabethdinnissen.nl:


Regen

Ik hoor zo graag
de regen praten
onder de meditatie
zoals vandaag…
Aan een stuk door
niets dan onderonsjes
die ik niet versta
maar met open oor
toch duidelijk hoor.


Dogen

Dogen

Uit Shobogenzo zuimonki, Dogen Zenji, 2001:


Doe afstand

Je moet afstand doen van alles wat je tot nog toe voor waar hebt aangenomen. (84)


Vier zinsneden

Denk aan de volgende vier zinsneden: ‘Niet gehandeld, niet beloond; niet gehandeld, wel beloond; wel gehandeld, niet beloond; wel behandeld, wel beloond. (93)


Geen instructie

Verwacht geen instructie van de kant van een leraar of van de sutra’s. (96)


Denk alleen aan dit uur

Denk alleen aan vandaag, aan dit uur, want over morgen valt niets met zekerheid te voorspellen. Niemand weet wat de toekomst zal brengen. (96)


En waartoe dient dat?

Toen ik in een zenklooster in China
verbleef en de uitspraken van befaamde oude zenmeesters las, vroeg een
monnik van Szechuan me: “Wat is de zin van het lezen van deze
uitspraken?”
Ik zei: “Om de daden van de oude zenmeesters beter te begrijpen.”
De monnik hield aan: “En waartoe dient dat?”
“Om goed te kunnen doen aan alle levende wezens,” zei ik.
De monnik was nog niet tevreden en bleef doorvragen: “Maar wat voor zin heeft het op de lange duur?” (108/109)


Vergeet lichaam en geest

Een oude meester zei het volgende: ‘Je bent bovenop een honderd meter hoge paal geklommen. Hoe ga je verder?’ De meeste mensen die de top hebben bereikt, schrikken, bang als ze zijn om de grond onder hun voeten te verliezen, te vallen en te sterven. […] Maar een stap verder maken, betekent elke gedachte over welk onderwerp dan ook vergeten […]. Als je zo niet handelt, zul je er niet in slagen de weg te bereiken, ook al bestudeer je hem zo serieus en fanatiek dat de vlammen uit je kop slaan. Neem telkens weer het besluit om zowel het lichaam als de geest te vergeten. (129)


Vrij van de tijd

Als je de Boeddhadharma wilt bestuderen, laat dan alle geconditioneerde ideeën over je verleden, je heden en je toekomst achter. (181)


Vrij van vooroordelen

Zet lichaam en geest opzij en je zult, als je vrij bent van allerlei ingebakken vooroordelen over de weg, uiteindelijk ontwaken. (186)


Doorgaan

Niet stoppen waar de Boeddha verkeert; doorgaan met snelle tred naar de plaats waar geen Boeddha is. (188)


Ha ha!

Rujing besteeg het spreekgestoelte van het Jingci klooster in de prefectuur Linan, en zei:

Vanochtend is het de eerste dag van de tweede maand.
De abtskwast rukt de oogbol uit.
Dit is helder als een spiegel,
zwart als een laklaag.
Het snelt om te springen en
verslindt het universum – één tint.
Maar mijn leerlingen botsen tegen hekken en muren.
Waarom toch?
Maak een eind aan je denken en barst uit in lachen.
Ha ha! Laat alles over aan de lentewind tot niets meer over is.

(Fragment van het hoofdstuk Ganzei uit Dogen’s Shobogenzo (Tanahashi, K.: Treasury of the true Dharma eye; Zen master Dogen’s Shobo Genzo. Boston 2010, p. 615-620; vertaling: Ad van Dun). Bron.


Wegvallen

‘De Weg van de Boeddha leren kennen is jezelf leren kennen. Jezelf leren kennen is jezelf vergeten. Jezelf vergeten is bevestigd worden door de tienduizend dingen. Door de tienduizend dingen bevestigd worden is je eigen lichaam en geest laten wegvallen en ook die van anderen. Alle sporen van verlichting verdwijnen dan en die verlichting zonder sporen zet zich eindeloos voort.’ (94)

(uit Met drie ogen, Oosterling & Bhagwandin, 2005)


Willigis Jäger

Jager, Willigis

Uit Zen in de 21e eeuw, Willigis Jäger, Doris Zölls, Alexander Poraj, 2010:


De voltrekking van niet weten

Zen is geen filosofie. Zen is geen wereldbeschouwing. Zen is ook geen gebruiksaanwijzing om het leven beter of anders te kunnen leven. Wat is zen dan? Zen is de diepste voltrekking van ‘niet weten’; een ontspannen schouderophalen tussen alle theorieën en opvattingen over onszelf, de anderen en de wereld. (7)


Helemaal overbodig

Zen is gewoon maar een ander woord voor dat wat is en zoals het is. Zen voegt aan de dingen en de gebeurtenissen niets toe en doet er ook niets aan af. Eigenlijk is zen volslagen overbodig. We zijn slechts vergeten dat we al thuis zijn. (7)


Van iemand die niets weet

Wanneer je dus, beste lezer, de volgende teksten leest, doe dat dan alsjeblieft met de gelijkmoedige houding van iemand die aanvoelt dat hij niets weet. Dat komt namelijk overeen met de houding die wij als auteurs bij het schrijven hadden. Op die manier komen we in elk geval dichter bij elkaar, los van wat jij of wij intussen ook denken te weten. (7)


Fata morgana

Het woord dat het dichtst bij zen komt luidt bhavana. Je kunt het vertalen met ‘geestelijke ervaring’. In de yoga is dat woord yogachara. Letterlijk vertaald betekent het: de school die inzicht leert. Het gaat om het ware inzien. Hoe dieper een mens komt, hoe meer hij ervaart dat de dingen slechts uit kennisprocessen bestaan, niet als objecten buiten onze ervaring. Omdat er geen object is, is er ook geen subject dat ervaart. Ons ik is een grote illusie, een bril die ons het zicht op de werkelijkheid ontneemt. Het is een hypnotiseur die ons een werkelijkheid voorspiegelt die niet bestaat. We vallen voortdurend aan een fata morgana ten prooi. (29)


Nada

De laatste ervaring overstijgt tenslotte ook nog het bewustzijn van eenheid en wordt als leegte beleefd. ‘Nada’, het niets, werd het door de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis genoemd en Dionysius sprak van de niet benoembare ‘eerste werkelijkheid’ die voor alles staat en waaruit alles voortkomt. Meester Eckhart schreef: ‘Wanneer ik in de grond, in de bodem, in de stroom en in de bron van de godheid kom, dan vraagt niemand me waar ik vandaan kom en waar ik geweest ben. Daar heeft niemand me gemist. Daar wordt ‘God” (preek 26). Daar lossen onze voorstellingen en concepten van God en wereld zich op. Daar bestaat ook geen ander of een persoonlijk wezen. (32)


Horror vacui

Wie daartoe doordringt, schrikt eerst. Horror vacuï noemde de mystiek deze toestand, angst voor de leegte. Mijzelf gaf (en geeft) deze ervaring een volstrekt nieuwe duiding van mijn menszijn en leven. Alle concepten en mentale kennis zijn dan verdwenen. Vanuit de ervaring van deze oergrond zijn alle religieuze duidingen slechts beelden die komen en gaan maar geen substantie bezitten. (33)


Diepe ontreddering

Nietzsche drong tot dit niveau door, toen hij op een dag in 1881 langs de rots van Surlei liep. Hierna schreef hij: ‘Wat doen we met de rest van ons leven – wij die het grootste deel ervan in wezenlijke onwetendheid hebben doorgebracht?’ Nietzsche beleefde hier de diepe ontreddering van veel mystici dat dat wat ze beleefd hebben eerst geen plaats kunnen geven. Het doet ze huiveren. Ze gaan door ‘hemel en hel’. Het gewone leven en dat wat ze aanschouwden laten zich in het begin maar moeilijk met elkaar verenigen. Praktische toepassing en vertaling naar het leven schijnen onmogelijk. Het individu als drager van rechtschapen verstandigheid heeft niet meer die gebruikelijke betekenis. (61)


Verbazing

Een doorbraak in zen begrijpt de identificatie met ons ik, doorziet ze en relativeert ze. De spirituele bewustwording bevrijdt ons van deze inperking. Onze meningen over onszelf worden transparanter en kunnen zich oplossen. Het bewustwordingsproces ontwikkelt zich tot bewustheid, tot een getuigend bewustzijn, dat zichzelf gewaar wordt. Achter het ‘ik’ ontsluit zich een wijde ruimte, een nieuwe vrijheid waarin we de concepten van onszelf en de rollen die we spelen leren kennen. Deze bewustheid is ruim, wakker en stil en kan uitmonden in een grote vrijheid, in een satori-ervaring zoals we in zen zeggen en in een onvergelijkelijke ‘verbazing’, die in het ik een grote dankbaarheid en liefde achterlaat. (43)


We krijgen er niets bij

Er is niets te bereiken, het is alleen zaak aan te komen waar we al zijn en tot ons ware wezen door te dringen. Het is leeg, alomtegenwoordig, stil en rein. We krijgen er niets bij. We worden alleen wakker. Verlichting laat zich het beste vertalen met ‘ontwaken’. Ook van een meester is niets te krijgen. De meester kan de leerling slechts helpen te ontwaken. (43)


Niemand weet

Thomas Blochowicz, zenleraar en doctor in de fysica, zou tegen een groep fysici hebben gezegd: ‘De fysicus kan met behulp van zijn onderzoek nooit iets te weten komen over de wereld, maar alleen over hoe de menselijke geest werkt.’ Men zegt dat zijn collega’s hem pas durfden te bekritiseren nadat hij de zaal had verlaten. Maar tegenwoordig staat hij niet meer alleen. Uiteindelijk is er geen substantie. Veel fysici zijn aangekomen op het niveau waarop alles hun tussen de vingers door glipt. Al het materiële vervluchtigt tot energie en vervliegt dan in het niets. (51)


Karl Jaspers

Jaspers, karl

Uit Socrates, Boeddha, confucius, Jezus, Karl Jaspers, 1999 (1960):


Onmiddellijk weer gebruikt

Het verstand wordt niet verworpen, wanneer het wordt overwonnen. Het wordt onmiddellijk weer gebruikt, wanneer moet worden medegedeeld wat in de overwinning werd ervaren. (55)


Nergens een vast punt

Wat is dan eigenlijk? – De stroom van het worden, die nooit is. De schijn van het ik, dat in waarheid geen zelf is. Wat is, dat is tegelijk dwaling en niet-weten en heilloosheid. Het worden is de keten van verdwijnende momenten van het bestaan, zoals het latere boeddhisme dat doordenkt, het is in zijn verdwijnen het niet-zijn van wat schijnt te zijn. Niets bestaat, niets blijft zichzelf gelijk, nergens is een vast punt. Het ik of het zelf is niets dan de illusie van een iets, dat in zijn vergankelijkheid onophoudelijk verandert en zichzelf voor een ik houdt. (63)


Geen zijn of niet-zijn

Onder de stroom van het worden en de schijn van het ik ligt niets anders. Maar beide moeten worden opgeheven in dat geheel andere, waarvoor alle denkvormen, die zijn afgestemd op het misleidende worden en het ik, niet meer gelden. Daar is geen zijn of niet-zijn. Het geheel andere wordt geschouwd in het verlichte kennen en bereikt in nirvana. (63)


Zijn of niets

Hoe kan Boeddha over nirvana spreken?
Wanneer hij spreekt, moet hij dat toch doen in de ruimte van het bewustzijn, dat ons misleidt. Als hij over nirvana spreekt, wordt het een zijn of het wordt niets. (64)


Daar waar het denken ophoudt

Onder de schijn van het worden en van het zelf ligt – zo werd ons gezegd – niets. Er is geen uitwijken naar een ‘grond’ of naar een ‘hogere’ wereld mogelijk. Toch kunnen het worden en het zelf in hun geheel worden opgeheven naar daar waar met de schijn ook het denken, dat wij in het gewone leven gebruiken, ophoudt. (64)


Noch licht noch lucht

‘Er is een plaats, waar noch water noch aarde is, noch licht noch lucht, noch oneindige ruimte noch oneindigheid van de rede, noch het zijn van wat dan ook, noch de opheffing van het zich voorstellen en het zich niets meer voorstellen tegelijk […]. Het is zonder grond, zonder voortgang, zonder vastheid; dat is het einde van het lijden.’ (64)


Geen maat

‘Geen maat meet hem, die tot rust is gekomen. Er zijn geen woorden om over hem te spreken. Wat het denken zou kunnen omvatten is tenietgedaan, tenietgedaan is ook ieder pad van de taal.’ (65)


Niet noodzakelijk

Een weten dat niet noodzakelijk is voor het heil wijst Boeddha af. Stellingen waarover hij zich niet heeft uitgesproken en dus ook vragen die hij heeft afgewezen, zijn bijvoorbeeld de volgende: ‘De wereld is eeuwig’ en ‘De wereld is niet eeuwig’ of ‘De wereld is eindig’, ‘De wereld is niet eindig’ of ‘De volmaakte is er ook na zijn dood’, ‘Na zijn dood is de volmaakte er niet meer’. (65)


Niets meer

[Boeddha] heeft afstand genomen van zichzelf en zijn hele werkelijkheid achter zich gelaten, en hij heeft afstand genomen van de mensen, wier eigen leven, wier geheim en verborgenheid hij niet te na komt. Zoals Boeddha uiteindelijk is geworden, is er niets meer wat hij zoekt. (68)


Niet te kennen

Boeddha is onpersoonlijk geworden, talloze Boeddha’s hebben in eerdere wereldtijden gedaan en zullen in komende wereldtijden doen wat hij nu doet. Hij verdwijnt in zekere zin als individu in de niet te tellen menigte van zijn gelijken. Hij is de enige, maar hij is het slechts als een herhaling. […] Hij is niet te kennen. ‘Boeddha, die door de oneindigheid schrijdt, de spoorloze, hoe zoudt gij hem dan naspeuren.’ (68)


Steeds ontoegankelijker

Wanneer de enkeling zijn roep volgt, wordt zijn innerlijk opgeëist en hij wordt met formules en inzichten waarin het eigenlijke toch niet wordt gezegd tot een afdalen in de diepte gebracht dat voor de anderen steeds ontoegankelijker wordt. (70)


Dennis Genpo Merzel

Merzel, Dennis

Uit De Weg van de Mens, 2007:


Tot het uiterste gaan

Eigenlijk maakt het niet zoveel uit welke vraag je neemt, als je je er maar in stort met alles wat je hebt. Onderzoek elke mogelijkheid, elk mogelijk antwoord. Aan het eind sta je nog steeds met lege handen. En daar gaat het nou net om. (p39/40)


Geen-perspectief

Wat lastig is, is dat we altijd weer snel in een nieuw perspectief komen vast te zitten. Er zijn twee manieren om niet weer vast te lopen: we kunnen álle perspectieven opgeven of we kunnen míjn perspectief opgeven en alle perspectieven omarmen. […] We worden op school en door familie en vrienden beloond voor begrijpen, weten, bewijzen. Maar wat kunnen we weten of begrijpen als we geen perspectief hebben en geen standpunt? Boeddhageest heeft geen perspectief. De ervaring van boeddhageest overstijgt elk weten en begrijpen. (58)


Elk-perspectief

Maar de zenervaring is altijd: ik kán het niet weten. Het is duidelijk dat we de ervaring niet vertrouwen. We gaan twijfelen en vragen onszelf af: ‘Misschien, heel misschien, is er íets dat ik kan weten of begrijpen, grijpen, uitvissen. Waaraan ik me kan vastklampen. Waarop ik kan vertrouwen.’ Maar elke keer als we het onderzoeken, ontdekken we hetzelfde: het is ongrijpbaar. Boeddhageest is voorbij elk perspectief. Het omvat alle perspectieven: echt, vals, goed, slecht, juist, verkeerd, bekend, onbekend. Elk perspectief is slechts een deel, nooit het geheel. (59)


Brand het op

We stellen allemaal onmogelijke vragen: ben ik goed of slecht? Is mijn leven geslaagd? Ben ik op de goede weg? Zen zegt: ga ervoor, brand het helemaal op. (60)


Maak je kop leeg

Toen hij eindelijk ontvangen werd in de vertrekken van de leraar, deelde de professor mee: ‘Ik wilde u ontmoeten omdat ik hier graag wil trainen, om verlicht te raken.’ De leraar zei niets en ging door met thee schenken. Hij schonk de kop van de professor vol en bleef maar doorschenken. De professor riep uit: ‘Wacht, stop! Mijn kop is vol!’ De meester antwoordde: ‘Maak je kop dan leeg.’ Dit is de eerste les in zen. En ook de laatste. (61)


De hoop voorbij

We moeten de hoop opgeven dat er iets te vinden valt. (104)


Cyclus

[Maar] zolang we niet diep in onszelf zoeken zullen we ons nooit realiseren dat er helemaal niets te bereiken of te begrijpen valt. Het volstaat meestal niet, dit één keer te ontdekken. De zoekende geest komt ook dan nog niet tot rust. Op een gegeven moment komt de twijfel weer op: ‘Misschien heb ik niets gevonden omdat ik niet hard genoeg gezocht heb.’ Hoe vaak moeten we deze cyclus doorlopen: zoeken en niets vinden? Het antwoord is denk ik: tot we eruit zijn, tot we niet meer hoeven te zoeken. (107)


Verwachtingsloos

Als ik niet weet wat ik van mezelf kan verwachten, hoe kan ik dan in vredesnaam weten wat ik van jou kan verwachten? (110)


Zonder vaste grond

Elke dag leven zonder vaste grond onder onze voeten, zonder ideeën over wie we zijn, dát is bevrijding van het zelf. (112)


Niets te bevestigen

We kunnen ons niet nestelen in wat comfortabel en veilig voelt, want de zenbeoefening heeft een verrassing in petto: als je er komt, nergens dus eigenlijk, wéét je dat. Je weet, zonder een spoor van twijfel, dat je niets hebt bereikt. Je bent nergens heen gegaan en je hebt niets bereikt. Waarom zou je dan iemand nodig hebben om dat te bevestigen? (154)


Ware intelligentie

Ware intelligentie is níet weten. Als ik denk dat ik iets weet, heb ik alleen maar een concept. (154)


Geen-identiteit

Leven met niet-weten is leven als de ongeboren boeddhageest. […] Je ware identiteit is geen-identiteit. (154)


Weg ermee

Het maakt niet uit hoe lang we al met zenmeditatie bezig zijn of hoeveel realisaties we al gehad hebben, de taak waar we ons voor gesteld zien blijft dezelfde: het opgeven van onze ideeën. (165)


Boodschappen neerzetten

Als we onze armen vol boodschappen hebben, moeten we ze eerst neerzetten voordat we de deur open kunnen doen. (180)


Geen-brug

Zen bouwt niet aan een veilige brug naar succes, maar haalt de grond onder onze voeten vandaan. (182)


Volmaakte twijfel

Twijfel kan in eerste instantie klein zijn, zeurend als een mug, maar het kan uitgroeien totdat het volmaakt is, alles omvattend. Als de twijfel onvolmaakt is, als er grenzen zijn aan hoever deze reikt, kunnen we ons iets voorstellen voorbij de twijfel en denken dat dat ‘iets’ misschien de waarheid is. Zolang we een keuze denken te hebben, houden we hoop. […] We kunnen geen steen op de andere laten; enkel volmaakte twijfel kan alles opheffen. (192)


Geen-inzicht én elk-inzicht

We kunnen natuurlijk proberen een houvast te vinden in ‘geen-inzicht’, maar dat is slechts wéér een inzicht, een idee over geen gezichtspunt hebben. Kunnen we de uitersten van alle inzichten en geen-inzicht omarmen? (200)


Niet-verblijven

We moeten alleen één ding onthouden: in beweging blijven. Nooit ophouden met inzichten en gezichtspunten loslaten. Zoals een van de voorouders [zenpatriarchen] zei: ‘Verblijf in niet-verblijven. Installeer je nergens. (201)


Geen-zelf

Meester Hakuin zei het als volgt: ‘Het ware zelf is je realiseren dat er geen ware zelf is.’ […] Als we ons ware zelf vinden, raken we alle criteria kwijt voor wie we moeten zijn en hoe we moeten zijn. Al onze referentiepunten verdwijnen. (221)


Geen-nu

Het ware nu is geen-nu. Geen nu. Er is niets tussen verleden en toekomst. Wat betekent dat? Niets. Het eeuwige nu is niets. Dus waarom doen alsof je iets bent? Er is absoluut geen hoop, geen ontsnapping, geen antwoord. Er is geen vrijheid, er is geen nirvana. Er is geen lijden, geen hel, geen dukkha. Dat is allemaal illusie. (247)


Geen-hoop

Er is echt geen enkele hoop, dat is wat ik probeer te zeggen. Als je dat ziet, dan ben je er. (247)


Geen-verlichting

Joshu had iets bereikt dat heel zeldzaam is, zelfs onder onze grote, historische voorgangers: hij was volslagen gewoon geworden, niets bijzonders. Dat klinkt misschien simpel, maar dat is het niet. Daarvoor moet je alles loslaten. […] Joshu had alles opgegeven, vooral alles wat op verlichting leek. (253/4)


Seido Ray Ronci

 

Ronce, Ray Ronci

Uit The Skeleton of the Crow: New & Selected Poems, 1980–2008:
[titels origineel]


De Bel Rinkelen Aan het Einde van Meditatie

Er zit een bij in de roos
met een rozengeur

en er is geen hemel
en er is geen hel


Mijn Moeder en de Zenmeester

Je onthoudt te veel,
zei mijn moeder,
Leer liever vergeten.


Op zijn honderdste verjaardag

Vroeg een verslaggever aan de oude man,
Wat is het geheim van een lang leven?

De Meester zei,
Zonder aarzeling:
Alles meteen vergeten.


Dharmapraatje in April

De lente spreekt voor zich.
Ga liever naar buiten
En pluk de dag
Dan hier te zitten
En naar mij te luisteren.


Shunryu Suzuki

Shunryu Suzuki

Uit Zen-begin, 1976 / 2009, Ankh-Hermes:


Niet twee en niet een

Onze lichaam en onze geest zijn niet twee en niet een. Als je van mening bent dat je lichaam en geest twee zijn, dan heb je het verkeerd; als je denkt dat ze een zijn, dan heb je het ook mis. (29)


Sterven noch niet-sterven

Na een aantal jaren zullen we sterven. Als we alleen maar denken dat dit het einde van ons leven betekent, begrijpen we het verkeerd. Maar van de andere kant, als we denken dat we niet sterven, is dit ook niet juist. (29)


Tijdruimte

Je kunt zeggen: ‘ik moet vanmiddag iets doen’, maar eigenlijk is er geen ‘vanmiddag’. We doen de dingen een voor een. Dat is alles. Er is geen tijd als ‘vanmiddag’ of ‘één uur’ of ‘twee uur’. Om één uur lunch je. Lunchen is zelf één uur. Je zult je ergens anders bevinden, maar die plek kan niet worden losgemaakt van één uur. (36)


Niet-doen doen

Of je kunt zeggen: ‘Dit is slecht, daarom kan ik het beter niet doen.’ Op hetzelfde moment dat je zegt, ‘ik kan het beter niet doen’, doe je eigenlijk ‘niet-doen’. Je hebt dus geen keuze. Als je de notie van tijd en plaats scheidt, denk je dat je een keuze hebt, maar in feite moet je wat doen, of je zult ‘niet-doen’ moeten doen. Iets niet-doen is iets doen. (36)


Zwaaideur

Als we werkelijk worden die we zijn, worden we een zwaaideur en zijn we volledig onafhankelijk en tegelijkertijd afhankelijk van alle dingen. (38)


De wanorde van het leven

Zo bestaan alle dingen in het rijk van de Boeddha-natuur, ze raken uit hun evenwicht tegen een achtergrond van volmaakte harmonie. Als je dus de dingen ziet zonder besef van de achtergrond van de Boeddha-natuur, lijkt het net of alles op de een of andere manier aan lijden onderhevig is. Maar als je de achtergrond van het bestaan begrijpt, kom je tot het besef dat juist het lijden zelf het leven is dat we leven, en het leven dat we verder geven. Daarom leggen we in Zen soms de nadruk op de onevenwichtigheid en de wanorde van het leven. (39)


Niets bijzonders

Zoals een Chinees gedicht zegt: ‘Ik ging en ik keerde terug. Het was niets bijzonders. Rozan beroemd om zijn mistige bergen; Sekko om zijn water.’ De mensen denken dat het prachtig moet zijn de beroemde bergketen te zien, gehuld in nevels, en het bovengenoemde water dat zich uitstrekt over de hele aarde. Maar als je erheen gaat, zie je alleen maar water en bergen. Niets bijzonders. (62)


Niet zo

Als je een spoor van je denken achterlaat op je handeling, raak je gehecht aan het spoor. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: ‘Dit heb ik gedaan!’ Maar in feite is dat niet zo. In je herinnering kun je zeggen: ‘Ik deed dat op een bepaalde manier’, maar feitelijk is dat nooit precies wat er gebeurde. … Vaak denken we dat wat we deden goed is, maar in werkelijkheid hoeft dat helemaal niet zo te zijn. Als we oud worden, zijn we vaak heel trots op wat we gedaan hebben. Als anderen luisteren naar iemand die trots vertelt wat hij allemaal gedaan heeft, zullen ze zich vaak wat opgelaten voelen, omdat ze weten dat zijn herinnering eenzijdig is. Zij weten dat wat hij hun vertelde niet precies is wat hij deed. (81)


Opbranden

Je moet geen rokend vuur zijn. Je moet jezelf helemaal opbranden. (82)


Het onvolmaakte

Het volmaakte bestaan moeten we vinden door het onvolmaakte. We moeten volmaaktheid in onvolmaaktheid vinden. Voor ons verschilt volmaaktheid niet van onvolmaaktheid. (135)


Goed is slecht

We zoeken niet naar iets buiten onszelf. We moeten ín deze wereld de waarheid vinden, door onze moeilijkheden, door ons lijden. Dit is de grondgedachte van het Boeddhisme. Plezier verschilt niet van moeilijkheid. Goed is niet anders dan slecht. (135)


Bestaan of niet-bestaan

Als je het Boeddhisme wilt begrijpen, moet je al je vooropgezette ideeën loslaten. En allereerst moet je het idee van stoffelijkheid of bestaan opgeven. De gewone kijk op het leven is stevig verankerd in het idee van bestaan. Voor de meeste mensen bestaat alles; ze denken dat alles dat zij zien of horen ook degelijk bestaat. Natuurlijk bestaat de vogel die we zien of horen. Hij bestaat, maar wat ik daarmee bedoel zou wel eens heel iets anders kunnen zijn dan wat jullie ermee bedoelen. De boeddhistische levensvisie houdt zowel bestaan als niet-bestaan in. De vogel bestaat en bestaat niet tegelijkertijd. (145)


Geen vastgestelde weg

Zolang we nog een vaststaand idee over of hoop in de toekomst hebben, kunnen we niet werkelijk ernst maken met het moment dat nu bestaat. Je kunt zeggen: ‘Ik doe het morgen wel, of volgend jaar’, in de veronderstelling dat zoals het nu is het morgen ook wel zijn zal. Ook al doe je niet zo je best, toch geloof je dat er wel iets veelbelovends zal komen als je maar een bepaalde weg blijft volgen. Maar er is geen bepaalde weg die altijd blijft bestaan. Er is geen weg die speciaal voor ons is ingesteld. Elk moment opnieuw moeten we onze eigen weg zien te vinden. Een of ander volkomen ideaal of een of andere weg der volkomenheid die door een ander voor ons is opgezet, is niet de ware weg voor ons. (146)


Grote schoonmaak

We zeggen daarom dat het ware begrijpen voortkomt uit leegheid. Als je het Boeddhisme bestudeert, moet je in je geest grote schoonmaak houden. (147)


Gereedheid

Met wijsheid bedoelen we niet een bijzondere vaardigheid of filosofie. De gereedheid van de geest, dat is wijsheid. … Maar we moeten ons niet vastklampen aan de een of andere speciale wijsheid, zoals bijvoorbeeld die door Boeddha onderwezen. Wijsheid kun je niet aanleren. (152)


Niets geloven

Ik ben erachter gekomen dat het absoluut noodzakelijk is in niets te geloven. (153)


Verlichting

Met verlichting bedoel ik in niets geloven, geloven in iets dat vorm noch kleur heeft, dat gereed is vorm of kleur aan te nemen. (156)


Geen nadruk

Soms leggen de mensen de nadruk op eenheid, maar dat doen wij niet. Wij leggen nergens speciaal de nadruk op, zelfs niet op eenheid. Eenheid is waardevol, maar verscheidenheid is ook prachtig. (157)


Geen hiaat

Er is geen hiaat tussen de onwetende en de wijze. Een dwaas is een wijze; een wijze is een dwaas. Maar meestal denken we: ‘Hij is gek en ik ben wijs’, of ‘ik was dwaas, maar nu ben ik wijs’. (159)


Niets om te begrijpen

Als we de dingen kennen zoals ze zijn, kunnen we nergens speciaal op wijzen; we kunnen op geen enkele manier iets grijpen; er is niets om te begrijpen. Er is niets waarop we de nadruk kunnen leggen. Toch, zoals Dogen zei: ‘Een bloem valt af, ook al houden we ervan; en onkruid groeit, ook al houden we er niet van.’ Zo is nu eenmaal ons leven. (159)


In de ban

Omdat je een of ander idee van eenheid of verscheidenheid creëert, ben je in de ban van dat idee. Dan moet je eindeloos doorgaan met denken, hoewel je eigenlijk niet hoeft te denken. (160)


Geluk is verdriet

Geluk is verdriet; verdriet is geluk. Er is geluk in moeilijkheden, moeilijkheden in geluk. Ook al zijn onze gevoelens verschillend, in werkelijkheid is er geen verschil, in wezen zijn ze hetzelfde. (16)


Schat

Voor zenleerlingen is onkruid een schat. (160)


Je moet niks

Zelfs iets goeds in gedachten te hebben is niet zo goed. Boeddha zei soms: ‘Je moet zo zijn. Je moet niet dat zijn. Maar het is niet zo goed zijn raad in gedachten te houden. Het kan een last voor je betekenen, waarbij je je heel onplezierig kunt voelen. Misschien kun je veel beter een zekere wrok koesteren dan erover te broeden wat goed is of wat je zou moeten doen. Het is soms erg fijn van boosaardige gedachten vervuld te zijn. (171)


Eckhart Tolle

Tolle, Eckhart

Uit Een nieuwe aarde, 2005:


Iconoclastisch

Zo zijn de gnosis en de mystiek ontstaan in het vroege en middeleeuwse christendom, het soefisme in de islam, het chassidisme en de kabbala in het jodendom, advaita vedanta in het hindoeïsme en zen en dzogchen in het boeddhisme. De meeste van deze scholen waren iconoclastisch. Ze ruimden vele lagen van geestdodende conceptualiseringen en mentale geloofsstructuren op […]. (22)


Verborgen achter een etiket

Woorden […] kunnen een bijna hypnotiserende invloed op je hebben. Je verliest jezelf er gemakkelijk in en gaat als in trance geloven dat je weet wat iets is als je er een woord aan hebt gekoppeld. Het is echter een feit dat je niet weet wat het is. Je hebt alleen het mysterie verborgen achter een etiket. (29)


Topje van de ijsberg

Elk ding, een vogel, een boom, zelfs zoiets eenvoudigs als een steen, is uiteindelijk onkenbaar. Dat komt door zijn onpeilbare diepte. Alles wat we kunnen waarnemen, ervaren en waar we over na kunnen denken bevindt zich aan de oppervlakte van de werkelijkheid en is minder dan het topje van een ijsberg. (29)


Frisheid

Als je de wereld niet bedekt met woorden en etiketten, keert er een gevoel voor het wonderbaarlijke terug in je leven dat lang geleden verloren is gegaan toen de mensheid het verstand niet meer gebruikte maar er bezeten door raakte. Er keert een besef van diepte terug in je leven. De dingen krijgen hun nieuwheid, hun frisheid terug. (30)


Armen van geest

‘Zalig de armen van geest’, zei Jezus, ‘want hunner is het Koninkrijk der Hemelen.’ Wat betekent ‘arm van geest’? Geen innerlijke bagage, geen identificaties. Niet met dingen, niet met mentale concepten die een zelfgevoel in zich dragen. (42)


Bezeten

De meeste mensen identificeren zich zo sterk met de stem in hun hoofd – de onophoudelijke stroom van onvrijwillige en dwangmatige gedachten en de daarmee gepaard gaande emoties – dat we kunnen zeggen dat ze bezeten zijn door hun verstand. (53)


In de war?

Gewoonlijk feliciteer ik mensen als ze tegen me zeggen dat ze niet meer weten wie ze zijn. Dan kijken ze me verbijsterd aan en vragen: ‘Wilt u soms zeggen dat het goed is om in de war te zijn?’ Ik vraag ze dan een onderzoek in te stellen. Wat betekent het in de war te zijn? ‘Ik weet het niet’ is geen verwarring. Verwarring is: ‘Ik weet het niet, maar ik zou het moeten weten’ of ‘Ik weet het niet, maar ik moet het weten’. (76)


Zelfbeperking

Als je het geloof dat je zou moeten of moet weten wie je bent loslaat, wat gebeurt er dan met de verwarring? Die is opeens verdwenen. Als je helemaal aanvaardt dat je het niet weet, betreed je in werkelijkheid een toestand van vrede en helderheid die dichter is bij wie je werkelijk bent dan denken ooit kan komen. Jezelf definiëren door denken betekent dat je jezelf beperkt. (76)


Contact?

Je hebt niet alleen een mentaal beeld van wie de ander is maar ook van wie je zelf bent, vooral in relatie tot de persoon met wie je in wisselwerking staat. Dus jij gaat helemaal niet met die persoon om, maar wie je denkt dat je bent gaat om met wie je denkt dat de ander is en omgekeerd. (79)


Niet jezelf definiëren

Hou op met jezelf definiëren – tegenover jezelf of tegenover andere mensen. Dan ga je niet dood. Je komt tot leven. En maak je geen zorgen over hoe andere mensen je definiëren. Als ze je definiëren, beperken ze zichzelf, dus dat is hun probleem. Telkens als je met andere mensen te maken hebt, moet je niet in de eerste plaats aanwezig zijn als functie of rol, maar als veld van bewuste Tegenwoordigheid. (89)


Toen is nu

Alles lijkt onderhevig te zijn aan de tijd en toch gebeurt alles in het Nu. Dat is de paradox. Waar je ook kijkt, er is een overdaad aan indirecte bewijzen voor de werkelijkheid van de tijd – een rottende appel, je gezicht in de spiegel vergeleken met je gezicht op een dertig jaar geleden genomen foto – maar er is nooit direct bewijs, je ervaart de tijd zelf nooit. Je ervaart alleen maar het huidige moment, of liever wat daarin gebeurt. Als je je alleen door direct bewijs laat leiden, is er geen tijd en is het Nu alles wat er is. (161)


Joan Tollifson

Tollifson, Joan

Uit: ontwaken in het alledaagse, Joan Tollifson, 2004:


Wat blijft er over?

Laat voor een ogenblik alle kwalificaties, formules, antwoorden, overtuigingen, verhalen, verklaringen, verwachtingen en alle pogingen om te begrijpen of een resultaat te bereiken, varen. Laat alles wat je ooit is verteld, alles wat je hebt gelezen, alles wat je hebt meegemaakt, alles wat je weet, elk idee over wat er is of zou kunnen zijn, varen. Laat het allemaal gaan. Geef het volledig op. Houd je nergens aan vast.
Wat blijft er over? (9)

zoals Krishnamurti zei: ‘sterven aan het bekende.’ (14)


Open verwondering

De bedoeling [van dit boek] is structuren op te lossen, niet nieuwe te maken. Ze zijn bedoeld je achter te laten met de open verwondering van niet-weten, in plaats van met nieuwe antwoorden die de helderheid wegnemen. (21)


Oplossen

[…] die bereidheid om aanwezig te zijn, niets te weten, gewoon levendig te zijn, om de denkbeeldige grenzen zich te laten oplossen […] (21)


Echte spiritualiteit

Wat mij betreft betekent echte spiritualiteit dat je helemaal geen antwoorden hebt. Het betekent leven zonder formules, zonder conclusies, zonder overtuigingen, zonder troostrijke ideeën, zonder verlossers. Het heeft niets te maken met een volmaakt mens zijn of alles netjes opgelost hebben. (22)


In het niets duiken

Hoe meer je naar dit ‘ik’ zoekt, hoe dieper je in het niets duikt. En hoe nauwkeuriger je kijkt naar elke eenvoudige handeling (je arm optillen, een bloem visualiseren, een besluit nemen, een brief schrijven), hoe mysterieuzer het is. (40)


Zelfs geen eenheid

Is de Ene Werkelijkheid ook een gedachtevorm?
Ja, natuurlijk is zij dat, zo gauw als we haar benoemen en er ons een beeld van vormen. Zij verwijst naar de open ruimte van niet-weten, de onverdeeldheid van zijn. Maar in een oogwenk maakt de geest van niets iets: een reusachtig, uitgestrekt ego, een geobjectiveerde leegte, een opgewaardeerde versie van God de Vader, de een of andere oersubstantie, een verzekering dat alles goed is, dat we in goede handen zijn ondanks frequente blijken van het tegendeel. Dit boek gaat niet over geloven in een idee dat troost lijkt te bieden. Het is een uitnodiging om ieder geloof te laten varen, zelfs het geloof in eenheid. (42)


De eerstvolgende seconde

Vroeger of later sterft dit lichaam en alles waar het van houdt. Het zou in de eerstvolgende seconde kunnen gebeuren. Alles zou in de eerstvolgende seconde kunnen gebeuren. (71)


Keuzeloosheid

Het idee van keuzeloosheid is intens verwarrend voor de meeste mensen. Het suggereert dat ik niets meer ben dan een soort robot. Maar wanneer ieder gevoel van afgescheidenheid doorzichtig wordt, is er niemand over om robot te zijn, of die het iets kan schelen robot te zijn. Er is eenvoudigweg wat er is. Handelen kan vrijelijk plaatsvinden, zonder vast te lopen in welke conceptuele luchtspiegeling dan ook. (85)


Half vol noch half leeg

Men zeg wel dat je een glas als half vol of half leeg kan zien. Als je het ene gelooft, ben je teleurgesteld. Geloof je het andere, dan ben je blij. Geloof je helemaal niets, waar ben je dan? (86)


Alles ontkrachten

Als je zegt dat er wel keus is, is het onjuist. Als je zegt dat er geen keus is, is het ook onjuist. De waarheid is wat er over is nadat alle objectieve standpunten ontkracht zijn. (102)


Nederlaag

Echte verlichting is niet de uiteindelijke overwinning; het is de uiteindelijke nederlaag. Zij vindt plaats buiten de structuur. (105)


Het kleed onder je vandaan

Een goede leraar geeft je helemaal niets, alleen lege ruimte. Hij of zij is lege ruimte. Hij trekt telkens het kleed onder je vandaan als je denkt dat je een plek hebt gevonden om op te staan. Hij wijst je op hier en nu, op wat er is. (124)


Geen autoriteit

Wij mensen hebben een groot verlangen naar antwoorden, naar gezag. Ik ben steeds meer geïnteresseerd in wat er gebeurt als er geen antwoord, geen autoriteit, geen systeem is. De waarheid is dat er niets te onderwijzen is. En niemand die dat doet. (125)


Grondeloos

De waarheid is grondeloos. Je kunt nergens landen. Als je denkt: ik ben niemand, is dat het niet. Als je denkt: ik ben iemand, is dat het niet. Als je denkt: er is vrije keuze, is dat het niet. Als je denkt: er is geen keuze, is dat het niet. Als je denkt: er kan iets gedaan worden, is dat het niet. Als je denkt: er kan niets gedaan worden, is dat het niet. (156)


Wat blijft over?

Elk idee dat we concreet proberen te maken en waar we op uit proberen te komen is een droom. De zenmeester vernietigt ze allemaal, één voor één. Wat blijft er over wanneer alles (en niets!) is weggevaagd? (156)


Gertrude Stein

Ik moet vaak denken aan de laatste woorden van Gertrude Stein op haar sterfbed: ‘Mijn hele leven heb ik gezocht naar antwoorden, maar wat was de vraag.’ (193)


Ranjit Maharaj

‘Doe alles, maar begrijp dat niets waar is.’ (216)


Niets betekent iets

Niets betekent iets; het is er allemaal gewoon. En dat is niet deprimerend. Het is allemaal ‘betekenisloos’, zoals een dans of een bloem betekenisloos is. Het heeft geen betekenis nodig. (219)


Braak terrein

‘Ik hou van mijn hoofd. Het is braak terrein.’ (281)


Jeroen Witkam

Witkam, Jeroen

Uit Zitten in stilte, Jeroen Witkam 2009:


Onwetend

Al onze kennis omtrent onszelf en omtrent God volstaat niet. Al onze kennis is ontoereikend en vertekend, en is dus eigenlijk onwetendheid. Ook al zijn er bibliotheken vol geschreven met psychologische literatuur over zelfkennis, eigenlijk zijn we onwetend. (17)


Niets

Bij sommigen breekt dit inzicht door via een heel ingrijpende crisis: alle geobjectiveerde kennis over God en mezelf volstaat niet. De enige weg om tot inzicht, tot kennis te komen, is de weg van de leegte: neti in het Sanskriet, mu in de zentraditie, nada bij de Spaanse mysticus St. Jan van het Kruis: niets, niets, leegte. … Niet ingaan op gedachten, altijd opnieuw. (17)


nada nada, nada, Johannes van het Kruis


Ik weet niet wie ik ben

Bij het loslaten van je gedachten kom je tot het besef dat je het geheim binnengaat van je eigen bestaan. Je laat je niet door je gedachten – welke het ook zijn – bepalen, maar je krijgt het besef dat er onder en door al die gedachten heen een diepere werkelijkheid is. Ik weet niet wie ik ben. Eerst besef je dit als een niet-weten. Dit is geen ontkenning, maar het niet-weten is een aandacht voor het geheim van je bestaan. Gedachten waarnemen, gedachten loslaten: de inhoud, het oordeel, en ook het gevoel en de emotie die je erbij hebt, neem je waar en daarna ga je eraan voorbij en leer je voeling krijgen met het geheim van jouw bestaan. (34)


Thuis

Dat niet-weten is een heel nieuwe vorm van aandacht die in het begin heel moeilijk is. Het is moeilijk om daaraan te wennen want je gaat de onbekendheid binnen. Geheim… Onbekendheid… Maar toch in een vertrouwen, in een aanvoelen dat je juist in dat geheim echt thuiskomt in jezelf. Eigenlijk is dat heel mooi. De Nederlandse etymologie van het woord geheim duidt op ‘thuis’; denken we maar aan ‘heimwee’. ‘Heim komen’ is thuiskomen bij het geheim in jezelf. Maar dit uitsprekend, vul ik het misschien al te veel in; je moet het eerder zien als een aanvoelen, een vermoeden, een besef. (34)


De onbekende bekendheid

De grote genialiteit van Boeddha is dat hij gezien heeft dat het precies jouw gedachten zijn die je beklemmen, die je doen lijden, en wel door het oordeel waarin je jezelf verengt en verkleint. Zo heeft hij gezien dat door het loslaten van die gedachten het besef kan ontstaan dat er een innerlijke ruimte is. Een ruimte waarin je vrij wordt van die beklemming, waarin je vrij wordt van die verenging door jouw gedachten. Weten dat er een innerlijke ruimte is, onbekend en toch bekend: de onbekende bekendheid. (34)


Daar kom je vandaan

Ik sprak van de weg van de onbekende bekendheid. Onbekend: het proces van het sterven van de grote dood, is een proces van onbekendheid. Je gaat iets nieuws binnen, je gaat iets binnen wat je niet kent. Bekendheid: het is een onbekend geheim waarin je toch thuiskomt. Onbekende bekendheid omdat het aansluit bij je diepste oorsprong. Daar kom je vandaan. (38)


Mu

De weg naar binnen, wordt in de zentraditie begeleid door het woordje Mu, dat als een mantra werkt, heel krachtig. … Mu is tegelijk een koan, een raadsel. Een uitnodiging om de weg te gaan van de ‘onbekende bekendheid’. Je gaat die onbekende dimensie van jezelf binnen totdat je in dat onbekende toch bekendheid vindt. ‘Onbekend’ omdat het voorbij is aan de werkelijkheid buiten je, onbekend aan je zelfbeeld, aan alle oordelen en begrippen die je meedraagt. … Het beeld van het water waarin je moet leren zwemmen geeft heel goed het proces weer van de bedreiging, de afschrikking die het heeft, van er geen weg mee weten, totdat je er toch vertrouwd meer raakt. Vertrouwd raken met die onbekende bekendheid, die dimensie van je bewustzijn die in eerste instantie helemaal nieuw is en die je toch gaat herkennen als het meest eigene van jezelf. (41)


Sterven

We onderscheiden drie aspecten, drie gebieden van ons vertrouwde bewustzijn, die we achter ons moeten laten, waaraan we moeten sterven. We moeten sterven aan ons vertrouwde kennen, ons spreken en onze relaties. (45)


Donkere nacht

Een stervensproces wordt op verschillende manieren ervaren. Ik wil nu de nadruk leggen op het aspect van duisternis, van het niet-weten. In de zentraining, waarbij koans, dat wil zeggen raadsels, gebruikt worden, is één van de eerste koans waar je doorheen moet breken, de koan mu, het raadsel mu. Het Japanse woordje mu betekent zoveel als niet, niets, de donkere nacht, het niet-weten. Je moet het niet-weten niet verstaan als een soort onnozelheid, domheid – je weet het gewoon niet -, maar als een andere heel diepe vorm van aandacht. (46)


Ik zeg het niet

De zenmeester Dogo, zo wordt verhaald, gaat met een leerling op condoléancebezoek, en de leerling stelt de vraag, wijzend op de overledene: ‘Is dat nu dood of is dat leven?’ En het antwoord van de zenmeester is: ‘Ik zeg het niet, ik zeg het niet!’ Natuurlijk, die man is dood… of is hij toch levend? De vraag van de leerling komt voort uit de drang naar zekerheid … En het antwoord is: Ík zeg het niet!’ Dan gaat die leerling bijna lichamelijk geweld gebruiken tegenover zijn zenmeester, omdat die onzekerheid niet te dragen is. Maar de zenmeester blijft erbij: ‘Ik zeg het niet, ik zeg het niet!’ Niet weten. Mu. (47)


Gedachtenpatronen

Het is heel belangrijk door dit proces heen te gaan en heel bewust te leren niet in te gaan op je gedachten, op al die gedachtenpatronen die in de stilte steeds weer naar boven komen. Je moet ze wel even gewaarworden, om ze los te kunnen laten. En dan leer je jezelf ook kennen in al die gedachtenpatronen, die in je opkomen en die je wilt vasthouden als invulling van een zekerheid. (47)


Zanmai

Maar de zenliteratuur, voortgekomen uit de ervaring van de grote dood, zegt ook heel duidelijk: er komt een moment waarop de vertrouwdheid met de duisternis zo groot is, dat je daarin kunt verwijlen, dat je daarin kunt wonen. Men noemt dat zanmai. Het denken valt weg en je hoeft jezelf niet meer telkens opnieuw aan te sporen om los te laten, nee, het gebeurt nu vanzelf: je woont in het niet-weten, je bent daar thuis in gekomen: zanmai. (47)


Diepe natuur

De duisternis waarin je thuisgekomen bent, wordt dus licht wanneer die duisternis zich verbindt met … het zelfbesef, het ikbesef. Daardoor krijgt het ikbesef een heel andere dimensie en is ze niet meer gebonden aan … je gedachtenstructuur; ze wordt nu verbonden met je diepe natuur, met wie je werkelijk bent. (48)


Voorbij

Voorbij, dat is het eigenlijke geheim van zen. We horen het in de hartsutra ‘voorbij, voorbij, totaal voorbij, nog voorbij aan het voorbij’. De kern daarvan is naar mijn aanvoelen: voorbij aan de woorden. Zen kent een hele traditie van woorden, van geschriften. Zen heeft een leer maar de kern ervan is, dat je er op een bepaald moment aan voorbijgaat. Voorbij aan de woorden… in de lege helderheid, de intimiteit met jouw diepste zelf, dat juist daardoor ontstaat: voorbij aan de woorden. (51)


Geen leer

Je kunt de vraag stellen: heeft zen een geheime leer? Nee, je kunt alle boeken op tafel leggen, zelfs de koans. De gehele leer is openbaar en toegankelijk voor iedereen. Een koan lijkt in zoverre een beetje op een geheime leer dat je het antwoord niet aan anderen mag vertellen. Maar stel nu eens dat je wel alle antwoorden op de koans zou krijgen, dan heb je er nog niets aan. Zolang je de vraag van die koan niet zelf hebt opgelost hebben die antwoorden, ook al krijg je ze allemaal op een briefje, geen betekenis. Waar het om gaat is dat je zelf het proces doormaakt.
Zen heeft dus geen geheime leer. Zen heeft zelfs helemaal geen leer… Het is juist het zoeken naar een leer waar je aan voorbij moet leren gaan. Voorbij. (53)


Jij

Het geheim van zen ben jij! Jij, in het unieke onvervangbare proces. Pas wanneer je door dat proces bent heen gegaan, kun je het bij jezelf en anderen herkennen en met elkaar uitwisselen. Maar jij maakt dat proces door, in alle eenzaamheid, in alle onbegrijpelijkheid, in alle zwakte. Voorbij aan de woorden. Voorbij aan alles wat nog maar enigszins houvast kan geven. Het geheim van zen, dat ben jij! (54)


Opnieuw een ontkenning

In eerste instantie gaat het om een voorbij aan de dualiteit, om het ervaren van de eenheid van alles, om éénwording: niet twee maar één. In tweede instantie is het weer: niet één maar twee, want er is ook weer het verschijnsel binnen de grote werkelijkheid; ze vallen samen en toch weer niet. … En dan komt er opnieuw een ontkenning: het is niet alleen niet één en niet twee, het is nog anders, want verschijnsel en werkelijkheid doordringen elkaar. (57)


Gebruik het zwaard

‘Alleen in het heelal’: dit is een uitdrukking die je nogal eens in de zenliteratuur tegenkomt, met name in de koans. Het is ook een aspect van de grote dood. Je vindt het ook terug in de bijbelse taal. Abraham is daar een type voor: ‘Trek weg uit je land, je stam en je familie.’ En Jezus zegt in het evangelie: ‘Gebruik het zwaard dat alle banden doorsnijdt.’ (58)


IJdel

… zin en zinloosheid of twijfel en zekerheid. Daar zitten we mee en dan hopen we door kennis aan de zinloosheid te ontkomen. Op school worden we overladen met kennis: van in de lagere school tot en met het universitair onderwijs. Er worden bibliotheken vol geschreven. Allemaal kennis, kennis, kennis… en toch ontdekken we op een bepaald moment dat al onze kennis niet volstaat om betekenis te geven aan het leven waarin wij ons geplaatst weten. Op een bepaald moment komen we toch in de zinloosheid terecht: ‘ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdel’. Alles is ijdel of zinloos. Leegte. (66)


Een nieuwe kwaliteit van licht

De vraag is: waar vind ik uiteindelijk zekerheid, een antwoord op de vraag van mijn onrust, die twijfel, die een mens zo kwellen kan? Al ons denken helpt niet, al ons zoeken naar zekerheid, waar dan ook, in allerlei systemen, in allerlei groeperingen waar ik mij bij aan wil sluiten, het helpt niet. Ik word toch steeds weer teruggeworpen in de onzekerheid, in de twijfel, in de zinloosheid… tot ik leer dat ik juist in het doormaken van die leegte tot schouwen kan komen. Alleen het doorleven van die leegte leert mij schouwen. Eerst is alles duister en zie ik helemaal niets, maar in het schouwen blijf ik wel alert en waakzaam. Ik blijf kijken in het duister totdat het duister de kwaliteit van licht ontvangt. Het is dan wel ander licht dan dat wat ik eerst in mijn kennis, in mijn denken, gevonden had. Het is een schouwen met een nieuwe kwaliteit van licht. (67)


De grote twijfel

De grote twijfel is het inzicht dat heel veel overtuigingen en ideeën waarmee je je vereenzelvigd hebt, niet kloppen. … Binnen het gezin waarin je geboren bent, door de school, langs velerlei verbanden en invloedssferen waaraan jonge mensen blootstaan, in allerlei levensbeschouwelijke verbanden, worden je overtuigingen bijgebracht over het leven en over jezelf, overtuigingen die samenhangen met de rol die je hebt in een gezin en de rol die je te vervullen hebt in de maatschappij. Zo worden ook gewoontes gevormd, dwangmatige gewoontes vaak, waarmee je je vereenzelvigt , waar je je aan vasthoudt, en die jou zekerheid geven. (79)


Zazen

De stilte van zazen, van stille meditatie, het proces van de stilte dat we doormaken, is de uitnodiging: leer al die beperkte zekerheden – het gaat altijd over begrensde, beperkte zekerheden – los te laten. Er is een andere zekerheid. Laat je leiden door innerlijk licht. Dat is vaak een heel eenzame stap, omdat zekerheden ons bijna altijd verbinden met groepen waartoe we behoren. Durf die eenzaamheid aan. (79)


Zekerheid

Bij de grote twijfel ga je op weg, je vertrouwt erop dat er wel een zekerheid is, maar een zekerheid van een andere orde dan die je tot dan toe beleefd had. Er is zekerheid! En de grote twijfel helpt je om de schijnzekerheden die je tot dan toe had, te verlaten. (81)


Dat ben jij

Als we de stilte ingaan gaat het om de uiteindelijke zekerheid. En die uiteindelijke zekerheid vraagt ons om te twijfelen aan alle zekerheden en overtuigingen die de overgave aan die uiteindelijke zekerheid in de weg staan. Die uiteindelijke zekerheid wordt in de Upanishaden verwoord: ‘Dat ben jij!’ Tat tvam asi. (83)


Parabels

[Parabels] zijn verhalen waar gaten of spleten in zitten. Dit in tegenstelling tot verhalen waar je geen speld tussen kunt krijgen en die zich beperken tot ons besloten en begrensd aards bestaan. Politici en economen komen met zulke verhalen waar je geen speld tussen kunt krijgen. Maar een verteller die jou wil openen voor een andere dimensie vertelt je juist geen verhalen waar je geen speld tussen kunt krijgen; integendeel, in zijn verhalen zitten als het ware hele gaten, gaten van leegte… raadsels, zoals parabeles en koans. (110)


Thuiskomen in het niet-weten

‘Raadsel’ wil zeggen: datgene wat allerlei vragen oproept en waarvan de oplossing niet voor de hand ligt. Van het raadsel ga je naar het geheim. ‘Geheim’ wil zeggen: thuiskomen. ‘Heim’ betekent thuis. Thuiskomen in het meest voor het hand liggende. (110)


Onbegrensd

Door ons denken brengen we de wereld om ons heen begrippelijk in kaart. Aan alles wat we zien, horen, wat zintuiglijk bij ons binnenkomt geeft ons verstand een begrippelijke voorstelling; het wijst op essenties, het fixeert; met ons denken wordt alles vastgelegd. Dit en niet dàt: dualiteit. Zo is ons bestaan geordend, en schijnbaar beveiligd. Maar uiteindelijk is het niet veilig en lopen we erin vast, omdat die ordening een begrenzing schept, terwijl wij feitelijk niet begrensd zijn. We hebben die begrenzing wel nodig, maar uiteindelijk zijn wij onbegrensd. (131)


Ontgrenzing

Ik moet sterven aan mijn ego, mijn afgescheiden ik, dat zichzelf krachtig voelde, dat zelf de zaak in handen had, in een wereld van begrippelijkheid, in een wereld van emoties. Dat vraagt een heel proces, een heel verfijnde en tegelijk sterke aandacht, waarin we onze gedachten en emoties op het spoor komen en ze kunnen loslaten. We moeten door de begrenzing heen. Gewaar worden helpt ons los te laten. We kunnen onze neiging om greep te willen hebben op onze grenzen gewaarworden. We moeten echter het risico nemen van de ontgrenzing, naar het licht toe, het risico nemen onszelf niet in handen te hebben, onszelf op te geven, ons toe te vertrouwen aan een geheim dat groter is dan wijzelf. (134)


Geen steen

In bijbelse taal: de bergen vallen op je; de sterren vallen van de hemel; de tempel, dit wil zeggen: jouw tempel, stort in elkaar. De heilige stad, jouw heilige stad, wordt verwoest. Dat zijn hele sterke beelden die je in hun oorspronkelijke belevingskracht moet ervaren, toegepast op die fase van de Grote Dood waar jij doorheen gaat. Totale eenzaamheid, geen steen om je hoofd op neer te leggen. Totale beklemming, geen kant meer op kunnen. Je wereld stort in elkaar, die hele wereld van opvattingen en veronderstellingen die de jouwe was. Er blijft niets anders over dan je gekwetste ik, dat niet meer weet waarheen. (138)


Nu

Een aspect van de verkondiging van Jezus is dat de wereld in elkaar stort. We kennen dat wel, maar in het christelijke denken wordt dat meestal verplaatst naar het ‘einde van de wereld’, ergens ver weg. Terwijl de eigenlijke boodschap van Jezus is: de wereld stort nu in elkaar. Jouw wereld stort in elkaar. (149)


Doris Zölls

Zolls, Doris

Uit Zen in de 21e eeuw, Willigis Jäger, Doris Zölls, Alexander Poraj, 2010:


Rudimentair

De zinvolle samenhang echter die we met ons verstand zoeken is een constructie van ons brein en houdt niet onmiddellijk verband met de werkelijkheid. We proberen met ons verstand causaliteiten te ontdekken om de wereld te begrijpen en het leven hanteerbaar te maken, maar dit zijn altijd maar heel rudimentaire pogingen en we ontdekken heel snel dat het onmogelijk is met ons verstand de totaliteit van het leven te bevatten. (84)


Beperkt

Ons brein is beperkt. Het kan de zintuiglijke indrukken slechts selectief verwerken. Onze individuele, culturele alsook historische vorming als mens stelt grenzen aan onze wereldbeschouwing. Door de ontmoeting met andere culturen en hun visie op de wereld en door onze eigen ervaringen wordt ons steeds opnieuw onze eigen beperkte kijk op de wereld en besef van de werkelijkheid onder ogen gebracht. (84)


Schijnbare zekerheid

Ondanks de selectieve waarneming van de werkelijkheid geven de hieruit ontstane concepten en voorstellingen ons mensen een schijnbare zekerheid. Meestal zijn we ons hier echter niet van bewust en baseren we hierop ons denken, onze voorstellingen en concepten waarmee we de waarde van het leven bepalen. Hieruit ontstaat dan weer een beperkte waarneming van de werkelijkheid. (85)


Het echte wonder

Zen beschrijft dit met het beeld van verschillende brillen die we op hebben en waardoor we de wereld bekijken en die ons de wereld als door een mist laten zien. Zen wil ons vanuit deze wereld van concepten en beelden naar de onmiddellijkheid van het beleven leiden. Zenmeester Sosan beschrijft dit als volgt: ‘Willen we de dingen zien zoals ze zijn, dan moeten we onze gekleurde brillenglazen afnemen. Dat is het hele geheim. Dit zo-zijn van de dingen, waar we niets aan toevoegen of bovennatuurlijks inleggen, is het echte wonder. (85)


Alles wordt niets

Dit kan gebeuren wanneer alle begrippen en voorstellingen, alle waardebepalingen en benamingen wegvallen, er geen relatie meer is met een ik of jij en wij de waarneming zelf zijn. Op dat moment staan zijn en niet-zijn niet meer tegenover elkaar. Ze worden als één beleefd en dat niet alleen. Op dat ogenblik vallen geest en lichaam weg, alles wordt niets. (86)


Als het rommelen van de buik

Vooroordelen, patronen, concepten waarmee mijn alledaagse geest de wereld beschouwt, begrijpt en een plaats geeft, worden herkend als gedachten die het brein produceert, te vergelijken met het ‘rommelen van de buik’. Hierdoor heeft een deïdentificatie plaats van gedachten en emoties. Ik ben niet meer mijn gedachten en emoties, maar ik leer mijn gedachten als ‘babbelen’ van mijn brein en mijn emoties als ‘stofwisseling’ van mijn lichaam te zien. (92)