Zhuang Zi

‘Ben ik een vlinder die droomt dat hij Zhuang Zi is of Zhuang Zi die droomt dat hij een vlinder is?’ Citaten uit de daoïstische klassieker de Zhuang Zi.

Zhuang Zi (Zhuang Zhou, meester Zhuang, Chuang Chou, Chuang Tzu, Tswang Tse, spreek uit: dzwangdzé) is de naam van een taoïstische wijsgeer die leefde van circa 369 tot 286 voor Christus. Ook is het de naam van een taoïstisch meesterwerk dat mogelijk gedeeltelijk aan hem kan worden toegeschreven. Dit werk bestaat uit de Innerlijke Geschriften, de Uiterlijke Geschriften en de Gemengde Geschriften.

Hieronder fragmenten van de Zhuang Zi; eerst uit het hele werk in de vertaling van Kristofer Schipper en vervolgens nog eens uit de Innerlijke Geschriften in de vertaling van George Hulskramer. Liever had ik het hele boek beschikbaar gesteld, want o, wat is dat leuk en gek en boeiend.

Titels en redactie Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

huppelend als een musje, dwaalgids taoïsme


uit Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007:


Innerlijke geschriften


Maar we vinden die niet

Honderd gewrichten, negen openingen, zes ingewanden: ze zijn allemaal aanwezig en verenigd [in het lichaam]. Met welke ervan voel je jezelf nu het meest verbonden? Of vind je ze soms allemaal even aardig? Zij er die je verkiest boven andere? In dat geval, kunnen ze dan allemaal als je dienaren en dienaressen beschouwd worden? Maar in die hoedanigheid van dienaren en dienaressen kunnen ze elkaar moeilijk besturen! Zouden ze dan misschien elkaar afwisselen als meesters en dienaren? Is er onder hen een ware heerser? Als we zoeken naar zijn wezenlijkheid, maar we vinden die niet, dan doet dat niets af – noch voegt dat iets toe – aan zijn waarachtigheid. (57)


Het tjilpen van vogeltjes

Woorden uiten is niet lucht uitblazen. Degenen die woorden uiten, zeggen iets. Maar dat wat ze zeggen is bij uitstek wisselvallig. Is er dan wel echt zoiets als ‘iets zeggen’? Of bestaat er eigenlijk niet zoiets als ‘iets zeggen’? Als je vindt dat iets zeggen verschilt van het tjilpen van vogeltjes, is er dan nog grond voor discussie? Of is er geen grond voor discussie? (58)


Uiterlijkheden

Waar kan de Tao op steunen voor het bepalen van wat waar is en wat vals? Waar kunnen woorden op steunen om te bepalen wat juist is en wat onjuist? Hoe kan de Tao ooit verdwijnen en er niet altijd zijn? Als de Tao berust op kleine succesjes en woorden steunen op briljante uiterlijkheden, dan krijg je de discussies over welles en nietes van de confucianisten en de mohisten: wat de een juist vindt, wordt weerlegd door de ander en omgekeerd. Maar als je echt wilt bevestigen wat ze verwerpen, en verwerpen wat ze bevestigen, dan gaat er niets boven het vasthouden aan het licht. (59)


Complementaire tegengesteldheden

Ieder wezen is ‘de ander’ [voor een ander wezen], en ieder wezen is jezelf [voor zichzelf]. Ga je uit van ‘de ander’, dan zie je het verschil niet, maar ga je uit van jezelf, dan besef je het wél. En daarom kan gezegd worden dat ‘de ander’ voortkomt uit jezelf, en ‘jezelf’ berust op de ander. Dat is de redenering van het wederzijds voortbrengen van complementaire tegengestelden. Net zoals het leven uit de dood voortkomt, en de dood uit het leven, zo is het ook dat ‘juist’ uit ‘onjuist’ voortvloeit, en ‘onjuist’ uit ‘juist’. Omdat er een ‘wel’ is, is er ook een ‘niet’, en tegenover het ‘niet’ staat altijd weer een ‘wel’. Dat de heilige mens daarom niet zoekt naar oorzaken van buitenaf, maar alles in het licht van de hemel ziet, dat is ook weer vanuit zijn eigen zelf gezien. (59)


Jezelf en de ander

Jezelf is ook de ander;
De ander is ook jezelf;
Vanuit het oogpunt van de ander gezien heb je de ene kijk op juist en onjuist;
Vanuit het oogpunt van jezelf gezien heb je weer een andere kijk op juist en onjuist;
Is er dan wel eigenlijk een ‘ander’ en een ‘jezelf’?
Of is er eigenlijk helemaal geen ‘ander’ en ook geen ‘jezelf’? (60)


Eindeloos hetzelfde

Als nog de ander, noch jezelf een tegenhanger heeft, dan kunnen we spreken over ‘de spil van de Tao’. Vanaf het moment dat de spil in het centrum van het draaipunt staat, kan hij eindeloos reageren. Of het nu ‘wel’ of ‘niet’ is blijft dan ook eindeloos hetzelfde. En daarom mag er nog eens gezegd worden: er gaat niets boven het vasthouden aan het licht. (60)


Van woorden aan elkaar

Tekens gebruiken om aan te tonen dat wat betekend wordt eigenlijk geen betekenis heeft, is minder doeltreffend dan geen tekens gebruiken om aan te tonen dat wat betekend wordt geen betekenis heeft. Bijvoorbeeld, om het woord ‘paard’ te gebruiken om aan te tonen dat ‘een paard’ geen ‘paard’ is, is minder doeltreffend dan niet het woord ‘paard’ te gebruiken bij dergelijke demonstraties. Want net zoals hemel en aarde slechts van woorden aan elkaar hangen, kunnen ook alle dingen gelijkelijk ‘paard’ genoemd worden. (60)


Daarom

Een weg bestaat omdat we hem bewandelen, en dingen zijn zo omdat we ze zo noemen. Waarom zijn ze zo? Omdat we dat zo hebben afgesproken. En waarom zijn ze niet zo? Omdat we hebben afgesproken dat ze niet zo zijn. Het is nu eenmaal onvermijdelijk dat dingen zus of zo genoemd worden en dat ze dientengevolge juist [of onjuist] genoemd worden. Er is niets dat niet zus of zo is en niets dat niet juist of onjuist is. Daarom wordt er vanuit ‘dit hier’ een onderscheid gemaakt tussen een strootje en een pilaar, tussen een mormel en de schone Xishi. (61)


Zelfs niet meer weten dat het zo is

Maar hoe groot, hoe veranderlijk, hoe bedrieglijk of hoe bizar dingen ook mogen zijn, vanuit de Tao gezien zijn ze allemaal een. Scheidt men ze, dan krijgen ze een eigen bestaan. Maar wat zo tot stand gekomen is, gaat ook weer te gronde. Eigenlijk is er voor alle dingen dan ook geen sprake van bestaan of te gronde gaan, maar gaan ze terug tot het alomvattende Ene. Slechts diegene die dit doorschouwt weet dat ze allemaal een zijn. Hij maakt daarom geen gebruik van zijn eigen standpunt, maar brengt ze allemaal onder in het onveranderlijke midden. Het ‘jezelf’ als uitgangspunt nemen is daarmee beëindigd; het aldus eindigen en zelfs niet meer weten dat het zo is, dat noemen we Tao. (61)


Voorkeur

Dat, kun je zeggen, is ‘de zaak van twee kanten zien’.
De kennis van de mensen in de oudheid ging daar echter ver bovenuit. Hoe ver dan wel?
Onder hen waren er die meenden dat daar waar de dingen nog niet begonnen waren te zijn, dat dat het allerhoogste was, het uiterste, waar niets aan kon worden toegevoegd.
Het volgende stadium was volgens hen dat waar er wel al dingen waren, maar ze nog niet gedefinieerd waren.
Daarop kwam de fase dat ze al wel gedefinieerd waren, maar er nog geen verschil werd gemaakt tussen ‘wel’ en ‘niet’. De manifestatie van ‘wel’ en ‘niet’ was hetgeen waardoor de Tao te gronde werd gericht. En dat waardoor de Tao te gronde werd gericht, was ook datgene waardoor de voorkeur tot stand werd gebracht. Is er dan eigenlijk wel zoiets als tot stand brengen en te gronde richten? Of bestaat er helemaal niets dergelijks? (62)


Duistere discussies

Wat betreft het tot stand brengen en het te gronde richten hebben we het voorbeeld van de oude Zhao die zijn luit bespeelde. Niets tot stand gebracht en ook niets te gronde gericht: dat was wanneer de oude Zhao zijn luit niet bespeelde. Wanneer Zhao Wen de luit wél bespeelde, dan stond Meester Kuang erbij de maat te zwaaien, terwijl Meester Hui op zijn eigen luit zat te leunen. De kennis van deze drie meesters had een hoge graad van voortreffelijkheid bereikt, en zodoende is die dan ook voor het nageslacht bewaard gebleven. Maar in wat ze mooi vonden waren ze ieder verschillend. En dat wat ze mooi vonden, dat wilden ze ook in een helder licht zetten. Ze deden dat door te verhelderen wat voor de anderen niet helder was, en zo liep het uit op duistere discussies over ‘hard’ en ‘wit’. (62)


Niets tot stand gebracht

Daarom slaagden deze meesters er uiteindelijk ook niet in de traditie van de grote luitspeler Zhao Wen in stand te houden. Kun je in dit geval dan nog zeggen dat ze iets tot stand hebben gebracht? In dat geval heb zelfs ik, die niets tot stand heb gebracht, ook iets tot stand gebracht! Of moet je zeggen dat ze niets tot stand hebben gebracht? In dat geval heb noch ik, noch enig ander wezen ooit iets tot stand gebracht. (63)


Het onveranderlijke midden

Daarom worden gladde paradoxen, hoe briljant ze ook mogen zijn, door de heilige mens geminacht. Hij maakt er dan ook geen gebruik van, maar brengt het allemaal onder in het onveranderlijke midden. Dat noemen we: vasthouden aan het licht. (63)


In relatie tot elkaar

Als ik hier nu iets zou gaan zeggen, zou het dan tot de categorie van het ‘ikzelf’ behoren of niet? Of het nu wel tot die categorie behoort of niet, in ieder geval ontstaan categorieën in relatie tot elkaar, zodat deze categorie in dat opzicht niet verschillend is van die van ‘de ander’. (63)


Het zijn van het niet-zijn

Er was een begin;
Er was een nog-niet-begonnen begin;
Er was een nog-niet-begonnen-zijn van dat nog-niet-begonnen-begin;
Er was een zijn;
Er was een niet-zijn;
Er was een nog-niet-begonnen niet-zijn;
Er was een nog-niet-begonnen-zijn van dat nog-niet-begonnen niet-zijn.

Zo vind je dan onverwachts het zijn van het niet-zijn! Nu weet ik echter niet of dat zijn van dat niet-zijn nu wel ‘zijn’ is of eigenlijk ‘niet-zijn’. En nu ik hier iets gezegd heb, weet ik niet of wat ik gezegd heb nu echt wat zeggen was of niet. (63)


Een, twee, drie

Nu alles één is, kan er dan nog iets gezegd worden? Nu alles gezegd is één te zijn, kan het dan zijn dat er niets gezegd is? Het een-zijn en het zeggen, dat maakt twee. En deze twee, samen met de zojuist gemaakte som, maken drie. Als we van hieruit zo verdergaan, dan kan straks zelfs een bekwaam rekenaar er niet meer tegenop, laat staan een eenvoudig mens zoals ik! Gaande van het ‘niet-zijn’ naar het ‘zijn’, zijn we immers al beland bij drie: hoeveel meer zullen er dan komen wanneer we van iets dat is gaan naar iets anders dat ook is. Wanneer we echter nergens heen gaan, dan heeft ook het zien ‘vanuit’ jezelf afgedaan. (64)


De acht ‘deugden’

De Tao is nimmer gedefinieerd. Woorden hebben nog nooit enige bestendigheid gehad. Vanuit het eigen beperkte gezichtspunt bestaan er begrenzingen. Wat valt er over die begrenzingen te zeggen? Ze zijn: de linkerkant, de rechterkant, de leerstellingen, de commentaren, de onderscheiden, de discussies, de competities en de ruzies. Dat zijn wat men noemt de acht deugden! (64)


Daar waar gediscussieerd wordt

Over wat zich buiten de zes uitersten van de wereld bevindt, dat bewaart de heilige mens voor zichzelf, en hij doet er geen uiteenzettingen over. Dat wat zich binnen de grenzen van de wereld bevindt, daarover geeft de heilige mens wel zijn commentaar, maar hij voert daarover geen discussies. … En zo komt het dat waar onderscheiden gemaakt worden er toch weer geen onderscheiden zijn, en dat waar gediscussieerd wordt er toch niets te discussiëren valt. Hoe dat kan? De heilige mens houdt alles voor zich, terwijl gewone mensen demonstratief met elkaar discussiëren. En daarom zeg ik: daar waar gediscussieerd wordt, wordt iets uit het oog verloren. (65)


Het allerhoogste

Wie weet stilt te staan bij wat hij niet weet, die heeft het allerhoogste bereikt. (65)


Hoe weet ik dat

Tandeloos vroeg eens aan Prinsenkind: ‘Weet jij iets waarin alle dingen met elkaar overeenstemmen?’
‘Hoe zou ik dat weten!’
‘Weet je dan wat je niet weet?’
‘Hoe zou ik dat weten!’
‘Betekent dat dan dat wezens geen kennis hebben?’
‘Hoe zou ik dat weten! Maar laat ik dan toch maar proberen er iets over te zeggen: hoe weet ik dat datgene wat ik weten noem niet niet-weten is? En hoe weet ik dat wat ik niet-weten noem niet weten is?’ (66)


Wie bepaalt?

Laat ik op mijn beurt ook eens proberen aan jou een vraag te stellen: als mensen op vochtige plaatsen slapen, krijgen ze pijn in hun heupen en worden ze half verlamd; maar geldt dat ook voor modderkruipers? En als ze in bomen zitten, beven ze van de angst; maar doen apen dat soms ook? Wie van de drie, mens, modderkruiper en aap, bepaalt wat goed wonen is? De mens eet vee gevoed met hooi of granen; het hert eet gras; de jiju houdt van slangetjes, en de uil van muizen. Wie van de vier bepaalt wat lekker is? Apen zoeken andere apen als metgezellen, hinden paren met herten, modderkruipers verkeren met andere vissen. Mensen beschouwen dames als Maoqiang en de Schone van Li als schoonheden, maar als vissen die zien, duiken ze in de diepte, vogels vliegen ver in de hoogte en herten hollen hard weg. Wie van de vier bepaalt wat de standaard voor schoonheid in de wereld moet zijn? Zoals ik het zie geldt dat ook voor de principes van medemenselijkheid en gerechtigheid zowel als voor de verschillen tussen goed en kwaad. Die zijn zo verschrikkelijk verward. (67)


Laat staan principes

‘Je weet dus niet wat goed of niet goed voor je is,’ zei Tandeloos. ‘Wil dat zeggen dat zelfs de allerhoogste mens daar helemaal niets van weet?’
‘… Een dusdanig mens rijdt op de wolken en winden, hij bestijgt de zon en de maan, en zwerft rond buiten de vier wereldzeeën. Leven en dood zijn voor hem geen enkele verandering. Laat staan principes over wat voor- of nadelig is!’ (67)


Geen bepaald doel

Meester Schuwe Ekster vroeg eens aan Meester Lange Plataan: ‘Ik heb Confucius eens horen zeggen dat de heilige mens geen bepaald doel nastreeft. Hij beoogt geen voordeel, noch vermijdt hij nadeel. Hij houdt niet van achter iets aan gaan, hij volgt geen bepaalde methode. Door zijn zwijgen spreekt hij; door zijn spreken zwijgt hij, en aldus zwerft hij rond buiten het aardse stof. Voor Confucius was dit vage praat, maar naar mijn mening is dit de prachtigste Tao die je maar kunt volgen.’ (68)


Bij vergissing

Hoe weet ik of levensvreugde niet een dwaling is? Hoe weet ik of mijn afkeer van de dood niet komt omdat ik al als klein kind mijn familie ben kwijtgeraakt en nu de weg naar huis niet meer weet? De Schone van Li was de dochter van de grenswachter van Ai. Toen het leger van Jin haar gevangen had genomen, huilde ze zo hard dat haar kleren doordrenkt werden met tranen. Toen ze echter in de paleizen van de koning terechtkwam, met de koning in één bed sliep en [vlees van] gefokt vee te eten kreeg, begreep ze dat ze bij vergissing gehuild had. Hoe weet ik of zij die gestorven zijn niet net zo betreuren dat ze voorheen het leven zo najoegen? (69)


Een grote droom

Iemand die in zijn droom heerlijk aan het wijn drinken was, weende bitter in de morgenstond. Iemand die droomde dat hij bitter weende, ging de volgende morgen uit jagen. Terwijl ze droomden, wisten ze niet dat het dromen waren. Tijdens hun droom gingen ze zelfs vanuit hun droom hun toekomst voorspellen, en pas toen ze wakker werden wisten ze dat het een droom was. Pas wanneer er een groot ontwaken komt, zullen we weten dat dit allemaal een grote droom was. En dat terwijl de dwazen van zichzelf vinden dat ze ontwaakt zijn en dat ze alles met zekerheid weten, en, of ze nu heer zijn of herder, daar steevast aan vasthouden. (69)


Noch jij noch ik noch enig ander

Laten we aannemen dat jij en ik eens gingen discussiëren. Als jij het zou winnen – en ik het dus niet van jou gewonnen had -, zou jij dan inderdaad gelijk hebben, en ik echt heus ongelijk? En als ik het gewonnen had – en jij dus niet van mij -, zou ik dan inderdaad gelijk hebben en jij echt heus ongelijk? Is een van ons in het gelijk, en dus de ander niet? Of zijn we allebei in het gelijk of allebei in het ongelijk? Als jij en ik dat samen niet kunnen uitmaken, dan zullen andere mensen nog meer in het duister tasten. Wie kan ik erbij roepen om dit recht te zetten? Stel, ik haal iemand erbij om het recht te zetten die het met jou eens is; gezien het feit dat hij het met je eens is, hoe kan hij het dan rechtzetten? Stel dat ik iemand erbij haal die het eens is met mij; hoe kan hij dan tussen ons beslissen? Zullen we dan iemand erbij roepen die het zowel met jou als met mij oneens is om erover te beslissen? Daar hij het met ons beiden oneens is, hoe kan hij dan tussen ons arbitreren? En mochten we iemand laten komen die het met ons beiden eens is, juist omdat hij het zowel met jou als met mij eens is, hoe zou hij de zaak kunnen berechten? Dus, als noch jij noch ik noch enig ander dit onder ons kan uitmaken, op wat voor ander zullen we dan noch wachten? (69)


Vergeet

Daarmee bedoel ik dat hetgeen wat juist is niet juist is, en dat hetgeen wat zo is niet zo is. Als al wat juist was werkelijk juist was, dan zou het zó verschillend zijn van al wat niet juist was dat er ook niet over te discussiëren viel. En als dingen écht zo waren zoals ze zijn, dan zouden ze zo verschillend zijn van het niet zo zijn dat er ook niet meer over te discussiëren viel. Vergeet het levenslot! Vergeet gerechtigheid! Omdat ze allemaal in het oneindige door elkaar geschud worden, daarom kun je ze maar beter allemaal onderbrengen in het oneindige. (70)


De Schaduw

De Watergeest vroeg eens aan de Schaduw: ‘Net ging je vooruit, en nu ben je weer gestopt. Zo zit je, en zo sta je weer op! Waarom ga je niet wat meer doelbewust te werk?’
De Schaduw antwoordde: ‘Is het niet dat ik zo ben omdat ik van iets anders afhankelijk ben? En dat waarvan ik afhankelijk ben, is dat op zijn beurt ook niet afhankelijk van iets anders, dat het zo laat zijn als het is? Is mijn afhankelijkheid soms anders dan die van de slang van zijn schubben en die van de krekel van zijn vleugels? Hoe kan ik erachter komen waarom ik zo ben? En hoe kan ik erachter komen waarom ik niet anders ben?’ (70)


De vlinder

Eens op een dag droomde ik, Zhuang Zhou, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat hij mij was. Plotseling werd ik wakker en begon ik me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Zhou was. Nu is de vraag of ik Zhou ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was. Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en die vlinder. Dat noemen we dan maar de verandering der dingen. (71)


Leeg zijn

‘Concentreer al je aandacht. Luister niet meer met je oren maar luister met je hart. Luister niet meer met je hart maar luister met je qi. Wat hoorbaar is houdt op bij de oren, terwijl het hart nog toegankelijk is voor symbolen. Maar de qi is leeg; slechts dingen geven het gestalte. Voorwaar! In die leegte wordt de Tao vergaard. Leeg zijn, dat is het vasten van het hart.’
‘Toen ik dit nog niet van u geleerd had, was er echt een Yan Hui; maar nu ik het wel geleerd heb, besef ik dat er nooit een Yan Hui is geweest. Is dat het “leeg zijn”?’
‘Dat is het helemaal!’ zei Meester Confucius. (82)


Kennis verkregen door het niet-weten

Je sporen uitwissen is makkelijk:
Niet over de grond lopen is moeilijk!
Wat door mensen wordt uitgevoerd is makkelijk te vervalsen,
Wat door de hemel wordt uitgevoerd is moeilijk te vervalsen.
Het is bekend dat men met vleugels kan vliegen;
Nog niet bekend is dat men zonder vleugels ook kan vliegen.
Het is bekend dat kennis vergaard wordt door het weten;
Wat niet bekend is, is de kennis verkregen door het niet-weten.
Richt je blik naar die [duistere] waterplaats:
Uit het lege vertrek komt dan het witte [licht].
Alle voorspoed ligt in het “stilstaan van het stilstaan”. (83)


Het nut van het nutteloze

De bomen op de bergen, ze benadelen zichzelf.
Het vet in de toorts, het verbrandt zichzelf;
Kaneel kan gegeten worden, daarom wordt het afgehakt.
Lak kan verwerkt worden, daarom wordt het afgetapt.
Alle mensen kennen het nut van het nuttige:
Niemand begrijpt het nut van het nutteloze. (93)


Niets te onderwijzen

In Lu was er eens een zekere Wang Tai, wiens voet was afgehakt, maar die evenwel evenveel volgelingen om zich heen had als Zhongni zelf.
Changji vroeg Zhongni hiernaar: ‘Die Wang Tai heeft een geamputeerde voet, en toch deelt hij, wat volgelingen betreft, met u het land van Lu doormidden. Als hij opstaat heeft hij niets te onderwijzen, en als hij weer gaat zitten heeft hij niets te bediscussiëren, maar als men leeg naar hem toe gaat, keert men vol weer terug. Bestaat er dan echt zoiets als een leer zonder woorden? Kan de geest zijn vervolmaking ook daar vinden waar geen vormen bestaan?’ (94)


Geen rekenschap

Als je de dingen beschouwt vanuit hun verschillen, dan liggen je lever en je gal net zo ver uit elkaar als de landen van Wu en Yue. Als je ze beschouwt vanuit hun gelijkheid, dan zijn de tienduizend dingen alle één. Iemand die zo denkt, geeft zich er ook geen rekenschap van of wat hij hoort en ziet wel juist is, maar laat zijn geest vrij rondzwerven in de harmonie van de deugd. (95)


Onbestendig

Hier schuilt echter een probleem: onze kennis moet ergens op berusten om te kunnen worden toegepast. Datgene waarop onze kennis berust is echter zeer onbestendig. Hoe kan men bijvoorbeeld weten dat wat ‘hemel’ genoemd wordt niet ‘mens’ is, en dat wat ‘mens’ genoemd wordt eigenlijk niet ‘hemel’ is? (106)


De wereld in de wereld bewaren

Een boot verstop je in een inham, een visnet tussen de wilde struiken, en dan denk je dat ze daar in veiligheid zijn. Maar in het holst van de nacht komt er een sterk iemand die ze op z’n rug neemt en ermee vandoor gaat, zonder dat zij die slapen er iets van merken. Het grote is heel geschikt om er iets kleins in te verbergen, maar toch zijn er dingen die verdwijnen. De hele wereld in de hele wereld verstoppen, zodat er niets is wat kan verdwijnen, dat is echter het grote principe om de dingen duurzaam te bewaren. (109)


Was er een begin?

Ik leerde het van het Kind van Kalligrafie,
Die het op zijn beurt gehoord had van de nazaat van Herhaalde Recitatie;
Deze laatste had het van Doorbraak van Verlichting;
Doorbraak van Verlichting kreeg het van Gefluisterde Aanwijzingen;
Die had het ontvangen van Zware Leerjaren,
Zware Leerjaren had het van Volkslied,
Volkslied van Duisternis,
Duisternis van Binnen in de Leegte,
En die had het gehoord van “Was er een Begin?”‘ (114)


Geen enkele weerstand

Meester Si, Meester Yu, Meester Li en Meester Lai zaten met zijn vieren te praten, en zeiden tot elkaar: ‘Wie kan het niet-zijn beschouwen als zijn hoofd, het leven als zijn ruggengraat en de dood als zijn kont? Wie beseft dat dood en leven, het bewustzijn en het onbewuste één lichaam zijn? Die zal onze vriend zijn!’ De vier keken elkaar aan en barstten in lachen uit. Er was geen enkele weerstand in hun hart, en zo werden ze vrienden. (115)


Spelen in de nevel

Meester Sanghu, Meester Fan van Meng en Zhang de luitspeler waren bevriend. Ze zeiden tot elkaar: ‘Wie kan verbonden zijn met de anderen zonder verbonden te zijn met de anderen? Samen handelen zonder samen te handelen? Wie kan opstijgen naar de hemel, spelen in de nevel, dansen in het oneindige, het leven vergeten, eindeloos, onuitputtelijk?’ De drie keken elkaar lachend aan. Geen van hen had hier in zijn hart iets op tegen, en zo werden ze vrienden. (116)


Zonder na te denken

Ze beschouwen het leven als een uitwas – een gezwel of een wrat – en de dood als het doorbreken van een abces of een zweer. Hoe zouden ze zich nog bekommeren over leven en dood en over wat vroeger of wat later komt? Hoewel dat wat in een lichaam is ondergebracht aan een veelvoud van wezens is ontleend, vergeten zij het verschil tussen lever en gal, en bekommeren zich niet over wat hun oren of ogen vernemen, maar keren begin en einde om zonder na te denken over regels en principes. Alles vergetend zwerven ze rond in de contreien buiten het wereldse stof, vrij en blij houden ze zich bezig met nietsdoen. Wat hen betreft, waarom zouden ze zich nog druk maken over al de rituele gebruiken die in de wereld in zwang zijn, en zo voor den dag te komen voor de ogen en oren van de menigte? (118)


Meneer Mengsun weet niet

Yan Hui vroeg eens aan Zhongni: ‘Toen de moeder van Mengsun Cai stierf, liet hij geen traan bij het klagen, hij leed geen pijn in zijn hart, en gedurende de hele periode van de rouw toonde hij geen droefenis. En toch, terwijl hij in al deze drie dingen in gebreke bleef, werd hij om zijn uitmuntende manier van rouwen alom in Lu geroemd. … Ik begrijp daar niets van.’
‘Meneer Mengsun heeft het niet alleen uitstekend gedaan, maar bovendien heeft hij het begrepen. Het beste zou zijn om dit allemaal te vereenvoudigen, maar dat lukt niet. Hij echter is erin geslaagd om het enigszins te vereenvoudigen. Meneer Mengsun weet niet waarom men leeft, hij weet niet waarom men sterft, hij weet niet van vragen naar wat voorafgaat, noch naar wat later komt. Aannemend dat hij door een veranderingsproces tot schepsel geworden is, dan wacht hij in die hoedanigheid op een onkenbaar volgend transformatieproces, en dat is alles! Op het moment dat hij gaat veranderen, hoe kan hij weten of hij eigenlijk niet verandert? En als hij daarna niet meer verandert, hoe weet hij dan of hij eigenlijk niet al veranderd was? Wat ons beiden hier betreft: zijn we soms nog niet begonnen uit onze droom te ontwaken? Bedenk dat hij uiterlijk plechtig was maar innerlijk geen schade ondervond, dat zijn postuur vol ontzag was maar zijn levenskracht geen verlies ervoer. Meneer Mengsun, wat hem betreft, hij is ontwaakt: als de anderen klagen, klaagt hij ook, en zo gedraag hij zich vanzelf zodanig! Bedenk daarbij dat mensen tegen elkaar “Dat ben ik” zeggen, maar hoe kunnen ze weten dat wat hun “ik” als “ik” betoont, niet “ik” is? Als jij bijvoorbeeld droomt dat je een vogel bent die hoog aan de hemel vliegt, of dat je een vis bent die in de diepe wateren duikt, hoe kun je dan beseffen of de woorden die je nu uitspreekt de woorden zijn van iemand die ontwaakt of van iemand die aan het dromen is?’ (119)


Tatoeages uitwissen

Meester Leergraag ging eens bij Xu You op bezoek. Xu You vroeg hem: ‘En wat heeft Yao je zoal geleerd?’
‘Yao zei tegen me: “Je moet medemenselijkheid en gerechtigheid in de praktijk brengen, en je duidelijk uitspreken over wat juist is en wat neit.”‘
‘En wat kom je nu hier nog doen?’ vroeg Xu You. ‘Nu Yao al je gezicht getatoeëerd heeft met medemenselijkheid en met gerechtigheid, en je je neus heeft afgesneden met al wat juist en onjuist is, hoe zou je dan nog ongedwongen langs het kronkelpad van verandering kunnen zwerven?’
‘Toch zou ik graag over dat pad wandelen,’ zei Meester Leergraag.
‘Dat gaat niet,’ zei Xy You. ‘Een blinde is niet in staat de schoonheid van een mooi gezichtje te waarderen, noch kan de slechtziende de glans van groene of gele zijden gewaden aanschouwen.’
‘Maar Wuzhuang, die haar schoonheid liet varen, Juliang, die zijn kracht opgaf, en de Gele Keizer, die zijn kennis liet schieten, die konden allemaal wel in de smeltoven omgesmeed worden. Wie weet of de schepper mijn tatoeages wil uitwissen en mijn afgesneden neus weer wil laten aangroeien, zodat ik weer gaaf word en u, meester, mag volgen?’
‘Je kunt maar nooit weten, hè?’ zei Xu You. (119)


Zitten en alles vergeten

Yan Hui zei: ‘Ik maak vorderingen.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Confucius.
‘Ik vergeet de rituelen.’
‘Niet slecht! Maar je bent er nog niet.’
Een paar dagen later kwam Yan Hui opnieuw, en zei: ‘Ik maak vorderingen.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Confucius.
‘Ik vergeet medemenselijkheid en gerechtigheid.’
‘Niet slecht! Maar je bent er nog niet.’
Een paar dagen later kwam Yan Hui opnieuw, en zei: ‘Ik maak vorderingen.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Confucius.
‘Ik zit en vergeet alles.’
Onthutst vroeg Confucius: ‘Wat bedoel je met “zitten en alles vergeten”?’
‘Ik laat lijf en ledematen wegvallen, ontdoe me van mijn verstand, verlaat mijn vorm en verjaag mijn zelfbesef, om me te verenigen met de Grote Doorstroom. Dat bedoel ik met “zitten en alles vergeten”.’
‘Zo je te verenigen betekent dat je geen voorkeur meer hebt; zo te veranderen betekent dat je nergens meer aan vastzit. Ja werkelijk, je bent een wijze geworden. Wat mij betreft: sta me toe dat ik je volgeling word!’ (121)


Buiten houden

En dus verteld ik hem hoe de Tao te bewaren, en na drie dagen was hij in staat de wereld buiten zich te houden. Toen hij dat had bereikt, liet ik hem nogmaals de Tao bewaren, en na zeven dagen was hij in staat de dingen buiten zich te houden. Toen hij dat had bereikt, liet ik hem het nog eens doen, en na negen dagen was hij in staat het leven buiten zich te houden. Toen hij dat had bereikt, brak in hem de dageraad door, en toen hij die doorbraak had gehad, kon hij de Alleenstaande aanschouwen. Dit maakte dat hij in staat was om geen heden of verleden meer te ervaren, en daar binnen te treden waar geen leven of dood meer is. (111)


Een sprong van plezier

Tandeloos stelde eens vragen aan Prinsenkind. Vier vragen stelde hij, en viermaal was het antwoord: ‘Ik weet het niet.’ Tandeloos maakte een sprong van plezier … (124)


De dood van Chaos

De god van de zuidelijke zeeën was Onbesuisd, de god van de noordelijke zeeën was Onbezonnen. De god van het centrum was Chaos. Onbesuisd en Onbezonnen ontmoetten elkaar vaak op het grondgebied van Chaos. Chaos behandelde hen zeer goed. Onbesuisd en Onbezonnen overlegden met elkaar hoe ze Chaos voor zijn deugdzaamheid konden belonen. Ze zeiden: ‘Ieder mens heeft zeven openingen om mee te zien, te horen, te eten en te ademen. Hij alleen heeft er geen. Laten we proberen ze in hem te boren.’ Elke dag boorden ze er een. Op de zevende dag ging Chaos dood. (130)


Uiterlijke geschriften

Uit Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007:


Het gareel

Het is nu eenmaal zo dat wanneer je te werk gaat met zweihaken en loodlijnen, met passers en winkelhaken, om alles in het gareel te krijgen, dan verniel je de ingeboren natuur van de dingen, net zoals je wanneer je met touwen en knopen, lijm en lak, dingen vastmaakt je hun eigen natuurlijke werking belemmert. En zo is het ook met al dat knielen en buigen, met al die riten en die muziek, met al die stralend lachende gezichten van de menslievende en rechtvaardige personen die de harten van de hele wereld willen verwarmen: ze vernielen onze duurzame eigenheid. (137)


Niemand weet waarom

Met deze duurzame eigenheid bedoel ik dat wat krom is niet krom gemaakt is met een zweihaak, noch wat recht is met de loodlijn, noch wat rond is met de passer en wat vierkant is met de winkelhaak. Geen lijm of lak die ze vastmaakt, geen touwtje dat ze aan elkaar bindt. Want in deze wereld wordt de een na de ander geboren, maar niemand weet waarom, en allen krijgen wat ze krijgen zonder te weten waarom. Dat was vroeger al zo, en vandaag is het niet anders; daar kun je niets aan afdoen. Waarom dan moeten medemenselijkheid en gerechtigheid steeds maar hun spelletjes spelen met hun verbindingen te leggen, als met lijm en tao, tussen de Tao en de deugd, en zo de grootste verwarring in de wereld brengen? (137)


De ‘Wijze’

Laten we eens proberen om er verder op in te gaan: sinds de drie dynastieën is er niemand op aarde wiens aard niet om de een of andere zaak verander is. Kleine lieden worden het slachtoffer van hun winstbejag, lieden van stand van hun goede naam, edellieden ter wille van hun familie, en de Wijze maakt zichzelf tot slachtoffer voor het welzijn van de wereld. Hoewel al deze mensen niet hetzelfde nastreven en ook niet dezelfde reputatie genieten, schaden ze toch allemaal op dezelfde manier hun ingeboren aard door zich op te offeren. (138)


Waarom

Bo Yi stierf ter wille van zijn goede naam aan de voet van de Shouyang-berg, en Rover Voetpad stierf ter wille van de buit op de top van de berg van het oosten. Hoewel ze dus om verschillende redenen stierven, moesten ze toch met hun leven boeten voor de schade die ze aan hun eigen aard hadden gedaan. Dan vraag ik me af waarom we zo nodig Bo Yi moeten prijzen en Rover Voetpad moeten misprijzen! (139)


Naar jezelf luisteren

Ik noem iemand pas goed horend als hij naar zichzelf luistert, in plaats van naar anderen. En datzelfde geldt voor goed zicht. Want als je niet naar jezelf kijkt maar alleen naar de ander, niet acht op wat je zelf hebt maar op dat wat anderen hebben, dan krijg je uiteindelijk ook wat anderen krijgen, en nooit je eigen voldoening. Eveneens, als je je altijd aanpast bij wat anderen past en niet bij wat jezelf past, dan schik je je uiteindelijk naar wat geschikt is voor anderen, en nooit naar wat geschikt is voor jezelf. (140)


Verenigd in hun niet-weten

Ja, in het tijdperk van de hoogste deugd konden de mensen met de wilde dieren samenwonen, en alle rassen van de tienduizend schepsels waren gelijk. Hoe zou men dan nog verschil maken tussen ‘hogere mensen’ en ‘minderwaardige lieden’? Verenigd in hun niet-weten verloren ze nooit de deugd. Verenigd in het niet-begeren behielden ze wat je noemt hun simpele onbehouwenheid. Ja, simpele onbehouwenheid, dat was de ware aard van het volk. (142)


Met veel kabaal

Maar toen kwam de Wijze en begon te zeuren over medemenselijkheid en zich druk te maken over gerechtigheid, zodat voor het eerst twijfels kwamen in de wereld. Met veel kabaal maakte hij muziek, en met allerlei rare regels maakte hij rituelen, zodat er voor het eerst onderscheiden kwamen in de wereld. Daarom zeg ik: zolang het hout onbehouwen blijft, hoe kunnen er offerschalen van gemaakt worden? Zolang de witte jade niet gekloven wordt, hoe kunnen er ceremonietabletten van gemaakt worden? (143)


Zonder zich af te vragen

In de verre tijden van Hexu verbleven de volken soms op een plaats zonder zich af te vragen wat ze er deden, en dan trokken ze weer verder zonder zich af te vragen waarheen. Ze vulden hun mond met voedsel en waren vrolijk, en trommelden op hun volle buik om zich te vermaken. Dat was alles waartoe ze in staat waren. Maar toen kwam de Wijze en begon ze om te buigen en te breken met muziek en rituelen teneinde de vorm van de wereld te verbeteren. Hij leurde met zijn medemenselijkheid en zijn gerechtigheid om daarmee de harten van de wereld te bedwelmen. Sinds die tijd zijn de mensen begonnen op hun tenen te staan uit weetgierigheid, en te vechten om wie het meeste profijt kon trekken, en dat is nooit meer opgehouden. Ook dat is de schuld van de Wijze. (144)


Ten gerieve van de rover

Om je te beschermen tegen dieven die je koffers openbreken, in je tassen graaien en je kasten forceren, ben je wel genoodzaakt om er touwen en riemen om te doen, en ze vast te maken met klampen en sloten. Dat wordt in de volksmond ‘wijs’ genoemd. Maar komt er een reusachtige rover, die de kast op z’n rug neemt, en de koffers en tassen aan een draagstok over z’n schouder, dan is die alleen maar bang dat de touwen, riemen, klampen en sloten niet stevig genoeg zullen zijn! Is het dan niet zo dat zij die we daarnet nog wijs noemden, eigenlijk hun zaakjes goed hadden opgeborgen ten gerieve van die grote rover? (145)


Een grote wijze man

Laat ik eens proberen hier verder op in te gaan. Als we ons kunnen afvragen of diegene die door iedereen voor wijs wordt aangezien, eigenlijk zijn zaakjes bijeenbrengt ten gerieve van een grote dief, kunnen we dan ook niet opperen dat degene die voor een grote wijze man wordt aangezien, eigenlijk degene is die grote rovers in stand houdt? (145)


Als alle wijze mannen dood zijn

Als de bergstromen droog zijn, blijven de rivieren leeg. Als de heuvels worden genivelleerd, raken de afgronden vol. Als alle wijze mannen dood zijn, dan komen er ook geen grote dieven meer. De hele wereld zal in vrede leven, zonder dat er ernstige voorvallen zullen plaatsvinden. (148)


Steel een land

Maak je schepels en mudden om mee te meten, dan zul je met schepels en mudden worden bedrogen.
Maak je weegschalen en gewichten om mee te wegen, dan zul je met weegschalen en gewichten worden bedrogen.
Maak je insignes en zegels om mee te waarmerken, dan zul je met insignes en zegels worden bedrogen.
Bevorder je menslievendheid en gerechtigheid om de wereld in rechte banen te leiden, dan zul je met menslievendheid en gerechtigheid worden bedrogen.
Hoe weet ik dat dit zo is? Steel een riemgesp en je wordt terechtgesteld. Steel een land en je wordt een edelman. (148)


Totaal chaotisch

De essentie van de allerhoogste Tao
Is dieper dan diep, duister en nog eens duister!
De apex van de allerhoogste Tao
Is totaal chaotisch en zwijgzamer dan zwijgzaam. (159)


Wijde Weetniet

De Wolkenaanvoerder reisde eens naar het oosten en passeerde daar de takken van de Fuyao-boom. Daar kwam hij ineens Wijde Weetniet tegen. Die was net bezig zich te vermaken door te huppelen als een musje en zich daarbij op de billen te slaan. De Wolkenaanvoerder stopte onmiddellijk, bleef stokstijf staan, en riep: ‘Oude heer! Wie bent u? Wat doet u?’
Wijde Weetniet ging door met te huppelen als een musje en met zichzelf op de billen te slaan, en antwoordde: ‘Ik amuseer me!’
‘Ik zou u graag een vraag willen stellen,’ zei de Wolkenaanvoerder.
Wijde Weetniet lichtte zijn hoofd op en keek naar boven naar de Wolkenaanvoerder, en riep: ‘Ach!’
‘De Qi van de hemel is uit zijn doen, de qi van de aarde is helemaal verstopt, de zes energieën zijn uit hun evenwicht geraakt, de vier jaargetijden zijn in de war. Mijn wens is nu de essentiële krachten van de zes energieën weer bij elkaar te voegen om al wat leeft te doen groeien. Hoe kan ik daarin slagen?’ vroeg de Wolkenaanvoerder.
Al huppelend als een musje en zichzelf op de billen slaand liep Wijde Weetniet weg. Hij draaide zijn hoofd om, en riep: ‘Ik weet het niet! Ik weet het niet!’ (161)


Wat voor kennis kan ik dan bezitten?

En zo bleef de Wolkenaanvoerder met zijn vraag zitten. Na drie jaar op zijn toch naar het oosten passeerde hij het gebied van Song. Daar kwam hij plotsklaps opnieuw Wijde Weetniet tegen. De Wolkenaanvoerder was zeer verheugd. Met snelle tred liep hij op hem toe, en riep: ‘Hemelse meester, bent u me vergeten? Hemelse meester, bent u me vergeten?’ Hij boog herhaaldelijk en knielde neer, en smeekte Wijde Weetniet zijn vragen te beantwoorden. Wijde Weetniet sprak:

‘Ik zwerf hier en daar,
Zonder te weten wat ik zoek.
Wild en ongebreideld
Weet ik niet waar ik ga.
Ik vermaak me, zonder doel,
En aanschouw daarmee het eindeloze.
Wat voor kennis kan ik dan bezitten?’ (162)


Ook niet de ziel

Laat lijf en ledematen wegvallen,
Spuug uit, je intelligentie,
Vergeet de dingen en hun ordening,
In volle eenheid met de diepe duisternis,
Bevrijd je hart, laat los je geest,
Er is niets meer, ook niet de ziel. (163)


In de grote gelijkheid

Wat de grote mens ons leert is als de schaduw met betrekking tot de vorm, als de echo met betrekking tot de stem. Vraag en u krijgt antwoord. Met zijn diepste gevoel begeleidt hij de noden van de hele wereld. Hij verblijft zonder echo op te wekken. Hij gaat zonder richting te kiezen. Hij leidt u weg uit de steeds heen en weer gaande rusteloze kringloop, om met u te gaan zwerven in het oneindige. Hij komt en gaat zonder hindernissen, als de zon vernieuwt hij zich dag na dag, zijn voorkomen en zijn lichaam zijn in volkomen harmonie met de grote gelijkheid. In de grote gelijkheid is er geen ‘ik’; zonder ‘ik’, hoe kan iets wat men ‘zijn’ noemt zijn? Hij die het ‘zijn’ aanschouwt is de heer van voorheen. Hij die het ‘niet-zijn’ aanschouwt is de vriend van hemel en aarde. (165)


Dat leven en dood hetzelfde zijn

Wie dat heeft bereikt, laat het goud liggen in de bergen, de parels in de zee, zoekt geen profijt in de handel, gaat niet om met adellijke of rijke lieden. Zo een iemand verheugt zich niet wanneer hij lang leeft, en klaagt niet als hij vroegtijdig komt te sterven. Hij acht succes geen reden voor faam, noch vindt hij armoede beschamend. Hij zal nooit de winst van iedereen als zijn eigen persoonlijke deel beschouwen, noch zal hij koning zijn over het rijk zien als zijn eigen verworvenheid. Zijn verworvenheid ligt in zijn verlicht besef dat de tienduizend dingen alle één huis delen, en dat leven en dood in wezen hetzelfde zijn.’ (168)


Beeldloos

De Gele Keizer reisde eens ten noorden van het Rode Water. Daar beklom hij de Kunlun-berg om ver uit te kijken in de zuidelijke richting. Bij zijn terugkeer had hij zijn duistere parel verloren. Hij liet Kennis ernaar zoeken, maar deze vond hem niet. Hij vroeg Li Zhu ernaar te zoeken, maar dat was eveneens vergeefs. De Redenaar moest ernaar zoeken, maar vond hem ook niet. Toen liet hij Beeldloos ernaar zoeken, en die vond hem. ‘Wat vreemd!’ zei de Gele Keizer, ‘dat Beeldloos degene was die hem kon vinden!’ (170)


Net alsof je onnozel was

In de leegte vind je het grote.
Tjirp en kwinkeleer samen,
En in dit samen tjirpen en kwinkeleren
Kom je samen met hemel en aarde.
Dit samenzijn is o zo knus,
Net alsof je onnozel en doezelig was.
Dit is wat de mysterieuze deugd genoemd wordt:
Die meegaat met de grote stroming. (174)


Verdwijnen in de chaos

Zijn geest rijdt op een straal van licht,
Verdwenen is zijn aardse vorm;
Dit wordt genoemd de weidse uitstraling.
Met het hoogste mandaat neemt zijn eigen aard een einde.
Hemel en aarde zijn verheugd; de tienduizend zorgen zijn verdwenen,
De gehele schepping keert terug tot haar oorspronkelijke natuur;
Dit wordt genoemd het verdwijnen in de chaos. (180)


De oplossing

Waarachtig, liefde en haat, vertier en seks branden hen op van binnen, terwijl leren kappen en vederhoeden, audiëntietabletten, lange sjerpen, mantels en andere hofkledij hen van buiten vastbinden. Van binnen zijn ze met schotten gebarricadeerd, van buiten met talloze koorden geboeid. Met uitpuilende ogen kijken ze vanuit hun geboeide toestand, en houden vol dat ze de oplossing hebben gevonden. Als dat zo is, dan kun je ook zeggen dat geboeide en aan elkaar geketende misdadigers, zowel als gevangen tijgers en luipaarden in hun kooien de oplossing hebben gevonden! (184)


De hoogste medemenselijkheid

Tang, de grootwaardigheidsbekleder van Shang, richtte zich eens tot Zhuang Zi om hem te ondervragen over de medemenselijkheid.
‘Tijgers en wolvan zijn medemenselijk,’ antwoordde Zhuang Zi.
‘Hoe dat zo?’
‘Vaders en zonen erkennen hun wederzijdse verwantschap; is dat geen medemenselijkheid?’
‘En wat is de hoogste medemenselijkheid?’
‘De hoogste medemenselijkheid erkent geen verwantschap,’ zei Zhuang Zi. (195)


Je zult het nooit begrijpen

Je mag erover willen nadenken, maar je kunt het nooit begrijpen; je mag ernaar willen kijken, maar je zult het nooit zien; je mag het willen najagen, maar je zult het nooit bereiken. (199)


Mijn hart heeft zich uitgeput

Met een vrij gevoel leun ik op mijn armsteun en zing ik. Mijn hart heeft zich uitgeput in het willen begrijpen, mijn ogen zijn uitgeput van het willen zien, mijn kracht is gebroken in het willen najagen, maar nooit ofte nimmer zal ik het bereiken. (199)


In het duister van het mysterie

Wouden van muziek, en geen enkele vorm,
Overal verspreid, maar niet uitgerekt,
Obscuur en donker, zonder klanken,
De bewegingen zijn zonder richting,
Verblijvend in het duister van het mysterie.
Soms wordt hij dood geheten,
Soms levend;
Soms ziet men hem als de kern,
En soms als de uiterlijke glans.
Stromend verspreiden de klanken zich overal,
Zonder te beantwoorden aan gewone tonen. (200)


Eindeloos gevarieerd

Want de omvang van de dingen is eindeloos, hun kringloop houdt nimmer op, hun levenslot is onbestendig, en het is onzeker wanneer ze begonnen zijn en wanneer ze eindigen. Daarom, wanneer we vanuit de grote kennis de dingen beschouwen in hun relatieve verwijdering of nabijheid, dan zien we dat wat klein is niet noodzakelijkerwijs ontoereikend is, noch dat wat groot is meer dan voldoende is, en beseffen we dat hun afmetingen eindeloos gevarieerd zijn. (222)


Onbestendig en onbepaalbaar

En wanneer we zo het heden en verleden doorvorsen, dan rouwen we niet om wat voorheen gebeurd is, noch zijn we gebrand op wat er nu gebeurt, want we zijn ons bewust dat de kringloop van de tijd nooit ophoudt. Beoordelen we ze vanuit het oogpunt van hun bloei of hun verval, dan zijn we niet verheugd over hun slagen, noch teleurgesteld over hun falen, want we weten hoezeer het lot onbestendig is. En wanneer we kijken naar hun levenspad, dan verheugen we ons niet bij een geboorte, noch rouwen we bij een sterfte, want we weten dat begin en einde niet kunnen worden bepaald. (223)


Het spoor bijster

Berekenen we alles wat de mens weet, dan constateren we dat het geenszins opweegt tegen alles wat we niet weten. Kijken we naar de duur van zijn leven, dan zien we dat die verre tekortschiet in vergelijking met de tijdsduur die verstreken is voor zijn geboorte. We willen vanuit een uiterst nietige positie een immens groot gebied doorgronden, en daarom raken we volkomen het spoor bijster en zijn niet in staat tot één enkel goed resultaat te komen. Wanneer we alles vanuit dit standpunt bezien, hoe kunnen we dan nog volhouden dat het puntje van een klein haartje het toppunt van kleinheid is of dat hemel en aarde de allergrootste ruimtelijke dimensie is die er bestaat? (223)


Geen onderscheid

Wanneer je de dingen vanuit het gezichtspunt van de Tao beschouwt, dan bestaat daartussen geen onderscheid van waardevol of minderwaardig. Maar wanneer je er vanuit de dingen zelf tegenaan kijkt, dan zijn ze zelf waardevol en maken ze elkaar wederzijds voor minderwaardig uit. (224)


Groot en klein

Kijk je naar de verschillen die er tussen de dingen bestaan en neem je hun relatieve grootte tot richtsnoer, dan zul je zien dat alle dingen op de een of andere manier wel groot zijn; kijk je naar ze vanuit hun kleinheid, dan zijn ze allemaal klein. Als je bedenkt dat hemel en aarde evenredig zijn aan een graankorrel, dan concludeer je dat het puntje van een haartje zo groot is als een berg, want zo gaat het nu eenmaal wanneer je de dingen bekijkt om hun verschillen te becijferen. (224)


Wel of geen functie

Benader je de dingen vanuit hun functie, en kijk je naar wat voor functie ieder ding heeft, dan zul je zien dat alle dingen op de een of andere manier wel een functie hebben. Kijk je naar het ontbreken van functie, dan hebben ze er allemaal geen. Als je bedenkt dat oost en west elkaars tegengestelde zijn en dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan, dan heb je ze gedefinieerd in termen van hun functie. (225)


Wel of niet leuk

Benader je de dingen vanuit het oogpunt van wat je leuk vindt, en kijk je wat er in ieder ding leuk is, dan zul je zien dat alle dingen op de een of andere manier wel leuk zijn. Kijk je in welk opzicht ze niet leuk zijn, dan zijn ze ook allemaal niet leuk. En als je dan weet dat Yao zowel als Jie zichzelf goed vond terwijl ze de ander afkeurden, dan begrijp je wat het resultaat is wanneer je de dingen bekijkt vanuit het standpunt van wat je leuk vindt. (225)


Geen garantie

In vroeger tijden deed Yao afstand van zijn troon ten gunste van Shun, en zo werd deze koning. Later deed Kuai hetzelfde voor zijn minister Zhi, maar die ging eraan ten onder. Tang en Wu kwamen door strijd aan de macht. Maar toen hertog Bai hetzelfde deed werd hij verslagen. Hieraan kun je zien dat het je opstellen als een vechtersbaas of als een zelfzuchtig mens – je te gedragen als een Yao of als een Jie – op het ene moment kan leiden tot een hoge positie en op het andere tot verguizing. Niets kan in dit opzicht als een onwrikbare norm gelden. (225)


Onmogelijk

Wanneer er gezegd wordt: “Waarom volgt u dan niet datgene wat juist is en verwerpt u niet datgene wat onjuist is? Waarom richt u zich niet naar dat wat ordelijk is en verwerpt u niet al wat onordelijk is?”, dan toont dat een wanbegrip van de grondslagen van hemel en aarde en van de hoedanigheden van al wat bestaat. Dergelijke uitspraken komen overeen met te zeggen: “Volg de hemel en verwerp de aarde!” of “Volg het yin maar verwerp het yang!” Het is duidelijk dat zoiets onmogelijk is. (226)


Onpartijdig

Wat is waardevol? Wat is minderwaardig?
Ze wisselen elkaar af.
Hang niet aan wat je wilt,
Want dat verhindert ten enen male de werking van de Tao.

Wat is weinig? Wat is veel?
Ze zijn maar betrekkelijk.
Houdt niet halstarrig vast aan een doel,
Want dat verwijdert je van de Tao.

Wees zo ernstig
Als de heer van het land:
Onpartijdig in zijn machtsvertoon.
Wees zo statig
Als de priester die offert op het altaar:
Onpartijdig in zijn zegening.
Wees zo ruimdenkend
Als de oneindige vier windrichtingen,
Die nergens begrensd of beperkt zijn.

Sluit al de tienduizend dingen in je hart,
Koester ze, en behoed ze allemaal.
Dat is “geen voorkeur tonen”.
De tienduizend dingen zijn allemaal gelijk,
Geen onderscheid van “lang” en “kort”. (227)


Eén ding is zeker

Het leven van de schepsels is niets anders dan rennen en vliegen, bij elke beweging wordt alles gewijzigd, op elk moment worden de dingen anders. Wat moet je doen? Wat moet je nalaten? Eén ding is zeker: alles zal vanzelf veranderen. (228)


Jaloers

De kui* benijdde de duizendpoot, en die was weer jaloers op de slang; de slang benijdde de wind, de wind het oog, het oog het hart. (229)

* kui: legendarisch wezen met één been


Dat is mijn lot

Toen Confucius zich eens te Kuang bevond, werd hij omsingeld door de mannen van Wei. Ze stelden zich een paar rijen dik rondom hem op, terwijl hijzelf rustig doorging op zijn luit te spelen.
‘Hoe kunt u zich onder deze omstandigheden nog vermaken?’ vroeg zijn discipel Zilu.
‘Kom eens hier!’ zei Confucius, ‘dan zal ik je wat vertellen. Lang heb ik getracht moeilijkheden te vermijden. Dat ik daar niet in geslaag ben, dat is mijn lot. … Hou je dus maar kalm, mijn beste You. Mijn lot is reeds bepaald.’
Korte tijd daarop kwam de aanvoerder op bezoek en verontschuldigde zich. ‘We zagen u aan voor Yang Hu, daarom hebben we u omsingeld. Nu weten we dat we ons vergist hebben. Staat u mij toe me te verontschuldigen. We trekken ons terug.’ (231)


Verzinken in het onpeilbare

Zojuist maakte hij een sprong in de diepte naar de gele bronnen.
Om daarna op te klimmen naar de grote Poolster.
Zonder zich erom te bekommeren of hij nu zuidwaarts of noordwaarts gaat,
Gaat hij vrij en blij, zonder belemmeringen, in alle richtingen.
Hij laat zich verzinken in het onpeilbare,
Daar waar noch oost noch west meer betekenis heeft.
Hij vindt zijn oorsprong in de duisternis van het mysterie,
Om zo terug te keren naar de grote doorstroom. (233)


Akelig?

Meneer Gedrocht en Meneer de Malle aanschouwden de heuvel van de Heer der Duisternis en ook de toppen van de Kunlun, daar waar de Gele Keizer rust. Opeens groeide er een gezwel op de arm van Meneer de Malle. Hij schrok ervan een keek niet vrolijk. ‘Vind je het akelig?’ vroeg Meneer Gedrocht. ‘Welnee!’ antwoordde Meneer de Malle. ‘Wat zou ik daar nou akelig aan vinden? Leven is niets anders dan lenen. Dat wat we lenen om te leven is stof. Leven en dood zijn als dag en nacht. Hier zijn we om de kosmische veranderingen te aanschouwen, en nu ben ik het zelf die aan verandering onderhevig is. Wat zou ik daar nou akelig aan vinden?’ (239)


Ben ik nou echt blij?

Lie Zi was eens op reis en zat aan de kant van de weg te eten. Daar zag hij een honderd jaar oude schedel. Hij haalde het onkruid rondom weg, wees ernaar, en zei: ‘Alleen jij en ik weten dat je nooit “dood” bent gegaan, nooit “levend” bent geweest. Ben jij nou echt verdrietig? Ben ik nou echt blij?’ (242)


Vergeten wat goed voelen is

Als je schoenen goed passen vergeet je je voeten; als je riem goed zit, dan denk je niet aan je middel; als je je in je hart lekker voelt, dan denk je niet aan ‘welles’ of ‘nietes’. En als je relatie tot de wereld goed zit, dan hoef je van binnen niet te veranderen en ook niet de buitenwereld na te volgen. En je zo goed voelen dat je zelfs vergeet wat goed voelen is, dat krijg je pas wanneer je in je allerdiepste zelf goed zit en nooit ofte nimmer daarvan afwijkt. (254)


Laat je nooit vastzetten

Geen lof, geen blaam;
Nu eens draak, dan weer slang;
Verander met de tijd mee,
Laat je nooit vastzetten in één manier van doen;
Soms hoog, dan weer laag,
Afhangend van wat het beste overeenkomt met de omstandigheden. (256)


Waar kan men houvast vinden?

Al wat verenigd is wordt gescheiden;
Wat volkomen is wordt vernield;
Wat nederig is wordt vertrapt;
Wat verheven is wordt bekritiseerd.
Zij die handelen worden de dupe,
Die wijs zijn worden tegengewerkt,
Die vroom zijn worden bedrogen.
Helaas! Waar kan men ergens houvast vinden? (256)


Iemand die zichzelf kan leegmaken

Als iemand in een vierkante veerbak een rivier oversteekt en een lege boot botst tegen hem op, dan wordt hij niet boos, ook al is hij misschien wel een humeurig persoon. Maar als er iemand in die boot zit, dan gaat onze veerman schreeuwen dat hij afstand moet bewaren. En als de eerste schreeuw niet wordt gehoord, dan volgen er een tweede en een derde, en daarna, als er nog steeds geen gehoor wordt gegeven, volgen er lelijke woorden. Eerst werd hij niet kwaad, en nu wel: dat komt alleen omdat eerst de boot leeg was, en nu vol! Iemand die zichzelf kan leegmaken en zo in de wereld rondzwerven, wie zou die ooit kunnen deren?’ (259)


Blindelings en op de tast

Onnozel ben ik: ik weet niets;
Dom ben ik: laks en besluiteloos;
Blindelings, op de tast,
Volg ik al wat komt of gaat.
Wie komt houd ik niet tegen,
Wie gaat houd ik niet terug;
Ik berust in hun zelfingenomenheid,
Ik volg hen in hun grillen,
Net zo lang tot ze er zelf mee ophouden. (260)


Hoezo?

Jianwu zei tegen Sunshu Ao: ‘Drie keer was je eerste minister, zonder op je glorie prat te gaan, en drie keer werd je ontslagen, zonder maar een spoor van verdriet te tonen. Ik had daar eerst mijn twijfels over, maar nu ik hier neus aan neus met je sta en zie dat je zo rustig en tevreden bent, vraag ik me af over welke bijzondere geestelijke discipline je beschikt.’
‘Hoezo zou ik beter zijn dan anderen? Toen dit op mij afkwam vond ik dat ik niet kon weigeren, en toen ik werd ontslagen wist ik dat ik dit niet kon tegenhouden. Succes en falen hangen niet van mij af, vind ik, en daarom trok ik geen droevig gezicht; dat is alles! Hoezo zou ik beter zijn dan anderen? Bovendien weet ik niet of dit succes of falen aan het ambt lag of aan mijzelf. Als het aan dat ambt lag, dan had het met mijzelf niets te maken; en als het aan mezelf lag, dan het het met dat ambt niets te maken! Zo voel ik me pas gelukkig en tevreden, en heb ik geen tijd om me te gaan bezighouden met wat de mensen als eervol of verachtelijk beschouwen.’ (278)


Doeniet de Zwijger

Kennis reisde eens naar het noorden, naar de oevers van het Duistere Water. Aldaar beklom hij de Onzichtbare Heuvel en liep daar Doeniet de Zwijger tegen het lijf.
‘Ik zou je wat vragen willen stellen,’ zei Kennis tegen Doeniet de Zwijger: ‘Wat te denken en wat te overwegen om de Tao te kennen? Waar te verblijven en waar je te verschuilen om in de Tao te rusten? Welk spoor te volgen, welke weg te kiezen om de Tao te bereiken?’ Drie vragen, maar Doeniet de Zwijger gaf geen antwoord. Niet dat hij niet wilde antwoorden – hij wist niet te antwoorden. (280)


Dolle warhoofd

Kennis bleef dus met zijn vragen zitten. Hij maakte rechtsomkeert en liep naar het Lichte Water in het zuiden. Daar aangekomen beklom hij het Vossenhol, en bespeurde Dolle Warhoofd. Kennis stelde hem dezelfde vragen, en Dolle Warhoofd zei: ‘Ha! Ik weet het, hoor! Ik zal het je vertellen!’ Maar net toen hij iets wilde gaan zeggen vergat hij wat hij wilde zeggen. (280)


De Gele Keizer

Kennis bleef dus opnieuw met zijn vragen zitten. Hij maakte rechtsomkeert en ging naar het voorvaderlijk paleis om daar zijn opwachting te maken bij de Gele Keizer en hem zijn vragen te stellen. De Gele Keizer sprak: ‘Denk niet, overweeg niets; dan pas kun jde Tao kennen. Verblijf nergens, verschuil je nergens; dan pas kun je in de Tao rusten. Volg geen spoor, kies geen weg; dan pas kun je de Tao bereiken. (280)


Wie weet

Toen vroeg Kennis aan de Gele Keizer: ‘Jij en ik weten het nu, terwijl die twee het niet weten. Wie heeft het nu eigenlijk bij het rechte eind?’ ‘Doeniet de Zwijger heeft het echt bij het rechte eind,’ antwoordde de Gele Keizer. ‘Dolle Warhoofd komt er dichtbij. Wat jou en mij betreft, wij zijn er nog helemaal niet! Want zoals je weet: “Wie weet spreekt niet; wie spreekt weet niet.” (281)


Omdat we het weten!

‘Ik ondervroeg Doeniet de Zwijger,’ zei Kennis tot de Gele Keizer, ‘maar hij gaf geen antwoord. Niet dat hij niet wilde antwoorden – hij wist niet te antwoorden. Ik ondervroeg eveneens Dolle Warhoofd, maar juist toen hij me iets wilde gaan zeggen hield hij op. Niet dat hij niet wilde antwoorden – maar midden in zijn betoog vergat hij wat hij wilde zeggen. En nu heb ik jou ondervraagd, en jij wist het. Hoe kan het dan dat je er nog helemaal niet bent?’
‘De eerste had het echt bij het rechte eind,’ antwoordde de Gele Keizer, ‘omdat hij het niet wist. De tweede kwam er dichtbij, omdat hij het vergeten was. De reden waarom jij en ik er nog helemaal niet zijn, is omdat we het weten!’ (282)


Als een pasgeboren kalf

De Tao zal in jou zijn verblijf vinden;
Zo, wezenloos voor je uit starend, word je als een pasgeboren kalf,
En zoek je niet langer naar de reden waarom! (284)


Donker! Duister!

Als uitgedroogd hout, zijn lichaam!
Als uitgedoofde as, zijn hart!
Waarachtig is zijn geconcentreerde bewustzijn,
Het waarom der dingen houdt hem niet langer bezig.
Donker! Duister!
Zijn geest is weg. Je kunt niet meer met hem praten.
Ja! Wat een mens is dat! (284)


Niet van jezelf

Eens vroeg Shun aan zijn minister: ‘Is het mogelijk de Tao te verkrijgen en te behouden?’
‘Je eigen lichaam is niet van jezelf; hoe zou je dan de Tao kunnen behouden?’
‘Als mijn eigen lichaam niet van mezelf is, aan wie behoort het dan toe?’
‘Dat is een vorm die je door hemel en aarde is toevertrouwd. Ook je leven is niet van jezelf: dat is een samenvoeging die door hemel en aarde aan je is toevertrouwd. Het je door de natuur toebedeelde lot is ook niet van jezelf, dat is slechts een door hemel en aarde aan je toevertrouwde levensloop. En evenmin zijn je kinderen en kleinkinderen van jezelf. Dat zijn slechts je door hemel en aarde toevertrouwde wedergeboren schepsels. Daarom loop je zonder te weten waar je heen gaat, verblijf je zonder te wetten wat je behoudt, eet je zonder te weten wat je proeft, want alles bestaat uit de yin-qi en de yan-qi van hemel en aarde; hoe zou je die kunnen verkrijgen en behouden?’ (285)


Als een lichtstraal

Het leven van de mens tussen hemel en aarde is als een lichtstraal die door een opening in de muur valt: een ogenblik en het is voorbij. Stromend en barstend komt alles te voorschijn; glijdend en vloeiend gaat alles weer naar binnen. Een verandering en hij leeft; nog een verandering en hij is dood. (287)


Het gestaltloze

De gestalte van dat wat geen gestalte heeft is het gestalteloze in elke gestalte; dat is universeel onder de mensen bekend. En dat men dit niet als een ‘ding’ kan benaderen, dat is iets waar de menigte in het algemeen over discussieert. Maar waar het om gaat is niet met discussies te benaderen, want met discussies kom je er niet. Hoe helder je ook uit je ogen kijkt, je kunt het niet zien; hoe goed je ook redeneert, je kunt beter zwijgen. Je kunt niets over de Tao horen, en dus doe je er maar beter aan je oren dicht te houden. Zo te handelen, dat heet: “het hoogste bereiken”. (287)


In het land van niemendal

Kom mee! Laten we gaan zwerven in het land van niemendal, en laten we alle discussies op een hoop gooien, want die zijn immers eindeloos. Dan gaan we samen proberen niets te doen, in rust en stilte, in vrede en zuiverheid, in harmonie en vrijheid. Reeds heb ik geen bepaalde bedoeling meer en geen reisdoel; ik weet niet waarheen dit pad voert en ik weet niet wat ik ga bereiken, ik kom en ga, en weet niet waar ik zal stoppen. Ik ben er al geweest en ook weer teruggekomen, zonder me rekenschap te geven waar het allemaal ophoudt. Ik zwerf hier en daar in een eindeloze ruimte. (288)


Niet kennen is diep

Op een dag vroeg Hoogste Zuiverheid aan Eindeloos: ‘Ken jij de Tao?’
‘Ik ken hem niet,’ antwoordde Eindeloos.
Toen Hoogste Zuiverheid het ook aan Doeniet vroeg, zei deze: ‘Ik ken de Tao.’
‘Om de Tao te kennen, heb je daarvoor een bepaald middel?’
‘Jazeker!’
‘Waar bestaat die vaardigheid dan uit?’
‘Ik ken de Tao in zijn verhevenheid en in zijn laagheid; in zijn gebundeld-zijn en in zijn verspreiding. Dat is het middel dat mij in staat stelt de Tao te kennen.’
Hoogste Zuiverheid vertelde dit aan Geen Begin, en vroeg daarop: ‘Wie heeft het nu bij het juiste eind: Eindeloos, die hem niet kent, of Doeniet, die hem wel kent?’
‘Niet kennen is diep, en wel kennen is oppervlakkig. Niet kennen raakt het innerlijke, en wel kennen alleen de buitenkant,’ antwoordde Geen Begin.
‘Niet kennen is dus het [ware] kennen,’ zei Hoogste Zuiverheid, en keek naar boven met een zucht. ‘En echt kennen is dus niet kennen! Maar wie heeft de kennis van het niet kennen?’ (290)


In de Grote Leegte

Hij die op de vraag naar de Tao antwoord geeft, kent de Tao niet. Hij die desalniettemin naar de Tao vraagt, zal eveneens niets over de Tao vernemen. Over de Tao valt niets te vragen, en op zulke vragen valt niets te antwoorden. Vragen stellen waar niets te antwoorden valt is waardeloos. Waardeloze antwoorden geven op zinloos gevraag, zij die dat doen hebben nooit hun blik naar buiten gericht om het heelal te aanschouwen, noch binnen zichzelf gezocht naar de kennis van de Grote Oorsprong. En daarom zullen zij nimmer oversteken naar de Kunlun, om daar te gaan rondzwerven in de Grote Leegte. (291)


Deze volkomen negatie

Helder licht vroeg aan Niemendal: ‘Besta jij eigenlijk wel? Of niet misschien?’
Niemendal gaf geen antwoord.
Helder Licht, onbevredigd, keek met grote inspanning of hij Niemendals gestalte kon zien, maar alles wat hij kon ontwaren was duistere leegte. De hele dag zat hij te turen, maar zonder iets te zien; luisterde hij, maar zonder iets te horen; tastte hij in het rond, maar zonder iets te voelen.
‘Dit is wel het toppunt!’ sprak Helder Licht. ‘Wie kan dit evenaren? Dat dingen bestaan, dat snap ik. Maar deze volkomen negatie van wat dan ook, die kan ik niet bevatten. En toch heeft hij deze staat bereikt. Hoe zal ik hem ooit kunnen navolgen en een dergelijke perfectie bereiken!’ (292)


Gemengde geschriften


Help!

Als ik het allemaal niet begrijp, dan vinden de mensen me een stom varken. En als ik het wel begrijp, dan doe ik mezelf verdriet aan. Ben ik zonder medegevoel, dan berokken ik anderen kwaad, en heb ik het wel, dan moet ik zelf de smart dragen. Ben ik onrechtvaardig, dan breng ik schade toe aan anderen. Ben ik wel rechtvaardig, dan doe ik mezelf weer verdriet aan. Hoe kan ik hieraan ontsnappen? (301)


Zonder te weten

Weet je van stilstaan?
Weet je van loslaten?
Het anderen niet aan te rekenen, maar het in jezelf te zoeken?
Kun je ongebreideld zijn?
Kun je onnozel zijn?
Kun je als een kind zijn?
Een kind dat de hele dag kan schreeuwen zonder een schorre keel te krijgen, zo volmaakt is zijn harmonie!
De hele dag zijn vuistjes ballen zonder kramp te krijgen, zo volkomen is zijn deugd!
De hele dag staren zonder met zijn ogen te knipperen, zo onbewogen is hij door uiterlijke dingen!
Gaan zonder te weten waarheen,
Staan zonder te weten waarom,
Soepel met alle dingen meebewegend,
Meedrijven op dezelfde golven;
Dat zijn de regels om gezond te blijven. (302)


Stilstaan bij wat je niet weet

Echt leren is leren wat je niet kunt leren; echt beoefenen is beoefenen wat je niet kunt beoefenen; echt discussiëren is discussiëren over wat je niet kunt bediscussiëren. Want ‘wie weet stil te staan bij wat hij niet weet, die heeft het allerhoogste bereikt’. (304)


Nergens iets over te zeggen

Pikdonker is ons leven, en uiterst versplinterd. Dat betekent dat we twijfelen. Proberen we aan onze twijfels uitdrukking te geven, dan zien we dat er nergens iets over te zeggen valt. Maar hoewel dit zo is, kun je toch niets over het hoofd zien. (307)


Welles en nietes

Laat ik eens proberen iets over dit twijfelen te zeggen: beschouwt men het leven als de basis van het bestaan en vertrouwt men op de kennis als zijnde de leermeester, dan krijg je die argumenten over ‘welles’ en ‘nietes’, en begin je onderscheid te maken tussen de naam en het ding. Dientengevolge beschouwt iedereen zichzelf als de standaard. En om de anderen zover te krijgen dat men als een onkreukbaar persoon wordt beschouwd, is men bereid te sterven teneinde deze reputatie te verkrijgen! Op die manier wordt degene die nuttig werk doet als intelligent beschouwd, en een nietsnut als een stommeling. Wie succesvol is krijgt een goede naam, en wie mislukt wordt vernederd. (308)


Geen verschil

Trap je op de markt op andermans voet, dan vraag je nederig om verontschuldiging. Maar betreft het je oudere broer, dan roep je ‘Au’ [uit medeleven]; en zijn het je eerwaarde ouders, dan laat je het maar zitten. Daarom zeg ik: de hoogste beleefdheid maakt geen onderscheid tussen de een en de ander, de hoogste gerechtigheid maakt geen verschil tussen dingen, de hoogste kennis bedenkt geen list, de hoogste medemenselijkheid kent geen verwantschap, het hoogste vertrouwen vermijdt alle goud. (308)


Staren in verwondering

Begrijpen is verbanden leggen, en inzicht wordt verkregen door zich te beraden. Maar als we ons rekenschap geven van wat we niet weten, dan staren we in verwondering. Handelen alleen wanneer het niet anders kan, dat mag handelen vanuit de deugd genoemd worden. Handelen zonder ‘ik’, dat kan de wereld op orde brengen genoemd worden. Deze twee definities lijken tegenstrijdig, maar in werkelijkheid stemmen ze met elkaar overeen. (309)


Lak

Alleen een worm kan een goede worm zijn, en dus is er ook een hemel voor goede wormen! Maar de allerhoogste mens heeft lak aan de hemel in het algemeen, en laak aan de hemel van de mensen in het bijzonder. En des te minder heeft hij het begrepen op degenen die hun eigen ideeën over de relatie tussen hemel en mensen te berde brengen. (310)


De geleerde, de redenaar en de onderzoeker

De geleerde: zonder veranderingen in het denken is hij niet gelukkig.
De redenaar: zonder onderwerpen voor discussies is hij niet gelukkig.
De onderzoeker: zonder kleine details is hij ongelukkig.
Dat is omdat ze allemaal vastzitten binnen de begrenzing van de dingen. (316)


De kennis van het niet-weten

Immers, wanneer de deugd zich bundelt in het een-zijn met de Tao, en de woorden verstillen in het niet-weten van onze kennis, dan wordt het allerhoogste bereikt. Hieruit volgt dat het een-zijn in de Tao niet door de deugd alleen bereikt wordt, en de kennis van het niet-weten niet door discussies kan worden verworven. Alles een naam geven, zoals de confucianisten en de mohisten dat doen, is verderfelijk. Maar zijn zoals de zee, die nooit het water dat oostwaarts in hem vliedt zal weigeren, dat is het allergrootste van het groot-zijn. (323)


Die zoekt niets

Want niets is groter dan hemel en aarde, maar wanneer zijn die zelf ooit gaan zoeken om hun grootheid te vervolmaken? Degene die de volledige grootheid kent, die zoekt niets, verwerpt niets, en verandert zichzelf nooit vanwege de dingen. Maar terugkerend tot zichzelf zal hij zich nooit uitputten, het pad van de ouden volgend zal hij zich nooit afmatten: dat is echt het bewijs dat iemand een groot mens is. (324)


Beperkte landjes

‘Bestaat er, volgens u, een limiet aan de vier windrichtingen, aan het zenit en aan het nadir?’
‘Nee, die zijn grenzeloos,’ antwoordde de vorst.
‘En beseft u dat wanneer we onze geest laten zwerven in deze eindeloze ruimtes en daarna weer terugkomen in onze beperkte landjes, we dan het gevoel hebben dat het er niet erg op aankomt of die er nu wel zijn of niet?’
‘Ja,’ zei de vorst.
‘En te midden van die beperkte landjes heb je Wei, en binnen Wei heb je Liang, en in Liang woont u, koning!’ (336)


De Grote Onzekerheid

Toen Qu Boyu zestig jaar was geworden, was hij al zestig keer veranderd. Niet één keer dat hij, nadat hij in het begin had gedacht dat het goed was, het ten slotte niet verwierp omdat hij vond dat het niet deugde. Je weet dus nooit of wat hij vandaag zegt dat goed is, in feite niet iets is dat hij al negenenvijftig keer heeft verworpen. De tienduizend dingen: ze leven, maar niemand ziet hun oorsprong; ze komen te voorschijn, maar niemand ziet waar vandaan. Alle mensen hechten waarde aan wat hun verstand kan bevatten, en niemand heeft de kennis die berust op wat het verstand niet kan bevatten, en die we wel de grote onzekerheid mogen noemen! Genoeg! Genoeg! In feite kun je daar niet aan ontsnappen, en komt het erop neer te zeggen: ‘Zo is het! – Is het zo?’ (339)


Waar alle theorieën ophouden

Yin en yang beantwoorden aan elkaar: als het ene afneemt, dan neemt het andere toe. De vier jaargetijden volgen elkaar op: als het ene komt, dan verdwijnt het andere. Begeerte en haat, weigering en aanvaarding gaan als zwengels op en neer, en het paren van mannelijke en vrouwelijke wederhelften wordt daarmee een algemeen verschijnsel. Veilig en gevaarlijk wisselen elkaar af, tegenspoed en geluk komen uit elkaar voort, spanning en ontspanning botsen tegen elkaar op, samenkomen en verspreiden vervolmaken elkaar. Hiervan kunnen de namen zowel als de werkelijkheid worden opgetekend, en tot in de kleinste details worden geregistreerd. De principes van de ordening en de opeenvolging der dingen, de wetmatigheid van hun kringproces, die maken dat wat uitgeput is zich muteert in zijn tegendeel, en dat elk einde ook een nieuw begin betekent, dat alles is inherent aan elk ding. Maar alles wat in woorden kan worden uitgedrukt, alles wat onze kennis kan bevatten, gaat niet verder dan “dingen”, en houdt dan op. De mens die de Tao aanschouwt speurt niet naar de plaats waar de dingen verdwijnen, noch zal hij zoeken naar de oorsprong vanwaar ze komen, want dit is de plaats waar alle theorieën ophouden. (343)


Dat hanen kraaien en honden blaffen

‘Van de twee filosofische scholen, die van Ji Zhen, die zegt “er was geen maker”, en die van Jie Zi, die beweert “iemand deed het”, welke geeft een juiste verklaring van de situatie, en welke heeft een onvolledig begrip van het principe?’ vroeg Weetbeetje?
‘Dat hanen kraaien en honden blaffen, dat weet iedereen,’ zei de Grote Overeenstemmer. ‘Maar zelfs zij die over de grootste kennis beschikken kunnen niet in woorden uitleggen waardoor het komt dat ze zo zijn geworden, en evenmin kunnen ze met hun verstand doorgronden hoe deze dieren zich later zullen gaan gedragen. Als je dat wilt gaan doorgronden, dan kom je al gauw tot zulke minutieus kleine deeltjes dat die nergens meer in kunnen worden uitgedrukt, of tot zulke reusachtig grote dimensies dat die nergens meer mee kunnen worden gemeten. Maar of je nu volhoudt dat er “geen maker” was of dat “iemand het deed”, je ontsnapt niet aan de limiet van de dingen, en zo beland je uiteindelijk bij verkeerde conclusies. Als “iemand het deed”, dan bestond er concrete materie; denk je dat er “geen maker” was, dan was alles leeg. (344)


Alleen maar veronderstellingen

Met namen en concrete materie ben je in het rijk der dingen. Zonder namen en zonder materie zijn er geen dingen, maar is er leegte. Je kunt erover praten en je kunt erover denken, maar hoe meer je erover praat, hoe verder je ervan af raakt. Wat alras geboren moet worden kan niet worden tegengehouden; wat alras moet gaan sterven kan niet worden teruggehouden. Leven en dood zijn niet ver van elkaar verwijderd, maar we kunnen de rationaliteit ervan niet doorgronden. Te zeggen dat er “geen maker” was of dat “iemand het deed”, dat zijn alleen maar veronderstellingen die voortkomen uit onze twijfels. … Alleen door noch te spreken noch te zwijgen kunnen we onze gedachten boven de dingen laten uitstijgen. (345)


Geen vast gedragspatroon

Als een mens in staat is te gaan zwerven, zou hij dat dan ooit niet doen? En als een mens hiertoe niet in staat is, zou hij dat dan ooit wel doen? Immers, zij die denken volgens de gangbare opinies of die bepaalde ideeën juist vermijden, zij die handelen met vormelijkheid of om zich juist van de anderen te onderscheiden, hoe zou men die ooit kunnen beschouwen als lieden van het hoogste verstand en met de sterkste deugd? Ze gaan ten onder, zonder tot inkeer te komen, ze galopperen maar door, zonder ooit te zien. En hoewel op een gegeven moment de een heerser is en de ander dienaar, de tijden veranderen, en er is dus geen reden om op de ander neer te zien. Daarom zeg ik: de hoogste mens heeft geen vast gedragspatroon. (352)


Zonder partij te kiezen

Het is bij de geleerden gangbaar om de oudheid op te hemelen en de huidige tijd te verguizen. En inderdaad, als je de dag van vandaag vanuit het gezichtspunt van heer Xiwei en de zijnen beschouwt, wie zou dan niet partijdig zijn? En zo is het alleen de allerhoogste mens die in staat is in deze wereld rond te zwerven zonder partij te kiezen, en die de anderen kan volgen zonder daarbij zichzelf te verliezen. Dat wat zij onderwijzen, dat leert hij niet; de betekenis die hij heeft gevonden is niet die van hen. (352)


De woorden vergeten

Het visnet bestaat omwille van de vis, en als de vis gevangen is, dan kun je het net vergeten. De konijnenstrik bestaat omwille van het konijn, en als het konijn gevangen is, dan kun je de strik vergeten. Woorden bestaan vanwege hun betekenis, en als je de betekenis begrepen hebt, dan kun je de woorden vergeten. Waar zal ik iemand vinden die de woorden is vergeten, zodat ik een woordje met hem kan spreken! (355)


Door niets te zeggen

Door niets te zeggen is er gelijkheid. Maar als je over gelijkheid iets wilt zeggen, dan krijg je ongelijkheid, want gelijkheid en iets zeggen gaan niet samen. En omdat iets zeggen en gelijkheid niet samengaan, wordt gezegd: ‘Zeg niets!’ Want als je je hele leven dingen zegt, dan heb je uiteindelijk nooit iets gezegd, terwijl als je je hele leven niets zegt, dan ben je nooit opgehouden met iets te zeggen. (357)


Omdat we dat bevestigen

Er is een oorzaak om te zeggen dat iets juist is of iets onjuist is. Er zijn oorzaken die maken dat dingen zo zijn of dat ze niet zo zijn. Waarom zijn ze zo? Omdat we bevestigen dat ze zo zijn. Waarom zijn ze niet zo? Omdat we bevestigen dat ze niet zo zijn. Waarom is iets juist? Omdat we ermee instemmen. Waarom is iets onjuist? Omdat we er niet mee akkoord gaan. (358)


Het lot

Omdat niemand weet wanneer aan alles een einde gaat komen, betekent dat dan dat het lot niet bestaat? Omdat niemand weet hoe dit allemaal begonnen is, betekent dat dan dat het lot wél bestaat? Als het zo is dat er een relatie is tussen de hemel en de mens, hoe zou de geest dan niet bestaan? Maar als er geen relatie is, hoe zou de geest dan wel bestaan? (360)


Vanuit de top van de hemel

Of iets nu krom of recht is,
Beschouw het vanuit de top van de hemel;
Kijk in alle vier windrichtingen,
Pas je aan bij de vier jaargetijden.
Of iets nu juist of onjuist is,
Houd steeds alleen de ronde spil vast.
Alleenstaand bereik je je doel,
En zwerf je vrij in gezelschap van de Tao. (388)


Leuk spelen

Wie capabel is wordt moe; wie verstand heeft wordt triest.
De incapabele, die nergens iets zoekt,
Die eet zich vol en gaat dan leuk spelen.
Hij dobbert op de golven als een ankerloos bootje,
Leeg en ledig zwerft hij in het rond! (407)


Geen acht slaan op overpeinzingen

Geen acht slaan op overpeinzingen, geen gebruik maken van kennis om plannen te maken, geen keus maken tussen de dingen, maar je overal aan aanpassen: de methode van de Tao van de oudheid bestond gedeeltelijk ook hieruit. (422)


De Tao laat nooit iets achterwege

Peng Meng, Tian Pian en Shen Dao hoorden van deze traditie en hielden ervan. Het belangrijkste voor hen was ‘de gelijkheid van alle dingen’, met als redenering: ‘De hemel kan ze wel bedekken, maar kan ze niet dragen; de aarde kan ze wel dragen, maar niet bedekken; de grote Tao kan ze geheel omvatten, maar maakt er een onderscheid tussen.’ Door op deze manier alles gelijk te stellen, vonden ze dat er aan ieder ding wel een positieve en een negatieve kant was, en dus zeiden ze: ‘Iedere keus is partijdig; ieder onderwijs is beperkt; de Tao echter laat nooit iets achterwege.’ (422)


Een einde aan welles en nietes

In overeenstemming met deze stellingen verwierp Shen Dao alle kennis en ontdeed zich van zijn eigen ik, om zich te laten leiden door het onvermijdelijke. Hij wilde niets meer te maken hebben met uiterlijke dingen. ‘Door te willen weten wat je niet kunt weten forceer je het weten en beschadig je jezelf.’ Hij liet alles zijn gang gaan, weigerde elke verantwoordelijkheid en lachte om de eer die de hele wereld aan eerbiedwaardige personen betuigde. Hij liet alles zoals het was en deed nooit iets, behalve zich negatief uitlaten over de Grote Heilige van Alles onder de Hemel [Confucius]. Hij hamerde en schaafde alles rond, zodat hij met alle dingen kon meedraaien. Hij maakte een einde aan ‘welles’ en ‘nietes’, en dat was voldoende om buiten schot te blijven. Hij ging niet te rade bij hen die over de dingen hadden nagedacht, hij wilde niets weten van oorzaak en gevolg, als een klomp aarde bleef hij zoals hij was. (423)


Niets meer beamen of negeren

Tian Pian was net zo. Hij studeerde onder Peng Meng en ontving het ‘niet leren’ van hem. De meester van Peng Meng had hem gezegd: ‘De taoïsten uit de oudheid kwamen zo ver dat ze niets meer beaamden en niets meer negeerden, en dat was genoeg. Hun tradities waren dermate verstild: wat valt er nog over te zeggen?’ (423)


De klok horen luiden

Wat [Tian Pian] zijn Tao noemde was niet de Tao, en wat hij beaamde kon niet anders dan fout genoemd worden. Peng Meng, Tian Pian en Shen Dao kenden de Tao niet, maar toch hadden ze er allemaal wel min of meer van gehoord. (423)


Waar zijn we?

Chaotisch! Zonder vorm!
Transformaties, nooit bestendig.
Zijn we dood? Zijn we levend?
Zijn we evenredig met de hemel en de aarde?
Trekken wij samen op met de goden?
Hoe duister! Waar zijn we?
Hoe onduidelijk! Waar gaan we naar toe?
De tienduizend dingen omringen ons totaal,
Geen enkel voldoet als toeverlaat. (426)


Zhuang Zi

De methode van de Tao van de oudheid bestond gedeeltelijk ook hieruit. Zhuang Zou hoorde van deze traditie en hield ervan. Met extravagante uiteenzettingen, absurde taal en verhalen zonder kop of staart liet hij de vrije loop aan wat op een bepaald moment in hem opkwam, zonder pretenties en zonder de dingen slechts van één kant te bezien.
Omdat hij Alles onder de Hemel zag als een diepe modderpoel, vond hij dat het geen zin had om ernstige taal te bezigen, maar gebruikte amusante woorden voor ongedwongen verhalen, wichtige woorden voor de authenticiteit en schuilwoorden om aan dit alles een brede betekenis te geven. … Hij maakte geen ruzie over ‘welles’ en ‘nietes’, maar bleef bij de zeden en gewoontes van zijn tijd. … Zhuang Zi neemt ons mee naar hoger sferen om daar met de schepper samen rond te zwerven, en dan af te dalen en vriendschap te sluiten met hen die leven en dood hebben uitgebannen, en voor wie er geen begin en geen einde meer is. Wat betreft de oorsprong is zijn visie zowel breed, groots en open als diep, weids en vrij. … Duister! Mysterieus! Niemand heeft hem nog volledig doorgrond. (427)


Innerlijke geschriften (Hulskramer)

Hieronder nogmaals een aantal citaten uit de Innerlijke Geschriften, ditmaal in de vertaling van Hulskramer. Zoek de verschillen.

Uit Tswang Tse, Innerlijke Geschriften; Over de bron van de tienduizend dingen, vertaald uit het Engels door George Hulskramer, Altamira-Brecht, Haarlem 2007:


Nog steeds afhankelijk

Lieh Tse liet zich spontaan en op zijn gemak, op de wind meevoeren en keerde na vijftien dagen op aarde terug. Een man zo gezegend als hij zie je maar zelden. Maar hoe vrij de wind hem ook gemaakt had, hij was toch van iets afhankelijk. Als hij zich op de stroom van hemel en aarde had laten meedrijven en de transformatie van de zes elementen had gebruikt om in het oneindige rond te zwerven, waarvan zou hij dan nog afhankelijk zijn geweest?
Daarom wordt er gezegd dat de volmaakte mens geen zelf, de wijze mens geen verdienste, de heilige geen naam heeft. (27)


Ze gaan voorbij

We vuren onze woorden als pijlen op de zwakke plekken van anderen af. We klampen ons aan onze visie vast alsof ons leven ervan afhangt. Toch veranderen ook onze gezichtspunten geleidelijk, ze gaan voorbij zoals herfst en winter. De stroom voert ons mee en er is geen weg terug. (37)


Laat het

Hoop en angst, vreugde en verdriet, vertwijfeling en moed, bescheidenheid en arrogantie wisselen elkaar dag en nacht af, zoals de muziek uit de lege openingen of als paddenstoelen die oprijzen uit de warme donkere aarde, grillig en steeds weer anders. Niemand kent de bron ervan. Maak je er niet druk om. Laat het voor wat het is. Misschien zullen we het op een dag begrijpen. (27)


Geen spoor

Als er geen ander is, dan is er geen zelf. Is er geen zelf, dan is er geen onderscheid. Hiermee naderen we de essentie. Ik weet niet waarom het is zoals het is. Het lijkt wel of er een grote meester achter zit. Toch kan ik geen spoor van hem ontdekken. (38)


Of…

Het lichaam bestaat uit honderd gewrichten, negen openingen en zes organen, die in harmonie samenwerken. Maar met welk deel voelen we ons het meest verbonden? Met alle delen, zou je misschien zeggen. Maar er moet er toch één zijn waarnaar onze voorkeur uitgaat? Of zijn ze allemaal slechts dienaren? Werken ze allemaal op gelijke wijze samen? Of zijn ze om beurten meester en dienaar? Er moet zich onder hen toch een dirigent schuilhouden? (39)


Het gepiep van jonge vogels

Gesproken woorden zijn niet alleen maar verplaatsing van lucht. Ze hebben ook een betekenis. Maar als de betekenis niet vast staat, zeggen ze dan wel echt iets? We denken dat onze woorden verschillen van het gepiep van jonge vogels. Maar zeggen wij wel zoveel meer dan zij? (40)


Verduisterd

Is de Weg zo verduisterd, dat er sprake kan zijn van waar en onwaar? Zijn woorden zo verduisterd dat er sprake kan zijn van juist en onjuist? (40)


Hoogdravend

Woorden verduisteren door hoogdravend taalgebruik. Zo komt het dat de confucianisten en de mohisten het niet met elkaar eens zijn. Wat de een juist noemt, noemt de ander onjuist. Wie heeft er gelijk, wie spreekt de waarheid? Alleen wie helder van geest is, is in staat zich boven verwarring te verheffen. (41)


Dit of dat

Alles kan zowel ‘dit’ of ‘dat’ zijn. Niets is uitsluitend ‘dit’ of ‘dat’. Jij kunt de dingen niet zien zoals een ander die ziet. Je kunt alleen dingen weten die jezelf begrijpt. Daarom wordt er gezegd: ‘Dit’ komt van ‘dat’ en ‘dat’ is afhankelijk van ‘dit’. ‘Dit’ en ‘dat’ bestaan gelijktijdig en worden uit elkaar geboren. (41)


Leven en dood

Het leven ontstaat uit de dood en de dood uit het leven. Wat ontstaat, is per definitie gedoemd te vergaan. Als er rechts is, moet er links zijn. Het juiste bestaat bij gratie van wat niet juist is. Door te ontkennen bevestigen wij, ja bestaat dankzij nee. (41)


Het stiltepunt

Daarom oordeelt de wijze niet. De Hemel verlicht zijn pad. Hij ziet de relativiteit van gedachten en meningen. Zijn inzicht is op niet-weten gebaseerd. Hij ziet dat ‘dit’ in ‘dat besloten ligt en ‘dat’ in ‘dit’. In zijn ‘dit’ liggen juist en onjuist besloten, in zijn ‘dat’ liggen juist en onjuist besloten. Hij maakt geen onderscheid tussen ‘dit’ en ‘dat’. Als het wiel op de as past, kan het eindeloos ronddraaien. Het juiste is oneindig en dat geldt ook voor het onjuiste. Daarom zeg ik: ‘Wees helder van geest en verhef u boven juist en onjuist.’ (41)


Daarom

Een weg ontstaat omdat er voortdurend mensen overheen lopen. Dingen zijn zo, omdat ze voortdurend zo genoemd worden. Waarom is dat zo? Omdat dat zo is. Waarom is het niet zo, omdat het niet zo is. (42)


Ongedeeld noch verdeeld

Alles heeft zijn eigen aard en functie. Niets is zonder aard en functie. Kijk maar naar een kleine steel of een grote zuil, een lepralijder of een schoonheid als Hsi Shih, het belangrijke of onzekere, bedrieglijke of merkwaardige. In het licht van de Weg zijn ze allemaal één. Hun verdeeldheid komt voort uit hun eenheid. Hun eenheid komt voort uit hun verdeeldheid. Niets is ongedeeld noch verdeeld. (42)


Zonder te weten hoe

Het ene is de enig onveranderlijke werkelijkheid waarin geen onderscheid bestaat. Wie zich daardoor laat leiden, kan zich in vrijheid bewegen. Wie zich in vrijheid beweegt, staat op het punt zijn ware natuur te realiseren. Wie de Weg volgt, bereikt de volmaaktheid zonder te weten hoe. (43)


Iets of niets

Ik zou graag een verklaring willen afleggen. Ik weet niet binnen welke categorie het valt, maar als we alle categorieën op een hoop vegen, dan is er geen onderscheid in categorie meer en is het in ieder geval ergens op zijn plaats. Ik zal het proberen uit te leggen.
Als er sprake is van een begin, dan is er ook een niet-begin van het begin. Als er sprake is van bestaan, dan is er ook niet-bestaan. En een bestaan voor het begin van bestaan en niet-bestaan, en ook een bestaan daarvoor. Plotseling ontstaan bestaan en niet-bestaan. Wie kan zeggen wat tot de categorie bestaan en tot de categorie niet-bestaan behoort? Zelfs van de woorden die ik nu heb gesproken, kan niet zeggen of ze iets betekenen of niets. (45)


Laat staan een gewoon mens

Als alle dingen één zijn, is er dan wel ruimte voor woorden? Ik heb ze uitgesproken, dus hoe kunnen ze dan niet bestaan? Het Ene en wat ik erover gezegd heb leidt tot twee; twee plus het ene geeft drie. Wat hiervan de gevolgen zijn, kan zelfs de meest bekwame rekenmeester niet voorzien, laat staan een gewoon mens.
Als wij bij de stap van niets naar iets al bij drie uitkomen, hoever zullen we dan komen als we de stap van iets naar iets nemen? Laten we er maar over ophouden. (46)


Alles omarmen

Wie iets uitlegt, laat even veel onopgehelderd. Hoe komt dat? De wijze omarmt alle dingen, terwijl anderen voortdurend bezig zijn elkaar van hun gelijk te overtuigen. Daarom wordt er gezegd: ‘Zij die het oneens zijn met elkaar, begrijpen niet.’ (48)


Rond en zacht

Alle vijf zijn rond, maar wat rond en zacht is, kan altijd vierkant en onbuigzaam worden. Daarom is weten dat gebaseerd is op niet-weten realisatie. (48)


Het verborgen licht

Wie begrijpt verdeeldheid die niet wordt uitgesproken, wie kent de weg zonder naam? Hij die deze kennis bezit, bezit de Schatkamer van de Hemel. Je kunt er eindeloos in opslaan zonder dat hij vol raakt, er eindeloos uit putten zonder dat hij leeg raakt. Niemand weet hoe dat kan. Daarom wordt dit het verborgen licht genoemd. (48)


Hoe moet ik dat weten?

Nieh Chi vroeg aan Wang Ni: Weet u waarom alle dingen een en hetzelfde zijn?
Wang Ni antwoordde: Hoe zou ik dat kunnen weten? Weet jij dan wat je niet weet?
Nieh Chi antwoordde: Hoe zou ik dat kunnen weten? Maar is er dan niemand die het weet?
Wang Ni antwoordde: Hoe zou ik dat kunnen weten? Ik zal het proberen uit te leggen. Hoe weet je of dat wat ik weten noem in werkelijkheid niet niet-weten is? En dat wat ik niet-weten noem weten? (49)


Ware schoonheid

Mannen vinden Mao Chiang en Li Chi de mooiste vrouwen die er bestaan. Maar als vissen hen zien, duiken ze diep het water in, vogels vliegen op en herten gaan er snel vandoor. Wie van deze vier weet wat schoonheid is? (50)


Hopeloos verstrengeld

Volgens mij zijn de regels van menslievendheid en rechtvaardigheid, de wegen van goed en kwaad hopeloos met elkaar verstrengeld. Hoe kun je dan nog weten wat wat is? (51)


Huilen

Li was de dochter van de grenswachter van Ai. Toen hertog Chin haar ontvoerde, huilde ze zo lang dat de kraag van haar jurk ervan doorweekt raakte. Maar later, toen ze in het paleis van de heerser woonde, het bed met hem deelde en geproefd had van de heerlijke gerechten die haar elke dag werden voorgeschoteld, begreep ze niet waarom ze ooit zo gehuild had. (53)


Verbazen

Wie weet verbazen ook de doden zich erover dat zij zich ooit zo aan het leven hebben vastgeklampt. Hoe kom ik daarachter? (53)


Alleen dwazen

Degenen die in hun dromen feest vieren, worden de volgende ochtend misschien wel huilend wakker. Zij die in hun droom tranen met tuiten huilen, gaan de volgende dag misschien wel vrolijk op jacht. Terwijl ze dromen weten ze niet dat ze dromen. Al dromend kunnen ze zelfs hun droom analyseren. Pas als ze wakker worden weten ze dat de droom maar een droom was. Eens zal elk mens tot het grote ontwaken komen en beseffen dat het hele leven één grote droom is. Alleen dwazen denken dat ze wakker zijn, doen alsof ze alles begrepen hebben en noemen zich heer of herder – wat een onzin! (53)


Een verschil van mening

Stelt u zich eens voor dat we met elkaar in discussie gaan en dat u gelijk krijgt. Betekent dat dan dat u inderdaad gelijk hebt en dat ik me vergis? Als ik win, betekent dat dan dat niet u maar ik gelijk heb? Of hebben we misschien allebei gedeeltelijk gelijk of ongelijk? Of allebei volkomen gelijk of ongelijk? (54)


Wie dan?

Als u en ik er niet uitkomen, dan kunnen anderen dat zeker niet. Wie moet er dan beoordelen wie er gelijk heeft? Iemand die het met u eens is? Kan iemand die het met u eens is een eerlijke uitspraak doen? Iemand die het met mij eens is dan? Voor die persoon zal hetzelfde gelden. Moeten we dan iemand zoeken die het met ons allebei oneens is? Hoe kan hij dan een uitspraak doen? Moeten we iemand zoeken die het met ons beiden eens is? Ook die kan geen uitspraak doen. (54)


Wat dan?

Klaarblijkelijk kunnen u noch ik noch een derde vertellen wie er gelijk heeft of niet. Wat doen we dan? Wachten tot er weer iemand langskomt die kan beslissen? Of moeten we wachten tot een van ons van mening verandert? Dat is wachten op iets wat niet zal gebeuren. Als we in harmonie leven met de Hemelse Gelijkheid, laten we meningsverschillen voor wat ze zijn. (55)


Naar huis

Wat ik met in harmonie leven met Hemelse Gelijkheid bedoel? Gelijk hebben is nooit volkomen gelijk hebben. Volkomen gelijk hebben staat zo ver af van ongelijk hebben, dat er geen misverstand over kan bestaan. Als de dingen echt zo zijn als we beweren, dan zou er geen verschil van mening over kunnen ontstaan. Laten we ons daarom niet meer druk maken over bestaan en niet-bestaan. (55)


Penumbra en Schaduw

Penumbra zei tegen Schaduw: Het ene moment beweeg je, het andere sta je stil. Het ene moment zit je, het andere sta je op. Waarom ben je zo besluiteloos?
Schaduw antwoordde: Wacht ik niet op iets anders wat mij laat doen wat ik doe? En wacht dat andere ook weer niet op iets anders wat hem laat doen wat hij doet? Jij en ik zijn misschien wel net zo afhankelijk van iets anders als een slang van zijn huid en een cicade van zijn vleugels. Hoe kan ik weten waarom ik zus of zo doe? Hoe kan ik weten waarom ik niet zus of zo doe? (56)


Vlinder

Heel lang geleden droomde een zekere Tswang Tse dat hij een vlinder was. Zorgeloos en vrij fladderde hij van hier naar daar zonder te weten van het bestaan van Tswang Tse. Plotseling ontwaakte hij en was hij weer helemaal Tswang Tse. Droomde de man nu dat hij een vlinder was of droomde de vlinder dat hij een man was? (56)


Het vasten van de geest

Luister liever met uw verstand dan met uw oren. Luister liever met uw geest dan met uw verstand. Oren kunnen alleen maar horen, het verstand kan alleen maar gedachten produceren. Alleen de geest kan zichzelf leeg maken en openstaan voor alle dingen. In totale leegte wordt de Weg geopenbaard. Leegte is het vasten van de geest. (71)


Handelen vanuit niet-weten

Wie niet beweegt, wordt niet opgemerkt. Moeilijk is het te lopen zonder de grond te raken. Het is niet moeilijk je tegenover een mens hypocriet te gedragen, moeilijker is het de Hemel te bedriegen. U hebt geleerd dat u met vleugels kunt vliegen, maar weet u dat u ook zonder vleugels kunt vliegen? U weet hoe u vanuit kennis kunt handelen, maar niet hoe u vanuit niet-weten kunt handelen. (72)


Hoe nuttig het nutteloze

De bomen op de bergen vragen erom omgehakt te worden. Het vet van een kaars offert zich op aan de vlam. Kaneel is eetbaar, dus wordt de boom door de bijl geveld. De lakboom is bruikbaar, dus wordt hij kapot gemaakt. Iedereen weet hoe nuttig het is nuttig te zijn, maar niemand weet hoe nuttig het nutteloze kan zijn. (87)


Niet afvragen

De oude wijze mens klampte zich niet aan het leven vast en schuwde de dood niet. Hij werd geboren zonder vreugde en stierf zonder verdriet. Hij kwam en ging zonder zorgen, spontaan, meer niet. Hij vergat niet waar hij vandaan kwam en vroeg zich niet af waar hij naartoe ging. (106)


Ruim van geest

De oude wijze mens … was onafhankelijk van geest, maar zeer buigzaam. … Zijn geest was zo ruim dat hij zich in iedereen kon verplaatsen, hij was zo hoogstaand dat niets hem kon raken, zo in zichzelf verzonken dat de wereld niet voor hem leek te bestaan en zo afwezig dat hij nooit van tevoren wist wat hij zou gaan zeggen. (108)


Ondoorgrondelijk

Je denkt dat je je boot veilig in een vallei kunt verbergen en je visnet in het moeras. Maar midden in de nacht kan elke dief met sterke schouders er ongemerkt mee vandoor gaan. Je denkt dat je slim bent door het kleine in het grote te verbergen en toch raak je het kwijt. Wie de wereld in de wereld verbergt, kan nooit iets verliezen. Wie dat doet heeft de ondoorgrondelijke aard van de dingen begrepen. (111)


Van wie?

Tse Kuei vroeg: Waar heeft u de Weg geleerd?
Chu antwoordde: Ik heb die geleerd van de zoon van de Assistent-Schrijver, die het vernomen heeft van de kleinzoon van Herhaal-de-Tekst, die het van Zie-het-Scherp hoorde, die het van Gefluisterde Instemming hoorde, die het van Voor-het-Opscheppen hoorde, die het van Uitgesproken Wonder hoorde, die het van Mysterieuze Duisternis hoorde, die het van Opperste Leegte hoorde, die het van Zogenaamd Begin hoorde. (115)


Gebrandmerkt

Toen Yi Erh Tse een bezoek bracht aan Hsu Yu, vroeg deze: Wat heeft koning Yao u geleerd?
Yi Erh Tse antwoordde: Yao leerde me wat humaniteit en plicht is, en helder onderscheid te maken tussen juist en onjuist.
Hsu Yu vroeg: Waarom bent u dan naar mij toegekomen? Yao heeft u al gebrandmerkt met de regels van humaniteit en plicht en u de neus afgesneden met zijn “dat is goed” en “dat niet”. Hoe kunt u dan nog in vrijheid en onbezorgd de Weg volgen en doen wat u wilt? (124)


Alles vergeten

Yen Hui zei: Ik ga vooruit!
Confucius zei: In welk opzicht?
Yen Hui antwoordde: Ik ben helemaal vergeten wat goed en juist is.
Confucius antwoordde: Niet slecht, maar daarmee bent u er nog niet.
Een paar dagen later ontmoette Yen Hui Confucius opnieuw.
Hij sprak: Ik ga nog steeds vooruit.
Confucius zei: In welk opzicht?
Yen Hui antwoordde: Ik ben muziek en ceremoniën volkomen vergeten.
Confucius zei: Niet slecht, maar dat is nog niet genoeg.
Een paar dagen later ontmoetten ze elkaar weer.
Yen Hui zei: Ik ga nog altijd vooruit.
Confucius zei: In welk opzicht?
Yen Hui antwoordde: Ik kan nu stilzitten en alles vergeten.
Confucius keek hem verbaasd aan: Wat bedoelt u met stilzitten en alles vergeten?
Yen Hui antwoordde: Ik hecht niet meer aan het lichaam en vergeet alles wat ik heb geleerd. Door mezelf te bevrijden van lichaam en geest, voel ik me één met de Grote Stroom. Dat bedoel ik met stilzitten en alles vergeten. (126)