Zoeken naar het einde van het zoeken

‘Wijsheid maakt van mensen dwazen.’ Zoeken naar het einde van het zoeken; thuiskomen in den vreemde en vreemdgaan in het bekende.

Dwaalgids > Niet-weten  > Zoeken naar het einde van het zoeken

Wijsheid maakt van mensen dwazen

Mensendwazen

‘Mensendwazen’ is een kwintet van kwatrijnen. Een kwintet is een vijftal. Een kwatrijn is een vierregelig gedicht met twee rijmwoorden, meestal van beschouwelijke aard. De katholieke mysticus Angelus Silesius was heel goed in kwatrijnen. Vijf voorbeelden.

Deze tekst is als serie gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Zoeken maakt van mensen dwazen

Vissers in de fuik

Zoeken maakt van mensen dwazen
Alle netten overboord
Goede knopers, maar van mazen
Hebben ze nog nooit gehoord

Tip: Wegen naar de onbekende vraag, Zoek je selfie

Zitten maakt van mensen dwazen

Hengelaars op het meditatiekussen

Zitten maakt van mensen dwazen
Wachtend voor een open poort
’t Boeddhaschap waarop zij azen
Blijkt ten slotte maar een woord

‘Blijkt ten slotte maar een woord’: volgens een boeddhistische leerstelling is alles ‘leeg’. Wezens hebben geen onveranderlijke ziel, dingen geen onveranderlijke substantie. Alles ontstaat, bestaat en vergaat afhankelijk van al het andere, ondanks de schijn van het tegendeel.

Als alles inderdaad ‘leeg’ is, waarom zou je dan nog mediteren? Sterker nog, waarom niet? En wie of wat bepaalt dat eigenlijk?

Lees ook: Dood de Boeddha! Zen, leegte en nihilisme

Godsdienst maakt van mensen dwazen

Woestijnvaarders

Godsdienst maakt van mensen dwazen
Dorstend in het dorste oord
God verzoekend, zijn oasen
Hebben hun nog nooit bekoord

Tips: God is een poort, Wat is soefisme? De derwisj en de dwaas

Over zijn boek ‘De dwaas van Palmyra’ schrijft Jan van Aken: ‘Het idee voor dit boek kwam in me op toen ik La folie de Jésus las, dat de psychiater Binet-Sanglé bijna honderd jaar geleden schreef en waarin maar weer eens bevestigd wordt dat veel wereldgodsdiensten op dezelfde manier begonnen: een jonge man die stemmetjes hoort in de woestijn.’ (2014, p233)

Wijsheid maakt van mensen dwazen

Droge bronnen

Wijsheid maakt van mensen dwazen
Voerders van het Hoogste Woord
Echoput vol holle frasen
Stilte wordt daar nooit gehoord

Tip: Wat is advaita?, Het stilte-evangelie

Wijsheid maakt van mensen klonen

Met z’n allen in de bonen

Wijsheid maakt van mensen klonen
Zo voorspelbaar als een clown
Zelfs met rouge op hun konen
Ogen zij een beetje down

Zelfs met rouge op hun konen ogen ze een beetje down

Tip: De Mont Fou: geen inzicht, maar wat een uitzicht, Eeuwige Wijsheid voor Eeuwige Dwazen

De wijsheid van de papegaai

Als we het maar eens zijn

De wijsheid van de hindoe

Zegt de ene goeroe: ‘Ik ben alles!’
Zegt de andere: ‘Anders ik wel!’

De wijsheid van de boeddha

Zegt de ene bodhisattva: ‘Ik ben niets!’
Zegt de andere: ‘En ik al helemaal niet!’

De wijsheid van de papegaai

Zegt de ene papegaai: ‘Larie!’
Zegt de andere: ‘Larie!’

De wijsheid van de papegaai

Met wie ben jij het eens?

Doe de verlichtingstest

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Tip: Meester Schaap en Broeder Ezel

Vijf lange jaren

Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

Je klopt aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik ben het. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: U bent het. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het ene. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je smeekt: Een hint alstublieft. De meester zegt: Weet ik veel. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je jammert: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je smeekt: Een hint, alstublieft. De meester zegt: Geen idee. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je weet niets meer te zeggen en het kan je niets meer schelen. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je antwoordt: Geen idee. De meester zegt: Kom dan maar binnen. Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.


Geïnspireerd door een tekst van Rumi geciteerd in Het pad van de Soefi, Idries Shah, uitgeverij Ten Have, Kampen 2009, p229:

Iemand ging naar de deur van de Beminde en klopte aan. Een stem vroeg: ‘Wie is daar?’ Hij antwoordde: ‘Ik ben het.’ De stem zei: ‘Er is hier geen plaats voor mij en jou.’ De deur ging dicht. Na een jaar van eenzaamheid en onthouding keerde deze man terug naar de deur van de Beminde. Hij klopte aan. Een stem van binnen vroeg: ‘Wie is daar?’ De man zei: ‘U bent het.’ De deur werd voor hem geopend.

Lees ook: Wat is soefisme? De derwisj en de dwaas

Dwalen is geen zoeken

Meester Bijster heeft gezegd:

Zij die zoeken zijn dolende, maar daarom zijn zij die dolen nog niet zoekende.

Jóuw weg is je grootste struikelblok

Dwaal lichtjes, dwaallichtjes

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de boeddhist?

Meester: Boeddhisme.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de non-dualist?

Meester: Advaita.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de tantrist?

Meester: Tantra.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de taoist?

Meester: Tao.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de yogi?

Meester: Yoga.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de mysticus?

Meester: God.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de jnani?

Meester: Het hoofd.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de bhakti?

Meester: Het hart.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de discipel?

Meester: De goeroe.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de individualist?

Meester: Autonomie.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de asceet?

Meester: Soberheid.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de wijze?

Meester: Kennis.

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de dwaas?

Meester: Onwetendheid

Leerling: Wat is het grootste struikelblok voor de zoeker?

Meester: Zoeken.

Lees ook: Meester Schaap en Broeder Ezel

Zoeken naar de kern van een ui

Gereden en gesneden

1.

Leerling: Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?

Meester: Met het doorsnijden van een ui, op zoek naar de kern.

2.

Leerling: Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?

Meester: Met het doorsnijden van een lichaam, op zoek naar de geest.

3.

Leerling: Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?

Meester: Met het doorsnijden van een hart, op zoek naar de moordkuil.

Twee eikels

Leerling: Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?

Meester: Met het doorsnijden van een eikel, op zoek naar de boom.

Leerling: Wie of wat is in deze beeldspraak de zoeker?

Meester: De eikel.

Tip: De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

Tien lange jaren

Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

Je klopt aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik zoek de waarheid. De meester zegt: Heb ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet meer waar ik het zoeken moet. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer wat ik zoek. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik moet blijven zoeken. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik daar iets over te zeggen heb. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of er wel een ik is. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of er wel een u is. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik dat niet meer weet. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet werkelijk niets meer. De meester vraagt: Zeker weten? Je bent met stomheid geslagen. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik weet niet eens meer of ik werkelijk niets meer weet. De meester zegt: Zeker weten? Je barst in tranen uit. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je weet niets meer te zeggen en het kan je niets meer schelen. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je antwoordt: Geen idee. De meester zegt: Kom dan maar binnen. Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven.

Onderzoek dat eerst maar eens

Leerling: Help me toch.

Meester: Waarmee?

Leerling: Ik weet niet meer waar ik het zoeken moet.

Meester: Wie zegt dat je het zoeken moet?

Zoeken in niet-zoeken

Leerling: Waar moeten wij het zoeken?

Meester: In niet zoeken.

Leerling: Wat zullen we daar vinden?

Meester: Niet vinden.

Zoeken in niet-weten

Leerling: Waar moeten wij het zoeken?

Meester: In niet weten?

Leerling: Is dat een vraag of een antwoord?

Meester: Zou je denken?

Leerling: Wat zullen wij daar vinden?

Meester: Waar?

Leerling: In niet weten?

Meester: Hè?

Leerling: Nou weet ik nog niks.

Meester: Zoek dan maar weer verder.

Leerling: Waar moeten wij het zoeken?

Tip: De lege leer

Dat er niets te vinden zou zijn is nog steeds vinden

Leerling: Ik heb het! Ik heb het!

Meester: Wat dan? Wat dan?

Leerling: Er is niets te vinden! Er is niets te vinden!

Meester: Toch weer iets gevonden? Toch weer iets gevonden?

Tip: De Mont Fou: geen inzicht, maar wat een uitzicht

Dertig lange jaren

Je antwoordt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.

Je klopt aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Ik ben het. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Boeddha. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Dharma. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Sangha. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Geest. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Geen-geest. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Zelf. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Geen-zelf. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Weg. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Waarheid. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Leven. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Hoogste. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Overstijgende. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Absolute. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Numineuze. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Onnoemelijke. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Bron. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Zijn zelf. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Essentie. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Het Heden. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: De Eeuwigheid. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Bewustzijn. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Stilte. De meester zwijgt. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Leegte. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Openheid. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Liefde. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Mededogen. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Niemand. De meester zegt: Ken ik niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je ziet het niet meer zitten. De meester vraagt: Wie is daar? Je jammert: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je huilt: Afscheid nemen. De meester vraagt verbaasd: Van wie? Je bent met stomheid geslagen. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. De meester vraagt: Wie is daar? Je jammert: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je huilt: Geen idee. De meester zegt: Ik ook niet. De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan. Je weet niets meer te zeggen en het kan je niets meer schelen. De meester vraagt: Wie is daar? Je antwoordt: Weet ik veel. De meester vraagt: Wat kom je doen? Je antwoordt: Geen idee. De meester zegt: Kom dan maar binnen. Je zegt: Nou hoeft het al niet meer. De meester zegt: Precies.


Geïnspireerd door een anekdote over Bayazid in Het pad van de Soefi, Idries Shah, 2009, p 302: Toen iemand bij hem aanklopte, riep Bayazid: ‘Wie zoekt u?’ De bezoeker antwoordde: ‘Bayazid.’ Bayazid zei: ‘Ik zoek hem al drie decennia en nog heb ik hem niet gevonden.’

Tip: Wat is soefisme? De derwisj en de dwaas

Binnen dertig seconden

Je zegt: ‘Nou hoeft het allemaal niet meer.’ De meester snikt: ‘Precies.’

Je klopt aan. De meester zegt: Wie is daar? Je roept: Is het nou uit met die flauwekul? Doodse stilte. Je trapt de deur in, rukt de tegenstribbelende meester zijn kleed af, sleept hem spiernaakt het vertrek uit, keert terug, sprenkelt benzine in het rond, steekt de boel in de fik en rent weer naar buiten. Brullend laait het vuur op. Het gat van de deur braakt zwarte rookwolken uit.

Huilend valt de meester in je armen. Hij stapt achteruit, maakt de ene buiging na de andere, lacht en grient, grijnst zo breed dat zijn lippen barsten en begint opnieuw te huilen. Je klopt hem op zijn schouder en zegt: Nou hoeft het allemaal niet meer. De meester snikt: Precies.

Lees ook: De Poortloze Poort

Het paradijs is geen lusthof

Paradise lost

Leerling: Wat voor hof is het paradijs?

Meester: Wat ben ik, een hovenier?

Leerling: Een binnenhof? Een buitenhof? Een lusthof? Een vrijhof?

Meester: Een doolhof dan maar.

Leerling: Wát?

Meester: Wat?

Leerling: Hoe weet u dat?

Meester: Anders had iemand de uitgang wel gevonden.

Leerling: Hebt u de uitgang dan niet gevonden?

Meester: Waaruit?

Leerling: Wat voor hof is er buiten het paradijs?

Meester: Een buitenhof, per definitie.

Leerling: Aha.

Meester: Maar wie zegt dat er een hof is buiten het paradijs?

Leerling: Bedoelt u dat dit het paradijs al is?

Meester: Wat?

Leerling: Dit hier.

Meester: In plaats van?

Leerling: Dat zeggen ze in advaita, ‘Alleen maar dit.’

Meester: In plaats van?

Leerling: Ik zou het ook niet weten.

Meester: Wat wil je nou toch zeggen?

Leerling: ‘Samsara is nirwana.’

Meester: Pardon?

Leerling: Zegt de boeddhist.

Meester: Boeddhisten zeggen zoveel.

Leerling: Vertel mij wat.

Meester: Terwijl ik vroeg wat jij wou zeggen.

Leerling: Dat begin ik me zo langzamerhand ook af te vragen.

Meester: Dan weet ik het ook niet meer.

Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dan heb je de uitgang gevonden.

Leerling: Waaruit?

Meester: Dat bedoel ik.

Leerling: Waarom herken ik hem dan niet als uitgang?

Meester: Wat ben ik, een hovenier?

Lees ook: Gebakken licht, Vrede sluiten met je onvrede, Wegen naar de onbekende vraag

Woon jij in dromenland of in heiland?

Leerling: Waar woont de zoeker?

Meester: In dromenland.

Leerling: Waar woont de vinder?

Meester: In heiland.

Leerling: Waar woont u?

Meester: In niemandsland.

Tip: Loflied op niet-weten

Woon jij in het land van ooit of in het land van nooit?

Berooid en verstrooid

Leerling: Waar woont de zoeker?

Meester: In het land van ooit.

Leerling: Waar woont de vinder?

Meester: In het land van nooit.

Leerling: En waar woont u?

Meester: Overal en nergens.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Ik ben totaal verstrooid.

Lees ook: Wat is non-dualiteit

Waarin ik ben thuisgekomen

De verloren zoon

Leerling: Ben jij thuisgekomen?

Meester: Jazeker.

Leerling: Waarin?

Meester: In den vreemde.

Wat doe je liever, thuiskomen of vreemdgaan?

Het ultieme

Leerling: Is niet-weten het ultieme thuiskomen?

Meester: Eerder het ultieme vreemdgaan.

Leerling: Pardon?

Meester: Ik kan het ook niet helpen.

Leerling: Bedoelt u dat alles u vreemd voorkomt?

Meester: Dat zou tenminste nog duidelijk zijn.

Tip: Leven in de paradox

Kom jij tekort of heb je teveel?

Zat

Leerling: Wie zoekt komt tekort.

Meester: Wie vindt heeft teveel.

Leerling: En wie niet weet?

Meester: Die heeft overal genoeg van.

Tip: Vrede sluiten met je onvrede

Wie zoekt zal vragen vinden

Quod erat demonstrandum

Leerling: Wie zoekt zal vinden.

Meester: Ja, vragen.

Leerling: Wat?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Wie zoekt zal vragen vinden?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Geen antwoorden?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Zie je wel?

Leerling: Waarom geeft u geen antwoord?

Meester: Omdat ik geen antwoorden heb?

Leerling: Hebt u echt alleen maar vragen?

Meester: Wat moet ik met vragen?

Leerling: Geen antwoorden, geen vragen, wat hebt u eigenlijk wel?

Meester: Zie je wel?

Tip: Vrijdenkers hebben maling aan de mind, Denkbeeldenstorm!

Zoeken is niet weten maar niet-weten

Dus als je niet-weten zoekt heb je het al gevonden

Leerling: Wat is zoeken?

Meester: Geen antwoorden meer weten.

Leerling: Wat is vinden?

Meester: Geen vragen meer weten

Een groter vraagteken dan de wereld

Ook die zekerheid ben ik kwijt

1.

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: De wat?

2.

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: Voor wie?

3.

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: Een wat?

4.

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: Eén maar?

5.

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: Maar wat is de vraag?

6.

Leerling: De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.

Meester: Ook die zekerheid ben ik kwijt.

Tip: Metafysica in een wezenloze wereld, Waarnemen of waargeven? De illusie van subject en object

Wat heeft de hemel er nou weer mee te maken?

Vraag stuk

Leerling: Wat is eigenlijk het verschil tussen ons?

Meester: Jij zoekt overal antwoorden voor.

Leerling: En u?

Meester: Ik zoek overal vragen achter.

Vijf jaar later

Meester: Wat heb je hier geleerd?

Leerling: Vragen stellen.

Meester: Wat heb je afgeleerd?

Leerling: Antwoord geven.

Meester: Dat waren twee antwoorden.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Dat was een vloek.

Leerling: Hoe kan ik zo stom zijn.

Meester: Dat is weer een vraag.

Vijf jaar later

Meester: Wat heb je hier geleerd?

Leerling: Vragen stellen?

Meester: Wat heb je afgeleerd?

Leerling: Antwoord geven?

Meester: Waar is dat goed voor?

Leerling: Wie zegt dat het ergens goed voor is?

Meester: Bedoel je dat het nergens goed voor is?

Leerling: Wat heet goed.

Meester: Is dat een vraag of een antwoord?

Leerling: Zegt u het maar.

Meester: Tja.

Leerling: Wat valt er verder nog te zeggen?

Meester: Vind je dat we moeten zwijgen?

Leerling: Waarom in hemelsnaam?

Meester: Wat heeft de hemel er nou weer mee te maken.

Leerling: De wát?

Meester: Heb je dan helemaal niets geleerd?

Leerling: Dat is nog maar de vraag.

Meester: Noem dat maar een antwoord.

Leerling: Wat is eigenlijk het verschil?

Meester: Waartussen?

Lees ook: Wat is taoïsme? Meester Tja en de tao van tja

Het is jouw vraag niet meer

1.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Hoe moet ik leven?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Hoe moet ik leven?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Voorbij goed en kwaad, de ethiek van niet-weten

2.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is liefde?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is liefde?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Wat is liefde?

3.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is geluk?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is geluk?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Wat is de zin van het leven?

4.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is waarheid?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is waarheid?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: De Intergalactische Waarheidsconferentie

5.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is werkelijkheid?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is werkelijkheid?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Metafysica in een wezenloze wereld

6.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is wijsheid?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wat is wijsheid?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Eeuwige dwaasheid

7.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waar vind ik God?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waar vind ik God?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Help ons uit de droom

8.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wie ben ik?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wie ben ik?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Zoek je selfie

9.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waar vind ik rust?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waar vind ik rust?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: Vrede sluiten met je onvrede

10.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Hoe moet ik sterven?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Hoe moet ik sterven?’

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Het is jouw vraag niet meer.

Tip: De dood doodgedacht

Omdat je de woorden hebt doorzien

1.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waarmee eindigt de weg?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waarmee begint de weg?’

2.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Waarmee eindigt de weg?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met de vraag ‘Welke weg?’

3.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met de vraag ‘Wie BEN ik?’

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met het antwoord: ‘Wie ben IK.’

4.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met antwoorden.

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Met vragen.

5.

Leerling: Waarmee begint de weg?

Meester: Met vragen.

Leerling: Waarmee eindigt de weg?

Meester: Zonder vragen.

Leerling: Omdat je de antwoorden hebt gevonden?

Meester: Omdat je de woorden hebt doorzien.

Tip: Passe-partout voor poortloze poorten

Tegenspreken is de weg (maar niet heus)

Wegen naar de bekende vraag

Meester: Wat is de weg volgens jou?

Leerling: Een opstijging, hoop ik.

Meester: Waarnaartoe?

Leerling: De hemel.

Meester: Dat wordt klimmen.

Leerling: Wat is de weg volgens u?

Meester: Een afdaling.

Leerling: Waarin?

Meester: De ingewanden.

Leerling: Dat wordt glibberen.

Meester: Hoe dieper je komt, hoe viezer het wordt.

Leerling: Vooral dat laatste stuk.

Meester: Je stikt zowat.

Leerling: Er is geen doorkomen aan.

Meester: En dan die lucht.

Leerling: Brrr.

Meester: Maar dan…

Leerling: Wat?

Meester: Een wedergeboorte.

Leerling: In de hemel?

Meester: Nou, nee.

Leerling: Waar dan wel?

Meester: Waar komt het darmkanaal op uit volgens jou?

Leerling: Maar ik ben al hier.

Meester: Maar dan geloof je het eindelijk.

Leerling: Meent u dat nou?

Meester: Welnee.

Leerling: Waarom zegt u het dan?

Meester: Om je te verleiden.

Leerling: Waartoe wilt u mij verleiden?

Meester: Tot een mening.

Leerling: Waarom moet ik iets menen?

Meester: Om je tegen te kunnen spreken.

Leerling: Waarom wilt u mij tegenspreken?

Meester: Ja, dat is de weg.

Leerling: Waarheen?

Meester: Ja, dat is de vraag.

Leerling: Dus tegenspreken is de weg?

Meester: Hoe kom je daar nou weer bij?

Tip: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

De enige vraag die ertoe doet is de laatste vraag

En dan begint het grote zwetsen

Leerling: Waar komt het op de grote weg op aan?

Meester: De juiste vraag te stellen.

Leerling: Wat is de juiste vraag?

Meester: De laatste.

Leerling: Hoe luidt de laatste vraag?

Meester: Dat doet er niet toe.

Leerling: Hè?

Meester: Het gaat erom dat het de laatste is.

Leerling: Hoe weet je of het de laatste is?

Meester: Dat weet je pas achteraf.

Leerling: Wanneer achteraf?

Meester: Als je je dat ook niet meer afvraagt.

Leerling: Maar elke vraag kan de laatste zijn?

Meester: Nee, alleen de laatste.

Leerling: Wat is de beste laatste vraag?

Meester: Deze, als het aan mij ligt.

Leerling: Waarom?

Meester: Of deze.

Leerling: En dan?

Meester: Kennelijk is het nog niet zover.

Leerling: En als het wel zover is?

Meester: Dan zijn we uitgepraat.

Leerling: En dan begint het grote zwijgen?

Meester: Zwetsen.

Leerling: En dan begint het grote zwetsen?

Meester: Welnee.

Leerling: Niet?

Meester: Dat gaat door als vanouds.

Leerling: Wat is er dan veranderd?

Meester: Mooie laatste vraag.

Leerling: En wat is daarop het antwoord?

Meester: Helaas…

Tip: Het stilte-evangelie

Het laatste antwoord is de vraag

Maar wat is de vraag?

Leerling: Ik wil nou eindelijk weleens antwoord.

Meester: Maar wat is de vraag?

Leerling: Als ik dat wist kon ik tenminste gericht zoeken.

Meester: Misschien was dat de vraag al.

Leerling: Misschien was wat de vraag al?

Meester: Maar wat is de vraag?

Leerling: Maar wat is het antwoord?

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Hè?

Meester: Maar wat is de vraag?

Tip: Zalig zijn de armen van geest

Is iedere vraag een strikvraag (of is dat ook een strikvraag)?

Vragen barsten van de veronderstellingen

Leerling: Wat is een vraag?

Meester: Een strikvraag.

Leerling: Wou u beweren dat iedere vraag een strikvraag is?

Meester: En nog een.

Leerling: Voor wie?

Meester: En nog een.

Leerling: Waarom?

Meester: Om wat hij veronderstelt.

Leerling: Een vraag is toch zeker geen bewering?

Meester: Van buiten niet.

Leerling: Waar dan wel?

Meester: Van binnen.

Leerling: Dat snap ik niet.

Meester: Vragen barsten van de veronderstellingen.

Leerling: Wat veronderstel ik nu bijvoorbeeld?

Meester: Dat je wat veronderstelt, bijvoorbeeld.

Leerling: Dat zegt u net zelf.

Meester: Dat ik weet waar ik het over heb, bijvoorbeeld.

Leerling: Wat doe ik anders hier?

Meester: Dat er een ik is die veronderstelt, bijvoorbeeld.

Leerling: Nogal wiedes, zeg.

Meester: Dat er een antwoord is, bijvoorbeeld.

Leerling: Anders zou ik…

Meester: Dat het antwoord in woorden uitgedrukt kan worden, bijvoorbeeld.

Leerling: Mijns inziens…

Meester: Dat ik dat antwoord paraat heb, bijvoorbeeld.

Leerling: Maar…

Meester: Dat ik het jou zal geven, bijvoorbeeld.

Leerling: Het spreekt toch vanzelf…

Meester: Dat ik daar zeggenschap over heb, bijvoorbeeld.

Leerling: Stop, ik…

Meester: Dat jij het zult begrijpen, bijvoorbeeld.

Leerling: Ik geef me over.

Meester: Dat je er wat aan zult hebben, bijvoorbeeld.

Leerling: Wat moet ik anders?

Meester: Strikvraag.

Tip: Het regressieprobleem

Filosoofje zoek je nog, ieja deja

Oud-Hollands liedje

filosoofje
zoek je nog
ieja deja

nee meneer
‘k ben uitgezocht
ieja deja

‘k heb m’n weten
uitgescheten
en m’n denken
laten gaan
ieja deja
POEF

Tip: Meester Spoorloos en Agent Speurneus

Omdat ik nou eenmaal geen vragen meer stel

Nee, ik heb geen levensvragen meer. Geen enkele. Ik ben geheel en al vragenloos. Niet uit principe, niet omdat ik alle antwoorden al ken, niet omdat ik de moed heb opgegeven ooit nog een antwoord te vinden en niet omdat ik de moed heb gevonden nooit meer een vraag te stellen. Waarom dan wel?

Omdat ik niet meer in de antwoorden geloof. Omdat ik de antwoorden niet meer begrijp. Omdat de woorden in de antwoorden mij niet meer bekoren. Omdat ik het wereldbeeld achter de antwoorden niet meer deel.

Omdat ik niet meer in de vragen geloof. Omdat ik de vragen niet meer begrijp. Omdat de woorden in de vragen mij niet meer bekoren. Omdat ik de aannames achter de vragen niet meer accepteer.

Omdat ieder antwoord nieuwe vragen uitlokt. Omdat levensvragen ook zonder antwoord vanzelf verdwijnen. Omdat ik heel goed zonder antwoorden blijk te kunnen. Omdat ik heel goed zonder vragen blijk te kunnen.

Maar eigenlijk gewoon ‘omdat’ ik nou eenmaal geen vragen meer stel. Ik bedoel, weet ik veel waarom.

Lees ook: Hans van Dam