Zoeken naar het einde van het zoeken

‘Wat is het grootste struikelblok voor de zoeker?’ ‘Zoeken.’ Thuiskomen in den vreemde en vreemdgaan in het bekende.

Zij die dolen

Meester Tja zegt:

Zij die zoeken zijn dolende, maar daarom zijn zij die dolen nog niet zoekende.

Struikelblokken

Dwaal lichtjes, dwaallichtjes!

‘Wat is het grootste struikelblok voor de boeddhist?’
‘Boeddhisme.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de non-dualist?’
‘Advaita.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de tantrist?’
‘Tantra.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de taoist?’
‘Tao.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de yogi?’
‘Yoga.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de mysticus?’
‘God.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de jnani?’
‘Het hoofd.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de bhakti?’
‘Het hart.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de discipel?’
‘De goeroe.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de individualist?’
‘Autonomie.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de asceet?’
‘Soberheid.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de wijze?’
‘Weten.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de dwaas?’
‘Niet weten.’

‘Wat is het grootste struikelblok voor de zoeker?’
‘Zoeken.’

Gereden en gesneden

‘Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?’
‘Met het doorsnijden van een ui, op zoek naar de kern.’

‘Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?’
‘Met het doorsnijden van een lichaam, op zoek naar de geest.’

‘Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?’
‘Met het doorsnijden van een hart, op zoek naar de moordkuil.’

‘Waarmee kun je de Grote Weg vergelijken?’
‘Met het doorsnijden van een eikel, op zoek naar de boom.’
‘Wie of wat is in deze beeldspraak de zoeker?’
‘De eikel.’

Vooroordeel

‘Help, ik weet niet meer waar ik het zoeken moet!’
‘Wie zegt dat je het zoeken moet?’

Ver gezocht

‘Waar moeten wij het zoeken?’
‘In niet zoeken?’
‘Wat zullen we daar vinden?’
‘Niet vinden?’

‘Waar moeten wij het zoeken?’
‘In niet weten?’
‘Is dat een vraag of een antwoord?’
‘Zou je denken?’
‘Wat zullen wij daar vinden?’
‘Waar?’
‘In niet weten?’
‘Hè?’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Zoek dan maar weer verder.’
‘Waar moeten wij het zoeken?’

Twee keer mis

‘Ik heb het! Ik heb het!’
‘Wat dan? Wat dan?’
‘Er is niets te vinden! Er is niets te vinden!’
‘Toch weer iets gevonden? Toch weer iets gevonden?’

Paradise lost

‘Wat voor hof is het paradijs?’
‘Ik ben geen hovenier.’
‘Een binnenhof? Een buitenhof? Een lusthof? Een vrijhof?’
‘Een doolhof?’

Landlopers

‘Waar woont de zoeker?’
‘In dromenland.’
‘Waar woont de vinder?’
‘In heiland.’
‘Waar woon jij?’
‘In niemandsland.’

Grensoverschrijdend

‘Waar woont de dualist?’
‘In iemandsland.’
‘Waar woont de non-dualist?’
‘In niemandsland.’
‘Waar woon jij?’
‘Overal en nergens.’

‘Waar woont de dualist?’
‘Binnen de lijntjes.’
‘Waar woont de non-dualist?’
‘Buiten de lijntjes.’
‘Waar woon jij?’
‘Op het randje.’

‘Wat is een dualist?1
‘Iemand met lijntjes.’
‘Wat is een non-dualist?2
‘Iemand zonder lijntjes.’
‘Wat ben jij?’
‘Iemand met stippellijntjes.’
‘Een dualistisch non-dualist!3
‘Hou toch op.’
‘Een non-dualistisch dualistisch non-dualist?4
‘Schei toch uit.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Iemand met stippellijntjes.’
‘Waarvoor staan die?’

1. dvaetavada
2. advaetavada
3. dvaetadvaetavada
4. advaetadvaetadvaetavada

(dit is geen grap, dat wil zeggen, niet de mijne)

Berooid

‘Waar woont de zoeker?’
‘In het land van ooit.’
‘Waar woont de vinder?’
‘In het land van nooit.’
‘Waar woon jij?’
‘Ik ben verstrooid.’

De verloren zoon

‘Ben jij thuisgekomen?’
‘Jazeker.’
‘Waarin?’
‘In den vreemde.’

Het ultieme

‘Is niet weten niet het ultieme thuiskomen?’
‘Eerder het ultieme vreemdgaan.’
‘Pardon?’
‘Ik kan het ook niet helpen.’
‘Bedoel je dat alles je vreemd voorkomt?’
‘Dat zou tenminste nog duidelijk zijn.’

Zat

‘Wie zoekt komt tekort.’
‘Wie vindt heeft teveel.’
‘En wie niet weet?’
‘Die heeft overal genoeg van.’

Quod erat demonstrandum

‘Wie zoekt zal vinden!’
‘Ja, vragen.’
‘Wat?’
‘Zie je wel?’
‘Wie zoekt zal vragen vinden?’
‘Zie je wel?’
‘Geen antwoorden?’
‘Zie je wel?’
‘Hoe kan dat nou!’
‘Zie je wel?’
‘Waarom geef je geen antwoord?’
‘Omdat ik geen antwoorden heb?’
‘Heb jij echt alleen maar vragen?’
‘Wat moet ik met vragen?’
‘Geen antwoorden, geen vragen, wat heb je eigenlijk wel?’
‘Zie je wel?’

Surprise

‘Wat is zoeken?’
‘Geen antwoorden meer weten.’
‘Wat is vinden?’
‘Geen vragen meer weten.

Een groter vraagteken

‘De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.’
‘De wat?’

‘De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.’
‘Voor wie?’

‘De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.’
‘Een wat?’

‘De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.’
‘Eén maar?’

‘De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.’
‘Maar wat is de vraag?’

‘De wereld is voor mij één groot vraagteken geworden.’
‘Ook die zekerheid ben ik kwijt.’

Vraag stuk

‘Wat is eigenlijk het verschil tussen ons?’
‘Jij zoekt overal antwoorden voor.’
‘En jij?’
‘Ik zoek overal vragen achter.’

[vijf jaar later]

‘Wat heb je hier geleerd?’
‘Vragen stellen.’
‘Wat heb je afgeleerd?’
‘Antwoord geven.’
‘Dat waren twee antwoorden.’
‘Verdraaid.’
‘Dat was een vloek.’
‘Hoe kan ik zo stom zijn?’
‘Dat is weer een vraag.’

[vijf jaar later]

‘Wat heb je hier geleerd?’
‘Vragen stellen?’
‘Wat heb je afgeleerd?’
‘Antwoord geven?’
‘Waar is dat goed voor?’
‘Wie zegt dat het ergens goed voor is?’
‘Bedoel je dat het nergens goed voor is?’
‘Wat heet goed?’
‘Is dat een vraag of een antwoord?’
‘Zeg jij het maar.’
‘Tja.’
‘Wat valt er verder nog te zeggen?’
‘Vind je dat we moeten zwijgen?’
‘Waarom in hemelsnaam?’
‘Wat heeft de hemel er nou weer mee te maken?’
‘De wát?’
‘Heb je dan helemaal niets geleerd?’
‘Dat is nog maar de vraag.’
‘Noem dat maar een antwoord.’
‘Wat is eigenlijk het verschil?’
‘Waartussen?’

De eeuwige vraag

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wie ben ik?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Wie ben ik?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

Op leven en dood

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Hoe moet ik leven?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Hoe moet ik leven?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wat is liefde?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Wat is liefde?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wat is geluk?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Wat is geluk?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wat is waarheid?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Wat is waarheid?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wat is werkelijkheid?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Wat is werkelijkheid?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wat is wijsheid?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Wat is wijsheid?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Waar vind ik God?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Waar vind ik God?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Waar vind ik mezelf?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Waar vind ik mezelf?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Waar vind ik rust?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Waar vind ik rust?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Hoe moet ik sterven?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Hoe moet ik sterven?” ‘
‘Wat is dan het verschil?’
‘Het is jouw vraag niet meer.’

Moonwalk

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Waarmee eindigt de weg?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Waarmee begint de weg?” ‘

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Waarmee eindigt de weg?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met de vraag “Welke weg?” ‘

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met de vraag “Wie BEN ik?” ‘
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met het antwoord: “Wie ben IK?” ‘

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met antwoorden.’
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Met vragen.’

‘Waarmee begint de weg?’
‘Met vragen.’
‘Waarmee eindigt de weg?’
‘Zonder vragen.’
‘Omdat je de antwoorden hebt gevonden?’
‘Omdat je de woorden hebt doorzien.’

Wegen naar de bekende vraag

‘Wat is de weg?’
‘Een opstijging.’
‘Waarnaartoe?’
‘De hemel.’
‘Dat wordt klimmen.’
‘Wat is de weg volgens jou?’
‘Een afdaling.’
‘Waarin?’
‘De ingewanden.’
‘Dat wordt glibberen.’
‘Hoe dieper je komt, hoe viezer het wordt.’
‘Vooral dat laatste stuk.’
‘Je stikt zowat.’
‘Er is geen doorkomen aan.’
‘En dan die lucht!’
‘Brrr!’
‘Maar dan…’
‘Wat?’
‘Een wedergeboorte!’
‘In de hemel?’
‘Nou, nee.’
‘Waar dan wel?’
‘Hier?’
‘Maar ik ben al hier.’
‘Maar dan geloof je het eindelijk.’
‘Geloof je dat nou echt?’
‘Welnee.’
‘Waarom zeg je het dan?’
‘Om jou te verleiden.’
‘Waartoe wil je mij verleiden?’
‘Tot een mening.’
‘Waarom moet ik iets menen?’
‘Om je tegen te kunnen spreken.’
‘Waarom wil je mij tegenspreken?’
‘Ja, dat is de weg.’
‘Waarheen?’
‘Ja, dat is de vraag.’

De laatste vraag

‘Waar komt het op de grote weg op aan?’
‘De juiste vraag te stellen.’
‘Wat is de juiste vraag?’
‘De laatste.’
‘Hoe luidt de laatste vraag?’
‘Dat doet er niet toe.’
‘Hè?’
‘Het gaat erom dat het de laatste is.’
‘Hoe weet je of het de laatste is?’
‘Dat weet je pas achteraf.’
‘Wanneer achteraf?’
‘Als je je dat ook niet meer afvraagt.’
‘Maar elke vraag kan de laatste zijn?’
‘Nee, alleen de laatste.’
‘Wat is de beste laatste vraag?’
‘Deze, als het aan mij ligt.’
‘Waarom?’
‘Of deze.’
‘En dan?’
‘Kennelijk is het nog niet zover.’
‘En als het wel zover is?’
‘Dan zijn we uitgepraat.’
‘En dan begint het grote zwijgen?’
‘Zwetsen.’
‘En dan begint het grote zwetsen?’
‘Welnee.’
‘Niet?’
‘Dat gaat door als vanouds.’
‘Wat is er dan veranderd?’
‘Mooie laatste vraag.’
‘En wat is daarop het antwoord?’
‘Helaas.’

Het laatste antwoord

‘Ik wil nou eindelijk weleens antwoord.’
‘Maar wat is de vraag?’
‘Als ik dat wist kon ik tenminste gericht zoeken.’
‘Misschien was dat de vraag al.’
‘Misschien was wat de vraag al?’
‘Maar wat is de vraag?’
‘Maar wat is het antwoord?’
‘Dat zeg ik.’
‘Hè?’
‘Maar wat is de vraag?’

Strikt genomen

‘Wat is een vraag?’
‘Een strikvraag.’
‘Wou jij beweren dat iedere vraag een strikvraag is?’
‘En nog een.’
‘Voor wie?’
‘En nog een.’
‘Waarom?’
‘Om wat hij veronderstelt.’
‘Een vraag is toch zeker geen bewering?’
‘Van buiten niet.’
‘Waar dan wel?’
‘Van binnen.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Vragen barsten van de veronderstellingen.’
‘Wat veronderstel ik nu bijvoorbeeld?’
‘Dat je wat veronderstelt, bijvoorbeeld.’
‘Dat zeg je net zelf!’
‘Dat ik weet waar ik het over heb, bijvoorbeeld.’
‘Wat doe ik anders hier?’
‘Dat er een ik is die veronderstelt, bijvoorbeeld.’
‘Nogal wiedes, zeg.’
‘Dat er een antwoord is, bijvoorbeeld.’
‘Anders zou ik…’
‘Dat het antwoord in woorden uitgedrukt kan worden, bijvoorbeeld.’
‘Mijns inziens…’
‘Dat ik dat antwoord paraat heb, bijvoorbeeld.’
‘Maar…’
‘Dat ik het jou zal geven, bijvoorbeeld.’
‘Het spreekt toch vanzelf…’
‘Dat ik daar zeggenschap over heb, bijvoorbeeld.’
‘Stop, ik…’
‘Dat jij het zult begrijpen, bijvoorbeeld.’
‘Ik geef me over!’
‘Dat je er wat aan zult hebben, bijvoorbeeld.’
‘Wat moet ik anders?’
‘Strikvraag.’

Oud-Hollands liedje

filosoofje
zoek je nog
ieja deja

nee meneer
‘k ben uitgezocht
ieja deja

‘k heb m’n weten
uitgescheten
en m’n denken
laten gaan
ieja deja
POEF

Vragenloos

Nee, ik heb geen levensvragen meer.
Geen enkele
Ik ben geheel en al vragenloos.
Niet uit principe, niet omdat ik alle antwoorden al ken, niet omdat ik de moed heb opgegeven ooit nog een antwoord te vinden en niet omdat ik de moed heb gevonden nooit meer een vraag te stellen.
Waarom dan wel?

Omdat ik niet meer in de antwoorden geloof.
Omdat ik de antwoorden niet meer begrijp.
Omdat de woorden in de antwoorden mij niet meer bekoren.
Omdat ik het wereldbeeld achter de antwoorden niet meer deel.

Omdat ik niet meer in de vragen geloof.
Omdat ik de vragen niet meer begrijp.
Omdat de woorden in de vragen mij niet meer bekoren.
Omdat ik de aannames achter de vragen niet meer accepteer.

Omdat ieder antwoord nieuwe vragen uitlokt.
Omdat levensvragen ook zonder antwoord vanzelf verdwijnen.
Omdat ik heel goed zonder antwoorden blijk te kunnen.
Omdat ik heel goed zonder vragen blijk te kunnen.

Maar eigenlijk gewoon ‘omdat’ ik nou eenmaal geen vragen meer stel.
Ik bedoel, weet ik veel waarom.

Vijf lange jaren

Levenslang of levens lang; omwegen naar niet-weten.

Je klopt aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Ik ben het!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: U bent het!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het ene!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Een hint alstublieft!
De meester zegt: Weet ik veel.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt wanhopig: Weet ik veel!
De meester zegt: Wat kom je doen?
Je zegt: Een hint, alstublieft!
De meester zegt: Geen idee.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
Je weet niets meer te zeggen.
Het kan je niks meer schelen.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Weet ik veel.
De meester zegt: Wat kom je doen?
Je zegt: Geen idee.
De meester zegt: Kom dan maar binnen.
Je zegt: Nou hoeft het al niet meer.
De meester zegt: Precies.


Geïnspireerd door een tekst van Rumi geciteerd in Het pad van de Soefi, Idries Shah, uitgeverij Ten Have, Kampen 2009, p229:

Iemand ging naar de deur van de Beminde en klopte aan.
Een stem vroeg: ‘Wie is daar?’
Hij antwoordde: ‘Ik ben het.’
De stem zei: ‘Er is hier geen plaats voor mij en jou.’
De deur ging dicht.
Na een jaar van eenzaamheid en onthouding keerde deze man terug naar de deur van de Beminde. Hij klopte aan.
Een stem van binnen vroeg: ‘Wie is daar?’
De man zei: ‘Jij bent het.’
De deur werd voor hem geopend.

Tien lange jaren

Je klopt aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik zoek de waarheid!
De meester zegt: Heb ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet meer waar ik moet zoeken!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer wat ik zoek!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer of ik moet blijven zoeken!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer of ik daar iets over te zeggen heb!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer of er een ik is!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer of er een u is!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer of ik dat niet weet!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet werkelijk niets meer!
De meester zegt: Zeker weten?
Je verschiet van kleur.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Ik weet niet eens meer of ik werkelijk niets meer weet!
De meester zegt: Zeker weten?
Je barst in tranen uit.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
Je weet niets meer te zeggen.
Het kan je niks meer schelen.
De meester zegt: Wat nou weer.
Je zegt: Tja.
De meester zegt: Kom dan maar binnen.
Je zegt: Nou hoeft het al niet meer.
De meester zegt: Precies.

Dertig lange jaren

Je klopt aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Ik ben het!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Boeddha!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Dharma!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Sangha!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Geest!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Geen-geest!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Zelf!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Geen-zelf!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Weg!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Waarheid!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Leven!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Hoogste!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Overstijgende!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Absolute!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Numineuze!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Onnoemelijke!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Bron!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Zijn zelf!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Essentie!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Het Heden!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: De Eeuwigheid!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Bewustzijn!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Stilte!
De meester zwijgt.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Leegte!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Openheid!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Liefde!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Mededogen!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Niemand!
De meester zegt: Ken ik niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
Je ziet het niet meer zitten.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt wanhopig: Weet ik veel!
De meester zegt: Wat kom je doen?
Je zegt wanhopig: Afscheid nemen!
De meester zegt verbaasd: Van wie?
Je bent met stomheid geslagen.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt wanhopig: Weet ik veel!
De meester zegt: Wat kom je doen?
Je zegt wanhopig: Geen idee!
De meester zegt: Ik ook niet.
De deur blijft dicht.

Een jaar later klop je weer aan.
Je weet niets meer te zeggen.
Het kan je niks meer schelen.
De meester zegt: Wie is daar?
Je zegt: Weet ik veel.
De meester zegt: Wat kom je doen?
Je zegt: Geen idee.
De meester zegt: Kom dan maar binnen.
Je zegt: Nou hoeft het al niet meer.
De meester zegt: Precies.

Geïnspireerd door een anekdote over Bayazid in Het pad van de Soefi, Idries Shah, 2009, p 302: Toen iemand bij hem aanklopte, riep Bayazid: ‘Wie zoekt u?’ De bezoeker antwoordde: ‘Bayazid.’ Bayazid zei: ‘Ik zoek hem al drie decennia en nog heb ik hem niet gevonden.’

Uitbraak

Leerling: Ik zoek de waarheid.
Meester: Wie waarheid zoekt zal leugens vinden.
Leerling: Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel.
Meester: Al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt haar wel.
Leerling: Wat bent u toch negatief.
Meester: Wat ben jij toch positief.
Leerling: U zegt steeds het tegenovergestelde van wat ik zeg.
Meester: Heb je het door?
Leerling: Dus als ik wat negatiever zou zijn, zou u…
Meester: Ik geef uitsluitend weerwoord.
Leerling: Wijst weerwoord de weg naar de waarheid?
Meester: Weerwoord wijst weg van de waarheid.
Leerling: Regelrecht naar de leugen dus.
Meester: Weerwoord wijst weg van de leugen.
Leerling: Is weerwoord niet gewoon de volgende gevangenis?
Meester: Alleen voor wie erin gevangen zit.
Leerling: Ik zoek alleen de waarheid.
Meester: Wie waarheid zoekt zal leugens vinden.

De hoogste wijsheid

Leerling: Ik zoek de…
Meester: Nou dat weer.
Leerling: Nou wat weer?
Meester: Houdt het dan nooit op.
Leerling: Wie steeds ‘Nou dat weer’ zegt, moet nodig met pensioen.
Meester: Nou dat weer.
Leerling: En dan dat toontje.
Meester: Dat hoort er nou eenmaal bij.
Leerling: Niemand zo voorspelbaar als u.
Meester: Niets zo effectief als ‘Nou dat weer’.
Leerling: Om wat te bereiken?
Meester: Nou dat weer.