Brieven verlichting; de vrijheid voorbij

De vrijheid voorbij; brieven over verlichting en niet-weten. ‘Zolang je denkt dat je de dingen kunt zien zoals ze zijn, zul je nooit vrij zijn.’

Dwaalgids > Verlichting > Brieven verlichting; de vrijheid voorbij

Verder lezen: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien, Catch 22 Metaforen voor verlichting, Grote Twijfel, Grote Verlichting, Hoera, verlicht?

Vrijer

Beste Hans,
Adyashanti noemt verlichting ‘het geschenk van vrijheid aan de hele wereld’. Hij stelt:

‘Totdat de hele wereld vrij is om het met je eens of oneens te zijn, totdat je iedereen de vrijheid hebt geschonken je aardig of niet aardig te vinden, van je te houden of je te haten, de dingen te zien zoals zij zijn of ze anders te zien – totdat je de hele wereld zijn vrijheid hebt geschonken – zul je nooit vrij zijn.’

(geciteerd in Transmissie en Transcendentie, Nico Tydeman, 2013, p229)

Beste X,
Die Ad.

Beste Hans,
Zijn naam is Adyashanti.

Beste X,
Het staat hem vrij om zichzelf te noemen zoals hij wil.
Het staat jou vrij om hem te noemen zoals hij wil.
Het staat mij vrij om hem te noemen zoals ik wil.

Beste Hans,
Maar wat vind je van zijn zienswijze?

Beste X,
Het staat hem vrij om de dingen te zien zoals ze zijn of ze anders te zien.

Beste Hans,
Je bent het er dus mee eens?

Beste X,
Ik ben het er niet mee eens.

Beste Hans,
Waarom niet?

Beste X,
Totdat je jezelf de vrijheid hebt geschonken om niet de hele wereld de vrijheid te hoeven schenken om het met je eens of oneens te zijn, om je aardig of niet aardig te vinden, van je te houden of je te haten, de dingen te zien zoals ze zijn of ze anders te zien, zul je nooit vrij zijn.

Beste Hans,
Je hebt nog gelijk ook.

Beste X,
Welnee.

Beste Hans,
Niet?

Beste X,
Zolang je denkt dat het je vrij staat om jezelf de vrijheid te schenken, zul je nooit vrij zijn.

Beste Hans,
Bedoel je dat het je niet vrij staat om jezelf de vrijheid te schenken?

Beste X,
Zolang je denkt dat het je niet vrij staat om jezelf de vrijheid te schenken, zul je nooit vrij zijn.

Beste Hans,
Het gaat er toch om de hele wereld de vrijheid te schenken?

Beste X,
Zolang je denkt dat het je vrij staat om de hele wereld de vrijheid te schenken, zul je nooit vrij zijn.
Zolang je denkt dat het je niet vrij staat om de hele wereld de vrijheid te schenken, zul je nooit vrij zijn.

Beste Hans,
Zie jij de dingen zoals ze zijn of zie je ze anders?

Beste X,
Zolang je denkt dat je de dingen kunt zien zoals ze zijn, zul je nooit vrij zijn.
Zolang je denkt dat je de dingen niet kunt zien zoals ze zijn, zul je nooit vrij zijn.

Beste Hans,
Wat is vrijheid voor jou?

Beste X,
Zolang je denkt in termen van vrijheid en onvrijheid zul je heen en weer slingeren tussen vrijheid en onvrijheid.
Zolang je denkt in termen van kunnen en niet-kunnen zul je heen en weer slingeren tussen kunnen en niet-kunnen.
Zolang je denkt in termen van eens en oneens zul je heen en weer slingeren tussen eens en oneens.
Zolang je denkt in termen van aardig en onaardig zul je heen en weer slingeren tussen aardig en onaardig.
Zolang je denkt in termen van houden van en haten zul je heen en weer slingeren tussen houden van en haten.
Zolang je denkt in termen van ik en de wereld zul je heen en weer slingeren tussen ik en de wereld.
Zolang je denkt in termen van de dingen zoals we ze zien en de dingen zoals ze zijn, zul je heen en weer slingeren tussen de dingen zoals we ze zien en de dingen zoals ze zijn.

Beste Hans,
Ben jij verlicht?

Beste X,
Zolang je denkt in termen van verlicht en onverlicht zul je heen en weer slingeren tussen verlicht en onverlicht.

Beste Hans,
Is Adyashanti verlicht?

Beste X,
Zolang je denkt in termen van verlicht en onverlicht zul je heen en weer slingeren tussen verlicht en onverlicht.

Beste Hans,
Niet-weten betekent niet meer in tegenstellingen denken?

Beste X,
Zolang je denkt in termen van weten en niet-weten zul je heen en weer slingeren tussen weten en niet-weten.
Zolang je denkt in termen van denken in tegenstellingen en denken zonder tegenstellingen, zul je heen en weer slingeren tussen denken in tegenstellingen en denken zonder tegenstellingen.

Beste Hans,
Niet denken lijkt mij de enige oplossing.

Beste X,
Zolang je denkt in termen van denken en niet-denken zul je heen en weer slingeren tussen denken en niet-denken.
Zolang je denkt in termen van problemen en oplossingen zul je heen en weer slingeren tussen problemen en oplossingen.

Beste Hans,
Ik durf zo langzamerhand niets meer te zeggen.

Beste X,
Zolang je denkt in termen van spreken en zwijgen zul je heen en weer slingeren tussen spreken en zwijgen.

Beste Hans,
Is jouw denken helemaal tot stilstand gekomen?

Beste X,
Soms staat het stil – eventjes.
Soms slingert het heen en weer – eventjes.

Beste Hans,
Jij bent het denken niet voorbij?

Beste X,
Ik kan wel zoveel denken.

Beste Hans,
Ben jij de vrijheid voorbij?

Beste X,
Ik ben het voorbij zijn voorbij. Jij?

Beste Hans,
Is dat jouw keuze of overkomt het je?

Beste X,
Zeg, ik blijf niet aan de gang.

Beste Hans,
Conclusie?

Beste X,
Vraag het dan maar aan Ad.

Beste Hans,
Zijn naam is Adyashanti.

Beste X,
En ik heet Hansepansie.

Grof geschut

Beste Hans,
Graag wou ik je een vraag stellen over vrijheid en niet-weten. Hoe verhoudt de vrijheid van niet-weten zich tot de vrijheid van het Zelf, geen-zelf, big mind, de non-dualiteit, de kenner, het Ene, de leegte, nirwana, het Nu, de Waarheid, de Werkelijkheid, niet-doen, Zijn en noem maar op? Geen moeilijke antwoorden graag; het gaat me om je persoonlijke ondervinding.

Beste X,
Ik weet niet zo goed wat al die moeilijke termen die je zo argeloos laat vallen precies voor jou betekenen, dus schrijf ik mijn antwoord, of liever, mijn wedervraag, maar even uit voor iedere term.
Zie het maar als een schot hagel:

Groot is de vrijheid van wie het ego doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het zelf doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het zelf doorziet.
Groter is de vrijheid van wie geen-zelf doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie small mind doorziet.
Groter is de vrijheid van wie big mind doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie de dualiteit doorziet.
Groter is de vrijheid van wie de non-dualiteit doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het gekende doorziet.
Groter is de vrijheid van wie de kenner doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het vele doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het ene doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie de vorm doorziet.
Groter is de vrijheid van wie de leegte doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie samsara doorziet.
Groter is de vrijheid van wie nirwana doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie de tijd doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het nu doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie de leugen doorziet.
Groter is de vrijheid van wie de waarheid doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie de illusie doorziet.
Groter is de vrijheid van wie de werkelijkheid doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het doen doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het niet-doen doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het oordelen doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het niet-oordelen doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het worden doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het zijn doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Hoe groot is de vrijheid van wie niet weet?

Groot is de vrijheid van wie het weten doorziet.
Groter is de vrijheid van wie het niet-weten doorziet.
Groots is de vrijheid van wie het doorzien doorziet.
Maar wat heet eigenlijk vrijheid?

Ik hoop dat je deze tekst doorziet, en anders staat het je vrij om hem af te schieten.

Vergeet het maar

Beste Hans,
Volgens Socrates is leren in de herinnering brengen van wat je vergeten bent. Dit sluit aan bij de opvatting van diverse tradities over verlichting als iets wat vroeg in je leven toegedekt raakt en later met veel moeite weer ontsloten moet worden. Wat versta jij onder leren? Wat is verlichting volgens jou? Vrijheid?

Beste X,
Socrates was naar verluid een pedagoog.
Iets wat we van mij niet kunnen zeggen.
Daarom waag ik me liever niet aan een definitie van leren.
Misschien zou je niet-weten kunnen definiëren als vergeten wat je hebt geleerd.
Klinkt goed.
Ik heb echter nog nooit iemand gezien die moedwillig iets wist te vergeten.
Dus wat schiet je ermee op?
Ikzelf ben ook niet tot niet-weten gekomen door te vergeten wat ik heb geleerd, en ook niet door mij iets in herinnering te brengen dat ik vergeten was.
Ik wil best aannemen dat ik als foetus ook niks wist, al gold dat natuurlijk niet voor mijn lichaam, dat verdomd goed wist waar het mee bezig was, al zou het dat in geen drie komma vijf miljard jaar onder woorden kunnen brengen.
Helaas kan ik mij volstrekt niets herinneren uit mijn foetustijd, zelfs niet dat er zo’n tijd is geweest, laat staan dat ik durf bevestigen dat mijn huidige niet-weten, zo daar inderdaad sprake van is, een terugkeer is naar die tijd, of naar een eerdere of latere tijd, of zelfs maar naar een tijdloos nu of toen of ooit of nooit.
Wat verlichting is, weet ik ook al niet.
Tenzij dat verlichting is.
Wel wil ik toegeven dat niet-weten verlichting gééft.
Of was het nou andersom?
Doet er niet toe.
Mij maakt het niks uit wat verlichting is, en óf het is, en ook niet wat Socrates vond of verloor of deed of liet, gesteld dat er zo iemand was of is, of wie dan ook, mezelf incluis.
En anders maar wel.

Nou, als dat geen vrijheid is…

Lees ook: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Afgedankt

Beste Hans,
Voor mij is verlichting eindeloze vrede. Voor jou lijkt het een eindeloze strijd.

Beste X,
Voor mij is verlichting een leeg woord.
Om toch te kunnen reageren, doe ik daarom net alsof je hebt geschreven: ‘Voor mij is verlichting eindeloze vrede. Voor jou is niet-weten een eindeloze strijd.’

En dan schrijf ik terug:

Sparren – strijden met een knipoog – is voor mij het mooiste wat er is.
Ik zie niet wat daar mis mee is en ik verlang niet naar het einde ervan.
Evengoed komt er steeds een einde aan, en dan begint het weer opnieuw.

Na strijd komt vrede, na vrede strijd.
Soms hoop ik dat de strijd aanhoudt, soms snak ik naar vrede, soms hoop ik dat de vrede aanhoudt, soms snak ik naar strijd.
Je ziet, er is niets eindeloos aan.
Noch aan de feiten, noch aan mijn gevoelens daarover.

Dat mijn leven voor jou toch een eindeloze strijd lijkt komt waarschijnlijk doordat je mijn website aanziet voor mijn leven.
Ik niet.
Evenmin zie ik mijn website aan voor iets anders.
Evenmin zie ik mijn leven aan voor iets anders.
Evenmin zie ik mezelf als iemand.
Evenmin zie ik mezelf als niemand.
Laat staan dat ik mezelf zie als verlicht of onverlicht of beide of geen van beide.

Ik denk niet in dat soort termen.
Doe ik het toch, dan dank ik ze onmiddellijk af.
Hoe vaak ik ze ook aangereikt krijg, uit welke hoek ook.
Maar om dat nou een eindeloze strijd te noemen?

Sterkte met je eindeloze vrede.

Beste Hans,
Ik denk dat ik het wel begrijp. Wat zich ook voordoet, jij weet alleen maar niet.

Beste X,
Ik denk niet in dat soort termen.
Doe ik het toch, dan dank ik ze onmiddellijk af.

 

Piekeren over piekervaringen

Beste Hans,
Als kind van een jaar of tien heb ik eens een heel bijzondere ervaring gehad die me nooit meer heeft losgelaten. Ik was ziek maar ik denk niet dat het er iets mee te maken heeft. Ik noemde die ervaring destijds, en nu nog steeds, mijn Buikgevoel. Gevoel is niet het goede woord maar ik weet niet hoe ik het anders moet noemen. Het voelde alsof alles licht en donker tegelijk was, zacht en hard, dicht en ijl, dik en dun. Alle extremen vertegenwoordigd en duidelijk aanwezig en toch niet van elkaar gescheiden. Het zinderde als elektriciteit, zacht als dons en toch intens als de bliksem. Het was in mij en ik was daarin. Vrede, volledige helderheid, het lichaam in rust maar helemaal levend en aanwezig ondanks mijn ziekte. Het klopte precies, vraag me niet waarom of waarmee, en ook al wist ik niet wat het was, het voelde… thuis. Iets heerlijkers bestond er niet. Later is dat gevoel nog vaak teruggekomen, vanzelf, zonder dat ik er iets voor hoefde te doen.

Ik heb het jarenlang voor me gehouden omdat ik niet wist hoe ik het onder woorden moest brengen. Hoe zeg je zoiets? Op een dag zei ik tegen mijn ouders: ‘Wat ik ben, zijn jullie in essentie ook, toch?’ Het was als vraag bedoeld en hun bevestiging was heel belangrijk voor mij, maar ze lachten erom. Mede door die ervaring begon ik mij lichamelijk en geestelijk af te sluiten, met alle gevolgen van dien. Een verhaal op zich maar dat doet er nu niet toe.

Als twintiger ben ik op onderzoek gegaan om erachter te komen wat dat Buikgevoel nou precies was, en vooral wat ik moest doen om het terug te krijgen. Tien jaar lang deed ik niets anders dan lezen, schrijven, leraren bezoeken en nadenken. Uiteindelijk heb ik ontdekt dat ‘ik’ daar helemaal niets voor kan doen. Integendeel, ieder doen staat het in de weg, maar hoe moest ik dat weten? Wat ik wel wist, puur intuïtief, was dat ik uiteindelijk tot één punt zou komen, dat ik alles tot één punt zou kunnen herleiden. Alleen was dat punt natuurlijk geen punt, maar de leegte.

Toen ik bij die leegte was uitgekomen, heb ik dezelfde weg nog eens afgelegd, maar nu in omgekeerde richting. Vanuit de leegte zag ik dat alles diezelfde nietsheid was. Om dat te kunnen bevatten heb ik er een draai aangegeven, aan die leegte, zodat het een negatief werd van de volheid, een antiding, een onsubstantie, enfin, een hoop geredeneer en gedoe om het allemaal kloppend te krijgen en vanuit de leegte terug te kunnen keren naar de wereld.

Natuurlijk kon ik er toen helemaal niets meer mee. Ik zat te weinig in mijn lijf, te veel in mijn hoofd en ik raakte steeds verder van huis. Ik kon niets meer voelen, alleen nog maar denken, en mijn Buikgevoel was compleet onbereikbaar. Tot ik hoorde, las en uiteindelijk ook inzag dat het denken zelf gezien wordt door iets achter dat denken. Ik moest achter dat denken zien te geraken, het denken passeren door niet meer te denken, dat wil zeggen, door niets meer te weten.

Mijn laatste leraar (ik heb er al heel wat versleten!) heeft mij helpen inzien dat mijn lichaam geen object is. Ik besta, ik leef, ik ben er gewoon, hier en nu, er is gewoon Bestaan, Zijn, Leven, alleen maar Dit. Een Zelf maar geen zelf, niet een ‘ik’ die er is, mijn hart slaat vanzelf, ik haal vanzelf adem, het regelt zichzelf, het doet zichzelf, daar ben ik niet voor nodig. Maar ja. Ondertussen schuilt er in dit Leven dat zichzelf schijnt te leven gewoon een heel bang meisje, dat als kind werd uitgelachen vanwege haar ideeën over wie ze echt was.

Mijn Buikgevoel klopt, dat weet ik heel zeker. Maar ook al heb ik het gevoel dat het echt niet anders kan zijn, toch wilde en wil ik het van iemand anders horen. Zo’n paradox: ik weet dat de ander eigenlijk alleen in mij bestaat. En dan toch van ‘hem’ of ‘haar’ willen horen… Nog zo’n paradox: hoe kan ik nou zeker weten dat mijn Buikgevoel klopt als ik al sinds vele jaren weet dat er niets te weten valt? Bovendien, hoe helder het ook is, dat gevoel komt en gaat. Volgens advaita is alles wat komt en gaat niet echt. Maar juist vanuit het kennen, als alles echt stil is in mij, als ik mijn lichaam even niet zie als een object, als het ego zich er even niet mee bemoeit of ermee aan de haal probeert te gaan, dan komt het Buikgevoel vanzelf weer op. Soms blijft het zelfs even hangen maar dan begint al gauw het gedoe met het ego weer, dat het veroordeelt of claimt.

Al die tegenstrijdigheid. Wat klopt hier nou wel of niet? Ik weet niet of ik mij duidelijk heb uitgedrukt. Snap je mijn probleem? Mijn leraar geloof ik niet. Die heeft het steeds over ‘Intimiteit’ in de zin van ‘de smaak van het Zijn dat wij delen’. Ik probeer er al jaren achter te komen of zijn Intimiteit gewoon een ander woord is voor mijn Buikgevoel, maar daar komen we blijkbaar niet uit. Vandaar dat ik nu mijn pijlen op jou richt.

Beste X,
Dank je wel dat je deze versie van je levensverhaal met me hebt willen delen.
Ik zeg ‘deze versie’ omdat je, als je een beetje op mij lijkt, je levensverhaal wel voortdurend zult herschrijven, en het tien jaar geleden een heel ander verhaal geweest zal zijn dan nu, en over tien jaar weer een heel ander verhaal.
Zal het ooit stabiel worden?
Je hoopt waarschijnlijk van wel, dat geeft een beetje houvast.
Mij is het niet gelukt, ik denk niet dat mijn levensverhaal ooit stabiel zal worden.
Dat kan me inmiddels niks meer schelen want ik hecht er hoegenaamd geen waarde meer aan, aan mijn levensverhaal – juist doordat het almaar blijft veranderen.
Het is voornamelijk amusant.
Toch, of juist daardoor, kan ik nog altijd niet stoppen met praatjes maken.
Ik blijf maar over mezelf leuteren.
Op grond waarvan?
Geen water zo dun als spraakwater.

Snap ik jouw probleem?
Volgens mij zit je met twee kwesties in je eh… maag:
Ten eerste hoe je je Buikgevoel moet rijmen met niet weten.
Je weet dat je gevoel klopt, dat het waar is, dat het iets over de werkelijkheid zegt, misschien wel over de hoogste werkelijkheid, maar je weet ook dat je niets kunt weten, dus ook niet over de waarheid of de hoogste werkelijkheid.
Ten tweede hoe je je Buikgevoel moet rijmen met advaita.
Je gevoel zit aan de ‘gekende kant’ terwijl het diepste zelf juist het onvergankelijke, onkenbare kennen zou zijn.
In beide gevallen is je Buikgevoel een waardeloze illusie, terwijl het nou net het heerlijkste, mooiste en meest authentieke is wat je ooit hebt ervaren.

Kun je je hierin een beetje vinden? Ik hoop het maar. Op deze parafrase, correct of incorrect, is de rest van mijn brief gebaseerd.

1. In je buik of uit je buik

De makkelijkste manier om aan een paradox te ontsnappen is: hem laten bestaan.
Ik bedoel, waarom moet je Buikgevoel in overeenstemming worden gebracht met niet weten en advaita?
Waarom moet je logisch zijn?
Als ik je Buikgevoel goed begrijp is het een (variatie op de gedachte van de) eenheid van tegendelen, waarin licht en donker, zacht en hard, dicht en ijl, dik en dun rustig naast elkaar bestaan.
Is er in die Buik misschien ook ruimte voor de tegenstellingen uit je paradoxen: weten en niet-weten, Buikgevoel en niet-weten, Buikgevoel en advaita, de gekende kant en de kennende kant?
Zo ja, wat is dan nog het probleem?
Geen probleem.
In ieder geval niet in je buik.
Vanuit je buik.
Als buik.

Daarbuiten is natuurlijk een andere zaak.
En als ik het goed begrijp ga je veelvuldig uit je Buik.

2. Niet weten versus niet weten

Wat betreft de eerste paradox (hoe valt mijn Buikgevoel te rijmen met niet weten): een radicaal niet weten is op zichzelf al paradoxaal.
Als je niets weet, dan ook niet dat je niets weet.
Net als met de beroemde leugenaarsparadox: ‘Deze zin is gelogen’.
Als hij waar is, is hij onwaar en als hij onwaar is, is hij waar.
Een radicaal niet weten gaat onmiddellijk aan zichzelf ten gronde.
Dat kun je zien als het einde van niet weten of als het toppunt ervan of beide of geen van beide.
Hoe je het ook ziet, het resultaat is dat je niet langer iets weet en niet langer niets weet.
In die zin is ieder (niet) weten een wetend niet-weten.
Zowel het weten als het niet-weten staan voorgoed tussen aanhalingstekens.

Niet weten is inderdaad niet te verenigen met een Buikgevoel dat klopt.
Maar ‘niet weten’ is probleemloos te verenigen met ‘een Buikgevoel dat klopt’.
De aanhalingstekens duiden op een onvoorwaardelijk voorbehoud, of liever, een ‘onvoorwaardelijk voorbehoud’.
Je gelooft in geen van beide heilig.
Noch in niet-weten, noch in je Buikgevoel.
De aanhalingstekens staan voor een schouderophalen.
Voor een wegwerpgebaar.
Voor een hartgrondig ‘tja’.
Daar zit geen paradox meer in.

3. Advaita versus advaita

Aan de tweede paradox (hoe valt mijn Buikgevoel te rijmen met advaita) kun je op soortgelijke wijze ontsnappen: door de ijzeren logica van de advaita vedanta tegen zichzelf in te zetten.
Advaita stelt dat alle ervaringen, dus ook op je Buikgevoel, aan de ‘gekende’ kant zitten.
Alles aan de gekende kant is vergankelijk en dus, vanuit het perspectief van de eeuwigheid, van nul en generlei waarde.
Dat geldt dan natuurlijk ook voor de advaitavada, die immers zelf tot de gekende kant behoort.
Weg ermee, probleem opgelost.
Of in termen van de bekende metafoor: dat je ‘het doek bent, niet de film’, is niet de hoogste waarheid maar gewoon de volgende film.

Je kunt ook vraagtekens zetten bij het merkwaardige uitgangspunt dat het ware onveranderlijk moet zijn.
Waarom eigenlijk?
Wie zegt dat op wiens gezag?
Waarom zou het tijdelijke onecht zijn in plaats van echt maar tijdelijk?
Of je zet vraagtekens bij het onderscheid tussen het kennen en het gekende, tussen het bewustzijn en zijn inhouden, waarop advaita patent schijnt te hebben.
Waarom zou het gekende niet zelfkennend zijn?
Is er wel zoiets als een bewustzijn los van zijn inhouden?
Hoe stel je dat vast, als het vermeende bewustzijn helemaal geen eigenschappen heeft?
Natuurkundigen uit de negentiende eeuw redeneerden dat lichtgolven net als geluidsgolven en watergolven een medium nodig hebben om zich in te kunnen verplaatsen, en noemden dat medium ether.
Die ether is nooit gevonden.
Waarom bewustzijn dan wel?

Net zoals een consequent doorgeredeneerd niet-weten zichzelf vernietigt, waarna je met lege handen staat, maakt een consequent doorgeredeneerd advaita korte metten met zichzelf, waarna je met lege handen staat.
Onderweg ziet de wereld er vanuit niet weten misschien anders uit dan vanuit advaita, maar in de limiet komen ze op hetzelfde neer.
Waarop?
Nergens op.

Hoe moeten we dit ‘nergens op’ omschrijven zonder meteen teveel te zeggen?

  • Het weten voorbij?
  • Niet-weten voorbij?
  • De dualiteit voorbij?
  • De non-dualiteit voorbij?
  • Het zijn voorbij?
  • De eenheid voorbij?
  • De essentie voorbij?
  • Advaita voorbij?
  • De Boeddha voorbij?
  • Zen voorbij?
  • Dao voorbij?
  • Het voorbijzijn voorbij?

Je kunt van verlichting spreken of van verduistering of toch maar weer van niet-weten.
Je kunt het een debacle noemen of een triomf of beide of geen van beide.
Je kunt ‘tja’ zeggen, je schouders ophalen of je mond houden.
Wat maakt het allemaal uit?

4. Gevoel versus betekenis

De gemeenschappelijke term van je paradoxen is je Buikgevoel.
Uit je brief krijg ik de indruk dat dit Buikgevoel voor jou niet alleen een heerlijke, voorbijgaande ervaring is maar ook, en misschien wel vooral, een manifestatie van de Waarheid of de hoogste Werkelijkheid of het Leven of het Zijn dat je ten diepste zou zijn.
Maar is het dat wel?
Hoe stel je zoiets vast?

Zelf heb ik ook allerlei mooie en rare ervaringen.
Ik spreek er niet graag over want dan gaan de mensen alleen maar denken dat het in niet weten om ervaringen gaat.
Ik heb het nog liever over mijn stoelgang.
Maar omdat je Buikgevoel in jouw brief centraal staat, maak ik vandaag een uitzondering.
Sta mij toe…

Soms voel ik grote dankbaarheid, soms voel ik mij gedragen door de wereld, soms voel ik een overweldigende, zalige nietigheid (laten we zeggen een puntgevoel) soms voel ik mij uitstromen naar en opgaan in de wereld, soms voel ik mij het water waar ik naar kijk of een blaadje dat erin drijft, dikwijls vervloeit mijn lichaam en verliest het zijn eigen vorm en contouren, soms hebben alle vormen en kleuren een verhevigde intensiteit, soms zindert en trilt alles alsof ik de atomen of de energie zelf kan zien, soms hou ik van alles en iedereen, vaak vind ik alles mysterieus en majestueus, vaak heb ik onder een oppervlakkige rusteloosheid een gevoel van diepe vrede, vaak zie ik in de spiegel tot mijn verbazing weer niet de glimlach op mijn gezicht die mijn hart verwarmt.
Sommige van deze ervaringen had ik vroeger ook, andere pas sinds ik niet meer weet.
Ze duren seconden, minuten, uren of vormen dagenlang de achtergrond waartegen allerlei andere ervaringen/verschijnselen optreden, die ermee in overeenstemming of eraan tegengesteld zijn.

Ik wil je niet verontrusten met mijn ervaringen.
Veel stelt het allemaal niet voor en eerlijk gezegd kunnen ze me allemaal gestolen worden.
Ze kunnen nauwelijks concurreren met zogenaamd normale ervaringen als ruiken, ademhalen, plassen of zwemmen.
Die zijn pas transcendentaal.
Waar het mij om gaat is het verschil tussen ervaringen enerzijds en de betekenis die je eraan hecht anderzijds.
Moet ik uit mijn diepe dankbaarheid concluderen dat het bestaan een cadeau is?
Moet ik uit mijn zalige nietigheid concluderen dat ik eigenlijk niets ben?
Moet ik uit mijn uitstromen naar de wereld concluderen dat ik eigenlijk alles ben?
Moet ik uit het zinderen van de dingen concluderen dat alles eigenlijk energie is?
Moet ik uit de verhevigde intensiteit van de dingen concluderen dat er een onbemiddelde werkelijkheid is waarmee ik op dat moment in contact sta?
Moet ik uit mijn aanvallen van liefde voor alles en iedereen concluderen dat ik liefde ben of alles liefde is?
Moet ik uit mijn aanvallen van be- en vervreemding concluderen dat het leven een mysterie is?
Moet ik uit mijn innerlijk vrede concluderen dat alles goed is zoals het is?
Zo ja, moet ik dan bij het uitblijven van deze ervaringen, dus tussen deze ervaringen in, mijn conclusies herroepen?
Moet ik bij tegengestelde ervaringen, bijvoorbeeld van ondankbaarheid, weerzin, hoogmoed, eenzaamheid, matheid en innerlijke onrust, tot tegengestelde conclusies komen?
Ik moet er niet aan denken.
Zo blijf ik aan het concluderen, voortdurend van het ene wereldbeeld in het andere schietend, van de ene waarheid in de volgende.

Voor mij is een mooie ervaring een mooie ervaring en niet meer dan dat.
Ik zal niet zeggen dat ik er nooit conclusies uit trek, maar ze vallen altijd meteen weer ten prooi aan niet weten, en klaar is Hans.
Ervaring weg, conclusie weg, wat nou weer.
Idem dito voor negatieve ervaringen.
Daarom is het voor mij geen enkel probleem dat mijn mooie ervaringen voorbijgaan.
Ik hang er immers niets aan op.
Geen diepste waarheid, geen hoogste werkelijkheid, geen egoloosheid of superego.
Ik vind mij geen bijzonder mens omdat ik iets wel of niet ervaar.
Ik vind mij geen verliezer omdat ik iets niet of wel ervaar.
Ik denk nooit: o jee, mijn mooie ervaring is voorbij, dan ben ik mijn lichaam zeker weer als object gaan zien of dan heeft mijn ego zeker weer de kop opgestoken.
Het voorbijgaan van mijn ervaringen betekent niet dat ik iets verkeerd doe, niet dat ik moet stoppen met iets te doen, niet dat ik moet niet-doen of moet loslaten.
Het voorbijgaan van mijn ervaringen betekent alleen maar het voorbijgaan van mijn ervaringen.
Het betekent niets.
Betekent het toch iets dan heeft dát niets te betekenen.
Heeft het dat toch dan heeft dát niets te betekenen.
Enzovoort.
Kortom, laat maar zitten.
Ik heb er niks aan, aan die ervaringen niet, ze brengen me niets anders dan zichzelf, dus kan ik ook niets kwijtraken als ze, zoals alle ervaringen altijd, weer de geest geven.

Mijn geest is een vrije radicaal.
Die bindt zich nergens aan.
Zelfs niet aan mij.
Niet weten is geen ervaring.
Het heeft geen ervaringen nodig.
Het heeft er ook geen last van.
Niet weten is immuun voor ervaringen.

Wanneer je ervaringen alleen maar ziet als ervaringen en niet als vingers die naar de maan wijzen, dan dondert het niet wat anderen ervan vinden.
Jij hebt je Buikgevoel, dat is een fijn gevoel, het fijnste dat je kent, een thuiskomen, wat maakt het uit of anderen het herkennen of erkennen?
Waarom moeten je ouders het bevestigen?
Waarom moeten de boekjes het bevestigen?
Waarom moeten je leraren het bevestigen?
Waarom moet ik het bevestigen?
Wat maakt het uit of de intimiteit van leraar W of de universele liefde van leraar X of het orgasme van leraar Y of de eenheidservaring van leraar Z of de innerlijke glimlach van Hans van Dam in wezen of in grote lijnen identiek zijn aan of verschillend van jouw Buikgevoel?
Het is toch maar een gevoel?

Nu we het er toch over hebben:
Waarom is het zo erg dat je ouders jou niet begrijpen?
Jij kunt of wilt hen toch ook niet begrijpen?
Jij deed of doet toch ook niet méér je best om hen te begrijpen in hun onbegrip voor jou, in hun gezonde verstand, in hun overtuiging, neem ik nu maar even aan, dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen menselijke individuen onderling en tussen de mens en zijn wereld?
Probeer zelf eerst maar eens wat begrip op te brengen voor je ouders, zou ik zeggen, voor je aanspraak maakt op het hunne.
Ook het onbegrip tussen jou en je leraren schijnt wederzijds te zijn, en wat doe je eraan.
Ikzelf zou jouw Buikgevoel kunnen gaan duiden in termen van niet weten, maar wat schiet je ermee op?
Het enige wat het oplevert is wéér een analogie, met de onvermijdelijke overeenkomsten en de al even onvermijdelijke verschillen.
Ik dank je lekker; straks ga je mij nog als je volgende leraar zien ook.
Al is het dan maar een mentor die niet weet en niets te zeggen heeft.
Zelfs niet dat hij niet weet en niets te zeggen heeft.
Dementor Hans.
Nee, zo blijf je aan de gang.
Om over je arme leraren nog maar te zwijgen…

Volgens mij zijn er geen betere termen dan je eigen termen.
Alleen wie geen eigen woorden kan vinden moet genoegen nemen met die van anderen.
Ik garandeer je, die zijn altijd te groot of te klein.
Meestal te groot, vrees ik.
Extra extra large.
Bewustzijn!
Boeddha!
Brahman!
Essentie!
Dao!
God!
Liefde!
Mededogen!
Eeuwigheid!
Ga toch lekker in die Buik van je zitten, laat die Buik lekker in jou zitten, jullie passen elkaar als een handschoen, iets passenders zul je misschien nooit vinden.

Kun je leven met de gedachte dat nooit iemand je Buikervaring onvoorwaardelijk zal bevestigen of dat een onverhoopte bevestiging niets zal veranderen?
Nee?
Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch steeds naar bevestiging zult blijven zoeken?
Nee?
Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte?
Nee?

Kun je leven met de gedachte dat je Buikervaring komt en gaat, wat je ook doet of laat?
Nee?
Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch blijft doen en laten?
Nee?
Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte?
Nee?

Kun je leven met de gedachte dat je misschien nooit zult weten wat je Buikervaring precies betekent en of hij wel iets betekent?
Nee?
Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch blijft interpreteren en verklaren?
Nee?
Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte?
Nee?

Maakt niet uit, meisje.
Het zijn allemaal maar gedachten.
Ook dit is maar een gedachte.
En het is met gedachten al net als met ervaringen:
Ze komen en gaan, en even later sta je weer met lege handen.

Bij wijze van toetje nog een paar laatste opmerkingen.

Jouw gedachte dat alles leegte is, ken ik onder meer uit het boeddhisme.
Zelf kan ik dat bevestigen noch ontkennen.
Van alles weet ik niets.
Van niets ook niet.
Heb je er weleens bij stilgestaan dat het concept ‘leegte’ zelf ook leeg zou kunnen zijn?

Dat het denken gepasseerd kan worden door niets meer te denken, weet ik ook niet.
Zelf ben ik het denken niet voorbij.
Ik heb weleens gelezen van mensen die urenlang niks denken, sommige Aspergers bijvoorbeeld, of wie weet de doden.
Van U.G. Krishnamurti meen ik me een passage te herinneren waarin hij verklaart dat zijn denken van nature stilstaat, dat de tijd verstrijkt zonder te verstrijken totdat iets, of iemand, of zijn lichaam, wat roept of vraagt, en het denken weer op gang helpt.
Zodra het zijn taak volbracht heeft, valt het weer stil.
Dat heb ik zelf nog nooit meegemaakt.
Behalve misschien tijdens de zogenaamde droomloze slaap, maar daar heb ik geen concrete herinneringen aan.
Had ik ze wel dan zou ik ze niet vertrouwen.
Verder is het bij mij altijd bal.
Voor getuigenissen over gedachteloosheid moet je dus niet bij mij zijn.

Voor mij is niet denken niet hetzelfde als niet weten, zoals jij suggereert.
Niet weten is eerder een alternatieve vorm van denken.
Een zelfbewust en zelfvernietigend denken.
Een denken dat spontaan tegenwicht biedt, of lijkt te bieden, aan het wetende denken wanneer en voor zolang dat nodig is.
En dan zelf in rook opgaat.
Of zo nodig op zijn beurt weersproken wordt door een volgende gedachte, enzovoort.

Dat de ander, van wie je bevestiging zoekt, alleen in jou zou bestaan is een solipsistische gedachte.
Het solipsisme is bij mijn weten noch te bewijzen noch te ontkrachten.
Sommigen nemen het voor waar aan en putten er troost en kracht uit.
Anderen nemen het voor waar aan en worden er eenzaam en verdrietig van.
Weer anderen houden het voor onwaar.
Ikzelf houd het alleen maar voor mogelijk, wat het onmogelijk maakt er conclusies uit te trekken.
Dat is wel zo rustig.

Zelf ben ik weliswaar een liefhebber van filosofie en kan ik enorm van genieten van al die maffe ideeën, maar alleen nog als verschijnsel, niet meer als potentiële waarheid.
Net als bloemen vind ik theorieën prachtig om naar te kijken, maar wat ik er verder mee moet?
Wat mij betreft is er in de spiritualiteit geen plaats voor welke theorie dan ook.
Een vrijplaats, een asiel, een terp, ademruimte, een lege ark doelloos ronddrijvend in een onafzienbare zee van wetendheid; dat is spiritualiteit voor mij.
Niet meer en niet minder.
Al denken de meeste mensen daar anders over.

Net als in jou schuilt er in mij ook een bang meisje. Jongetje. Diertje.
Of Angsthaas en ik ooit van elkaar verlost zullen worden betwijfel ik.
Of ik ooit verlost zal worden van mijn incidentele verlangen ervan verlost te worden betwijfel ik ook.
Of ik dat incidentele verlangen moet opvatten als een betrouwbaar signaal vanuit een of andere onderliggende (semi)permanente structuur, Hans van Dam genaamd, betwijfel ik ook.
Dat die structuur niet meer dan een gedachte is, betwijfel ik ook.
Enzovoort, enzovoort.

Conclusie?

Beste Hans,
Diep in mijn hart heb ik altijd gehoopt dat iemand mij nog eens schaakmat zou zetten, helemaal. Alle ruimte krijgen en tegelijk geen kant meer op kunnen. Gewoon perplex staan. Niet vanwege één idee of ervaring of gebeurtenis of toestand maar totaal. En wat er dan overblijft, of niet overblijft…

Is er nu iets verandert? Misschien alles. Misschien niets. Moet er iets veranderen? Moet er iets hetzelfde blijven? Ik kan eigenlijk niets anders zeggen dan ‘bedankt’. En ik weet niet eens waarvoor!

Tip: Liefde is puntje puntje puntje

Grot of God

Beste Hans,
Ooit heb ik mij overmoedig op Plato geworpen, de grootste, of in ieder geval meest bekende, westerse filosoof, in de hoop iets van het leven te begrijpen. Bij het lezen daarvan is mijn verstand helaas op tilt geslagen en heb ik ingezien dat ik niet verstandig genoeg was om dit alles te begrijpen. Erger nog, de eerlijkheid gebood me onder ogen te zien dat ik totaal niets weet en dat er verder ook niemand iets weet.

Dit inzicht van de beperktheid van mijn en het verstand leidde een lange, helse periode in van diepe angst, een besef van uiterste nietigheid en volslagen nutteloosheid.
In die verstilde, ontsluierde geest echter kwamen na verloop van tijd inzichten aanwaaien die zo eenvoudig en mooi en goed zijn dat je onmiddellijk begrijpt wat er bedoeld wordt met ‘Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen’ (Mattheüs 5:3).

Ik weet dat je allergisch bent voor mooipraterij, Hans, maar het Eeuwige is voor mij geen kwestie meer van geloven. Mijn periode van geloven, niet geloven, weten en niet weten is reeds lang voorbij. Voor mij is alles ongelooflijk wonderlijk. Het leven is een mysterie en dat mysterie heet God.

Hartelijke groeten.

Beste X,
Zelf heb ik de uitgang van Plato’s grot ook niet kunnen vinden en het schimmenspel op de muur bleek althans voor Hans van Dam geen schimmenspel op de muur te zijn – maar wat dan wel?
Mijn verstand sloeg echter niet op tilt bij het lezen van Plato maar na een periode van intensief reflecteren waarin ik, buiten de literatuur om, voor mezelf probeerde te redden wat er te redden viel.
Ik moest en zou iets vinden.
Een waarheid, hoe minimaal ook.
Als er geen reddingsboei te vinden was, dan maar een kurk.
Als er geen kurk te vinden was, dan maar een luchtbel.
Ik vond en verloor en vond en verloor.
En verloor.

Na mijn, wat zal ik zeggen, geestelijke bankroet, was ik een maand lang euforisch.
Zo blij was ik, zo opgelucht ook, en tegelijkertijd verbijsterd, dat mijn doorbraak, mijn grootste triomf, want zo voelde het, nou net mijn afbraak, mijn grootste debacle moest wezen, want zo voelde het.
Ik had ogen als kolen en kon bij iedere gedachte alleen nog maar stamelen:
‘En dat ook niet!’ ‘En dat ook niet!’ ‘En dat ook niet!’
Meer woorden had ik niet nodig.
Meer woorden had ik niet.
Tot groot vermaak van mijn vrouw.
Daarna werd ik langzaam rustiger.
Niet weten verliet me niet meer, heeft me nooit meer verlaten (behalve ’s nachts in mijn dromen) maar mijn stemming sloeg langzamerhand om en toen een half jaar later de lente aanbrak, begon ik zomaar te huilen.
Dag in, dag uit sprongen mij zonder aanwijsbare reden de tranen in de ogen.
Ik was niet bang, zoals jij, en ook niet depressief.
Ik voelde me niet uiterst nietig of volslagen nutteloos.
Alleen maar stuurloos en verdrietig.
Ik moest huilen en kwam er maar niet achter waardoor.
Om er een mooi verhaaltje van te maken zou ik achteraf kunnen zeggen dat ik in de rouw was door het verlies van (het heilige geloof in) mijn denkbeelden (zelfbeelden, mensbeelden, lichaamsbeelden, wereldbeelden, toekomstbeelden, herinneringsbeelden, voorbeelden, wensbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, doodsbeelden en noem maar op).
De donkere ochtend van de ziel.
Maar ook dat is slechts een denkbeeld, dat ik destijds al niet kon bevestigen, laat staan nu, vijf jaar later.
Liever kijk ik erop terug als een misschien begrijpelijke maar uiteindelijk onverklaard gebleven periode van droefenis, die de hele lente aanhield en pas in de loop van de zomer ongemerkt wegtrok.

‘Niet weten’ is, zoals iedere term, misleidend.
Weten dat je niets weet behoort nog steeds tot het weten.
Het blijft een reddingsboei en verzuipen doe je pas als ook je zogenaamde niet weten aan zichzelf ten prooi valt.
Als je zelfs niet meer weet van niet weten.
Als je zelfs niet meer gelooft in niet geloven.
Als je zelfs het weggooien hebt weggegooid.
Als je zelfs het kwijtraken bent kwijtgeraakt.
Is dat het einde van niet weten en niet geloven of integendeel het toppunt ervan?
Ik zou het echt niet weten.
Want niet weten is natuurlijk helemaal niet afgelopen als het is afgelopen.
Alleen staat het vanaf dat moment zelf evenzeer onder verdenking als alle andere gedachten.
Waaronder de gedachte dat niet weten vanaf dat moment zelf evenzeer onder verdenking staat als alle andere gedachten.
Maar ook de gedachte dat ‘verder ook niemand iets weet’, zoals jij claimt.
Zeker weten?
Hoe stel je zoiets vast?
Of de gedachte dat je ‘uiterst nietig en volslagen nutteloos’ bent.
In vergelijking waarmee?
Voor wie of wat?
Of de gedachte dat alles ‘ongelooflijk wonderlijk’ is.

Want is ‘alles’ niet net zo vaak ongelooflijk gewoon?
En is die ongelooflijke gewoonheid, en de transformatie van het ongelooflijk gewone in het ongelooflijk wonderlijke en omgekeerd, op haar beurt niet ongelooflijk wonderlijk of gewoon, net zo het komt? – of zijn dat en dit ook maar weer gedachten?
Om nog maar te zwijgen over de gedachte dat het leven een mysterie is dat God heet.
Waar blijft dat ‘leven’, waar blijft dat ‘mysterie’, waar blijft die ‘God’, als de dragende gedachte, zoals alle gedachten, een paar seconden later alweer gevlogen is?
In het koninkrijk der hemelen, zul je zeggen.
Of is dat ook maar weer een gedachte?

Het komt mij voor dat degene die de totale armoede van geest heeft gevonden, of liever, onophoudelijk ondervindt of herontdekt, zichzelf nooit als zalig zou omschrijven maar hooguit, en dan nog alleen met het pistool tegen het hoofd, als zalig noch onzalig.
Noem dit desnoods projectie.
Zelf ben ik voor zover ik weet in ieder geval niet het eeuwige deelachtig, noch het koninkrijk, noch de hemel.
Ik ben weliswaar bij vlagen vredig en gelukkig en incidenteel zelfs lyrisch, al dan niet inzake niet weten, maar bij andere vlagen bijvoorbeeld boos, rusteloos, bang, gierig, agressief, lusteloos, verveeld, geïrriteerd of overprikkeld – vooral dit laatste.
Of moeten we uit de veelzijdigheid van mijn gevoelsleven opmaken dat ik nog altijd rijk van geest ben?
God mag het weten.

Hartelijke grotten,

Hans

Mijn schat

Beste Hans,
Op je startpagina heb je het over ‘de schat van niet-weten’. Is niet weten werkelijk een schat? Is het jouw grootste schat? Waarom kan ik het niet als schat herkennen?

Beste X,
Een glimlach kun je van me krijgen.
Een knipoog doe ik er gratis bij.
Verder heb ik niets te zeggen.
Niets om uit te leggen.
Dat is mijn schat.

Beste Hans,
Dat snap ik niet.

Beste X,
Ik heb geen schat.
Niet dat ik weet.

Ik ben geen schat.
Niet dat ik weet.

Ik hoef geen schat.
Niet dat ik weet.

Dat is mijn schat.
Voor zover ik weet.

De schat zonder schat.
De schat van niet weten.

Beste Hans,
Bedoel je dat er geen schat is?

Beste X,
Dat weet ik niet.
Ook dat is mijn schat.

Beste Hans,
Is niet weten je grote liefde?

Beste X,
Zeker, al is het niet mijn enige.

Beste Hans,
Zou je er je leven voor geven?

Beste X,
Ik heb er mijn leven al voor gegeven, en ik geef het steeds opnieuw. Ieder moment van de dag.

Beste Hans,
Ik bedoel, letterlijk.

Beste X,
Stel dat ik moest kiezen tussen de schat van niet weten en de schat die Lucienne heet en waarmee ik getrouwd ben.
Of tussen niet weten en mijn tong, waarmee ik eet en drink en klets.
Of tussen niet weten en mijn huis of mijn schoenen of een goed gevulde supermarkt.
Of tussen niet weten en een goede stoelgang.
Ik zou niet kunnen kiezen.
Ik koos alles.
Ik koos niet weten én Lucienne én mijn tong én mijn huis én mijn schoenen én een goed gevulde supermarkt én een goede stoelgang.

Beste Hans,
En met het mes op de keel?

Beste X,
Moest ik kiezen met het mes op de keel dan koos ik voor kiezen in plaats van een mes in mijn keel.
Dan koos ik voor alles behalve niet weten.
Mijn niet-weten voor mijn vrouw.
Mijn niet-weten voor mijn tong.
Mijn niet-weten voor mijn huis.
Mijn niet-weten voor mijn schoenen.
Mijn niet-weten voor een supermarkt.
Mijn niet-weten voor een goede stoelgang.
En mijn niet-weten voor mijn niet-weten natuurlijk.
Maar dat zei ik al.

Beste Hans,
Voor een goede stoelgang?

Beste X,
Mijn koninkrijk voor een goede stoelgang.
Maar ja.
Wie zal het als betaling aanvaarden?
Niemand wil het hebben.
Zelfs niet voor niks.
Zelfs niet met geld toe.

Eerlijk gezegd denk ik niet dat ik er nog ooit vanaf zal komen.
Van mijn schat.
Mijn lege schat.
Mijn waardeloze schat.
Mijn onbetaalbare schat.
Mijn onvervreemdbare schat.

De schat van niet weten.

Beste Hans,
Ik snap er niks van, maar je bent een schat.

Geraffineerd

Beste Hans,
Nooit eerder heb ik iemand zo gemakkelijk paradoxen aan elkaar zien rijgen als jij. Maar je kunt van gewone stervelingen toch niet verwachten dat ze hun niet-weten op deze manier uitdrukken?

Beste X,
Nee zeg, stel je voor. Maar waarom zou je je niet weten ook willen uitdrukken? Dat heeft toch helemaal geen zin. Behalve voor gewone stervelingen als ik die toch niks beters te doen hebben.

In de praktijk betekent niet-weten gewoon je schouders ophalen over alle dwaze gedachten die de hele dag door je hoofd schieten.
Waaronder deze.
Dat is alles.

Paradoxen gebruik ik alleen maar om niets te zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen.
Niets zeggen zonder meteen in stilzwijgen te vervallen doe ik alleen maar om mensen een voorproefje van de smaak van niet-weten te geven.
Dat kan misschien ook op andere manieren (als het überhaupt al kan) maar dit is toevallig de mijne.

Beste Hans,
Ik vind het eerlijk gezegd nogal intimiderend allemaal.

Beste X,
Inderdaad relativeert mijn denken zichzelf onophoudelijk, maar toch niet zo expliciet en gecontroleerd als mijn schrijfsels doen geloven.
Dwaalteksten zijn bouwwerkjes die langzaam tot stand komen, waarbij ik de innerlijke tegenstrijdigheid van de tekst stap voor stap verhoog en verfijn.

Beste Hans,
Hoe verhoudt jouw denken zich tot je teksten?

Beste X,
Als suikerbieten tot kristalsuiker.

Beste Hans,
Een hele geruststelling.

Beste X,
Zeker weten.

Beste Hans,
Maar als je alleen maar een voorproefje van de smaak van niet-weten wilt geven, waarom schrijf je dan niet gewoon je gedachten uit zoals ze je invallen?

Beste X,
Waarom doe jij niet gewoon suikerbieten in je koffie?

Beste Hans,
Ik hou niet van koude koffie.

Beste X,
Ik hou niet van troebele teksten.

Beste Hans,
Waarmee kun je de smaak van niet-weten vergelijken?

Beste X,
’t Is maar net aan wie je het vraagt, zei de mestkever tegen de oorwurm.

Beste Hans,
Diksap? Likeur? Champagne?

Beste X,
Optimist.

Beste Hans,
Gal? Azijn? Sambal?

Beste X,
Pessimist.

Beste Hans,
Wat dan wel?

Beste X,
Water.

Koud hè

Beste Hans,
Begrijp ik het goed dat jij duisternis een betere metafoor vindt voor de wijsheid zonder wijsheid dan licht?

Beste X,
Wijsheid zonder wijsheid is een metafoor.

Beste Hans,
Dat daargelaten.

Beste X,
Tegen mensen die vol zijn van het licht spreek ik over duisternis.
Tegen mensen die vol zijn van de duisternis spreek ik over licht.
Tegen mensen die vol zijn van licht-en-duisternis spreek ik over licht-noch-duisternis.
Tegen mensen die vol zijn van licht-noch-duisternis spreek ik over licht-en-duisternis.

Beste Hans,
Maar nog liever spreek je over niet weten.

Beste X,
Tegen mensen die vol zijn van weten spreek ik over niet weten.
Tegen mensen die vol zijn van niet weten spreek ik over weten.
Tegen mensen die vol zijn van weten-en-niet-weten spreek ik over weten-noch-niet-weten.
Tegen mensen die vol zijn van weten-noch-niet-weten spreek ik over weten-en-niet-weten.

Beste Hans,
Waarvoor is de wijsheid zonder wijsheid volgens jou een metafoor?

Beste X,
Vraag dat maar aan een wijze zonder wijsheid.

Beste Hans,
Ik vraag het nu aan jou.

Beste X,
Voor een kip zonder kop, zou ik zeggen.

Beste Hans,
Voor non-dualiteit, zou ik zeggen.

Beste X,
Tegen mensen die vol zijn van dualiteit spreek ik over non-dualiteit.
Tegen mensen die vol zijn van non-dualiteit spreek ik over dualiteit.
Tegen mensen die vol zijn van dualiteit-en-non-dualiteit spreek ik over dualiteit-noch-non-dualiteit.
Tegen mensen die vol zijn van dualiteit-noch-non-dualiteit spreek ik over dualiteit-en-non-dualiteit.

Beste Hans,
En tegen mensen die nergens vol of leeg van zijn?

Beste X,
Over het weer.

Ballenjongen

Beste Hans,
In vele dwaalteksten op niet-weten.nl neem je uitdrukkelijk afstand van niet-weten: ‘Niet-weten en dat ook niet.’ en ‘Zelfs niet van niets weten.’ en ‘In niet-weten is geen niet-weten.’ Als dat inderdaad zo is, waarom blijf je het dan toch niet-weten noemen?

Beste X,
Het gaat er niet om welk balletje je opgooit, het gaat erom dat je het wegslaat.

Beste Hans,
Bijvoorbeeld?

Beste X,
In verwondering is geen verwondering.
In de duisternis is geen duisternis.
In de grond is geen grond.
In de ongrond is geen ongrond.
In de stilte is geen stilte.
In het Niemendal is geen Niemendal.
In nirwana is geen nirwana.
In adualiteit is geen adualiteit.
In de leegte is geen leegte.
In onthechting is geen onthechting.
In neutraliteit is geen neutraliteit.
In het zelf is geen zelf.
In de geest is geen geest.
In de boeddha is geen boeddha.
In de dharma is geen dharma.
In god is geen god.
In zijn is geen zijn.
In essentie is geen essentie.
In vrijheid is geen vrijheid.

Beste Hans,
Maar waarom noem je het dan wel niet-weten?

Beste X,
Het gaat er niet om welk balletje je opgooit, het gaat erom dat je het wegslaat.

Een vrolijke keuken

Beste Hans,
Ik draag altijd een geplastificeerd kaartje met mijn favoriete spreuken bij me. Dit zijn ze:

  • Leef!
  • Ik ben het leven zelf!
  • Het leven is er om geleefd, niet om begrepen te worden!
  • Don’t know!
  • Ik weet niets; maar dat weet ik wel verdomde zeker!
  • Het is altijd nu!
  • Ik ben jij!
  • Alles is liefde!
  • Alle tradities verwijzen naar hetzelfde!
  • Ik bén!
  • Ik ben het doek, niet de film!
  • Ik mag er zijn!
  • Ik hoef niet verlicht te worden, ik ben het al!
  • Wees een licht voor jezelf!
  • Lijden is een keuze!
  • Het enige lijden is een niet onderzochte geest!
  • Niemand kan mij kwetsen!
  • Alle antwoorden zitten in mezelf!
  • Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid!

Ik heb ze allemaal al zo vaak gelezen dat ze bij iedere gepaste gelegenheid spontaan in me opkomen. En iedere keer voelt als thuiskomen.

Wat zijn jouw favoriete uitspraken? Hoe is het om in niet weten te verblijven?

Beste X,
Niet weten kwam in mijn leven, nee, nam mijn bestaan over, op mijn negenenveertigste verjaardag, en is er nooit meer uit verdwenen.
(Ik moet eigenlijk zeggen ‘kwam in mijn wakende leven’ omdat het in mijn dromen geen rol van betekenis speelt.)
Toch ervaar ik het niet als een staat of een toestand waarin ik verblijf, maar, als ik het dan per se een naam moet geven, als een dynamisch proces dat ik ondergá.
Geen eeuwige rust maar eeuwige beweging.
Een spel zonder regels.
Een dans zonder stijl.
Een oefenwedstrijd – op leven en dood.
Gevloek, geroep, gelach, wapengekletter.

Gedachten blijven me belagen en ik blijf ze van me afslaan.
Vooral levensbeschouwelijke gedachten krijgen ervan langs.
Of ze nou van binnen of van buiten komen.
Niet pas na een paar jaren, maanden, weken, dagen, uren of minuten maar onmiddellijk en zonder pardon.
Geen gedoogbeleid in de bovenkamer van Van Dam.

Sommigen vinden dat ik overdrijf.
Anderen voelen zich door mij bedreigd.
Ze vinden het eng dat ik geen troetelgedachten meer heb.
Dat ik zelfs niet tegen troetelgedachten ben.
Wat opnieuw een troetelgedachte zou zijn.
Bij mij krijg je geen voet tussen de deur.
Dat komt, ik heb geen deur.
Zelf zou ik het er geloof ik ook benauwd van krijgen.
Al die frisse lucht.
Maar ja.
Ik weet inmiddels niet beter…

Het is volledig in overeenstemming met het karakter van het niet-weten dat in mij tiert, of woekert, dat ik niet meer kan genieten van overgeleverde of hedendaagse wijsheid.
Instructies en inzichten als ‘Leef!’, ‘Ik ben het leven zelf’ en ‘Lijden is een keuze’ zijn aan mij echt niet besteed.
Ik beleef er geen seconde plezier aan.
In jouw ogen is dat misschien een jammerlijk onvermogen.
Maar zonder ogen?

Ook ik kan geweldig genieten.
Maar dan van het weggooien.
Van het weerspreken, ondermijnen en aan de kaak stellen van gedachten, begrippen en aannames.
Vooral die van mezelf.
Van ‘mezelf’.
Zowel live, wanneer ‘het leven’ dat van mij vraagt, laten we zeggen bij ruzie, tegenslag, ziekte of dood, en als ritueel, door mijn eigen teksten op te zeggen, terug te lezen of nog maar eens te herschrijven.

De blijdschap waarmee het afwijzen gepaard gaat is natuurlijk geen gemoedstoestand.
Ook hierin verblijf ik niet.
Ik zou best willen, maar hoe?
Ieder wegwerpen wordt noodzakelijkerwijs voorafgegaan door een wetende gedachte.
Ontelbare gedachten, groot en klein, komen ook mij de hele dag door eventjes ergeren of kwellen of vervelen of deprimeren of verleiden of bevrijden of opwinden of verheugen.
Wat zou ik anders moeten wegwerpen?
Weten – niet-weten – weten – niet-weten, dat is het patroon.
Jaar in, jaar uit.
Zonder onderbreking.

Het wegwerpen maakt dus deel uit van mijn gedachtestroom – gesteld dat die gedachtestroom meer is dan een gedachte nu.
Het bestaat uit ontkenningen en weerleggingen van vorige gedachten.
Die op hun beurt ten prooi vallen aan latere gedachten.
Weten – beter-weten – nog-beter-weten – is dat dan het patroon?
Of weten – minder-weten – nog-minder-weten?

Om het nog ingewikkelder te maken, vergaat het lang niet alle gedachten zo.
Alledaagse gedachten over boodschappen doen, schoonmaken, tanden poetsen en andere onbeladen onderwerpen ontsnappen gewoonlijk aan mijn almaar rondmaaiende zwaard, dat immers wel grotere koppen te snellen heeft.
Minder alledaagse gedachten, wel degelijk levensbeschouwelijk van aard, weerspreek ik helemaal niet meer.
Die lach ik alleen nog maar toe.
Of uit.
Of weg.
Of dood.
Die hebben hun macht over mij voorgoed verloren.
Daar ben ik zogezegd klaar mee.
Dat geldt vooral voor oude bekenden met betrekking tot vrije wil, identiteit, overgave, de weg, de waarheid, verlossing, verlichting, god, lijden, geluk, liefde, de dood en de zin van het leven.

En nog klopt er geen jota van deze beschrijving, want mijn denken, ik bedoel natuurlijk, ‘mijn’ ‘denken’ (dat eeuwige gehypostaseer) weigert zich halsstarrig aan deze of aan welke beschrijving ook te houden.
Hopsakee, weg ermee.

Beste Hans,
Is niet-weten soms geen troetelgedachte?

Beste X,
Voor mij is het een wegwerpwoord.
Ik gebruik het en ik gooi het weg.
Als ik het nodig heb, gebruik ik het opnieuw.
Dan gooi ik het weer weg.

Wat is niet weten voor jou?

Beste Hans,
Word jij niet moe van al dat niet-weten?

Beste X,
Ik heb er geen omkijken naar.

Beste Hans,
Zou je ermee kunnen ophouden?

Beste X,
Daar is geen beginnen aan.
Bovendien ben ik niet begonnen.
Voor mij is niet weten moeilijker om te laten dan voor jou om te doen.
En zeg nou zelf, niet weten is toch geen doen?

Beste Hans,
Zeker weten.

Beste X,
Al lees je de spreuk Don’t know van wijlen Seung Sahn Soen Sa Nim duizend keer per dag.

Beste Hans,
Fake it till you make it.

Beste X,
Hoop doet streven.

Beste Hans,
Ik had me er heel wat anders van voorgesteld.

Beste X,
Niet weten is onvoorstelbaar maar het stelt niks voor.

Beste Hans,
Noem dat maar verlichting.

Beste X,
Daarom noem ik het niet-weten.

Beste Hans,
En dan gooi je het nog weg ook.

Beste X,
Mijn denken is zelfreinigend geworden.
Het ruimt zijn eigen rotzooi op.
Dat is alles.
Waarom ook niet.
Het heeft verder toch niks meer te doen.
Jij?

Beste Hans,
Het is dus niet stil in jou?

Beste X,
Is het stil in jou?

Beste Hans,
Ik dacht dat jij van binnen een soort kerk zou zijn.

Beste X,
Eerder een vrolijke keuken.