Byron Katie voor Workaholics

‘Je kunt je gedachten onderzoeken – is dat waar?’ Werk maken van het Werk; Byron Katie voor Workaholics. ‘The Work’ als springplank naar een radicaal niet-weten.

Dwaalgids > Advaita > Byron Katie voor Workaholics

Byron Katie voor Workaholics

Lees ook: Vrede sluiten met je onvrede, Denkbeeldenstorm! en Vrijdenkers hebben maling aan de mind

Op deze pagina:

Wat is het Werk?

Je gedachten onderzoeken

Byron Katie houdt niet van moeilijk. Vandaar dat haar methode gewoon het Werk (‘the Work’) of het Onderzoek heet.

Het Werk heeft tot doel je gedachten tegen het licht te houden. Welke gedachten? Negatieve gedachten. Welk licht? Het licht van niet-weten.

Het Werk is praktisch en doelgericht, net zo Amerikaans als Byron Katie zelf. Het ontstond in de jaren tachtig toen Byron Katie door een diep dal ging en haar eigen gedachten aan een minutieus onderzoek onderwierp.

Het Werk is een loot aan de boom van de cognitieve psychotherapie, die in de jaren vijftig werd geplant door een andere Amerikaan, Albert Ellis. Anders dan de zogenaamde rationeel emotieve therapie (RET) van Ellis, heeft het Werk van Byron Katie ook een spirituele dimensie. Ze noemt die dimensie ‘niet-weten’, en dat is precies waar deze website, niet-weten.nl, over gaat.

Het Werk bestaat uit vier eenvoudige vragen en een of meer omkeringen waarmee je jezelf eerst van vooroordelen over anderen ontdoet en later ook van vooroordelen over jezelf.

Gaandeweg blijken al je oordelen vooroordelen te zijn, dit oordeel ook, en uiteindelijk leidt het Werk tot niet-oordelen. Niet omdat je het oordelen veroordeelt (dat zou opnieuw een oordeel zijn), maar omdat de gedachten waarop je oordelen zijn gebaseerd in het licht van niet-weten geen stand houden. Niet-oordelen door niet-weten.

Wie niet-weet verblijft niet in de zeven hemelen of de acht hellen, maar denkt niet langer in termen van hel en hemel. Ik in elk geval niet.

Vier standaardvragen en omkeringen

Hoe gaat het Werk in zijn werk?

De vier vragen (‘four questions’) waarmee je willekeurig welke gedachte kunt onderzoeken, luiden:

  1. Is dat waar?
  2. Kun je dat wel weten?
  3. Wat gebeurt er als je dat gelooft?
  4. Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Omkeringen (‘turnarounds’) verkrijg je bijvoorbeeld door in je vooroordeel (‘X moet eens ophouden mij te bekritiseren’) de personen te verwisselen (‘Ik moet eens ophouden X te bekritiseren’), of door een bevestigende zin (‘Mensen moeten altijd lief zijn voor elkaar’) ontkennend te maken (‘Mensen hoeven niet altijd lief te zijn voor elkaar’, en vice versa.

In feite is iedere grammaticale variatie op het oorspronkelijke vooroordeel goed. Hoe meer omkeringen, hoe beter. Vervolgens probeer je aan de hand van drie voorbeelden uit je eigen leven voor iedere omkering afzonderlijk aan te tonen dat deze minstens even waar is als het oorspronkelijke vooroordeel.

Het Werk kan gegeneraliseerd worden van alleen vooroordelen naar alle typen oordelen, verhalen, theorieën, concepten, ideeën, leefregels en overtuigingen over anderen, jezelf, je lichaam en de wereld.

Wat mag je van het Werk verwachten?

Je gedachten over het Werk onderzoeken

Wie nu meent dat hem aan het eind van het Werk het paradijs wacht – niets dan vrede, vreugde, dankbaarheid, wijsheid, onbevreesdheid, overgave, verlichting, vriendelijkheid, universele liefde en onbegrensd mededogen – veronderstelt een individu, een wereld, een vrije wil, een doel en een weg. Maar bestaan die wel? Kun je dat weten? Wat gebeurt er als je dat gelooft? Wie zou je zijn zonder die gedachte? Keer het om.

Wie daarentegen meent dat het individu, de wereld, de vrije wil, het doel en de weg illusoir zijn, moet wel concluderen dat het Werk ook een illusie is. Maar is het dat wel? Kun je dat weten? Wat gebeurt er als je dat gelooft? Wie zou je zijn zonder die gedachte? Keer het om.

En wie niets meer meent over het individu, de wereld, de vrije wil, het doel, de weg en het Werk? Die is voorgoed Werkeloos, zou je denken. Zou je denken? Dan is het Werk nog niet gedaan.

Het Werk is maar het Halve Werk

De wolk van niet-weten is niet roze

Het Werk van Byron Katie is een methode van zelfonderzoek om onaangename gedachten onschadelijk te maken. Omdat de aangename gedachten buiten schot blijven, zou je het eigenlijk het Halve Werk moeten noemen. Deze website, niet-weten.nl, maakt geen onderscheid tussen aangename en onaangename gedachten. Een weetnietgeest onderzoekt al zijn (of haar) gedachten, hoe ze ook voelen. Deze ook.

Wie geen tegenstrijdigheid verdraagt is geneigd zijn wereld in tweeën te delen. Het positieve gedeelte noemt hij de hoogste werkelijkheid, het negatieve een illusie. Kennis van de hoogste werkelijkheid noemt hij de hoogste waarheid, het geloof in de illusie onwetendheid.

Daarna is het alleen nog een kwestie van ontwaken, realiseren, ontledigen, overstijgen, verenigen, keuzeloos gewaarzijn, geef het kind maar een naam, om van de illusie naar de werkelijkheid, van de hel naar de hemel, van de dwaaltuin naar de Hof van Eden, van samsara naar nirwana, van deze zijde naar gene, van gespletenheid naar eenheid, van dualiteit naar non-dualiteit te migreren.

Uit de ambivalentie in de eenduidigheid.
Uit de menigvuldigheid in de eenheid.
Uit de vaagheid in de helderheid.
Uit de tegenstelling in de geruststelling.
Of zoals de Engelsen zeggen:
Out of the frying pan into the fire.

De wolk van niet-weten is niet roze.

Workaholics doen het Hele Werk

Het Werk onderzoeken met behulp van het Werk. Durf je het aan?

Wie niet weet, halveert niet. Niet omdat hij met ware doodsverachting de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid nastreeft, of belichaamt, of verdedigt, maar gewoon omdat hij de wereld geen kopje kleiner weet te maken. Zijn bijl is te bot. Hij kan geen vaste grond onder de voeten vinden. Zijn verstand schiet tekort.

Hoe hij zich ook inspant, de weetniet komt er maar niet achter wat ‘alles’ nou ‘eigenlijk’ is, wat ‘wij’ ‘ten diepste’ ‘zijn’, wat ‘onze’ ‘natuurlijke’ ‘staat’ is, enzovoort. Tot zijn vreugde of verdriet – in mijn geval beide – is hij een héél mens in een héle wereld die alleen maar het héle verhaal kan vertellen.

Om de overeenkomsten en de verschillen te laten zien tussen het Halve Werk van Byron Katie en het Hele Werk van een radicaal niet-weten, heb ik een aantal dialogen geschreven van ene Katie met ene Hans. Ze plegen vrijmoedig onderzoek naar alle mogelijke gedachten. Dus ook en vooral gedachten over het Werk zelf, en de spirituele horizon daarvan.

Het Werk onderzoeken met behulp van het Werk. Durf je het aan?

Het is de realiteit dat het Werk niet altijd werkt

1.

Katie: Het Werk zorgt ervoor dat je je kunt verzoenen met de realiteit.

Hans: Het is de realiteit dat ik mij er niet mee kan verzoenen.

Katie: Dan moet je juist het Werk gaan doen.

Hans: Heb jij iets tegen de realiteit?

2.

Katie: Het Werk zorgt ervoor dat je je kunt verzoenen met de realiteit.

Hans: Ook als het de realiteit is dat het Werk niet werkt?

Katie: Het Werk werkt altijd.

Hans: Hoe stel je zoiets vast?

Katie: Bij mezelf, bedoel ik.

Hans: Tot nog toe.

Katie: Toegegeven.

Hans: En bij anderen?

Katie: Bij anderen werkt het niet altijd.

Hans: Kun jij je daarmee verzoenen?

Katie: Niet altijd.

Hans: Dan verzoen je je daar toch mee?

Vijf keerzijden van het Werk

1.

Katie: Als je niet oordeelt kun je niet falen.

Hans: Als je niet oordeelt kun je ook niet slagen.

2.

Katie: Het denken is van nature oneindig. Het kan schoonheid vinden in alle dingen.

Hans: Het denken is van nature oneindig. Het kan lelijkheid vinden in alle dingen.

3.

Katie: Als je mislukking als een vorm van succes kunt zien, hoef je nooit meer te falen.

Hans: En als je het niet als een vorm van succes kunt zien?

4.

Katie: Als je mislukking als een vorm van succes kunt zien, hoef je nooit meer te falen.

Hans: En als je succes als een vorm van mislukking kunt zien?

5.

Katie: Als er geen verzet is, vloeken de kleuren niet meer en klinkt ieder woord als poëzie.

Hans: Als er geen verzet is, mogen de kleuren en woorden weer vloeken.

Vrijheid is ook gebonden mogen zijn

1.

Katie: Vrijheid is nooit een moment van angst, woede of verdriet meemaken.

Hans: Vrijheid is alles mogen meemaken.

2.

Katie: Vrijheid is nergens aan gebonden zijn.

Hans: Vrijheid is ook gebonden mogen zijn.

Wie de vrijheid niet kent, weet zich nooit gebonden

Katie: Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.

Hans: Voor jou misschien.

Katie: Wat is vrijheid voor jou?

Hans: Niet weten wat vrijheid is?

Katie: Wat is daar vrij aan?

Hans: Wie de vrijheid niet kent, weet zich nooit gebonden.

Katie: Waaraan niet, bijvoorbeeld?

Hans: Aan vriendelijkheid niet, bijvoorbeeld.

Katie: Waaraan nog meer niet, bijvoorbeeld?

Hans: Aan vrijheid niet, bijvoorbeeld.

Katie: Jij bent toch zeker gebonden aan niet weten?

Hans: Niet dat ik weet.

Denken dat je te dik of te dun bent is ook de realiteit

Geloven is vers twee

Katie: Het Werk leert je om je met de realiteit te verzoenen.

Hans: O?

Katie: Zo kan het Werk je bijvoorbeeld verlossen van de gedachte dat je te dik of te dun bent.

Hans: Is denken dat je te dik of te dun bent soms niet de realiteit?

Katie: Jawel, maar…

Hans: Wat valt er dan te verzoenen?

Katie: Maar die gedachte is toch…

Hans: Waarom zou je er dan nog van verlost willen worden?

Je kunt de strijd met de realiteit niet winnen, is dat waar?

Katie: Als je de strijd aangaat met de realiteit, verlies je altijd.

Hans: Is dit nog de strijd of de realiteit?

De strijd met de strijd met de realiteit

Katie: De strijd aangaan met de realiteit is als een kat leren blaffen – hopeloos.

Hans: Wou jij de strijd aangaan met de strijd met de realiteit?

Katie: Wat?

Hans: Miauw.

Alles komt precies op tijdbom

Katie: Alles komt precies op tijd.

Hans: Is dat een positieve gedachte of een negatieve?

Katie: Een positieve natuurlijk.

Hans: Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn?

Katie: Fijn.

Hans: Waarom?

Katie: Omdat ik me dan nergens meer druk over hoef te maken.

Hans: Hoe voelt het als die gedachte onwaar zou zijn?

Katie: Naar.

Hans: Waarom?

Katie: Omdat ik me dan toch weer overal druk om moet maken.

Hans: Dus de ene keer krijg je er een fijn gevoel van, de andere keer een naar gevoel?

Katie: Gek eigenlijk.

Hans: Afhankelijk van de vraag of je er wel of niet in gelooft.

Katie: Daar komt het wel op neer.

Hans: Wie bepaalt of je er wel of niet in gelooft?

Katie: Ik in ieder geval niet.

Hans: Hoe weet je dat?

Katie: Anders zou ik er wel steeds in geloven.

Hans: Waarom?

Katie: Vanwege dat lekkere gevoel natuurlijk.

Hans: Is ‘alles komt precies op tijd’ nou een positieve gedachte of een negatieve?

Katie: Op zichzelf beschouwd?

Hans: Nou?

Katie: Ik zou het ook niet weten.

Hans: Moet je er dan mee aan het Werk of niet?

Katie: Ik zou het echt niet weten.

Hans: Goed Werk.

Het ergste wat je kan overkomen

Katie: Het ergste wat je kan overkomen is een niet onderzochte gedachte.

Hans: Is dat waar?

Lijden aan de opvatting dat we lijden aan onze opvattingen

Katie: Wij lijden aan onze opvattingen over het leven, nooit aan het leven zelf.

Hans: Een opvatting die al heel wat leed veroorzaakt heeft.

Katie: Bedoel je dat we lijden aan het leven zelf?

Hans: Een opvatting die al heel wat leed veroorzaakt heeft.

Geloven dat je kunt kiezen tussen geloven en onderzoeken

Werkvoorbereiding

1.

Katie: Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.

Hans: Wie zegt dat er een keus is?

2.

Katie: Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.

Hans: Geloof je dat of heb je het onderzocht?

Hou jij je gedachten vast of je gedachten jou?

Katie: Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze, dan laten ze mij los.

Hans: Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze niet, ze laten mij niet los.

Katie: Waarom laten ze jou niet los?

Hans: Omdat ze mij niet vasthouden.

Katie: Waarom houden ze jou niet vast?

Hans: Terugkeren is makkelijker.

Onderzoeken of je je gedachten wel kunt onderzoeken

Katie: Je kunt je gedachten niet uitzetten, maar je kunt ze wel onderzoeken.

Hans: Kun je je gedachten wel aanzetten?

Katie: Ook niet.

Hans: O?

Katie: Ze wellen spontaan in je op.

Hans: Kun je ze dan misschien veranderen?

Katie: Ook niet.

Hans: O?

Katie: Ze veranderen vanzelf, of ze veranderen niet.

Hans: En uitzetten?

Katie: Ze blazen op hun eigen tijd de aftocht.

Hans: Wat kun je er dan wel mee?

Katie: Je hebt geen enkele zeggenschap over je gedachten.

Hans: Je kunt ze alleen maar onderzoeken?

Katie: Dat zeg ik.

Hans: Wat is onderzoeken anders dan het aanzetten, bekijken en uitzetten van gedachten?

Katie: …

Hans: Ik dacht al zoiets.

Katie: Wou jij zeggen dat we onze gedachten ook niet kunnen onderzoeken?

Hans: Jij bent hier degene die iets wil zeggen.

Katie: Maar ik heb mijn gedachten al zo vaak onderzocht.

Hans: Wie zegt dat jij dat deed?

Katie: Dat… dat dacht ik.

Hans: Wie zegt dat er werkelijk is gebeurd wat jij denkt dat er is gebeurd?

Katie: Zo herinner ik het mij.

Hans: Wie zegt dat een herinnering meer is dan een loze gedachte, nu?

Katie: Zo komt het mij voor.

Hans: Onderzoek dat dan eerst maar eens.

Zoeken naar geluk is ook wat er is

1.

Katie: Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.

Hans: Niet zolang er zoeken naar geluk is.

2.

Katie: Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.

Hans: Niet zolang er vermijden is.

3.

Katie: Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.

Hans: Wat heb je aan die wijsheid?

Katie: Als je dat eenmaal inziet, kan je ermee ophouden.

Hans: Ophouden is het mijden van het zoeken naar geluk.

4.

Katie: Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.

Hans: Wat heb je aan die wijsheid?

Katie: Als je dat eenmaal inziet, kan je ermee ophouden.

Hans: Maar hoe kom je tot dat inzicht?

Katie: Als ik dat eens wist.

Hans: Misschien wel door te zoeken naar geluk.

5.

Katie: Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.

Hans: Wat heb je aan die wijsheid?

Katie: Als je dat eenmaal inziet, kan je ermee ophouden.

Hans: Zie jij het in?

Katie: Beslist.

Hans: Waarom hou je er dan niet mee op?

Overgeven aan je verzet

Katie: Geluk betekent volledige overgave.

Hans: Waaraan?

Katie: Aan alles wat er is.

Hans: En als er verzet is?

Katie: O.

Hans: Nou?

Katie: Dan niet natuurlijk.

Hans: Wat niet?

Katie: Dan moet je je juist niet overgeven.

Hans: Waaraan niet?

Katie: Aan je verzet niet.

Hans: Geluk betekent verzet tegen je verzet?

Katie: Nou…

Hans: Alsof dat geen verzet is.

Katie: Maar dit kan toch helemaal niet?

Hans: Waarom niet?

Katie: Geluk betekent immers volledige overgave.

Hans: Ook aan je verzet?

Katie: Dat… kan niet anders.

Hans: Waarom niet?

Katie: Anders is je overgave niet volledig.

Hans: Wat maakt het dan nog uit?

Katie: Wat?

Hans: Verzet is verzet, of je je er nou aan overgeeft of je ertegen verzet.

Katie: Ik geef me over.

Hans: Maar om dat nou geluk te noemen?

Denken maakt deel uit van de realiteit

Vijf tegengedachten over afkeer

1.

Katie: Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat er een gerechtvaardigde reden is om te lijden.

Hans: Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat er een reden nodig is om te lijden.

2.

Katie: Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat er een reden nodig is om te lijden.

Hans: Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt.

3.

Katie: Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt.

Hans: Denken maakt deel uit van de realiteit.

4.

Katie: Je keert je volledig af van de realiteit als je…

Hans: Denkt dat je je van de realiteit af kunt keren.

5.

Katie: Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat je je van de realiteit af kunt keren.

Hans: Denken dat je je van de realiteit af kunt keren, maakt deel uit van de realiteit.

De realiteit is ook maar een verhaal

1.

Katie: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.

Hans: Het verhaal is dikwijls vriendelijker dan de realiteit.

2.

Katie: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.

Hans: Is dat de realiteit of een vriendelijk verhaal erover?

3.

Katie: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.

Hans: Wie kent het verschil tussen realiteit en verhaal?

4.

Katie: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.

Hans: ‘De realiteit’ is ook maar een verhaal.

5.

Katie: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.

Hans: Verhalen zijn ook de realiteit.

Een verkeerde voorstelling van de wereld

Katie: Een probleem in de wereld is niets anders dan een verkeerde voorstelling in je eigen denken.

Hans: Is dit een probleem in de wereld of een verkeerde voorstelling in je eigen denken?

Wie zou je zijn zonder de gedachte aan zelfrealisatie?

1.

Katie: Alle problemen hebben maar één doel, jouw zelfrealisatie.

Hans: Doelen zijn het grootste probleem.

2.

Katie: Alle problemen hebben maar één doel, jouw zelfrealisatie.

Hans: ‘Jouw’ is het grootste probleem.

3.

Katie: Alle problemen hebben maar één doel, jouw zelfrealisatie.

Hans: ‘Probleem’ is het grootste probleem.

4.

Katie: Alle problemen hebben maar één doel, jouw zelfrealisatie.

Hans: Zelfrealisatie is het grootste probleem.

Je kunt je niet afwenden van de realiteit

1.

Katie: Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.

Hans: Boom zeggen is ook de realiteit.

2.

Katie: Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.

Hans: Afwenden is ook de realiteit.

3.

Katie: Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.

Hans: En als je ‘realiteit’ zegt?

4.

Katie: Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.

Hans: Wat is het alternatief?

Katie: Zwijgen natuurlijk.

Hans: Dat is ook niet reëel.

Waar wenden mensen die ‘realiteit’ zeggen zich van af?

Katie: Mensen die ‘boom’ zeggen, wenden zich af van de realiteit.

Hans: Boom. Mens. Dier. Plant. Woord.

Katie: Die durft.

Hans: Mensen die zeggen dat mensen die ‘boom’ zeggen zich afwenden van de realiteit, wenden zich af van de realiteit.

De enige manier waarop je iets als volkomen kunt zien

Katie: Volkomenheid is een ander woord voor realiteit. De enige manier waarop je iets als onvolkomen kunt zien is door een gedachte erover te geloven.

Hans: De enige manier waarop je iets als volkomen kunt zien is door een gedachte erover te geloven.

Katie: Verdraaid.

Hans: Maar of geloven een ander woord is voor realiteit?

Geloof jij in niet-geloven?

Katie: Als je je gedachten niet langer gelooft, verlies je nooit meer je kalmte.

Hans: Geloof je dat?

Katie: Nou moe.

Hans: Wat is er?

Katie: Ik verlies meteen mijn kalmte.

Hans: Daar was dan weinig voor nodig.

Katie: Niet te geloven.

Hans: Hoe voelt dat?

Katie: Niet bepaald rustig.

Hans: Nee.

Katie: Maar ook niet bepaald onrustig.

Hans: Hoe dan wel?

Katie: Niet bepaald… eh…

Hans: En hoe voelt dát?

Katie: Niet bepaald fijn.

Hans: Nee.

Katie: Maar ook niet bepaald vervelend.

Hans: Hoe dan wel?

Katie: Niet bepaald… eh…

Hans: En dat wou jij kalmte noemen?

Katie: Hoe zou jij het noemen?

Hans: Niet bepaald.

Laten gedachten zich wel veranderen?

Maandag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: Wat is het verschil?

Dinsdag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: Wat is het verband?

Woensdag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: Is dat reëel?

Donderdag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: Te beginnen met deze.

Vrijdag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: Gedachten maken deel uit van de realiteit.

Zaterdag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: De realiteit maakt deel uit van je gedachten.

Zondag

Katie: We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.

Hans: Je veronderstelt een vrije wil.

Maandag

Denken dat je de Realiteit onder ogen ziet is ook maar een gedachte

Katie: Iemand die bij iedere vervelende gedachte meteen het Werk doet, ziet steeds de Realiteit onder ogen.

Hans: De wát?

Katie: De Realiteit zoals hij is en niet zoals ik wil dat hij is.

Hans: Verklaar je nader.

Katie: Het Werk zorgt zogezegd voor de juiste belichting.

Hans: Waarvoor?

Katie: Voor een perfecte foto.

Hans: Van de Realiteit?

Katie: Precies.

Hans: Laat me niet lachen.

Katie: Uitgelachen worden is ook de realiteit.

Hans: Is dat een prettige gedachte of een vervelende?

Katie: Hoe ziet jouw realiteit eruit?

Hans: Welke realiteit?

Katie: De realiteit van niet-weten.

Hans: Van wat?

Katie: Doe niet zo flauw.

Hans: Hartiger kan ik het niet maken.

Katie: Nou?

Hans: Compleet overbelicht dan maar.

Katie: Blanco?

Hans: Zo kun je het ook zeggen.

Katie: Wat betekent blanco?

Hans: Compleet onderbelicht.

Katie: Onderbelicht?

Hans: Zeg maar gerust onbelicht.

Katie: Zwart?

Hans: Als de nacht.

Katie: Of je het nou overbelicht, onderbelicht of onbelicht noemt, het lijkt me niet bepaald de Realiteit die jij onder ogen ziet.

Hans: Nooit van gehoord.

Katie: Van de Realiteit niet?

Hans: Zegt me niks.

Katie: Wat ziet je dan wel onder ogen?

Hans: Dát?

Het Werk bevrijd je van het Werk

Katie: Mits oprecht uitgevoerd, bevrijdt het Werk je van alle gedachten.

Hans: Dan ook van deze.

Katie: Wat?

Hans: Wat?

Katie: Wou jij beweren dat het Werk niet werkt?

Hans: En ook van die.

Wat ons gevangen houdt

Katie: Het is uiteindelijk niet wat er gebeurt dat ons gevangen houdt, maar onze beleving ervan.

Hans: Is dat wat er gebeurt of jouw beleving ervan?

Het denken dat niet weet staat ook open voor geslotenheid

Katie: Het denken dat niet weet staat volledig open voor alles wat het leven brengt.

Hans: Zei het denken dat weet.

Katie: Wat zou jij zeggen?

Hans: Het denken dat niet weet staat ook open voor geslotenheid.

Katie: Waarom?

Hans: Omdat het leven ook geslotenheid brengt.

Wat valt er te vergeven als je niet weet wat er gebeurd is?

Verbeurd

Katie: Vergeving is je realiseren dat wat jij dacht dat er gebeurde, nooit gebeurd is.

Hans: Realisatie is jezelf vergeven dat je nooit weet wat er gebeurd is.

Dankbaarheid is ook maar een verhaal

Verhaal halen

1.

Katie: Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.

Hans: Wat zou je zijn zonder dat verhaal?

2.

Katie: Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.

Hans: Zonder verhaal is er geen dankbaarheid.

3.

Katie: Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.

Hans: Dankbaarheid is een verhaal.

Denk jij dat je van mij houdt?

Katie: Ik weet zeker dat iedereen van mij houdt, maar niet iedereen realiseert het zich.

Hans: Ik niet.

Katie: Weet je niet zeker dat iedereen van mij houdt of weet je niet zeker dat niet iedereen het zich realiseert of weet je niet zeker dat iedereen van jou houdt of weet je niet zeker dat niet iedereen het zich realiseert of weet je niet zeker dat jij van mij houdt of weet je niet zeker dat je je het niet realiseert of weet je niet zeker wat liefde is of wat?

Hans: Ik niet.

Als je je gedachten niet gelooft, dan niets

1.

Katie: Als je je gedachten niet gelooft, ben je álles.

Hans: Geloof het maar niet.

2.

Katie: Als je je gedachten niet gelooft, ben je álles.

Hans: ‘Alles’ is ook maar een gedachte.

Gedachten als de hel en de hel als gedachte

Katie: De hel, dat zijn je gedachten.

Hans: De hel is ook maar een gedachte.

Katie: De hel is ook maar een gedachte?

Hans: Dat had je gedacht.

Katie: Hè?

Hans: Dat de hel ook maar een gedachte is, is ook maar een gedachte.

Katie: Verdraaid.

Hans: Wat?

Katie: Nou weet ik nog niks.

Hans: Troost je.

Katie: Waarmee?

Hans: De gedachte dat ‘de hel is ook maar een gedachte’ ook maar een gedachte is, is ook maar een gedachte.

Katie: Van kwaad tot erger.

Hans: Dat is ook maar een gedachte.

Katie: Geloof jij dan geen enkele gedachte?

Hans: Dat komt weleens in me op, ja…

Katie: Maar?

Hans: Ik kan wel zoveel denken.

Katie: Jij kunt geen kant meer op, hè?

Hans: Zou je denken?

Katie: Ik dacht dat je zou zeggen, ‘Ik kan alle kanten op’.

Hans: Ik kan wel zoveel zeggen.

Katie: Eén ding is me in ieder geval duidelijk geworden.

Hans: Wat dan?

Katie: De hel, dat is je gedachten niet geloven.

Hans: Geloof je dat?

Ieder antwoord is de vraag

Voice dialogue

Katie: Ikzélf ben het antwoord.

Hans: Dan ben ik wel de vraag.

Katie: Nee, laat mij dan maar de vraag zijn.

Hans: Dan ben ik wel Oost-Indisch doof.

Katie: Nee, laat mij dan maar Oost-Indisch doof zijn.

Hans: Dan ben ik wel het antwoord.

Katie: Maar dan kan ik het niet horen.

Hans: Dan ben ik wel weer de vraag.

Wie autoriseert de autoriteit?

1.

Katie: De enige autoriteit ben je zelf.

Hans: Wie zegt dat?

2.

Katie: De enige autoriteit ben je zelf.

Hans: Wie zegt dat er een autoriteit is?

Katie: Wou jij beweren van niet?

Hans: Ik kan wel zoveel zeggen.

Trap er niet in

Katie: Nooit naar anderen luisteren!

Hans: Je kan me nog meer vertellen.

Lees ook: Het regressieprobleem

Het hart slaat er het liefst op los

Hartfalen

Katie: Je hoeft alleen maar naar je hart te luisteren.

Hans: En als het nou tegenstrijdige dingen roept?

Katie: Daar vraag je me wat.

Hans: En als het zwijgt?

Katie: …

Hans: Daar heb je het al.

Willen willen wat er is

Katie: Als ik helemaal helder ben wil ik wat er is.

Hans: Of je nou helder bent of niet, willen is wat er is.

Katie: Maar de vraag is, welk willen?

Hans: Willen wat er is, willen wat er niet is, niet willen wat er is en niet willen wat er niet is.

Katie: Ik wou dat er alleen maar willen wat er is was.

Hans: Een typisch voorbeeld van willen wat er niet is.

Katie: Ik wil niet willen wat er niet is.

Hans: Een typisch voorbeeld van niet willen wat er wel is.

Katie: Stel dat ik voortaan alleen nog maar wil wat er is.

Hans: Dan zul je nog steeds willen wat er niet is en niet willen wat er wel is.

Katie: Hoe kan dat nou.

Hans: Dat is nou eenmaal wat er is.

Ben je bereid ergens niet toe bereid te zijn?

Katie: Ik wil wat er is.

Hans: Hoe merk je dat?

Katie: Ik ben overal toe bereid. Ik zie overal naar uit.

Hans: O?

Katie: Vooral naar het allerergste.

Hans: Waarom?

Katie: Omdat iedere tegenslag een uitnodiging is om aan het Werk te gaan en het Werk uiteindelijk tot Zelfrealisatie leidt.

Hans: Waarom zie je vooral uit naar het allerergste?

Katie: Hoe groter de tegenslag, hoe effectiever het Werk.

Hans: Geef eens een voorbeeld van wat voor jou het allerergste zou zijn.

Katie: Even denken…

Hans: ‘Ik ben bereid…’

Katie: Ik ben bereid failliet te gaan. Ik ben bereid uitgelachen te worden. Ik ben bereid vervolgd te worden. Ik ben bereid…

Hans: Ergens niet toe bereid te zijn?

Katie: Wát?

Hans: ‘Ik zie ernaar uit…’

Katie: Ik zie ernaar uit borstkanker te krijgen. Ik zie ernaar uit mijn kleinkind te verliezen. Ik zie ernaar uit…

Hans: Ergens niet naar uit te zien?

Katie: Zit je mij in de maling te nemen?

Hans: Waarom geef je geen antwoord?

Katie: Geef eerst zelf maar eens antwoord.

Hans: Waarop?

Katie: Op de vraag of je mij in de maling zit te nemen.

Hans: Niet dat ik weet.

Katie: Waar ben je dan mee bezig?

Hans: Ik stel alleen maar vragen.

Katie: Hm.

Hans: Maar of jij ook bereid bent antwoord te geven?

Katie: …

Hans: Ik ben bereid het hierbij te laten.

Iedere gedachte is een uitnodiging om het Werk te doen

Een uitnodiging

Katie: Ik hou van tegenslag.

Hans: Waarom?

Katie: Iedere tegenslag is een uitnodiging om het Werk te doen.

Hans: Is dat waar?

Katie: Nou en of.

Hans: Kun je dat absoluut zeker weten?

Katie: Niet absoluut zeker.

Hans: Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn?

Katie: Heerlijk.

Hans: Waarom?

Katie: Omdat tegenslag dan ergens goed voor is.

Hans: Kun je een neutrale of stressvolle reden vinden om aan die gedachte vast te houden?

Katie: Niet één.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Ik zou het veel moeilijker vinden om met tegenslag om te gaan.

Hans: Dat zou nog eens een tegenslag zijn.

Katie: Een grotere is nauwelijks denkbaar.

Hans: Des te beter.

Katie: Waarom?

Hans: Iedere tegenslag is een uitnodiging om het Werk te doen.

Katie: Verdraaid.

Hans: En iedere meevaller ook.

Wie het Werk doet wil wat er niet is

Valsspeler

Katie: Ik ben een liefhebber van de realiteit. Ik wil wat er is.

Hans: Waarom doe je dan het Werk?

Katie: Om een einde te maken aan mijn lijden natuurlijk.

Hans: Ben je daar dan geen liefhebber van?

Pijn is goed want dan mag ik een aspirientje

Monnikenwerk

Katie: Lijden is goed want het zet me aan het Werk.

Hans: En het Werk?

Katie: Het Werk is goed want het maakt een einde aan mijn lijden.

Hans: Dus lijden is goed want het maakt een einde aan mijn lijden.

Katie: Wat is daar mis mee?

Hans: Pijn is goed want dan neem je een aspirientje?

Katie: …

Hans: Brand is goed want dan komt de brandweer?

Katie: …

Hans: Oorlog is goed want dan kunnen we vluchten?

Katie: …

Hans: Zwijgen is goed want dan zeg je niks verkeerd?

Katie: …

Hans: Byron Katie is goed want ze houdt me aan het Werk.

Hoe ik weet wat ik nodig heb? Ik weet het niet

1.

Katie: Hoe weet ik dat ik wat ik wil, niet nodig heb?

Hans: Nou?

Katie: Ik heb het niet!

Hans: Hoe weet ik of ik wat ik wil, niet nodig heb?

Katie: Nou?

Hans: Ik weet het niet!

2.

Katie: Hoe weet ik dat ik wat ik niet wil, nodig heb?

Hans: Nou?

Katie: Ik heb het!

Hans: Hoe weet ik of ik wat ik niet wil, nodig heb?

Katie: Nou?

Hans: Ik weet het niet!

Waarom je nog iets anders zou willen dan wat er is

1.

Katie: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?

Hans: Als je niets meer weet, waarom niet?

2.

Katie: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?

Hans: Omdat dat er ook is?

Katie: Omdat wat er ook is?

Hans: Iets anders willen dan wat er is?

Grondslagen van de wil en kwinkslagen van de geest

Katie: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?

Hans: Wie zegt dat weten de grondslag van willen is?

Katie: In plaats van?

Hans: Onwetendheid, het onbewuste, genen, zenuwen, hormonen, reflexen, instincten, behoeften, drugs, drank, emoties, je moeder, de context, de omstandigheden, het geheel, God.

Katie: Allemaal grondslagen van willen?

Hans: Geen idee.

Katie: Wat ligt er volgens jou ten grondslag aan de wil?

Hans: Waarom zou er iets ten grondslag liggen aan de wil?

Katie: Bedoel je dat er niets ten grondslag ligt aan de wil?

Hans: Welke wil?

Katie: Bedoel je dat er geen wil is?

Hans: Geen idee.

Ik ken niemand die niets weet

Katie: Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?

Hans: Vraag dat maar aan iemand die niets meer weet.

Katie: Maar zo iemand ben jij toch?

Hans: Als ik zo iemand was dan kon ik dat niet weten.

Katie: En als je het toch wist?

Hans: Dan was ik niet zo iemand.

Ja zeggen tegen de realiteit

Katie: Ik zeg altijd ja tegen de realiteit.

Hans: Hoe bedoel je?

Katie: Ik wil alleen maar wat er is.

Hans: Willen wat er niet is en niet willen wat er wel is, hoe is het daarmee gesteld?

Katie: Daar zeg ik altijd nee tegen.

Hans: Waarom?

Katie: Dat is niet de realiteit.

Hans: Waarom zeg je dan wat terug?

Ja en nee zeggen tegen de realiteit

Katie: Ik zeg altijd ja tegen de realiteit.

Hans: Heb je weleens hoofdpijn?

Katie: Ja.

Hans: Neem je weleens een pijnstiller tegen de hoofdpijn?

Katie: Ja.

Hans: Nou dan.

Katie: Ik zei toch twee keer ja?

Hans: Ja zeggen tegen hoofdpijn is nee zeggen tegen een pijnstiller.

Katie: Hm.

Hans: Ja zeggen tegen een pijnstiller is nee zeggen tegen hoofdpijn.

Katie: Ja zeggen tegen dit is nee zeggen tegen dat.

Hans: Ja.

Katie: En daar is niets aan te doen?

Hans: Nee.

Tja zeggen tegen de realiteit

Katie: Ik zeg altijd ja tegen de realiteit.

Hans: Waar zeg je dan nee tegen?

Katie: Mijn gedachten over de realiteit.

Hans: Geef eens een voorbeeld van zo’n gedachte.

Katie: ‘Mensen mogen niet liegen.

Hans: Daar zeg je nee tegen?

Katie: Ja, want mensen liegen.

Hans: ‘Mensen liegen’ is de realiteit en ‘mensen mogen niet liegen’ is een gedachte?

Katie: Ja.

Hans: Hoe weet je dat ‘mensen liegen’ de realiteit is?

Katie: In plaats van?

Hans: Een gedachte.

Katie: Nou…

Hans: Wat is realiteit?

Katie: Een… concept?

Hans: En mensen?

Katie: Een concept?

Hans: En liegen?

Katie: Een concept?

Hans: Mensen liegen is de realiteit. Is dat waar?

Katie: Eh…

Hans: Dus waar zeg je nou eigenlijk ja tegen?

Katie: Tja.

Hans: Wat is een gedachte?

Katie: Een concept?

Hans: Mensen mogen niet liegen is een gedachte – is dat de realiteit of is het een gedachte?

Katie: Tja.

Hans: Dus waar zeg je nou eigenlijk nee tegen?

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven.

Nee zeggen tegen de realiteit

Katie: Ik zeg altijd ja. Zelfs een uitgesproken nee is een innerlijk ja.

Hans: Er is geen groter nee dan een ja.

Katie: Wat?

Hans: Ja zeggen tegen iets is nee zeggen tegen al het andere.

Katie: Kan ik niet alleen maar ja zeggen?

Hans: Nee.

Katie: Maar ik wil helemaal geen nee zeggen.

Hans: Waarom niet?

Katie: Omdat ik ja wil zeggen tegen wat er is.

Hans: Nee is ook wat er is.

Katie: Nee zeggen tegen iets is toch ja zeggen tegen al het andere?

Hans: Nee zeggen tegen iets is alle andere mogelijkheden open houden.

Katie: Maar daarvoor heb ik wel eerst nee moeten zeggen.

Hans: Ja.

Katie: Dus er is geen enkele manier om alleen maar ja te zeggen?

Hans: Nee.

Katie: En er is ook geen enkele manier om alleen maar nee te zeggen?

Hans: Nee.

Katie: Is er dan tenminste een manier om alle mogelijkheden open te houden?

Hans: Nee.

Katie: Als ik ja én nee zeg, hou ik toch alle mogelijkheden open?

Hans: Nee.

Katie: Waarom niet?

Hans: Omdat je dan niet alleen ja of alleen nee kunt zeggen.

Katie: En als ik geen ja en geen nee meer zeg?

Hans: Wat dan?

Katie: Hou ik dan alle mogelijkheden open?

Hans: Nee.

Katie: Waarom niet?

Hans: Omdat je dan niet alleen ja of alleen nee of alleen ja en nee kunt zeggen.

Katie: Dus wat ik ook zeg, ik sluit altijd iets uit?

Hans: Ja.

Katie: En als ik zwijg?

Hans: Dan sluit je het spreken uit.

Katie: Wat moet ik dan?

Hans: Tja.

Katie: Tja?

Hans: Wat je altijd hebt gedaan.

Katie: Wat heb ik altijd gedaan?

Hans: Wat iedereen altijd doet.

Katie: Wat doet iedereen altijd?

Hans: Ja zeggen, nee zeggen, ja en nee zeggen, ja noch nee zeggen, en je mond houden.

Katie: Tja.

Hans: Net zo het uitkomt.

Katie: Ja.

Hans: Een groter ja bestaat niet.

Katie: Nee.

Hans: En een kleiner nee bestaat niet.

Katie: Mwah.

Lees ook: Wat is taoïsme? Meester Tja en de tao van tja

Ja maar nee zeggen tegen de realiteit

Katie: Als ik beweer dat mensen niet moeten liegen, wend ik mij af van de realiteit.

Hans: Van welke realiteit?

Katie: Van de realiteit dat mensen nu eenmaal liegen.

Hans: Als je op straat je rug recht als je bedreigd wordt, is dat liegen?

Katie: Ja, want je doet je groter voor dan je bent. Ik bedoel nee, want je probeert er alleen maar zonder kleerscheuren af te komen.

Hans: Als je make-up gebruikt, is dat liegen?

Katie: Ja, want je doet je mooier voor dan je bent. Ik bedoel nee, want je verwijt een schilder ook niet het gebruik van verf.

Hans: Als iemand je in het voorbijgaan vraagt hoe het met je gaat en je zegt goed terwijl het slecht gaat, is dat liegen?

Katie: Ja, want je draait eromheen. Ik bedoel nee, want het is geen echte vraag.

Hans: Als je Sinterklaas viert met je kinderen, is dat liegen?

Katie: Ja, want Sinterklaas bestaat niet. Ik bedoel nee, want het is gewoon een traditie.

Hans: Als je iemand eeuwig trouw beloofd en een paar jaar later een echtscheiding aanvraagt, is dat liegen?

Katie: Ja, want je breekt een belofte. Ik bedoel nee, als je het destijds meende.

Hans: Als je voor de kerk trouwt omdat je partner godsdienstig is terwijl jij dat niet bent, is dat liegen?

Katie: Ja, want je doet alsof. Ik bedoel nee, zo betuig je je liefde.

Hans: Als je bidt en je hebt je aandacht er niet bij, is dat liegen?

Katie: Ja, want je bidt alleen maar voor de vorm. Ik bedoel nee, dat kan de beste overkomen.

Hans: Als je je keppeltje afdoet wanneer je een moslimwijk binnengaat of je hoofddoekje bij het betreden van een synagoge, is dat liegen?

Katie: Ja, want je verloochent je geloof. Ik bedoel nee, zo voorkom je problemen.

Hans: Als je aardig doet bij de groenteboer terwijl je hem niet mag, is dat liegen?

Katie: Ja, want je draait hem een rad voor ogen. Ik bedoel nee, je wilt gewoon goede waar.

Hans: Als je zegt dat mensen niet moeten liegen terwijl je nauwelijks onderscheid weet te maken tussen waarheid en leugen, is dat liegen?

Katie: Ja, want het is een vereenvoudigde voorstelling van zaken. Ik bedoel nee, zolang je het niet beseft.

Hans: Hoe zit het dan met de realiteit dat mensen nou eenmaal liegen?

Katie: Dat is niet de realiteit.

Hans: Dan kun je je er ook niet van afwenden.

Katie: Wat is dan de realiteit?

Hans: Dat is dan de realiteit.

De realiteit als leugen

Katie: Mensen liegen, dat is de realiteit.

Hans: Wat is liegen?

Katie: Niet de waarheid spreken.

Hans: De waarheid bestaat – is dat waar?

Katie: Eh…

Hans: Kun je dat absoluut weten?

Katie: Nou…

Hans: Hoe voelt het als ‘de waarheid bestaat’ waar zou zijn?

Katie: Prettig.

Hans: Waarom?

Katie: Dat geeft houvast.

Hans: Wat zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Stuurloos. Overgeleverd aan willekeur.

Hans: Zonder waarheid ben ik stuurloos – is dat waar?

Katie: Je maakt me helemaal dol.

Hans: Je maakt me helemaal dol – is dat waar?

Katie: Begrijp ik het goed dat de waarheid niet bestaat?

Hans: De waarheid bestaat niet – is dat waar?

Katie: Ik geef me over.

Hans: Echt waar?

De enige waarheid is mijn waarheid – is dat waar?

Katie: Dé waarheid bestaat niet.

Hans: O nee?

Katie: De enige waarheid is mijn waarheid.

Hans: Geldt dat ook voor mij?

Katie: Vanzelfsprekend.

Hans: Dan is het niet jouw waarheid.

Katie: Wat niet?

Hans: Dat de enige waarheid jouw waarheid is.

Katie: Waarom niet?

Hans: Omdat het ook de mijne is.

Katie: Verdraaid.

Hans: Dus is het ook niet waar.

Wie zijn zelfrealisatie test zal lakmoes proeven

Maandag

Katie: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is een constante staat van dankbaarheid.

Hans: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een lakmoesproef voor zelfrealisatie.

Dinsdag

Katie: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is een constante staat van dankbaarheid.

Hans: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een constante staat.

Woensdag

Katie: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een constante staat.

Hans: Waarin dan wel?

Katie: In de waarheid van het eeuwige hier en nu.

Hans: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in de waarheid van het eeuwige hier en nu.

Donderdag

Katie: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in de waarheid van het eeuwige hier en nu.

Hans: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in zelfrealisatie.

Vrijdag

Katie: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in zelfrealisatie.

Hans: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven.

Zaterdag

Katie: De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven.

Hans: Gezakt.

Zondag

Katie: Eh.

Hans: Hm.

Het Werk is nooit gedaan

Geloof je dat?

Katie: Zolang je nog ergens verdrietig, bang of boos over bent, is het Werk niet gedaan.

Hans: Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.

Katie: Zolang je nog iets gelooft, is het Werk niet gedaan?

Hans: Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.

Katie: Zodra je niets meer gelooft, is het Werk gedaan?

Hans: Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.

Katie: Wanneer is het Werk wel gedaan?

Hans: Zolang je dat niet gelooft.

De magie van misschien

Katie: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid.

Hans: Je veronderstelt dat je daar invloed op hebt.

Katie: Wou jij soms zeggen van niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Katie: Waarom zeg je het dan?

Hans: Misschien wel om je gedachten over de werkelijkheid te veranderen.

Katie: Waarom zeg je misschien?

Hans: Misschien wel omdat ik geen idee heb waarom ik het zeg.

Katie: Waarom zeg je opnieuw misschien?

Hans: Misschien wel omdat ik geen idee heb of dat zo is.

Katie: …

Hans: Waarom vraag je niet door?

Katie: Misschien wel omdat ik het doorheb.

Hans: Misschien valt er wel niets door te hebben.

Katie: Misschien is dat wel wat ik doorheb.

Hans: Waarom zeg je misschien?

Katie: Misschien wel omdat ik geen idee heb waarom ik het zeg.

Hans: Waarom zeg je opnieuw misschien?

Katie: Misschien wel omdat ik geen idee heb of dat zo is.

Katie: …

Katie: Waarom vraag je niet door?

Hans: Misschien…

Helder denken leidt tot niets, en dat is alles

Katie: Als mijn denken helder is dan is mijn leven dat ook.

Hans: Als mijn denken helder is dan niets.

Katie: En als mijn denken troebel is?

Hans: Dan van alles en nog wat.

Katie: Wat dan?

Hans: Wat niet?

Katie: Bijvoorbeeld?

Hans: Waarheden, zekerheden, helderheden, troebelheden, standpunten, overtuigingen, dilemma’s, impasses, geloof, geloften, geboden, hellen, hemelen, ongeloof, activisme, fatalisme, zendingsdrang, beelden, beeldenstormen, heilige huisjes, heilige oorlogen, geweldloos verzet en noem maar op.

Katie: Dus helder denken leidt niet tot helder leven?

Hans: Helder denken leidt tot niets.

Katie: Kun jij…

Hans: Wie?

Katie: Aan mij uitleggen…

Hans: Aan wie?

Katie: Waarom helder denken…

Hans: Waarom wat?

Katie: Niet tot helder leven leidt?

Hans: Tot wat?

Katie: …

Hans: …

Katie: Helder.

Zijn gedachten nou onze vijanden of onze vrienden?

Katie: Volgens Jan van Delden zijn gedachten onze vijanden. Alleen door ze te negeren vinden we bevrijding.

Hans: En?

Katie: Wat moet ik met die gedachte?

Hans: Gewoon negeren.

Katie: Volgens mij zijn gedachten onze vrienden. Alleen door ze kritisch te onderzoeken vinden we bevrijding.

Hans: En?

Katie: Wat vind je van die gedachte?

Hans: Ik zou hem maar eens kritisch onderzoeken.

Katie: Hoe vinden we volgens jou bevrijding?

Hans: Misschien wel door het begrip bevrijding te onderzoeken.

Katie: Wat zullen we dan vinden?

Hans: Ik zou het echt niet weten.

Doe jij het Werk of doet het Werk jou?

Katie: Ik doe altijd het Werk.

Hans: Is dat waar?

Katie: Ik bedoel, het Werk doet mij.

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Ik bedoel, het Werk maakt mij ongedaan.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Ik bedoel, het Werk is nooit gedaan.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Dan weet ik het ook niet meer.

Het Halve Werk laat je in de waan

Katie: Het Werk heeft mij van al mijn negatieve gedachten verlost.

Hans: Nou de positieve nog.

Het Hele Werk is goed noch slecht

Katie: Het Werk leidt tot volmaakte helderheid.

Hans: Nee, het halve werk leidt tot volmaakte helderheid.

Katie: En het hele werk?

Hans: Dat leidt tot niets.

Katie: Is dat iets goeds of iets slechts?

Hans: Nou heb je het weer over het halve werk.

De utopie van de halve wereld

Katie: Eenheid, dat is onvoorwaardelijke liefde, gelukzaligheid, God, verlichting, wijsheid en innerlijke vrede.

Hans: Klinkt meer als halfheid.

Katie: Hè?

Hans: Wat jij onder eenheid verstaat is de utopie van de halve wereld.

Katie: Welke halve wereld?

Hans: De hemel. Nirwana. Het paradijs.

Katie: Waarom noem je dat de halve wereld?

Hans: Wat versta jij onder het paradijs?

Katie: Een einde aan het lijden. Onsterfelijkheid. Innerlijke vrede. Gelukzaligheid. Onvoorwaardelijke liefde. Vrijheid. Gelijkheid. Broederschap.

Hans: Dat zeg ik: de halve wereld.

Katie: Wat is daar mis mee?

Hans: Ik zou het ook niet weten…

Katie: Maar?

Hans: Waar laten we de andere helft?

Woordenlijst voor halfmensen

een half mens

  1. iemand die de mens en dus zichzelf ziet als in wezen liefdevol, goed, eerlijk, open, onschuldig en van goede wil; synoniem: halfmens
  2. iemand die alleen nog maar positieve gedachten en gevoelens heeft en alleen nog maar positieve dingen doet

de halve wereld

de wereld gezien door de ogen van de halfmens; synoniem: halfwereld

de halve boodschap, het halve verhaal, de halve waarheid

geruststellende, troostrijke, blijde boodschap van de halfmens over de halfmens in zijn halfwereld

halve boodschapper

iemand die maar de halve boodschap, het halve verhaal, de halve waarheid vertelt

het halve werk

cognitief-therapeutisch onderzoek naar de houdbaarheid van negatieve gedachten om je ervan te bevrijden in de hoop een half mens te worden

halve gare

  1. iemand die meent een half mens te kunnen worden
  2. iemand die meent een half mens voor zich te hebben
  3. iemand die meent een half mens te zijn

een heel mens

mens met alles erop en eraan, in heel zijn ambiguïteit, tegenstrijdigheid en onbegrijpelijkheid

de hele wereld

de wereld met alles erop en eraan, in heel zijn ambiguïteit, tegenstrijdigheid en onbegrijpelijkheid

de hele boodschap, het hele verhaal, de hele waarheid: verhaal van een heel mens over de hele mens in de hele wereld

het hele werk

principieel onderzoek naar de houdbaarheid van AL je gedachten, inclusief de gedachte dat het mogelijk of wenselijk is om een principieel onderzoek naar de houdbaarheid van al je gedachten te verrichten en inclusief de vraag of er wel zoiets bestaat als een heel mens in een hele wereld

helen

  1. onder ogen zien dat je op dit moment geen half mens bent maar een heel
  2. onder ogen zien dat je dat misschien altijd zult blijven, wat je ook probeert
  3. onder ogen zien dat het onderscheid tussen half en heel bij nader inzien ook geen stand houdt
  4. onder ogen zien dat je e.e.a. misschien nooit onder ogen zult zien
  5. onder ogen zien dat je dat misschien ook nooit onder ogen zult zien

hele gare

weetniet

Het Halve Werk is dubbel werk

Katie: Wat is het Werk volgens jou?

Hans: Iets wat je later weer ongedaan moet maken.

Het Werk is slechts een fase in het Grote Gedachtenspel

Katie: Wat is het Werk volgens jou?

Hans: Een fase in Het Spel.

Katie: Welk Spel?

Hans: Het Grote Gedachtenspel.

Katie: Hoeveel fasen kent het Grote Gedachtenspel?

Hans: Het Grote Gedachtenspel kent drie fasen.

Katie: Welke fasen zijn dat?

Hans: Eerst spelen je gedachten met jou.

Katie: Hoe komt dat?

Hans: Doordat je ze onvoorwaardelijk gelooft.

Katie: En dan?

Hans: Speel jij met je gedachten.

Katie: Hoe komt dat?

Hans: Doordat je onvoorwaardelijk in het Werk gelooft.

Katie: En dan?

Hans: Is er alleen nog maar Het Spel.

Katie: Wie is het die in deze fase Het Spel speelt?

Hans: Het Spel.

Katie: Houdt Het Spel ooit op?

Hans: Dat ligt eraan in welke fase je zit.

Katie: In de fase waarin jij zit?

Hans: Welk Spel?

Wat mij het meest en het minst aanspreekt in het Werk

Katie: Wat spreekt jou het meest aan in het Werk?

Hans: De verheerlijking van het leven.

Katie: Wat spreekt je het minst aan in het Werk?

Hans: De verheerlijking van het leven.

Katie: Niet weten spreekt me anders ook niet aan.

Hans: Mij al evenmin.

Katie: Niet weten spreekt jou ook niet aan?

Hans: Niet weten spreekt niemand aan.

Katie: Waarom niet?

Hans: Omdat het niets te zeggen heeft.

Katie: Dat kun je van het Werk in elk geval niet zeggen.

Hans: Dan zal dat het verschil wel zijn.

De essentie van het Werk

Katie: Wat is de essentie van het Werk volgens jou?

Hans: De gedachte dat je je gedachten onderzoekt.

Katie: Het Werk is niet meer dan een gedachte?

Hans: Ook dat is maar een gedachte.

Katie: Maar wat is nou de essentie van het Werk?

Hans: Dit is nou de essentie van het Werk.

Wie zou je zijn zonder het Werk?

Katie: Wie zou je zijn zonder niet-weten?

Hans: Geen idee, Byron Katie?

Katie: Wie zou Byron Katie zijn zonder het Werk?

Hans: Geen idee, Werkeloos?

Katie: Ik dacht dat je zou zeggen, ‘Mij.’

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Waarom ik zo respectloos omga met het Werk

Katie: Waarom gaat jij zo respectloos met het Werk om?

Hans: Omdat het Werk dat van mij vraagt.

Beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd

Katie: Wie het Werk afwijst, verwerpt zichzelf.

Hans: Een goed begin is het halve werk.

Katie: Wie zichzelf verwerpt, verliest de liefde.

Hans: Beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd.

Katie: Wie de liefde verliest, raakt alles kwijt.

Hans: Eind goed, al goed.

Tip: Wat is liefde?

Katie’s canon in veertig gedachten

1.

Katie: Lijden is een keuze.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

2.

Katie: Je kunt je gedachten niet uitzetten maar je kunt ze wel onderzoeken.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

3.

Katie: Het Werk werkt altijd.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

4.

Katie: Het enige wat telt is jouw eigen wijsheid.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

5.

Katie: Alle antwoorden zitten in jezelf.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

6.

Katie: Zonder verhaal zie je de Realiteit.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

7.

Katie: Als ik denk dat jij mijn probleem bent, ben ik gek.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

8.

Katie: God, spaar me voor het verlangen naar liefde, goedkeuring en waardering, amen.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

9.

Katie: We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

10.

Katie: Als ik ‘boom’ zeg, wend ik mij af van de realiteit.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

11.

Katie: Gedachten zijn onze vrienden. Alleen door ze te onderzoeken vinden we bevrijding.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

12.

Katie: Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

13.

Katie: Als je de strijd aangaat met de realiteit, verlies je altijd.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

14.

Katie: Persoonlijkheden hebben niet lief – zij willen iets.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

15.

Katie: Het ergste wat je kan overkomen is een niet onderzochte gedachte.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

16.

Katie: Het enige lijden is een niet onderzochte geest.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

17.

Katie: Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

18.

Katie: Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze, dan laten ze mij los.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

19.

Katie: Je keert je volledig af van de realiteit als je gelooft dat er een gerechtvaardigde reden is om te lijden.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

20.

Katie: De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

21.

Katie: Er zijn geen fysieke problemen – alleen mentale.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

22.

Katie: De realiteit is God, want zij bepaalt.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

23.

Katie: Als ik helemaal helder ben, wil ik wat er is.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

24.

Katie: Hoe weet ik dat ik wat ik wil, niet nodig heb? Ik heb het niet.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

25.

Katie: Vergeving is je realiseren dat wat jij dacht dat gebeurde, niet gebeurde.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

26.

Katie: Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

27.

Katie: Niemand kan mij kwetsen.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

28.

Katie: Ik weet zeker dat iedereen van mij houdt, maar niet iedereen realiseert het zich.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

29.

Katie: Ik ben onvoorwaardelijke liefde.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

30.

Katie: Mijn nee tegen jou is een ja tegen het nee in mezelf.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

31.

Katie: Er zijn geen problemen.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

32.

Katie: Het universum heeft het beste met je voor.
De realiteit is je Meester.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

33.

Katie: Iedere calamiteit is een uitnodiging tot bevrijding.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

34.

Katie: Alles gebeurt voor mij, niet met mij.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

35.

Katie: Vrijheid is nooit een moment van angst, woede of verdriet meemaken.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

36.

Katie: Als er geen verzet is, vloeken de kleuren niet meer, klinkt alle muziek mooi, is geen enkele danspas uit de maat en is ieder woord poëzie.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

37.

Katie: Vrijheid is nooit een moment van angst, woede of verdriet meemaken.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

38.

Katie: Volkomenheid is een ander woord voor realiteit.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

39.

Katie: De enige manier waarop je iets als onvolkomen kunt zien is door een gedachte erover te geloven.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…

40.

Katie: Als je je gedachten niet gelooft, ben je alles.

Hans: Is dat waar?

Katie: Wat?

Hans: Kun je dat wel weten?

Katie: Oei.

Hans: Wat gebeurt er als je dat gelooft?

Katie: Hm.

Hans: Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Katie: Hè?

Hans: Keer het om.

Katie: Eh…