De Daodejing in vraagvorm – 1000 vragen naar vrijheid

dwaalgids > mystiek

‘Antwoord geven is de geest sluiten. Vragen stellen is de geest openen.’ De Daodejing in vraagvorm – duizend vragen naar vrijheid.

Inhoudsopgave

Bron van ‘de Daodejing in vraagvorm’

Wat is de Daodejing?

De Daodejing is het oudste en meest bekende werk uit de taoïstische canon en een van de meest vertaalde geschriften ter wereld. Het is een mix van spreuken, vergelijkingen, redeneringen en volkswijsheden van minstens 2300 jaar oud.

Ruwweg de helft van de Daodejing gaat over metafysica, de andere helft over ethiek.

Simpel gezegd leert de Daodejing dat het universum gereguleerd wordt door en samenvalt met de Tao, een spontaan, natuurlijk, universeel en tijdloos principe dat niet gekend maar wel geleefd kan worden.

Ware deugd, Te, is volledig afgestemd op de onkenbare Tao en forceert niets. Iedere poging om de Tao in woorden of het leven in regels te vangen, is op voorhand tot mislukking gedoemd.

Er valt natuurlijk veel meer te zeggen, of liever te vragen, over Tao en Te (Dao en De), maar dat laten we aan de Daodejing (in vraagvorm) over.

De twee andere hoofdwerken van het taoïsme zijn Zhuangzi en Liezi. Het taoïsme is een van de drie hoofdreligies van China, naast het confucianisme en het boeddhisme (chan).

Waarom al die verschillende titels?

‘De Eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt’, heet het in hoofdstuk 1 van de Daodejing. Dat geldt kennelijk ook voor de titel van het werk dat wanhopig probeert de Eeuwige Tao niet woorden uit te drukken. Zo wordt het niet alleen Daodejing genoemd, maar ook Dao De Jing, Lao Zi, Laozi, Tao Te Tjing, Tao-tê-tjing, Tao Te Ching, Tao Te King, Tau-te-tsjing

Dat heeft voor een deel te maken met het transliteratieprobleem. Het Chinees is niet gebaseerd op letters maar op ideogrammen. Hoe moet je die ideogrammen omzetten in het alfabet? In hoeverre laat je je daarbij leiden door de Chinese uitspraak, en door wiens uitspraak van welk van de vele Chinese talen en dialecten, oud en nieuw? In hoeverre laat je je leiden door de eigenaardigheden van de doeltaal? Een Nederlander zal bijvoorbeeld ‘Beijing’ van nature anders uitspreken dan een Portugees of een Schot.

Ooit werden Chinese tekens omgezet in Romeinse op grond van de uitspraak naar het inzicht van de individuele vertaler. Daarna volgde het transcriptiesysteem van Wade-Giles, en sinds de jaren vijftig het hanyu-pinyin.

Een aantal van de oude transcripties heeft wortel geschoten in hoofden, catalogi en (woorden)boeken. ‘Tao’ en ‘taoïsme’ bijvoorbeeld, staan op de Woordenlijst der Nederlandse taal, in het Groene Boekje en in de Dikke Van Dale. Dat verander je niet van de ene dag op de andere. Vandaar dat wij in tegenstelling tot een aantal andere Europese landen nog altijd niet zijn overgestapt op ‘Dao’ en ‘daoïsme’.

Daarnaast wordt de Daodejing al vele eeuwen vernoemd naar de vermeende auteur, Lao Zi (Laomeester), maar het kan ook zijn dat de auteur vernoemd is naar het werk, dat is niet zeker. Volgens Jan de Meyer moet je trouwens Laozi schrijven, aan elkaar, net als bij Janszoon en Koningsdochter. Kortom, verwarring alom, en dan hebben we het alleen nog maar over de titel.

Welke vertaling is de beste?

Er circuleren vele vertalingen van de Daodejing op het internet, in bibliotheken en boekenwinkels. Honderden, zo niet duizenden, waaronder tientallen Nederlandse. Daarbij vergeleken is de titelkwestie een bagatel. Wie iets met de Daodejing wil doen, zoals ik, zal eerst een keuze moeten maken uit de beschikbare vertalingen of zijn eigen vertaling moeten maken.

Omdat ik met mijn Daodejing in vraagvorm zo dicht mogelijk bij het Chinese origineel wilde blijven maar zelf geen Chinees spreek, heb ik me gebaseerd op Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht van Kristofer Schipper uit 2010.

Lao Zi is op het moment van schrijven de meest recente vertaling rechtstreeks uit het klassiek Chinees in het Nederlands, en bij mijn weten de enige die gebruik maakt van alle fragmenten van de Daodejing ontdekt in graven in Mawangdui in 1973 en in Guodian in 1993.

Bij het opstellen van de vragen heb ik me tevens laten leiden door een van de oudste en meest literaire vertalingen van de Daodejing in het Nederlands, Tao-tê-tjing van Ir. Blok uit 1910.

Weten dat je niet weet, dat is het hoogst

Chinese tekens: niet-weten
Wùzhī (klassiek Chinees, wù, niet + zhī, kennis, weten): niet-weten

Hoofdstuk 71, onthoud dat nummer

De Daodejing bestaat uit 81 hoofdstukjes. Een van de kortste hoofdstukken, nummer 71, is mijn favoriet. Daar staat in klassiek Chinees:

知不知上、不知知病。夫唯病病、是以不病。聖人不病、以其病病。是以不病

In de vertaling van Kristofer Schipper:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste.
Dit niet weten, dat is een kwaal.
De wijze, door deze kwaal als een kwaal te beschouwen, is hiervan gevrijwaard.
Want alleen op deze manier kun je aan de kwaal ontkomen.

Hoofdstuk 71 over niet-weten is voor mij de essentie van de Daodejing, de kern van het taoïsme en de (on)grond van niet-doen, een ander taoïstisch sleutelbegrip.

Of het ook voor jou de essentie van de Daodejing en de kern van het taoïsme is, kan alleen jij bepalen. Om zenmeester Linji Yixuan te parafraseren: Laat je door niemand iets wijsmaken.

Een broodje wijsheid of een broodje niet-weten?

Ooit bestond de Daodejing niet uit hoofdstukken, maar was het een doorlopende tekst. Er zijn verschillende varianten van de Daodejing overgeleverd in verschillende volgordes.

Wat de oorspronkelijke volgorde was, als die er al was, weet niemand. Maar als ik de auteur of samensteller was geweest, zou ik zeker met hoofdstuk 71 zijn geëindigd. Ik zou er ook mee begonnen zijn. Dan hadden we nu een broodje niet-weten gehad, belegd met wijsheid. Voedzaam en smakelijk. Goede stoelgang verzekerd.

In plaats daarvan hebben we een broodje wijsheid belegd met niet-weten. Zoveel lokaas, zo’n klein haakje! Obstipatie verzekerd, wijsheid gaat door de maag en de darmen zitten met de gebakken peren, of met de gebraden visjes, afhankelijk van je dieet.

Oxymorons en ellipsen

De mooiste regels van hoofdstuk 71 zijn voor mij de eerste twee:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste.
Dit niet weten, dat is een kwaal.

In het Chinees:

知不知上、不知知病。

In pinyin:

Zhī wùzhī shàng, wùzhī zhī bìng

Letterlijk vertaald:

weten (知) niet (不) weten (知) op (上)
niet (不) weten (知) weten (知) ziek (病)

dus:

weten niet weten op
niet weten weten ziek

Voor mij is dit zelfs in het Nederlands Chinees. Het is een wonder dat vertalers er kaas van kunnen maken, of moet ik zeggen loempia, zoals Schipper hierboven en Burggraaff hieronder:

Van weten naar niet weten dat is het beste.
Van niet weten naar weten, dat is dom.

En Ir. Blok:

Weten het niet-weten, dat is hoog.
Niet weten het weten, dat is een ziekte.

Omdat een simpele nevenschikking (‘niet weten’, ‘weten niet weten’) voor niet-Chinezen wat verwarrend is, heet 知不知 op deze site wetend niet-weten of weten zonder weten, en 不知 is niet-weten gaan heten.

Deze twee uitdrukkingen, ‘wetend niet-weten’ en ‘weten zonder weten’, zijn gebaseerd op een innerlijke tegenspraak en worden daarom oxymorons genoemd. Het oxymoron is voor apofatische sprekers van allerlei allooi, met name mystici, een onmisbare stijlfiguur.

De derde term, ‘niet-weten’, is een verkorte vorm van het oxymoron ‘wetend niet-weten’, en daarom per definitie een elliptisch oxymoron, kortweg een ellips.

Andere apofatische stijlfiguren vind je in de Stamelgids voor nitwits

Niet-weten, niet-kunnen en niet-doen

Sommige lezers kennen misschien de taoïstische uitdrukkingen wu wei, niet-doen en wei wuwei, doen zonder doen of doende niet-doen. Niet-weten en weten zonder weten of wetend niet-weten laten zich op analoge wijze romaniseren tot wuzhi en zhi wuzhi.

Veel zin heeft het niet, want er is in het Nederlands taalgebied praktisch niemand die weet wat het betekent. En als je ‘weten’ niet gebruikt als zelfstandig naamwoord (‘kennis’) maar als een werkwoord dan luiden de transcripties in pinyin respectievelijk zhī bùzhī en bùzhī. Dat lijkt helemaal nergens op.

Er bestaat trouwens een boeiend taoïstisch boekje uit de negende eeuw getiteld Wunengzi. Wu betekent hier weer ‘niet’, neng ‘kunnen’ en zi ‘meester’, als in Laozi, Zhuangzi, Liezi, Linzi: Meester Lao, Meester Zhuang, Meester Lie, Meester Lin. Het boek heet dus eigenlijk Meester Nietskunner.

Volgens de vertaler van dit werkje, Jan De Meyer, was Wunengzi bij de keuze van zijn naam wellicht geïnspireerd door een andere taoïst, Wang Ji (590-644) die zichzelf Wuxinzi noemde: ‘Meester Zonder Geest’.

Misschien moet ik mezelf voortaan maar Wuzhizi noemen, meester zonder weten. Beter nog: weetniet zonder meester. Ik bedoel natuurlijk niet-meester Weetniet. Of weet je wat? Zeg maar gewoon Hans van Dam.

Chinese tekens: wetend niet-weten of weten zonder weten
Zhi wuzhi (klassiek Chinees, zhi, weten + wu, niet + zhi): wetend niet-weten of weten zonder weten

Niet-weten bij Laozi, Socrates, Pyrrho en Seng-ts’an

Laozi: Niet weten dat je niet weet is een kwaal

Volgens de overlevering is de Daodejing geschreven of gedicteerd door ene Laozi (lao: oud, zi: meester, Oude Meester dus), ook wel Oude Langoor genoemd. Lange oorlellen zijn een teken van hoge ouderdom, een taoïstisch ideaal, vraag me niet waarom.

Over Laozi is niets met zekerheid bekend. Ook niet over de lengte van zijn oorlellen. De dingen die hij gezegd zou hebben had hij naar eigen zeggen liever niet gezegd. Weten dat je niet weet is immers hoog, hebben we net geleerd.

Wel bekend is de leeftijd van de Daodejing. Of laat ik het zo zeggen, heel wat geleerden zijn momenteel van mening dat de Daodejing geschreven of samengesteld is in de vierde eeuw voor Christus. Volgens de consensustheorie is het daarom waar, en blijft het waar tot de consensus verandert. Daarmee is het misschien het oudste nog bestaande werk waarin de term niet-weten voorkomt.

Socrates: Ik weet dat ik niets weet

Misschien, zeg ik, want hoe stel je zoiets vast? Hoeveel oudere teksten of tekstfragmenten in hoeveel verschillende talen zou je daarvoor wel niet moeten controleren? Hoeveel nieuwe oude teksten zullen archeologen in de toekomst nog opduikelen in potten, grotten en graven?

Misschien, zeg ik, want in hetzelfde tijdvak waarin de Daodejing tot stand kwam, de vierde eeuw voor Christus, schreef de Griekse filosoof Plato de dialoog Apologie waarin hij de filosoof Socrates liet zeggen:

Wat ik niet weet meen ik niet te weten.

Vaak wordt deze orakelspreuk geparafraseerd als:

Ik weet alleen maar dat ik niets weet.

Een dubieuze vereenvoudiging, als je het mij vraagt, en sowieso niet iets waarvoor je je achter een wijsgeer zou moeten verschuilen.

Wat Socrates werkelijk gezegd heeft en in welke bewoordingen en wat hij daarmee precies bedoelde, weet niemand, want hij heeft zelf voor zover bekend niets geschreven. Plato kon hem dus alle woorden in de mond leggen die hij maar wilde – een eeuwenoud procédé ter vergroting van de eigen geloofwaardigheid waarvan ook de taoïstische traditie zich graag bediende.

Pyrrho van Elis: Ik weet niet of ik niets weet

Het Griekse scepticisme vond zijn hoogtepunt én zijn Waterloo misschien al in het denken van de wijsgeer Pyrrho van Elis (circa 360 -270 voor Christus), die ook al niets heeft nagelaten behalve sporen in andermans werk, namelijk dat van Sextus Empiricus.

Pyrrho staat erom bekend dat hij zelfs weigerde te bevestigen dat hij niets wist. Dat komt aardig in de buurt van mijn favoriete formulering van radicale agnose: zelfs niet weten van niet-weten.

Dichter dan aardig in de buurt kom je niet met woorden. Ik in elk geval niet. Alles wat je over niet-weten zegt, behoort nou eenmaal tot het weten. Dat ‘niet weten het weten’ een ziekte is bijvoorbeeld, en ‘weten het niet weten’ hoog.

Voor je het weet begin je mensen in te delen in ziek en gezond, wetend en niet-wetend, laag en hoog. Op grond van dit soort onderscheidingen ga je jezelf onvermijdelijk als een wijze zien, een messias, een verlosser van de mensheid, de langverwachte stichter van het koninkrijk der hemelen op aarde. Nou, dan weet je het wel.

Seng-ts’an: Hou op met praten en denken

Maak je ook maar het kleinste onderscheid, dan wijken hemel en aarde oneindig ver uiteen

waarschuwde de derde zenpatriarch Seng-ts’an lang geleden al in De Grote Weg, verzen over de geest van vertrouwen. Hij had het nog niet gezegd of hemel en aarde weken oneindig ver uiteen. Had hij maar geen onderscheid moeten maken tussen wel en geen onderscheid maken.

Seng-ts’an zei ook:

Hou op met praten en denken en er is niets dat je niet zult begrijpen.

Hij zal er dus wel niets van begrepen hebben.

Waarom de Daodejing in vraagvorm?

Vraaggeest, weetnietgeest

Antwoord geven is de geest sluiten. Vragen stellen is de geest openen. Wie antwoord geeft is een dwaas, wie vragen stelt een wijze.

Enkele retorische vragen daargelaten is de Daodejing ogenschijnlijk van een verpletterende aforistische stelligheid. Daardoor ben je bij het lezen eerder geneigd je geheugen in te zetten dan je denkvermogen, als je al niet in slaap valt.

Om de tegeltjesgeest te bezweren en de weetnietgeest te wekken die sluimert in de Daodejing en misschien ook in jou, heb ik de tekst van voor tot achter omgezet in vraagvorm. Het resultaat is De Daodejing in vraagvorm – duizend vragen naar vrijheid.

Als het je net zo vergaat als ik, zul je het antwoord op de meeste, zo niet alle vragen schuldig blijven, en komen er alleen maar meer vragen in je op. Des te beter. Vraaggeest, weetnietgeest.

Vandaar dat ik je nu vraag: is antwoord geven inderdaad de geest sluiten? Is vragen stellen inderdaad de geest openen? Is het inderdaad de dwaas die antwoord geeft en de wijze die vragen stelt? Zeker weten?

Tienduizend vragen

De Daodejing in vraagvorm bevat circa duizend vragen. Bij elk van die vragen kun je jezelf pakweg tien vragen stellen:

  1. Begrijp je de woorden?
  2. Zeker weten dat dat is wat er met die woorden bedoeld wordt?
  3. Begrijp je de vraag?
  4. Zeker weten dat dat is wat er gevraagd wordt?
  5. Welke onuitgesproken aannames liggen er aan deze vraag ten grondslag?
  6. Welke antwoorden komen er in je op?
  7. Als het er meerdere zijn, welk antwoord is volgens jou het enige of het meest juiste?
  8. Zou je voor dat antwoord je hand voor in het vuur steken?
  9. Wat zoek je eigenlijk?
  10. Hoe zou je leven eruitzien als je niet langer op zoek was?

Zo ontstaan duizend setjes van tien vragen, in totaal tienduizend vragen over de tienduizend dingen. Daar ben je wel even zoet mee, lijkt mij. Mocht je halverwege ontmoedigd raken, of misschien wel op voorhand, dan heb je al meer opgestoken van De Daodejing in vraagvorm dan ik had durven hopen. En anders is het ook goed.

Hans van Dam, Amsterdam, zomer 2018

De Daodejing in vraagvorm

1. Mag je bevrijd van begeerte het mysterie aanschouwen?

Kan de eeuwige Tao in woorden worden uitgedrukt?
Kan de eeuwige naam worden genoemd?

Is het niets een naam voor de herkomst van de tienduizend dingen?
Is het iets een naam voor de moeder van de tienduizend dingen?

Zie je zolang je vol verlangens blijft alleen wat je beoogt?
Mag je, voor altijd bevrijd van begeerte, het mysterie aanschouwen?

Is deze tegenstelling het gevolg van het door namen scheiden van wat oorspronkelijk één was?

Heet dit één zijn het duistere?

Schuilt de poort tot de massa mysteriën in het duistere van dat duistere?

2. Brengen iets en niets elkaar voort?

Houdt ieders begrip van wat mooi is in de wereld verband met wat lelijk is?

Komt elk besef van wat goed is neer op het kennis van het kwaad, en niets anders?

Brengen iets en niets elkaar voort?
Completeren moeilijk en makkelijk elkaar?
Bestaan lang en kort in verhouding tot elkaar?
Vullen hoog en laag elkaar aan?
Harmoniseren tonen en klanken met elkaar?
Volgen voor en na op elkaar in alle eeuwigheid?

Is dat waarom de wijze zich in zijn daden houdt bij het nietsdoen?
Verspreid hij zonder woorden zijn leer?
Verschijnen alle dingen, maar zonder zijn initiatief?
Handelen zij, maar zonder zijn steun?
Zal hij blijven wanneer alles is volbracht?
Of blijft hij juist door niet te blijven behouden?

3. Zorgt de wijze ervoor dat het volk nooit iets weet?

Kun je ruzie onder het volk vermijden door voortreffelijke lieden niet te bevorderen?

Kun je diefstal onder het volk vermijden door geen waarde te hechten aan zeldzame dingen?

Kun je onrust onder het volk vermijden door geen begerenswaardige dingen tentoon te stellen?

Leegt de wijze de harten wanneer hij bestuurt?
Vult hij de buiken?
Verzwakt hij de verlangens?
Versterkt hij de botten?

Zorgt hij ervoor dat het volk nooit iets weet of iets begeert?

Zorgt hij ervoor dat zij die over kennis beschikken noch durven, noch in staat zijn te handelen?

Is dat alles? Is dan alles goed bestuurd?

4. Maakt de Tao los wat vast is?

Is de Tao leeg?
Zo leeg dat wat je er ook in doet hij toch niet vol raakt?
Zo bodemloos diep dat zich daar de heilige plaats lijkt te bevinden waar heel de schepping vandaan zou kunnen komen?

Verstompt de Tao wat scherp is?
Maakt hij los wat vast is?
Dimt hij wat lichtend is?
Maakt hij alles tot eenzelfde stof?
Zo diep verzonken dat hij daar vermoedelijk zou kunnen bestaan?

Wie weet wiens kind hij zou kunnen zijn?
Bestond hij al eerder dan het symbool van de grote voorvader?

5. Is grote geleerdheid algauw uitgepraat?

Zijn hemel en aarde onbarmhartig?
Zien ze alle wezens als strohonden?

Is de wijze onbarmhartig?
Beschouwt hij alle stammen als strohonden?

Lijkt wat zich tussen hemel en aarde afspeelt op een blaasbalg?
Leeg en gedwee, maar hoe meer hij beweegt hoe meer eruit komt?

Is grote geleerdheid algauw uitgepraat?
Is het beter je te concentreren op wat binnen in jezelf is?

6. Is de godin van het dal onsterfelijk?

Is de godin van het dal onsterfelijk?

Is zij voor ons de ondoorgrondelijke vrouwelijkheid?

Is de poort van haar vrouwelijkheid de wortel van hemel en aarde?

Is haar wezen als een eeuwige kringloop met onuitputtelijke werking?

7. Waarom houdt de wijze zich op de achtergrond?

Bestaat de hemel al heel lang?
Duurt de aarde steeds voort?

Is de reden voor deze langdurigheid dat ze niet voor zichzelf leven?
Zijn ze zo in staat lang te bestaan?

Is het daarom dat de wijze zijn eigen persoon voorrang geeft door hem op de achtergrond te houden?

Is het daarom dat de wijze zijn eigen persoon kan behouden door zich niet om hem te bekommeren?

Is het omdat hij geen eigenbelang nastreeft dat de wijze zijn eigenbelang kan verwezenlijken?

8. Is voor het denken diepte het beste?

Te zijn als water, is dat het allerbeste?
Doet water alle dingen goed, zonder te wedijveren?
Veracht de massa zijn nederige plaats?
Is juist daarom water zo dicht bij de Tao?

Is om te wonen land het meest geschikt?
Is voor het denken diepte het beste?
Is voor het schenken niets beter dan de hemel?
Gaat er in het spreken niets boven oprechtheid?
Gaat er voor het regeren niets boven orde?
Telt in het werk bekwaamheid het meest?
Moet je om iets te ondernemen het juiste moment kiezen?

Mag je nooit wedijveren?
Zul je dan zonder blaam blijven?

9. Wanneer moet je je terugtrekken?

Is tijdig ophouden beter dan volhouden tot er niets meer bij kan?
Wordt een werktuig gauw weer bot als je het zo scherp mogelijk maakt?

Kan iemand een zaal vol goud en edelstenen bewaren?
Zaai je ongeluk voor jezelf als je rijk, machtig en daarbij hooghartig bent?

Moet je je terugtrekken wanneer je het hebt volbracht?
Is dat de Tao des Hemels?

10. Je onzichtbare spiegel polijsten, moet dat?

Je hemelse en aardse zielen vasthouden en één maken zodat ze niet uit elkaar gaan, moet dat?

Je op je adem concentreren en hem zacht maken als die van een klein kindje, moet dat?

Je onzichtbare spiegel polijsten en rein houden zodat er geen enkele smet op blijft, moet dat?

Met liefde voor het volk het land besturen en je toch houden aan het nietsdoen, moet dat?

Je hemelse poort openen en sluiten in de vrouwelijke positie, moet dat?

Wanneer de alomvattende verlichting bereikt is, toch niet je kennis gebruiken, moet dat?

11. Wat is een pot zonder leegte?

Dertig spaken samen steken in één naaf; functioneert het wiel dankzij het naafgat?

Klei wordt gebakken om een pot te maken; zit de functie van de pot in zijn lege capaciteit?

We maken een huis met openingen voor deuren en ramen; wordt het huis bruikbaar door die lege plekken?

Wordt het gebruikmaken van wat er is pas mogelijk door wat er niet is?

12. Verwerpt de wijze wat vergezocht is?

Verblinden de vijf kleuren het oog?
Verdoven de vijf tonen het oor?
Bederven de vijf smaken de mond?

Raken de mensen galopperend te paard jagend buiten zichzelf van opwinding?

Worden mensen belemmert in hun bewegingsvrijheid door het bezitten van zeldzame dingen?

Doet de wijze wat goed is voor de innerlijke mens, niet voor het oog?
Is dat om bovenstaande redenen?

Verwerpt de wijze wat vergezocht is en neemt hij wat voor de hand ligt?

13. Is het erg om in de gunst te staan?

‘In de gunst staan even verschrikkelijk als schande.’
‘Een hoge positie is een grote ramp voor je lichaam.’

Wat wil men zeggen met ‘in de gunst staan is even verschrikkelijk als schande’?
Is in de gunst komen te staan dan nog erger?
Word je bang als je haar verkrijgt, en als je haar verliest eveneens?
Is dat wat hier bedoeld wordt?

En wat wil men zeggen met ‘een hoge positie is een grote ramp voor je lichaam’?
Dat ik een lichaam heb, is dat de reden dat ik rampen ondervind?
Indien ik geen lichaam had, wat zou ik dan nog voor rampen ondervinden?

Mag alleen degene die zijn lichaam beschouwt als iets dat kostbaarder is dan de hele wereld belast worden met het bestuur ervan?
Mag de wereld alleen worden toevertrouwd aan wie zijn eigen lichaam liefheeft als zijnde de hele wereld?

14. Brengt de opgang van het Ene licht?

We kijken, maar zien het niet; is dat het onzichtbare?
We luisteren, maar horen het niet; is dat het onhoorbare?
We reiken, maar raken het niet; is dat het ontastbare?
Kunnen we deze drie van elkaar onderscheiden of vloeien ze samen en vormen ze het Ene?

Brengt de opgang van het Ene licht?
Brengt de ondergang van het Ene duisternis?
Is het Ene een eindeloos verstrengelde kringloop?
Is het Ene onnoembaar? Terugkerend naar de staat van totale afwezigheid?

Is dit de vormloze vorm?
Een symbool zonder een daaraan beantwoordend object?
Wild? Chaotisch?

Als je het achterna gaat, zie je dan zijn rug?
Als je erop afkomt, zie je dan zijn aangezicht?

Moet je de Tao van nu begrijpen om het heden te besturen?
Ken je daarmee ook het begin, het oudste verleden?
Is dat de leidraad van de Tao?

15. Is de wijze geheel onkenbaar?

Drongen zij die vanouds het meest bedreven waren in de beoefening van de Tao door in de duisternis van de subtielste mysteriën?
Dieper dan wij kunnen bevatten?

Zijn zij geheel onkenbaar?
Doen wij hun daarom geweld aan met ze hier te beschrijven?

Waren zij zo voorzichtig alsof ze in de winter een bevroren rivier overstaken?
Zo omzichtig alsof ze van alle kanten bedreigd werden?
Zo waardig als een gast zich gedraagt?
Zo ontspannen als ijs dat smelt?
Zo authentiek alsof ze van onbewerkt hout waren?
Zo ongedifferentieerd als troebel water?
Zo weids als een dal?

Wordt onzuiver water dat stil is langzamerhand zuiver?
Komt wat inert is door beweging langzamerhand tot leven?
Verlangen zij die deze Tao vasthouden tot het uiterste te gaan?
Kunnen zij zich op deze manier genereren als ze uitgeput zijn?

16. Moet je de diepste stilte bewaren?

Moet je de hoogste leegte zoeken?
Moet je de diepste stilte bewaren?
Verrijzen dan alle dingen tezamen?
Aanschouw je stil zittend hun terugkeer?
Hebben alle dingen hun bloeitijd?
Gaan ze daarna terug tot waar ze vandaan kwamen?

Teruggaan tot de oorsprong, heet dat verstillen?
Keer je in stilte terug tot je lotsbestemming?
Is dat het onveranderlijke?
Zijn zij die het onveranderlijke kennen verlicht?
Doen zij die dit negeren in het wilde weg rampzalige dingen?

Het onveranderlijke kennen, maakt dat vergevingsgezind?
Is wie vergevingsgezind is universeel?
Brengt universeel zijn soevereiniteit?

Vertegenwoordigt de soeverein de hemel?
Komen we van de hemel bij de Tao?
Maakt de Tao dat alles voortduurt?
Is er iets te vrezen als het lichaam vergaat?

17. Is de Tao het spontane?

Kwam er kennis omtrent het bestaan van de Allerhoogste nadat hij was heengegaan?

Volgden toen liefde en verering voor hem?

Ging men hem daarna vrezen?

Ging men hem, nog verder afgezonken, vervloeken?

Kwam dit doordat er geen vertrouwen meer heerst waar geloof ontbreekt?

Moet je schroomvallig zijn? Moet je eerbiedig omgaan met woorden?

Was ooit alles volbracht, mijn werk gedaan?

Noemden de honderd stammen me toen: ‘het spontane’?

18. Leidt het intellect tot zwendelarij?

Is de grote Tao te gronde gegaan?
Hebben we sindsdien ‘menslievendheid’ en ‘gerechtigheid’?

Verschijnt de grote zwendelarij zodra het intellect verschijnt?

Als er onenigheid heerst onder de verwanten, komen er dan van die ‘toegewijde kinderen’ en ‘liefderijke ouders’ ?

Krijg je ‘trouwe onderdanen’ als het land ten prooi is aan volslagen wanorde?

19. Moet je eenvoudig zijn?

Als je je kennis aflegt en ophoudt met onderscheiden te maken, gaat het volk er dan op vooruit?

Als je je slimmigheid aflegt en ophoudt met winstbejag, zullen er dan geen rovers en dieven meer zijn?

Als je je beschaving aflegt en ophoudt met besprekingen, krijgen de mensen dan weer echte toewijding en liefde?

Zijn deze drie uitspraken als richtlijnen voldoende? Zijn er aanvullende voorschriften nodig?

Moet je ook nog eenvoudig zijn?
Moet je ook nog je natuurlijkheid bewaren?
Moet je ook nog minder aan jezelf denken?
Moet je je ook nog ontdoen van begeerte?

20. Ben ik een onnozele ziel?

Als je ophoudt met leren, leef je dan onbezorgd?
Ja en nee, hoe ver liggen die van elkaar?
Tussen mooi en lelijk, hoe groot is het verschil?
Wie wordt gevreesd, moet die zelf ook oppassen voor de anderen?

Lacht en giert de massa bij het bestijgen van de altaren voor het grote offermaal tijdens het lentefeest?
Zal ik dan alleen blijven?
Sereen uitdrukkingsloos als een ongeboren kind?
Vermoeid?
Alsof ik geen plaats heb om naar terug te keren?

Geniet de massa overdaad, terwijl ik alles ontbeer?
Ben ik een onnozele ziel? Chaotisch en verward?

Zijn de gemene lieden steeds helder van geest?
Tast ik alleen in het duister?

Zijn de gemene lieden steeds aan het onderzoeken en scheiden?
Ben ik alleen me nergens van bewust?

Ben ik wild, als was ik de wijde zee?
Chaotisch alsof ik nergens houvast heb?

Heeft de massa allemaal zijn beweegredenen?
Blijf ik altijd een lummelige stijfkop,
in dat ik anders wil zijn dan iedereen?
Me voeden bij de moeder, is dat het voornaamste voor mij?

21. Is de Tao chaotisch en wild?

Volgt de grote innerlijke kracht in zijn manifestatie de Tao en alleen de Tao?

Is de Tao, als wezen, puur chaotisch, voortdurend wild?

Kwamen er in het midden van zijn chaos en wildernis symbolen?
Kwamen er in het midden van zijn wildernis en chaos gestalten?

Ontstond in het midden van zijn donkerte en duisternis het zaad?
Oerzaad, zeer waarachtig?
Bevonden zich daarin de boodschappers?

Zijn hun namen van heden tot vroeger niet verloren gegaan, opdat we hun verheven menigte kunnen waarnemen?
Op welke manier ken ik de gedaanten van de verheven menigte?
Door dit hier – mijn eigen lichaam?

22. Heeft de wijze verdienste?

Wat buigt, blijft dat heel?
Wat krom is, wordt dat recht?
Wat hol is, wordt dat vol?
Wat geschonden is, wordt dat weer nieuw?
Wie weinig heeft, zal die ontvangen?
Wie veel heeft, raakt die het spoor bijster?

Houdt de wijze zich aan het Ene?
Is hij zodoende de herder van de wereld?
Laat hij zichzelf niet zien? Is hij daarom aanzienlijk?
Verheldert hij niets? Is hij daarom glansrijk?
Pretendeert hij niets? Heeft hij daarom verdienste?
Snoeft hij niet? Is daarom zijn goedheid groot?
Wedijvert hij niet? Kan juist daarom niemand met hem wedijveren?

‘Wat buigt blijft heel.’ Dat gezegde van de ouden, waren dat maar woorden?
Hielden zij die daadwerkelijk heel bleven zich hieraan?

23. Zal de Tao de verliezers verlaten?

Is het natuurlijk om nauwelijks of geen woorden te bezigen?

Blaast geen storm de hele morgen?
Valt geen stortregen de ganse dag?
Is er iets dat maakt dat het wel of niet zo is?
Stel dat hemel en aarde het niet lang kunnen volhouden, geldt dat dan des te meer voor de mens?

Zij die in alles wat ze doen de Tao volgen,
worden die verenigd met de Tao?
Wordt wie verwerft één met het verworvene?
Blijft wie verliest samen met het verlorene?

Zal de Tao verworvenheid geven aan hen die volledig zijn ingesteld op het verwerven?
Zal de Tao hen die verliezers zijn eveneens verlaten?

24. Hoe sterk staat een blaaskaak?

Hoe sterk staat een blaaskaak?
Word je met paraderen aanzienlijk?
Is wie wil schitteren glansrijk?
Is pretenderen een verdienste?
Is wie snoeft goed?

Heet dit gezien vanuit de Tao,
‘overtollig voedsel en overbodige aangroeisels’?
Haten alle schepsels dit?
Houdt wie de Tao betracht zich daar verre van?

25. Is de Tao de moeder van de kosmos?

Ontstond er nog voor hemel en aarde geboren werden een vorm in de chaos?
Stond hij alleen, onveranderlijk, in stilte verzonken?

Mag je hem zien als de moeder van de kosmos?
Weet ik zijn werkelijke naam?
Is zijn bijnaam misschien de Tao?
Kan ik beter doen dan hem groot te noemen?
Groot, wil dat zeggen: de bron?
De bron, betekent dat: ver weg?
Ver weg, houdt dat in dat het terugkeert?

Is de Tao waarlijk groot, evenals hemel en aarde?
Is de mens ook groot?

Komt de mens overeen met de aarde?
De aarde met de hemel?
De hemel met de Tao?
De Tao met wat spontaan is zoals het is?

26. Brengt drukte de heerser ten val?

Is zwaar de oorsprong van wat licht is?
Is stilte de grondslag van de drukte?

Verliest een reizend edelman geen ogenblik zijn bagagekar uit het oog?
Kan hij zijn zorgen alleen van zich afzetten als hij veilig en wel binnen een vesting met wachttorens zit?

Wat te denken van een machtig vorst die zijn eigen gezondheid minder zwaar opneemt dan wat er omgaat in het rijk?

Is ledigheid de ondergang van de dienaar?
Brengt drukte de heerser ten val?

27. Laat een goede reiziger sporen achter?

Laat een goede reiziger sporen achter?
Zegt een goede spreker ooit iets kwalijks?
Doet een goede rekenaar het met hulpmiddelen?
Heeft een goede portier grendels en sloten nodig, kan wat hij dichtdoet nog open?
Heeft een goede knopenlegger touw of koord nodig, kan het ooit nog los?

Is de wijze altijd goed in het redden van mensen?
Verwerpt hij niemand?
Moet je in alle dingen behouden wat waardevol is?
Mag dat ‘streven naar het licht’ heten?

Is een goed mens een leermeester die andere mensen goed maakt?
Zijn zij die niet goed zijn voor hem het materiaal om goede mensen van te maken?

De meester niet hoog schatten, is dat een dwaling, hoe geleerd men ook mag zijn?
Het materiaal liefhebben, is dat een grote dwaling?

Is dit een essentiële aanwijzing?

28. Hoe word je ’s werelds maatstaf?

Als je het mannelijke kent en het vrouwelijke bewaart, word je dan tot ’s werelds waterstroom?
Zal de eeuwige innerlijke kracht je ooit verlaten?
Keert hij terug tot de staat van het pasgeboren kind?

Het eervolle kennen de schaamte bewaren,
word je zo ’s werelds dal?
Zul je dan de eeuwige innerlijke kracht in overvloed bezitten?
Keer je zo terug tot de eenvoud van het onbewerkte hout?

Het witte kennen en het zwarte bewaren, word je zo ’s werelds maatstaf?
Zul je dan nooit de eeuwige innerlijke kracht ontberen?
Keer je zo terug tot het ‘zonder uiterste’?

29. Moet de wijze overdrijving vermijden?

Men klooft het onbewerkte hout om er offervaten uit te maken;
als je hetzelfde doet met een wijze, krijg je dan een hoofdambtenaar?
Moet je, als je iets groots wilt ondernemen, het wel bijsnijden?

Als je probeert vat te krijgen op de wereld door je ermee te gaan bemoeien,
zul je daar dan in slagen?
Is de wereld als een heilig offervat?
Maak je het kapot als je ermee gaat prutsen?
Verniel je het als je er iets mee doet?
Verlies je het als je eraan vasthoudt?

Gaan sommigen nu eenmaal voorop, terwijl anderen volgen?
Blazen sommigen heet, anderen koud?
Kunnen sommigen tegen een stootje, zijn anderen snel afgedaan?
Hijsen sommigen zich naar boven, vallen anderen naar beneden?
Moet de wijze daarom elke overdrijving, weelde en aanmatiging vermijden?

30. Is wie tegen de Tao ingaat er gauw geweest?

Raden zij die met de Tao de leiders bijstaan, aan geen wapengeweld te gebruiken tegen de wereld?
Is dat omdat deze zaken zich maar al te graag omkeren?

Groeien daar waar een leger is geweest alleen nog maar stekels en doornen?
Volgt daar waar een grote krijgsmacht is geweest altijd hongersnood?

Te slagen en het daarbij laten, is dat het beste?
Moet je profiteren van de situatie om met geweld nog meer te krijgen?

Slagen, maar je daar niet op voorstaan, is dat waar het op aankomt?
Slagen, maar niet snoeven?
Slagen, maar zonder pretenties?
Slagen, en daar blijft het bij?
Is dit wat heet: slagen zonder geweld te gebruiken?

De dingen langer blijven vasthouden dan hun beste conditie duurt en laten verkommeren, wordt dat gezien als tegen de Tao ingaan?
Is wie tegen de Tao ingaat er gauw geweest?

31. Hanteren zij die de Tao bezitten nooit wapens?

Zijn wapens onheilbrengende voorwerpen?
Worden ze door tal van schepsels gehaat?
Hanteren zij die de Tao bezitten ze ooit?

Bij een edelman thuis is links de nobele kant; neemt hij de wapens op dan bevoorrecht hij de rechterkant; waarderen edele mensen wapens daarom niet?

Wanneer je echt niet anders kunt dan ze gebruiken, moet je dat dan zo kalm en vredig mogelijk doen? Is dat het beste?

Als je met wapens dweept, betekent dat dan dat je ervan houdt om mensen te doden? Heeft in dat geval geen enkel politiek plan kans van slagen?

Voor feestelijke gelegenheden eren we de linkerkant, bij sterfgevallen de rechterkant; staat daarom de adjutant links en de generaal rechts, dat wil zeggen net zoals dat hoort bij het rouwritueel?

Wanneer grote aantallen mensen zijn omgekomen, moet je ze dan bewenen met bittere tranen?

Wanneer je in de oorlog zegeviert, moet je dan een rouwdienst houden?

32. Kan iemand de Tao onderwerpen?

Is de Tao eeuwig naamloos?
Lijkt hij van weinig belang, als een onbewerkt stuk hout?
Kan iemand ter wereld hem onderwerpen?

Als een vorst in staat was de Tao te bewaren, zouden alle wezens zich dan spontaan tot hem keren?
Zouden hemel en aarde zich dan samenvoegen om zoete dauw te doen regenen?
Zou onder het volk dan alles gelijk verdeeld worden zonder dat iemand gezag uitoefende?

Kwamen er met de schepping namen?
Toen er eenmaal namen waren, werd het toen ook nodig te weten op welk moment te stoppen?
Kan onheil worden vermeden door te weten te stoppen?

Is de Tao in vergelijking tot onze wereld als de oceanen en grote rivieren in vergelijking met een klein beekje?

33. Wie zichzelf kent, is die verlicht?

Wie de anderen kent, heeft die verstand?
Wie zichzelf kent, is die verlicht?
Wie anderen overwint, heeft die kracht?
Wie zichzelf overwint, is die sterk?
Wie voldoening kent, is die rijk?

Een doel te hebben, betekent dat daar krachtig naar te streven?
Te volharden, betekent dat nooit van je plaats te wijken?

Bestaat een lang leven erin te sterven zonder te verdwijnen?

34. Is de Tao zonder begeerte?

Is de Grote Tao weids stromend?
Kan hij overal komen, links en rechts?

Volbrengt hij zijn werk en vervult hij zijn taak zonder er een naam aan te geven?
Koestert en voedt hij alle schepsels geheel zonder begeerte?
Kun je hem daarom bescheiden noemen?

Is hij zonder over hen te regeren de toevlucht van alle schepsels?
Kun je hem daarom grootmoedig noemen?

Is de wijze bij machte het grote te voltooien?
Juist omdat hij niets groots doet?

35. Is de Tao de moeite waard?

Als je het grote symbool neemt en de wereld doorgaat, kan niets je dan deren?
Zal dan de Grote Vrede heersen?

Muziek en lekker eten, stoppen reizigers daarvoor?
Zijn de woorden uit de mond van de Tao maar zouteloos?
Hebben ze helemaal geen smaak?

Als je ernaar kijkt, zie je dan iets wat het bekijken waard is?
Als je ernaar luistert, hoor je dan iets wat het beluisteren waard is?
Als je er gebruik van maakt, hoe groot is dan zijn nut?

36. Overwint het zwakke het sterke?

Als je het wil laten krimpen, moet je het dan beslist uitrekken?
Als je het wil verzwakken, moet je het dan beslist eerst versterken?
Als je het wil scheiden, moet je het dan beslist eerst samenvoegen?
Als je iets weg wil halen, moet je dan beslist eerst iets toevoegen?
Zou je dat ‘het zachte licht’ kunnen noemen?

Overwint het zwakke het sterke?

Kunnen de vissen het diepe water verlaten?

Mogen de scherpe wapens van het land aan anderen worden getoond?

37. Komt de wereld zonder begeerte tot rust?

Bestaat de Tao erin iets te doen?

Zouden alle wezens spontaan beschaafd worden wanneer een vorst in staat was de Tao te bewaren?

Stel dat ze beschaafd waren en in actie wilden komen, zou je ze dan tot vrede kunnen brengen met de eenvoud van het naamloze? Van het naamloze, onbewerkte hout?

Zou je zorgen dat ze zonder begeerte waren?
Zou de wereld zonder begeerte en door stilte spontaan tot rust komen?

38. Is innerlijke kracht wel kracht?

Is het waar dat de hoogste vorm van innerlijke kracht niet berust op kracht?
Is er zo pas echt sprake van innerlijke kracht?
Wie niet zonder krachtsvertoon kan, is die minderwaardig?

Is het waar dat zij die een hogere vorm van innerlijke kracht bezitten niets doen?
Komt dan alles in orde?

Is het waar dat de hogere menslievendheid wel handelt, maar zonder het ergens om te doen?

Is het waar dat de hogere rechtvaardigheid van alles doet, maar wel met een bepaald doel?

Als ze het ten slotte in hun hoogste riten gaan zoeken, maar niemand reageert daarop, worden dan de mouwen opgestroopt en word je erbij gesleurd?

Steunde men nadat de Tao verloren was gegaan daarom op de deugd?
Ging men het toen die verdween zoeken in medemenselijkheid?
Zocht men toen die niet meer werkte toevlucht in gerechtigheid?
Kwamen er toen die niet meer bestond riten?

Zijn riten de schraalste vorm van eerlijkheid en vertrouwen, en daarbij nog het begin van alle wanorde?

Geldt hetzelfde voor het voorspellen van de toekomst? Is dat het begin van alle stommiteiten, met alleen de uiterlijke schijn van Tao?

Houdt een flink mens zich om die reden aan het substantiële?
Mijdt hij schrale oppervlakkigheid?
Blijft hij bij het echte en vermijdt hij uiterlijke schijn?
Kiest hij voor het eerste en verwerpt hij het laatste?

39. Wat is de nederigheid als basis nemen?

Ontving de hemel in het verleden door het verkrijgen van het Ene zijn reinheid?
Kreeg de aarde zo zijn rust?
Kregen de goden zo hun wonderkracht?
De dalen hun volheid?
De vorsten het gezag over de wereld?

Moet men zonder de reinheid van het Ene vrezen dat de hemel splijt?
Moet men beroofd van zijn rust vrezen dat de aarde ten onder gaat?
Moet men vrezen dat de goden, ontdaan van hun wonderkracht, machteloos worden?
Moet men vrezen dat de dalen zullen opdrogen?
Moet men vrezen dat de vorsten, ontzet uit hun gezag, van hun hoge positie worden verstoten?

Wortelt al wat edel is noodzakelijkerwijs in het vulgaire?
Berust al wat hoger is beslist op het lagere?
Is het daarom dat vorsten zichzelf aanduiden met namen als deze wees, deze onwaardige persoon, deze arme man?
Is dat de nederigheid als basis nemen?

Komen al te veel loftuitingen neer op geen loffelijkheid?
Kun je daarom beter niet willen glanzen als jade, maar liever dof blijven als gewone stenen?

40. Hoe functioneert de Tao?

Teruggaan, is dat de dynamiek van de Tao?
Zwak zijn, is dat hoe de Tao functioneert?

Komen alle dingen in de wereld van het iets?
Is het iets geboren uit het niets?

41. Is alleen de Tao goed?

Als een hoger persoon van de Tao verneemt, gaat hij hem dan met al zijn vermogen in praktijk brengen?

Als een middelmatig persoon van de Tao heeft geleerd, onthoudt hij dan maar een gedeelte en vergeet hij de rest?

Als een minderwaardig persoon over de Tao hoort, gaat hij er dan spottend hard om lachen? Als hij er niet om zou lachen, zou het dan de Tao wel zijn?

Lijkt de Tao van de verlichting donker?
Lijkt de Tao van de vooruitgang op achteruitgang?
Lijkt de Tao van de gelijkheid ongelijk?

Lijkt de hoogste innerlijke kracht leeg als een dal?
Lijkt het zuiverste wit besmeurd?
Lijkt verstrekkende innerlijke kracht onvoldoende?
Lijkt sterke innerlijke kracht krachteloos?
Lijkt solide realiteit wisselvallig?

Heeft het grootste vierkant hoeken?
Komt het grootste vat ooit af?
Maakt de grootste muziek het minste geluid?
Heeft het grootste symbool een vorm?

Is de Tao verscholen en naamloos?
Is alleen de Tao goed, van het begin tot aan de grote vervolmaking?

42. Baarde de Tao het ene?

Baarde de Tao het Ene?
Het Ene de Twee?
De Twee de Drie?
De Drie alle schepsels?
Dragen alle schepsels op hun rug het yin en omarmen ze het yang?
Komen ze tot harmonie door het verbinden van deze energieën?

Houden mensen er niet van een wees, een onwaardig persoon of een arme man te zijn? Ook al zijn dat de benamingen waarmee vorsten zichzelf aanduiden?

Geldt voor alle schepsels dat ze er soms op vooruitgaan als ze verliezen, en ze soms verliezen als ze winnen?

Moet ik doorgeven wat door anderen onderwezen werd?
‘Gewelddadige bruten komen niet goed aan hun einde.’
Moeten we dat beschouwen als de vader van onze leer?

43. Wie kan de leer zonder woorden bereiken?

Overwint het allerzachtste ter wereld het allerhardste?
Kan wat leeg is doordringen in wat geen tussenruimte heeft?
Kan je hierdoor weten waarom het nietsdoen de voorkeur verdient?

De leer zonder woorden, het voordeel van het nietsdoen,
hoeveel zijn er in de hele wereld die dit kunnen bereiken?

44. Wat brengt meer problemen: slagen of falen?

Wat is je dierbaarder, je goede naam of je lichaam?
Wat is je meer waard, je bezitting of je gezondheid?
Wat brengt meer problemen, slagen of falen?

Zul je meer moeten uitgeven naarmate je meer begeert?
Zul je meer moeten verliezen hoe meer je hebt vergaard?

Wie tevredenheid kent, zal die worden vernederd?
Wie weet wanneer op te houden, zal die geen kwaad overkomen?
Zal hij nog lang voortleven?

45. Lijkt de grootste welsprekendheid op stotteren?

Lijkt het meest volmaakte gebrekkig?
Is zijn werking ongedeerd?

Lijkt de grootste volheid leeg?
Is zijn benutting onuitputtelijk?

Lijkt het meest rechte krom?
Lijkt de grootste vaardigheid onhandig?
Lijkt de grootste welsprekendheid op stotteren?

Overwin je de kou door actief te zijn?
Overwin je de hitte door kalm te blijven?
Kunnen reinheid en rust de wereld recht maken?

46. Is er een groter zonde dan te veel willen hebben?

Als de wereld de Tao heeft, worden paarden dan alleen nog maar gehouden vanwege de mest?

Als de wereld geen Tao heeft, fokt men dan oorlogspaarden tot in de buitenwijken?

Is er een groter zonde dan te veel willen hebben?
Is er een fout die meer verdriet geeft dan te willen winnen?
Is er een ramp erger dan niet van ophouden te weten?

Is de tevredenheid van degene die weet wat het is om tevreden te zijn, blijvende tevredenheid?

47. Begrijpt de wijze alles zonder het te zien?

Moet je de deur uit om de wereld te kennen?

Moet je uit je raam kijken om de loop van de sterren te zien?

Weet je minder naarmate je verder weggaat?

Weet de wijze alles al zonder ernaartoe te gaan?

Begrijpt hij alles zonder het te zien?

Brengt hij alles voor elkaar zonder iets te doen?

48. Hoe wordt het nietsdoen bereikt?

Wie studeert, vermeerdert die dag bij dag?
Wie over de Tao hoort, vermindert die dag bij dag?
Minder en minder, net zolang tot het nietsdoen bereikt is?
Blijft door niets te doen niets ongedaan?

Wil je de wereld veroveren?
Moet je je dan ergens mee bezighouden?
Als je je ergens mee bezig zou moeten houden, zou het dan de moeite waard zijn om de wereld te veroveren?

49. Hoe schept de wijze vertrouwen?

Heeft de wijze ooit een eigen hart?
Maakt hij het hart van alle stammen tot zijn eigen hart?
Vindt hij wie goed is goed?
Vindt hij wie niet goed is net zo goed?
Verkrijgt hij zo het goede?

Gelooft hij wie eerlijk is?
Gelooft hij wie niet eerlijk is ook?
Schept hij zo het vertrouwen?

De wijze in de wereld, neemt hij alles, ontvangt hij alles?
Is hij zo het hart waarin de hele wereld zich verzamelt?
Richten de honderd stammen hun oren en ogen tot hem?
Schenkt hij aan allen zijn kinderlijke glimlach?

50. Is er in de wijze een doodsplek?

Tussen het verschijnen in het leven en het verdwijnen in de dood, zijn het de dertien metgezellen* die het verschil maken tussen bestaan of vergaan?
Gaan de mensen met hun leven om op een manier waarop de dertien metgezellen tot dertien doodsplekken worden?

Wat kan de reden daarvan zijn?
Dat ze te kwistig met hun leven omgaan?

Zijn zij die erin slagen hun greep op het leven te bewaren, op het land beducht voor rinocerossen en tijgers?
Dragen zij in het leger een wapenrusting?
Vinden rinocerossen in hen een plek om hun hoorn in te boren?
Tijgers een plek om hun klauwen in te slaan?
Scherpe wapens een manier om hun te deren?

Wat kan hiervan de oorzaak zijn?
Is er in hen een doodsplek?

* de negen openingen en de vier ledematen van het lichaam

51. Is het de Tao die de schepsels baart?

Geeft de Tao de schepsels het leven?
Voedt zijn innerlijke kracht hen?
Geeft deze kracht ze als schepsels een vorm?
Vervolmaakt hij hun functie?

Vereren alle schepsels daarom de Tao?
Verheerlijken ze zijn innerlijke kracht?

Maakt de majesteit van de Tao hem tot heerser?
De verhevenheid van zijn innerlijke kracht?
Of is zijn werking eeuwig spontaan?

Is het de Tao die ze baart, voedt?
Ze grootbrengt en vormt?
Ze rust en vrede geeft?
Ze ondersteunt en beschermt?

Geeft hij ze het leven, maar zonder over ze te beschikken?
Doet hij alles voor ze, maar zonder erkenning te vragen?
Is hij de hoogste, maar niet de gebieder?

Is dat zijn ondoorgrondelijke, innerlijke kracht?

52. Je zwak opstellen, getuigt dat van kracht?

Heeft de wereld een begin?
Kunnen we dat zien als de moeder van de wereld?
Als je de moeder hebt gevonden,
kun je daardoor dan het kindje kennen?
Wanneer je weet hebt van haar kindje,
ga je dan opnieuw de moeder in je bewaren?
Blijf je zo tot het einde van je leven buiten gevaar?

Als je de gaten stopt en de deuren sluit,
raak je dan je hele leven niet uitgeput?
Als je de gaten opent en je met de zaken bemoeit,
zal er dan tot aan het einde van je leven geen redding zijn?

Het nietigste aanschouwen, getuigt dat van helderheid?
Je zwak opstellen, getuigt dat van kracht?
Als je dit licht neemt om weerom te keren,
om toevlucht te zoeken in de helderheid,
zullen geen rampen dan je deel worden?
Is dit wat heet: de bestendigheid oefenen?

53. Is de Tao recht en breed?

Wat is het enige waar men bij het volgen van de grote Tao beducht voor moet zijn? Hem te verlaten? Zou ik dat weten, zelfs al bezat ik het minste verstand?

Is de grote Tao zeer recht en breed?
Houden de mensen meer van kronkelpaden?

Kleden zij zich in de fraaiste gewaden?
Dragen zij scherpe zwaarden aan hun gordel?
Proppen zij zich vol met eten en drinken?
Hebben zij massa’s geld en goed?

Ook al is de hof totaal verloederd?
Ook al zijn de velden overwoekerd?
Ook al zijn de graanschuren leeg?

Heet dit de Weg of heet het roven?

54. Hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie?

‘Wat stevig is geplant wordt niet ontworteld,
wat stevig wordt vastgehouden zal niet ontglippen,
mits kinderen en kindskinderen de offers niet onderbreken.’

Wordt je innerlijke kracht waarachtig wanneer je dit in je eigen lichaam gaat beoefenen?
Wordt ze overvloedig wanneer je dit toepast op je familie?
Op je streek, wordt hij dan blijvend?
Op je land, bloeiend?
Op de wereld, algemeen?

Zal ik daarom personen vanuit mijzelf beschouwen?
Families als mijn eigen familie?
Streken als mijn eigen streek?
Landen als mijn eigen land?
De wereld als mijn eigen wereld?

En hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie?
Vanuit mijn eigen innerlijk?

55. Wat is het summum van seksuele energie?

Wie boordevol innerlijke kracht zit, is die als een pasgeboren kind?
Zullen wespen, schorpioenen en giftige slangen hem niet deren?
Wilde beesten hem niet grijpen?
Roofvogels hem niet pakken?

Zijn zijn beenderen teer, zijn spieren slap, maar zijn vuistjes krachtig samengebald?

Weet hij nog niets van het samenzijn van mannetjes en vrouwtjes,
al staat zijn lid overeind? Is dat het summum van seksuele energie?

Kan hij de hele dag gillen zonder schor te worden? Is dat het hoogtepunt van harmonie?

Betekent harmonie kennen bestendig zijn?
Betekent bestendigheid kennen verlicht zijn?

Brengt het ongeluk het leven te willen uitbuiten?
Is je hart over levensenergie laten beschikken, forceren?

De vitaliteit van de dingen laten afsterven, is dat in strijd met de Tao?
Is het met wat in strijd is met de Tao gauw gedaan?

56. Wat is de ondoorgrondelijke eenheid?

Wie weet, spreekt die?
Wie spreekt, weet die?

De ‘ondoorgrondelijke eenheid’,
is dat de gaten stoppen?
De deuren sluiten?
De stralen dimmen?
De stof verenigen?
De scherptes verstompen?
De knopen ontrafelen?

Is er dan geen intimiteit of afstandelijkheid meer?
Geen voordeel en geen nadeel?
Geen hoge of lage rang?

Is dit het hoogste wat men in de wereld kan bereiken?

57. Verbetert het volk zich vanzelf?

‘Bestuur het land met ordelijkheid. Gebruik de wapens met listigheid.’

Win je de wereld door alles de vrije loop te laten? Hoe weet je dat dit zo is?

Wordt de armoede van het volk groter naarmate er meer bepalingen en verboden zijn?

Wordt de wanorde in het land groter naarmate het volk meer gevaarlijke wapens bezit?

Worden er meer vreemde dingen gemaakt naarmate het volk zich meer aan techniek en kunstvaardigheid wijdt?

Zullen er meer dieven zijn naarmate er meer wetten en verordeningen worden afgekondigd?

Verbetert het volk zich vanzelf als de wijze niets doet?
Ordent het volk zich spontaan als de wijze de stilte mint?
Wordt het volk vanzelf rijk als de wijze alles op zijn beloop laat?
Vindt het volk uit zichzelf zijn oorspronkelijke eenvoud als de wijze zonder verlangens is?

58. Is er een correcte maatstaf?

Is de bevolking vriendelijk en eerlijk als een regering duf en suf is?
Worden de mensen listig en doortrapt als de regering scherp toeziet?

Berust het geluk op de tegenspoed?
Verschuilt de tegenspoed zich in het geluk?
Wie weet wanneer hier ooit een einde aan zal komen?
Is er een correcte maatstaf?

Wordt wat recht is weer krom?
Wordt wat goed is opnieuw verdorven?
Heerst er verwarring onder de mensen?
Bestaat die al sinds heel lang geleden?

Moet je daarom vierkant zijn maar niet hoekig?
Scherp maar niet snijdend?
Recht maar niet stram?
Lichtend maar niet blinkend?

59. Kan innerlijke kracht alles overwinnen?

Gaat er iets boven voorraden aanleggen om de mensen te besturen en de hemel te dienen?

Voorraden aanleggen, betekent dat tijdig voorzieningen treffen?
Kun je hierdoor innerlijke kracht verzamelen?

Kun je met die verzamelde innerlijke kracht alles overwinnen?
Weet iemand tot hoever dit kan gaan?
Zou je zo de hele wereld in handen kunnen krijgen?

Is wie de Moeder van de Aarde bezit een lang voortbestaan beschoren?
Is dat de Tao van de diepe wortels?
De Tao van de hechte ondergrond van het lange leven?
De Tao van de blijvende visie?

60. Is een land regeren als visjes bakken?

Is een groot land regeren net als kleine visjes bakken?

Wanneer je met de Tao de wereld benadert, worden dan de geesten van voorouders nog als goden vereerd?
Zullen de goden de mensen dan nog kwaad doen?
Zullen de wijzen de mensen nog kwaad doen?

Wanneer zij elkaar wederzijds geen kwaad meer berokkenen, kunnen zij dan hun innerlijke krachten bundelen en aanwenden voor het goede?

61. Overwint het vrouwelijke altijd het mannelijke?

Is een groot land dat zich stroomafwaarts plaatst de vrouwelijkheid van de wereld, daar waar de wereld gemeenschap heeft?

Gaat het vrouwelijke altijd stil onder liggen? Overwint het vrouwelijke in stilte daardoor immer het mannelijke?

Als een groot land zich zo onder een klein land plaatst, wint het dan van dat kleine land?

Als een klein land zich onder een groot land bevindt, wint het dan van dat grote land?

Moet het ene land eerst de lagere positie gaan innemen om dit te bereiken, terwijl het andere dit doet vanuit zijn lagere positie?

Gaat wat een groot land wil verder dan toevoegen aan zijn bevolking?
Wil een klein land alleen toetreden om werk te vinden voor zijn bevolking?

Is het daarom het beste dat het grote land zich onder het kleine plaatst; opdat beide bereiken wat ze willen?

62. Is de Tao heilig?

Is de Tao wat heilig is voor alle schepsels?
Is hij van goede mensen de schat?
Van slechte mensen de beschermer?

Kun je met mooie woorden zaken doen?
Kun je met voornaam gedrag anderen imponeren?
Het niet goede in de mensen, zal dat ooit verdwijnen?

Als de Zoon des Hemels de troon bestijgt en de drie voornaamste raadslieden benoemt, weegt gewoon blijven zitten en hem deze Tao presenteren dan op tegen het aanbieden van een schijf van jade gevolgd door een span van vier paarden?

Waarom werd in vroege tijden deze Tao zozeer vereerd? Was dat omdat werd gezegd: ‘Wie zoekt zal door hem vinden, wie gezondigd heeft zal door hem vergeven worden’?

Was hij daarom kostbaarder dan de hele wereld?

63. Heeft de wijze nooit moeilijkheden?

Moet je doen door niets te doen?
Moet je ingrijpen door op te geven?
Kun je proeven wat geen smaak heeft?
Moet je het kleine als groot zien, wat weinig is als veel?
Moet je haat beantwoorden met innerlijke kracht?

Moet je je voorbereiden op het moeilijke zolang alles nog makkelijk is?
Moet je iets groots doen terwijl alles nog klein is?
Komen de moeilijkste dingen in de wereld uit wat eens eenvoudig was?
De grootste kwesties uit wat aanvankelijk klein was?

Streeft de wijze ooit naar het grote? Hoe kan hij dan het grote verwezenlijken?

Schieten zij die te lichtvaardig iets beloven zonder twijfel tekort in geloofwaardigheid?

Zullen zij die de zaken te makkelijk achten zeker veel moeilijkheden ondervinden?

Beschouwt de wijze ze daarom als moeilijk?
Heeft de wijze zo nooit moeilijkheden?

64. Doet de wijze niets zodat hij niets vernielt?

Kan wat vredig is makkelijk stil gehouden worden?
Is het eenvoudiger om je te beraden nog voordat de signalen beginnen?
Kan wat nog broos is makkelijk worden afgebroken?
Is wat nog nietig is, eenvoudig te verwijderen?

Moet je ingrijpen voordat het gebeurt?
Orde scheppen voordat er wanorde is?

Komt een boom die je nauwelijks kunt omarmen voort uit een nietig zaadje?
Begint een toren van negen verdiepingen met een hoop zand?
Vangt een tocht van duizend mijlen aan met de eerste stap?

Als je er iets mee doet, verniel je het dan?
Als je eraan vasthoudt, verlies je het dan?
Doet de wijze niets, zodat hij niets vernielt?
Houdt hij nergens aan vast, zodat hij niets verliest?

Kan er niets verkeerd gaan als je aan het einde net zo voorzichtig bent als aan het begin? Is dat het richtsnoer in de aanpak van alle zaken?

Wil de wijze daarom niets begeren? Hecht hij daarom geen waarde aan zeldzame dingen?

Leert de wijze zonder te onderwijzen? Gaat hij terug naar waar de massa aan voorbijgaat?

Is de wijze bij machte de spontane ontwikkeling van de tienduizend dingen te ondersteunen zonder iets te doen?

65. Dient de Tao om mensen onnozel te houden?

Gebruikten zij die vroeger bedreven waren in de Tao die om de mensen onnozel te houden en niet om hen schrander te maken?
Wordt het volk lastig te besturen als het te veel ideeën heeft?

Een land door middel van ideeën besturen, is dat het land bestelen?
Dat na te laten, brengt dat het land voorspoed?

Nemen zij die zich altijd van deze tegenstelling bewust zijn haar tevens als maatstaf?

Altijd de juiste maatstaf weten toe te passen, betekent dat de ondoorgrondelijke innerlijke kracht bezitten?

Die duistere innerlijke kracht, hoe diep is die? Hoe verreikend?

Neemt hij de dingen mee op de weg van de terugkeer, om ze daardoor met de grote doorstroom te doen meegaan?

66. Staat de wijze boven het volk?

Komt het doordat ze lager zijn dan alle stromen dat grote rivieren en zeeën de heerschappij voeren over alle waterstromen?
Zijn ze daarom hun koningen?

Staat de wijze voorop? Komt dat doordat hij zichzelf achter het volk plaatst?
Staat de wijze boven het volk? Komt dat doordat hij zich in zijn uitspraken beneden het volk plaatst?
Kan hij zo aan het hoofd staan zonder dat het volk druk ondervindt?
Kan hij het volk zo leiden zonder dat het er schade van heeft?

Is de wereld gelukkig tot de wijze te komen?
Krijgt de wereld daar nooit genoeg van?
Komt dat doordat de wijze nooit wedijvert?
Kan op deze manier niemand met hem wedijveren?

67. Is het omdat ik spaarzaam ben dat ik gul kan zijn?

Noemt de hele wereld mij groot? Groot en onvergelijkbaar?
Word ik alleen omdat ik onvergelijkbaar ben als groot gezien?
Zou ik sinds lang als klein worden beschouwd als ik met iets vergeleken kon worden?

Heb ik schatten die ik hanteer en bewaar?
Is barmhartigheid zo’n schat?
Is spaarzaamheid er een?
Mezelf nooit op de voorgrond van de wereld plaatsen?

Is het omdat ik barmhartig ben dat ik moedig kan zijn?
Is het omdat ik spaarzaam ben dat ik gul kan zijn?
Is het omdat ik mezelf in de wereld niet op de voorgrond durf te plaatsen dat ik de meest vooraanstaande van alle talentvolle lieden kan zijn?

Riskeren zij die nu de barmhartigheid verzaken, en toch blijk van moed willen geven, de dood?
En zij die de spaarzaamheid opgeven en zich toch gul willen tonen?
En zij die zonder op de achtergrond te blijven toch de meest vooraanstaande willen zijn?

Zijn het de barmhartigen die in de strijd zegevieren?
Zijn zij het die hun stelling met vastheid kunnen bewaren?
Worden zij, wanneer de hemel hen wil bevestigen, als het ware behouden door een muur van barmhartigheid?

68. Hoe wordt men de metgezel van de hemel?

Waarom is een goede edelman niet strijdlustig?
Waarom wordt een goede krijger niet driftig?
Gaat wie goede kans maakt te overwinnen de strijd aan?
Maakt wie goed met mensen om kan gaan zichzelf ondergeschikt?

Is dat door niet te vechten de anderen laten doen wat men wil?
Is men zo de metgezel van de Hemel?
Gold dit in de oudheid als het allerhoogste?

69. Kun je slaan zonder je arm te gebruiken?

Bij de Strategen heet het:

‘Ik durf niet de baas te spelen, en houd me bij het te gast zijn.
Ik durf nog geen duim op te trekken, maar ga liever een el terug.’

Kun je opmarcheren zonder je plaats te verlaten?
Slaan zonder je arm te gebruiken?
Wapens hanteren zonder ze te gebruiken?
De vijand te lijf gaan zonder aan te vallen?

Bestaat er een groter ongeluk dan je vijand te onderschatten?
De vijand onderschatten, is dat gevaar lopen je schatten te verliezen?

Wanneer twee legers met elkaar gaan strijden, is het dan de kant die dit betreurt die wint?

70. Waarom verbergt de wijze zijn schat?

Zijn mijn woorden makkelijk te begrijpen? Zijn ze makkelijk toe te passen?
Is er in de hele wereld ook maar iemand die ze kan begrijpen en ze toe kan passen?

Hebben woorden hun toepassing?
Beantwoorden toepassingen aan een principe?
Is het alleen wanneer men dit niet kent, dat men mij niet begrijpt?
Zijn zij die mij kennen maar weinig in aantal?
Ligt daarin mijn grote waarde?

Verbergt de wijze zijn schat van jade daarom onder een grove mantel?

71. Weten dat je niet weet, is dat het hoogste?

Weten dat je niet weet, is dat het hoogste?

Dit niet weten, is dat een kwaal?

Is de wijze, door deze kwaal als een kwaal te beschouwen, hiervan gevrijwaard?

Kun je alleen op deze manier aan de kwaal ontkomen?

72. Verwerpt de wijze wat van buiten komt?

‘Wanneer het volk de autoriteiten niet vreest, dan is wat grotelijk te vrezen valt op komst.’

Moet je in dat geval vooral hun woonplaats niet beperken?
Vooral hun levensonderhoud niet onder druk te zetten?
Zullen ze, zolang je ze maar niet onderdrukt, niet haten?

Is het daarom dat de wijze zichzelf wel kent, maar niet laat zien?
Is hij daarom wel zuinig op zichzelf, maar zonder zichzelf als kostbaar te zien?
Verwerpt hij daarom wat van buiten komt, en houdt hij zich aan wat binnen is?

73. Wat de Hemel haat, wie begrijpt daarvan de reden?

Zal wie zijn leven met bravoure waagt, sneuvelen?
Zal wie dapper is maar geen waaghals, in leven blijven?
Brengt van deze twee houdingen de ene voorspoed, de andere schade?

Wat de Hemel haat, wie begrijpt daarvan de reden?

Waarin bestaat de Tao van de Hemel?
Weten te zegevieren zonder strijd te leveren?
Weten te antwoorden zonder iets te zeggen?
Dingen uit zichzelf laten komen zonder ze te roepen?
Vrijmoedig te zijn en toch een goede strategie te hebben?

Hoe groot zijn de netten van de Hemel?
Hoe ruim zijn de mazen, ontglipt er iets aan?

74. Zal er altijd een beul moeten zijn?

Mocht het volk absoluut de dood niet vrezen, hoe het dan nog angst in te boezemen met de doodstraf?

Mocht het volk nog altijd de dood vrezen en we stellen bij wijze van uitzondering iemand terecht, wie zou dan nog iets wagen?

Als het volk noodzakelijkerwijs de dood moet blijven vrezen, zal er dan altijd een beul moeten zijn?

Is zelf doden in plaats van dat de beul dat doet als zelf hout kloven in plaats van een meester-houthakker? Hoeveel van hen zullen in dat geval hun handen verwonden?

75. Is er van hogerhand te veel bemoeienis?

Wanneer het volk honger lijdt, komt dat dan doordat er van hogerhand te veel graanbelasting wordt geheven?

Wanneer het volk moeilijk te besturen is, komt dat dan doordat er van hogerhand te veel bemoeienis is?

Wanneer het volk de dood te licht opneemt, komt dat dan doordat de hooggeplaatsten een te overdadig leven leiden?

Munten alleen zij die er niet op uit zijn er beter van te worden, erin uit waarde aan hun leven te geven?

76. Zullen zachtheid en soepelheid overwinnen?

Is de mens bij zijn geboorte soepel en teer?
Bij zijn dood hard en stijf?

Zijn planten en bomen zolang ze leven zacht en fragiel?
Dor en uitgedroogd als ze dood zijn?

Leidt wat hard en onbuigzaam is ons waarlijk naar de dood?
Zijn zachtheid en soepelheid vrienden van het leven?

Wordt een sterk leger verslagen?
Moet hout dat niet buigen kan breken?

Delven hard en groot het onderspit?
Zullen zachtheid en soepelheid overwinnen?

77. Neemt de Tao weg wat teveel is?

Lijkt de Tao van de Hemel op het spannen van een boog, waarbij het onderste omhoog gaat als het hoge uiteinde naar beneden wordt gebogen?

Neemt de Tao van de Hemel weg wat te veel is?
Vult hij aan wat niet genoeg is?

Bestaat de weg van de mensen erin om van hen die al te weinig hebben weg te nemen, om het aan te bieden aan hen die al te veel hebben?

Wie kan wegnemen wat te veel is om het vervolgens aan iedereen op de hele wereld aan te bieden? Zij die de Tao bezitten?

78. Lijken juiste woorden tegenstrijdig?

Is niets ter wereld zachter en zwakker dan water?
Is er niets dat water overtreft om wat hard en onbuigzaam is te bestrijden?
Komt dat doordat niets zijn plaats kan innemen?

Wint zwak altijd van hard?
Wint soepel altijd van onbuigzaam?
Wie ter wereld weet dit?
Kan ook maar iemand dit toepassen?

Mag degene die de schande van het land op zich neemt de heer van zijn altaren genoemd worden?

Is degene die de tegenspoed op zich neemt het waard koning van de wereld zijn?

Lijken juiste woorden tegenstrijdig?

79. Is de Tao altijd de metgezel van goede mensen?

Maakt vrede in diepe haat gesloten, nooit een einde aan de haat?
Kan men het nooit als goed beschouwen?

Is het daarom dat de wijze, als hij de rechterkant van het contract bezit, de schuld van de tegenpartij niet opeist?

Beheert wie innerlijk goed is contracten, en wie innerlijk slecht is belastingen?

Heeft de Tao van de Hemel speciale verwantschappen?
Is hij immer de metgezel van goede mensen?

80. Moet een klein land zorgen dat de mensen hun eten lekker vinden?

Moet een klein land met weinig bewoners en wapens voor tientallen groepen, zorgen dat ze niet worden gebruikt?

Moet een dergelijk land zorgen dat de mensen de dood ernstig nemen en daarom niet denken aan reizen?

Hebben die mensen daarom, hoewel ze boten en wapens hebben, geen reden om erin plaats te nemen?

Hebben ze daarom ook geen reden om de wapens en wapenrustingen waarover ze beschikken te tonen?

Moet een dergelijk land maken dat de mensen weer geknoopte touwtjes gaan gebruiken? Hun eten lekker vinden? Hun kleren mooi? Hun woning vredig? Hun gebruiken leuk?

Moeten buurlanden elkaar tot het einde van hun dagen niet opzoeken, ook al liggen ze op zichtafstand en klinken hanengekraai en hondengeblaf op hoorafstand?

81. Kan een geleerd mens verstandig zijn?

Zijn betrouwbare woorden fraai?
Zijn fraaie woorden betrouwbaar?

Kan een verstandig mens geleerd zijn?
Kan een geleerd mens verstandig zijn?

Praten goede mensen weinig?
Is wie veel praat niet goed?

Pot de wijze op? Heeft hij zelf nog méér als hij wat hij heeft aan anderen geeft?

Brengt de Tao van de Hemel voordeel, en geen schade?

Bestaat de Tao van de mens uit handelen, maar zonder te wedijveren?

Gekkenwerk, graag gedaan

De Daodejing is een onvergetelijke tekst uit een halfvergeten context in een godvergeten taal. Alles wat je ermee uithaalt, vertalen, navertellen, uitleggen, toelichten, is op zijn best dubieus.

De hele Daodejing omzetten in een reeks vragen slaat nergens op. Waarom niet?

Omdat de hele Daodejing niet uit antwoorden bestaat. Het is een melange van gelijkenissen, poëzie, rijmpjes, liedjes, instructies, gezegdes, citaten, bezweringen, bedes en ook nog, inderdaad, een flink aantal stellige uitspraken die zich wél goed in vraagvorm laten omzetten.

In ‘de Daodejing in vraagvorm’ doe ik net of ik gek ben (voor mij een makkie) en neem ik alles letterlijk. Het doel – het wekken van de weetnietgeest – heiligt de middelen, zullen we maar zeggen.

Waarom we zo nodig de weetnietgeest moeten wekken, vraag je?

Begin jij nou ook al?