De Poortloze Poort

dwaalgids > zen

‘Niet om door te komen!’ De zenklassieker De Poortloze Poort volgens Hans van Dam. Lachen en huilen om het raadsel van het leven. Alle 48 koans en 480 dwaalteksten bij elkaar.

Niet om door te komen! De Poortloze Poort zal deze winter als paperback verschijnen. Circa 400 pagina’s, 48 illustraties (zwart-wit) en 500 titels, richtprijs € 30. Belangstelling? Laat het me even weten, dan stuur ik je vrijblijvend een mailtje zodra het boek verschenen is.

Lees ook: Niet te geloven! De Linji Lu

Alle publicaties van Hans van Dam

Als serie verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Afgebrokkelde muur met metalen onmogelijke poort met uitzicht op de ruimte met maan en sterren
De Poortloze Poort

Niet om door te komen! De Poortloze Poort
Mislukking is de weg – ik wens je alle pech
Poort 1 – Geen hond
Poort 2 – Een oude vos
Poort 3 – Vinger-zen
Poort 4 – Een valse baard
Poort 5 – De boom in
Poort 6 – Zeg het met bloemen
Poort 7 – Afwassen
Poort 8 – Wielwerk
Poort 9 – Zittenblijver
Poort 10 – Berooid en beschonken
Poort 11 – Voor de vuist weg
Poort 12 – Heer en meester
Poort 13 – Klokkenluiders
Poort 14 – Kattenkwaad
Poort 15 – Zestig stokslagen
Poort 16 – Een verkleedpartij
Poort 17 – Wie roept daar?
Poort 18 – Drie pond vlas
Poort 19 – De gewone geest is de weg
Poort 20 – Een sterke man
Poort 21 – Poep op een stokje
Poort 22 – Vlag zonder lading
Poort 23 – Klopjacht
Poort 24 – Lente
Poort 25 – Een droom
Poort 26 – De blinden oprollen
Poort 27 – Een leer die nooit verkondigd is
Poort 28 – Een kaars uitblazen
Poort 29 – Vlag noch wind
Poort 30 – De geest zelf
Poort 31 – Een oud vrouwtje
Poort 32 – Raspaarden
Poort 33 – Geest noch boeddha
Poort 34 – Geest noch begrip
Poort 35 – De ware Qian
Poort 36 – Een verlichte groeten
Poort 37 – De cipres in de tuin
Poort 38 – Ossenstaart
Poort 39 – Naprater
Poort 40 – Geen pispot
Poort 41 – Arm van geest
Poort 42 – Een meisje ontwaakt
Poort 43 – Wat heet een stok
Poort 44 – Goochelstok
Poort 45 – Dienaren
Poort 46 – Paal noch perk
Poort 47 – Drie barrières
Poort 48 – Luchtweg
Poort 49 – De poortloze poort
Een slotloos slot
Namenlijst van protagonisten

Niet om door te komen! De Poortloze Poort

Ik noem het gewoon weetnietzen: de binnenbrand die je hart ontdooit en verzacht en je geest verruimt en verlicht.

Wat is de Poortloze Poort?

De Poortloze Poort of Wumenguan is een verzameling van achtenveertig koans uit het begin van de dertiende eeuw, samengesteld en van commentaar en versjes voorzien door Wumen Huikai.

Koans zijn korte raadselteksten die de logica tarten. Je kunt ze lezen of erover nadenken of erop mediteren of je tanden erop stukbijten of je hoofd erover breken.

Chan (zen) heeft enkele duizenden canonieke koans opgeleverd, niemand weet precies hoeveel. Je kunt ze terugvinden in een stuk of tien overlappende collecties van enkele tientallen tot honderden exemplaren.

De Poortloze Poort is met zijn achtenveertig koans een van de kleinere verzamelingen. Iets groter is de Linji Lu met zestig koans (en zestig preken). Een hele grote is de Shinji Shobogenzo van Ehei Dogen met driehonderd koans.

Wumenguan wordt afhankelijk van de landstaal en het transcriptiesysteem ook wel geschreven als Wu Men Guan, Wumen Guan, Wumen Kuan, Wumen Kwan, Mumon Kan en Mumonkan.

Wie is Wumen Huikai?

De Wumenguan is samengesteld door de Chinese chanmeester Wumen Huikai (1183 – 1260), de vijftiende dharmahouder in de lijn van Linji (? – 866). In Japan heet hij Mumon Ekai.

Tijdens zijn zentraining deed Wumen wel zes jaar over de koan die tot zijn grote doorbraak leidde: “Heeft een hond de boeddhanatuur?” Het zou de eerste koan van de Wumenguan worden.

Als leraar trachtte Wumen net als zijn eigen leermeester Yuelin Shiguan (1143-1217) en Dahui Zonggao (1089–1163), de twaalfde dharmahouder in de lijn van Linji, zijn leerlingen zoveel mogelijk aan het twijfelen te brengen:

‘Voor intensieve zen hoef je niet bijzonder intelligent te zijn. Het gaat er slechts om het lichaam zelf tot één massa twijfel te laten worden en dag en nacht hiermee door te gaan.’

(Bron: Mumon Ekai goroku (‘Uitspraken van Wumen Huikai’) #26, geciteerd in De Poortloze Poort, Yamada Koun, 2010, p316)

Niet twijfelen aan woorden wordt in rinzai beschouwd als een ernstige ziekte. Vandaar het gezegde: ‘Geen twijfel, geen verlichting. Kleine twijfel, kleine verlichting. Grote twijfel, grote verlichting.’

Als niet twijfelen aan woorden werkelijk een ernstige ziekte is, dan is niet twijfelen aan woorden als ‘geen’, ‘twijfel’, ‘verlichting’, ‘klein’, ‘groot’, ‘ernstig’ en ‘ziekte’ ook een ernstige ziekte. Daar sta je dan met je mooie gezegde.

Lees ook: Grote Twijfel, Grote Verlichting en Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Zen zin, zen onzin

De Wumenguan is een van de weinige koancollecties die in het Nederlands vertaald is, en bij mijn weten de enige die twee keer vertaald is.

De eerste vertaling in het Nederlands verscheen in 1972 in Zen-zin, zen-onzin, een bloemlezing van vier zenteksten, waaronder De Poortloze Poort.

Zen-zin, zen-onzin is een vertaling van Zen flesh, zen bones uit 1957. The Gateless Gate daarin is vertaald door Nyogen Senzaki en Paul Reps en oorspronkelijk uitgegeven als zelfstandig werkje in 1934.

Volgens de bibliografische gegevens zou The Gateless Gate eertijds rechtstreeks uit het Chinees vertaald zijn. Dat is moeilijk te rijmen met het feit dat alle Chinese meesters in The Gateless Gate Japanse namen hebben.

Mogelijk hebben we hier te maken met een estafettevertaling uit het Chinees in het Japans in het Engels in het Nederlands. Alsof je met een microfoon een opname van een opname van een opname van een liedje maakt. Hoeveel ruis geeft dat niet?

Veel doet het er niet meer toe. Zen-zin, zen-onzin is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.

De verkeerde zen van het zwijgend stralen

De tweede vertaling van Wumenguan in het Nederlands is sinds 2010 als hardcover verkrijgbaar bij uitgeverij Asoka. Ook dit is geen vertaling rechtstreeks uit het Chinees, maar wel een vertaling rechtstreeks uit het… Duits, van Die torlose Schranke – Mumonkan uit 2004.

Vrij recent zou je denken, maar Die torlose Schranke is op zijn beurt een vertaling uit 1989 van The Gateless Gate: The Classic Book of Zen Koans van Yamada Koun uit 1979.

Daarna, of liever daarvoor, wordt het schimmig. De teisho’s bij de koans zijn volgens het boek zelf van Yamada Koun, maar wie ze uit het Japans in het Engels heeft vertaald, kon ik niet vinden, en hoe de vertaling van de Wumenguan zelf tot stand is gekomen evenmin.

Wel is duidelijk dat ook deze tweede Nederlandse vertaling vier of zelfs vijf stappen vergde: uit het Chinees al dan niet via het Japans via het Engels via het Duits in het Nederlands. Het is dus geen vertaling, geen hertaling en geen herhertaling, maar een herherhertaling of zelfs een herherherhertaling. Hoor mij nou, ik ga er gewoon van stotteren.

Wie weet is het serievertalen de oorzaak van de vele merkwaardige zinnen die dit boek ontsieren. Over ruis gesproken. Het lijkt wel satire.

Neem nou het volgende fragment uit de zenwaarschuwingen van Wumen Huikai aan het slot van de Wumenguan:

“Spontaan en onbeperkt handelen is duivels en ketters. Alleen maar op het innerlijk letten om het te reinigen en in de stilte verdwijnen, is de verkeerde zen van het zwijgend stralen. Wie oorzakelijke samenhang willekeurig negeert, raakt in een diepe valkuil. In absolute helderheid zonder enige duisternis verwijlen betekent een juk met kettingen dragen.”

Het is mede door dit soort cryptische epigrammen in Babylonisch Nederlands dat zen het imago heeft van een ondoorgrondelijke oosterse leer. Terwijl zen in werkelijkheid alleen maar zo verschrikkelijk moeilijk lijkt omdat het zo verschrikkelijk makkelijk is. Te simpel voor woorden.

De beuk erin

Het motto zengeest, beginnersgeest indachtig heb ik de Wumenguan helemaal gestript van aangroeisels uit het verleden. De commentaren en versjes van Wumen Huikai, de teisho’s van Yamada Koun, de toevoegingen van diverse oude meesters, hoe erudiet of apofatisch ook – weg ermee. Alleen de koans zijn gebleven, anders zou het geen koancollectie meer zijn.

Door aldus met vaste hand het zwaard te hanteren, zeg maar gerust de botte bijl, ontstond er een zee van ruimte die ik helemaal heb opgevuld met mijn eigen dwaalteksten, zo’n vijfhonderd stuks, gemiddeld tien per koan.

Dwaalteksten zijn ook een soort koans – met die intentie heb ik ze tenminste geschreven – vandaar dat het koangehalte van Niet om door te komen! De Poortloze Poort de honderd procent nadert.

Het is niet dat ik het beter kan dan Wumen Huikai en kornuiten, maar wel dat ik een kind van onze tijd ben en niet van de hunne. Een postmoderne tijd maakt een postmoderne benadering mogelijk. Een radicale deconstructie – een ontmaskering en ontmanteling van iedere neiging tot idolatrie, essentialisme en fundamentalisme.

Sowieso wordt het na een eeuw braaf hertalen weleens tijd voor een frisse wind.* Of willen we de Aziaten en hun spirituele nazaten eeuwig blijven napraten? Zengeest, imitatiegeest – ik dacht het niet.

Van origine is chan een rebelse, een anarchistische, een iconoclastische beweging. Een taoïstische bezem door de Indiase metafysica. De eigen toko leeg houden blijkt heel wat lastiger.

Maar als er iets in de zentraditie gecultiveerd moet worden, wat ik betwijfel, dan is het wel vrijzinnigheid. En niet alleen als herinnering aan vervlogen tijden toen het kind zich los moest maken van zijn ouders.

Weg met de tenenkrommende teisho’s dus, weg met het boeddhologische gebazel, weg met de metafysische mystificaties, weg met de ellenlange exegeses, weg met het heilige ontzag voor de stamhouders en de zegeldragers en hun westerse klonen en epigonen. De beuk erin. Katsu!

* Ik beken: voor mijn hertaling van de achtenveertig koans van de Wumenguan heb ik gebruik gemaakt van Wumenguan.pdf van Paul Lynch en Seung Sahn, Mumonkan.pdf van R.H. Blyth en Mumonkan.pdf van Yamada Koun. Helemaal opnieuw beginnen kon ik niet, met vertalen bedoel ik, omdat ik nou eenmaal geen middeleeuws Chinees spreek.

Een vuurzee die alle denkbeelden verteert

Zengeest, weetnietgeest

Wat je er ook van vindt, de Wumenguan is een hoogtepunt van de zenliteratuur en een omslagpunt in de zengeschiedenis. Dat eerste beweer ik zelf. De Poortloze Poort is voor mij een van de drie pijlers van zen, naast de Linji Lu en de Diamantsoetra.

Dat laatste – dat de Poortloze Poort een omslagpunt in de zengeschiedenis was – beweren Daisetz T. Suzuki en R. H. Blyth. Volgens hen was de Wumenguan tegelijk de neerslag van en de nekslag voor het aanvankelijk zo creatieve Chinese ch’anboeddhisme. Daarna zou het in rap tempo degenereren tot, ik parafraseer, een steriele zenpraktijk van terugblikken en nadoen, van standaard koancollecties en voorgebakken antwoordboeken, van rituelen, formules en stokpaardjes, van voorouderverering, hielenlikkerij, zitternij en dikdoenerij die nu al een millennium standhoudt.

Kan allemaal best wezen, maar waarom zouden we ons druk maken over ‘de’ traditie als het in onszelf is, en alleen in onszelf, waar zen hetzij een dode letter blijft, hetzij oplaait tot een vuurzee die al onze denkbeelden verteert, oud en nieuw, ook over zen, ook deze.

De Wumenguan gaat over de ‘wijsheid voorbij alle wijsheid’, zoals het in de Hartsoetra heet, over de ‘wijsheid zonder wijsheid’, de ‘kennis zonder leraar’. Evenzovele eufemismen van zalvende zenpriesters. Je zou eens toegeven dat je met lege handen staat.

Zelf spreek ik liever van weetnietzen – de binnenbrand die je hart ontdooit en verzacht en je geest verruimt en verlicht zonder er iets voor in de plaats te stellen.

Het is niet ondenkbaar dat de achtenveertig koans van de Poortloze Poort en de circa vierhonderdtachtig dwaalteksten waartoe ze mij inspireerden jou ook in vuur en vlam zetten. Met af en toe een vonkje of een glimlach zou ik ook al blij zijn.

* Zie Daisetz T. Suzuki in ‘Zen and Zen Classics Volume Four: Mumonkan’ (R.H. Blyth, Hokuseido Press 1966) in zijn voorwoord op pagina ix, of R.H. Blyth zelf in zijn naschrift op pagina 326.

Mislukking is de weg – ik wens je alle pech

Wat nu? Dertien dilemma’s

Wumen eindigt de Wumenguan met een tiental waarschuwingen aan het adres van de zenleerling, waarvan er drie of vier de vorm van een dilemma hebben.

Mij lijkt het beter om er gelijk maar mee te beginnen en alle waarschuwingen zonder pardon in de vorm van een tegenspraak te gieten. Paradoxen zijn per slot van rekening spirituele superfoods, krachtvoer voor een holle geest, opmaat tot een weetnietfeest zonder weerga.

Hieronder twaalf dilemma’s losjes gebaseerd op de vingerwijzingen van Wumen. Het is meteen een resumé van de Poortloze Poort en een test waarvoor je zakt door hem af te leggen.

  1. De voorschriften volgen is jezelf vastbinden zonder touw. De voorschriften negeren is de kat op het spek binden.

Wat nu?

  1. Naar binnen keren is quïetistisch. Naar buiten keren is activistisch.

Wat nu?

  1. De geschriften bestuderen leidt tot traditionalisme. Je eigen ideeën najagen leidt tot egocentrisme.

Wat nu?

  1. Wie de geest negeert wordt erdoor overgenomen. Wie de wereld negeert gaat eraan ten gronde.

Wat nu?

  1. Oplettendheid is gekunsteld. Onoplettendheid is onkunde.

Wat nu?

  1. Jezelf niets wijs laten maken is ondoenlijk. Jezelf iets wijs laten maken is dwaas.

Wat nu?

  1. Denken in termen van goed en kwaad is een spagaat tussen hemel en hel. Goed en kwaad overboord zetten leidt tot moreel verval.

Wat nu?

  1. Iedere visie op de Boeddha en de dharma beperkt het zicht. Zonder visie ben je stekeblind.

Wat nu?

  1. De Boeddha en de dharma in jezelf zoeken is water naar de zee dragen. De Boeddha en de dharma buiten jezelf zoeken is een druppel op een gloeiende plaat.

Wat nu?

  1. Doodzitten is voor zombies. Rondrennen is voor strebers.

Wat nu?

  1. Verlichting nastreven door gedachten te ontwikkelen is duivelswerk. Je gedachten bij de wortel afhakken is monnikenwerk. Je gedachten laten woekeren is gekkenwerk.

Wat nu?

  1. Vooruitgang boeken op het spirituele pad is een illusie. Terugkeren naar de bron is een droom. Blijven waar je bent is een nachtmerrie.

Wat nu?

Wumen eindigt de waarschuwingen aan het eind van de Wumenguan met de aloude aansporing aan de zenbeoefenaar om vooral goed zijn best te doen: “Geef je laatste krachten om nog in dit leven de volkomen verlichting te bereiken!” Als tegenwicht voor deze klassieke ontsporing een dubbeldilemma:

  1. Wie goed zijn best doet zal de boot missen. Wie niet zijn best doet zal verdrinken in de oceaan van leven en dood. Zolang je twijfelt aan de volkomen verlichting zul je voortmodderen op de ingeslagen weg. Zolang je erin gelooft zul je een modderfiguur slaan.

Wat nu?

Dit waren dertien dilemma’s voor zenboeddhisten. Dertien is een ongeluksgetal. Mislukking is de weg. Wie tot en door het gaatje gaat kent het geluk niet meer van het ongeluk. Tot het zover is wens ik je alle pech.

Poort 1 – Geen hond

Een monnik vroeg: ‘Heeft een hond ook de boeddhanatuur?’ ‘Wu!’ zei meester Zhaozhou.

Winnie de Gnoe

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Woe.

Monnik: En een beer?

Meester: Poe.

Monnik: Wat is eigenlijk de boeddhanatuur?

Meester: Boe.

De vogelvergadering

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Dat heb ik me nou nog nooit afgevraagd.

Monnik: Waarom ik dan wel?

Meester: Heeft een mens de papegaaiennatuur?

Monnik: Ik wil alleen weten of een hond de boeddhanatuur heeft.

Meester: Vraag het dan maar aan die papegaai daar.

Monnik: Heb ik al gedaan.

Meester: Wat zei hij?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur.

Meester: En toen zei jij…

Monnik: Nee.

Meester: Net als Zhaozhou destijds.

Monnik: Die had er tenslotte voor geleerd.

Meester: En toen zei die papegaai…

Monnik, chagrijnig: Heeft een mens de papegaaiennatuur.

Meester: En hij heeft er niet eens voor geleerd.

Hond noch stront

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Een wat?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: De wat?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Volgens wie?

Monnik: Heeft een hond…

Meester: Zit!

Monnik: Woef!

Meester: Shit.

Boeddhanatureluurs

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft een boeddha de boeddhanatuur?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft een boeddha de hondennatuur?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Niet in de boeddhanatuur.

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft de boeddhanatuur de boeddhanatuur?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft de ziel een ziel?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft een boeddha een woordenboek?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft Sinterklaas een zak?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft een wolk oren?

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft een denkbeeld een sokkel?

Fabeltjes

Monnik: Wie heeft volgens u de boeddhanatuur?

Meester: Geen hond.

Monnik: Volgens mij heeft niemand de boeddhanatuur.

Meester: Maak dat de kat maar wijs.

Ontregeld

Meester: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Monnik: Zeg ja of nee en je verloochent je boeddhanatuur.

Meester: Tja.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Zeg dat je door ja of nee te zeggen je boeddhanatuur verloochent en je verloochent je boeddha-natuur.

Monnik: Hallo.

Meester: Nou jij weer.

Monnik: Zeg dat je je boeddhanatuur verloochent door te zeggen dat je je boeddhanatuur verloochent door ja of nee te zeggen en je verloochent je boeddhanatuur.

Meester: Of je een emmer leeggooit.

Monnik: Nou u weer.

Meester: Remise?

Monnik: Volgens mij heb ik gewonnen.

Meester: Zeg dat je gewonnen of verloren hebt en je verloochent je boeddhanatuur.

Monnik: En u dan?

Meester: Ik zeg niks.

Monnik: Tja.

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Honden moeten botten knagen

Als je denkt dat een hond de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat een hond niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat een hond wel en niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat een hond wel noch niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat iets de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat niets de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat iets wel en niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat iets wel noch niet de boeddhanatuur heeft, dan vergis je je.

Als je denkt dat er zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.

Als je denkt dat er niet zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.

Als je denkt dat er wel en niet zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.

Als je denkt dat er wel noch niet zoiets is als de boeddhanatuur, dan vergis je je.

Als je denkt dat je bent, dan vergis je je.

Als je denkt dat je niet bent, dan vergis je je.

Als je denkt dat je bent en niet bent, dan vergis je je.

Als je denkt dat je bent noch niet bent, dan vergis je je.

Als je denkt dat je anders moet denken, dan vergis je je.

Als je denkt dat je meer moet denken, dan vergis je je.

Als je denkt dat je minder moet denken, dan vergis je je.

Als je denkt dat je niet moet denken, dan vergis je je.

Als je denkt dat je denkt, dan vergis je je.

Als je denkt dat je niet denkt, dan vergis je je.

Als je denkt dat je wel en niet denkt, dan vergis je je.

Als je denkt dat je wel noch niet denkt, dan vergis je je.

Als je denkt dat je je kunt vergissen, dan vergis je je.

Als je denkt dat je je niet kunt vergissen, dan vergis je je.

Als je denkt dat je je wel en niet kunt vergissen, dan vergis je je.

Als je denkt dat je je wel noch niet kunt vergissen, dan vergis je je.

Als je denkt…

Kisten of cremeren

Monnik: Heeft een hond de boeddhanatuur?

Meester: Heeft een mens de hokjesgeest?

Monnik: Hoe bedoelt u?

Meester: En maar opdelen.

Monnik: Waarin?

Meester: Hond, boeddha, natuur, boeddhanatuur, hond met boeddhanatuur, hond zonder boeddhanatuur

Monnik: En u dan?

Meester: Mens, hokje, geest, hokjesgeest, mens met hokjesgeest, mens zonder hokjesgeest, opdelen, verenigen.

Monnik: Bedoelt u dat elk onderscheid illusoir is?

Meester: Onderscheid, eenheid, illusoir, reëel.

Monnik: Verwijst u naar de leegte van het ware zelf?

Meester: Leegte, vorm, waar, vals, zelf, niet-zelf, ander.

Monnik: Dat is een boeddha niet waardig, wou u zeggen.

Meester: Boeddha, niet-boeddha, waardig, onwaardig, u, ik, zeggen, zwijgen.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Ik, niet-ik, dan, voordien, nu, weten, niet-weten.

Monnik: Wetend niet weten dan?

Meester: En maar verenigen.

Woef

‘Heeft een hond ook de boeddhanatuur?’ ‘Wu’, zei meester Zhaozhou.

‘Wu’ (spreek uit ‘woe’) is Chinees voor ‘nee’ of ‘niet’ of ‘niet-hebben’ of ‘niet-zijn’. Misschien was het tevens een Chinees klankwoord (onomatopee) voor woef, al weet ik dat niet zeker.

Toen ik het mijn hond Wu vroeg, keek hij me even treurig aan als altijd, maar blaffen, ho maar. ‘Waf-waf’ schijnt in hedendaags Mandarijn te klinken als ‘wang-wang’1, maar grote honden zeggen ‘woef-woef’, dus dat bewijst niks.

Lijntekening van een hondenkop met lange boeddha oren en op zijn hoof een kapje van balletjes (als de boeddha)
Heeft een hond ook de boeddhanatuur?

Mijn huisbaas, Ho, een dwijze uit het oosten, antwoordde: ‘Tekkel? Lekkel!’ Wu liet zijn tanden zien en gromde: ‘Heeft een Chinees de boeddhanatuur?’ of zoiets. Daar ben ik niet op ingegaan. Voor je het weet ben je zes jaar verder.2

Japanners meenden er duizend jaar geleden goed aan te doen ‘wu’ te vertalen in ‘mu’ (spreek uit ‘moe’)3, dat eveneens ‘nee’, ‘niet’, ‘niet-hebben’ of ‘niet-zijn’ schijnt te betekenen. Niets op aan te merken dus, behalve dat het eventuele klanknabootsende effect van ‘wu’ in de vertaling verloren ging.

Ik heb tenminste nog nooit een hond gehoord wiens blaf ook maar enigszins leek op ‘mu’, ook niet in Japan. Behalve één keer, onder water (ik, niet de hond), toen ik achterna werd gezwommen door een zwerfhond – maar dat is een ander verhaal.

Toch is het door een historische, om niet te zeggen ongelukkige, samenloop van omstandigheden juist de Japanse vertaling van het antwoord op deze koan die het westen heeft veroverd. Hebben de Japanse vertalers geblunderd? Alleen als ‘wu’ een klankwoord was, en dan nog alleen als er alternatieven voorhanden waren.

Hadden ze een keuze? Geen idee. Mijn hedendaagse Japans is belabberd, mijn middeleeuwse Japans nihil, om over mijn Chinees uit elke eeuw maar te zwijgen. Maar als ik hun was geweest, had ik van een hond een koe gemaakt.

‘Heeft een rund de boeddhanatuur?’ ‘Mu.’

Werkt als ontkenning én als klankwoord in het Japans, werkt als klankwoord maar niet als ontkenning in het Engels (en in Boeddha mag weten hoeveel andere talen), werkt in geen enkel opzicht in het Nederlands. Wat nu (‘noe’)?

‘Heeft een schaap de boeddhanatuur?’ ‘Bè.’

‘Heeft een duif de boeddhanatuur?’ ‘Roekoe.’

‘Heeft een eend de boeddhanatuur?’ ‘Kwak.’

‘Heeft een paard de boeddhanatuur?’ ‘Hihihi’.

‘Heeft een mens de boeddhanatuur?’ ‘Proet.’

Onomatopee oké, ontkenning nee. Daarom doe ik een appel op de lezer. (Appel klinkt hier als appèl, wat het nog geen klankwoord maakt.) Kent iemand een dierlijk of menselijk of voor mijn part vegetarisch of fructarisch onomatopee in het Nederlands of Vlaams of voor mijn part Fries of Zuid-Afrikaans met ongeveer dezelfde betekenis als ‘wu’ in het Chinees en ‘mu’ in het Japans?

Nee?

O jee.

  1. How dogs bark in different languages.
  2. Volgens de overlevering had Wumen zes jaar nodig om de wu-koan te kraken, of beter, om zijn hersens te kraken en de koan onverteerd uit te braken. Dat gaf eindelijk verlichting, en niet zo’n beetje ook. De dichter dichtte zijn onvergetelijke verlichtingsgedicht: Wu wu wu / Wu wu wu wu / Wu wu wu wu wu. En de wolven huilden mee.
  3. Volgens een lezer is ‘mu’ mogelijk geen vertaling van ‘wu’, maar de Japanse schrijfwijze die het dichtst bij de toenmalige Chinese uitspraak stond. Poe.

Poort 2 – Een oude vos

Steeds wanneer meester Baizhang een toespraak gaf, kwam er een oude man bij zitten die er na afloop stilletjes vandoor ging.

Op een dag bleef de grijsaard achter. Meester Baizhang vroeg: ‘Wie is het die hier voor mij staat?’ De man antwoordde: ‘Ik ben eigenlijk geen mens. In het verre verleden, nog in de tijd van Kashyapa boeddha, was ik zelf zenmeester, hier op deze berg.

Eens vroeg een leerling mij: “Is de verlichte onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg?” “Nee hoor,” zei ik achteloos, “de verlichte is niet langer onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.” Vanwege dat antwoord ben ik nu al vijfhonderd keer herboren als vos. Alstublieft meester, wat had ik dan moeten zeggen?’

Baizhang antwoordde: ‘De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’ Eindelijk zag de oude man het licht.

Nadat hij zijn dankbaarheid had betuigd, vroeg de grijsaard: ‘Ik ben nu bevrijd van mijn vossenlijf, dat zich in een grot aan de andere kant van de berg bevind. Zou u zo vriendelijk willen zijn het de eer te bewijzen die een overleden monnik toekomt?’

Baizhang liet de hoofdmonnik de tempelklok luiden en een begrafenisplechtigheid aankondigen. De monniken vroegen zich af wat aan de hand kon zijn, daar iedereen op dat moment in goede gezondheid verkeerde en er niemand in de ziekenboeg lag. Na de maaltijd leidde Baizhang de monniken naar de grot en trok met zijn staf het vossenkarkas naar buiten, dat op traditionele wijze gecremeerd werd.

Die avond nam de meester plaats op het spreekgestoelte en deed het relaas. Een van de aanwezigen, Huangbo genaamd, vroeg: ‘De oude man gaf het verkeerde antwoord en werd daarvoor tot vijfhonderd vossenlevens veroordeeld. Wat als hij het juiste antwoord had gegeven?’ Meester Baizhang zei: ‘Kom maar even naar voren, dan zal ik het in je oor fluisteren.’

Eerwaarde Huangbo stapte op de meester af en gaf hem onverhoeds een draai om zijn oren. Baizhang klapte verheugd in zijn handen en riep: ‘Ik dacht dat alleen de barbaar een rode baard had, maar nu zie ik een barbaar met een rode baard!’

Kop noch staart

Steeds wanneer de meester een toespraak gaf, kwam er een onbekende met een rode baard bij zitten die er na afloop stilletjes vandoor ging. Op een dag bleef de vreemdeling achter. De meester vroeg: ‘Wie bent u?’ De onbekende antwoordde:

‘Lang geleden was ik een vos, hier op deze berg. Ik hield mij verre van de mensen met hun grenzen en hun wensen, tot de plaatselijke zenpriester mij vroeg of de verlichte een is met de wet van oorzaak en gevolg. “Goed!” blafte ik zonder nadenken, want ik ben de beroerdste niet. Vanwege dat antwoord ben ik nu al vijfhonderd keer herboren als mens. Alstublieft, wat was mijn fout?’ ‘Denken in termen van goed en fout’, zei de meester.

Eindelijk zag de oude vos het licht.

Mop noch baard

Eens toen de meester een toespraak gaf, kwam er een onbekende bij zitten. Na afloop vroeg de meester: ‘Wie bent u?’ De vreemdeling antwoordde:

‘Lang geleden was ik net als u een zenpriester, hier op deze berg. Op een dag vroeg een vos mij wanhopig: “Ik ben nu al vijfhonderd keer herboren als mens. Wat was mijn fout?” “Denken in termen van goed en fout”, antwoordde ik argeloos. Vanwege dat antwoord ben ik nu al vijfhonderd keer herboren als vos. Alstublieft, wat had ik dan moeten zeggen?’ De meester haalde zijn schouders op.

Eindelijk zag de oude priester het licht.

Bodhisattva

Op een dag werd de meester benaderd door een onbekende, die klaagde: ‘Ik ben nu al vijfhonderd keer herboren als vos. Weet ú misschien waarvoor ik gestraft wordt?’ De meester antwoordde: ‘Wie zegt dat je gestraft wordt?’ De vreemdeling zei: ‘Het leven van een vos gaat anders niet over rozen.’ De meester zei: ‘Dat van een mens ook niet.’ ‘Daarom zoek ik verlichting’, zei de vos. ‘Dat van de verlichte ook niet’, zei de meester. ‘Maar die hoeft tenminste niet steeds terug te keren’, zei de vos. ‘Die blijft maar terugkeren,’ antwoordde de meester, ‘als verlosser.’ ‘Vrijwillig?’ vroeg de vos ongelovig. ‘Zou je denken?’ zei de meester zuur.

Huppelend keerde de vos terug naar zijn hol.

Klappen met één hand

Meester: Is de verlichte onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg?

Monnik: De verlichte is niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg.

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

De monnik bedankt hem voor zijn onderricht.

Meester: Wat heb je hiervan geleerd?

Monnik: De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.

Meester: Heeft de verlichte altijd gelijk?

Monnik: De verlichte is niet onderworpen aan het principe van gelijk en ongelijk.

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.

Meester: Wat heb je hiervan geleerd?

Monnik: De verlichte is één met het principe van gelijk en ongelijk.

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.

Meester: Wat is het verschil tussen meester en leerling?

Monnik: De meester is één met de leerling.

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.

Meester: Wat heb je hiervan geleerd?

De monnik haalde zijn schouders op.

De meester liet zijn hand zakken.

Monnik: Waarom krijg ik nu geen draai om mijn oren?

Meester: Ik blijf niet aan de gang.

Monnik: Ik bedoel, wat heb ik zonder het te weten goed gedaan?

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

De monnik bedankte hem voor zijn onderricht.

Meester: Wat heb je hiervan geleerd?

De monnik reageerde niet.

Meester: Nou?

De monnik glimlachte.

De meester glimlachte.

De monnik zei: Leren is niet de weg.

De meester gaf hem een draai om zijn oren.

Foxtrot

Meester: Is de verlichte vrij van karma?

Monnik: De wát?

Meester: Sluwe vos.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Vrij van wát?

Monnik: Sluwe vos.

Meester: Kan het je goedkeuring wegdragen?

Monnik: Waarvoor?

Meester: Sluwe vos.

Monnik: Wilt u mij nu eindelijk transmissie geven?

Meester: Waarvan?

Monnik: Sluwe vos.

Meester: De dharma natuurlijk.

Monnik: De wat?

Meester: Sluwe vos.

Monnik: Wie?

Meester: Wat?

Vossen met vossen vangen

Monnik: Is de verlichte vrij van karma?

Meester: De verlichte is vrij van karma, de verlichte is niet vrij van karma, de verlichte is wel en niet vrij van karma, de verlichte is wel noch niet vrij van karma. Karma is een realiteit, karma is een illusie, karma is realiteit én illusie, karma is realiteit noch illusie. Verlichting is een realiteit, verlichting is een illusie, verlichting is realiteit én illusie, verlichting is realiteit noch illusie. De verlichte is een realiteit, de verlichte is een illusie, de verlichte is realiteit én illusie, de verlichte is realiteit noch illusie. Daar wou ik het bij laten.

Monnik: Sluwe vos.

Meester: Wat zou jij zeggen?

Monnik: Mwah.

Meester: Sluwe vos.

Monnik: Maar is de verlichte nou onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg of niet?

Meester: Tja.

Monnik: Sluwe vos.

Meester: Wat zou jij zeggen?

Monnik: De verlichte is onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de verlichte is niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de verlichte is wel én niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg, de verlichte is wel noch niet onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg. De wet van oorzaak en gevolg is een realiteit, de wet van oorzaak en gevolg is een illusie, de wet van oorzaak en gevolg is realiteit én illusie, de wet van oorzaak en gevolg is realiteit noch illusie. Verlichting is een realiteit, verlichting is een illusie, verlichting is realiteit én illusie, verlichting is realiteit noch illusie. De verlichte is een realiteit, de verlichte is een illusie, de verlichte is realiteit én illusie, de verlichte is realiteit noch illusie. Daar wou ik het bij laten.

Meester: Sluwe vos.

Monnik: Mogen we dan alleen maar alles of niets zeggen?

Meester: Je kunt me nog meer vertellen.

Monnik: Sluwe vos.

Meester: Wat zou jij zeggen?

Monnik: Wie zegt dat wij het voor het zeggen hebben?

Meester: Sluwe vos.

Samsara

Een vos klaagde: ‘Toen een van mijn welpen vroeg of een kip de boeddhanatuur heeft, zei ik naar waarheid: “Karma, ik lust er wel pap van!” Sindsdien ben ik al vijfhonderd keer wedergeboren als boeddha. Alstublieft meester, wat heb ik verkeerd gedaan?’

Poort 3 – Vinger-zen

Steeds als men meester Juzhi iets vroeg over zen, stak hij zonder iets te zeggen een vinger op.

Op een dag kon een bezoeker de meester nergens vinden en wendde zich tot de jongste bediende met de vraag: ‘Wat is het dat je meester onderwijst?’ De jongen stak zonder iets te zeggen een vinger op.

Toen dit meester Juzhi ter ore kwam, liet hij de bediende halen en sneed zonder omhaal diens vinger af. Schreeuwend rende de jongen weg. Juzhi riep hem na en toen hij achterom keek, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op. Ineens zag de bediende het licht.

Vlak voordat Juzhi stierf, riep hij de monniken bijeen en zei: ‘Ik dank mijn vinger-zen aan wijlen mijn meester Tianlong, en het werkt nog steeds.’

Voor de vuist weg

Steeds als men hem een vraag stelde over zen, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op. De jongste bediende begon hem hierin na te doen.

Op een dag riep de meester de jongen bij zich en sneed zomaar zijn eigen vinger af. Schreeuwend rende de bediende weg. De meester riep hem na en toen de jongen achterom keek, stak de meester zonder iets te zeggen zijn bloedende vuist in de lucht. Ineens zag de bediende het licht.

Die avond riep de meester iedereen bij zich. Hij zei: Ik dank mijn vinger-zen aan mijn oude leraar, maar het is mijn jongste leerling die mij deed inzien dat het ook zonder kan.

Oog om oog

Steeds als men hem iets vroeg, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op.

Op een dag stelde de jongste bediende hem met opgeheven vinger een vraag en liep weg zonder op antwoord te wachten.

Eindelijk zag de meester het licht.

Tand om tand

Regelmatig beklaagden de monniken zich bij de hoofdmonnik over het fantasieloze onderricht van de meester. ‘Wacht maar,’ zei deze, ‘Ik zal hem weleens aan de tand voelen.’

De hoofdmonnik ging naar de meester en vroeg: ‘Hoeveel ballen heeft een os?’ De meester stak een vinger op. ‘Hoeveel benen heeft een ros?’ De meester stak een vinger op. ‘Hoeveel druiven heeft een tros?’ De meester stak een vinger op. ‘Hoeveel bomen heeft een bos?’ De meester stak een vinger op. ‘Al uw tanden zitten los.’ Geschrokken voelde de meester in zijn mond. De hoofdmonnik stak een vinger op en zei: ‘1 april’.

Nooit stak de meester meer een vinger op.

Lobbes

Steeds als iemand wat zei, stak de nieuwe meester zonder iets te zeggen een vinger op.

Binnen een week lachten alle monniken hem uit, binnen een maand deden ze hem allemaal na en binnen een jaar waren ze allemaal vertrokken.

Alleen Wu, de oude kloosterhond, kwam trouw iedere dag de kommetjes van de meester uitlikken en op zijn zitkussen pissen.

Pistoolvinger

Dag en nacht bleef de vinger van de meester omhoog staan. ‘Volgens mij is het Parkinson’, zei een monnik die ervoor geleerd had. De meester slaakte een zucht van verlichting.

Doorgeslagen

‘Alles is één’, zei een monnik en stak een vinger op. ‘Een arm is geen been’, riposteerde de meester en stak een sigaret op.

‘Alles is één’, zei de monnik en stak weer een vinger op. ‘Een voet is geen teen’, antwoordde de meester en stak weer een sigaret op.

‘Alles is één’, zei de monnik en stak nogmaals een vinger op. De meester sloeg hem vol op zijn kin en de monnik zakte bewusteloos ineen. ‘Die is wel even uitgeteld’, zei de meester en haalde opgelucht adem.

‘Alles is één’, sliste de monnik even later en stak een vinger op. Er flitste een zwaard. ‘Alles gaat voorbij’, zei de meester tevreden en stak zijn sigaret terug in het pakje.

Buiten de geschriften om

Steeds als men hem een vraag stelde, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op. Toch zat zijn klooster altijd vol. Met die ene vinger bracht hij heel wat monniken tot bezinning.

Aan het eind van zijn leven riep hij al zijn leerlingen en oud-leerlingen bijeen voor een laatste toespraak, zowat duizend mensen zonder rang of dwang. Hij verklaarde:

‘Ik weet niets van de boeddha of de dharma. Nooit heb ik transmissie ontvangen. Mijn meester en zijn meester en zijn meester – mijn hele lineage heb ik uit mijn duim gezogen. Het enige waarover ik beschik is deze vinger.

Ongelooflijk, veertig jaar lang heb ik daarmee iedereen de mond kunnen snoeren. Velen voorgoed, meer dan enig ander meester in dit tijdgewricht. Maar zeg eens: wie bedroog nou wie?’

Hij maakte een buiging en trok zich terug in zijn vertrek. De gasten gingen elk huns weegs, diep in gedachten verzonken.

Met de natte vinger

Steeds als men hem een vraag over zen stelde, plukte de meester een bloem en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger. Dat werkte goed, maar in de winter van zijn eerste jaar als meester waren er geen verse bloemen voorhanden.

Op een dag kwam hij op het idee om zijn vingers in zijn oren te steken. Dat werkte prima, maar steeds meer monniken begonnen tegen hem te schreeuwen om toch gehoord te worden.

Daarom ging hij ertoe over een vinger tegen zijn lippen te houden. Dat werkte uitstekend en de meester was zo opgelucht dat hij spontaan begon te glimlachen.

Steeds vaker vergat hij zijn vinger tegen zijn lippen te houden en glimlachte alleen nog maar. Sommige monniken glimlachten terug, anderen praatten tegen hem aan en dat was ook goed.

Gaandeweg vergat hij te glimlachen. Soms luisterde hij zwijgend, soms zei hij wat terug of staarde afwezig uit het raam, soms stond hij zomaar op en slenterde naar de koelkast of naar buiten om pas uren later terug te keren.

Monniken kwamen en gingen, blij of boos, opgelucht of teleurgesteld, er gebeurde wat er gebeurde en dat was dat.

Ten slotte ging de meester dood en kwam er een nieuwe meester. Steeds als men hem een vraag over zen stelde, plukte hij een bloem en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger.

Poort 4 – Een valse baard

Toen hij een portret zag van Bodhidharma met baard zei meester Huoan: ‘Waarom heeft die vent geen baard?’

Zelfportretten

Toen hij Bodhidharma ontmoette, zei een monnik: ‘Waarom heeft die vent geen portret?’

Toen hij een portret van Bodhidharma zag, zei een zenmeester: ‘Waarom heeft die vent geen lijf?’

Toen hij een beeld van de Boeddha zag, zei Bodhidharma: ‘Waarom krijgt die vent geen beeld?’

Toen hij een beeld van zichzelf zag, zei Bodhidharma: ‘Waarom heeft die vent geen zelf?’

Nadat hij zijn baard had afgeschoren, zei Bodhidharma: ‘Dat is ook geen gezicht.’

Een mop zonder baard

Toen hij de gele keizer ontmoette, zei Bodhidharma: ‘Waarom heeft mijn wijsheid geen baard?’ De keizer gaf het op. Bodhidharma zei: ‘Omdat ik niet van gisteren ben.’

Een baard zonder mop

Toen hij Bodhidharma ontmoette, zei de gele keizer: ‘Waarom heeft mijn wijsheid geen baard?’ Bodhidharma zei: ‘Die heb ik zelf aan u verteld.’ ‘Ik wou hem nog een keer horen’, zei de keizer. ‘Nou?’ vroeg Bodhidharma inschikkelijk. ‘Omdat ik niet van gisteren ben’, hinnikte de keizer. ‘Maar ook niet van vandaag’, zei Bodhidharma en gaf zijn ezel de sporen.

Een spijker zonder kop

Toen hij de gele keizer ontmoette, zei Bodhidharma: ‘Wat is nog groter dan uw keizerrijk en heeft toch niets om het lijf?’ De keizer antwoordde: ‘Uw wijsheid.’ Bodhidharma zei: ‘Mispoes.’ ‘Uw leegte.’ ‘Mispoes.’ ‘Uw heiligheid dan?’ ‘U moest eens weten’, zei Bodhidharma met een knipoog. ‘Ik geef het op.’ ‘Bijna goed.’ ‘Oneindig is mijn onwetendheid’, somberde de Gele Keizer. ‘De spijker op zijn kop’, riep Bodhidharma en klapte in zijn handen. ‘Zeg, ben jij een haartje betoeterd?’ vroeg de keizer. ‘Oneindig is mijn onwetendheid’, zei Bodhidharma gauw. De keizer zei verbaasd: ‘Dan laat je je baard toch staan?’

Sukkels

Een groepje zenmeesters in traditionele kledij hield stil voor een beeld van een corpulente boeddha met geloken ogen. ‘Noem dat maar leeg!’ riep een van hen. ‘Leve de middenweg!’ riep een ander. ‘Verboden te voeren!’ riep een derde. ‘Wakker worden!’ ‘Iemand thuis?’ ‘Waarom heeft dat wijf geen baard?’ ‘Is dit nou de Mona Lisa?’ Ze bulderden van het lachen. Het standbeeld zei vilein: ‘Wie wil mijn sokkel zijn?’

Sokkels

Een groepje zenmeesters hield stil voor een sokkel zonder boeddhabeeld. ‘Zeker van zijn voetstuk gevallen!’ riep er een. ‘Geróld zul je bedoelen!’ ‘Welnee, de boeddha is overal!’ ‘Zeg maar gerust nergens!’ ‘De boeddha is zijn voetstuk!’ ‘Wat zeg je, is zijn voet stuk?’ ‘Even de beeldhouwer bellen!’ Ze bulderden van het lachen. Het voetstuk zei vilein: ‘Wie wil mijn drogbeeld zijn?’

Rookgordijnen

Onder het eten sprong een monnik op tafel, wierp zijn pij af, spreidde theatraal zijn armen en riep: ‘Naakt sta ik hier voor u!’

De meester legde zijn eetstokjes neer en zei: ‘Wat moet ik met je kleren? Geef me je baard.’ De monnik rukte zijn baard uit met wortel en al en legde hem in de soep.

De meester zei: ‘Wat moet ik met je baard? Geef me je huid.’ De monnik stroopte zijn vel af en stapte eruit.

De meester zei: ‘Wat moet ik met je huid? Geef me je vlees.’ De monnik scheurde zijn spieren los en zeeg ter plekke ineen.

De meester zei: ‘Wat moet ik met je vlees? Geef me je ingewanden.’ De organen glibberden als palingen uit de romp.

De meester zei: ‘Wat moet ik met je ingewanden? Geef me je botten.’ Het skelet rammelde op het tafelblad.

De meester zei: ‘Wat moet ik met je botten? Geef me je merg.’ Het merg spoot op het gewaad en het gelaat van de meester.

De meester likte zijn lippen af en zei: ‘Wat moet ik met je merg? Geef me je geest.’ De monnik gaf geen sjoege.

De meester sloeg met zijn vuist op tafel en riep: ‘Komt er nog wat van!’ Toen bleek dat er niets van kwam, veegde hij met grote armbewegingen de tafel leeg.

De hoofdmonnik zei onthutst: ‘Sinds wanneer heeft een monnik geen geest?’ De meester stak een sigaret op, blies een rookwolk in het gezicht van de hoofdmonnik en zei: ‘Sinds wanneer heb jij een baard?’

Vorm zoekt vorm

Monnik: Waarom heeft mijn ware gezicht een baard?

Meester: Omdat je geen onwaar gezicht hebt.

Leegte zoekt vorm

Monnik: Waarom is je ware baard geen illusie?

Meester: Omdat de illusie dat al is.

Vorm zoekt leegte

Monnik: Het is leeg en het wordt steeds voller.

Meester: Jouw baard?

Monnik: Een boeddha.

Meester: Het is vol en het wordt steeds dunner.

Monnik: Uw baard?

Meester: Geen hond.

Leegte zoekt leegte

Monnik: Het wordt steeds langer en het is geen gezicht.

Meester: Een snor?

Monnik: O, u kende hem al.

Meester: Het is ons ware gezicht, maar niet gezocht.

Monnik: Geen idee.

Meester: O, je kende hem al.

Poort 5 – De boom in

Meester Xiangyan zei: ‘Een man hangt met zijn tanden aan een tak en zijn handen en voeten vinden nergens houvast. Een generaal van de keizer vraagt hem: “Waarom kwam Bodhidharma naar China?” Als de man antwoord geeft valt hij te pletter en anders wacht hem een doodvonnis. Wat nu?’

Oorlog en vrede

Een monnik zei: ‘Hang je met je tanden aan een tak, komt er een generaal van de keizer langs die vraagt waarom Bodhidharma naar China kwam.’ ‘Waar mensen zich al niet druk om maken’, zei de meester. ‘Als je antwoord geeft val je te pletter en anders wacht je een doodvonnis’, vervolgde de monnik. ‘Waar mensen zich al niet druk om maken.’ ‘Daar hang je dan, wat nu?’ ‘Waar mensen zich al niet druk om maken.’ ‘Denk maar niet dat u daarmee wegkomt’, schreeuwde de monnik. ‘Waar mensen zich al niet druk om maken’, zei de meester hoofdschuddend.

Stelgangers

Een monnik zei: ‘Je hangt met je tanden aan een tak en je handen en voeten vinden nergens houvast. Een generaal van de keizer vraagt waarom Bodhidharma naar China kwam. Als je antwoord geeft val je te pletter en anders wacht je een doodvonnis. Wat nu?’ ‘Ik hang daar toch niet?’ zei de meester. ‘Nee, maar stél.’ ‘Dan liet ik me bovenop die generaal vallen.’

‘Die man gaat toch niet pal onder u staan’, zei de monnik ongelovig. ‘Nee, maar stél.’ ‘Stel dan maar dat hij een stukje verderop staat.’ ‘Dan sla ik mijn vleugels uit’, zei de meester en bewoog zijn armen op en neer. ‘Ha, u hebt helemaal geen vleugels!’ ‘Nee, maar stél.’ ‘Zo kun je je wel overal uit lullen’, zei de monnik verbolgen. ‘Zo kun je wel overal in blijven hangen’, antwoordde de meester.

Leger des heils

Monnik, hoofdschuddend: ‘Hang je met je tanden aan een tak, vraagt een of andere bodhisattva waarom Bodhidharma naar China kwam.’

Meester, hoofdschuddend: ‘Aan boeddhisten heb je ook niks.’

Oost west, mij best

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Waarom niet?

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Hij moest toch ergens vandaan komen.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Omdat er al drie wijzen uit het oosten waren.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Omdat hier nog lege grotten waren.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Om van dit soort vragen af te zijn.

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Daarom niet.

Oost, west, huisarrest

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Omdat het oosten niet naar Bodhidharma kwam.

Monnik: En waarom kwam het oosten niet naar Bodhidharma?

Meester: Omdat het dan het westen zou zijn.

Hoe het nageslacht te pesten

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Om zijn geest eens uit te mesten.

Monnik: En de keizer uit te testen.

Meester: Zitten wij weer met de resten.

Niet voor niets

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Meester: Zodat jij deze vraag kon stellen?

Monnik: Waarom geeft u dan geen antwoord?

Meester: Omdat Bodhidharma naar het oosten is gekomen.

Laat maar hangen

Monnik: Het hangt aan een tak en het zwijgt.

Meester: Een boeddhist natuurlijk.

Monnik: Hoezo natuurlijk?

Meester: Zwijgen is onnatuurlijk.

Monnik: Waarom doen we het dan toch?

Meester: Vanwege dit soort vragen.

Laat maar zitten

Monnik: Het zit onder een boom en het beweegt niet.

Meester: En weer een raadsel.

Monnik: En wat is de oplossing?

Meester: Een dode.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Een lamme.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Een beeld.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Wat dacht jij dan?

Monnik: De Boeddha natuurlijk.

Meester: Of een boeddhist natuurlijk.

Monnik: Hoezo natuurlijk?

Meester: Stilzitten is onnatuurlijk.

Monnik: Waarom doen we het dan toch?

Meester: En weer een raadsel.

Monnik: En wat is de oplossing?

Meester: En wat is het probleem?

Monnik: Dat het niet helpt.

Meester: Ga dan maar in een boom hangen.

Tijdbom

Meester: Het hangt in een boom en het tikt.

Monnik: Een skelet?

Meester: Tik.

Monnik: Een kunstgebit?

Meester: Tik.

Monnik: Een wandelstok?

Meester: Tik.

Monnik: Een kachel?

Meester: Tik.

Monnik: Een bodhisattvahart?

Meester: Tik.

Monnik: Een geigerteller?

Meester: Tik.

Monnik: Een klok?

Meester: Tik.

Monnik: Ach natuurlijk.

Meester: Wat?

Monnik: Het Eeuwige Heden.

Meester: Tik.

Monnik: O, ik snap het al.

Meester: Tik.

Monnik: Het is je geest.

Meester: BOEM.

Poort 6 – Zeg het met bloemen

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Niemand reageerde, maar Mahakashyapa begon te glimlachen.

Boeddha verklaarde: ‘Dit is het wijsheidsoog, de geest van nirwana, de vorm zonder vorm, de poortloze poort van de leer. Niet over te dragen door woorden, maar alleen van hart tot hart. Mahakashyapa zal het nu van mij overnemen.’

Bloemenkinderen

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Iedereen glimlachte. Boeddha dacht bezorgd: ‘Met mijn opvolging zit het wel goed, maar waar halen we nog leerlingen vandaan?’

Droogbloemen

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Niemand reageerde. Boeddha dacht bezorgd: ‘Hoe moet het nu verder?’ Dat was nergens voor nodig. Werkelijk iedereen nam het van hem over, en zo gaat het nog steeds.

Onverbloemd

Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg hield Boeddha een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Niemand reageerde.

Boeddha verklaarde: ‘Dit is niet het wijsheidsoog, niet de geest van nirwana, niet de vorm zonder vorm en niet de poortloze poort van de leer.’ Mahakashyapa keek hem verbijsterd aan. Boeddha zei: ‘Dit is een bloem. Mooi hè?’

Laatbloeier

Shakyamuni Boeddha beëindigde zijn zoveelste slaapverwekkende toespraak met de gebruikelijke woorden: ‘Dit is het wijsheidsoog, de geest van nirwana, de vorm zonder vorm, de poortloze poort van de leer. Niet over te dragen door woorden, maar alleen van hart tot hart.’

Mahakashyapa plukte een bloem, hield hem omhoog en rolde hem heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger. Er viel een pijnlijke stilte waar geen eind aan leek te komen. Ten slotte begon de Boeddha te lachen. Eerst als een boer met kiespijn, toen steeds breder, tot hij zat te stralen als de morgenster.

De Boeddha stond hij op, boog diep voor Mahakashyapa en verklaarde:

‘Ik neem alles terug wat ik ooit gezegd heb. Ik verontschuldig mij voor de talloze soetra’s en shastra’s die de komende millennia uit mijn naam zullen worden geschreven. Allemachtig, wat hebt u lang op dit moment moeten wachten. Wat heb ik uw geduld op de proef gesteld. Voor eeuwig sta ik bij u in het krijt, als er iets is als eeuwigheid.’

Hij boog nogmaals en zei: ‘Dit zijn mijn laatste woorden.’

En waarachtig, het waren zijn laatste woorden.

Vredestokers

Midden op de weg stond een meisje dat een klaproos heen en weer rolde tussen haar duim en wijsvinger. Piepend en krakend kwam de kilometers lange colonne van tanks, pantservoertuigen en transportwagens, elk voorzien van het gouden monogram van de Boeddha, tot stilstand.

Het kind liep naar voren, ging op haar tenen staan en stak de bloem in de loop van een kanon. Haar dunne blonde haren wapperden in de wind.

Bovenop de tank ging een klep open en daar verscheen het rode hoofd van de opperbevelhebber. Met overslaande stem riep hij: ‘Zo brengt een enkele bloem het ganse mahayana-apparaat tot stilstand!’ Hij pinkte een traantje weg, snoot luidruchtig zijn neus in zijn handen, veegde die onzichtbaar voor het meisje drie keer af aan zijn tenue en verdween in de ingewanden van het grote voertuig, de klep achter zich dichttrekkend.

Piepend en krakend en blauwe rookwolken uitbrakend kwam de colonne weer in beweging. Het kind sprong nog maar net op tijd de berm in. De volgende dag barstte het vrijheidsoffensief in alle hevigheid los.

Stom

Een monnik vroeg: ‘Wat is de leer?’

Boeddha plukte een bloempje. De monnik zei: ‘Is het bloemen plukken?’

Boeddha liet het bloempje tussen zijn duim en wijsvinger heen en weer rollen. ‘Is het bloemen tussen duim en wijsvinger heen en weer rollen?’

Boeddha liet het bloempje op de grond vallen. De monnik raapte het op en liet het tussen zijn duim en wijsvinger heen en weer rollen.

Boeddha glimlachte. De monnik vroeg: ‘Is het glimlachen?’

Boeddha zweeg. ‘Is het zwijgen?’

Boeddha schudde zijn hoofd. ‘Is het ontkennen?’

Boeddha reageerde niet. ‘Is het gewoon maar zitten?’

Boeddha stond op en rekt zich geeuwend uit. De monnik stond op en rekt zich geeuwend uit.

Boeddha slenterde weg. De monnik zei: ‘Is het je neus achterna lopen?’

Boeddha verdween in het struikgewas. De monnik liep hem achterna maar zag hem nergens meer.

De monnik riep: ‘Is het spoorloos verdwijnen?’ Wild keek hij om zich heen.

Plotseling sloeg de monnik met zijn vuist in zijn handpalm. Hij riep: ‘Geeft niks, man!’ Hij schreeuwde: ‘Ik weet het toch ook niet!’

Uit de struiken klonk een oorverdovende stilte.

Sjakie in z’n nakie

Een boeddhistische non droomde dat ze Zijne Heiligheid Shakyamuni Boeddha ontmoette.

De non boog diep voor Zijn Aangezicht, zeggende: ‘O, Gezegende!’

De Gezegende zei nors: ‘Ken ik niet.’

De non zei: ‘Ach, Zijne Hoogheid wil natuurlijk liever de Boeddha genoemd worden.’

De Boeddha zei: ‘Niet zo formeel alsjeblieft.’

De non zei: ‘Shakyamuni dan?’

Shakyamuni, iets toeschietelijker: ‘Mijn vrienden noemen me Sjaak.’

De non zwijmelde: ‘O Sjaak.’

Sjaak zei: ‘Laat dat “o” ook maar weg.’

De non zei: ‘Zoals je wilt, jongen.’

Sjaak zei: ‘Weet je wat, noem me maar gewoon Sjakie.’

De jonge vrouw giechelde: ‘Sjakie in z’n nakie.’

Sjakie zei: ‘Laten we nou niet op de feiten vooruitlopen.’

Het meisje zei: ‘Laten we er liever bij gaan zitten.’

Sjakie zei: ‘Hoe heet jij?’

Het meisje zei: ‘Anita.’

Sjakie, dromerig: ‘Sjakie en Anita…’

Anita: ‘Ik zou wát graag een bloemetje voor je plukken.’

Sjakie: ‘Dan doe je dat toch lekker.’

Anita: ‘Echt waar?’

Sjakie plukte een madeliefje, rolde het heen en weer tussen zijn duim en wijsvinger en zei: ‘Waarom niet?’

Anita: ‘Ik heb beloofd alle levende wezens te redden.’

Sjakie: ‘Wat?’

Anita: ‘Dat moest.’

Sjakie: ‘Van wie?’

Anita: ‘Van u.’

Sjakie: ‘Jou.’

Anita: ‘Van jou.’

Sjakie: ‘Maar ik ken je niet eens.’

Anita: ‘Jij hebt daartoe opgeroepen.’

Sjakie: ‘Hè?’

Anita: ‘Niet dan?’

Sjakie: ‘Wie kent het verschil tussen leven en dood.’

Anita: ‘Dat hoeft het redden toch niet in de weg te staan?’

Sjakie: ‘Waaruit?’

Anita: ‘Uit het lijden natuurlijk.’

Sjakie: ‘Welk lijden?’

Anita: ‘Heb jij niet gezegd dat het leven lijden is?’

Sjakie: ‘Had ik zeker een kater.’

Anita: ‘Zo luidt jouw eerste Edele Waarheid.’

Sjakie: ‘IJdel?’

Anita: ‘Nee, edel.’

Sjakie: ‘Hoe dan?’

Anita: ‘Leven is lijden.’

Sjakie: ‘En dat zou ik gezegd hebben?’

Anita: ‘Zo staat het geschreven.’

Sjakie: ‘Wie kent het verschil tussen leed en vreugde.’

Anita: ‘Dus jij hebt het lijden inderdaad overwonnen?’

Ze pakte een pen en een opschrijfboekje uit haar tas en begon driftig te schrijven.

Sjakie: ‘Volgens mij zie jij ze vliegen.’

Anita: ‘Maar u zei toch net…’

Sjaak: ‘Wie kent het verschil tussen leed en vreugde.’

De non zei: ‘Wiens waarheid is het dan wel?’

Shakyamuni zei: ‘Wie kent het verschil tussen waarheid en leugen.’

De non zei: ‘Nou?’

Shakyamuni B. trok handenvol madeliefjes uit de grond.

De non begon weer te pennen.

De boeddha zei: ‘Wat zit je toch te doen.’

De non zei: ‘Opschrijven.’

De boeddha zei: ‘Wat dan.’

De non las voor: ‘Wie kent het verschil tussen waarheid en leugen.’

De Boeddha keek haar onderzoekend aan.

Eindelijk ging hem een lichtje op.

De Verlichte grijnsde breeduit.

De non zei gretig: ‘Mijn koninkrijk voor uw gedachten.’

De Gezalfde stelde zijn lach ietsje neerwaarts bij.

De non zei: ‘Ik zie u ziet wat ik niet zie.’

Subtiel was de glimlach van de Gezegende nu, prikkelend en geheimzinnig tegelijk.

De rest van de droom zat de non met haar pen in de aanslag.

Zijne Heiligheid zweeg als het graf.

Poort 7 – Afwassen

Een monnik zei tegen meester Zhaozhou: ‘Ik ben nieuw hier, kunt u mij onderricht geven?’ ‘Heb je al ontbeten?’ vroeg Zhaozhou. ‘Jazeker’, zei de monnik. ‘Ga dan je schaaltjes maar afwassen.’ Op dat moment zag de monnik het licht.

Trappen van verlichting

1.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

De meester haalde zijn schouders op.

Op dat moment zag de monnik het licht.

2.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

De meester haalde zijn schouders op.

Monnik: Niet?

Meester: Al klaar.

Op dat moment zag de monnik het licht.

3.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

De meester haalde zijn schouders op.

Monnik: Niet?

Meester: Al klaar.

Monnik: Ik snap het niet.

Meester: Kun jij mij onderricht geven?

Op dat moment zag de monnik het licht.

4.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

De meester haalde zijn schouders op.

Monnik: Niet?

Meester: Al klaar.

Monnik: Ik snap het niet.

Meester: Kun jij mij onderricht geven?

Monnik: Ik denk het wel.

Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.

Op dat moment zag de monnik het licht.

Trappen van verduistering

1.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

Meester: Heb je al ontbeten?

Monnik: Ga dan je schaaltjes maar afwassen, wou u zeggen.

Op dat moment zag de meester het licht.

2.

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

Meester: Heb je al ontbeten?

Monnik: Ga dan je schaaltjes maar afwassen, wou u zeggen.

Meester: Hoe weet jij dat?

Monnik: Ben ik daarvoor bij Zhaozhou weggegaan.

Op dat moment zag de meester het licht.

3.

Meester: Heb je al ontbeten?

Monnik: Ik heb gegeten en gedronken en afgewassen.

Meester: Ga dan je schaaltjes maar afwassen.

Monnik: Ja, wat zeg ik nou.

Meester: Ja, dat was mijn zin.

Monnik: Wat is dit, een toneelstukje?

De meester begon over zijn hele lichaam te zweten.

Meester: Wil je mij onderricht geven?

Monnik: Ga eerst uw pij maar wassen.

Ervaringsdeskundige

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

Meester: Heb je al ontbeten?

Monnik: Vraagt u mij nu of ik al een verlichtingservaring heb gehad?

Meester: Ik ben me van geen kwaad bewust.

Monnik: Alles is één.

Meester: Hoe stel je zoiets vast?

Monnik: Dat heb ik herhaaldelijk ervaren.

Meester: Dus?

Monnik: Moet het wel zo zijn.

Meester: Want?

Monnik: Anders had ik het nooit kunnen ervaren.

Meester: Heb je op dit moment een verlichtingservaring?

Monnik: Nee.

Meester: Hoe weet je dat?

Monnik: Alles is onderscheiden.

Meester: Je hebt een veelheidservaring.

Monnik: Daar komt het wel op neer.

Meester: Heb je die wel vaker gehad.

Monnik: Toegegeven.

Meester: Hoe vaak?

Monnik: Vrijwel onophoudelijk.

Meester: Dus?

Monnik: Dus?

Meester: Is alles niet één.

Monnik: Want?

Meester: Anders had je nooit veelheid kunnen ervaren.

Monnik: Wat een logica.

Meester: Ik wou het niet zeggen.

Monnik: Noem dat maar onderricht.

Meester: Ontbijt kun je het niet noemen.

Monnik: U brengt me alleen maar in verwarring.

Meester: Ga dan je schaaltjes maar afwassen.

Wasserette

1.

Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring afgewassen.

Meester: Ga dan je leegte maar afgewassen.

2.

Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring en mijn leegte afgewassen.

Meester: Ga dan het afwassen maar afwassen.

3.

Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring en mijn leegte en het afwassen afgewassen.

Meester: Dan zul je wel honger hebben.

Nuchter

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

Meester: Heb je al ontbeten?

Monnik: Bedoelt u dat het leven van alledag de weg is?

Meester: Het niet-alledaagse hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat ik niet zoveel vragen moet stellen?

Meester: Vragen stellen hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat ik niet zo moet streven?

Meester: Streven hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat we allemaal al verlicht zijn?

Meester: Denken dat we allemaal al verlicht zijn hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat we niet allemaal of allemaal niet verlicht zijn?

Meester: Denken dat we niet allemaal of allemaal niet verlicht zijn hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat ik niet moet denken?

Meester: Denken hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat ik minder moet denken?

Meester: Denken dat je minder moet denken hoort er ook bij.

Monnik: Ik bedoel, eten als je honger hebt en slapen als je moe bent?

Meester: Denken dat dat alles is hoort er ook bij.

Monnik: Bedoelt u dat er toch meer is onder de zon?

Meester: Zeg, ik blijf niet aan de gang.

Monnik: Wat hoort er eigenlijk niet bij?

Meester: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Monnik: Volgens mij moet ik mijn schaaltjes nog afwassen.

Meester: Het kan altijd erger.

Monnik: Hoe bedoelt u?

Meester: Ik heb nog niet eens ontbeten.

Zenziek

Monnik: Kunt u mij onderricht geven?

Meester: Ga eerst je schaaltjes maar afwassen.

Monnik: Probeert u mij te behoeden voor de zenziekte?

Meester: Voor de wat?

Monnik: De hoogmoed van de verlichte.

Meester: Van de wat?

Monnik: Ik doel op het gevoel van superioriteit als je je ware zelf hebt gezien.

Meester: Je wat?

Monnik: Als je de persoon hebt doorzien, bedoel ik.

Meester: Wie zou dat dan gedaan moeten hebben?

Monnik: Als je je boeddhanatuur hebt gerealiseerd.

Meester: Zei de projectontwikkelaar.

Monnik: De zenziekte betekent gek doen om te bewijzen dat je de illusie hebt doorzien.

Meester: Wou jij beweren dat je de illusie hebt doorzien?

Monnik: In alle bescheidenheid…

Meester: Misschien is het geloof in de zenziekte wel een symptoom van de zenziekte.

Monnik: Hè?

Meester: Zeker weten dat het doorzien van de illusie geen deel uitmaakt van de illusie?

Monnik: Eh…

Meester: Ik was er al bang voor.

Monnik: Kunt u mij misschien onderricht geven?

Meester: Ga eerst je mond maar uitspoelen.

Aangebrand

Monnik: Ik ben nieuw hier.

Meester: Houden zo.

Monnik: Ik heb nog niet ontbeten…

Meester: Zeker bij Zhaozhou gezeten.

Monnik: Laat staan dat ik mijn schaaltjes heb afgewassen.

Meester: Die vent is een huishoudschool begonnen.

Monnik: De dag begint nou eenmaal met een ontbijt.

Meester: Je hebt heel wat van hem opgestoken.

Monnik: Waarom zou je anders je schaaltjes afwassen?

Meester: Ik wil er wel even in tuffen.

Monnik: Bedoelt u dat het daar niet om gaat?

Meester: Waarom gaat?

Monnik: Eten. Afwassen. Doen wat er gedaan moet worden.

Meester: Geen idee wat er gedaan moet worden.

Monnik: Hoe bepaalt u dan wat er gedaan moet worden?

Meester: Alsof dat eerst door mij bepaald moet worden.

Monnik: Waar gaat het dan wel om?

Meester: Wie zegt dat het ergens om gaat?

Monnik: Bedoelt u dat het nergens om gaat?

Meester: Je legt me van alles in de mond.

Monnik: Als u het niet doet…

Meester: En het smaakt allemaal even laf.

Monnik: Wat ben ik, de kok?

Meester: Wat ben ik, zijn maatje?

Niet veel later verliet de monnik het klooster.

Niet veel later verliet de meester het klooster.

Poort 8 – Wielwerk

Meester Yuean zei: ‘Xizongh, de wielmeester, maakte een kar waarvan de wielen wel honderd spaken hadden. Wat blijft er over als je alle onderdelen verwijdert?’

Het wiel uitvinden

Meester: Wat is het belangrijkste aan een wiel?

Monnik: Het loopvlak dat de voorwaartse beweging mogelijk maakt.

Monnik: De spaken die de last overbrengen op de naaf.

Monnik: De naaf die de last overbrengt op de as.

Monnik: De as die het koetswerk draagt.

Monnik: Het koetswerk dat de nuttige last draagt.

Monnik: De lege ruimte omsloten door het koetswerk.

Monnik: De nuttige last in de lege ruimte.

Monnik: De weg die het voertuig draagt.

Monnik: De aarde die de weg draagt.

Monnik: De bestemming die de weg rechtvaardigt.

Monnik: Het gaat niet om de bestemming, het gaat om de reis.

Monnik: Het gaat niet om de reis, het gaat om de reiziger.

Monnik: Het gaat om al deze dingen bij elkaar.

Monnik: Maar alle dingen zijn leeg.

Monnik: Als alle dingen leeg zijn dan ook de leegte.

Monnik: Een geheel is meer dan de som der delen.

Monnik: De delen zijn meer dan onderdelen van een geheel.

Monnik: Vorm is leegte, leegte is vorm.

Monnik: Geen vorm, geen leegte.

Monnik: Wat is het waarin vorm en leegte verschijnen?

Monnik: Wie zegt dat ze ergens in verschijnen?

Monnik: Meester, wat denkt u?

Meester: Waarom zou iets het belangrijkste zijn?

Monnik: Bedoelt u dat alles even belangrijk is?

Meester: Waarvoor?

Monnik: Bedoelt u dat niets enig belang heeft?

Meester: Waarvoor niet?

Monnik: Maar wat is nou het belangrijkste aan een wiel?

Meester: Dat is nou het belangrijkste aan een wiel.

Een spaak in het wiel

Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt?

Meester: Waarvan?

Monnik: Van een kar bijvoorbeeld.

Meester: Alles natuurlijk.

Monnik: Hoe kan dat nou.

Meester: Alleen niet van die kar.

Monnik: Als je alles weghaalt van een kar blijft alles over, alleen niet van die kar?

Meester: Het moet toch érgens blijven.

Monnik: En als je álles weghaalt?

Meester: Waarvan?

Monnik: Overal van.

Meester: Wat dan?

Monnik: Wat er dan nog overblijft.

Meester: Alles natuurlijk.

Monnik: Hoe kan dat nou.

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Wat?

Meester: Het moet toch érgens blijven.

Monnik: Volgens mij blijft er niets over als je alles weghaalt.

Meester: Je doet je best maar.

Monnik: Ik doel op de leegte, het ongeborene, het doodloze, het ware zelf.

Meester: Dan heb je nog niet alles weggehaald.

Monnik: Wat zegt u me daar?

Meester: Waar is de leegte als je haar niet denkt?

Monnik: …

Meester: Wat denk je nu?

Monnik: Niets, geloof ik.

Meester: Is dat het niets van de leegte, het ongeborene, het doodloze, het ware zelf of wat?

Monnik: …

Meester: Wat denk je nu?

Monnik: Weer niets, geloof ik.

Meester: Valt er ook maar iets te zeggen over wat je niet dacht, al was het maar dat het onbestemd is of leeg of zelfs van leegte ontledigd?

Monnik: …

Meester: Nou dan.

Wormwiel

Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt?

Meester: Wie zegt dat er iets overblijft?

Monnik: Wat?

Meester: Je lijkt op voorhand al te weten dat er iets overblijft.

Monnik: Wat blijft er over als je alles weghaalt, gesteld dat er iets overblijft?

Meester: Waarvan?

Monnik: Van je… lichaam bijvoorbeeld.

Meester: Waarvan over?

Monnik: Van mij bijvoorbeeld.

Meester: Wat er van jou overblijft als je alles van je lichaam weghaalt?

Monnik: Mijn geest?

Meester: Wie zegt dat je lichaam van jou is?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Of bepaal jij zelf hoe je lichaam eruit ziet en wat het allemaal doet?

Monnik: Was dat maar waar.

Meester: En wie zegt dat je geest van jou is?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Of bepaal jij zelf wat je allemaal denkt en droomt?

Monnik: Was dat maar waar.

Meester: Je zou nergens anders meer aan toe komen.

Monnik: Wat blijft er van je over als je geen lichaam en geen geest meer hebt?

Meester: Zie er eerst maar eens aan te komen.

Monnik: Hè?

Meester: Zie er dan maar vanaf te komen.

Monnik: Ik kan u niet bijbenen.

Meester: Ik hoef nergens heen.

Monnik: Wat blijft er van je over als je geen lichaam en geen geest hebt en er dus ook geen afstand van kunt nemen?

Meester: Wie zegt dat er iets overblijft?

Vliegwiel

Monnik: Wat blijft er over als je alles weglaat?

Meester: Deze vraag.

Monnik: Verdraaid.

Meester: En als je deze vraag weglaat?

Monnik: Nou?

Meester: Die vraag.

Monnik: Verdraaid.

Meester: En als je alle vragen weglaat?

Monnik: Dan vallen alle antwoorden ook weg, zou ik zeggen.

Meester: Behalve dit antwoord zeker.

Monnik: En als je dit antwoord ook weglaat?

Meester: Deze vraag, zou ik zeggen.

Monnik: Verdraaid.

Vierwieler

Monnik: Wat blijft er over als je de drie werelden van illusie doorziet?

Meester: Welke drie werelden van illusie?

Monnik: Die van gehechtheid, vorm en niet-vorm natuurlijk.

Meester: Tot welke wereld behoren de drie werelden van illusie?

Vrijwiel

Monnik: Wat blijft er over als je de illusie doorziet?

Meester: De illusie dat je de illusie doorziet.

Monnik: En als je die ook nog doorziet?

Meester: De illusie dat je de illusie van de illusie doorziet.

Monnik: Wat als je alle illusies doorziet?

Meester: Welke illusies?

Monnik: Bedoelt u dat illusie werkelijkheid is?

Meester: Wat als je de werkelijkheid doorziet?

Karren maar

Neem een kar, vul hem met wijsheid, gooi hem leeg en je hebt een kar zonder dwaasheid.

Neem een kar, vul hem met dwaasheid, gooi hem leeg en je hebt een kar zonder wijsheid.

Twee lege karren, een zonder wijsheid en een zonder dwaasheid. Identiek of niet?

Zen is een lege kar:

  • Een filosofie zonder wijsheid (een ‘filosofie’)
  • Een leer zonder leerstellingen (een ‘leer’)
  • Een godsdienst zonder god (een ‘godsdienst’)
  • Een oordeel zonder gelijk (een ‘oordeel’)
  • Waarheid zonder inhoud (‘waarheid’)
  • Vrijheid zonder eigenmacht (‘vrijheid’)
  • Overgave zonder onmacht (‘overgave’)
  • Spiritualiteit zonder geest (‘spiritualiteit’)
  • Eenheid zonder getal (‘eenheid’)
  • Niets zonder leegte (‘niets’)
  • Essentie zonder wezen (‘essentie’)
  • Helderheid zonder inzicht (‘helderheid’)
  • Bewustzijn zonder besef (‘bewustzijn’)
  • Wijsheid zonder verstand (‘wijsheid’)
  • Dwaasheid zonder onwetendheid (‘dwaasheid’)

Identiek of niet? Zeg jij het maar. O, moet ik het zeggen.

Zen: of je een kar leeggooit.

Als een kar zonder kar

Zenportret

Als een vorm zonder vorm
Als een leegte zonder leegte
Als een leer zonder leer
Als een rede zonder rede
Als een zede zonder zede
Als een filosofie zonder filosofie
Als een godsdienst zonder godsdienst
Als een boeddha zonder boeddha
Als een god zonder god
Als een mysterie zonder mysterie
Als een oordeel zonder oordeel
Als een waarheid zonder waarheid
Als een weten zonder weten
Als een woord zonder woord
Als een moord zonder moord
Als een traditie zonder traditie
Als een wil zonder wil
Als een geest zonder geest
Als een zelf zonder zelf

Als een schrift zonder blad

Zelfportret

Als een rat zonder rad
Als een sneer zonder kat
Als een zee zonder gat
Als een lift zonder flat
Als een kaart zonder schat
Als een arm zonder jat
Als een hand zonder vat
Als een maai zonder zwad
Als een fluim zonder kwat
Als een pat zonder mat
Als een land in een stad
Als een weg uit je pad

Als een zwerver zonder vod

Niet-zelfportret

Als een monnik zonder grot
Als een zuster zonder knot
Als een priester zonder god
Als een sleutel zonder slot
Als een maalstroom zonder vlot
Als een junkie zonder shot
Als een dwangbuis zonder zot
Als een trekking zonder lot
Als een varken zonder kot
Als een schijthuis zonder pot
Als een story zonder plot
Als een kaarsvlam voor een mot

Als een bloem zonder perk

Geen gezicht

Als een merknaam zonder merk
Als een vogel zonder vlerk
Als een hemel zonder zwerk
Als een koster zonder kerk
Als een monnik zonder werk
Als een dode zonder zerk

Als een inbreuk zonder schending

Hoe het voelt

Als een missie
Zonder zending

Na een keerpunt
Zonder wending

Like a statue never standing

Like a patent
Ever pending

Like a story
Ever ending

Like a tree top
Ever bending

Poort 9 – Zittenblijver

Een monnik zei: ‘De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?’ Meester Xiangyan zei: ‘Dat spreek toch vanzelf.’ De monnik zei: ‘Al dat mediteren, en dan niets bereiken.’ ‘Boeddha’s worden niet’, antwoordde de meester.

Antwoordapparaat

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?

Meester: Dat spreekt toch vanzelf.

Monnik: Een hint alstublieft.

Meester: Doordat hij het al was. Doordat iedereen het al is. Doordat niemand het is. Doordat hij er al in geslaagd was. Doordat verlichting een illusie is. Doordat ‘boeddha’ maar een wijze van spreken is.

Doordat hij geen alles doordringende wijsheid had. Doordat zijn alles doordringende wijsheid niet voorbij alle wijsheid ging. Door zijn alles doordringende wijsheid.

Door al dat mediteren. Doordat hij niet genoeg mediteerde. Doordat hij niet de perfecte houding had. Doordat hij vasthield aan een perfecte houding. Doordat mediteren niet de weg is. Doordat mediteren niet genoeg is. Doordat er geen weg is.

Doordat hij nog gehecht was. Doordat hij te onthecht was. Doordat een boeddha voorbij worden is. Doordat een boeddha voorbij zijn en niet-zijn is. Doordat hij een toekomstige boeddha was.

Doordat hij alleen bestond in de geest van zijn bedenker. Doordat zijn bedenker ook alleen maar…

Monnik: Ja, laat maar.

Meester: Wat?

Monnik: Ik ga wel weer mediteren.

Het streven voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?

Meester: Doordat hij een boeddha wilde worden.

Monnik: Wat had hij dan moeten doen?

Meester: Onderzoeken wat een boeddha is.

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Iemand die geen boeddha meer wil worden.

De definitie voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?

Meester: Kan jou de Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid schelen.

Monnik: Ik mediteer als geen ander, maar slaag er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?

Meester: Wat is een boeddha volgens jou?

Monnik: Iemand die weet dat hij het al is.

Meester: Dan zal dat het probleem wel zijn.

Monnik: Wat is een boeddha volgens u?

Meester: Iemand die niet meer weet wat dat is.

De wijsheid voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden.

Meester: Ik ook niet.

Monnik: U ook al niet?

Meester: En ook niet om een niet-boeddha te worden.

Monnik: Hoe kan dat nou?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Waartussen niet?

Meester: Tussen een boeddha en een niet-boeddha.

Monnik: Bedoelt u dat ze identiek zijn?

Meester: Ik zie de overeenkomst niet.

Monnik: Bedoelt u dat ze één zijn?

Meester: Laat staan dat ik ze kan tellen.

Monnik: Noem dat maar de alles doordringende wijsheid.

Meester: Noem het dan maar de wijsheid voorbij.

Het oordeel voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden.

Meester: Nogal wiedes.

Monnik: Hoezo?

Meester: Een boeddha is iemand die nergens meer in slaagt.

Monnik: Bedoelt u dat hij overal in faalt?

Meester: Een boeddha is iemand die nergens meer in faalt.

Monnik: Doordat een boeddha nergens meer over oordeelt?

Meester: Zelfs niet over zijn eigen oordelen.

Monnik: Ja, oordeelt hij nou wel of oordeelt hij nou niet?

Meester: Nogal wiedes.

Het worden voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden.

Meester: Boeddhaschap is geen kwestie van worden.

Monnik: Is het dan een kwestie van zijn?

Meester: Voor jou misschien.

Monnik: Waarvan is het voor u een kwestie?

Meester: Voor mij is het helemaal geen kwestie.

Monnik: En als het toch een kwestie was?

Meester: Een kwestie van ontworden dan maar.

Monnik: Wat moet er dan ontworden?

Meester: Ja, wat niet.

Monnik: Want alles moet ontworden?

Meester: Waaronder het ontworden.

Monnik: Ai, een dubbele ontkenning.

Meester: Als je er maar geen enkele bevestiging van maakt.

Monnik: En dat zou het boeddhaschap zijn?

Meester: Natuurlijk niet.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Ook dat is dan ontworden.

De meditatie voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?

Meester: Door al dat mediteren.

Monnik: Wat had hij dan moeten doen?

Meester: Onderzoeken wat mediteren is.

Monnik: Wat is mediteren?

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Monnik: Als je het u vraagt?

Meester: Tja.

Monnik: Misschien is alles wel meditatie.

Meester: Wie zal het zeggen.

Monnik: Als alles meditatie is, wat valt er dan nog te mediteren?

Meester: Als koeien kippen waren…

Monnik: Wat?

Meester: Zouden ze dan ook op stok gaan?

Monnik: Of misschien is niets wel meditatie.

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Monnik: Als niets meditatie is, wat valt er dan nog te mediteren?

Meester: Ga daar maar over mediteren.

Monnik: Of niet-mediteren natuurlijk.

Meester: Dat komt dan op hetzelfde neer.

Het voorbijgaan voorbij

Monnik: De Boeddha van de alles doordringende wijsheid voorbij alle wijsheid mediteerde als geen ander, maar slaagde er niet in een boeddha te worden. Hoe kan dat?

Meester: Misschien zat al die wijsheid hem wel in de weg.

Monnik: Die is hij toch voorbijgegaan?

Meester: Misschien zat al die wijsheid voorbij alle wijsheid hem wel in de weg.

Monnik: Wat had hij dan moeten doen?

Meester: Eraan voorbijgaan natuurlijk.

Monnik: Wat is er voorbij de wijsheid voorbij alle wijsheid?

Meester: Dat wil je niet weten.

Klein beginnen

Monnik: Ik mediteer nu al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden?

Meester: Zie eerst de laagste maar eens te vinden.

Ver onderstellen

Monnik: Ik mediteer nu al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden?

Meester: Wie zegt dat er een hoogste waarheid is?

Monnik: Dat zeggen ze.

Meester: Ze zeggen zoveel.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Je mediteert nu al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is.

Monnik: In elk geval hoop ik hem door meditatie te vinden, als hij bestaat.

Meester: Wie zegt dat hij door meditatie gevonden kan worden, als hij bestaat?

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Je mediteert nu al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is, in de veronderstelling dat hij door meditatie gevonden kan worden.

Monnik: In elk geval hoop ik hem door meditatie te vinden, als hij door meditatie gevonden kan worden, als hij bestaat.

Meester: Wie zegt dat ook jij hem door meditatie kan vinden?

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Je mediteert nu al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is, in de veronderstelling dat hij door meditatie gevonden kan worden, ook door jou.

Monnik: In elk geval hoop ik hem door meditatie te vinden, als hij door meditatie te vinden is, ook door mij, als hij bestaat.

Meester: Wie zegt dat het een kwestie van vinden is?

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Je mediteert nu al dertig jaar in de veronderstelling dat er een hoogste waarheid is, in de veronderstelling dat hij door meditatie gevonden kan worden, ook door jou, in de veronderstelling dat het een kwestie van vinden is.

Monnik: Waarvan zou het anders een kwestie zijn?

Meester: Van je aannames onderzoeken, bijvoorbeeld.

Monnik: In dat geval kun je mediteren tot je een ons weegt zonder dat er iets gebeurt.

Meester: Anders misschien ook.

Monnik: Is het inderdaad een kwestie van je aannames onderzoeken?

Meester: Als ik ja zeg neem je dat meteen weer aan zonder het zelf te onderzoeken.

Monnik: Waarvan zou het anders een kwestie kunnen zijn?

Meester: Van niet vinden bijvoorbeeld.

Monnik: Is het inderdaad een kwestie van niet vinden?

Meester: Als ik ja zeg neem je dat meteen weer aan zonder het te onderzoeken.

Monnik: En zo voort.

Meester: Het zand gaat voort maar Zandvoort niet.

Monnik: Hoe onderzoek je dit soort zaken eigenlijk?

Meester: Wat denk je dat we aan het doen zijn?

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dan maar hopen dat het een kwestie van niet-weten is.

Dit en dat

Monnik: Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden?

Meester: Misschien is dat de hoogste waarheid al.

Monnik: Misschien is wat de hoogste waarheid al?

Meester: ‘Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden.’

Monnik: Wat een onzin.

Meester: Of anders dit.

Monnik: Wat?

Meester: Dat het onzin is dat ‘Ik mediteer nou al dertig jaar, waarom kan ik de hoogste waarheid niet vinden’ al de hoogste waarheid zou zijn.

Monnik: En dat zou de hoogste waarheid zijn?

Meester: Voor zolang het duurt.

Monnik: Hoe komt u erop.

Meester: Moet jij zeggen.

Monnik: O, ik snap het al.

Meester: Houdt het dan nooit op?

Monnik: ‘Alleen maar dit’, is dat waar u naar verwijst?

Meester: Hoe kom je erop.

Monnik: Bedoelt u dat er geen hoogste waarheid is?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat er toch een hoogste waarheid is?

Meester: Jij met je bedoelingen.

Monnik: Ik snap er niets meer van.

Meester: Dan noem je dat toch de hoogste waarheid.

Monnik: Maar is het dat ook?

Meester: Ga dan maar weer mediteren.

Lees ook: Mediteren zonder mediteren

Poort 10 – Berooid en beschonken

Qingshui zei klaaglijk: ‘Ik heb niets meer, help me alstublieft.’ Meester Caoshan zei: ‘Eerwaarde.’ ‘Ja meester.’ ‘U hebt nu al drie bekers patriarchenwijn op en nog hebt u dorst.’

Op de man af

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Wie?

Monnik: Ik, zeg ik toch.

Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: Niet-ik heeft niets meer.

Meester: Wat?

Monnik: Niet-ik, zeg ik toch.

Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: Ik noch niet-ik heeft niets meer.

Meester: Wie, wat?

Monnik: Ik noch niet-ik, zeg ik toch.

Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: Ik zeg niets meer.

Meester: Mislukt.

Monnik: U zegt toch alleen maar ‘dan heb je nog wat’.

Meester: Dan heb je nog wat.

Jaren later

Monnik: …

Meester: De tong rust maar de geest racet.

Monnik: Hoe breng ik mijn geest tot rust?

Meester: Je wat?

Heerlijk gewoon

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Wedden?

Monnik: Help me alstublieft.

Meester: Zie eerst maar van je hulpeloosheid af te komen.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Behalve de Boeddha zeker.

Monnik: Vanzelfsprekend.

Meester: Dood de Boeddha.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Behalve een dode Boeddha zeker.

Monnik: Het kind van de rekening.

Meester: Dood de boeddhadoder.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Behalve je armoede zeker.

Monnik: Daar zegt u me wat.

Meester: Schenk hem dan maar aan een rijke.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Behalve deze gedachte zeker.

Monnik: Toegegeven.

Meester: Zie daar dan maar vanaf te komen.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Zeker weten?

Monnik: Geen hulpeloosheid, geen Boeddha, geen boeddhadoder, geen armoede en geen gedachten.

Meester: Weg ermee.

Monnik: Ik heb niets meer, zeg ik toch?

Meester: Blijf daar dan maar mee zitten.

Jaren later

Monnik: Ik heb niets meer.

Meester: Ik heb zelfs niet niets meer.

Monnik: Hoe is het om zelfs niet niets meer te hebben?

Meester: Heerlijk gewoon.

Monnik: Héérlijk gewoon of heerlijk gewóón?

Meester: Blijf daar dan maar mee zitten.

Wie zonder stenen is

Monnik: Wat is zen?

Meester: Alles weggooien.

Monnik: Behalve het weggooien zeker.

Meester: Inclusief het weggooien.

Monnik: Dan hou je niets meer over.

Meester: Dan ben je niets meer kwijt.

Monnik: Maar niets is nog van jou.

Meester: En niets is niet van jou.

Monnik: En is er nog wel iemand?

Meester: En is er nog wel niemand?

Monnik: En is er nog wel iets?

Meester: En is er nog wel niets?

Monnik: Wat valt er nog te doen?

Meester: Wat valt er nog te laten?

Monnik: Wat valt er nog te denken?

Meester: Wat valt er te ontdenken?

Monnik: Wat valt er nog te zeggen?

Meester: Wat valt er nog te zwijgen?

Monnik: Klinkt als het weggooien van zen.

Meester: Zo klinkt de zen van weggooien.

Monnik: Dan hou je niets meer over.

Meester: Dan ben je niets meer kwijt.

Grootspraak

Meester: Wat is zen?

Leerling: Nowhere to go!

Meester: Behalve naar de zendo zeker.

Meester: Wat is zen?

Leerling: Nothing to do!

Meester: Behalve zazen zeker.

Meester: Wat is zen?

Leerling: No one to be!

Meester: Behalve boeddha zeker.

Meester: Wat is zen?

Leerling: Nothing to say!

Meester: Behalve dit zeker.

Wat

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: De Waarheid

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: De Werkelijkheid.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: De Wijsheid voorbij alle wijsheid.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: Het Zien.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: Alleen maar Dit.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: De Boeddhanatuur.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: De Leegte

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: Het Niets.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: Niets.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wat heb je daar gezien?

Monnik: Waar?

Meester: Hm.

Wie

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Mezelf.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Het Zelf.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Niet-zelf.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Mijn Ware Gezicht.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Niemand.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Iemand en Niemand.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Iemand noch Niemand.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Jaren later

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Waar?

Meester: Hm.

Wie wat

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Wie heb je daar gezien?

Monnik: Sergej Korsakov.

Meester: O, is dat hoe hij heet.

Monnik: Wie?

Meester: Wat?

No cigar

Monnik: Ik heb dieper in het glaasje gekeken dan ieder ander.

Meester: Zeker weten?

Monnik: Nou en of.

Meester: Dan heb je nog niet diep genoeg in het glaasje gekeken.

Drinkebroers

Sunyata-sunyata

Monnik: Ik mag graag denken dat ik dieper in het glaasje heb gekeken dan ieder ander.

Meester: Ik ook.

Monnik: Maar hoe stel je zoiets vast?

Meester: Een heikel punt.

Monnik: En wat dan nog.

Meester: Zeg dat wel.

Monnik: Ik bedoel, is het soms een verdienste?

Meester: Goeie vraag.

Monnik: Was het wel mijn eigen keus?

Meester: Precies.

Monnik: En zo voort.

Meester: Poort zoekt poort.

Monnik: Ik bedoel maar.

Meester: Bij wijze van spreken dan toch.

Monnik: Hoe anders.

Meester: Verder ben ik eerlijk gezegd nooit gekomen.

Monnik: Verder ben ik eerlijk gezegd nooit gekomen.

Meester: Al mag ik graag denken dat ik dieper in het glaasje heb gekeken dan ieder ander.

Monnik: Is dat een hint?

Meester: Een borrel is geen pint.

Monnik: Nog één glaasje dan.

Meester: Om het af te leren.

Monnik: Sunyata.

Meester: Sunyata.

sunyata: leegte
sunyata-sunyata: de leegte van leegte

Bodemloos

Twaalf raadsels, dertien ongelukken

  1. Waarom kan een boeddha niet van zijn voetstuk vallen?

Omdat hij er al naast ligt.

  1. Waarom kan een boeddha niet door het ijs zakken?

Omdat hij geen gewicht in de schaal legt.

  1. Waarom heeft een boeddha niets te bieden?

Omdat hij leeg is.

  1. Waarom hoeft een boeddha niet met zijn billen bloot?

Omdat hij niets om het lijf heeft.

  1. Waarom zie je een boeddha altijd over het hoofd?

Omdat hij niets voorstelt.

  1. Waarom zit een boeddha nooit in de put?

Omdat hij geen bodem heeft.

  1. Waarom heeft een boeddha niets te verliezen?

Omdat hij alles al kwijt is.

  1. Waarom heeft een boeddha nooit gelijk?

Omdat hij niet beter weet.

  1. Waarom heeft een boeddha nooit ongelijk?

Omdat hij niet beter weet.

  1. Waarom gelooft een boeddha dit allemaal niet?

Omdat hij het denken doorziet.

  1. Waarom gelooft een boeddha niet dat hij dit allemaal niet gelooft?

Omdat hij het denken doorziet.

  1. Waarom gelooft een boeddha niet dat hij het denken doorziet?

Omdat hij het denken doorziet.

Poort 11 – Voor de vuist weg

Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’

Bij de volgende kluizenaar aangekomen, vroeg de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

Watervallen

De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ De kluizenaar vroeg: ‘Wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ De meester zei: ‘Denken dat je iets verkeerd hebt gedaan.’

Bij de volgende kluizenaar aangekomen vroeg de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’ De kluizenaar zei: ‘Dank u.’ De meester vervolgde: ‘Maar als het water stil staat, stinkt het.’ De kluizenaar vroeg: ‘Wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ De meester zei: ‘Denken dat je iets goed hebt gedaan.’

Bij de volgende kluizenaar aangekomen vroeg de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar zwaaide. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ De kluizenaar zweeg. De meester boog. De kluizenaar zei: ‘En ga me nou niet vertellen dat stille wateren diepe gronden hebben.’

Waterscheiding

De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’ De meester stak zijn vuist in de lucht. De monnik zei: ‘Dus pas maar op dat u niet verdrinkt.’ Kwaad liep de meester verder.

Bij de volgende kluizenaar aangekomen, vroeg de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar antwoordde: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ ‘Kan een mens niet eens meer een normale vraag stellen?’ vroeg de meester. ‘Daar heb je het al’, zei de kluizenaar. Woedend stak de meester zijn vuist in de lucht.

Wateren over gods akker

De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ De monnik zei: ‘Loop dan maar gauw verder.’

Bij de volgende kluizenaar aangekomen, vroeg de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

De kluizenaar zei: ‘Het stinkt hier.’ ‘Hoezo?’ ‘Ik ben vooruit gehold.’ De meester trok wit weg. ‘U bent dezelfde als daarnet?’ Hij sloeg zijn ogen neer en begon over zijn hele lichaam te zweten. ‘Het water staat u aan de lippen’, zei de kluizenaar droog. Beschaamd droop de meester af.

Buitenspelval

Jaar in jaar uit ging de meester bij een kluizenaar langs om te vragen of het een beetje lukte. Jaar in jaar uit haalde de kluizenaar zijn schouders op. Ten slotte kreeg de kluizenaar er genoeg van.

Toen de meester het jaar daarop weer vroeg of het een beetje lukte, zei de monnik: ‘Denkt u nou nog steeds dat er iets moet lukken?’ ‘Het is een testvraag’, legde de meester uit. ‘Denkt u nou nog steeds dat u iets moet testen?’ ‘Zo zijn de regels.’ ‘En ik speel niet meer mee.’ ‘Zeg, wie is hier eigenlijk de meester?’ ‘Precies.’ Woedend stak de meester zijn vuist in de lucht.

De kluizenaar hield het voor gezien.

Drie vloeken en een zucht

De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik smeekte: ‘Een hint alstublieft.’ De meester zei: ‘Waarvoor?’ De kluizenaar riep: ‘Schertsfiguur!’ De meester zei: ‘Nee, jij dan.’ De kluizenaar huilde: ‘Waarom geeft u mij geen hint?’ De meester zei: ‘En dat is drie.’ Toen een reactie uitbleef, haalde hij zijn schouders op (en dat was vier) en keerde terug naar het klooster.

Vuistregels

  1. De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ Woef!’ zei de monnik. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik antwoordde: ‘De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’ De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik stak zijn vinger op. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik sneed zijn baard af. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik klom in een boom en ging met zijn tanden aan een tak hangen. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik stak een bloem omhoog en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik waste zijn schaaltjes af. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik haalde zijn kar uit elkaar. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik bleef onbeweeglijk zittten. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik sloeg drie bekers patriarchenwijn achterover en vroeg om hulp. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik stak zijn vuist in de lucht. De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
  1. Een jaar later ging de meester opnieuw bij de kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De monnik haalde zijn schouders op en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’ De meester haalde zijn schouders op. Samen keerden ze terug naar het klooster.

Poort 12 – Heer en meester

Iedere ochtend zei Ruiyan tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Wakker blijven, hoor.’ ‘Wat u zegt.’ ‘En laat je door niemand iets wijsmaken.’ ‘Wat u zegt.’

Voor dovemansoren

Iedere ochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Laat je door niemand iets wijsmaken hè.’ ‘Nee meester.’ ‘Vooral niet door jezelf.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door mij.’ ‘Nee meester.’ ‘Dit ook niet.’ ‘Nee meester.’ ‘Wat zeg ik nou.’ ‘Ja meester.’

Leer noch meester

Iedere maandagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Denk je nou nog steeds dat je meester bent?’ ‘Nee meester.’ ‘Niet vergeten hè?’ ‘Nee meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere dinsdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan geen antwoord. Daarna zei hij tegen zichzelf: ‘Denk je nou nog steeds dat je geen meester bent?’ ‘Nee meester.’ ‘Niet vergeten, hè?’ ‘Nee meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere woensdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Ik ben je meester niet.’ ‘En jij de mijne niet.’ ‘Wat ben je wel?’ ‘Als ik dat wist was ik je meester wel.’ ‘En ik de jouwe.’ ‘Ja meester.’ ‘Nee meester, zul je bedoelen.’ ‘Ja meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere donderdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Ja meester.’ ‘Niet zo opletten de hele dag, hè.’ ‘Nee meester.’ ‘Hierop ook niet.’ ‘Ik zal erop letten, meester.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere vrijdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Niet in jezelf praten, hoor.’ ‘Mij hoort u niet meer.’ ‘Ik hoor je niet meer.’ ‘Ik hoor u niet meer.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere zaterdagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’ ‘Het werd tijd.’ ‘U?’ ‘Ik ook niet.’ ‘Of toch.’ ‘Wat? ‘Zie maar.’ ‘Vanzelf.’ ‘En als dat niet mocht lukken?’ ‘Zie maar.’ ‘Vanzelf.’ ‘Tot morgen.’ ‘Tot morgen.’

Iedere zondagochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Maak dat de kat maar wijs.’ Dan zei hij: ‘Je spreekt met het ware zelf’, en antwoordde: ‘Geef me het onware dan maar even.’ Daarop wist hij niets meer te zeggen, en zo ging hij het liefst de nieuwe week in.

Hoe minder geleerd, hoe minder verkeerd

Iedere ochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Zeg het maar.’ ‘Je kunt het niet verkeerd doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door te denken dat je het verkeerd kunt doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door niet te denken dat je het niet goed of verkeerd kunt doen.’ ‘Nee meester.’

‘Je kunt het ook niet goed doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door te denken dat je het niet goed of verkeerd kunt doen.’ ‘En als je het toch verkeerd doet?’ ‘Niks aan de hand.’ ‘En als je het toch goed doet?’ ‘Allemaal goed.’ En daar liet hij het maar bij.

Geen-antwoordapparaat

Iedere ochtend zei Zuetsu tegen zichzelf: ‘Meester, wat bent u stil’, en gaf dan geen antwoord.

Daarna zei hij: ‘Meester, wat bent u?’ en gaf geen antwoord.

Hij zei: ‘Meester, bent u?’ en gaf geen antwoord.

Hij zei: ‘Meester?’ en gaf geen antwoord.

Daarna keek hij om zich heen en als er niemand in de buurt was zei hij zachtjes: ‘Verdorie’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Wat?’ ‘Weer niks.’ ‘Geeft niks.’ ‘Waarom niet?’ ‘Dat is zijn kracht.’ ‘Wat is zijn kracht?’ ‘Vraag maar.’

Hij zei: ‘Meester, wat is uw kracht?’ en gaf geen antwoord.

Hij zei: ‘Is het geen antwoord geven?’ en gaf geen antwoord.

Hij zei: ‘Is het beter om geen antwoord te geven?’ en gaf geen antwoord.

Hij zei: ‘Tot morgen dan maar weer’, en antwoordde: ‘Dat zien we morgen dan wel weer.’

Ten slotte zei hij: ‘Meester, was u dat?’ maar hij gaf geen antwoord meer.

Stil gebed

Monnik: Wat zegt u iedere morgen tegen uzelf?

Meester: Niks.

Monnik: Omdat u niks te zeggen hebt?

Meester: Omdat ik toch niet luister.

Monnik: Is dat een keus of overkomt het u?

Meester: Ik zeg niks.

Monnik: Waar luistert u wel naar?

Meester: Of het gras groeit.

Monnik: Hoe klinkt groeiend gras?

Meester: Als een zacht gesis.

Monnik: Ik hoor niks.

Meester: Sst.

Ontluisterend

Monnik: Ik luister naar iedereen.

Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar mensen die het kunnen weten.

Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar de Boeddha.

Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar mezelf.

Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar het zelf.

Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister alleen nog naar mensen die niet weten.

Meester: Ik allang niet meer.

Jaren later

Monnik: Ik luister naar niemand meer.

Meester: Ik allang niet meer.

Verhaal halen

Monnik: Leg het me alstublieft nog één keertje uit.

Meester: Bekijk het maar.

Monnik: Waarom?

Meester: Wat ik ook zeg, jij gaat ermee aan de haal.

Monnik: Gaat het erom nergens mee aan de haal te gaan?

Meester: Zie je wel.

Monnik: Zag ik het maar.

Meester: Jij denkt dat er iets te zien is.

Monnik: Bedoelt u dat er niets te zien is?

Meester: Zie je wel.

Monnik: Dan zeg ik wel niks meer.

Meester: Ik moet het nog zien.

Monnik: …

Meester: Niet slecht.

Monnik: Gaat het erom te zwijgen?

Steen der dwazen

Wat is jouw laatste toetssteen?

Monnik: Ik erken geen andere autoriteit dan mezelf.

Meester: Ik erken niet eens mezelf.

Monnik: Niet als autoriteit of niet als persoon?

Meester: En niet als non-autoriteit of non-persoon.

Monnik: Wat is dan uw laatste toetssteen?

Meester: Wat zou ik daarmee moeten toetsen?

Monnik: Ik erken geen andere autoriteit dan mezelf.

Meester: Ik erken niet eens mezelf.

Hollands diep

Abyssus abyssum invocat

‘Wat is de taak van de meester?’

‘De ene afgrond roept de andere.’

Tering

Monnik: Waar vind ik de kennis zonder leraar?

Meester: Bij een leraar zonder kennis.

Monnik: Kent u iemand zonder kennis?

Meester: Jij bent iemand zonder kennis.

Monnik: Hoe komt het dat ik dat niet weet?

Meester: Doordat je nog van alles weet.

Monnik: Ben ik daarom nu uw leerling?

Meester: Ook al heb ik dan geen lering.

Vereerlijking

Monnik: U bent het licht in mijn leven!

Meester: Het dwaallicht zul je bedoelen.

Monnik: Voor u ga ik door het vuur!

Meester: Loop er liever omheen.

Monnik: Ik volg u desnoods tot in de hel!

Meester: Zelfs daarheen weet ik de weg niet.

Monnik: U bent het licht in mijn leven!

Zadelpijn

Monnik: Wat is het verschil tussen een slechte leraar en een goede?

Meester: Een slechte leraar zadelt je op met zijn ideeën en idealen.

Monnik: En een goede leraar?

Meester: Die zadelt je nergens mee op.

Monnik: En een hele goede leraar?

Meester: Die zadelt je af.

Monnik: Bent u nou een slechte leraar, een goede of een hele goede?

Meester: Gelukkig niet.

Afvallers

Monnik: Wat is het verschil tussen een goede leraar en een hele goede?

Meester: Een goede leraar staat je altijd bij.

Monnik: En een hele goede leraar?

Meester: Die valt je altijd af.

Monnik: Wat is het verschil tussen een goede leerling en een hele goede?

Meester: Een goede leerling zoekt altijd een goede leraar.

Monnik: En een hele goede leerling?

Meester: Die valt hem altijd af.

Vrij of blij

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen een slechte leraar en een slechte leerling?

Meester: Dat ze elkaar blij maken.

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen een goede leraar en een goede leerling?

Meester: Dat ze elkaar vrij maken.

Lees ook: Meester Schaap en Broeder Ezel

Poort 13 – Klokkenluiders

Meester Deshan liep met zijn kommetjes naar de eetzaal toen de dienstdoende monnik, Xuefeng, hem aansprak. ‘De klok voor het eten moet nog luiden. Waar gaat u met uw kommetjes naartoe?’ De meester draaide zich zonder iets te zeggen om en slofte terug naar zijn kamer.

De dienstdoende monnik vertelde het aan Yantou, de hoofdmonnik, die zei: ‘Deshan is niet gek, maar het laatste woord heeft hij nog niet gehoord.’

De meester riep de hoofdmonnik bij zich en zei: ‘Begrijp ik het goed dat u aan mijn meesterschap twijfelt?’ Daarop fluisterde Yantou hem iets in het oor.

De volgende dag betrad de meester het spreekgestoelte, en hield een vlammende toespraak. De hoofdmonnik lachte in zijn vuistje en riep: ‘Hoor die brandklok eens luiden. Vanaf nu zal de meester iedereen overstemmen.’

Uitgekookt

De klok voor het eten moest nog luiden, maar de meester zat al in de eetzaal. De kok zei: ‘Wat krijgen we nou?’ ‘Vraag maar aan de kok’, zei de meester. ‘Ben ik soms niet de kok?’ ‘Soep? Rijst? Ingelegde pruimen?’ vroeg de meester.

‘Beginnen we het een beetje kwijt te raken?’ zei de kok. ‘Ik heb het nooit gehad.’ ‘Wat doe ik dan hier?’ ‘Vragen stellen.’ ‘Wat?’ ‘Hoe wou je dit anders noemen.’ ‘Ik bedoel hier in dit klooster.’ ‘Koken, natuurlijk.’ ‘Kom nou gauw.’ ‘Daar ben ik al’, zei de meester opgewekt.

‘Koken’, zei de kok schamper. ‘Wat dacht jij dan dat je aan het doen was?’ vroeg de meester. ‘Wachten op het licht in mijn derde oog.’ ‘Kun je lang wachten.’ ‘Waar bent u in Boeddha’s naam mee bezig!’ riep de kok. ‘Wachten op het eten.’ ‘Kunt u lang wachten’, schreeuwde de kok met rood aangelopen hoofd. ‘Wedden?’ zei de meester en luidde de klok.

Bij verstek

De klok voor het eten moest nog luiden, maar de meester zat al met zijn kommetjes om zich heen in de eetzaal. De hoofdmonnik haalde zijn neus op en zei uit de hoogte: ‘Volgens mij hebt u het laatste woord van zen nog niet gehoord.’ De meester schoot in de lach en de hoofdmonnik verschoot van kleur.

De volgende dag stonden er allemaal lege kommetjes op het spreekgestoelte in de meditatiezaal. Een dag later was het hele spreekgestoelte verdwenen. Niemand wist wie het gedaan had en niemand wist waar de meester was gebleven.

Na een week werd de hoofdmonnik tijdelijk aangesteld als abt en een jaar later voorgoed. De rest van zijn leven vroeg hij zich af of hij zelf wel het laatste woord van zen had gehoord.

Twee dwazen

Monnik: De klok voor het eten moet nog luiden, waar gaat u heen?

Meester: Mijn kommetjes naar de eetzaal brengen.

Monnik: Wat heeft dat voor zin?

Meester: Zin is een woord van drie letters.

Monnik: Wat?

Meester: Zin is geen zin.

Monnik: U bent geen dwaas, maar het laatste woord van zen hebt u nog niet gehoord.

Meester: Wie het laatste woord van zen heeft gehoord, is nog niet eens begonnen.

Monnik: Wat is volgens u het laatste woord van zen?

Meester: Dwaas.

De tja-tja-tja

Monnik: Wat is het laatste woord van zen?

Meester: Tja.

Monnik: Is dat het laatste woord van zen of weet u het niet?

Meester: Tja.

Monnik: Wat is het middelste woord van zen?

Meester: Tja.

Monnik: Wat is het eerste woord van zen?

Meester: Tja.

Monnik: Tja.

Meester: Hoe kom je daar nou weer bij.

Balkenbrij

De meester lag op sterven. Een monnik zei: ‘Hebt u misschien nog een laatste woord voor mij?’ De meester kreunde: ‘Wie … als … ezel … wordt … geboren … zal … als … ezel … sterven…’ De monnik barstte in huilen uit. De meester barstte in lachen uit. ‘Ia’, zei hij.

Het was zijn laatste woord.

Een laatste boodschap

De meester lag op sterven.

Monnik, schor: Hebt u misschien nog een laatste boodschap voor ons?

Meester, schor: Een … liter … melk … en … een … half … gesneden … wit.

Monnik, schor: Ik zou zo graag uw laatste woorden optekenen.

Meester, schor: Dit … zijn … mijn … laatste … woorden.

Het waren zijn laatste woorden.

Doorbraak

De meester lag op sterven.

Meester, benauwd: Begrijp ik het goed dat je aan mijn meesterschap twijfelt?

Monnik, benauwd: De laatste dagen…

Meester, opgelucht: Ik had de hoop al opgegeven.

Samoerai zen

De meester lag op sterven

Monnik: Laat me niet met lege handen achter.

Meester: Hier ermee.

Meester Lijk

De meester lag op sterven.

Monnik: Laat me niet met lege handen achter.

Meester: Ik laat je mijn lijk.

Monnik: Dat zal alleen maar ontbinden.

Meester: Ontbinding is het toppunt van meesterschap.

Mu gestreden

De meester lag op sterven.

Monnik: Mag ik uw laatste woorden optekenen?

Meester: Dat spreekt vanzelf.

Monnik: Even mijn opschrijfboekje pakken.

Meester: Opschieten hoor.

Monnik: Daar ben ik weer.

Meester: Ben je er klaar voor?

Monnik: Ik ben er klaar voor.

Meester: Hè hè.

Verlost

De meester lag op sterven.

Een monnik vroeg: ‘Wilt u ons nog iets meegeven?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat er geen boodschap is?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat de boodschap onuitsprekelijk is?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat u geen bedoeling met ons heeft?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat we het helemaal zelf moeten uitvinden?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat wij moeten zwijgen?’

De meester zweeg.

‘Kunt u ons dan helemaal niets meegeven?’

De meester zweeg.

‘Het niets, is dat waar het om draait?’

De meester zweeg.

‘De leegte?’

De meester zweeg.

‘Het zelf?’

De meester zweeg.

‘Het ongeborene?’

De meester zweeg.

‘Het doodloze?’

De meester zweeg.

‘De dood?’

De meester hijgde: ‘Is het nou uit!’

Het waren zijn laatste woorden.

Het allerlaatste woord

Monnik: Zen heeft helemaal geen laatste woord.

Meester: Toch weer een laatste woord gevonden?

Poort 14 – Kattenkwaad

De monniken van de oostelijke zaal hadden ruzie met die van de westelijke om een kat. Meester Nanquan greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’ Niemand wist iets te zeggen. De meester hakte de kat doormidden.

Die avond keerde Zhaozhou terug naar de tempel en Nanquan vertelde wat er gebeurd was. Zhaozhou trok zijn sandalen uit, legde ze op zijn hoofd en liep weg. De meester zei: ‘Jij had de kat kunnen redden.’

Kat in het nauw

Twee monniken vochten om een kat. De meester greep de kat in zijn nekvel en legde zijn hand op zijn gevest. Hij keek de monniken om de beurt aan.

De ene monnik zei niets.

De andere monnik zei niets.

De ene monnik deed niets.

De andere monnik deed niets.

Met grote ogen keken ze naar de kat.

De meester trok zijn zwaard.

De meester hief zijn zwaard.

De kat zei gauw: ‘Miauw?’

Kat in het bakkie

Twee groepen monniken hadden ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’

Een van de monniken begon te spinnen. Iemand anders vroeg of een kat de boeddhanatuur heeft. Iemand vroeg of de verlichte één is met zijn zwaard. Iemand vroeg of de verlichte één is met zijn kat. Iemand haalde zijn nagels over de wang van de meester. Iemand sneed zijn snorharen af met het scherp van het zwaard. Iemand zette zijn tanden in het zwaard en ging er met zijn hele gewicht aan hangen. Iemand begon te janken als een krolse kat. Iemand luidde de bel voor het eten. Iemand rekte zich eens lekker uit. Iemand hield een bosje kattengras omhoog. Iemand likte zijn schaaltjes uit. Iemand streelde de meester, iemand besloop hem, iemand hing hem zijn slabbetje om, iemand blies in zijn oor en zo ging het maar door.

Wie is hier de meester, dacht de meester, en liet de kat lopen.

Kat uit de boom

Twee monniken maakten ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’ De monniken zwegen. De meester zweeg. De spanning was te snijden. Ten slotte begon de meester te knikken. Hij zei: ‘Stilte – waarom ook niet?’ en liet de kat vrij.

Bakkie zonder kat

Twee groepen monniken hadden ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’

Een van de monniken blafte niet. Iemand anders vroeg niet of de verlichte onderhevig is aan de wet van oorzaak en gevolg. Iemand sneed geen vinger af. Iemand schoor niet zijn baard af. Iemand klom niet in een boom om met zijn tanden aan een tak te gaan hangen. Iemand hield geen bloem omhoog. Iemand waste niet zijn schaaltjes af. Iemand haalde geen kar uit elkaar. Iemand ging niet onbeweeglijk zitten. Iemand sloeg geen bekers wijn achterover. Iemand stak geen vuist op. Een van hen praatte niet in zichzelf. Iemand sprak niet het laatste woord van zen.

Origineel, dacht de meester en liet de kat gaan.

Niet voor de poes

Twee monniken maakten ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’

Plotseling dook de kok op achter de meester. ‘Wat dacht u hiervan?’ riep hij, en sloeg met één hauw van zijn vlijmscherpe hakmes de pols van de meester doormidden. De hand met de kat viel op de grond. De meester schreeuwde: ‘Aargh!’ De kok zei: ‘Dat kan ik niet goed rekenen.’

De kat rook even aan de afgehakte hand en liep met opgeheven staart weg zonder de meester nog een blik waardig te keuren.

De kattenbak in

Twee monniken maakten ruzie om een kat, of deden alsof. Alle andere monniken trokken partij, of deden alsof. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’ De hoofdmonnik zei: ‘Ik ben benieuwd hoe hij zich hieruit gaat redden.’

Op dat moment zag de meester het licht, of deed alsof.

Halve zolen

Twee monniken maakten weer eens ruzie om een paar sandalen. De meester had er al zoveel doormidden geslagen dat zijn zwaard bot was geworden en hijzelf moedeloos.

‘Spreek slechts één zenwoord en we houden op met ruziën’, riep een van de monniken brutaal. De meester wist niets uit te brengen. Met slepende voeten keerde hij terug naar zijn verblijf.

Toen hij die avond zijn beklag deed bij de voorraadmeester, haalde deze zonder iets te zeggen een fles en een glas tevoorschijn.

De volgende dag had de meester een geweldige kater.

Cheshire katzu

Uit het dagboek van de Gele Keizer, zesde eeuw na Christus

Toen hij een zwerfkat door de sneeuw zag sluipen, zei Bodhidharma met een halve glimlach: ‘Waarom heeft die poes geen sandalen?’

Toen hij twee halve meesters zag mediteren, zei Bodhidharma: ‘Waarom heeft die kat een zwaard?’

Toen hij een glimlach zonder kat zag passeren, zei Bodhidharma: ‘Daarom heeft een halve hond geen boeddhanatuur.’

Poort 15 – Zestig stokslagen

Dongshan ging bij meester Yunmen in de leer. De meester zei: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Chadu.’ ‘Waar heb je de zomer doorgebracht?’ ‘In Baoci, een klooster in Hunan.’ ‘Wanneer ben je daar vertrokken?’ ‘Vijfentwintig augustus.’ ‘Ik zou je zestig stokslagen moeten geven, maar ik zal ze je besparen.’

De volgende dag vroeg Dongshan: ‘Gisteren hebt u mij zestig stokslagen bespaard, maar wat deed ik dan verkeerd?’ ‘Trekvogel,’ zei meester Yunmen, ‘dat vliegt maar heen en weer.’ Eindelijk ging Dongshan een lichtje op.

Honkvast

Er was eens een monnik die nooit iets ondernam en altijd precies deed wat er van hem verwacht werd. De meester vroeg: ‘Heb je ooit een andere leraar gehad?’ ‘Nooit’, zei de monnik. ‘Ben je ooit elders op retraite geweest?’ ‘Nooit.’ ‘Hoe lang zit je nou al hier?’ ‘Zestig jaar.’ ‘Ik zou je zestig stokslagen moeten geven, maar ik zal ze je besparen.’

De volgende dag vroeg de monnik: ‘Gisteren hebt u mij zestig stokslagen bespaard, maar wat deed ik dan verkeerd?’ ‘Nestblijver,’ zei de meester, ‘dat zit maar op zijn eieren.’ Eindelijk ging de monnik een lichtje op.

Overal en altijd

Een monnik klaagde: ‘Leerlingen van tegenwoordig blijven jaar in jaar uit in hetzelfde klooster hangen. Waarom zegt u daar nooit iets van?’ De meester antwoordde: ‘Niet-weten is overal nabij.’

Een andere monnik klaagde: ‘Leerlingen van tegenwoordig trekken maar van klooster naar klooster. Waarom zegt u daar nooit iets van?’ De meester antwoordde: ‘Niet-weten is altijd nabij.’

Geïnspireerd door koan 20 van het Boek van Sereniteit:

Dizang: Waar ga je heen?
Fayan: Op bedevaart.
Dizang: Waar is dat goed voor?
Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang: Niet-weten is het meest nabij.

Dharmahonger

‘Waar komt u vandaan?’ vroeg de kok. ‘Ik heb nog onderricht gehad van Linji Yixuan’, zei de meester. ‘Ik bedoel, met welke keuken bent u grootgebracht?’ ‘Oost, west, zuid, noord, de leer is overal.’ ‘Maar wat is uw lievelingsgerecht?’ ‘Voor de dharma kun je me altijd wakker maken.’

Vanaf die dag werd de meester bij iedere maaltijd overgeslagen. Na een week hield hij het niet meer uit en ging naar de keuken om zijn beklag te doen. ‘Waarom krijg ik niets meer te eten?’ ‘Ach, krijgt u niets meer te eten?’ vroeg de kok. ‘Mijn schaaltjes worden schoon opgediend.’ ‘En?’ ‘Ik sterf van de honger!’ riep de meester uit.

‘Vorm is leegte, leegte is vorm’, verklaarde de kok. De maag van de meester knorde instemmend. ‘Aldus heb ik vernomen’, voegde de kok er lijzig aan toe. Eindelijk ging de meester een lichtje op. ‘Eieren!’ riep hij watertandend. De kok ging meteen aan de slag.

Schrappen

Kennismakingsgesprek

Monnik: Waar liggen uw wortels?

Meester: In de keuken.

Monnik: Ik bedoel, aan wie bent u schatplichtig?

Meester: Lenen is voor behoeftigen.

Monnik: Wat kunt u mij aanbevelen?

Meester: Wortels schrappen.

Monnik: Waar is dat goed voor?

Meester: Hutspot.

Monnik: Is schrappen hier een metafoor?

Meester: Zou best kunnen, maar waarvoor?

Monnik: Ik denk dat ik weer verder trek.

Meester: Of anders boerenkool met spek?

Miskleunen

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Wat heb ik dan verkeerd gedaan?

Meester: Denken dat je iets verkeerd kunt doen.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Alsof je iets verkeerd kunt doen.

Meester: Nou denk je weer van niet.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Ik denk niet dat je iets goed of verkeerd kunt doen.

Meester: Wat denk je allemaal niet.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Wat heb ik nou weer verkeerd gedaan?

Meester: Denken dat je niet moet denken.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Denkt u dat nou nog steeds?

Meester: Nou je het zegt.

Monnik: Ik stelde alleen maar een vraag.

Meester: Ik kan mezelf wel slaan.

Monnik: Denkt u nou nog steeds dat u iemand moet slaan?

Alle wijsheid op een stokje

Een monnik die zojuist was gearriveerd, meldde zich bij de meester. ‘Waar kom je vandaan?’ vroeg deze. De monnik klopte het stof van zijn pij en zei: ‘Ik ben op veertien heilige plaatsen geweest en dit is nummer vijftien.’

De meester zei: ‘Ik zou je achtenveertig stokslagen moeten geven, maar ik zal ze je besparen.’ ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Kilometervreter,’ zei de meester, ‘dat trekt maar rond van mond naar mond.’ De monnik zei kalm: ‘Ik kan het iedereen aanraden.’ ‘Wat heb je zoal geleerd?’ vroeg de meester, toch wel nieuwsgierig.

‘Dat geen hond de boeddhanatuur heeft,’ zei de monnik. ‘Dat je een vos wordt als je het verkeerde antwoord geeft. Dat een meester wel zijn vinger mag opsteken maar een leerling niet. Dat ikzelf wel een baard heb maar mijn ware zelf niet.

‘Dat je nooit met je tanden aan een tak moet gaan hangen. Dat ook een bloem de boeddhanatuur heeft. Dat je je kommetjes schoon moet houden. Dat een kar zonder wielen niet rijdt.

‘Dat je niet lang genoeg kunt zitten. Dat je in armoede moet leven, maar af en toe best een glaasje mag. Dat je een meester altijd begroet met een opgestoken vuist zodat hij je vingers niet kan afhakken. Dat je iedere ochtend iets aardigs tegen jezelf moet zeggen.

‘Dat je nooit te vroeg naar de eetzaal moet gaan. Dat je beter als vos herboren kunt worden dan als kat… Nou, dat is het wel zo’n beetje.’

De meester zei: ‘Wat heb je van mij geleerd?’ ‘Dat u stokslagen spaart.’ De meester schoot in de lach en zei: ‘Wil je hier niet blijven? Ik zoek nog een jongste bediende.’ ‘Ik zou best willen,’ antwoordde de monnik, ‘maar ik heb nog drieëndertig heilige plaatsen te gaan.’

Poort 16 – Een verkleedpartij

Yunmen zei: ‘De wereld is onmetelijk. Waarom rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?’

Het luiden van de geest

De tempelklok luidde. Een monnik zei: ‘Wat is dat nou?’

Iemand zei: ‘Een tempelklok.’ Iemand zei: ‘Het luiden van een tempelklok.’ ‘Het geluid van het luiden van een tempelklok.’ ‘Een geluid als van een tempelklok die geluid wordt.’ ‘Het geluid dat het gehoor produceert wanneer het door luchttrillingen geprikkeld wordt.’

‘Het geluid dat het subject waarneemt wanneer zijn gehoor door luchttrillingen geprikkeld wordt.’ ‘Een illusie van het brein.’ ‘Een fenomeen in het bewustzijn zonder tegenhanger in de materiële werkelijkheid.’ ‘Een tijdelijke vorm in de eeuwige leegte.’

‘Een signaal dat er iets staat te gebeuren.’ ‘Van wie en aan wie?’ ‘Van de meester aan de monniken.’ ‘Van de meester aan de geest, zul je bedoelen.’ ‘Van de geest aan de geest.’

‘Zijn we al in bad geweest?’ ‘Misschien moeten we onze rituele gewaden wel aantrekken.’ ‘Ook dat is maar een gok.’ ‘Een sik is nog geen bok.’ ‘Een schoen is ook een sok.’

En zo ging het maar door.

Onze ware aard

De tempelklok luidde. Een monnik riep: ‘Eten!’ Een andere riep: ‘Bezoek!’ Een derde riep: ‘Speelkwartier!’ Iedereen begon door elkaar te schreeuwen. ‘Middagdutje!’ ‘Studeren!’ ‘Zitmeditatie!’ ‘Loopmeditatie!’ ‘Reciteren!’ ‘Spreekverbod!’ ‘Moord!’ ‘Brand!’ ‘Meester!’ ‘Boeddha!’ ‘Mara!’ ‘Karaoke!’ ‘Karma!’, ‘Seks!’ ‘Drugs!’ ‘Rock-‘n-roll!’ De monniken rolden over de grond van het lachen. De tempelklok zweeg.

Uitgedrukt

Monnik: Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?

Meester: Als alles een uitdrukking is van het ene, dan ook het aantrekken van rituele gewaden zodra de tempelklok luidt.

Monnik: Verdraaid.

Meester: Maar wie zegt dat alles een uitdrukking is van het ene?

Het ene gat met het andere

Monnik: Als alles een uitdrukking is van het ene, dan ook het aantrekken van rituele gewaden zodra de tempelklok luidt.

Meester: Dan ook de vraag waarom je nog rituele gewaden zou aantrekken zodra de tempelklok luidt.

Monnik: Dan ook het negeren van het luiden van de tempelklok of het aantrekken van rituele gewaden zonder dat de tempelklok luidt.

Meester: Maar wie zegt dat alles een uitdrukking van het ene is?

Monnik: Waar zou het anders een uitdrukking van zijn?

Meester: Wie zegt dat alles ergens een uitdrukking van is?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: En wie zegt dat er zoiets is als het ene?

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: En dat dan weer een uitdrukking van het ene noemen, zeker.

Monnik: Betrapt.

Meester: Ik denk dat ik de tempelklok maar eens ga luiden.

Monnik: Dan trek ik vast mijn rituele gewaden aan.

De nieuwe kleren van de meester

Nadat de tempelklok had geluid, trokken de monniken zo snel mogelijk hun rituele gewaden aan en verzamelden zich in de meditatiehal. Tot hun verbazing was de meester nog niet aanwezig, terwijl hij gewoonlijk als een van de eersten de hal betrad.

Tien minuten nadat de laatste monnik was verschenen, arriveerde eindelijk de meester. In plaats van rituele gewaden of een alledaagse pij droeg hij zijn adamskostuum.

De hoofdmonnik improviseerde: ‘Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken als de tempelklok luidt?’

De monniken keken hem verbaasd aan, maar toen de hoofdmonnik zich begon uit te kleden, volgden ze blozend zijn voorbeeld. Ongemerkt sloop de meester weg.

Niet veel later luidde de tempelklok opnieuw en maakte de meester voor de tweede keer zijn opwachting, ditmaal in vol ornaat onder de spiernaakte, bibberende monniken.

Dubbelblind

Monnik: Is alles nou een uitdrukking van het ene of niet?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Ik begrijp niet waarom mensen blij worden van het idee dat alles een uitdrukking van het ene zou zijn.

Meester: Ik begrijp niet waarom jij onrustig wordt van het idee dat zij daar blij van worden.

Monnik: U niet dan?

Meester: Ik word er niet warm of koud van.

Monnik: Wat maakt het tenslotte uit, wou u zeggen.

Meester: Wat maakt het uit of het wat uitmaakt, zou ik zeggen.

Monnik: Ik bedoel, of je nou rituele gewaden aantrekt of naaktloopt.

Meester: Pardon?

Monnik: Ik zie het verschil niet.

Meester: Arme jongen.

Kloostermoppen

Monnik: Als de leer overal is, waarom zitten we dan in een klooster?

Meester: Als de leer overal is, waarom niet?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Maar wie zegt dat de leer overal is.

Monnik: In plaats van?

Meester: Nergens bijvoorbeeld.

Monnik: Als de leer nergens is, waarom zitten we dan in een klooster?

Meester: Als de leer nergens is, waarom niet?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Maar wie zegt dat de leer nergens is.

Monnik: In plaats van?

Meester: Overal bijvoorbeeld.

Monnik: Als de leer overal en nergens is, wat dan?

Meester: Wat niet.

Monnik: En als de leer overal noch nergens is?

Meester: Wat dan?

Monnikenwerk

Maandag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Men?

Dinsdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Wereld?

Woensdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Terugtrekken?

Donderdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Realisatie?

Vrijdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Zie er maar eens uit te komen.

Zaterdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Zie er eerst maar eens in te komen.

Zondag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Realisatie maakt deel uit van de wereld.

Doodvragen

Monnik: Waarom rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?

Meester: Omdat X.

Monnik: Waarvoor staat X?

Meester: Wat maakt het uit.

Monnik: Want dat was de vraag.

Meester: Want dat was de eerste vraag.

Monnik: Wat is de tweede vraag?

Meester: Waarom X?

Monnik: Waarom zou je dat willen weten?

Meester: Anders weet je nog niks.

Monnik: Wel, waarom X?

Meester: Omdat Y.

Monnik: Waarom Y?

Meester: Omdat Z.

Monnik: Dit noem ik nou dooddoen.

Meester: Ik noem het doodvragen.

Monnik: Waarom doodvragen?

Meester: Omdat X.

Poort 17 – Wie roept daar?

Driemaal riep de staatsleraar en driemaal gaf zijn bediende antwoord. De staatsleraar zei: ‘Ik dacht dat ik jou liet zwemmen maar jij liet mij zwemmen.’

Baantjes trekken

Schoolslag

Driemaal riep de staatsleraar en driemaal gaf zijn bediende antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Borstslag

Driemaal riep de staatsleraar en driemaal gaf zijn bediende geen antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Rugslag

Driemaal riep de staatsleraar niet en driemaal gaf zijn bediende antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Vlinderslag

Driemaal riep de staatsleraar niet en driemaal gaf zijn bediende geen antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Terugslag

Viermaal stelde ik een vraag en viermaal gaf je geen antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Uitstel en afstel

Soetra’s

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwemmen.

Boeddha: Ze laten ons liever zwammen.

Shastra’s

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwemmen.

Boeddha: We laten ze liever zwammen.

Sangha’s

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwammen.

Boeddha: Ze laten ons liever zitten.

Zazen

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwammen.

Boeddha: We laten ze liever zitten.

Binnen

Bodhisattva: U hebt uw schaapjes tenminste op het droge.

Boeddha: Die is gek.

Bodhisattva: Wat dan?

Boeddha: Ik heb ze leren zwemmen.

Een een twee

Driemaal riep de staatsleraar en driemaal gaf zijn bediende geen antwoord. Niet veel later begon de kloosterhond, Wu, te blaffen. Wel driehonderd keer, maar niemand reageerde. Pas toen hij hartverscheurend begon te janken ging de bediende op zijn dooie akkertje poolshoogte nemen.

De staatsleraar lag op zijn zij op de grond met zijn vuisten tegen zijn borst geklemd, zijn hoofd achterover, zijn gezicht paarsblauw en zijn mond en ogen wijd opengesperd.

Driemaal krijste de bediende en driemaal gaf de staatsleraar geen antwoord.

Wiegeliedje

Driemaal zei de staatsleraar tegen zichzelf: ‘Wel wakker blijven, hè.’ Tweemaal antwoordde hij gapend: ‘We doen ons best.’ De derde keer gaf hij geen antwoord meer – waren ze toch in slaap gevallen.

Selfies

‘Bediende?’

‘Meester?’

‘Bediende?’

‘Meester?’

‘Bediende?’

‘Meester?’

‘Hoorde jij ook iemand roepen?’

‘Hoorde u ook iemand roepen?’

‘Ik hoopte dat jij het was.’

‘Ik hoopte dat u het was.’

‘Wie zou het anders zijn?’

‘Ik denk dat wij het zijn.’

‘Nou hoor ik het weer.’

‘Dan was ik het inderdaad zelf.’

‘Dan was het toch iemand anders.’

Eénzaam

Zachtjes zodat niemand hem kon horen, zong de monnik:

‘Ik wou dat ik twee Zelven was,
dan kon ik met mij spelen.’

Vrij naar Friedrich Torberg:

ich möchte alles, was ich fühl, nicht fühlen
und ganz allein sein … Nein, nicht ganz allein:
ich möchte gern zwei kleine Hunde sein
und miteinander spielen

Poort 18 – Drie pond vlas

Een monnik vroeg: ‘Wat is Boeddha?’ Meester Dongshan zei: ‘Drie pond vlas.’

Groen als gras

Monnik: Een boeddha is drie pond vlas.

Meester: En wat is dat meer dan gras?

Monnik: Gewas van een mensenras.

Meester: De kosmos als stromatras?

Monnik: De mens is een spiegelglas.

Meester: Een zwever van edelgas.

Monnik: Een leer en een messias.

Meester: Een wonder dat nimmer was.

Gebroken glas

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Een oud karkas.

Monnik: Van mensenvlees?

Meester: Een soort van as.

Monnik: Wat is zijn geest?

Meester: Jouw vuile was.

Monnik: En wat ben ik?

Meester: Geen drie pond vlas.

Geen kompas

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Obesitas.

Monnik: Wat is dharma?

Meester: Een gasmoeras.

Monnik: Wat bent u?

Meester: Een lege tas.

Monnik: Wat maakt dat mij?

Meester: Een droge plas.

Geen goeie vraag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Wat maakt het uit.

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Wat maakt jou uit?

Monnik: Wie ben ik zelf?

Meester: Een goeie vraag.

Monnik: En ’t antwoord luidt?

Meester: Een goeie vraag.

Monnik: En wie bent u?

Meester: Jouw nederlaag.

Geen goed antwoord

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Iemand die zich dat niet meer afvraagt.

Dharma

Wat weegt meer, een kilo lucht of een kilo leer?

Tot in het oneindige

Monnik: Hoe zou u uw leer samenvatten?

Meester: Mijn leer is gelijk aan de samenvatting ervan.

Monnik: En waaraan is die gelijk?

Meester: Aan de samenvatting daar weer van.

Monnik: Enzovoort?

Meester: Tot in het oneindige.

Monnik: Dat moet dan wel een hele korte samenvatting zijn.

Meester: Tja.

Monnik: Nou?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Monnik: Hoe?

Meester: …

Monnik: Op die manier.

Serendipiteit

Monnik: Hoe zou u uw leer samenvatten?

Meester: Zeg jij het maar.

Monnik: Alle gedachten zijn grondeloos.

Meester: En deze dan?

Monnik: Alle verstaan is misverstaan.

Meester: Toch weer iets begrepen?

Monnik: Geloof niets.

Meester: Geloof je dat nou echt?

Monnik: De Waarheid is voorbij de woorden.

Meester: En ‘Waarheid’ dan?

Monnik: De Wijsheid voorbij alle Wijsheid…

Meester: Is voorbij? Is niet wijs?

Monnik: De kennis zonder leraar…

Meester: Is als een leraar zonder kennis?

Monnik: Ik geef het op.

Meester: Niet slecht.

Poort 19 – De gewone geest is de weg

Zhaozhou zei: ‘Wat is de weg?’ Nanquan antwoordde: ‘De gewone geest is de weg.’ ‘Dan zal ik me daaraan vasthouden.’ ‘Als je je eraan vasthoudt raak je ervan gescheiden.’ ‘Dat snap ik niet.’ ‘De weg is geen kwestie van begrijpen of niet-begrijpen. Begrip is maar een tekening, onbegrip is maar een vel papier. De weg is als de ruimte zelf: helder en leeg, goed noch slecht.’

Ruimtevaarders

Monnik: Wat is de weg?

Meester: Waarheen?

Monnik: Bedoelt u dat we er al zijn?

Meester: Waar?

Monnik: Bedoelt u dat we niet zijn?

Meester: Wat?

Monnik: Is vragen de weg?

Meester: Waarheen?

Monnik: Of zijn we al onderweg?

Meester: Wie?

Monnik: Maar wat is nou de weg?

Meester: Ja, dat is nou de weg.

Geestig

Monnik: De gewone geest is de weg.

Meester: Reactionaire opvatting.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: De gewone geest is weg.

Monnik: Wat is ervoor in de plaats gekomen?

Meester: Is hij er ooit geweest?

Monnik: De oorspronkelijke geest? De grote geest? De universele geest? De weetnietgeest? De algeest? De lege geest?

Meester: Die zijn er allemaal geweest.

Monnik: Geen-geest is de weg?

Meester: Ook weg.

Monnik: En dat zou de weg zijn?

Meester: Weg is weg.

Monnik: Wonderlijk zeg.

Meester: En zo gewoon.

Verder nabij

Aan allen die de gewone geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de oorspronkelijke geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de grote geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de universele geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de weetnietgeest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de algeest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de lege geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die geen-geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan alleen die het verder gaan hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan alleen die het voorbijgaan hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het voorbijgaan voorbij!

Verder verder lezen: Doorreisgids voor lunatics

Rondweg

Meester: Wat is de weg?

Monnik: De gewone geest is de weg.

Meester: Moet je je eraan vasthouden?

Monnik: Als je eraan vasthoudt raak je ervan gescheiden.

Meester: Is vasthouden soms niet de weg?

Monnik: Raak je er dan niet van gescheiden?

Meester: Is dat soms niet de weg?

Monnik: Hoe kun je er dan nog van gescheiden raken?

Meester: Waarvan?

Monnik: Van de gewone geest.

Meester: Wat is de gewone geest?

Schijnwaan

Monnik: De weg is geen kwestie van weten of niet-weten.

Meester: Jij kan het weten of niet-weten.

Monnik: Weten is een illusie…

Meester: Weet je dat of is het een illusie?

Monnik: En niet-weten is domheid.

Meester: Is dit domheid of niet-weten?

Monnik: Wat denkt u?

Meester: Misschien is weten wel domheid en niet-weten een illusie.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien is weten domheid en niet-weten wijsheid.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien is weten wijsheid en niet-weten wijsheid zonder wijsheid.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien getuigt het van domheid om weten of niet-weten domheid te noemen.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien maakt het doorzien van de illusie wel deel uit van de illusie.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien getuigt het van domheid om onderscheid te willen maken tussen illusie en werkelijkheid, domheid en wijsheid, weten en niet-weten.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien getuigt het van domheid om ieder onderscheid steeds maar ter discussie te stellen.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien getuigt het allemaal wel nergens van.

Monnik: Of overal van.

Meester: Of alleen maar van zichzelf.

Monnik: Of alleen maar van het zelf.

Meester: Of alleen maar van jezelf.

Monnik: Of is dat ook maar een gedachte?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Monnik: Of is dat ook maar een gedachte?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Monnik: Zullen we het ooit weten?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Monnik: Maar om dat nou domheid te noemen?

Meester: Maar om dat nou niet-weten te noemen?

Nooit gedacht, nooit gezwegen

Monnik: Niet-denken is de weg.

Meester: Zou je denken?

Monnik: De weg is als de ruimte zelf.

Meester: Was dat niet een categorie van het verstand?*

Monnik: De ruimte is helder en leeg.

Meester: Dan weer troebel en vol.

Monnik: De ruimte is goed noch slecht.

Meester: Maar heeft ruimte voor beiden.

Monnik: Waar niet gedacht wordt is alles weg.

Meester: Waar laten we dan zo gauw de weg?

Monnik: Waar niet gedacht wordt, heerst de gewone geest.

Meester: Waar de gewone geest heerst, wordt gedacht.

Monnik: Waar wordt er eigenlijk niet gedacht?

Meester: Niet-denken is zo weer weg.

* Bij Immanuel Kant

Vrije oefening

Monnik: Wat is de weg?

Meester: Daar gaan we weer.

Monnik: Het leven van alledag is de weg.

Meester: Wat doe je dan hier?

Monnik: Oefenen natuurlijk.

Meester: Voor het leven van alledag?

Monnik: Klinkt belachelijk.

Meester: Ik wou het niet zeggen.

Monnik: Wat moet ik anders oefenen?

Meester: Wie zegt dat je moet oefenen?

Monnik: Wat doe ik hier anders?

Meester: Vragen stellen?

Monnik: Wat is dan de weg?

Meester: Jij met je weg.

Monnik: Ik wil wat doen.

Meester: Je doet niet anders.

Monnik: Dan wil ik wat laten.

Meester: Je kunt niet anders.

Monnik: Wat laat ik dan?

Meester: Alles wat je niet doet.

Monnik: Dat is zowat alles.

Meester: En alles wat je doet.

Monnik: Ik laat alles wat ik doe?

Meester: Je laat het doen zijn gang gaan.

Monnik: Ik wil zelf wat doen.

Meester: Wat doe je eraan.

Monnik: Ik wil wat leren.

Meester: Leer dat dan maar af.

Monnik: Ik wil ergens heen.

Meester: Je bent al ergens.

Monnik: Ik wil hier weg.

Meester: Wat is de weg?

Monnik: Daar gaan we weer.

Dwaalgids

Maandag

Monnik: U bent de rijksweg naar…

Meester: Niemandsland.

Dinsdag

Monnik: U bent de koningsweg naar…

Meester: Troonsafstand.

Woensdag

Monnik: U bent de spoorweg naar de…

Meester: Dwarsligger.

Donderdag

Monnik: U bent de levensweg naar het…

Meester: Graf.

Vrijdag

Monnik: U bent de snelweg naar de…

Meester: File.

Zaterdag

Monnik: U bent de weg die…

Meester: Doodloopt.

Zondag

Monnik: U bent…

Meester: Jij bent…

Weg van de waarheid

Monnik: U bent de Weg naar de Waarheid.

Meester: Jij bent weg van de waarheid.

Monnik: U toch ook?

Meester: Ik leid weg van de waarheid.

Monnik: Naar de leugen zeker.

Meester: Ik leid weg van de leugen.

Monnik: U leidt weg van de waarheid en van de leugen?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Waar leidt dat heen?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de Wijsheid zonder Wijsheid?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de Wijsheid voorbij alle Wijsheid?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de Eeuwigheid?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de Stilte?

Meester: …

Monnik: U kunt toch wel íets zeggen?

Meester: Jij bent wég van de Waarheid.

Monnik: Ik ben op weg naar de Waarheid.

Meester: Het houd je overal van weg.

Poort 20 – Een sterke man

Meester Songyuan vroeg: ‘Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?’ Hij zei ook: ‘Het is niet de tong waarmee de sterke man spreekt.’

De vrije hand

Maandag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij eraan vastzit.

Dinsdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij dan omvalt.

Woensdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat ze hém optillen.

Donderdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat het vanzelf gaat.

Vrijdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat ze niet van hem zijn.

Zaterdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Waarom stelt een zwakke man andermans vragen?

Zondag

Monnik: Hè hè.

Meester: Poe poe.

Monnik: Effe de benen strekken.

Meester: Effe zitten.

Hoofdbrekens

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij nergens zijn hand voor omdraait.

Monnik: Waarom draait hij nergens zijn hand voor om?

Meester: Omdat hij zich nergens het hoofd over breekt.

Monnik: Waarom breekt hij zich nergens het hoofd over?

Meester: Omdat hij het al overal over gebroken heeft.

Monnik: Wat als je overal het hoofd over gebroken hebt?

Meester: Dan hoef je je benen niet meer op te tillen.

Een sterk verhaal

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij geen benen heeft.

Monnik: Waarom heeft hij geen benen?

Meester: Omdat hij geen vorm heeft.

Monnik: Waarom heeft hij geen vorm?

Meester: Omdat hij een voorstelling van je verbeelding is.

Monnik: Ik dacht omdat hij leegte is. Het niets. Het ware zelf.

Meester: En wat is leegte, het niets, het ware zelf?

Monnik: Geen idee.

Meester: Niet slecht.

Monnik: Wat?

Meester: Waar zijn de leegte, het niets en het ware zelf als je ze niet denkt?

Monnik: Bedoelt u dat het allemaal maar gedachten zijn?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Topzwaar

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Hoezo tilt een sterke man zijn benen niet op?

Monnik: Dat staat in koan twintig van de Poortloze Poort.

Meester: Dat maakt het nog niet waar.

Monnik: Is het waar dat een sterke man zijn benen niet optilt?

Meester: Waarom vraag je dat aan mij?

Monnik: Waarom vraag ik het aan u?

Meester: Omdat je niet op eigen benen kunt staan.

Monnik: Waarom kan ik niet op eigen benen staan?

Meester: Laat staan dat je ze optilt.

Etalagebenen

Monnik: Waarom tilt de verlichte zijn benen niet op?

Meester: Omdat het niet uitmaakt.

Monnik: Waarom maakt het niet uit?

Meester: Omdat hij toch niet bij de grond kan.

Monnik: Waarom kan hij toch niet bij de grond?

Meester: Omdat hij erboven zweeft.

Monnik: Waarom zweeft hij erboven?

Meester: Omdat hij denkt dat hij verlicht is.

Monnik: Zelf denk ik niet dat ik verlicht ben.

Meester: Dacht je soms dat je met beide benen op de grond staat?

Monnik: Inderdaad.

Meester: Zwever.

Monnik: Ik denk ook niet dat ik onverlicht ben.

Meester: En maar denken.

Monnik: Wat had ik dan moeten zeggen?

Meester: Zie je wel?

Monnik: Had ik zeker moeten zwijgen.

Meester: Zwever.

Beentje lichten

Monnik: Waarom tilt een hond bij het plassen zijn poot niet op?

Meester: Zo gaat dat in de boeddhanatuur.

Monnik: Ik dacht dat u ‘Wu’ zou zeggen.

Meester: Wat ben ik, een aap?

Monnik: Ik dacht dat u ‘Wat ben ik, een hond?’ zou zeggen.

Meester: Wat ben ik, een leraar?

Monnik: Maar waarom tilt een hond bij het plassen zijn poot niet op?

Meester: Omdat hij een zij is.

Monnik: Waarom zei u niet ‘Zo gaat dat in de boeddhanatuur’?

Meester: Zo gaat dat in de boeddhanatuur.

De lege

Meester: Zeg het! Zeg het!

Monnik: Het gaat niet. Ik heb een knoop in mijn tong.

Meester: Welke leer laat zich zelfs met een knoop in je tong nog uitdrukken?

Monnik: Tja.

Meester: Zie je wel?

Monnik: Ik zie het niet. Ik heb een knoop in mijn kop.

Meester: Welke leer laat zich zelfs met een knoop in je kop nog denken?

Monnik: Eh…

Meester: Voilà.

Monnik: Ik voel geen grond onder mijn voeten. Ik heb geen poot om op te staan. Het spijt me, ik geef het op.

Meester: De spijker op zijn kop.

Monnik: Hè?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Poort 21 – Poep op een stokje

Een monnik zei: ‘Wat is boeddha?’ Meester Yunmen antwoordde: ‘Een schijtstok.’

Steile vlaktes

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Poep op een stokje.

Monnik: Bedoelt u dat zelfs het geríngste deel uitmaakt van het alomvattende?

Meester: Wat heet het geringste.

Monnik: Bedoelt u dat het geringste niet onderdoet voor het allerhoogste?

Meester: Wat heet het allerhoogste.

Monnik: Het ene. Het oneindige. De geest. De leegte. Het ware zelf.

Meester: Poep op een stokje.

Lijkenprikker

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Alle wijsheid op een stokje.

Monnik: Meent u dat nou?

Meester: Alle ernst op een stokje.

Monnik: Alle gekheid op een stokje, was het toch?

Meester: Gekheid kan wel zonder stokje.

Nirwana

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Job op de mestvaalt.

Monnik: Omdat hij niets meer over heeft?

Meester: Zelfs dat is hij kwijt.

Monnik: En dat zou boeddha zijn?

Meester: Als hij boeddha was, zou hij niet alles kwijt zijn.

Monnik: Wat is boeddha zonder boeddha?

Koningkeizerprinsentaal

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Is boeddha?

Monnik: Is boeddha…

Meester: Wie?

Monnik: Shit.

Meester: Wat?

Monnik: Stik.

Meester: Shitstick.

Monnik: Wat bent u nou voor leraar!

Meester: Ben ik een leraar?

Monnik: Daar ben ik steeds van uitgegaan.

Meester: Ben ik?

Monnik: Waar vind ik een goede leraar?

Meester: In plaats van?

Leerling: Een slechte natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: U maakt het wel bont.

Meester: Stront is stront.

Monnik: Maar de Gezegende dan?

Meester: Het blijft een kont.

Monnik: Wát?

Meester: Een gát.

Monnik: Een mond, zult u bedoelen.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Uit een verheven mond komen verheven woorden.

Meester: Lucht is lucht.

Monnik: De hoogste waarheid…

Meester: Een loos gerucht.

Monnik: Verwijst u naar de leegte?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Wat als je het verschil niet ziet?

Meester: Boeddha.

Hoelang wat

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Wat is een boeddha.

Monnik: Wat?

Meester: Hoelang is een Chinees.

Monnik: Een mop met een baard.

Meester: Beter dan een mop in je baard.

Monnik: Wat is een mop in je baard?

Meester: Boeddhisme.

Monnik: Wát?

Meester: Wat is een boeddha.

Een gouden scepter

Monnik: Wat is een schijtstok?

Meester: Een houtje om de poep van je kont te schrapen.

Monnik: Wat is een boeddhastok?

Meester: Een houtje om de leer uit je kop te schrapen.

Monnik: Welke leer?

Meester: Elke leer.

Monnik: Behalve de lege leer zeker.

Meester: Weg ermee.

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Iemand met een schone kop en een schone kont.

Monnik: En zijn mond?

Meester: Is er vol van.

Monnik: En zijn hart?

Meester: Stroomt ervan over.

Poort 22 – Vlag zonder lading

Ananda zei: ‘Boeddha liet u een goudbrokaten gewaad na, maar verder?’ Mahakashyapa antwoordde: ‘Ananda?’ ‘Ja?’ ‘Haal mijn vlaggenstok bij de poort ook maar weg.’

Een poortloos oord

Ananda: Boeddha liet u een goudbrokaten gewaad na, maar verder?

Mahakashyapa: Boeddha liet u een naam na, maar verder?

Ananda: Noem me dan maar Jan.

Mahakashyapa: Jan en alleman.

Jan: Hoe komt u eigenlijk aan uw naam?

Mahakasyapa: Noem me dan maar Jaap.

Jan: Jaap Aap.

Jaap: Nood Miesj.

Jan: Van wie kreeg Boeddha eigenlijk zijn naam?

Jaap: Ik noem hem altijd Bob.

Jan: Wie is de Bob?

Jaap: We zijn allemaal de Bob.

Jan: En dat goudbrokaten gewaad?

Jaap: Heb je het weleens van dichtbij bekeken?

Jan: Nou?

Jaap: Allemaal mottengaten.

Jan: Sunyata.

Jaap: Vorm is leegte, leegte is vorm.

Jan: We mogen nou eenmaal geen motten doden.

Jaap: Misschien geeft de lompenboer er nog wat voor.

Jan: Maken ze papier van.

Jaap: Schrijven ze soetra’s op.

Jan: Leven papiervisjes van.

Jaap: We mogen nou eenmaal geen papiervisjes doden.

Jan: Jammer voor de exegeten.

Jaap: Wie wil er nou woorden eten.

Jan: Zal ik je vlaggenmast bij de poort ook maar weghalen?

Jaap: Haal de poort ook maar weg.

Slapstick

Monnik: Wat heeft het boeddhisme u gebracht?

Meester: Een goudbrokaten rakusu.

Monnik: Een slabbetje.

De meester haalde zijn schouders op.

Monnik: En verder?

De meester sloeg zijn ogen neer.

Monnik: Wat een giller.

Meester: Hier heb je mijn goudbrokaten rakusu.

Monnik: Ik loop nog liever in mijn blote kont.

Meester: Wat heeft het boeddhisme jou gebracht?

Monnik: Een meester die mij zijn slabbetje probeert te slijten.

Meester: En verder?

Monnik: Hij maakt geen schijn van kans.

Meester: Dan was het niet voor niks.

Poppenkast

Monnik: Wat heeft het boeddhisme u gebracht?

Meester: Een goudbrokaten rakusu.

Monnik: Wat een giller.

Meester: Wil jij hem?

Monnik: Geen schijn van kans.

Meester: Dan was het niet voor niks.

Monnik: Allemaal poppenkast.

Meester: Dan kun je die rakusu net zo goed aannemen.

Monnik: Hoezo?

Meester: Is weigeren soms geen poppenkast?

Monnik: Ik trap er echt niet in.

Meester: Dan was het toch voor niks.

Non

Monnik: Ziet u uzelf als een boeddha?

Meester: Beslist niet.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Omdat ik dan geen boeddha meer zou zijn.

Monnik: Ziet u uzelf als een non-boeddha?

Meester: Non, monnik, mij is het om het even.

Monnik: Waarom?

Meester: Alleen zo kan ik een boeddha zijn.

Sint en Zent

Monnik: Wie is Sinterklaas?

Meester: Een goeroe voor kinderen.

Monnik: Wie is Zenterklaas?

Meester: Een goeroe voor volwassenen.

Monnik: Waarvoor staat de eerste?

Meester: Waardering voor de vorm.

Monnik: Waarvoor staat de tweede?

Meester: Waardering voor de leegte.

Monnik: Waarvoor staat u zelf?

Meester: Ik sta gewoon voor niets.

Monnik: Bedoelt u soms het niets?

Meester: Het niets, dat zegt me niets.

Monnik: Dan ben ik hier voor niets.

Meester: Dat staat nog te bezien.

Boeddhabeelden

Of is dat ook maar een denkbeeld?

Monnik: Een boeddhabeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een boeddhabeeld?

Monnik: Een wereldbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een wereldbeeld?

Monnik: Een mensbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een mensbeeld?

Monnik: Een lichaamsbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een lichaamsbeeld?

Monnik: Een hersenbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een hersenbeeld?

Monnik: Een zielenbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een zielenbeeld?

Monnik: Een zelfbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een zelfbeeld?

Monnik: Een denkbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een denkbeeld?

Monnik: Want alles is Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een boeddhabeeld?

Beeldenstorm

Want alles is maar een denkbeeld

Monnik: De Boeddha is maar een boeddhabeeld.

Meester: Of is dat ook maar een boeddhabeeld?

Monnik: De wereld is maar een wereldbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een wereldbeeld?

Monnik: De mens is maar een mensbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een mensbeeld?

Monnik: Het lichaam is maar een lichaamsbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een lichaamsbeeld?

Monnik: De hersens zijn maar een hersenbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een hersenbeeld?

Monnik: De ziel is maar een zielenbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een zielenbeeld?

Monnik: Ikzelf ben maar een zelfbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een zelfbeeld?

Monnik: Want alles is maar een denkbeeld?

Meester: Of is dat ook maar een denkbeeld?

Monnik: Of is dat ook maar een denkbeeld?

Meester: Boeddha mag het weten.

Poort 23 – Klopjacht

Eens, lang geleden, werd de toekomstige zesde zenpatriarch Dajiang Huineng achternagezeten door de monnik Datong Shenxiu, helemaal tot op de berg Zhiru.

Toen Huineng de monnik aan zag komen, legde hij het kleed en de bedelnap die Hongren, de vijfde zenpatriarch, aan hem had overgedragen op een steen en zei: ‘Dit gewaad staat voor vertrouwen, niet voor strijd. Als u het per se wilt hebben, neem het dan maar.’

De monnik probeerde het op te tillen maar kreeg er geen beweging in, het was zo zwaar als een berg. Beschaamd riep hij uit: ‘Ik kom voor de leer, niet voor het kleed. Onderwijs mij alstublieft.’

Huineng vroeg: ‘Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment het ware gezicht van de monnik Shenxiu?’

Bij deze woorden brak er iets in de monnik. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en boog. Hij vroeg: ‘Is er behalve de geheime woorden en betekenissen die u mij zojuist hebt onthuld nog iets anders, iets diepers wellicht?’

Huineng antwoordde: ‘Wat ik je heb verteld is geen geheim. Er is niets diepers dan je ware gezicht.’

Shenxiu zei: ‘Jarenlang heb ik bij onze meester Hongren gezeten zonder mijn ware gezicht te zien. Door uw onderricht weet ik nu dat een man die zich laaft aan de bron zelf ogenblikkelijk voelt of het water koud of warm is. Lekenbroeder, hierbij verklaar ik u tot mijn meester.’

De toekomstige patriarch antwoordde: ‘Zo u wilt, maar laten we Hongren onze meester blijven noemen, en koester alleen hetgeen u zelf hebt gerealiseerd.’

Windjammer

De meester werd weer eens achternagezeten door een monnik. ‘Hier die pij!’ riep de monnik toen hij hem bijna had ingehaald. De meester liet zonder zijn pas in te houden zijn pij op de grond vallen en vervolgde piemelnaakt zijn weg.

De monnik trok gauw zijn vieze oude pij uit en het goudbrokaten gewaad van de meester aan en holde hem weer achterna. ‘Uw leer of uw leven!’ schreeuwde hij. ‘Uw leer of uw leven!’ ‘Mijn leer dan maar’, antwoordde de meester droog, boog voorover en liet een wind.

Als de monnik op dat moment het licht had gezien, was dit beslist de openingskoan geworden van de canonieke collectie ‘De Nieuwe Kleren van de Keizer’, maar de eloquentie van de meester was aan deze monnik niet besteed. ‘Uw leven!’ juichte hij en trok zijn zwaard.

‘Je kunt mijn leven nemen maar ik kan het je niet geven’, redeneerde de meester tussen zijn benen door. De monnik slaakte een kreet, stak zijn zwaard terug in zijn gevest en maakte rechtsomkeert.

De meester slaakte een zucht van verlichting, kwam hand over hand overeind en vervolgde aangeslagen zijn weg. De gedachte dat de monnik binnenkort zelf achternagezeten zou worden, troostte hem niet.

Het zware zelf

De meester dacht weer eens dat hij achtervolgd werd. Toen hij een monnik aan zag komen legde hij zijn kleed op een steen en zei: ‘Dit gewaad staat voor het ware zelf, niet voor strijd. Als je het per se wilt hebben, neem het dan maar.’

De monnik zei: ‘Het ware zelf is mij te zwaar en met strijd heb ik geen affiniteit, maar het is een mooi kleed, daar zeg ik geen nee tegen.’ Welgemoed propte hij het gewaad in zijn ransel.

De meester keek hem met open mond aan. ‘Het tocht hier,’ zei de monnik, ‘vat maar geen kou’, en gaf zijn ezel de sporen.

Bergrede

De meester dacht weer eens dat hij achtervolgd werd. Toen hij een monnik aan zag komen, riep hij: ‘Kom je voor de leer of voor het kleed?’ ‘Ik zie het verschil niet’, riep de monnik. ‘Omdat ze één zijn’, riep de meester. ‘Ik zie de overeenkomst niet’, riep de monnik en liep de meester straal voorbij. ‘Leegte kun je niet zien’, riep de meester hem na. ‘Jodelahiti’, deed de monnik, en de bergen jodelden mee.

Streefgewicht

De meester legde zijn kleed op een steen en zei: ‘Als je hem op kan tillen is hij van jou.’ De monnik zei: ‘Alles is van mij, wat moet ik met een pij?’

Leeggewicht

De meester legde zijn kleed op een steen en zei: ‘Als je hem op kan tillen is hij van jou.’ De monnik zei: ‘Niets is van mij, laat staan zo’n vieze pij.’

Tegenwicht

De meester legde zijn gewaad op een steen en zei: ‘Als je hem op kan tillen is hij van jou.’ De monnik wees naar een berg en zei: ‘Als u hem op kan tillen is hij van u.’

Transpiratie en transcendentie

De meester zei: ‘Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment je ware gezicht?’

Bij deze woorden ging de monnik een lichtje op. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en zei met opgetrokken schouders: ‘Is er behalve de geheime woorden en betekenissen die u mij zojuist hebt onthuld nog iets anders, iets diepers wellicht?’

Bij deze woorden brak er iets in de meester. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en haalde zijn schouders op.

Eeuwige beginnersfout

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment uw ware gezicht?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Uw onware gezicht zou ik zeggen.

Meester: Fout.

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout of waar en onwaar, wat is op dit moment uw ware gezicht?

Meester: Waarom niet in termen van goed en fout?

Monnik: Dat zou niet juist zijn.

Meester: Onjuist.

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout of waar en onwaar of juist en onjuist, wat is op dit moment uw ware gezicht?

Meester: Mis.

Met zonder

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van waar of vals, wat is op dit moment je ware gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van zonder en met, wat is op dit moment je ware gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken, wat is op dit moment je ware gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen, wat is er op dit moment?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen, wat is dit moment?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen, wat is een gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van jouw en mijn, wat is wiens gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van waar of wanneer, waar is op dit moment je gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Ik geef het op.

Bij deze woorden werd de monnik verlicht.

Gezichtsbedrog

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Waarom zou je niet denken in termen van goed en fout?

Monnik: Wat als ik op dit moment denk in termen van goed en fout?

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: En als ik op dit moment niet denk in termen van goed en fout?

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: Is je ware gezicht dan niet steeds hetzelfde?

Meester: Zou je denken?

Monnik: Wis en zeker.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: En als ik had gezegd van niet?

Meester: Dan was dat op dat moment je ware gezicht.

Monnik: Is je ware gezicht wat zich op dit moment voordoet?

Meester: Zou je denken?

Monnik: Anders zou ik het niet zeggen.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: Maar wat is je ware gezicht nou echt?

Meester: In plaats van?

Monnik: Ik móet het weten.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: Als het steeds verandert, waarom zou ik het dan nog mijn ware gezicht noemen?

Meester: Waar mensen zich al niet druk over maken.

Monnik: Hoe zou u het noemen?

Meester: Wat noemen?

Monnik: Ik kan me niet voorstellen dat dit mijn ware gezicht is.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Symbologica

Monnik: Ik kom voor de leer, niet voor een kleed.

Meester: Mij is het om het even.

Monnik: De leer heeft geen kleed nodig.

Meester: Een kleed ook geen leer.

Monnik: Maar een kleed is slechts een symbool.

Meester: De leer zeker niet.

Monnik: Waarvoor staat de leer symbool?

Meester: Symbolisch denken.

Monnik: Wat is niet-symbolisch denken?

Meester: Een kleed.

Monnik: Wat is een kleed?

Meester: Geen leer.

Monnik: Dit is dus niet uw leer?

Meester: Wat heet.

Poort 24 – Lente

Een monnik vroeg: ‘Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?’ Meester Fengxue antwoordde: ‘Vaak denk ik terug aan de lente in Jiangnan. Er zongen patrijzen en de bloemen roken heerlijk.’

Appelhappen

Monnik: Spreken is verdelen…

Meester: Spreek dan maar een appel in stukjes.

Monnik: En zwijgen is verenigen…

Meester: Zwijg ze dan maar weer aan elkaar.

Monnik: Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Vaak denk ik terug aan mijn jeugd in Appelscha. Mijn moesje maakte moes en de kaneel rook heerlijk.

Tempelcomplexen

De meester maakte met wat monniken een wandeling door de natuur. Bij een open plek in het bos riep een monnik: ‘Wat een schitterende locatie om een tempel te bouwen!’ De meester zei: ‘Al klaar.’

De meester maakte met wat monniken een wandeling door de natuur. Bij een open plek in het bos riep een monnik: ‘Wat een schitterende locatie om een tempel te bouwen!’ De meester hurkte en deed zijn gevoeg. Beschaamd wendden de monniken hun blik af. De meester stond op en zei: ‘Al klaar’.

Ontsnappingskunstjes

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Al klaar.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Mislukt.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Stel eerst je vraag maar eens op die manier.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Door ze mogelijkheden te noemen.

Aas boven aas

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen.

Meester: Je kunt me nog meer vertellen.

Monnik: Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Door niet in dit soort aas te happen.

Monnik: Wat dacht u van veelzeggend zwijgen?

Meester: De geest zwijgt nooit.

Monnik: Wat is uw oplossing?

Meester: Nietszeggend spreken?

Monnik: Is dat verdelen of verenigen?

Meester: Je kunt me nog meer vertellen.

Woorden in de wind

Monnik: Spreken is relatief, zwijgen is absoluut; hoe kunnen we beide recht doen?

Meester: Relatief is spreken, absoluut is spreken.

Monnik: En zwijgen?

Meester: Ook.

Monnik: Hoe kunnen we alle drie recht doen?

Meester: Ook.

Monnik: Spreken is vorm, zwijgen is leegte; hoe realiseren we de identiteit van vorm en leegte?

Meester: Vorm is spreken, leegte is spreken.

Monnik: En zwijgen?

Meester: Ook.

Monnik: Hoe realiseren we hun identiteit?

Meester: Ook.

Monnik: Onderscheiden is illusie, niet onderscheiden is onwetendheid; wat nu?

Meester: Illusie is onderscheiden, onwetendheid is onderscheiden.

Monnik: En onderscheiden?

Meester: Ook.

Monnik: En verenigen?

Meester: Ook.

Monnik: Wat nu?

Meester: Ook.

Dus

Monnik: Moeten wij over de grote zaak spreken of zwijgen?

Meester: Spreek erover en je zegt te veel, zwijg erover en je zegt te weinig.

Monnik: Dus?

Meester: Dus.

Monnik: Moeten wij over de grote zaak spreken of zwijgen?

Meester: Spreek erover en je zegt te veel, zwijg erover en je zegt veel te veel.

Monnik: Dus?

Meester: Dus.

Monnik: Moeten wij over de grote zaak spreken of zwijgen?

Meester: Spreken is afval, zwijgen is schroot.

Monnik: Dus?

Meester: Dus.

Zegen

Monnik: Spreken of zwijgen?

Meester: Sprijgen.

Monnik: Pardon?

Meester: Zweken dan maar.

Monnik: Hè?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Hero of Zero?

Wijsheid van een onderduiker

Leerling: Spreken of zwijgen?

Maezumi: Kampai.

Leerling: Soto of Rinzai?

Maezumi: Suntory.

Leerling: Zazen of Kinhin?

Maezumi: Johnny Walker.

Leerling: Vorm of leegte?

Maezumi: Hik.

Leerling: Douche of bad?

Maezumi: Blub.

Leerling: Sterfelijk of doodloos?

Maezumi: …


Hero: held

Zero: Japans vliegtuigtype bekend van zelfmoordmissies in de tweede wereldoorlog

kampai: Japans voor ‘proost’

Soto, rinzai: zenscholen

Suntory, Johnny Walker: whiskeymerken

Maezumi Roshi (Hakuyū Taizan Maezumi, 1931-1995) was dharmahouder in zowel de rinzailijn als de sotolijn en zenleraar van onder meer Bernard Tetsugen Glassman, John Daido Loori en Dennis Genpo Merzel™. Hij is beschonken in bad verdronken.

Poort 25 – Een droom

Meester Yangshan Juaji droomde dat hij op bezoek ging bij de toekomstige boeddha Maitreya in de hemel van Tushita, en de derde zetel toegewezen kreeg.

Een monnik sloeg met de voorzittershamer op de lessenaar en zei: ‘Vandaag worden wij toegesproken vanuit de derde zetel.’

Yangshan stond op, gaf op zijn beurt een klap met de voorzittershamer en zei: ‘De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen. Hoort!’

Gegist bestek

Meester Zuetsu droomde dat hij in de wachthemel op bezoek ging bij Maitreya, de toekomstige boeddha.

Hij nieste harder dan nodig, snoot harder dan nodig zijn neus, riep ‘Wakker worden’, sloeg herhaaldelijk met de voorzittershamer op de lessenaar, schoot zelfs een toekomstig kanon af om de toekomstige boeddha te wekken, maar niks hoor.

Omdat hij nou eenmaal niet eeuwig kon wachten, begon de meester zijn droomtoespraak voor geen gehoor. Hij sprak tegen het zwerk over de vier bevestigingen en gaf ruiterlijk toe dat niemand meer weet welke dat zijn. Hij sprak over de honderd ontkenningen, en gaf ruiterlijk toe dat niemand meer weet welke dat zijn.

Het deed er ook niet toe, verklaarde hij, omdat de waarheid van het grote voertuig toch voorbij de vier onbekende bevestigingen en de honderd onbekende ontkenningen gaat, maar hij gaf ruiterlijk toe dat zoiets niet definitief of zelfs maar voorlopig valt vast te stellen zolang men niet definitief of zelfs maar voorlopig heeft vastgesteld om welke bevestigingen en ontkenningen het gaat, en om welke waarheid van welk groot voertuig, die zelf immers ook weer bestaat uit vier en honderd waarheden over elk van vier en honderd transportmiddelen over elk van vier en honderd wegen.

Het deed er ook niet toe, verklaarde hij, omdat er toch niemand luisterde, getuige het feit dat het beoogde gehoor, in het bijzonder de tijdelijk of misschien wel eeuwig toekomstige boeddha, in zijn droom in een droom genadeloos door zijn toespraak heen bleef zagen.

‘Het lijkt waratje de werkelijkheid zelf wel’, peinsde de meester verder, nog altijd in zijn droom.

Als de hemel valt

Iedere nacht droomde meester Wu dat hij in de wachthemel een toespraak hield waar iedereen doorheen sliep.

De ene nacht zei hij: ‘De waarheid van het grote voertuig is vervat in de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen’, de andere: ‘De waarheid van het grote voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.’

De ene nacht zei hij: ‘De waarheid van het grote voertuig, dat is vriendelijkheid, mededogen, medeleven en gelijkmoedigheid’, de andere: ‘Als de waarheid van het grote voertuig gelijk zou zijn aan vriendelijkheid, mededogen, medeleven en gelijkmoedigheid, waar laten we dan de rest?’

Of hij zei ‘Het grote voertuig is meer dan naastenliefde’ of ‘Naastenliefde is meer dan het grote voertuig’ of ‘Het grote voertuig streeft naar verlossing voor iedereen’ of ‘Als eerst alle anderen verlost moeten worden, zal niemand zelf verlossing vinden’ of ‘Het is de waarheid die de leugen schept’, enzovoort.

Toen meester Wu dit bij een glaasje gemak aan de hoofdmonnik bekende, vroeg deze nieuwsgierig: ‘Welke toespraak is de juiste?’ ‘Wat maakt het uit,’ antwoordde de meester, ‘iedereen slaapt er doorheen.’ ‘Als ze wakker waren geweest’, zei de hoofdmonnik. ‘Wat maakt het uit,’ antwoordde Wu, ‘het blijven dromen.’ ‘Maar welke droom is de ware?’ hield de hoofdmonnik aan. ‘Moet je dat nog vragen?’ zei de meester verbaasd. ‘Toe, help een dolende ziel op weg’, smeekte de hoofdmonnik. ‘Deze’, zei Wu, en droomde dat hij wakker werd terwijl de hoofdmonnik in slaap viel.

De groeten van Zhuang Zi

Er was eens een rups die droomde dat hij een vlinder was die droomde dat hij een lezer was die droomde dat hij een tekst las van iemand die droomde dat hij commentaren schreef bij iemand die droomde dat hij een collectie had samengesteld van achtenveertig verhaaltjes van mensen die droomden dat ze leerlingen waren van mensen die droomden dat ze meester waren in de lijn van iemand die droomde dat hij een boeddha was en nooit had kunnen dromen wat er uit zijn naam allemaal gezegd, verzwegen, gedacht, geschreven, gedaan en nagelaten zou worden.

‘Op een dag droomde ik, Zhuang Zhou, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat hij mij was. Plotseling werd ik wakker en begon ik me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Zhou was. Nu is de vraag of ik Zhou ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was. Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en die vlinder. Dat noemen we dan maar de verandering der dingen.’

(uit Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007, hoofdstuk 2, paragraaf VII, p71)

Een nachtmerrie

Monnik: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.

Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.

Monnik: Nauwkeuriger gezegd, ik droomde dat de Waarheid van het Grote Voertuig voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen gaat.

Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.

Monnik: Ik bedoel, het is de waarheid dat ik dat droomde.

Meester: Maar daarom is het nog niet de Waarheid die je droomde.

Monnik: Wat is volgens u de Waarheid?

Meester: Niet bevestigen of ontkennen?

Monnik: Niet bevestigen of ontkennen is de Waarheid?

Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.

Monnik: Eerlijk gezegd was het niet ik, maar meester Yangshan Juaji die lang geleden droomde dat de Waarheid van het Grote Voertuig voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen gaat.

Meester: Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.

Monnik: Maar dat staat in de Poortloze Poort!

Meester: Maar daarom is het nog niet waar.

Monnik: Dat het de Waarheid is niet of dat hij dat droomde niet?

Meester: Wie zal het zeggen.

Monnik: Maar wat is nou de Waarheid van het Grote Voertuig?

Meester: Noem dat desnoods de Waarheid van het Grote Voertuig.

Passen of passeren

Monnik: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.

Meester: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij het Grote Voertuig.

Monnik: Wat?

Meester: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de Waarheid.

Monnik: Hè?

Meester: De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij.

Monnik: Echt?

Meester: Het Grote Voertuig gaat voorbij.

Monnik: Goh.

Meester: Misschien mag je wel mee.

Op eigen benen wagen

Monnik: ‘De Waarheid van het Grote Voertuig gaat voorbij de vier bevestigingen en de honderd ontkenningen.’ Wat heeft u daarop te zeggen?

Meester: Ook het Grote Voertuig gaat voorbij.

Monnik: Wat blijft er dan nog over?

Meester: De benenwagen.

Monnik: Waarheen gaat de benenwagen?

Meester: Je neus achterna.

Monnik: Is dat alles?

Meester: Voor zolang het duurt.

Monnik: Hoezo?

Meester: Ook de benenwagen gaat voorbij.

Monnik: Sta je net op eigen benen…

Meester: Je neus ook.

Monnik: Je neus gaat ook voorbij?

Meester: Wat dacht je dan.

Monnik: En dan?

Meester: Je neus achterna.

Poort 26 – De blinden oprollen

Toen de monniken na het mediteren bijeen kwamen voor een lezing, wees meester Fayan van Qingliang naar de bamboe jaloezieën. Twee monniken begonnen ze op te rollen. Fayan zei: ‘De ene doet het goed, de andere niet.’

Twee monniken begonnen ze op te rollen. Fayan zei: ‘De ene doet het goed, de andere niet.’

Ho ho ho

Toen de monniken na het mediteren bijeen kwamen voor een lezing wees de meester naar de bamboe jaloezieën. Twee monniken begonnen ze op te rollen. De meester riep: ‘Ho.’ De monniken hielden meteen op. De meester zei: ‘Is er wat?’ ‘U riep toch ho?’ ‘Kan een mens nou ook al geen ho meer roepen?’ ‘Waarom wees u dan naar de blinden?’ ‘Kan een mens nou ook al niet meer naar de blinden wijzen?’ De monniken keken hem met open mond aan. De meester zei: ‘Ga door’, maar de monniken bleven als versteend staan. De meester zei: ‘Kan een mens nou ook al geen bevelen meer geven?’

Tien lange jaren

Twee monniken zaten te mediteren. De meester zei: ‘De houding van de ene is goed, die van de andere niet.’ Vanaf die dag bekeken ze elkaar met argusogen.

Na tien jaar hielden de monniken het niet meer uit. Ze meldden zich bij de meester en vroegen met trillende stem: ‘Wie van ons heeft de juiste houding en wie niet?’ De meester barstte in lachen uit en zei: ‘Jullie geloven ook alles.’

Tien lange dagen

Twee monniken zaten te mediteren. De meester zei: ‘De houding van de ene is goed, die van de andere niet.’ Vanaf dat moment bekeken ze elkaar met argusogen.

Na tien dagen hielden de monniken het niet meer uit. Ze meldden zich bij de meester en vroegen met trillende stem: ‘Wie van ons heeft de juiste houding en wie niet?’ De meester barstte in lachen uit en zei: ‘Jullie geloven ook alles.’

De monniken keken hem ontredderd aan. Toen de meester hen wegwuifde, barstten ze op hun beurt in lachen uit. De meester zette grote ogen op. De monniken joelden: ‘U gelooft ook alles.’

Tien lange seconden

Twee monniken zaten te mediteren. De meester zei: ‘De houding van de ene is goed, die van de andere niet.’ De monniken reageerden niet.

Na afloop riep de meester hen bij zich en zei: ‘Jullie geloven ook niets.’ De monniken glimlachten zelfvoldaan. De meester vervolgde ijzig: ‘Dus pak je biezen maar.’ De monniken keken hem ongelovig aan. De meester zei: ‘Zie je wel? En nou wegwezen.’

De lamme blindslaan

Monnik: Door diepgaand te twijfelen kan de dualiteit van goed en fout overwonnen worden.

Meester: Door nog diepgaander te twijfelen kan ook de non-dualiteit van goed en fout overwonnen worden.

Monnik: En dan?

Meester: Door diepgaand te twijfelen kan de dualiteit van nu en dan overwonnen worden.

Monnik: En door nog diepgaander te twijfelen kan ook de non-dualiteit van nu en dan overwonnen worden, zeker.

Meester: En ook de dualiteit en de non-dualiteit van zekerheid en twijfel.

Monnik: Nou, dan heb je wel zo’n beetje alles overwonnen.

Meester: En ook die van alles en niets en van overwinnen en verliezen.

Monnik: Ben je dan voorgoed meester van de situatie?

Meester: Dan ben je voorgoed monnik, zou ik zeggen.

Monnik: Dit noem ik nou meesterwerk.

Meester: Dit noem ik nou monnikenwerk.

De blinden lamslaan

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat niet goed genoemd kan worden?

Meester: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat goed genoemd kan worden?

Jaren later

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat goed genoemd kan worden?

Meester: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat genoemd kan worden?

Jaren later

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat genoemd kan worden?

Meester: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat niet genoemd kan worden?

Jaren later

Monnik: Is er in de boeddhanatuur ook maar iets dat niet genoemd kan worden?

Meester: Is er ook maar iets dat de boeddhanatuur genoemd kan worden?

Jaren later

Monnik: Is er ook maar iets dat de boeddhanatuur genoemd kan worden?

Meester: Is er ook maar iets dat niet de boeddhanatuur genoemd kan worden?

Jaren later

Monnik: Is er ook maar iets dat niet de boeddhanatuur genoemd kan worden?

Meester: Is er ook maar iets dat niet wat dan ook genoemd kan worden?

Jaren later

Monnik: Is er ook maar iets dat niet wat dan ook genoemd kan worden?

Meester: Is er ook maar iets?

Jaren later

Monnik: Is er ook maar iets?

Meester: Niets kun je dit toch niet noemen.

Jaren later

Monnik: Niets kun je dit toch niet noemen.

De meester maakte een wegwerpgebaar.

De monnik maakte een wegwerpgebaar.

Meester: Niet slecht.

Poort 27 – Een leer die nooit verkondigd is

Een monnik vroeg: ‘Is er een leer die nog nooit verkondigd is?’ ‘Jazeker’, zei meester Nanquan. ‘Wat is de leer die niemand ooit heeft onderwezen?’ ‘Het is niet de geest, het is niet de boeddha, het zijn niet de dingen’, antwoordde Nanquan.

Meester Eh

Moeten we dan maar zwijgen?

Monnik: Het is niet de geest, het is niet de boeddha, het zijn niet de dingen.

Meester: Het is ook geen het.

Monnik: Hoe kan je van iets dat geen het is, zeggen dat het niet de geest, niet de boeddha en niet de dingen is?

Meester: Het is ook geen iets.

Monnik: Hoe kan je iets zeggen van niet iets?

Meester: Het is ook geen niet iets.

Monnik: Hoe kan je iets zeggen van niets?

Meester: Het is ook geen niets.

Monnik: Hoe kan je iets zeggen van iets noch niet iets noch niets?

Meester: Dat is nog steeds teveel gezegd.

Monnik: Hoe kan je iets zeggen?

Meester: Waarover?

Monnik: Moeten we dan maar zwijgen?

Meester: Waarvan?

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.

Meester Baibai

Zeg maar dag met je handje

Niet de boeddha, niet de geest, niet de dingen
Niet de boeddha én de geest én de dingen
Niet de boeddha noch de geest noch de dingen
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Meester O

Monnik: Is er een leer die nog nooit verkondigd is?

Meester: Jazeker.

Monnik: Wat is de leer die nog nooit verkondigd is?

Meester: De lege leer.

Monnik: Waarom heeft niemand die ooit verkondigd?

Meester: Omdat hij leeg is.

Meester Niet

Monnik: Hoe zou u uw leer samenvatten?

Meester: Zeg jij het maar.

Monnik: Niet de geest, niet de boeddha en niet de dingen.

Meester: En niet ‘niet de geest, niet de boeddha en niet de dingen’.

Monnik: Dat wil zeggen, niet niet de geest, niet niet de boeddha, niet niet de dingen en niet een of andere combinatie of ontkenning daarvan?

Meester: En niet ‘niet niet de geest, niet niet de boeddha en niet niet de dingen en niet een of andere combinatie of ontkenning daarvan’.

Monnik: En dat ook niet, zeker.

Meester: Nou, zeker….

Meester Makkie

Monnik: Als iemand mij aanvalt vanwege de lege leer, hoe moet ik me dan verdedigen?

Meester: De lege leer kun je niet aanvallen.

Monnik: Wel op haar leegte.

Meester: De lege leer kun je niet verdedigen.

Monnik: Maar als iemand mij verwijt dat ik de lege leer aanhang?

Meester: De lege leer kun je niet aanhangen.

Monnik: En als iemand mij verwijt dat ik hem niet afwijs?

Meester: De lege leer kun je niet afwijzen.

Monnik: Maar hoe leg je zoiets uit?

Meester: De lege leer kun je niet uitleggen.

Monnik: Wat is dan de oplossing?

Meester: Wat is dan het probleem?

Meester Quatsch

Monnik: Waarom verkondigt u uw leer niet?

Meester: Wat valt eraan te verkondigen?

Monnik: Dat hij leeg is?

Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?

Monnik: Dat er niets te verkondigen valt, bedoel ik.

Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?

Monnik: Maar u bent toch van mening dat wij niets weten?

Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?

Monnik: Bedoelt u dat we toch iets kunnen weten?

Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?

Monnik: Bedoelt u dat we niet eens weten of we niets weten?

Meester: Zou mijn leer leeg zijn als ik dat dacht?

Monnik: Ik snap er niks van.

Meester: Daarom verkondig ik mijn lege leer niet.

Monnik: Op die manier.

Meester: Bovendien is hij niet van mij.

Monnik: Ook dat nog.

Meester: Ook is het geen leer.

Monnik: De lege leer is geen leer?

Meester: Nou jij weer.

Monnik: Wat is het dan wel?

Meester: Zand in de raderen van het verstand.

Meester Af

Het volle leven

Monnik: Hoe heet een student van de lege leer?

Meester: Een lege leerling.

Monnik: Hoe wordt een lege leerling een lege meester?

Meester: Door zelfs de lege leer achter zich te laten.

Monnik: Wat als je zelfs de lege leer achter je hebt gelaten?

Meester: Wat niet.

Monnik: Ik bedoel, hoe is het om een lege meester te zijn?

Meester: Lege meesters bestaan niet.

Monnik: Maar u zei toch net…

Meester: Behalve voor lege leerlingen.

Monnik: Wat als je zelfs het lege meesterschap achter je hebt gelaten?

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Wat dan?

Meester: Wat niet.

Meester Spoorloos

Offerfeest

Monnik: Steeds als ik u iets vraag, raadpleegt u uw lege boek.

Meester: Wat is de vraag?

Monnik: Wat betekent het lege boek voor u?

Meester: Even in mijn lege boek kijken.

Monnik: Dat bedoel ik nou.

Meester: Het is een plek om mijn antwoorden achter te laten.

Monnik: Wat gebeurt er met die antwoorden?

Meester: Die verdwijnen zonder een spoor na te laten.

Monnik: Waar is dat goed voor?

Meester: Even in mijn lege boek kijken.

Monnik: Steeds als ik u iets vraag, raadpleegt u uw lege boek.

Meester Blanco

Monnik: Wat staat er eigenlijk in uw lege boek?

Meester: Niets natuurlijk.

Monnik: Waarom kijkt u er dan steeds in?

Meester: Even in mijn lege boek kijken.

Monnik: En?

Meester: Dat staat er ook niet in.

Monnik: Is het om iedere situatie blanco tegemoet te treden?

Meester: Even in mijn lege boek kijken.

Monnik: En?

Meester: Dat staat er ook niet in.

Monnik: Maar is het goed om iedere situatie blanco tegemoet te treden?

Meester: Even in mijn lege boek kijken.

Monnik: En?

Meester: Dat staat er ook niet in.

Monnik: Ik zou graag iedere situatie blanco tegemoet treden.

Meester: Denk je dat dat kan?

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Even in mijn lege boek kijken.

Monnik: En?

Meester: Dat staat er ook niet in.

Meester Ziemaar

Een boekje voor het bloeden

Monnik: Wat betekent het lege boek voor u?

Meester: Niets.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Het is maar een gimmick.

Monnik: Hoe lang blijft u het nog gebruiken?

Meester: Tot jouw innerlijke boek leeg is.

Monnik: Dan kunt u lang wachten.

Meester: Jij bent het die ergens op wacht.

Monnik: U wilt toch zeker…

Meester: Ik wil helemaal niets.

Monnik: Behalve dat u niets wilt, zeker.

Meester: Dat al helemaal niet.

Monnik: Maar u gelooft toch…

Meester: Ik geloof helemaal niets.

Monnik: Behalve dat u niets gelooft, zeker.

Meester: Dat al helemaal niet.

Monnik: U gelooft toch in de lege leer?

Meester: Geloof jij dan in de lege leer?

Monnik: Waar zijn we anders mee bezig?

Meester: Ik ben anders nergens mee bezig.

Monnik: Waarom praat u dan met mij?

Meester: Omdat jij met mij praat.

Monnik: U wilt mij toch veranderen?

Meester: Jij wilt jou veranderen.

Monnik: Van u hoef ik niet te veranderen?

Meester: Van mij hoef je niet te veranderen.

Monnik: Van u mag ik dezelfde blijven?

Meester: Van mij hoef je niet dezelfde te blijven.

Monnik: U maakt me helemaal gek.

Meester: Vandaar dat lege boek.

Meester Minder

De laatmaarweg

Monnik: Als u een eigen klooster mocht stichten, hoe zou u het dan noemen?

Meester: De Lege Orde.

Monnik: Wat zou er boven de kloosterpoort staan?

Meester: De Lege Boodschap.

Monnik: Wat zou u onderrichten?

Meester: De Lege Leer.

Monnik: Welke lectuur zou u voorschrijven?

Meester: Het Lege Geschrift.

Monnik: Welke eed zouden de monniken afleggen?

Meester: De Lege Gelofte.

Monnik: Met welke zegen zou u de dag openen?

Meester: Zalig zijn de armen van geest.

Monnik: U windt er ook geen doekjes om.

Meester: Nou je het zegt…

Monnik: Wat?

Meester: Laat dat zalig ook maar weg.

Monnik: En die armen van geest?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: En die lege gelofte?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: En dat lege geschrift?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: En die lege leer?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: En die lege boodschap?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: En die lege orde?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: En dat klooster?

Meester: Laat maar weg.

Monnik: U zou alles weglaten.

Meester: Ook het weglaten.

Monnik: Zo blijft er niets over.

Meester: Zelfs niet niets.

Monnik: Zo blijft er zelfs niet niets over?

Meester: Bij wijze van spreken.

Meester Sst

Een verre vriend

Monnik: Waar komt de lege leer volgens u het beste tot uitdrukking?

Meester: Buiten gehoorsafstand.

Meester Foe-Tsie

Meester Foe-Tsie was bijzonder vooruitstrevend.

Eerst hief hij het spreken op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de leer op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de geest op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de boeddha op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij het mediteren op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de gemeenschap op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de wereld op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij zichzelf op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij het zwijgen op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de niet-leer op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de niet-geest op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de niet-boeddha op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij het niet-mediteren op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de niet-gemeenschap op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij de niet-wereld op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij niet-zelf op.
Dat gaf me toch een ophef!

Toen hief hij het opheffen op.
Dat gaf totaal geen ophef.

Toen was alles weer gewoon.

Verder lezen: De lege leer

Poort 28 – Een kaars uitblazen

Tot diep in de nacht spraken monnik Deshan en meester Longtan over zen. Ten slotte zei de meester: ‘Zullen we er maar een punt achter zetten?’ De monnik maakte een buiging, keek door de blinden naar buiten en zei verrast: ‘Het is pikkedonker.’

Longtan stak een papieren kaars voor hem aan, maar toen Deshan de kaars aan wilde pakken blies de meester hem gauw uit. Op dat ogenblik ging de monnik een lichtje op. Longtan zag dat er iets aan hem veranderd was en vroeg: ‘Is er wat?’ ‘Nooit zal ik meer twijfelen aan de woorden van de grootste zenmeester onder de zon!’ riep Deshan opgetogen.

De volgende dag besteeg Longtan het podium en sprak: ‘Een van u heeft slagtanden als zwaarden en een bek vol bloed. Op een dag zal hij de hoogste piek bestijgen en de weg voor ons ontsluiten.’

Deshan trad naar voren met een stapel van zijn commentaren op de Diamantsoetra, wees ernaar met een fakkel en zei: ‘Zelfs de meest omvattende doctrines zijn nog geen haartje in het heelal. De grootste geheimen van de leer zijn nog geen druppel op een gloeiende plaat.’

Daarop verbrandde hij al zijn aantekeningen, maakte een buiging voor de meester en vertrok.

Tweemaal uit is aan

Het was al laat en een van de monniken zat nog steeds over zijn boeken gebogen. De meester zei: ‘Zie je het al?’ ‘Nog steeds niet.’ De meester deed het licht uit en vroeg: ‘Zo beter?’

Er viel een lange stilte. Ineens riep de monnik: ‘Wel heb ik ooit!’ ‘Wat?’ ‘Kunt u het licht nogmaals uitdoen?’ De meester haalde de schakelaar over, waardoor het licht weer aan ging.

De meester vroeg: ‘Wat heb je nu bereikt?’ ‘Niets’, zei de monnik perplex. ‘Zeker weten?’ ‘Zelfs niet niets.’ ‘Heb je het niet-bereiken bereikt?’ ‘Zelfs het niet-bereiken niet.’

‘Wat nu?’ vroeg de meester. ‘Ik zal nooit meer geloven in de woorden van de leraar.’ ‘Geloof je dat?’ ‘Ik zal nooit meer geloven in de woorden van de leerling.’ ‘Geloof je dat?’ ‘Natuurlijk niet.’ ‘Geloof je dát?’ ‘Natuurlijk niet.’

‘En je boeken?’ vroeg de meester. ‘Ik zou ze verbranden als ik dacht dat het wat uithaalde.’ ‘Dan weet ik het ook niet meer’, zei de meester. ‘Dan weet ik het ook niet meer’, zei de monnik. ‘Waak zacht.’ ‘Waak zacht.’

Uitgedoofd

Monnik: Wanneer zal ik eindelijk verlicht zijn?

Meester: Als alles je eindelijk duister is.

Monnik: Wanneer zal alles mij eindelijk duister zijn?

Meester: Als je dat ook niet meer weet vast te stellen.

Monnik: Wat heb ik er dan nog aan?

Meester: Zelfs dat zul je niet meer weten.

Monnik: Zal ik dan nog steeds met mijn mond vol tanden staan?

Meester: Je zult je de vraag niet eens meer stellen.

Monnik: Jezus.

Meester: Wie?

Monnik: Boeddha, bedoel ik.

Meester: Maakt niet uit.

Monnik: Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen.

Meester: Wat?

Monnik: In nirwana’s naam, bedoel ik.

Meester: Maakt niet uit.

Monnik: Is dat dan verlichting?

Meester: Wat?

Monnik: Dat het allemaal niet meer uitmaakt?

Meester: Wat maakt het uit.

Monnik: Wanneer zal ik eindelijk verlicht zijn?

Meester: Als alles je eindelijk duister is.

Nachtwaker

Monnik: Waarom geeft de verlichte geen licht?

Meester: Omdat hij verduisterd is.

Monnik: Waarom geeft de verduisterde geen duisternis?

Meester: Omdat er geen vraag naar is.

Met distinctie

Monnik: Wat is verlichting?

Meester: De illusie doorzien.

Monnik: Wat is verduistering?

Meester: Je verlichting doorzien.

Monnik: Bent u nou verlicht of verduisterd?

Meester: Ik ben niet achterlijk.

Kale haren

Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.

Meester: Het heelal ook.

Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.

Meester: Zelfs een haartje in het heelal is als het heelal.

Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.

Meester: Zelfs een haartje van de minst omvattende doctrines is als het heelal.

Monnik: Ik bedoel, wie snapt er nou het heelal.

Meester: Ik bedoel, wie snapt er nou een haartje.

Onderwaterbui

Monnik: Alle grote geheimen van de leer zijn maar een druppel in de oceaan.

Meester: Wie zegt dat de leer geheimen bevat?

Monnik: Wou u beweren dat de leer geen geheimen bevat?

Meester: Niet als hij leeg is.

Monnik: Is de leer leeg?

Meester: Wel als alles leeg is.

Monnik: Is alles leeg?

Meester: Wel volgens de leer.

Monnik: Die was toch leeg?

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Ja, is de leer nou leeg of niet?

Meester: Misschien is dat wel het grote geheim.

Monnik: Het grote geheim is of de leer wel geheimen bevat?

Meester: Als ik dat wist was het geen geheim meer.

Monnik: Ik snap er niets meer van.

Meester: De oceaan is maar een druppel in de grote geheimen van de leer.

Sst

Monnik: Commentaren op de Diamantsoetra zijn maar een druppel op een gloeiende plaat.

Meester: De Diamantsoetra ook.

Monnik: De Diamantsoetra is ook maar een druppel op een gloeiende plaat?

Meester: De Boeddha ook.

Monnik: De Boeddha is ook maar een druppel op een gloeiende plaat?

Meester: Sst.

Monnik: Wat is geen druppel op een gloeiende plaat?

Meester: Ik ben geen druppel op een gloeiende plaat.

Monnik: Wat bent u dan wel?

Meester: Een gloeiende plaat.

Jaren later

Monnik: De leer is maar een druppel op een gloeiende plaat.

Meester: Deze gedachte ook.

Monnik: En ik ben de gloeiende plaat.

Meester: Deze gedachte ook.

Monnik: Wat is geen druppel op een gloeiende plaat?

Meester: Deze ook.

Monnik: Wat is de gloeiende plaat?

Meester: Ook.

Jaren later

Monnik: Gedachten zijn maar een druppel op een gloeiende plaat.

Meester: Deze ook.

Jaren later

Monnik: Sst.

Meester: Nou dat weer.

Voordeeldeuren

De een probeert voordeel te behalen door geschriften te bestuderen. De ander probeert voordeel te behalen door ze te verbranden. Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door bezit te vergaren. De ander probeert voordeel te behalen door het af te staan. Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door het juiste te verlangen. De ander probeert voordeel te behalen door verlangens te overwinnen. Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door zich in de wereld te begeven. De ander probeert voordeel te behalen door zich af te zonderen. Wat hebben ze gemeen?

De een probeert voordeel te behalen door met misdadigers om te gaan. De ander probeert voordeel te behalen door met heiligen om te gaan. Wat hebben ze gemeen?

Twijfelachtig

Monnik: Vanaf nu zal ik nooit meer aan uw woorden twijfelen.

Meester: Dwaas.

Monnik: Nou zeg.

Meester: Je zou toch nooit meer aan mijn woorden twijfelen?

Monnik: Dat is waar ook.

Meester: Vanaf nu moet je altijd aan mijn woorden twijfelen.

Monnik: Zeker weten.

Meester: Dwaas.

Zes soorten blindheid

Monnik: ‘Volgens zen zijn er vijf soorten blindheid. Ten eerste de gewone blindheid van de onwetende die de boeddhistische leer nog niet kent. Ten tweede de opzettelijke blindheid van de ketter die de leer niet wil kennen. Ten derde de onopzettelijke blindheid van de leerling die de leer niet begrijpt. Ten vierde de verlichte blindheid van degene die alleen nog maar leegte ziet, en ten slotte de ware blindheid van degene die geen verlichting meer ziet.’

Meester: ‘Ik zie het allemaal niet.’

Ogentroost

Monnik: Volgens zen zijn er vijf soorten blindheid. Ten eerste de blindheid van de de onwetende. Ten tweede de blindheid van de betwetende. Ten derde de blindheid van de zoekende. Ten vierde de blindheid van degene die geen vormen meer ziet. Ten vijfde de blindheid van degene die geen leegte meer ziet.

Meester: Welke van deze vijf soorten blindheid is het die vijf soorten blindheid onderscheidt?

Monnik: Hè? O… eh… de… vijfde soort blindheid, zou ik zeggen.

Meester: De wens is de vader van de gedachte.

Monnik: De vierde dan?

Meester: Optimist.

Monnik: De derde?

Meester: Lauw.

Monnik: De tweede?

Meester: Warm.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Nou, ik ook niet.

Monnik: Hoeveel soorten blindheid zijn er volgens u?

Meester: Eentje maar.

Monnik: Wat is de enige vorm van blindheid volgens u?

Meester: Denken dat je het ziet.

Monnik: Ik denk niet dat ik het zie.

Meester: Dat is de tweede.

Monnik: Ik dacht dat er maar één vorm van blindheid was?

Meester: En dat is drie.

Monnik: Hoeveel soorten blindheid zijn er wel niet?

Meester: Wel niet.

Monnik: Nou?

Meester: Evenveel als er gedachten zijn?

Monnik: Dan is dit zeker de vierde.

Meester: En de vijfde is denken dat het de vierde is.

Monnik: Komt hier ooit een eind aan?

Meester: Dat heb je goed gezien.

Poort 29 – Vlag noch wind

Een tempelvlag wapperde in de wind en twee monniken begonnen erover te ruziën. De een zei dat de vlag bewoog, de ander zei dat de wind bewoog, en ze kwamen er niet uit.

Nadat hij het een tijdje had aangehoord, zei de zesde patriarch, meester Huineng: ‘Niet de wind of de vlag is in beweging, maar je geest.’ De monniken waren met stomheid geslagen.

Lichtvoetig

Zegt de eerste monnik: De vlag beweegt.

Zegt de tweede: De wind beweegt.

Zegt de derde: De geest beweegt.

Zegt de vierde: De tong beweegt.

Zegt de meester: Niet te lang bij stilstaan, jongens.

Raad van elf

Een monnik zei: De vlag is een illusie.

Een tweede zei: De wind is een illusie.

Een derde zei: Beweging is een illusie.

Een vierde zei: Onbeweeglijkheid is een illusie.

Een vijfde zei: De geest is een illusie.

Een zesde zei: De tong is een illusie.

Een zevende zei: Spreken is een illusie.

Een achtste zei: Zwijgen is een illusie.

Een negende zei: Jij bent een illusie.

Een tiende zei: Illusie is een illusie.

Een elfde zei: We moeten voorbij werkelijkheid en illusie gaan.

De meester zei: Vlaggen voor de hoeren.

De wakkerste

De eerste monnik zei: Alles is stof.

De tweede zei: Alles is geest.

De derde zei: De geest ontspringt aan de stof.

De vierde zei: De stof ontspringt aan de geest.

De vijfde zei: Stof is geest.

De zesde zei: Stof noch geest.

De zevende zei: Boeddha.

De achtste zei: Boeddha?

De Boeddha zei: Ik sliep.

De nulde oorzaak

Monnik: Niet de vlag, niet de wind, maar het zelf beweegt.

Meester: Wat brengt het zelf in beweging?

Monnik: Het zelf is de grond van het universum.

Meester: En wat is de grond van het zelf?

Monnik: Het zelf heeft geen grond nodig.

Meester: Waarom het universum dan wel?

Monnik: Het zelf is zijn eigen grond.

Meester: Waarom het universum dan niet?

Monnik: Bedoelt u dat het zelf het universum is?

Meester: Eerst maar eens vaststellen of het wel bestaat.

Monnik: Bedoelt u dat het zelf niet bestaat?

Meester: Vraag dat maar aan het zelf.

Monnik: Bedoelt u dat het universum zelfscheppend is?

Meester: Misschien is deze gedachte wel zelfscheppend.

Monnik: Waar komen dan al die vormen vandaan?

Meester: Moet er dan per se een schepper zijn?

Monnik: Bedoelt u dat het universum ongeschapen is?

Meester: Bedoel je dat er een universum is?

Monnik: Bedoelt u dat het universum leeg is?

Meester: Bedoel je dat er leegte is?

Monnik: Wat bedoelt u dan?

Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?

Monnik: Waarom zou u anders al die vragen stellen?

Meester: Omdat jij al antwoord gaf?

Onbewogen

Monnik: Wat is de eerste oorzaak?

Meester: God, daar vraag je me wat.

Monnik: En hoe luidt het antwoord?

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Wat?

Meester: God, daar vraag je me wat.

Gulle gevers

Monnik: Alles heeft een oorzaak.

Meester: Alles krijgt een oorzaak.

Monnik: Van wie?

Meester: Van wie niet.

Afhankelijk heden

Zou de vlag wapperen als niemand hem had uitgehangen?

Zou de vlag wapperen als niemand hem had gemaakt?

Zou de vlag wapperen als niemand hem had bedacht?

Zou de vlag wapperen als niemand kon zien, horen of voelen?

Zou de vlag wapperen als de katoenplant niet bestond?

Zou de vlag wapperen als niemand katoen verbouwde?

Zou de vlag wapperen als niemand garen spon?

Zou de vlag wapperen als niemand doeken weefde?

Zou de vlag wapperen als niemand weefmachines maakte?

Zou de vlag wapperen als niemand staal fabriceerde?

Zou de vlag wapperen als niemand vlaggenstokken maakte?

Zou de vlag wapperen als er geen lucht was om hem in beweging te brengen?

Zou de vlag wapperen als er geen zon was om de lucht in beweging te brengen?

Zou de vlag wapperen als er geen waterstof was om te fuseren?

De hoogste oven

Leegte versus afhankelijk ontstaan

Monnik: Wat heb ik hier?

Meester: Een vlag.

Monnik: De wereld.

Meester: Daar gaan we weer.

Monnik: Er was katoen nodig om garen te spinnen.

Meester: Katoen is geen wereld.

Monnik: Er waren machines nodig om stof te weven.

Meester: Machines zijn geen wereld.

Monnik: Er waren hoogovens nodig om machines te maken.

Meester: Hoogovens zijn geen wereld.

Monnik: Er was een wereld nodig om hoogovens te maken.

Meester: Nu ga je me zeker weer vertellen dat alles afhankelijk ontstaat.

Monnik: Ik wou het net zeggen.

Meester: En vervolgens dat alles één is.

Monnik: Hoe weet u dat?

Meester: Wat is één?

Monnik: Nou?

Meester: Een gedachte.

Monnik: Hè?

Meester: Waar is het ene als je het niet denkt?

Monnik: Eh…

Meester: Wat is afhankelijk onstaan?

Monnik: Zeker ook een gedachte.

Meester: Wat is denken dat het een gedachte is?

Monnik: En die hoogovens dan?

Meester: Wijs eens aan.

Monnik: En de wereld dan?

Meester: Waar is de wereld als je hem niet denkt?

Monnik: En deze vlag?

Meester: Waar is de vlag als je hem niet denkt?

Monnik: Idealist.

Meester: Waar is de idealist als je hem niet denkt?

Monnik: ‘Idealist’ is ook maar een gedachte?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Monnik: Nihilist.

Meester: Zelfde verhaal.

Monnik: Allemaal gedachten?

Meester: Deze ook.

Monnik: Wát?

Meester: Vinger in je kat.

Monnik: Maar hoe zit het dan wel?

Meester: Zoals het staat.

Monnik: Hoe staat het dan wel?

Meester: Waarmee?

Monnik: Nou weet ik weer niks.

Meester: Zou je denken?

Halfstok

De vrijplaats tussen dit en dat

Niet de vlag, niet de wind
Niet de vlag én de wind
Niet de vlag noch de wind
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de stof, niet de geest
Niet de stof én de geest
Niet de stof noch de geest
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet het vele, niet het ene
Niet het vele én het ene
Niet het vele noch het ene
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de vorm, niet de leegte
Niet de vorm én de leegte
Niet de vorm noch de leegte
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet het deel, niet het geheel
Niet het deel én het geheel
Niet het deel noch het geheel
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet het object, niet het subject
Niet het object én het subject
Niet het object noch het subject
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de illusie, niet de werkelijkheid
Niet de illusie én de werkelijkheid
Niet de illusie noch de werkelijkheid
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Poort 30 – De geest zelf

Daimei vroeg: ‘Wat is de boeddha?’ Meester Mazu antwoordde: ‘De geest zelf is de boeddha.’

Grote stappen, snel thuis

Monnik: Wat bent u?

Meester: Zeg jij het maar.

Monnik: Volgens mij bent u de boeddha.

Meester: Wat is de boeddha?

Monnik: De geest zelf is de boeddha.

Meester: Wat is de geest?

Monnik: Het bewustzijn zelf is de geest.

Meester: Wat is het bewustzijn?

Monnik: De leegte zelf is het bewustzijn.

Meester: Wat is de leegte?

Monnik: Het ware zelf is de leegte.

Meester: Wat is het ware zelf?

Monnik: Wij zijn het zelf.

Meester: En wat zijn wij zelf?

Monnik: …

Meester: Is dat het antwoord of weet je het niet?

Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.

Meester: Wat is dan het ware zelf?

Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.

Meester: Wat is dan de leegte?

Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.

Meester: Wat is dan het bewustzijn?

Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.

Meester: Wat is dan de geest.

Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.

Meester: Wat is dan de boeddha?

Monnik: Ik heb werkelijk geen idee.

Meester: Nou, ik ook niet.

Wat is?

Monnik: Wat is de boeddha?

Meester: Is de boeddha?

Monnik: Wat is de geest?

Meester: Is de geest?

Monnik: Wat is het bewustzijn?

Meester: Is het bewustzijn?

Monnik: Verwijst u naar de leegte?

Meester: Is de leegte?

Monnik: Ik weet het eigenlijk niet.

Meester: Zoek dat dan eerst maar uit.

Monnik: Weet u het?

Meester: Nee.

Monnik: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Dat ik me erbij heb neergelegd?

Monnik: Wat als je je erbij hebt neergelegd?

Meester: Rust.

Geestenbal

Meester: Wat is de boeddha?

Monnik: De geest zelf is de boeddha.

Meester: Welke geest?

Monnik: De gewone geest?

Meester: Wiens gewone geest?

Monnik: Die van mij, zou ik denken.

Meester: Niet die van mij?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Niet de grote geest?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Niet de universele geest?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Niet de algeest?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Niet de lege geest?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Niet de beginnersgeest?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Niet de weetnietgeest?

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien zijn ze wel identiek.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Maar misschien ook niet.

Monnik: Hoe stel je zoiets vast?

Meester: Of misschien zijn ze wel leeg.

Monnik: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Meester: Dat kan ook nog.

De tijdloze waarheid

Leerling: Wat is de geest?

Meester: De hoeveelste is het vandaag?

Leerling: De dertigste.

Meester: De geest is de boeddha.

Leerling: Gisteren zei u anders van niet.

Meester: Gisteren was een oneven dag.

Ontwoord

Monnik: Wat is de boeddha?

Meester: Een woord.

Monnik: De boeddha is voorbij de woorden.

Meester: Dan zou ik mijn mond maar houden.

Monnik: Hoe moet ik het dan zeggen?

Meester: Wat zeggen?

Monnik: Dat de boeddha voorbij de woorden is.

Meester: De wat?

Monnik: Dat puntje-puntje-puntje voorbij de woorden is.

Meester: Dat puntje-puntje-puntje wat is?

Monnik: Dat puntje-puntje-puntje puntje-puntje-puntje is.

Meester: Is?

Monnik: Dat puntje-puntje-puntje puntje-puntje-puntje puntje-puntje-puntje…

Meester: Dat?

Monnik: …

Meester: Nou dan.

Krek

Monnik: Wat is de boeddha?

Meester: Zeg dat wel.

Tien jaar later

Monnik: De boeddha is…

Meester: Zeg dat niet.

Tien jaar later

Monnik: De boeddha ís.

Meester: Zeg dat niet.

Tien jaar later

Monnik: Is de boeddha?

Meester: Zeg dat wel.

Tien jaar later

Monnik: Ik zeg niks.

Meester: Boeddha zij dank.

Onderstebinnen

Monnik: Buiten de boeddha is geen geest en buiten de geest is geen boeddha.

Meester: Erbinnen ook niet.

Monnik: Binnen de boeddha is geen geest of binnen de geest is geen boeddha?

Meester: En ook geen binnen of buiten.

Monnik: Binnen en buiten de boeddha is geen geest en geen binnen of buiten en binnen en buiten de geest is geen boeddha en geen buiten of binnen?

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: Bedoelt u dat boeddha, geest, binnen en buiten allemaal bedenksels zijn?

Meester: Hoe bedenk je het.

Weetnietfeest

Niet de boeddha, niet de geest
Niet de boeddha én de geest
Niet de boeddha noch de geest
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Poort 31 – Een oud vrouwtje

Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel op de heilige berg Tai Shan. Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’ Terwijl de monnik verder liep, voegde ze er zachtjes aan toe: ‘Dan kom je er nooit.’

Toen meester Zhaozhou hiervan hoorde, zei hij kordaat: ‘Ik zal dat vrouwtje weleens aan de tand voelen.’ De volgende dag zocht hij haar op, stelde dezelfde vraag en kreeg hetzelfde antwoord.

Naderhand zei Zhaozhou alleen maar: ‘Nou, ik heb haar aan de tand gevoeld, hoor.’

Heen en weer

Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje. Ze zong: ‘Doe een stapje naar voren’, en deed een stapje naar voren. Hoofdschuddend liep de monnik verder. Het vrouwtje zong: ‘Doe een stapje terug’, en deed een stapje terug. De monnik keek niet op of om. ‘Waarom vraag je het dan’, mopperde het oude vrouwtje.

Pas de deux

Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje. Het vrouwtje pakte zijn handen vast en zong: ‘Doe een stapje naar voren. Doe een stapje terug.’ De monnik keek haar verbaasd aan maar verzette zich niet en begon al gauw mee te stappen.

Na een poosje gingen ze hijgend in de berm zitten. ‘Ik heb me in geen jaren zo vermaakt,’ lachte de monnik. ‘Waar ben ik toch mee bezig?’ ‘Ik heb me in geen jaren zo vermaakt,’ giechelde het vrouwtje. ‘Waar ben ik toch mee bezig?’

Plotseling betrok het gezicht van de monnik. ‘Ik weet het weer, ik zoek verlossing.’ Daarop betrok het gezicht van het vrouwtje: ‘Ach ja, ik help verlossen.’

Kreunend stonden ze op en vervolgden hun weg.

Bestemmingsverkeer

Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje. Het vrouwtje zei: ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Bedoelt u dat we er al zijn?’ ‘Waar zijn?’ ‘Hier zijn.’ ‘En wat wou je daaraan doen?’ ‘Dat hier zijn onze bestemming is, bedoel ik.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ vroeg het vrouwtje weer.

Hoofdschuddend liep de monnik verder. Hoofdschuddend keek het vrouwtje hem na.

Tegenlicht

Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel. Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’ Terwijl de monnik verder liep, voegde ze er zachtjes aan toe: ‘Dan kom je er nooit.’

Toen de meester ervan hoorde, zei hij tegen de monniken: ‘Ik zal dat oude vrouwtje weleens testen.’ De volgende avond riep hij iedereen bij elkaar. ‘En?’ zei de hoofdmonnik nieuwsgierig. ‘Ze stelde mij dezelfde vraag en gaf hetzelfde antwoord.’

De monniken begonnen te discussiëren over haar zengehalte. De meester wilde net wegsluipen toen de hoofdmonnik vroeg: ‘Wat maakt u ervan?’

De meester zei: ‘Denk je nou echt dat ik haar dezelfde vraag zou stellen?’ ‘Wat hebt u dan gevraagd?’ ‘Denk je nou echt dat ik haar een vraag zou stellen?’ ‘Wat dan?’ ‘Denk je nou echt dat ik bij haar langs zou gaan?’ ‘Wat hebt u dan gedaan?’ vroeg de hoofdmonnik verbaasd. De meester zei: ‘Jullie getest’.

Gekkenwerk

Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel. Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’ Terwijl de monnik verder liep, voegde ze er zachtjes aan toe: ‘Dan kom je er nooit.’

Terug in het klooster vroeg de monnik aan de meester of hij het vrouwtje niet eens wilde testen. ‘Waarop?’ ‘Op haar zengehalte.’ ‘Wat is het zengehalte van iemand die een vrouwtje op haar zengehalte wil testen?’ vroeg de meester.

‘Eigenlijk wilde ik u testen’, bekende de monnik. ‘Waarop?’ ‘Ik was benieuwd of ik u zo gek kon krijgen iemand op zijn zengehalte te testen.’

‘Nou,’ zei de meester, ‘in ieder geval heb je iemand zo gek gekregen iemand op zijn zengehalte te testen.’ ‘Wie dan?’ vroeg de monnik verbaasd. ‘Jezelf natuurlijk.’ ‘En, wat is mijn zengehalte?’ ‘Oud wijf’, zei de meester.

Een schijn van kans

Alleen zakken slagen

Monnik: Graag zou ik uw zengehalte eens testen.

Meester: Gezakt.

Monnik: Bedoelt u dat testgedrag wijst op een laag zengehalte?

Meester: Gezakt.

Monnik: Bedoelt u dat het onderscheid tussen hoog en laag een illusie is?

Meester: Gezakt.

Monnik: Bedoelt u dat het onderscheid tussen hoog en laag een illusie is in het absolute, maar bestaansrecht heeft in het relatieve?

Meester: Gezakt.

Monnik: Bedoelt u dat ik op eigen benen moet staan?

Meester: Gezakt.

Monnik: Wat bedoelt u dan?

Meester: Gezakt.

Monnik: Wat kan ik doen om te slagen?

Meester: Gezakt.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Hm.

Een portie dharma mét

Een groepje monniken bezocht een oud eethuisje waarvan de uitbaatster, een oud vrouwtje, ontwaakt zou zijn.

Meteen bij aankomst riep een monnik: ‘Welkom in nirwana.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje trok haar wenkbrauwen op.

Bij het openen van de gammele deur riep een monnik: ‘Met recht een poortloze poort.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje liep naar de open haard.

Een monnik keek om zich heen in het sombere vertrek en riep: ‘Prima verlichting hier.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje pakte een pook.

Een monnik riep: ‘Hebt u alleen staanplaatsen of kan men hier ook zitten?’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje pakte de as-emmer.

Een monnik riep: Doe mij maar een portie dharma mét.’ De anderen brulden van het lachen. Het vrouwtje stapte op het groepje af.

Een monnik riep: ‘Hoe maakt men zich uitgerekend in een eethuisje leeg?’ Het oude vrouwtje ramde de pook in zijn maagstreek en hield hem de emmer voor. Brullend boog de monnik voorover.

Poort 32 – Raspaarden

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ Boeddha bleef onbeweeglijk zitten. Daarop maakte de non-boeddhist een buiging en sprak vol bewondering: ‘Door de grenzeloze barmhartigheid van de Gezegende zijn de sluiers van mijn illusies opgelost en heb ik de grote weg betreden.’

Toen hij vertrokken was, vroeg Ananda: ‘Waar was hij nou zo dankbaar voor? Boeddha zei: ‘Raspaarden rennen al bij de schaduw van een zweep.’

Over het paard getild

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ ‘Uitslover’, zei Boeddha.

Daarop maakte de non-boeddhist een buiging en sprak vol bewondering: ‘Door de grenzeloze barmhartigheid van de Gezegende zijn de sluiers van mijn illusies opgelost en heb ik de grote weg betreden.’ ‘Uitslover’, zei Boeddha weer.

Toen hij vertrokken was, vroeg Ananda: ‘Waarom deed hij nou zo dankbaar? Boeddha zei: ‘Hij wou voor raspaard worden aangezien.’

Een gat in de dag

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ Boeddha slaakte een zucht.

De non-boeddhist vroeg: ‘Is uw zucht veelzeggend of juist nietszeggend?’ Boeddha slaakte een zucht.

Hij vroeg: ‘Verwijst u naar de waarheid voorbij de woorden?’ Boeddha slaakte een zucht.

‘Bedoelt u dat we moeten zwijgen over datgene waarover we niet kunnen spreken?’ Boeddha slaakte een zucht.

‘Bedoelt u dat het absolute spreekt noch zwijgt?’ Boeddha slaakte een zucht.

‘Is uw zwijgen reeds een uitdrukking van het ene, net als mijn spreken nu?’ Boeddha slaakte een zucht.

‘Vallen wij niet geheel en al samen met iedere manifestatie van het zelf?’ Boeddha slaakte een zucht.

‘Zal ik dan maar zwijgen?’ Boeddha haalde zijn schouders op.

De non-boeddhist zweeg. Boeddha gaapte. Ananda gaapte. De non-boeddhist gaapte. Ze strekten zich uit en sliepen een gat in de dag.

Loos om loos

Een non-boeddhist zei tegen Boeddha: ‘Waarom ben ik een non-boeddhist en u niet?’ Boeddha reageerde niet. De non-boeddhist knikte en zei: ‘Waarom sta ik hier en zit u daar?’ Boeddha reageerde niet. De non-boeddhist maakte een buiging en vertrok.

Ananda vroeg: ‘Waarom knikte hij naar u?’ ‘Hij zag in dat het onderscheid tussen boeddhist en non-boeddhist loos is.’ ‘Waarom maakte hij een buiging?’ ‘Hij zag in dat het niet-onderscheid tussen boeddhist en non-boeddhist loos is.’ ‘Waarom vertrok hij?’ ‘Zitten kun je overal.’

Na een poosje zei Ananda: ‘Maar is het onderscheid tussen boeddhist en non-boeddhist nou loos of niet?’ Boeddha reageerde niet. Ananda maakte een buiging en vertrok.

Tijdreizigers

Een monnik vroeg: ‘Bent u een boeddhist?’ Boeddha antwoordde: ‘Dat hebben anderen verzonnen; boeddhisme is van na mijn tijd.’ ‘Bent u een non-boeddhist?’ ‘Dat hebben anderen verzonnen; non-boeddhisme is van na mijn tijd.’ ‘Bent u een boeddha?’ ‘Dat hebben anderen verzonnen; boeddha’s zijn van na mijn tijd.’

De monnik zei: ‘Is Boeddha niet een eretitel?’ ‘Dat hebben anderen verzonnen, wat moet ik met een titel?’ ‘Zal ik u dan maar een non-boeddha noemen?’ ‘Wat zegt een naam.’ De monnik drong aan: ‘Geen boeddhist, geen non-boeddhist, geen boeddha, geen non-boeddha – wat dan wel?’ Boeddha antwoordde: ‘Dat mogen anderen verzinnen, ik ben van voor die tijd.’

Rollenspel

Een monnik zei: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ ‘Geef gerust het goede voorbeeld’, zei Boeddha. ‘Dat was ik al van plan’, zei de monnik. ‘Komt er nog wat van?’ vroeg Boeddha.

De monnik schudde een bloem uit zijn mouw en hield die omhoog. ‘Zeg het met bloemen’, zei Boeddha mat. ‘U had moeten glimlachen, net als Mahakashyapa.’ ‘Ik kan wel huilen.’

‘Het was een test’, verklaarde de monnik. ‘Je bent aan het solliciteren,’ verklaarde Boeddha. ‘Maar u bent niet geslaagd’, zei de monnik. ‘Maar er is geen vacature’, zei Boeddha.

Honds

Een monnik in lotushouding zei: ‘Ik vraag niet om woorden, ik vraag niet om stilte.’ ‘Ik toch ook niet’, antwoordde Boeddha.

De monnik ging nog mooier zitten. ‘Braaf’, zei Boeddha.

De monnik zat nu volmaakt onbeweeglijk. ‘De brokjes zijn op’, zei Boeddha.

De monnik deed zijn ogen open en zei: ‘Verwijst u naar de leegte?’ ‘Ik vraag niet om woorden’, zei Boeddha.

De monnik sloot zijn ogen weer. ‘Ik vraag niet om stilte’, zei Boeddha.

Plotseling begon de monnik te blaffen. Boeddha vroeg: ‘Heeft een monnik de hondennatuur?’

De onvoorwaardelijke wijs

Een monnik vroeg: ‘Zonder te spreken of te zwijgen, wat is de weg?’ Boeddha antwoordde: ‘Geen voorwaarden stellen aan de weg.’ ‘Welke voorwaarden niet, bijvoorbeeld?’ ‘Dat je niet moet spreken of zwijgen, bijvoorbeeld.’

Doorzien

Boeddha vroeg: ‘Zonder te spreken of te zwijgen, wat is de weg?’ De monnik antwoordde: ‘Geen voorwaarden stellen aan de weg.’ ‘Behalve deze zeker,’ zei Boeddha ‘Welke?’ ‘Dat je geen voorwaarden mag stellen aan de weg.’

De monnik keek hem met open mond aan. Ineens ging hem een lichtje op. Hij maakte een buiging en zei met bevende stem: ‘Door uw meedogenloze genade heb ik nu al mijn illusies doorzien.’ ‘Behalve deze zeker’, zei Boeddha. ‘Welke?’ ‘Dat je door mijn meedogenloze genade nu al je illusies hebt doorzien.’

De monnik keek hem met open mond aan. ‘Ziedaar de weg’, zei de Boeddha.

Kringloopmeditatie

Monnik: Wat als je de vorm doorziet?

Boeddha: Leegte.

Monnik: Wat als je de leegte doorziet?

Boeddha: Vorm.

Monnik: Wat als je vorm en leegte doorziet?

Boeddha: Vorm noch leegte.

Monnik: Wat als je vorm, leegte, vorm en leegte en vorm noch leegte doorziet?

Boeddha: Dan zit je daar weer in vast.

Monnik: Maar dan heb je toch alles doorzien?

Boeddha: Behalve het doorzien.

Monnik: Wat als je ook dat nog hebt doorzien?

Boeddha: Horen, zien, zwijgen.

Monnik: Wat als je er toch over spreekt?

Boeddha: Boeddhisme.

Monnik: Wat als er boeddhisme komt?

Meester: Scholen en sangha’s.

Monnik: Wat als er scholen en sangha’s komen?

Boeddha: Meesters en leerlingen.

Monnik: Wat als je meesters en leerlingen krijgt?

Boeddha: Niets dan vorm.

Monnik: Wat als je de vorm doorziet?

Blinde paarden

Monnik: Er zijn vier soorten paarden. De eerste reageert al bij de schaduw van een zweep, de tweede als de zweep zijn vacht raakt, de derde als de zweep zijn vlees raakt en de vierde als de zweep zijn merg raakt.

Boeddha: En?

Monnik: Zo zijn er vier soorten monniken. De eerste ziet het bestaanskenmerk van vergankelijkheid al als er iemand in een ander dorp sterft, de tweede als er iemand in zijn eigen dorp sterft, de derde als er iemand van zijn eigen familie sterft en de vierde als hij zelf sterft.

Boeddha: Er zijn vier soorten blinden. De eerste ziet alleen zijn eigen vergankelijkheid, de tweede ziet alleen die van zijn familie, de derde ziet alleen alleen die van zijn dorpsgenoten en de vierde ziet alleen maar vergankelijkheid.

Monnik: Er waren toch vijf soorten blinden?

Boeddha: Nou je het zegt.

Monnik: En er waren toch drie bestaanskenmerken – vergankelijkheid, lijden en niet-zelf?

Boeddha: Goed dat je het zegt.

Monnik: Wat?

Boeddha: De vijfde soort blinde ziet maar drie bestaanskenmerken.*

* De Drie Karakteristieken van het Bestaan (Pali: tilakkhaa; Sanskrit: trilakaa): vergankelijkheid (anicca, anitya), lijden (dukkha, duḥkha), niet-zelf (anattā, anātman).

Poort 33 – Geest noch boeddha

Een monnik vroeg: ‘Wat is boeddha?’ Meester Mazu antwoordde: ‘Geen geest, geen boeddha.’

Een begin zonder einde

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Verzin eens wat nieuws.

Monnik: Wat is er er nieuw?

Meester: Boeddha.

Lijf aan lijf

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Wat een vraag.

Monnik: Boeddha is de verlichtingsleer, de verlichting en de verlichte.

Meester: Wat een antwoord.

Monnik: Ik verwijs naar de drie-lichamentheorie*.

Meester: En maar tellen.

Monnik: Wou u ontkennen dat boeddha de verlichtingsleer is?

Meester: Wou jij beweren dat je verlichting kunt leren?

Monnik: Is boeddha verlichting?

Meester: Draagt een pantoffeldier pantoffels?

Monnik: Is boeddha de verlichte?

Meester: Is de verlichte?

Monnik: Doelt u op de leegte?

Meester: Waarvan?

Monnik: De drie lichamen.

Meester: Wat dacht je van je hoofd?

Monnik: Daarom stel ik zoveel vragen.

Meester: Je stelt alleen maar antwoorden.

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Is boeddha?

* de trikaya: dharmakaya, sambhogakaya en nirmanakaya

Zeven zegelen

Maandag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Een uitweg.

Dinsdag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Een gevangenis.

Woensdag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Geen antwoord.

Donderdag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Geen vraag.

Vrijdag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Is boeddha?

Zaterdag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Wat is?

Zondag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: ’t Is wat.

Uitgelezen

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Wat een vraag.

Monnik: Geest is boeddha.

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: Ik bedoel, geest is niet boeddha.

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: Ik bedoel, niet-geest is boeddha.

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: Ik bedoel, niet-geest is niet boeddha.

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Wat is boeddha.

Monnik: Zonder vraagteken?

Meester: En zonder uitroepteken.

Drie erezaken

Hoe moeilijk de leer ook lijkt, ik beloof hem helemaal te doorgronden.

Monnik: Hoe kunnen wij de boeddha de grootste eer bewijzen?

Meester: Door hem te doden.

Monnik: Ik zou u hierom moeten doden.

Meester: Je kunt me geen grotere eer bewijzen.

Monnik: Hoe kunnen wij de dharma de grootste eer bewijzen?

Meester: Door haar onophoudelijk te betwijfelen.

Monnik: Ik begin steeds meer aan u te twijfelen.

Meester: Je kunt me geen grotere eer bewijzen.

Monnik: Hoe kunnen wij de sangha de grootste eer bewijzen?

Meester: Door ons onafhankelijk op te stellen.

Monnik: Ik zou u hierom de rug moeten toekeren.

Meester: Je kunt me geen grotere eer bewijzen.

Een aanbeveling

Monnik: Wat weet u eigenlijk van de boeddha?

Meester: Minder dan wie ook.

Monnik: Dat lijkt me geen aanbeveling.

Meester: Integendeel.

Eenentwintigen

Monnik: Zen onderscheidt twee soorten ziekten.

Meester: Wat is de eerste ziekte?

Monnik: Denken dat de waarheid buiten jezelf is te vinden.

Meester: Hoe kom je erop.

Monnik: Daarom zei Mazu, ‘De geest zelf is boeddha’.

Meester: Wat is de tweede ziekte?

Monnik: Denken dat de geest zelf de waarheid is.

Meester: Hoe kom je erop.

Monnik: Daarom zei Mazu: ‘Geen geest, geen boeddha.’

Meester: Wat is de derde ziekte?

Monnik: Nou?

Meester: Denken dat er maar twee ziekten zijn.

Monnik: Wat is de vierde ziekte?

Meester: Denken dat je een geest hebt.

Monnik: Wat is de vijfde ziekte?

Meester: Denken dat je geen geest hebt.

Monnik: Wat is de zesde ziekte?

Meester: Denken dat je een geest bent.

Monnik: Wat is de zevende ziekte?

Meester: Denken dat je geen geest bent.

Monnik: Wat is de achtste ziekte?

Meester: Denken dat er maar één geest is.

Monnik: Wat is de negende ziekte?

Meester: Denken dat er vele geesten zijn.

Monnik: Wat is de tiende ziekte?

Meester: Denken dat je een boeddha bent.

Monnik: Wat is de elfde ziekte?

Meester: Denken dat je geen boeddha bent.

Monnik: Wat is de twaalfde ziekte?

Meester: Denken dat de waarheid zowel buiten als in jezelf is te vinden.

Monnik: Wat is de dertiende ziekte?

Meester: Denken dat de waarheid noch buiten noch in jezelf is te vinden.

Monnik: Wat is de veertiende ziekte?

Meester: Denken dat er een buiten en een binnen is.

Monnik: Wat is de vijftiende ziekte?

Meester: Denken dat er geen buiten of binnen is.

Monnik: Wat is de zestiende ziekte?

Meester: Denken dat er een waarheid is.

Monnik: Wat is de zeventiende ziekte?

Meester: Denken dat er geen waarheid is.

Monnik: Wat is de de achttiende ziekte?

Meester: Denken dat er ziekten zijn.

Monnik: Wat is de negentiende ziekte?

Meester: Denken dat er geen ziekten zijn.

Monnik: Ik weet er ook een.

Meester: Ja, het is besmettelijk.

Monnik: Dénken is de twintigste ziekte.

Meester: Zou je denken?

Monnik: Er zijn net zoveel ziekten als gedachten.

Meester: En dat is eenentwintig.

Poort 34 – Geest noch begrip

Nanquan zei: ‘Geest is niet boeddha. Begrijpen is niet de weg.’

Wegwerker

Monnik: Begrijpen is niet de weg.

Meester: Toch weer iets begrepen?

Wegwijzer

Monnik: Begrijpen is niet de weg.

Meester: Dat begrijp ik niet.

Monnik: Wat niet?

Meester: Welke weg?

Wegwezer

Monnik: Begrijpen is niet de weg.

Meester: Waarheen?

Monnik: Je ware zelf natuurlijk.

Meester: Toch weer iets begrepen?

Pang

Chinese wijsheid

Monnik: Begrijpen is niet de weg.

Meester: Niet begrijpen ook niet.

Monnik: Dat hebt u anders zelf gezegd.

Meester: Toen moest ik iets anders rechtzetten.

Monnik: Met u weet je het maar nooit.

Meester: Dat moest er nog bijkomen.

Monnik: De ene keer is het Ping, de andere keer Pong.

Meester: Je zou er het heen en weer van krijgen.

Monnik: Maar bent u nou Ping of Pong?

Meester: Tegen Ping ben ik Pong, tegen Pong ben ik Ping.

Monnik: En tegen Pingpong?

Meester: Die speelt wel met zichzelf.

Een opsteker

Monnik: Ik leer helemaal niets van u.

Meester: Dat is op dit moment het hoogst haalbare.

Monnik: Wat?

Meester: Het zal nog wel even duren voor we aan afleren toekomen.

Monnik: En ik maar denken dat ik iets van u kon opsteken.

Meester: Weer wat geleerd.

Redeloos

Monnik: Wordt u blij als u het bij iemand ziet dagen?

Meester: Duisteren zul je bedoelen.

Monnik: Wordt u blij als u het bij iemand ziet duisteren?

Meester: Niet-weten is nooit een reden voor blijdschap.

Monnik: Waarvoor dan wel?

Meester: Niet-weten is nooit een reden.

Bekentenis

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen de leraar en de leerling?

Meester: Beiden snappen er niks van.

Monnik: En het verschil?

Meester: De leraar geeft het toe.

Lakmoesproef

Monnik: Hoe herken je de ware leraar?

Meester: Door hem een vraag te stellen.

Monnik: En als hij het antwoord weet?

Meester: Dan maak je dat je wegkomt.

Monnik: En als hij het niet weet?

Meester: Dan maak je dat je wegkomt.

Monnik: Ik ben al weg.

Meester: Een ware leerling.

Wiswijs

Monnik: Wanneer zal ik net zo wijs zijn als u?

Meester: Wanneer je niet meer weet wat wijs is.

Monnik: Maar dat weet ik nu al niet.

Meester: Maar dat weet je nu nog niet.

Second opinion

Monnik: Als u blijft zwijgen, zoek ik wel een andere leraar.

Meester: Wie bedonderd wil worden zal een oplichter vinden.

Third opinion

Monnik: Als u uw mond niet houdt, zoek ik wel een andere leraar.

Meester: Wie bedonderd wil worden zal een oplichter vinden.

Uitzonderlijk

Monnik: Aan u heb je ook niks.

Meester: Waar vind je dat nog.

Spel zonder grenzen

Monnik: Hoe lang duurt deze kwelling nog?

Meester: Tot alle vragen gesteld zijn.

Monnik: Zal ik dan eindelijk antwoorden hebben?

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Blijf ik zeker met de vragen zitten.

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Zal ik dan eindelijk mezelf zijn?

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Doordat ik het zelf realiseer?

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Doordat ik niet-zelf realiseer?

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Je zou er wanhopig van worden.

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Er blijft toch nog iets te hopen over?

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Monnik: Volledige verlossing, zogezegd.

Meester: Ook daarvan ben je dan verlost.

Poort 35 – De ware Qian

Wuzu vroeg aan zijn monniken: ‘Qian leidde een dubbelleven. Wie was de ware Qian?’

Wie is de ware Qian?

Moraal halen

Na de ochtendmeditatie vertelde de meester het volgende verhaal.

Er was eens een oude man met een mooie dochter, Qian, van wie hij zielsveel hield. Hij wilde haar net uithuwelijken toen zij verliefd werd op haar neef.

De geliefden sloegen op de vlucht naar een ver land, waar ze trouwden en kinderen kregen. Die herinnerden Qian aan haar vader, en overmand door schuldgevoelens besloten de weglopers hem op te zoeken en om vergeving te vragen.

Na terugkeer bleef Qian achter op de boot terwijl haar neef vooruit snelde om zijn schoonvader te vertellen wat er gebeurd was. ‘Over wie heb je het?’ reageerde de oude man. ‘Uw dochter, Qian.’ ‘Maar die ligt gewoon in bed. Ze is kort na je vertrek ziek geworden en heeft nooit meer een woord gesproken.’

‘Wacht hier’, zei de neef en holde terug naar de boot. Intussen ging de oude man naar de slaapkamer en deed het verhaal. Zonder een woord te zeggen stond de zieke Qian op en schuifelde voetje voor voetje naar buiten, waar ze versmolt met de gezonde Qian die net aan kwam lopen.

‘Wat kunnen we hiervan leren?’ vroeg een monnik toen de meester uitverteld was. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ vroeg de meester.

‘Aan welke Qian moeten wij een voorbeeld nemen?’ vroeg een monnik. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ vroeg de meester.

‘Wie was de ware Qian?’ vroeg een monnik. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ vroeg de meester.

‘De moraal van het verhaal is dat niet ieder verhaal een moraal hoeft te hebben’, verklaarde de hoofdmonnik. ‘Moet ieder verhaal dan een moraal hebben?’ vroeg de meester.

Drie pond zegge

Wie is het die niet denkt in termen van zelf of niet-zelf?

Monnik: Wat is mijn ware zelf?

Meester: Wat niet denkt in termen van waar en vals of zelf en niet-zelf.

Monnik: Omdat het niet denkt of omdat het niet in die termen denkt?

Meester: En ook niet in termen van het en niet-het of termen en niet-termen of zus denken en zo denken of denken en niet-denken.

Monnik: Omdat het niet bestaat zeker.

Meester: En ook niet in termen van bestaan en niet-bestaan.

Monnik: Geheimzinnig hoor.

Meester: Juist niet.

Monnik: En dat zou mijn ware zelf zijn?

Meester: Wat?

Monnik: Wat niet denkt in termen van waar en vals of zelf en niet-zelf?

Meester: Wat is je ware zelf?

Spiegeltje spiegeltje

Monnik: Wat ziet u toch in mij?

Meester: Mezelf.

Monnik: Bevalt het?

Meester: Het is geen gezicht.

Gezichtsverlies

Monnik: Wat is mijn oorspronkelijke gezicht?

Meester: Geen gezicht.

Monnik: Wat is geen gezicht?

Meester: Iemand die zijn oorspronkelijke gezicht probeert te zien.

De ontmaskering

Monnik: Wat zit er onder mijn oorspronkelijke gezicht?

Meester: Je ware masker.

Monnik: Wat zit er onder mijn ware masker?

Meester: Het volgende maskergezicht.

Monnik: Masker of gezicht?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Bedoelt u dat het allemaal manifestaties van het ware zelf zijn?

Meester: Het ware wat?

Monnik: Wat als we alle maskers afleggen?

Meester: Tja.

Monnik: Is dat wat eronder zit of weet u het niet?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Foundation

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.

Sint: Onder deze schminklaag ben ik een en al schmink.

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.

Sint: Onder mezelf ben ik een en al schmink.

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.

Sint: Onder mezelf ben ik helemaal zonder mezelf.

Piet: Onder deze schminklaag ben ik helemaal mezelf.

Sint: Zonder mezelf ben ik helemaal mezelf.

Witte Piet

Piet: Wat staat er allemaal in uw grote boek?

Sint: Eerlijk zeggen?

Piet: Eerlijk zeggen.

Sint: Helemaal niets.

Piet: Maar u leest er toch uit voor?

Sint: Ik doe alleen maar alsof.

Piet: Maar er staat toch wel iets over mij?

Sint: Eerlijk zeggen?

Piet: Eerlijk zeggen.

Sint: Helemaal niets.

Piet: Zo slecht kent u mij?

Sint: Zo goed ken ik jou.

Een kwestie van ontbinding

Monnik: Wat moet ik doen om mijn ware ik te zien?

Meester: Wat denk jij?

Monnik: De puntjes verbinden.

Meester: De lijntjes uitgummen.

Monnik: Wou u beweren dat ik alleen maar uit losse puntjes besta?

Meester: Zie eerst die lijntjes nou maar weg te krijgen.

Monnik: En dan?

Meester: Die puntjes natuurlijk.

Monnik: En dan krijg ik eindelijk mijn ware ik te zien?

Meester: En dan het gummen nog ongedaan maken.

Onder stellingen

Monnik: Wie bent u ten diepste?

Meester: Die vraag veronderstelt dat ik ben.

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.

Monnik: Ziet u uw bestaan als hypothetisch?

Meester: Dat is ook maar een hypothese.

Monnik: Die u koestert?

Meester: Die jij oppert.

Monnik: Wie bent u ten diepste, gesteld dat u bent?

Meester: In plaats van?

Monnik: Oppervlakkig gezien.

Meester: Die vraag veronderstelt dat er meerdere niveaus zijn.

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.

Monnik: Als in ‘alleen maar dit’ of ‘what you see is what you get’?

Meester: Die vraag veronderstelt dat er van alles is.

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.

Monnik: Ziet u het bestaan als hypothetisch?

Meester: Dat is ook maar een hypothese.

Monnik: Wat als alles een illusie is?

Meester: Die vraag veronderstelt dat de illusie echt is.

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Ik zou het niet in mijn hoofd halen.

Monnik: Is alles dan alleen maar hypothetisch?

Meester: Dat is ook maar een hypothese.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dat ook.

Hoe je je van je ego verlost

Meltdown

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Een munt.

Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?

Meester: Ego en zelf.

Monnik: Hoe verlos ik mij van mijn ego?

Meester: Door de munt om te smelten.

Monnik: Maar dan raak ik het zelf ook kwijt.

Meester: Als dat geen bevrijding is.

Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.

Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Een munt.

Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?

Meester: Vorm en leegte.

Monnik: Hoe verlos ik mij van mijn vorm?

Meester: Door de munt om te smelten.

Monnik: Maar dan raak ik de leegte ook kwijt.

Meester: Als dat geen bevrijding is.

Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.

Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Een munt.

Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?

Meester: Leerling en leraar.

Monnik: Hoe verlos ik mij van de leerling?

Meester: Door de munt om te smelten.

Monnik: Maar dan raak ik de leraar ook kwijt.

Meester: Als dat geen bevrijding is.

Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.

Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Een munt.

Monnik: Wat zijn de keerzijden daarvan?

Meester: Mens en boeddha.

Monnik: Hoe verlos ik mij van de mens?

Meester: Door de munt om te smelten.

Monnik: Maar dan raak ik de boeddha ook kwijt.

Meester: Als dat geen bevrijding is.

Monnik: Maar dat wil ik helemaal niet.

Meester: Dan blijf je toch lekker jezelf.

Poort 36 – Een verlichte groeten

Wuzu zei: ‘Kom je op de weg een verlichte tegen dan is spreken al even ongepast als zwijgen. Hoe zou jij hem begroeten?’

Zij die gaan sterven groeten u

Maandag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Een wat?

Dinsdag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Zonder spreken of zwijgen.

Woensdag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Ja, dáág.

Donderdag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Hoe dan ook.

Vrijdag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Met deze vraag.

Zaterdag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Waarom zou je?

Zondag

Monnik: Hoe groet je een verlichte zonder spreken of zwijgen?

Meester: Denk je dat hij daarmee bezig is?

Monnik: Waarschijnlijk niet.

Meester: Waarom jij dan wel?

Gemaakt wijs

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen.

Meester: Wie heeft je dat nou weer wijsgemaakt.

Monnik: Wat verstaat u onder een verlichte?

Meester: Iemand die het niet uitmaakt hoe je hem groet?

Monnik: En als het hem toch uitmaakt?

Meester: Maakt niet uit.

Monnik: Hoe weet je dan of hij verlicht is?

Meester: Wat maakt het uit.

Monnik: U of hem?

Meester: Maakt niet uit.

Monnik: Mij maakt het wel uit.

Meester: Het is te merken.

Monnik: Het maakt mij ook uit of ik zelf verlicht ben.

Meester: Je bent er maar druk mee.

Monnik: Ik wou dat het mij ook niet meer uitmaakte.

Meester: Waarom?

Monnik: Een verlichte is iemand die het allemaal niet meer uitmaakt.

Meester: Wie heeft je dat nou weer wijsgemaakt?

De keizer heeft geen veren

Monnik: Een verlichte groet je niet door te spreken of te zwijgen.

Meester: Ook goeiemorgen.

Monnik: Dat zou namelijk ongepast zijn.

Meester: Wat is verlichting volgens jou?

Monnik: Realisatie van het ware zelf.

Meester: Goeiedag.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Doei.

Monnik: Even serieus.

Meester: Zie je mij lachen?

Monnik: Wat is verlichting volgens u?

Meester: In je hemd staan.

Monnik: Wát?

Meester: Met je billen bloot gaan.

Monnik: Dat is nog erger.

Meester: Geen draad meer aan je lijf hebben.

Monnik: Wat zeg je tegen zo iemand?

Meester: De keizer heeft geen kleren.

Monnik: Bij wijze van groet, bedoel ik.

Meester: Koud hè.

Monnik: En zonder te spreken?

Meester: Brr.

Poep op je hoed

Maandag

Zegt de ene meester: Alles goed?

Zegt de andere: Alles wel, maar verder?

Dinsdag

Zegt de ene meester: Alles goed?

Zegt de andere: Poep op je hoed.

Zegt de ene: Ik heb geen hoed.

Zegt de andere: En ik geen goed.

Woensdag

Zegt de ene meester: Alles goed?

Zegt de andere: Wat heet alles.

Zegt de ene: Beter had ik het niet kunnen zeggen.

Zegt de andere: En met jou?

Zegt de ene: Wat heet goed.

Zegt de andere: Beter had ik het niet kunnen zeggen.

Donderdag

Zegt de ene meester: Alles goed?

Zegt de andere: Wat heet goed.

Zegt de ene: Beter had ik het niet kunnen zeggen.

Zegt de andere: Wat heet beter.

Vrijdag

Zegt de ene meester: Alles goed?

Zegt de andere: Beter had ik het niet kunnen zeggen.

Zegt de ene: Je had het beter niet kunnen zeggen.

Zegt de andere: Wat heet.

Zaterdag

Zegt de ene meester: Eh…

Zegt de andere: U haalt me de woorden uit de mond.

Zondag

Reiziger in knoopsgaten

Monnik: Wat is verlichting?

Meester: Vertrekken.

Monnik: Hè?

Meester: Je klinkt verrast.

Monnik: Ik dacht dat verlichting aankomen was.

Meester: Maar het is vertrekken.

Monnik: Waarvandaan?

Meester: Van waar je maar denkt te zijn.

Monnik: En als je nou nergens denkt te zijn?

Meester: Dan is dat je vertrekpunt.

Monnik: En als je niet denkt ergens of nergens te zijn?

Meester: Dan ben je al vertrokken.

Monnik: En dat zou verlichting zijn?

Meester: Wat?

Monnik: Vertrokken zijn?

Meester: Denken dat je vertrokken bent is alweer aangekomen zijn.

Monnik: Waar dan?

Meester: Dat hangt ervan af.

Monnik: Waarvan af?

Meester: Of je verlicht bent of onverlicht.

Monnik: Als je verlicht bent?

Meester: Dan is dat je vertrekpunt.

Monnik: En als je onverlicht bent?

Meester: Dan is dat je vertrekpunt.

Monnik: En anders?

Meester: Ben je al vertrokken.

Nablijver

Monnik: Verlichting is vertrekken.

Meester: Dan is dat je uitgangspunt.

Monnik: Ik bedoel, verlichting is onderweg zijn.

Meester: Dan is dat je uitgangspunt.

Monnik: Wat moet ik nou met een uitgangspunt?

Meester: Achter je laten natuurlijk.

Monnik: Maar ik zeg toch dat verlichting vertrekken is?

Meester: Wat draal je dan?

Binnenkruier

Meester: Wat is verlichting volgens jou?

Monnik: Reizen zonder bagage.

Meester: Dan is dat je bagage.

Monnik: Wat?

Meester: Het idee dat verlichting reizen zonder bagage is.

Monnik: Wat is verlichting volgens u?

Meester: Ik zeg niets.

Monnik: Verlichting is eigenlijk niets, wou u zeggen.

Meester: Dan is dat je bagage.

Monnik: Verlichting is niets zeggen, wou u zeggen.

Meester: Dan is dat je bagage.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dan is dat je bagage.

Koekenbakkers

Monnik: Wat is de overeenkomst tussen de verlichte en de onverlichte?

Meester: Beide kletsen maar wat.

Monnik: En het verschil?

Meester: De laatste gelooft erin.

Monnik: U niet?

Meester: Wou jij beweren dat ik verlicht ben?

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Mij niet gezien.

Monnik: Bedoelt u van wel?

Meester: Mij niet gezien.

Monnik: Wat bedoelt u dan?

Meester: Ik klets maar wat.

Monnik: Dus er is geen enkel verschil tussen de verlichte en de onverlichte?

Meester: Kletskoek.

Monnik: Maar u gelooft nergens meer in?

Meester: Jij gelooft ook alles.

Poort 37 – De cipres in de tuin

Een monnik vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma naar China?’ Meester Zhaozhou antwoordde: ‘De cipres in de tuin.’

Rode beuk

Meester: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Monnik: De cipres in de tuin.

Meester: Waarom de cipres in de tuin?

Monnik: Eh…

Meester: Valse christusdoorn.

Trompetboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Waarom niet.

Monnik: Ik bedoel, wat is de kern van het boeddhisme.

Meester: Dat het geen kern heeft?

Monnik: De eenheid van het universum natuurlijk.

Meester: Was dat niet de kern van het monisme?

Monnik: Is in het antwoord ‘de cipres in de tuin’ niet het hele subject verdisconteerd?

Meester: Vraag maar aan die cipres daar.

Monnik: En in het subject de hele werkelijkheid?

Meester: Wat een praatjes heeft het universum weer vandaag.

Monnik: ‘De cipres in de tuin’ maakt in één klap een einde aan alle dualistische gedachten.

Meester: Behalve deze zeker.

Monnik: Dus waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: De ratelpopulier in het klooster.

Duivelsboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: De toverhazelaar in de bovenkamer.

Jeneverbes

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: De tuin in de cipres.

Granaatappel

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Waar is China?

Monnik: Wat?

Meester: Wijs eens aan.

Monnik: Waar is hier het oosten?

Meester: Hoezo?

Monnik: Dan kan ik ernaar wijzen.

Meester: Het oosten zit in je hoofd.

Monnik: Ik kan toch kwalijk naar mijn hoofd gaan wijzen.

Meester: Waar is Bodhidharma?

Monnik: Wat?

Meester: Wijs eens aan.

Monnik: Zeker ook weer in mijn hoofd.

Meester: Hoe komt Bodhidharma in een monnik?

Kraakwilg

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Om beweegredenen te zoeken.

Bittere wilg

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Omdat hij van loempia’s hield.

Monnik: Niet voor de cipres in de tuin?

Meester: Die stond er toen nog niet.

Monnik: Wat betekent de cipres in de tuin?

Meester: Kwam Bodhidharma daar nou voor naar China?

Meelbes

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Waarom gingen Sam en Moos naar het paradijs?

Monnik: Nou?

Meester: Ze gingen niet.

Monnik: Omdat ze naar Parijs gingen zeker.

Meester: Dat vertelt het verhaal niet.

Monnik: Omdat ze er al waren zeker.

Meester: Dat vertelt het verhaal ook niet.

Monnik: Omdat het paradijs hier is zeker.

Meester: Dat vertelt het verhaal ook niet.

Monnik: Omdat er geen paradijs is zeker.

Meester: Dat vertelt het verhaal ook niet.

Monnik: Omdat het een mop is zeker.

Meester: Lachen.

Monnik: O, ik snap het al.

Meester: Wat?

Monnik: Omdat het ware zelf zich uitstrekt in alle tien richtingen.

Meester: Waarom kwam Bodhidharma dan naar China?

Vuilboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Om een Bed & Breakfast te beginnen.

Monnik: Dat is een anachronisme.

Meester: Nee, jij dan.

Monnik: Hoezo?

Meester: Het hangt in een eikenboom en stelt andermans vragen.

Monnik: Wacht even… ik heb het. Een eikel?

Hemelboom

Monnik: Waarom kwam Bodhidharma naar China?

Meester: Om in een grot te zitten.

Monnik: Waarom ging Bodhidharma in een grot zitten?

Meester: Omdat het daar niet sneeuwt.

Monnik: Wat zocht hij in die grot?

Meester: Ruimte.

Monnik: Waarom denkt u dat?

Meester: Anders was hij wel in het gesteente gaan zitten.

Monnik: Waarom ging hij dan met zijn gezicht naar de muur zitten?

Meester: Omdat een grot alleen muren heeft.

Monnik: Een grot heeft toch ook een uitgang?

Meester: Daar was hij nog lang niet aan toe.

Pruikenboom

Monnik: Waarom zat Bodhidharma met zijn gezicht naar de muur?

Meester: Omdat hij dacht dat het een spiegel was.

Monnik: Wat hoopte hij in die spiegel te zien?

Meester: Zijn ware gezicht.

Monnik: En, heeft hij het gezien?

Meester: Ga zelf maar eens met je gezicht naar de muur zitten.

Monnik: Hoe lang moet ik daarmee doorgaan?

Meester: Zolang je denkt dat het een spiegel is.

Treurwilg

Monnik: Waarom zat Bodhidharma acht jaar in een grot?

Meester: Omdat hij de uitgang niet kon vinden.

Monnik: Waarom kon hij de uitgang niet vinden?

Meester: Omdat hij daardoor binnen was gekomen.

Monnik: Waarom zat hij met zijn gezicht naar de muur?

Meester: Omdat hij daar de uitgang hoopte te vinden.

Monnik: Maar de uitgang is toch gewoon de ingang?

Meester: Niet zolang je hem zoekt.

Kruipwilg

Monnik: Wat is Boeddha?

Meester: Een standbeeld in de tuin.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Zijn sokkel.

Doodsbeenderenboom

Monnik: Wie is Bodhidharma?

Meester: Een dode in een koan.

Monnik: Wat ben ik?

Meester: Zijn graf.

Levensboom

Monnik: Wie is Bodhidharma?

Meester: Een dode in een koan.

Monnik: Wat is rinzai?

Meester: Een koan in een dode.

Monnik: Wat is soto?

Meester: Doden zonder koan.

Monnik: Wat bent u?

Meester: Een koan zonder dode.

Bonsai

Monnik: Waarom ging het boeddhisme naar China?

Meester: Omdat het werd beknot in India.

Monnik: Waarom ging ch’an naar Japan?

Meester: Omdat het werd beknot in China.

Monnik: Waarom kwam zen naar het westen?

Meester: Omdat het werd beknot in Japan.

Monnik: Wat is zen in de lage landen?

Meester: De bonsai op de binnenplaats.

Bladwijzer

De Grote Weg

‘Ik word een boom!’ riep het ene lenteblad tegen het andere.
‘Ik blijf het proberen!’ riep het ene zomerblad tegen het andere.
‘Ik laat niet los!’ riep het ene herfstblad tegen het andere.
‘Ik geef het op!’ riep het ene winterblad tegen het andere.

De kleine weg

‘Daar zijn we dan’, zei het ene lenteblad tegen het andere.
‘Daar hangen we dan’, zei het ene zomerblad tegen het andere.
‘Daar gaan we dan’, zei het ene herfstblad tegen het andere.
‘Dat was het dan’, zei het ene winterblad tegen het andere.

Poort 38 – Ossenstaart

Wuzu zei: ‘Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet doorheen?’

38 buffel zonder staart
Waarom kan zijn staart er niet doorheen?

Kop en kont

Voor het ochtendmaal

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet doorheen?

Meester: Omdat hij in de soep zit.

Voor het avondmaal

Monnik: Er hangt een staart door het hek. Waarom kan de os er niet doorheen?

Meester: Omdat hij in de soep zit.

Krijg een staart

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat het hek op zijn kont hangt.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat hij het hek is.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat er nóg een hek staat.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat er geen hek is.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat hij geen staart heeft.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat het geen os is.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat hij in zijn bek zit.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat hij aan weerszijden een kop heeft.

Monnik: Er loopt een os door het hek. Zijn hoorns, kop en poten zijn er al door. Waarom kan zijn staart er niet door?

Meester: Omdat hij achteruit loopt.

Monnik: Er staat een os voor het hek. Waarom kan hij er niet door?

Meester: Omdat het hek midden in het weiland staat.

Monnik: Maar dan kan hij er toch omheen?

Meester: Maar dan gaat zijn staart er niet doorheen.

Staartbrekens

Meester: Er staat een os voor zijn staart. Waarom loopt hij niet verder?

Monnik: Nou?

Meester: Omdat hij hem niet achter wil laten.

Monnik: Ik snap het niet.

Meester: Er staat een monnik onder zijn hoofd. Waarom loopt hij niet verder?

Monnik: Ik pieker me suf.

Meester: Omdat het er dan af valt.

Monnik: Hoe stom kun je zijn.

Meester: Er staat een bodhisattva bij een boeddhabeeld.

Pauwenstaart

Monnik: Waarom kan ik mijn ego niet overwinnen?

Meester: Wie zou dat dan moeten doen?

Monnik: Ik snap het niet.

Meester: Overwinnen is iets van het ego.

Monnik: Wat als je het overwinnen overwint?

Meester: Overwinnen is iets van het ego.

Blauwstaart

Monnik: Waarom kan ik mijn ego niet overwinnen?

Meester: Omdat het leeg is.

Monnik: Hoe kan ik de leegte realiseren?

Meester: Leegte valt niet te realiseren.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Omdat ze leeg is.

Monnik: De leegte is ook leeg?

Meester: Wat?

Monnik: Maar ik wil iets doen.

Meester: Doen is iets van het ego.

Monnik: Moeten we dan alles maar laten?

Meester: Laten is iets van het ego.

Monnik: Is alles dan van het ego?

Meester: Welk ego?

Monnik: Ik word hier niet vrolijk van.

Meester: Omdat je niet kunt winnen?

Monnik: Ik kan het niet uitstaan.

Meester: Troost je.

Monnik: Hoezo?

Meester: Je kunt ook niet verliezen.

Apenstaart

Non-dualiteit voor beginners

‘Wie is de baas, de meester of zijn lul?’

‘De meester is de lul.’

Staartlicht

Zes jaar lang zat eerwaarde Hoelang met de koan: ‘Waarom lust een ossenstaart geen soep?’ Pas toen hij een medemonnik bij het bedelen hoorde vragen: ‘Waarom heeft deze soep geen ossenstaart?’ ging hem een lichtje op.

Staartdeling

Monnik: Kent u die van de os die niet met zijn staart door het hek kon?

Meester: Welke bedoel je?

Monnik: Zijn er meerdere dan?

Meester: Ik ben de tel kwijt.

Monnik: Volgens mij staat de os voor de drie illusoire werelden van de zinnelijke begeerte, de vorm en de niet-vorm. Levende wezens die in deze drie werelden verblijven, hebben hun ware natuur nog niet…

Meester: Ik dacht dat er vier illusoire werelden waren.

Monnik: Welke dan?

Meester: Die van de zinnelijke begeerte, de vorm, de niet-vorm en de ware natuur.

Monnik: Afijn, levende wezens die in deze drie, eh, vier illusoire werelden verblijven, zijn verbannen uit de wereld van de eenheid en…

Meester: Dat is vijf.

Monnik: De wereld van de eenheid behoort ook tot de illusoire werelden?

Meester: Tenzij dat ook een illusie is.

Monnik: Afijn, levende wezens in deze vijf, eh, zes werelden denken nog steeds in tegenstellingen en…

Meester: Dat is zes of zeven.

Monnik: … concepten zoals subject en object, illusie en werkelijkheid, eenheid en veelheid, wou ik zeggen.

Meester: Om nog maar te zwijgen van ‘levend’, ‘wezen’, ‘wereld’, ‘tegenstelling’ en ‘concept’.

Monnik: Afijn, in deze zeven, eh, acht, eh, negen…

Meester: Is er wat?

Monnik: Ik ben de tel kwijt.

Meester: Maakt niet uit.

Monnik: In deze, eh, in al deze illusoire werelden, eh…

Meester: Is er wat?

Monnik: Ik ben de draad kwijt.

Meester: Ken je die van de os die niet met zijn staart door het hek kon?

Vraagstaart

Monnik: Kent u die van de os die niet met zijn staart door het hek kon?

Meester: Hou op, schei uit.

Monnik: Waarvoor staat die staart?

Meester: Wedden dat jij me dat haarfijn uit kunt leggen?

Monnik: Ik dacht voor het ego. Of voor het beest in de mens. Of voor de mens in de boeddha. Of voor het conceptuele denken. Of voor de leegte die nog achtergelaten moet worden nadat je de vorm hebt doorzien. Of voor de laatste vraag die zelfs in de hoogste wijsheid onbeantwoord blijft. Of voor de blinde vlekken en conditioneringen waarvan zelfs de volmaakt verlichte niet vrij is…

Meester: Ja?

Monnik: Er was nog iets…

Meester: Daar kun je donder op zeggen.

Monnik: Donder op.

Meester: Dat lucht op.

Monnik: Waarvoor staat die staart volgens u?

Meester: Voor de staart, zou ik zeggen.

Monnik: Symbolisch, bedoel ik.

Meester: Voor de kop dan maar.

Monnik: En die kop?

Meester: Voor de kont natuurlijk.

Monnik: Serieus?

Meester: Voor de onbedwingbare neiging vragen te stellen.

Monnik: Is dat alles?

Meester: Voor de onbedwingbare neiging antwoord te geven.

Monnik: Aha.

Meester: Voor de onbedwingbare neiging koans op te geven.

Monnik: Hoor wie het zegt.

Meester: Voor de onbedwingbare neiging koans op te lossen.

Monnik: Het waren anders niet mijn oplossingen, hoor.

Meester: Ik was er al bang voor.

Monnik: Ze zijn stuk voor stuk afkomstig van gerenommeerde zenmeesters.

Meester: Daar heb je het al.

Monnik: Wat?

Meester: Niets helpt.

Monnik: Nee, u dan.

Meester: Wie?

Monnik: U speculeert er ook op los.

Meester: Kun je nagaan.

Monnik: O, ik weet het alweer.

Meester: Zie je wel…

Monnik: Volgens mij staat de staart voor het leven van alledag dat overblijft als het dualistische denken voorgoed bedwongen is.

Meester: … Niets helpt.

Ouroboros

Monnik: Bent u helemaal van uw gedachten verlost?

Meester: Welnee.

Monnik: Denkt u dan nog steeds?

Meester: Onophoudelijk.

Monnik: Ik ook.

Meester: En?

Monnik: Ik dacht al dat het aan mij lag.

Meester: En nou denk je weer van niet?

Monnik: U denkt toch ook nog steeds?

Meester: Wat bewijst dat?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Dat denk jij.

Monnik: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Jouw denken bijt wild om zich heen, op zoek naar houvast.

Monnik: En het uwe?

Meester: Dat bijt zichzelf in de staart.

Monnik: Is dat niet nog steeds een houvast?

Meester: Jawel…

Monnik: Maar?

Meester: Niet meer aan iets anders.

Poort 39 – Naprater

Een monnik begon: ‘De stille schittering van de boeddha verlicht het hele heelal…’ Meester Yunmen onderbrak hem: ‘Zijn dat niet de woorden van de grote Zhang Zhou?’ ‘Jawel’, zei de monnik. ‘Foutje’, zei Yunmen.

Later bracht meester Sixin de kwestie opnieuw ter sprake en vroeg: ‘Wat deed de monnik verkeerd?’

Bloemen van de verbeelding

Het citaat waarop de monnik in koan 39 van de Poortloze Poort wordt afgerekend (‘De stille schittering van de boeddha verlicht het hele heelal’) is de eerste regel van het verlichtingsgedicht van ch’anmeester Zhangzhuo Xiucai (Chosetsu Shusai), dat al op vele manieren vertaald is, nu weer door mij:

In alle werelden schijnt hetzelfde licht.
Wijzen en dwazen, ieder schepsel is al thuis.
Waar gedachten niet blijven hangen is alles helder.
Wie zijn zintuigen of geest volgt, rent rond in een dichte mist.
Wie het zoekt in soberheid vergroot zijn onrust.
Wie de waarheid wil bezitten, grijpt ernaast.
Aardse zaken bezoedelen niemand.
Nirwana, leven en dood zijn bloemen van de verbeelding.

(bron: Zen and Zen Classics Volume Four: Mumonkan, Case XXXIX Ummon and a Mistake, R.H. Blyth, Hokuseido Press 1966, p257-258)

Hangen en wurgen

Monnik: ‘In alle werelden schijnt hetzelfde licht.’

Meester: Ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.

Monnik: ‘Wijzen en dwazen, ieder schepsel is al thuis.’

Meester: Ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.

Monnik: ‘Waar gedachten niet blijven hangen is alles helder.’

Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?

Monnik: ‘Wie zijn zintuigen of geest volgt, rent rond in een dichte mist.’

Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?

Monnik: Ik citeer alleen maar de grote wijze Zhangzhuo Xiucai.

Meester: Wijzen en dwazen, ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.

Monnik: Dat komt omdat ieder schepsel al thuis is.

Meester: Uit en thuis, ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.

Monnik: ‘Wie het zoekt in soberheid vergroot zijn onrust.’

Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?

Monnik: ‘Wie de waarheid wil bezitten, grijpt ernaast.’

Meester: En waar deze gedachte blijft hangen?

Monnik: ‘Aardse zaken bezoedelen niemand.’

Meester: Ik heb ze nooit van hemelse kunnen onderscheiden.

Monnik: ‘Nirwana, leven en dood zijn bloemen van de verbeelding.’

Meester: Ik heb ze nooit uit elkaar kunnen houden.

Monnik: Dat komt doordat het bloemen van de verbeelding zijn.

Meester: De verbeelding net zo goed.

Goed fout

Monnik: Toen een monnik het verlichtingsgedicht van Zhang Zhou begon te citeren, kreeg hij op zijn kop van meester Yunmen. Wat had hij fout gedaan?

Meester: Hetzelfde als Zhang Zhou en Yunmen.

Monnik: Later bracht meester Sixin de kwestie ter sprake en vroeg op zijn beurt wat de monnik precies fout had gedaan.

Meester: Hetzelfde als Sixin.

Monnik: Maar wat hebben Zhang Zhou, de monnik, Yunmen en Sixin dan fout gedaan?

Meester: Hetzelfde als ik.

Monnik: Maar wat hebt u dan fout gedaan?

Meester: Zeggen dat Zhang Zhou, de monnik, Yunmen, Sixin en ik iets fout hebben gedaan.

Monnik: Omdat goed en fout niet bestaan?

Meester: Begin jij nou ook al?

Wat geen oor kan horen

Monnik: ‘De stille schittering van de boeddha verlicht het hele…’ Is er iets?

Meester: WAT?

Monnik: Waarom hebt u uw vingers in uw oren?

Meester: WAT?

Monnik: IS ER IETS?

Meester: WAT?

Monnik: HAAL UW VINGERS UIT UW OREN.

Meester: Vooruit dan maar weer.

Monnik: Hoe moet ik het dan zeggen?

Meester: Wat zeggen?

Monnik: Door niets te zeggen?

Meester: Waarover?

Monnik: Er valt niets te zeggen, wou u zeggen.

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Dan zeg ik wel niets meer.

Meester: Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.

Monnik: Mag ik nog wat zeggen?

Meester: Even mijn vingers in mijn oren doen.

Monnik: Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is?

Meester: WAT?

Gelovige Thomas

Monnik: Geloof niets van wat ik zeg.

Meester: Zelf bedacht?

Monnik: Eh… nee.

Meester: Citaatje?

Monnik: Eh… ja.

Meester: Van wie?

Monnik: Van ene Linji.

Meester: Waarom juist dit citaat?

Monnik: Omdat ik, eh…

Meester: Erin geloof?

Monnik: …

Meester: Waarom juist op dit moment?

Monnik: Omdat ik, eh…

Meester: Wou scoren?

Monnik: …

Meester: Maakt niet uit.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Ik geloofde het toch al niet.

Draadje los

Monnik: Wat is boeddhisme?

Meester: Voor het praatje gaan.

Monnik: Wat is verlichting?

Meester: Tot het gaatje gaan.

Monnik: Wat is boeddhisme?

Meester: Tot het gaatje gaan.

Monnik: Wat is verlichting?

Meester: Door het gaatje gaan.

Monnik: Wat is een leerling?

Meester: Een praatjesmaker.

Monnik: Wat is een leraar?

Meester: Een gaatjesmaker.

Monnik: Waar wringt de schoen voor de leerling?

Meester: Praatjes lusten geen gaatjes.

Monnik: Waar wringt de schoen voor de leraar?

Meester: Gaatjes lusten geen praatjes.

Monnik: Er is geen spijker zo klein of men vindt er wel een gaatje voor.

Meester: Er is geen gaatje zo klein of men vindt er wel een praatje voor.

Monnik: Ik wil altijd het naadje van de kous weten.

Meester: Ik het gaatje.

Naatje

Niet het praatje, niet het gaatje
Niet het praatje én het gaatje
Niet het praatje noch het gaatje
Niet het praatje van het gaatje
Niet het gaatje van het praatje
Niet het praatje van het praatje
Niet het gaatje van het gaatje
Niet het praatje zonder praatje
Niet het gaatje zonder gaatje
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Gezegend zijn de vervloekten

Monnik: Wat hebt u mij te zeggen?

Meester: …

Monnik: Bedoelt u dat er niets te zeggen valt?

Meester: …

Monnik: Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is?

Meester: …

Monnik: Bedoelt u dat er geen waarheid is?

Meester: …

Monnik: Wat bedoelt u dan?

Meester: …

Monnik: Doelt u op niet-bedoelen?

Meester: …

Monnik: Doelt u op het niets?

Meester: …

Monnik: Doelt u op de stilte die wij zijn?

Meester: …

Monnik: Hebt u dan helemaal niets te zeggen?

Meester: …

Monnik: Vindt u dat we moeten zwijgen?

Meester: …

Monnik: Verdomd…

Meester: Wat?

Monnik: …

Meester: Wat heb je mij te zeggen?

Monnik: …

Meester: Bedoel je dat er niets te zeggen valt?

Monnik: …

Meester: Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?

Monnik: …

Meester: Bedoel je dat er geen waarheid is?

Monnik: …

Meester: Wat bedoel je dan?

Monnik: …

Meester: Doel je op niet-bedoelen?

Monnik: …

Meester: Doel je op het niets?

Monnik: …

Meester: Doel je op de stilte die wij zijn?

Monnik: …

Meester: Heb je dan helemaal niets te zeggen?

Monnik: …

Meester: Vind je dat we moeten zwijgen?

Monnik: …

Meester: Verdomd…

Monnik: Wat?

Meester: …

Monnik: …

Poort 40 – Geen pispot

Baizhang zocht een abt voor een nieuw klooster op de berg Dawei. Hij riep de monniken bijeen, zette een pispot op de grond en vroeg: ‘Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?’ De hoofdmonnik zei: ‘Geen boomstronk.’ ‘En jij?’ vroeg Baizhang. Guishan trapte de pot omver en liep naar buiten.

Baizhang zei lachend: ‘De hoofdmonnik heeft verloren.’ Daarop benoemde hij keukenmeester Guishan tot abt.

Hoofdzaak

De meester zocht een abt voor het nieuwe klooster op de berg, en iedereen had er wel oren naar. Hij riep de monniken bijeen, zette een pispot op de grond en vroeg: ‘Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?’

De monniken begonnen door elkaar heen te roepen: ‘Een waterkruik!’ ‘Een bloemenvaas!’ ‘Een waskom!’ ‘Een eetkom!’ Een hoedje!’ ‘Een gebruiksvoorwerp!’ ‘Een artefact!’ ‘Een object!’ ‘Het subject!’ ‘Het zelf!’ ‘Niet-zelf!’ ‘Het ene!’ ‘De boeddhanatuur!’ ‘Energie!’ ‘Materie!’ ‘Vorm!’ ‘Leegte!’ ‘Een lege vorm!’ ‘De vorm van leegte!’ ‘De werkelijkheid!’

De meester greep zijn stok en de stemming sloeg om. ‘Een illusie!’ piepte een monnik. De meester bracht zijn stok in de aanslag. ‘Een helm!’ riep een monnik met overslaande stem. De meester deed een stap naar voren en gaf hem op zijn kop. ‘Nou moe’, huilde de monnik. ‘Had hem dan ook opgezet’, zei de meester. ‘Had u me dan tot abt benoemd?’ vroeg de monnik door zijn tranen heen. ‘Welnee.’ ‘Wat dan?’ ‘Dan was je nu doof geweest’, lachte de meester.

Nog altijd zoekt hij een abt voor het nieuwe klooster op de berg, maar niemand heeft er nog oren naar.

Nachtspiegel

De meester zocht een abt voor het nieuwe klooster op de berg, maar voelde er zelf ook wel wat voor.

Hij riep de monniken bijeen, zette een pispot op zijn hoofd en vroeg: ‘Hoe noem je dit als je het geen helm mag noemen?’ Voordat iemand antwoord kon geven, riep hij: ‘Je oorspronkelijke gezicht.’

De volgende dag benoemde hij zichzelf tot abt van het nieuwe klooster.

Vrijwilligers

De meester zocht een abt voor het nieuwe klooster op de berg, maar niemand had er zin in. Hij riep de monniken bijeen, zette een pispot op de grond en vroeg: ‘Hoe noem je dit als je het geen pispot mag noemen?’

De hoofdmonnik zei: ‘Geen pispot.’ De andere monniken schoten in de lach. De meester zei: ‘Even serieus.’ De kok zei: ‘Een meester.’ ‘Anders wijs ik iemand aan hoor’, zei de meester bars. De jongste bediende zei met trillende stem: ‘Het nieuwe klooster op de berg.’ De meester riep: ‘Dat zal het zijn’, en benoemde de jongste bediende tot abt.

Kort daarop vertrokken alle monniken naar het nieuwe klooster op de berg.

Pispaal

De meester zette een pispot op de grond. Een van de monniken maakte een wegwerpgebaar. Een andere monnik stond op, trok zijn gewaad omhoog, hurkte boven de pot en plaste zijn blaas leeg. De een na de ander volgde zijn voorbeeld, tot de pot overliep.

De meester wees naar de pispot en zei benauwd: ‘Wie weet wat dit is?’ Een monnik zei: ‘Ja, wie niet.’ Een monnik zei: ‘Wat eigenlijk.’ Een monnik zei: ‘Wie wil dat weten.’ Een monnik zei: ‘Goeie vraag.’

Een monnik riep: ‘Met vuur spelen!’ Een monnik bootste een sirene na. Een monnik riep: ‘Brand!’ Een monnik goot de pot leeg over de meester. Een monnik riep: ‘Golden shower!’ Een monnik riep: ‘Alle zegen komt van boven!’ De meester huilde: ‘Dit is de druppel!’

Kort daarop verruilde hij het klooster voor een hutje op de berg.

Buiten de pot

Meester: Je kunt dit geen pispot noemen.

Monnik: Wedden?

Meester: Ik bepaal hier de regels, ja.

Monnik: Alles gaat voorbij.

Meester: D’ruit!

Monnik: Je kunt dit geen leraar noemen.

Bevrijdingskoan van meester Sst

Eerst was een pispot een pispot en een koan een koan. Toen was een pispot een koan en een koan een pispot. Nu is een pispot weer een pispot, maar een koan zal nooit meer een koan zijn.

Langs berg en dal

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren, toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren en nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.1

Meester: En toen en toen en toen.

Monnik: Nou en?

Meester: Zo blijf je aan de gang.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester, uit volle borst: Langs berg en dal klinkt hoorngeschal!2


1. Deze uitspraak wordt toegeschreven aan Qingyuan Weixin (Ch’ing-yüan Wei-hsin; Seigen Ishin; 9e eeuw) door D. T. Suzuki (in zijn Essays in Zen Buddhism, First Series, 1926, p. 24):

Before a man studies Zen, to him mountains are mountains and waters are waters; after he gets an insight into the truth of Zen through the instruction of a good master, mountains to him are not mountains and waters are not waters; but after this when he really attains to the abode of rest, mountains are once more mountains and waters are waters.

2. Eerste regel van een oud liedje van F. Silcher

Denktank

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren, toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren en nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: Ik heb het niet zelf bedacht.

Meester: Als ik het niet dacht.

Monnik: Ik zie het zo. Eerst was het subject het subject en het object het object. Toen was het subject het object en het object het subject. Nu is het subject het subject én het object, en het object is het object én het subject.

Meester: Ik dacht het gisteren nog.

Monnik: Laat ik het dan zo zeggen. Eerst was binnen binnen en buiten buiten. Toen was buiten binnen en binnen buiten. Nu is binnen binnen én buiten, en buiten is buiten én binnen.

Meester: En waar is deze gedachte?

Monnik: Wat dacht u hiervan? Eerst was vorm vorm en leegte leegte. Toen was vorm leegte en leegte vorm. Nu is vorm vorm én leegte, en leegte is leegte én vorm.

Meester: Krijg het aan je hartsoetra.

Monnik: Eerst was alles verschil. Toen was alles eenheid. Nu is eenheid eenheid in verschil, en verschil is verschil in eenheid.

Meester: Je kunt me nog meer vertellen.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Eerst waren gedachten werkelijkheden, toen waren werkelijkheden gedachten.

Monnik: En nu?

Meester: In jouw geval of in het mijne?

Monnik: In het mijne.

Meester: Zijn gedachten waarheden.

Monnik: En in uw geval?

Meester: Zijn gedachten gedachten.

Monnik: Eerst waren gedachten werkelijkheden, toen waren werkelijkheden gedachten en nu zijn gedachten gedachten?

Meester: Hoe bedenk je het.

Monnik: En die waarheden dan?

Meester: Je bedenkt het maar.

Bij wijze van zwijgen

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.

Meester: Hm.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Nu zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Jaren later

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Meester: Hm.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: ‘Nu’ zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Jaren later

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. ‘Nu’ zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Meester: Eerst?

Jaren later

Monnik: ‘Eerst’ waren bergen bergen en rivieren rivieren…

Meester: Bergen?

Jaren later

Monnik: ‘Eerst’ waren ‘bergen’ bergen en ‘rivieren’ rivieren. ‘Toen’ waren ‘bergen’ geen bergen meer en ‘rivieren’ geen rivieren. ‘Nu’ zijn bergen ‘bergen’ en rivieren ‘rivieren’.

Meester: Hm.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: ‘Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.’

Monnik: Dat scheelt een hoop aanhalingstekens.

Meester: Achttien vliegen in één klap.

Jaren later

Monnik: Eerst waren bergen bergen en rivieren rivieren. Toen waren bergen geen bergen meer en rivieren geen rivieren. Nu zijn bergen weer bergen en rivieren weer rivieren.

Meester: Hè?

Monnik: Als toch alles tussen aanhalingstekens staat, kun je ze net zo goed weglaten.

Meester: En als die aanhalingstekens op hun beurt tussen aanhalingstekens staan?

Monnik: Hè?

Jaren later

Monnik: Eh… eh…

Meester: Hè hè.

Bergen verzetten

Monnik: Wat zijn bergen?

Meester: Sterke lokale verheffingen van het aardoppervlak.

Monnik: Ik bedoel, wat zijn bergen nou echt.

Meester: Oh, zo.

Monnik: Nou?

Meester: ‘Bergen’.

Monnik: Bergen zijn eigenlijk ‘bergen’?

Meester: Wat anders.

Monnik: Bedoelt u dat ze niet echt zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat ze wel degelijk echt zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat ze echt en onecht tegelijk zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat ze echt noch onecht zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat ze echter dan echt zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat ze voorbij echt en niet echt zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat universalia alleen maar namen zijn?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat de vraag wat bergen zijn geen antwoord heeft?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Bedoelt u dat u het verschil tussen echt en onecht niet kent?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Wat bedoelt u dan?

Meester: Precies wat ik zeg.

Monnik: Bergen zijn ‘bergen’.

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Leve de dode

Monnik: Waarmee kun je de levende boeddha vergelijken?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Monnik: Wat is de crux van niet-weten?

Meester: Zelfs niet weten van niet-weten.

Monnik: Is dat het toppunt van niet-weten of het einde ervan?

Meester: Het einde van dit soort kwesties.

Monnik: Zijn bergen dan weer bergen en rivieren weer rivieren?

Meester: Zijn vragen dan nog vragen?

Dood de boeddhadoder

Monnik: Waarmee kun je niet-weten vergelijken?

Meester: Met het doden van de boeddha.

Monnik: Waarmee kun je niet weten van niet-weten vergelijken?

Meester: Met het doden van de boeddhadoder.

Monnik: Waarom moeten wij de boeddha en de boeddhadoder doden?

Meester: Om ze tot leven te wekken.

Monnik: Waarmee kun je de levende Boeddha vergelijken?

Poort 41 – Arm van geest

Bodhidharma zat onverstoorbaar met zijn gezicht naar de muur. Zijn toekomstige opvolger Hui-k’o, de tweede zenpatriarch, stond uren op hem te wachten in de sneeuw. Ten einde raad hakte Hui-k’o zijn arm af boven de elleboog en liet hem aan Bodhidharma zien met de woorden: ‘Mijn geest kan geen rust vinden. Ik smeek u meester, breng mijn geest tot rust.’ ‘Breng me je geest en ik breng hem tot rust’, zei Bodhidharma. ‘Maar die kan ik juist niet vinden’, riep Hui-k’o uit. ‘Dan is je geest tot rust gebracht.’

De allegorie van de grot

Bodhidharma zat al negen jaar onverstoorbaar in een grot met zijn gezicht naar de muur. Daar was niets te zien, behalve soms wat schaduwen van buiten. Tenzij het helemaal geen schaduwen van buiten zijn, peinsde Bodhidharma, maar de volle werkelijkheid.

Om toch maar niets van die prachtige grotesken te hoeven missen bleef Bodhidharma onbeweeglijk met zijn gezicht naar de muur zitten. ‘Leegte is schaduw, schaduw is leegte’, prevelde hij keer op keer, en wentelde zich in zijn wijsheid.

Zijn gedoodverfde opvolger, Hui-k’o, stond wanhopig in de sneeuw te wachten en wist niet wat hij doen moest om de aandacht van Bodhidharma te trekken. Toen hij ten einde raad zijn eigen arm afhakte om ten minste de bodhisattva in Bodhidharma te wekken, gaf ook deze geen sjoege.

Pulserend spoot het bloed uit de stomp, een krachtige straal die snel afnam terwijl de verminkte langzaam door zijn knieën zakte en voorover met zijn gezicht in de sneeuw viel. ‘Wat een schitterende schaduwen weer vandaag’, riep Bodhidharma opgetogen in zijn grot.

En zo komt het dat we vandaag de dag nog steeds geen opvolger voor de eerste zenpatriarch hebben.

Boeddhabeeld

Bodhidharma zat ongeduldig te wachten op zijn toekomstige opvolger Hui-k’o, de tweede zenpatriarch, die, om te bewijzen hoe belangrijk deze audiëntie voor hem was, per se niet binnen wilde komen, maar als een standbeeld in de sneeuw bleef staan.

Ten einde raad hakte Bodhidharma zijn eigen arm af en liet hem aan zijn gedoodverfde opvolger zien, die echter geen spier vertrok. ‘U kunt daar toch niet eeuwig blijven staan,’ riep Bodhidharma dodelijk bezorgd, ‘zo kan mijn geest geen rust vinden.’ Hij viel op zijn knieën en smeekte: ‘Meester, breng mijn geest tot rust.’ Tevergeefs.

Huilend krabbelde Bodhidharma overeind en probeerde met zijn overgebleven arm de tweede patriarch naar binnen te duwen. Hui-k’o viel om als een blok, bevroren van top tot teen, en spatte in scherven uiteen.

Zo werden kort na elkaar twee geesten tot rust gebracht – eentje zelfs voorgoed.

Dokter Parkinson

Bodhidharma zat als altijd onverstoorbaar met zijn gezicht naar de muur van zijn grot. Zijn opvolger Hui-k’o, de tweede zenpatriarch, stond maar te wachten in de sneeuw.

Toen hij het niet meer uithield, riep Hui-k’o: ‘Mijn arm kan geen rust vinden. Ik smeek u, meester, breng mijn arm tot rust.’ ‘Breng me je arm en ik breng hem tot rust’, antwoordde Bodhidharma.

De tweede zenpatriarch hakte zijn arm af boven de elleboog en legde hem aan de voeten van de eerste. ‘Nu is je arm tot rust gebracht’, zei Bodhidharma vriendelijk, en richtte zijn aandacht weer op de muur.

Muurvast

Bodhidharma zat als altijd onverstoorbaar met zijn gezicht naar de muur van zijn grot. Zijn toekomstige opvolger Hui-k’o, de tweede zenpatriarch, stapte naar binnen en smeekte: ‘Meester, breng mijn geest tot rust.’ Bodhidharma zei: ‘Waarom denk je dat ik hier al negen jaar naar die muur zit te koekeloeren?’

Na een poosje vroeg Hui-k’o: ‘Hoe lang blijft u nog in deze grot zitten?’ ‘Net zolang tot ik eruit ben.’ ‘Waaruit?’ ‘Als ik dat eens wist’, zei Bodhidharma ongelukkig. ‘Bij nader inzien hoeft mijn geest niet meer tot rust te worden gebracht’, antwoordde Hui-k’o. Met een zucht van verlichting stapte hij naar buiten. ‘Hoezo?’ riep Bodhidharma hem na. ‘Ik ben er al uit’, schalde het door de bergen.

R.I.P.

Een pelgrim klopte aan en smeekte: ‘Meester, breng mijn geest tot rust.’ ‘Breng me je geest en ik breng hem tot rust’, gaapte de meester en rekte zich uit.

De pelgrim sneed zijn lul eraf en gaf hem aan de meester. ‘Is dit je geest?’ ‘In elk geval is het een bron van onrust.’ Achteloos wierp de meester het bloederige geval in een kist.

Verbaasd liep de bedevaartganger zijn lul achterna. De kist, die kwalijk riekte, zat vol armen, benen, handen, voeten, ogen, oren, tongen, geslachtsdelen van beiderlei kunne en massa’s, massa’s haar.

De pelgrim kneep zijn neus dicht en zei: ‘Wat we al niet doen om gemoedsrust te vinden.’ ‘Dit is nog niets,’ zei de meester, ‘je zou het kerkhof eens moeten zien.’

Het laatste woord

Monnik: Meester, breng mijn geest tot rust.

Meester: Breng me je geest en ik breng hem tot rust.

Monnik: Ik kan mijn geest niet vinden.

Meester: Dan is je geest tot rust gebracht.

Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds zo onrustig?

Meester: Wat zeg je me daar?

Monnik: Zou het mijn ziel soms zijn?

Meester: Breng me je ziel en ik breng hem tot rust.

Monnik: Die kan ik ook al niet vinden.

Meester: Dan is je ziel tot rust gebracht.

Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds zo onrustig?

Meester: Wat zeg je me daar?

Monnik: Zou het mijn hart soms zijn?

Meester: Breng me je hart en ik breng het tot rust.

Monnik: Dat kan ik ook al niet vinden.

Meester: Dan is je hart tot rust gebracht.

Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds zo onrustig?

Meester: Wat zeg je me daar?

Monnik: Zou het mijn wil soms zijn?

Meester: Breng me je wil en ik breng hem tot rust.

Monnik: Die kan ik ook al niet vinden.

Meester: Dan is je wil tot rust gebracht.

Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds onrustig?

Meester: Wat zeg je me daar?

Monnik: Zou het het zelf soms zijn?

Meester: Breng me het zelf en ik breng het tot rust.

Monnik: Dat kan ik ook al niet vinden.

Meester: Dan is het zelf tot rust gebracht.

Monnik: Waarom ben ik dan nog steeds zo onrustig?

Meester: Dan weet ik het ook niet meer.

Monnik: Wat zegt u me daar?

Meester: Je hoorde me wel.

Monnik: Ik wist het wel.

Meester: Wat zeg je me daar?

Monnik: Dat ik het ook niet meer weet.

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Dan valt er ook niets meer tot rust te brengen.

Meester: Dan blijven we maar onrustig.

Monnik: Waarom word ik nou ineens zo rustig?

Meester: Daar zeg je me wat.

Rust vinden in je onrust

Monnik: Wat is zen?

Meester: Rust vinden in je onrust.

Monnik: Ben je dan rustig of onrustig?

Meester: Dan ben je rustig onder je onrust.

Monnik: En als je onrustig bent onder je onrust?

Meester: Dan ben je dáár wel rustig onder.

Monnik: Ik wil alleen maar rust.

Meester: Dat is nou net wat je zo onrustig maakt.

Monnik: Hoe noem je iemand die zuivere rust heeft gevonden?

Meester: Zonder enige onrust?

Monnik: Nou?

Meester: Dood.

Het heilige der heiligen

Monnik: Wat is gemoedsrust?

Meester: De achtergrond van je onrust.

Monnik: Hoe kom ik daar?

Meester: Niemand wordt er toegelaten.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Om de rust niet te verstoren.

Rust raast

Monnik: Wat is zen?

Meester: Rustig zijn als je rustig bent, onrustig zijn als je onrustig bent.

Monnik: En daar vrede mee hebben?

Meester: Of onvrede, net wat er komt.

Monnik: En dáár vrede mee hebben?

Meester: Of onvrede, net wat er komt.

Monnik: Maar zo ben ik al.

Meester: Je wilt het alleen nog niet weten.

Monnik: Als ik het eenmaal onder ogen zie, zal ik dan eindelijk rust hebben?

Meester: Zie je wel?

Monnik: Wat?

Meester: Je wilt het nog steeds niet weten.

Zoals het komt

Monnik: Je moet het leven nemen zoals het komt.

Meester: En als er afwijzen komt?

Zoals het gaat

Monnik: Je moet het leven nemen zoals het komt.

Meester: Als je maar niet denkt dat het leven dat met jou doet.

Zoals het voelt

Monnik: Je moet het leven nemen zoals het komt.

Meester: Waarom?

Monnik: Voor je gemoedsrust.

Meester: Wat is er mis met onrust?

Monnik: Onrust is een naar gevoel.

Meester: Moet je je gevoelens dan niet nemen zoals ze komen?

Zoals het is

Monnik: Je moet de dingen nemen zoals ze zijn.

Meester: Ik zou best willen…

Monnik: Maar?

Meester: Wie weet hoe de dingen zijn?

Zoals je bent

Monnik: Je moet de dingen nemen zoals ze zijn.

Meester: En als je dat niet kunt?

Monnik: Dan moet je nog meer oefenen.

Meester: Waarom?

Monnik: Om jezelf te veranderen.

Meester: Waarom moet je veranderen?

Monnik: Om de dingen te kunnen nemen zoals ze zijn.

Meester: Moet je jezelf dan niet nemen zoals je bent?

Als je bent

Monnik: Je moet jezelf nemen zoals je bent.

Meester: Wie zegt dat je bent?

Wie je bent

Monnik: Je moet jezelf nemen zoals je bent.

Meester: En als je steeds een ander bent?

Hoe je bent

Kun je je erbij neerleggen dat je je ergens niet bij kunt neerleggen?

Monnik: Je moet jezelf nemen zoals je bent.

Meester: En als je dat niet kunt?

Monnik: Dan moet je je daar maar bij neerleggen.

Meester: En als je dat ook niet kunt?

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: En als dat is hoe je bent?

Dubbel doorgehaald

Wie het woord afwijst, vindt het woord

Wie de geest kwijtraakt, krijgt de geest

Wie het zelf verliest, wordt het zelf

Wie de leegte leegt, is pas leeg

Wie de leer ontkent, leeft de leer

Wie de Boeddha doodt, baart een boeddha

Leerling Af

Aan alle meesters

Zeg me wie ik ben en ik zal veranderen

Zeg me waar de weg is en ik zal hem verlaten

Zeg me wat het absolute is en ik zal het relativeren

Zeg me wat mijn grond is en ik zal hem afgraven

Zeg me wat eenheid is en ik zal haar verdelen

Zeg me wat waarheid is en ik zal liegen

Zeg me wie god is en ik zal hem verzaken

Zeg me wie boeddha is en ik zal hem doden

Zeg me wat een gebed is en ik zal vloeken

Zeg me wat een zonde is en ik zal hem begaan

Zeg me wat geven is en ik zal nemen

Zeg me wie mijn vijand is en ik laat mij overwinnen

Zeg me wie mijn bruid is en ik zal haar negeren

Zeg me waar mijn hart is en ik zal het verpanden

Zeg me wat mijn geest is en ik leg hem aan banden

Zeg me wat mijn bron is en ik laat hem verzanden

Zeg me waar mijn huis is en ik zal het verbranden

Maar tot die tijd, laat mij met rust

Meester Werkeloos

Aan alle leerlingen

Breng me je geest en ik breng hem tot rust

Breng me je ego en ik prik hem door

Toon me het valse zelf en ik toon je het ware

Geef me je masker en ik toon je je oorspronkelijke gezicht

Toon me je vrije wil en ik neem je de geloften af

Geef me een vinger en ik schenk je de maan

Stap uit het heden en ik geef je de tijd

Geef me de tijd en ik schenk je de eeuwigheid

Stap uit het hier en ik geef je de ruimte

Laat me binnen en ik leid je naar buiten

Toon me je boeien en ik snijd ze los

Toon me het lagere en ik wijs je het hogere

Geef me het bekende en ik schenk je het mysterie

Geef me een leugen en ik schenk je de waarheid

Toon me een gedachte en ik toon je de werkelijkheid

Breng me een ding en ik geef je de kosmos

Geef me een zijnde en ik schenk je het zijn

Toon me je kennis en ik geef je het kennen

Geef me een bijkomstigheid en ik toon je het wezen

Breng me de leegte en ik toon je zijn vorm

Breng me de dood en ik maak hem af

Maar tot die tijd, laat mij met rust

Poort 42 – Een meisje ontwaakt

Lang geleden, in de tijd dat Shakyamuni nog leefde, ging Manjushri naar een boeddhaberaad, maar hij kwam te laat en iedereen was al naar huis. Vlak naast Boeddha’s troon zat echter nog een meisje, diep in meditatie verzonken.

Manjushri zei: ‘Zo dicht bij uw troon, hoe doet ze dat?’ Shakyamuni zei: ‘Vraag het haar zelf maar.’ Manjushri knipte met zijn vingers, liep drie keer om haar heen, nam haar mee naar de brahmahemel en wendde al zijn bovennatuurlijke krachten aan, zonder enig effect.

Boeddha zei: ‘Zelfs honderd of duizend Manjushri’s zouden haar nog niet kunnen wekken, maar daar beneden, twaalfhonderd miljoen landen verderop, ontelbaar als de zandkorrels van de Ganges, vind je een bodhisattva die in onwetendheid verkeert. Hij krijgt haar vast wel wakker.’

Daar rees de bodhisattva in kwestie reeds uit de aarde op en maakte een buiging voor de Boeddha, die naar het meisje wees. De bodhisattva ging voor haar staan en had nog niet met zijn vingers geknipt of het meisje ontwaakte al uit haar trance.

Evam me sutam

Lang geleden, in de tijd dat Shakyamuni nog leefde, ging Manjushri naar een boeddhaberaad, maar hij kwam te laat en iedereen was al naar huis. Vlak naast Boeddha’s troon zat echter nog een meisje in een diepe trance.

‘Jesses, een wijf’, riep Manjushri geschrokken, want je bent een boeddha of je bent het niet. Shakyamuni haalde zijn schouders op. ‘Je merkt er eigenlijk niks van,’ zei hij vergoelijkend, ‘ze verkeert aldoor in samadhi.’

‘Waren alle vrouwen maar zo’, mijmerde Manjushri. Hij bekeek haar van alle kanten, knipte een paar keer met zijn vingers, blies in haar oren, trok haar pij een stukje open en hijgde: ‘Alle Gierbergen nog aan toe.’ ‘Jij mag er anders ook wezen’, zei Boeddha hees.

Het meisje dacht, aldus heb ik gehoord, maar wie zal mij geloven? En vluchtte opnieuw in haar trance.

De edelste waarheid

Er was eens een meisje dat heel diep kon mediteren – zo diep dat niets of niemand haar uit haar concentratie kon halen. Zelfs wanneer iemand in spirituele nood voor haar ging staan werd ze niet wakker. Werd ze toevallig toch wakker, dan liet ze niets merken.

Toen Boeddha haar daarop aansprak, zei ze: ‘Weet u nou nog niet dat lijden gewoon bij het leven hoort? Als u zo doorgaat gaan de mensen nog aan hun lijden lijden. Dan zijn we pas echt in de aap gelogeerd.’

De meditatie voorbij

Er was eens een meisje dat heel diep kon mediteren – zo diep dat niets of niemand haar uit haar concentratie kon halen. Iedereen bewonderde haar mateloos, maar zelf zei ze: ‘Ik kan het ook niet helpen.’ Tegen mensen die niet diep konden mediteren, verzuchtte ze dikwijls: ‘Ik wou dat ik dat kon’, maar ze bleven haar bejubelen.

Ten einde raad stopte het meisje met mediteren. Toen pas begrepen de mensen dat meditatie ook niet zaligmakend was. En nóg werd ze aanbeden, meer dan ooit, omdat ze, meende het volk, nu zelfs de meditatie voorbij was.

Pas toen ze stilletjes uit het leven stapte, begrepen de mensen dat aanbidding ook niet zaligmakend was.

Pelgrimsfeest

Er was eens een meisje dat heel diep kon mediteren. Op een dag mediteerde ze zo diep dat ze de weg terug niet meer kon vinden. Behoedzaam werd ze in bed gelegd en met allerlei apparaten verbonden die voor haar piepten, kreunden en zuchtten.

Een eindeloze stoet pelgrims trok langs haar laatste rustplaats, waarvan de knoppen en spijlen glansden door de vele aanrakingen. Daar ze altijd huilde werd ze bezongen om haar grote mededogen. Iedereen die ook maar eventjes in haar nabijheid verkeerde voelde zich getroost en gesterkt.

En het meisje? Ach, het meisje.

Bhuddies

Er was eens een meisje dat helemaal niet kon mediteren. Iedereen kon beter mediteren dan zij. Daarom wilden de mensen graag samen met haar mediteren.

Als ze haar dan zagen wiebelen en schuifelen en om zich heen kijken en krabben en vingeren en maar weer opstaan om zogenaamd te gaan plassen en na een poosje toch maar weer kwam zitten met de geur van bier, vis en sigarettenrook om haar heen, hadden ze het plezierige gevoel dat ze zelf fantastisch konden mediteren.

Vandaar dat mensen graag wilden mediteren met het meisje dat helemaal niet kon mediteren.

Pro

Er was eens een meisje dat fantastisch kon mediteren. Niemand kon zo goed mediteren als zij. Ze zat maar te wiebelen en te schuifelen en om zich heen te kijken en te krabben en te vingeren en te kreunen, stond om de klipklap op om te gaan plassen of een biertje te drinken of een sigaretje te roken of televisie te kijken of haar mail te checken – het hield niet op. Of ze nou op een zafu of op een sofa zat, op de pot of op de fiets, in de bus of in het bos, het was haar allemaal om het even.

O o, wat kon dat meisje fantastisch mediteren.

Zombies

Er was eens een meisje dat helemaal niet kon mediteren. Iedereen in de hele wereld wel, en ze deden niet anders van de vroege morgen tot de late avond. Ze zaten daar maar en ze zaten daar maar van hun eerste zucht tot hun laatste haar.

Het meisje intussen, ze danste en sprong en ze lachte en zong tot de laatste gong, zo blij als een kind dat ze niet mediteren kon.

Poort 43 – Wat heet een stok

Shoushan stak zijn stok in de lucht en zei: ‘Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit. Hoe noemt u dit?’

Kleinkunst

Een monnik stak zijn stok in de lucht en zei: ‘Wie dit een stok noemt, is begoocheld door de vorm, wie het geen stok noemt is begoocheld door de leegte. Hoe noemt u dit?’ ‘Een trucje’, zei de meester.

Zwijgbeurt

Een monnik stak zijn stok in de lucht en zei: ‘Wie dit een stok noemt praat voor zijn beurt, wie weigert het een stok te noemen staat met zijn mond vol tanden.’ ‘Je spreekt voor je beurt’, zei de meester. De monnik stond met zijn mond vol tanden.

Onverzettelijk

Een monnik stak zijn stok in de lucht en riep: ‘Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.’ ‘Hoe kun je je nou tegen de werkelijkheid verzetten’, zei de meester. ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Maakt verzet soms geen deel uit van de werkelijkheid?’ ‘Natuurlijk niet’, zei de monnik. ‘Je negeert een feit’, zei de meester.

Houtklem

Een monnik zei: ‘Als u mij echt noemt, zit u daarin vast, als u mij een illusie noemt, zit u daarin vast. Hoe noemt u mij?’ ‘Een ouwehoer’, zei de meester. ‘Wát?’ riep de monnik. ‘Een sofist dan maar’.

‘Zo gaat een meester toch niet met zijn leerlingen om’, protesteerde de monnik. ‘Als je mij een meester noemt, zit je daarin vast, als je jezelf een leerling noemt, zit je daarin vast’, zei de meester.

‘Ik zit helemaal nergens in vast’, riep de monnik. ‘Als je denkt dat je nergens in vast zit, dan zit je daarin vast’, zei de meester. ‘Dan denk ik wel niks meer’, schreeuwde de monnik. De meester zei: ‘Dan zit je daarin vast.’

Klaashout

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.

Meester: Houten Klaas.

Monnik: Pardon?

Meester: Excuses aanvaardt.

Monnik: Waarom noemt u mij een houten Klaas?

Meester: Krijg je liever met de stok?

Monnik: Mij met de stok geven, is demonstreren wat een stok is zonder spreken of zwijgen.

Meester: Dit antwoord is alleen maar spreken.

Monnik: Dat geldt voor dit hele gesprek.

Meester: Wie dit een gesprek noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen gesprek noemt negeert een feit.

Splijthout

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.

Meester: En?

Monnik: Ik plaats u voor een dilemma.

Meester: Dan draai ik me toch om.

Monnik: En dan?

Meester: Loop ik ervan weg.

Monnik: U plaatst mij voor een dilemma.

Meester: Wie dit een dilemma noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen dilemma noemt negeert een feit.

Hardhout

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.

Meester: Je kunt me nog meer vertellen.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Wie dit de werkelijkheid noemt krijgt met de stok, wie het geen werkelijkheid noemt krijgt met de stok.

Stokjesfeest

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.

Meester: Ik noem het een stok.

Monnik: Dan verzet u zich tegen de werkelijkheid.

Meester: Noemde ik het soms geen stok?

Monnik: Jawel.

Meester: Is dat soms niet de werkelijkheid?

Monnik: Dat u het een stok noemt wel, maar…

Meester: Wie verzet zich hier dan tegen de werkelijkheid?

Monnik: En als u het geen stok had genoemd?

Meester: Dan was dat de werkelijkheid.

Monnik: Had u dan geen feit genegeerd?

Meester: Dan had ik een feit gecreëerd.

Stokjesgeest

Monnik: Wie dit een stok noemt verzet zich tegen de werkelijkheid, wie het geen stok noemt negeert een feit.

Meester: Wie noemt dit een stok?

Monnik: De realist, zou ik zeggen.

Meester: Wat voor stok?

Monnik: Een stok om te benoemen of een stok om mee te slaan of een stok om termieten mee te vangen of een stok om de zonnetijd mee te meten of een stok om je billen mee schoon te schrapen.

Meester: Wie noemt dit de werkelijkheid?

Monnik: De idealist, zou ik zeggen.

Meester: Welke werkelijkheid?

Monnik: Het zelf, het absolute, je oorspronkelijke gezicht, je ware aard, de boeddhanatuur, de eenheid van vorm en leegte, de eenheid van subject en object, de eenheid van u en ik.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Waartussen niet?

Meester: Tussen de realist en de idealist niet.

Monnik: Wat is een realist volgens u?

Meester: Een hokjesgeest.

Monnik: Waarom?

Meester: Omdat hij zijn stokjes in verschillende hokjes stopt.

Monnik: Wat is een idealist?

Meester: Een hokjesgeest.

Monnik: Waarom?

Meester: Omdat hij alles in één hokje propt.

Monnik: Wat is het dat feit en werkelijkheid tegelijk ziet?

Meester: Een hokjesgeest natuurlijk.

Monnik: Hè?

Meester: Ongelijk, tegelijk.

Monnik: Wat is het derde oog?

Meester: Een hokjesgeest.

Monnik: Hè?

Meester: Eerste, tweede, derde.

Monnik: Wat is het voor geest die inziet dat het allemaal maar hokjes zijn?

Meester: Een hokjesgeest.

Monnik: Hè?

Meester: Hè? Hè? Hè?

Monnik: Hoe kan de geest die inziet dat het allemaal maar hokjes zijn nou een hokjesgeest zijn?

Meester: Omdat hij overal hokjes ziet natuurlijk.

Monnik: Dus iedere geest is een hokjesgeest?

Meester: Alleen voor iemand met een hokjesgeest.

Monnik: Maar noemt u dit nou een stok of noemt u het geen stok?

Meester: Hokjesgeest.

Stokpraatjes

Monnik: Wat is het relatieve?

Meester: Een stokpaardje van praatjesmakers.

Monnik: Wat is het absolute?

Meester: Ook een stokpaardje van praatjesmakers.

Monnik: Wat is het relatieve in het absolute?

Meester: Ook.

Monnik: En het absolute in het relatieve?

Meester: Ook.

Monnik: Wat is spiritualiteit zonder stokpaardjes?

Meester: Een gevleugeld paard.

Poort 44 – Goochelstok

Meester Bajiao zei tegen de monniken: ‘Heb je een stok dan krijg je er een, heb je er geen dan neem ik hem af.’

Goocheltong

Meester Zuetsu zei dikwijls:

‘Heb je een leer dan moet je nog veel leren; heb je er geen dan moet je nog veel afleren.’

Hij zei ook:

‘Heb je een leer dan ben je nog niet uitgeleerd; heb je er geen dan ben je nog niet geleerd.’

En:

‘Als je denkt dat je iets van mij kunt leren dan sla je de plank mis; als je denkt dat je niets van mij kunt leren dan heb je een plank voor je kop.’

En:

‘Als je in de leer gelooft dan kijk je door een plank waar geen gat is; als je denkt dat de leer leeg is dan kijk je door een gat waar geen plank is.’

En zo ging hij maar door en niemand stak er een stokje voor en niemand kreeg het met hem aan de stok.

Stoksteken en spaaklopen

Monnik: Heb je een stok dan krijg je er een, heb je er geen dan neem ik hem af.

Meester: Heb je er geen dan krijg je er een, heb je er een dan neem ik hem af.

Monnik: Verdraaid.

Meester: Heb je er een dan heb je er geen, heb je er geen dan heb je er een.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Heb je er een dan ben je er een, ben je er geen dan heb je er geen.

Monnik: Niet te geloven.

Meester: Vier voor de prijs van één.

Monnik: Welke is waar?

Meester: Zou er maar één waar zijn?

Monnik: Welke zijn waar?

Meester: Zou er wel een waar zijn?

Monnik: Waar in welke zin?

Meester: Interpreteren maar.

Monnik: Wat is interpreteren?

Meester: Waarmaken.

Monnik: Interpreteren is waarmaken?

Meester: Dat is één interpretatie.

Monnik: Wat is waarmaken?

Meester: Heb je geen stok dan denk je er een, denk je er een dan zwaai je ermee.

Monnik: Herkenbaar.

Meester: Zwaai je ermee dan sla je ermee, sla je ermee dan sla je jezelf.

Monnik: Inderdaad zeg.

Meester: Sla je niet mee en zwaai je niet mee en denk je niet mee dan heb je er geen.

Monnik: Wat voor stok hebben we het eigenlijk over?

Meester: Een stok tussen je spaken.

Alle raadsels op een stokje

Monnik: Heb je een stok dan krijg je er een, heb je er geen dan neem ik hem af.

Meester: Wie zegt dat?

Monnik: Bajiao, dacht ik.

Meester: Lekker laten lullen.

Monnik: Volgens mij is het een koan.

Meester: Wat is een koan?

Monnik: Dit ook.

Meester: Twee voor de prijs van één.

Monnik: Ik krijg het nog druk.

Meester: Heb je een koan dan krijg je er een, neem je er geen dan ben je af.

Een koan is geen koan

Monnik: Wat is eigenlijk een koan?

Meester: Wat eigenlijk niet.

Jaren later

Monnik: Wat is eigenlijk geen koan.

Meester: Wat eigenlijk wel?

Hints

Monnik: Een hint alstublieft.

Meester: Waarvoor?

Monnik: Hoe ik mijn koan moet oplossen natuurlijk.

Meester: Wie zegt dat je hem moet oplossen?

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Ik vroeg u om een aanwijzing.

Meester: Dat waren er drie.

Wat een oor kan voelen

Monnik: Hoe kun je nou klappen met één hand, gek!

Meester: Moet jij een draai om je oren?

Monnik: Hoe kun je nou klappen zonder handen!

Meester: ‘Applaus.’

Monnik: Verdorie.

Meester: Wat?

Monnik: Zo hou ik geen koan over.

Meester: En?

Monnik: Hoe moet ik nou verder?

Meester: Ga daar dan maar mee zitten.

Surplace

Monnik: Ik geef het op.

Meester: Waarom?

Monnik: Ik ga helemaal niet vooruit.

Meester: Misschien moet je wel achteruit.

Monnik: Ik ga niet eens achteruit.

Meester: Wat is er mis met stilstand?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Dan is dat je nieuwe koan.

Een hele opgave

Monnik: Ik geef het op.

Meester: En als opgave nou de oplossing is?

Monnik: Dan heb ik hem onbedoeld opgelost.

Meester: En als het opgeven van het opgeven nou de oplossing is?

Monnik: Dan moet ik nog even volhouden.

Meester: Wat nu?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Dan is dat je nieuwe koan.

Perspectieven

Monnik: Ooit zal ik alle koans hebben opgelost.

Meester: Ooit zul je er geen enkele hebben opgelost.

Tien jaar later

Monnik: Over mijn eerste koan deed ik drie jaar.

Meester: Ik ben er nog steeds mee bezig.

Tien jaar later

Monnik: Gelukkig heb ik de koans voorgoed achter me.

Meester: Gelukkig heb ik ze voorgoed voor me.

De grootste oen

Een grijpstuiver wordt nooit een dubbeltje

Monnik: De grootste koan ben ik zelf.

Meester: Toch weer een identiteit gevonden?

Gebed zonder end

Monnik: Als ik eerst deze koan maar achter de rug heb.

Meester: Wat dan?

Monnik: Dan… heb ik hem tenminste achter de rug.

Meester: Wat is in zijn algemeenheid een antwoord?

Monnik: Nou?

Meester: De volgende vraag.

Monnik: Aha.

Meester: Wat is in zijn algemeenheid een oplossing?

Monnik: Nou?

Meester: Het volgende probleem.

Monnik: Juist.

Meester: Wat is in zijn algemeenheid de oplossing van een koan?

Monnik: De volgende koan?

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Waarom zou ik mijn huidige koan dan nog oplossen?

Meester: Dan is dat je nieuwe koan.

Een oud misverstand

Monnik: Ik zal blij zijn als ik alle koans opgelost heb.

Meester: Waarom?

Monnik: Dan kan ik ze eindelijk achter me laten.

Meester: Daarvoor hoef je ze heus niet op te lossen.

Zitten tot je opstaat

Monnik: Waarom krijg ik geen nieuwe koan?

Meester: Ga daar dan maar mee zitten.

Monnik: Waarmee?

Meester: Met de vraag waarom je geen nieuwe koan krijgt.

Monnik: Wat is dat nou weer voor vraag.

Meester: Een koan is een koan.

Monnik: Zo kan ik echt niet verder.

Meester: Verder dan wat?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Ga daar dan maar mee zitten.

Monnik: Laat u me zomaar zitten?

Meester: Wou je liever staan?

Monnik: Waarom krijg ik geen nieuwe koan?

Meester: Kun je zo weer verder?

Ti-ta-toverbal

Monnik: Waarmee kun een koanstudie vergelijken?

Meester: Zuigen op een toverbal.

Monnik: Hoezo?

Meester: Iedere koan is een kleurtje. Je zuigt erop tot het verdwijnt. Hoe langer je zuigt, hoe kleiner je toverbal.

Monnik: Wat zit er in het midden?

Meester: Tja.

Monnik: Het Absolute? Het Ongeconditioneerde? Het Zelf? Het Hart? Het Wijsheidsoog? Boeddhanatuur? Essentie?

Meester: Het middelpunt dan maar.

Monnik: Maar wat moet ik me daarbij voorstellen?

Meester: Een punt is een wiskundig figuur zonder lengte, breedte, hoogte, vorm of volume.

Monnik: Maar waarvoor staat dat punt?

Meester: Dat is nou net het punt.

Monnik: Leegte? Sunyata? Gewaarzijn? Stilte? Het Ene? Het Niets?

Meester: …

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Ga daar dan maar mee zitten.

Een universeel probleem

Monnik: Met welke koan bent u zelf bezig?

Meester: Er is er maar één.

Monnik: Ik heb anders gehoord dat er een paar duizend zijn.

Meester: Kan best wezen…

Monnik: Maar?

Meester: Ze komen allemaal op hetzelfde neer.

Monnik: Wist ik maar waarop.

Meester: Zie je wel?

Een universele oplossing

Monnik: Graag zou ik u eens een koan opgeven.

Meester: Je kunt net zo goed meteen naar de oplossing vragen.

Monnik: Weet u die dan al?

Meester: Probeer maar.

Monnik: Moet ik niet eerst mijn koan opgeven?

Meester: Dat zou al te makkelijk zijn.

Monnik: Wat is de oplossing van de koan die ik zojuist verzwegen heb?

Meester: Tja.

Met terugwerkende kracht

Zoutzuur voor de mind

Monnik: Ik heb geen idee hoe ik mijn koan moet oplossen.

Meester: Door de wereld op te lossen.

Monnik: Hoe los ik de wereld op?

Meester: Door jezelf op te lossen.

Monnik: Hoe los ik mezelf op?

Meester: Door je weten op te lossen.

Monnik: Hoe los ik mijn weten op?

Meester: Welk weten?

Koan of cocon

Monnik: Wat is het verband tussen koans en niet-weten?

Meester: Wie alle koans heeft doorgewerkt, heeft het niet-weten gevonden.

Monnik: Ga er maar aan staan.

Meester: Wie één koan heeft doorgewerkt, heeft het niet-weten gevonden.

Monnik: Dat klinkt al beter.

Meester: Wie nog steeds aan zijn eerste koan werkt, heeft het niet-weten gevonden.

Monnik: Kijk eens aan.

Meester: Wie nog nooit een koan heeft gezien maar aldoor voor een raadsel staat, heeft het niet-weten gevonden.

Monnik: En wie niet aldoor voor een raadsel staat?

Meester: Die leeft in een cocon.

Poort 45 – Dienaren

Meester Wuzu zei: ‘Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn slechts dienaren van die Ene. Wie is Hij?’

Dienaren van dienaren

Een dooie diender

Maandag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die geen hoofdletters kent.

Dinsdag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die niet telt.

Woensdag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die geen hij, zij of het is.

Donderdag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die geen dienaren heeft.

Vrijdag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die niet dient.

Zaterdag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die niet antwoordt.

Zondag

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die niet vraagt.

Een halve dop

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Windei.

Monnik: Hij of ik?

Meester: Ga daar maar eens op broeden.

Een stille diender

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is Hij?

Meester: Die niet vraagt wie hij is.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Om geen praatjes uit te lokken.

Monnik: Wat voor praatjes bijvoorbeeld?

Meester: Praatjes over het ene en het vele, over subject en object, over boeddha’s uit verleden, heden en toekomst, over leven en dood, over het ongeborene en het doodloze, over het tijdelijke en het eeuwige, over dienen en bediend worden, over spreken en zwijgen, bijvoorbeeld.

Monnik: Wat voor praatjes nog meer bijvoorbeeld?

Meester: Dat dit soort praatjes voorkomen moet worden, bijvoorbeeld.

Monnik: Vindt u dan van niet?

Meester: Dat dit soort praatjes voorkomen kán worden, bijvoorbeeld.

Monnik: Denkt u dan van niet?

Meester: Dat ze niet voorkomen kunnen worden, bijvoorbeeld.

Monnik: Wat als we dit soort praatjes helemaal achterwege laten?

Meester: Dan valt er een stilte.

Monnik: En dan?

Meester: Komt er vanzelf wel weer iemand die de stilte opvult.

Monnik: Waarmee bijvoorbeeld?

Meester: Met de vraag ‘Wat als we dit soort praatjes helemaal achterwege laten?’ bijvoorbeeld.

Dienstgeheim

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene.

Meester: Boeddha is dood en Maitreya moet nog geboren worden.

Monnik: Volgens mij gaat het erom dat je de waarheid niet buiten jezelf moet zoeken.

Meester: Waar dan wel?

Monnik: In jezelf natuurlijk.

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Jijzelf als het ene, bedoel ik.

Meester: Misschien gaat het erom dat je de waarheid helemaal niet zoekt.

Monnik: In plaats van hem te zijn, bedoelt u.

Meester: Misschien gaat het helemaal niet om de waarheid.

Monnik: Waarom dan wel?

Meester: Misschien gaat het erom dat je niet zoekt.

Monnik: Want waarheid behoort nog steeds tot de dualiteit, wou u zeggen.

Meester: Dualiteit net zo goed.

Monnik: Wat behoort niet tot de dualiteit?

Meester: Wat wel.

Monnik: Non-dualiteit, zou ik zeggen.

Meester: Zakdoekje leggen.

Monnik: Dus het gaat erom dat je niet zoekt?

Meester: Jij denkt steeds dat het ergens om gaat.

Monnik: Bedoelt u dat het nergens om gaat?

Meester: Dan had ik dat wel gezegd.

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Pas dan maar op.

Monnik: Wat nou weer.

Meester: Voor je het weet ben je een dienaar van niet-weten.

Vinger naar de duim

Monnik: Zelfs de grootste Boeddha’s uit verleden, heden en toekomst zijn dienaren van ons Ware Zelf.

Meester: Wie zegt dat er zoiets is?

Monnik: Waar komt alles anders vandaan?

Meester: Waar ons ware zelf vandaan komt.

Monnik: Het Ware Zelf komt ook ergens vandaan?

Meester: Volgens jou wel.

Monnik: Hoezo?

Meester: Waar komt alles anders vandaan, vroeg je toch?

Monnik: Waar komt het Ware Zelf dan vandaan?

Meester: Uit de dingen natuurlijk.

Monnik: Wát?

Meester: Waar moet het anders vandaan komen?

Monnik: De dingen komen uit het Ware Zelf en het Ware Zelf komt uit de dingen?

Meester: Hoe verzin je het.

Monnik: Uit welk ding zou in Boeddha’s naam het Ware Zelf voort kunnen komen?

Meester: Hetzelfde ding waaruit ook Boeddha’s naam voortkomt.

Monnik: Te weten?

Meester: Je mond.

Monnik: Verdraaid.

Meester: Of anders uit je duim.

Die andere

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene.

Meester: Die ene ook.

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya en die Ene zijn dienaren?

Meester: Bij wijze van spreken dan.

Monnik: Dienaren waarvan?

Meester: Van maya dan maar.

Monnik: Shakyamuni, Maitreya en die Ene zijn allemaal dienaren van Maya?

Meester: Maya ook.

Monnik: Waarvan?

Meester: Wat jij wilt.

Monnik: Ik wil weten hoe het zit.

Meester: Van de verbeelding dan maar.

Monnik: Shakyamuni, Maitreya, die Ene en Maya zijn allemaal dienaren van de Verbeelding?

Meester: De verbeelding ook.

Monnik: Ik was er al bang voor.

Meester: Waarvoor?

Monnik: Dat de verbeelding ook een dienaar is van de verbeelding.

Meester: Tenzij dat ook verbeelding is.

Monnik: Ik geef het op.

Meester: Misschien is opgave ook wel een dienaar van de verbeelding.

Monnik: Wat is eigenlijk geen dienaar van de verbeelding?

Meester: Stel je voor.

Aangenaam

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren van die Ene. Wie is hij?

Meester: Tja.

Woordenaars

Monnik: Zelfs Shakyamuni en Maitreya zijn dienaren.

Meester: Denk je nou nog steeds in termen van dienen en bediend worden?

Monnik: Ik heb het over het Ene.

Meester: Ben je nou nog steeds aan het tellen?

Monnik: Ik doel op het Ware Zelf.

Meester: Denk je nou nog steeds in termen van waar en vals?

Monnik: De Leegte als bron en bestemming van iedere vorm.

Meester: Denk je nou nog steeds in termen van vorm en leegte?

Monnik: Maar ons Oorspronkelijk Gezicht…

Meester: Denk je nou nog steeds in termen van oorspronkelijk en afgeleid?

Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Denk je nou nog steeds in termen van weten en niet-weten?

Monnik: Dan zeg ik wel niets meer.

Meester: Denk je nou nog steeds in termen van spreken en zwijgen?

Big Self™

Monnik: ‘Zelfs de grootste boeddha’s uit verleden, heden en toekomst zijn slechts dienaren van het Ware Zelf’, wat betekent dat?

Meester: Klinkt als een retorische vraag.

Monnik: Geef dan maar een retorisch antwoord.

Meester: Het betekent dat jij mij nu wat op de mouw gaat spelden.

Monnik: Het betekent dat geen boeddha in Zijn Schaduw kan staan.

Meester: Zie je wel?

Monnik: En wat betekent het dat geen boeddha in Zijn Schaduw kan staan?

Meester: Klinkt als een retorische vraag.

Monnik: Geef dan maar een retorisch antwoord.

Meester: Dat het bewolkt is?

Monnik: Het betekent dat het Ware Zelf voorbij iedere persoonscultus is.

Meester: Er is geen grotere persoonscultus dan die van het Ware Zelf.

Monnik: Pardon?

Meester: Wie of wat is volgens jou het ware zelf?

Monnik: Ikzelf ben het Ware Zelf.

Meester: Zie je wel?

Factor vijftig

Monnik: De Wijze is als een vrijstaande boom in de volle zon.

Meester: Laat mij dan maar in Zijn Schaduw staan.

Het laatste woord

Meester: Wie heeft inzake de eerste waarheid het laatste woord?

Monnik: De boeddha natuurlijk.

Monnik: De dharma natuurlijk.

Monnik: De sangha natuurlijk.

Monnik: Het ene natuurlijk.

Monnik: De meester natuurlijk.

Monnik: De kok natuurlijk.

Monnik: Ikzelf natuurlijk.

Monnik: Niemand natuurlijk.

Monnik: Er is helemaal geen laatste woord.

Monnik: Ieder woord is het laatste woord.

Monnik: Ieder woord is het eerste woord.

Monnik: Hierover is het laatste woord nog niet gezegd.

Monnik: Meester, wie denkt u?

Buiten koerde een duif.

De meester zei: ‘Roekoe.’

Poort 46 – Paal noch perk

Meester Shisuang zei: ‘Wie de top van een honderd voet hoge bamboepaal heeft bereikt, moet nog één stap zetten.’

Een andere meester zei: ‘Wie bovenin een honderd voet hoge bamboepaal zit, is er nog steeds niet. Laat de top los en je lichaam zal zich vrijelijk in alle tien richtingen bewegen.’

Hengelen naar engelen

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge bamboepaal…

Meester: Daar kan ik je niet aan helpen.

Monnik: Waaraan niet?

Meester: Maar ik heb nog wel een oude hengel in de schuur staan. Tien voet, om en nabij. Hebben?

Monnik: De top van de honderd voet hoge bamboepaal staat voor de grote dood, verlichting, de wolkeloze hemel, de toestand van absolute leegte, het einde van de dualiteit waar niemand meer is die ziet en niets meer dat gezien wordt.

Meester: Dus ook geen paal en geen top van een paal, geen grote dood en geen verlichting, geen wolkeloze hemel en geen toestand van absolute leegte, geen dualiteit en geen einde daarvan, geen niemand en geen niets, geen zien of ongezien zijn.

Monnik: Vasthouden aan het ware zelf is de valkuil van de leegte, de ergst mogelijke zenziekte. Om daarvan te genezen moeten we nog een laatste stap zetten, waarbij we ook het absolute achter ons laten. Dan pas kunnen we vrijelijk in alle tien richtingen bewegen.

Meester: Waar geen zelf is kunnen we ons er ook niet aan vasthouden, waar geen leegte is kunnen we er ook niet in vallen, waar geen zengezondheid is heerst ook geen zenziekte, waar geen houvast is vallen we onophoudelijk vrij.

Monnik: Volgens mij zit u nog steeds vast in de top van een honderd voet hoge bamboepaal.

Meester: Volgens mij zit jij nog steeds te hengelen.

Buigen of barsten

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge bamboepaal heeft bereikt, moet nog één stap zetten.

Meester: Spreek je uit ervaring?

Monnik: Eerlijk gezegd niet, nee.

Meester: Nooit in de top van een honderd voet hoge bamboepaal gezeten?

Monnik: Dat zeg ik.

Meester: Hoe komt dat, denk je?

Monnik: Nou?

Meester: Doordat bamboe maar vijfenzeventig voet wordt.

Monnik: U neemt het wel erg letterlijk.

Meester: Enig idee wat je bovenin een vijfenzeventig voet hoge bamboepaal zult aantreffen?

Monnik: De hemel natuurlijk, vrijheid in alle tien richtingen.

Meester: De grond natuurlijk.

Monnik: Hè?

Meester: Bamboe is net bamboe. Het buigt steeds verder door tot zijn last op aarde is teruggekeerd.

Monnik: En die laatste stap dan?

Meester: Die zet je weer met beide benen op de grond.

Monnik: En dan?

Meester: Ben je eindelijk van die paal verlost.

Paaldans

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge bamboepaal heeft bereikt, moet nog één stap zetten.

Meester: Niet klimmen, niet stappen.

Monnik: Laat de top los…

Meester: Niet vasthouden, niet loslaten.

Monnik: Dan zal je lichaam…

Meester: Niet je lichaam, niet je geest.

Monnik: Zich vrijelijk…

Meester: Niet vrij, niet gebonden.

Monnik: In alle tien richtingen bewegen.

Meester: Om de paal kronkelen.

Kraaienmest

Monnik: Wie de top van een honderd voet hoge mast heeft bereikt moet nog één stap zetten.

Meester: Zei de kraai tegen de olifant.

Monnik: Met de top van de mast wordt een verlichtingservaring bedoeld.

Meester: Zeker in een lichtmast geklommen.

Monnik: We moeten echter ook nog voorbij de verlichtingservaring gaan, want alles wat voorbijgaat is een illusie…

Meester: Deze gedachte ook.

Monnik: En alles wat een illusie is, gaat voorbij.

Meester: Deze ook.

Monnik: De waarheid die wij zijn is ongeboren en ongestorven.

Meester: Deze ook.

Monnik: Zo blijft er niets over.

Meester: Waarvan?

Monnik: Bedoelt u dat we overal aan voorbij moeten gaan?

Meester: Dan ook aan het voorbijgaan.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Wie de top van een mast heeft bereikt moet nog één stap zetten.

Mast overboord

Monnik: Wat als je het hoogste hebt bereikt?

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat ik het hoogste heb bereikt.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat het hoogste niet bestaat.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat het hoogste wel degelijk bestaat.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat ik het hoogste nog niet heb bereikt.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Dus als je denkt dat het hoogste bestaat heb je het nog niet bereikt, als je denkt dat het hoogste niet bestaat heb je het nog niet bereikt, als je denkt dat je het hebt bereikt heb je het nog niet bereikt, en als je denkt dat je het niet hebt bereikt heb je het ook nog niet bereikt?

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wanneer heb je het dan wel bereikt?

Meester: Wat bereikt?

Monnik: Ik snap er niks meer van.

Meester: Als je denkt dat het een kwestie is van begrijpen, dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat het een kwestie is van niet-begrijpen.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat ik te veel denk.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat ik verkeerd denk.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat ik helemaal niet meer moet denken.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Wat bereikt?

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Hebt u het bereikt?

Meester: Wie?

Monnik: Ik denk dat de persoon een illusie is.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat de persoon geen illusie is.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat alles een illusie is.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik denk dat de illusie ook maar een illusie is.

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Ik geef het op.

Meester: Zou je denken?

Monnik: Ik denk dat opgave het hoogst haalbare is

Meester: Dan heb je het nog niet bereikt.

Monnik: Wat als je het hoogste hebt bereikt?

Een gek die zijn geest uitlaat

Monnik: Wat is verlichting?

Meester: Tja.

Monnik: Vrijheid?

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Maar wat is vrijheid?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Gebondenheid natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: En is het wel iets goeds?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Iets slechts natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Zit u mij in de maling te nemen?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Mij serieus te nemen natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Bedoelt u dat alle verschillen schijnbaar zijn?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Werkelijk, natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Doelt u op non-dualiteit?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Dualiteit natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Helemaal niet?

Meester: In eerste instantie wel natuurlijk.

Monnik: Aha.

Meester: Net als iedereen.

Monnik: Maar?

Meester: Bij nader inzien niet.

Monnik: Wat gebeurt er bij nader inzien?

Meester: Dan weet ik gewoon geen onderscheid meer te maken.

Monnik: Misschien moet u eens naar de oogarts.

Meester: Tussen jou en mij nog niet.

Monnik: Misschien moet u eens naar de psychiater.

Meester: Tussen een tafel en een stoel nog niet.

Monnik: Misschien moet u eens naar Ikea.

Meester: Tussen mezelf en een boom nog niet.

Monnik: Lastig bij het snoeien.

Meester: Ik bedoel, zit het groen nou in het blad of in het brein?

Monnik: Zei de groenteboer tegen de slager.

Meester: Galmt de klok of galmt de cortex?

Monnik: Lalde de kok tegen de lepel.

Meester: Denk ik mijn hersenen of denken zij mij?

Monnik: Ben ik een kip of ben ik een ei?

Meester: Wat is beeld en wat is klei?

Monnik: Wat is rijst en wat is brij?

Meester: Wat is zij en wat is wij?

Monnik: Wat is abt en wat is dij?

Meester: Wat is vast en wat is vrij?

Monnik: Wat is koe en wat is wei?

Meester: Wat is dichter, wat is bij?

Monnik: Ik zit u in de maling te nemen.

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Serieus te nemen natuurlijk.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Nee, dat dacht ik al.

Meester: Maar om dat nou verlichting te noemen?

Monnik: Tja.

Vrijgevochten

Monnik: Wie of wat is de verlichte?

Meester: Een vrijgevochten geest?

Monnik: Is dat een antwoord of een vraag?

Meester: Als ik dat eens wist.

Monnik: Bent u zo’n vrijgevochten geest?

Meester: Ik ben overal van bevrijd.

Monnik: Is dat een bevestiging of een ontkenning?

Meester: Zelfs van de geest.

Monnik: Wat?

Meester: Zelfs van de vrijheid.

Monnik: Hè?

Meester: Zelfs van verlichting.

Monnik: Echt?

Meester: Zelfs van mezelf.

Monnik: Niet te geloven.

Meester: Zelfs van niet-zelf.

Monnik: Maar wie of wat is dan de verlichte?

Meester: Een vrijgevochten geest?

Vrijvechter

Meester: Wat is de verlichte?

Monnik: Een vrijgevochten geest?

Meester: Jij zegt het.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Een geest die zich onophoudelijk vrijvecht?

Monnik: Waarvan?

Meester: Van zijn gedachten natuurlijk.

Monnik: Welke gedachten bijvoorbeeld?

Meester: Dat de verlichte een vrijgevochten geest is.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat de verlichte een geest is die zich onophoudelijk vrijvecht.

Monnik: Welke nog meer?

Meester: Dat er een geest is of dat er gedachten zijn of een zich onophoudelijk vrijvechten daarvan.

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: Dat er geen geest is of dat er geen gedachten zijn of geen zich onophoudelijk vrijvechten daarvan.

Monnik: Wou u beweren van wel?

Meester: Mij niet gezien.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Anders kan ik me dáár weer van vrijvechten.

Monnik: Uzelf of uw geest?

Meester: Wie? Wat?

Monnik: Ik bedoel, doet u dat zelf of ondergaat u het?

Meester: Ik zeg niks.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Anders kan ik me daar weer van vrijvechten.

Monnik: Weet u het niet of wilt u het niet zeggen?

Meester: Dat weet ik ook al niet.

Monnik: Vindt u dat we niets moeten zeggen?

Meester: Dat zul je mij niet horen zeggen.

Monnik: Is het niet zo dat alleen stilte recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid?

Meester: Dat weet ik ook al niet.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Omdat ik voorbij alle wijsheid ben?

Monnik: Voorbij de wijsheid voorbij alle wijsheid?

Meester: Daar kan ik me niets bij voorstellen.

Monnik: Waarom zwijgt u dan niet?

Meester: Omdat ik niet wijs ben?

Monnik: Maar wat is nou de verlichte?

Meester: Ik wou het net aan jou vragen.

Monnik: Een vrijvechter?

Meester: Hoe kom je erop.

Een nieuw begin

Monnik: Verlichting is het toppunt.

Meester: Verlichting is het einde.

Monnik: Waarvan?

Meester: Overal van.

Monnik: Behalve van het einde?

Meester: Ook van het einde.

Monnik: En dan?

Meester: Ook voorbij.

Monnik: En dat zou verlichting zijn?

Meester: Ook voorbij.

Monnik: Wat heb je dan gewonnen?

Meester: Ook voorbij.

Monnik: Alles is verloren.

Meester: Ook voorbij.

Monnik: Daar sta je dan.

Meester: Tot je gaat zitten.

Monnik: Daar zit je dan.

Meester: Tot je gaat liggen.

Monnik: Daar lig je dan.

Meester: Tot je weer gaat staan.

Monnik: Daar sta je dan weer.

Meester: Tot je gaat zitten.

Monnik: Enzovoort.

Meester: Net als vroeger.

Monnik: Hou op.

Meester: Dus wat is er nieuw.

Monnik: Schei uit.

Meester: Dus wat is er oud.

Monnik: Hou op, schei uit.

Meester: Verlichting is helemaal het einde.

Poort 47 – Drie barrières

Meester Doushuai stelde drie barrières op voor zijn monniken.

Ten eerste. Je zoekt in alle boeken en gaten naar je ware aard. Waar is op dit moment je ware aard?

Ten tweede. Wie zijn ware aard kent, is vrij van leven en dood. Wat als straks het licht in je ogen breekt?

Ten derde. Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming. Waar ga je heen als de vier elementen uiteenvallen?

Goudmijn of landmijn

Maandag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Waar is op dit moment je onware aard?

Dinsdag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Waar is dat moment op dit moment?

Woensdag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Waar was jij op dat moment?

Donderdag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Is het zijn aard om ergens te zijn?

Vrijdag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Is het zijn aard wel om te zijn?

Zaterdag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Ten zuiden van je valse baard.

Zondag

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: Ik zag hem net nog in de haard.

Speurneuzen

Monnik: Waar is op dit moment mijn ware aard?

Meester: In de vraag ‘waar is op dit moment mijn ware aard.’

Monnik: Waar is mijn ware aard als hij niet in vraag is?

Meester: In de vraag ‘waar is mijn ware aard als hij niet in vraag is.’

Monnik: Wie zou ik zijn zonder die vraag?

Meester: Zou je zijn zonder die vraag?

Monnik: Wat als ik nergens meer naar vraag?

Meester: Dan is er niemand die dat vraagt.

Aard roert zijn zwaard

Monnik: Wie zijn ware aard kent…

Meester: Kent een spook.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…

Meester: Het haasje.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…

Meester: Niet vrij.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…

Meester: Er vrij van.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is…

Meester: Wie noch wat.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij…

Meester: Van vrijheid.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij…

Meester: Noch onvrij.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van…

Meester: Waar en vals.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van…

Meester: Aard en bijzaak.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van…

Meester: Kennen en niet-kennen.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van leven…

Meester: Noch dood.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van….

Meester: Levenloosheid en doodloosheid.

Monnik: Wie zijn ware aard niet kent, is…

Meester: Vrij.

Woord- en doodslag

Monnik: Wie zijn ware aard kent, is vrij van leven en dood.

Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van dit soort antwoorden.

Monnik: Wat als straks het licht in mijn ogen breekt?

Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van dit soort vragen.

Monnik: Omdat je ware aard een universeel antwoord is?

Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van dit soort onwoorden.

Monnik: Wie zijn ware aard kent…

Meester: Kent een lijk.

Poste restante

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.

Meester: Wie zijn ware aard kent, is vrij van oorsprong en bestemming.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.

Meester: Wie zijn bestemming niet kent, is vrij van aard.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.

Meester: Wie zijn ware aard kent, is onbestemd.

Monnik: Wie zijn ware aard kent, weet zijn bestemming.

Meester: Wie zijn ware aard kent, is zonder stem.

Vrijer

Maandag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van zijn bestemming?

Dinsdag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van kennis?

Woensdag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van het doodloze?

Donderdag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van het ongeborene?

Vrijdag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van vrijheid?

Zaterdag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van woorden?

Zondag

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: En wie vrij is van koans?

Elementair

Monnik: Wie vrij is van leven en dood kent zijn bestemming.

Meester: Wie zijn bestemming kent is niet vrij.

Monnik: Waar gaan we heen als de vier elementen uiteenvallen?

Meester: Wie vrij is kent zijn bestemming niet.

Stofnest

Monnik: Waar gaan we heen als de vier elementen uiteenvallen?

Meester: De honderd en acht elementen, zul je bedoelen.

Monnik: Waar gaan we heen als de honderd en acht elementen uiteenvallen?

Meester: Stoffen vallen niet uiteen in elementen.

Monnik: Waarin dan wel?

Meester: Moleculen van allerlei samenstelling en grootte.

Monnik: Waar gaan we heen als de stof uiteenvalt?

Meester: Wanneer valt de stof uiteen?

Monnik: Bij je dood natuurlijk.

Meester: De stof valt voortdurend uiteen.

Monnik: Geef nou maar gewoon antwoord.

Meester: Stel eerst maar eens de juiste vraag.

Monnik: Wat is de juiste vraag?

Meester: Waar gaan we heen terwijl de stof uiteen valt?

Monnik: Het moet niet veel gekker worden.

Meester: Dat mocht je willen.

Monnik: Waar gaan we heen terwijl de stof uiteen valt?

Meester: De stof valt niet alleen maar uiteen.

Monnik: Wat doet hij dan nog meer?

Meester: Nieuwe combinaties aangaan.

Monnik: Waar gaan we heen terwijl de stof uiteenvalt en nieuwe combinaties aangaat?

Meester: De stof achterna.

Warhoofd

Monnik: Waar gaan we heen als de vier elementen uiteenvallen?

Meester: Waar gedachten heen gaan als ze uiteenvallen.

Monnik: Waar gaan gedachten heen als ze uiteenvallen?

Meester: Wie zegt dat ze uiteenvallen?

Monnik: Dat dacht ik.

Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.

Monnik: Gedachten keren terug naar de leegte waaruit ze ontstaan.

Meester: Wie zegt dat er zoiets is als een leegte waaruit gedachten ontstaan?

Monnik: Dat dacht ik.

Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.

Monnik: Waar komen gedachten anders vandaan?

Meester: Wie zegt dat ze ergens vandaan komen?

Monnik: Dat dacht ik.

Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.

Monnik: Waar moeten gedachten anders naartoe?

Meester: Wie zegt dat ze ergens naartoe moeten?

Monnik: Dat dacht ik.

Meester: Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.

Monnik: Wat als deze gedachte uiteenvalt?

Meester: Welke gedachte?

Monnik: ‘Pas dan maar op dat die gedachte niet uiteenvalt.’

Meester: Dan zijn we daar ook weer van verlost.

Weg versperringen

Meester Zuetsu richtte drie wegversperringen op voor bodhisattva’s.

Ten eerste. Iedere beginnende zenleerling meent dat hij een ware aard heeft. Wat als het onderscheid tussen waar en vals een illusie is?

Ten tweede. Iedere gevorderde zenleerling meent dat het onderscheid tussen waar en vals een illusie is. Wat als het onderscheid tussen illusie en werkelijkheid leeg is?

Ten derde. Iedere zenmeester meent dat illusie en werkelijkheid leeg zijn. Wat als de leegte leeg is?

Nadat Zuetsu zowel zijn meesterschap als het doorzien ervan had doorzien, haalde hij eigenhandig de drie wegversperringen weg. Veel maakte het niet uit. Nog steeds kwam er niemand langs.

Zandstorm

Monnik: Wat zijn de drie wegversperringen van zen?

Meester: Drie?

Monnik: Hoe bedoelt u?

Meester: Zen is één grote wegversperring.

Monnik: Zen is toch zeker een weg?

Meester: Iedere weg is een versperring.

Monnik: Hoe heten de drie wegversperringen van zen?

Meester: Boeddha, dharma, sangha, zazen, kin-hin, koan, jukai, sensei, roshi, kensho, satori, inka, rinzai, soto en zo voort.

Monnik: Allemaal wegversperringen?

Meester: Zand in je ogen.

Monnik: Waar is dát goed voor?

Meester: Om je traanklieren te activeren.

Monnik: Waar is dat goed voor?

Meester: Om het zand eruit te spoelen.

Monnik: En dan?

Meester: Wachten op Klaas Vaak.

Monnik: Kun je eindelijk de onbemiddelde werkelijkheid zien, zou ik zeggen.

Meester: Dat is gewoon weer zo’n versperring.

Kuilvoer

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat er zoiets is als zen.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat er niet zoiets is als zen.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je moet mediteren.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je niet moet mediteren.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je ergens heen moet.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je nergens heen moet.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je ergens heen kunt.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je nergens heen kunt.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat er iets te halen valt.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat er niets te halen valt.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat er valkuilen zijn.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat er geen valkuilen zijn.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je iemand bent.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je niemand bent.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je niet moet denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je anders moet denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken dat je minder moet denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Denken.

Monnik: Wat is de grootste valkuil van zen?

Meester: Niet denken.

Monnik: Hoeveel valkuilen zijn er wel niet op de zenweg?

Meester: Zoveel als er gedachten zijn.

Monnik: Valkuilen omzeilen is de weg.

Meester: Valkuilen omzeilen is…

Monnik: De grootste valkuil op de zenweg, wou u zeggen.

Meester: En nóg een valkuil.

Monnik: Wat is wél de weg?

Meester: Vallen is de weg.

Vijf zenziekten

Meester: Als het licht niet vrij kan ontsnappen, zijn er vier soorten ziekte.

Monnik: Wat is de eerste ziekte?

Meester: Alleen maar vorm zien.

Monnik: Wat is de tweede ziekte?

Meester: Alleen maar leegte zien.

Monnik: Wat is de derde ziekte?

Meester: Vorm én leegte zien.

Monnik: Wat is de vierde ziekte?

Meester: Vorm noch leegte zien.

Monnik: Hoe moeten we dan kijken?

Meester: Wou je me ziek hebben?

Tien zenziekten

Meester: Als het licht niet vrij kan ontsnappen, zijn er tien soorten ziekte.

Monnik: Wat is de eerste ziekte?

Meester: Denken dat je iets weet.

Monnik: Wat is de tweede ziekte?

Meester: Denken dat je niets weet.

Monnik: Wat is de derde ziekte?

Meester: Denken dat je kunt genezen.

Monnik: Wat is de vierde ziekte?

Meester: Denken dat je ziek bent.

Monnik: Wat is de vijfde ziekte?

Meester: Denken dat je iets kunt.

Monnik: Wat is de zesde ziekte?

Meester: Denken dat je niets kunt.

Monnik: Wat is de zevende ziekte?

Meester: Denken dat je iemand bent.

Monnik: Wat is de achtste ziekte?

Meester: Denken dat je niemand bent.

Monnik: Wat is de negende ziekte?

Meester: Denken.

Monnik: Wat is de tiende ziekte?

Meester: Niet denken.

Monnik: Wat moeten we dan?

Meester: Wou je me ziek hebben?

Poort 48 – Luchtweg

Een monnik zei: ‘Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana. Waar loopt die weg?’ Meester Ganfeng trok met zijn stok een denkbeeldige lijn in de lucht en zei: ‘Hier.’

Toen meester Yunmen dezelfde vraag werd gesteld, klapte hij zijn waaier uit en zei: ‘Deze vliegt regelrecht naar de drieëndertigste hemel en raakt de plaatselijke godheid vol op zijn neus. Alsof een karper in de Oostzee met zijn staart zwiept en de regen hier met bakken uit de hemel valt.’

Verder terug

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana. Waar loopt die weg?

Meester: Terug.

Monnik: Terug naar waar?

Meester: Waar niemand daarnaar vraagt.

Monnik: Waarom vraagt niemand daar ernaar?

Meester: Er is geen verder en geen terug.

Monnik: Nog niet, nooit niet of niet meer?

Meester: En niemand die dat weten wil.

Monnik: Waar loopt de weg terug dan wel?

Meester: Waar niemand daarnaar vraagt.

Monnik: Waarom vraagt niemand er ooit naar?

Meester: Bij gebrek aan hier en daar.

Het is maar net aan wie je het vraagt

Monnik: Volgens de geschriften…

Meester: Het is maar net welke geschriften je leest.

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana, wou ik zeggen.

Meester: Het is maar net welke geschriften je leest.

Monnik: Maar alle boeddha’s zijn het er toch over eens…

Meester: Het is maar net aan welke boeddha je het vraagt.

Monnik: Maar alle boeddhistische scholen zijn het er toch over eens…

Meester: Het is maar net aan welke school je het vraagt.

Monnik: Maar alle boeddhisten zijn het er toch over eens…

Meester: Het is maar net aan welke boeddhist je het vraagt.

Monnik: Maar alle mensen zijn het er toch over eens…

Meester: Het is maar aan wie je het vraagt.

Monnik: Maar…

Meester: Er is bij mijn weten niets waar alle geschriften het over eens zijn, niets waar alle boeddha’s het over eens zijn, niets waar alle boeddhistische scholen het over eens zijn, niets waar alle boeddhisten het over eens zijn en niets waar alle mensen het over eens zijn.

Monnik: Daar ben ik het niet mee eens.

Meester: Zie je wel?

Monnik: U kunt me nog meer vertellen.

Meester: Dat zeg ik.

Monnik: Wat?

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Monnik: Daar ben ik het ook niet mee eens.

Meester: Zie je wel?

Op eigen benen

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana.

Meester: En wat dan nog?

Monnik: Zo staat het geschreven.

Meester: Wat maakt het uit wat iedereen doet?

Monnik: Dan kan ik daar een voorbeeld aan nemen.

Meester: Omdat iedereen die kant op gaat?

Monnik: Is dat zo gek?

Meester: Wel als iedereen de verkeerde kant op gaat.

Monnik: Gaat iedereen de verkeerde kant op?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: De goede kant natuurlijk.

Meester: Wel als er geen goede kant is.

Monnik: Dan zou iedereen de verkeerde kant op gaan.

Meester: Niet als er geen verkeerde kant is.

Monnik: U zegt alsmaar ‘als’.

Meester: Wie moet het anders zeggen?

Monnik: Wat als er geen goede en geen verkeerde kant is?

Meester: Dan heeft het ook geen zin om op weg te gaan.

Monnik: Dan is op weg gaan toch verkeerd?

Meester: Niet als er geen goede en geen verkeerde kant is.

Monnik: Omdat alles dan goed is?

Meester: Niet als er geen goede en geen verkeerde kant is.

Monnik: Omdat het dan niet uitmaakt, bedoel ik?

Meester: Dat maakt dan ook niet uit.

Monnik: Dat het niet uitmaakt, maakt dan ook niet uit?

Meester: Niet als er geen goede en geen verkeerde kant is.

Monnik: En dat zou nirwana zijn?

Meester: Wat?

Monnik: Dit.

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Samsara natuurlijk.

Meester: Je wilt nog steeds de goede kant op.

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana.

Meester: En wat dan nog?

Sara’s waan

Monnik: Volgens de geschriften volgen alle zoekers in alle tien richtingen dezelfde weg naar nirwana.

Meester: Hadden ze de geschriften maar niet moeten lezen.

Monnik: Wat als je de geschriften niet meer leest?

Meester: Dan is er ook geen nirwana meer.

Monnik: Blijven we zeker eeuwig in samsara ronddolen.

Meester: Dan is er ook geen samsara meer.

Monnik: Welke weg moeten we dan volgen?

Meester: Dan is er ook geen weg meer.

Monnik: Waar moeten we het dan zoeken?

Meester: Dan is er ook geen zoeken meer.

Monnik: Wat hebben we dan gevonden?

Meester: Dan is er ook geen vinden meer.

Monnik: Geen zoeken en geen vinden?

Meester: En geen niet-zoeken en geen niet-vinden.

Monnik: Klaar ben je.

Meester: En geen jij en geen niet-jij.

Monnik: En geen klaar en geen onklaar zeker.

Meester: Hoef je je ook niet meer af te vragen of je er al bent.

Monnik: Erg opwindend klinkt het niet.

Meester: Een ander woord voor nirwana.

Monnik: Zelf blijf ik liever zoeken.

Meester: Zelf noem ik dat samsara.

Wegblijvers

Monnik: Hoe heet de weg naar nirwana?

Meester: Samsara.

Monnik: Hoe lang zal ik nog in samsara verblijven?

Meester: Zolang je onderweg blijft.

Wegwillers

Monnik: Waar loopt de weg naar nirwana?

Meester: In nirwana.

Monnik: Waarom voelt het dan als samsara?

Meester: Omdat je er weg wilt.

Weglopers

Monnik: Waarheen leidt de weg?

Meester: De weg leidt overal vandaan.

Monnik: Wat als je de weg verlaat?

Meester: Dan is hij eindelijk weg.

Monnik: Ben je dan eindelijk thuis?

Meester: Waar geen weg is, is geen thuis.

Monnik: Hoe is het zonder thuis of weg?

Meester: Daar is geen komen en geen gaan.

Monnik: Hoe kom ik daar, waar moet ik staan?

Meester: De weg leidt overal vandaan.

Huizen noch kruizen

Monnik: Waar is de weg?

Meester: Moet je ergens heen dan?

Monnik: En wat dan nog?

Meester: Dan zou je nog verder van huis zijn.

Monnik: Toevallig ben ik al thuis.

Meester: Dan ben je al verder van huis.

Monnik: Huizen zijn kruizen, wou u zeggen.

Meester: Alleen voor wie blijft hangen.

Zoeken wat je vindt

Welkom in het niemendal

Monnik: Waar loopt de weg naar nirwana?

Meester: Precies hier.

Monnik: Waar is hier?

Meester: Samsara noch nirwana.

Monnik: Maar waar loopt hij dan heen?

Meester: Precies hier.

Monnik: Samsara noch nirwana?

Meester: Welkom in het niemendal.

Monnik: Hoe is het in het niemendal?

Meester: Precies zoals het is.

Monnik: Wat doe je in het niemendal?

Meester: Alleen maar wat je doet.

Monnik: Wat zeg je in het niemendal?

Meester: Alleen maar wat je zegt.

Monnik: Wat denk je in het niemendal?

Meester: Alleen maar wat je denkt.

Monnik: Hoe voelt het in het niemendal?

Meester: Precies zoals het voelt.

Monnik: Maar heb je daar dan vrede mee?

Meester: Alleen als dat zo is.

Monnik: En vindt u dat bevredigend?

Meester: Alleen als ik dat vind.

Monnik: Het klinkt zo onbevredigend.

Meester: Alleen als je dat vindt.

Monnik: Is alles daar dan subjectief?

Meester: Alleen voor wie dat vindt.

Monnik: En als je dat niet langer vindt?

Meester: Dan is dat wat je vindt.

Lichaamstaal

Een monnik vroeg: ‘Waar is nirwana?’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. De monnik vroeg: ‘Waar is de weg naar nirwana?’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. ‘Waar is samsara?’ Tik. ‘Waar is de weg uit samsara?’ Tik. ‘Allemaal in mijn hoofd?’ Tik. ‘In mijn geest?’ Tik. ‘In de Geest?’ Tik. ‘In mijn bewustzijn?’ Tik. ‘In het Bewustzijn?’ Tik. ‘In het Zelf?’ Tik. ‘In het Ene?’ Tik. ‘O, ik weet het al.’ ‘Wist je maar van ophouden’, zei de meester. ‘In mijn verbeelding’, riep de monnik. De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap.

De monnik slaakte een kreet. De meester slaakte een kreet. De monnik sloeg met zijn vuist op tafel. De meester sloeg met zijn vuist op tafel. De monnik tikte met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd. De meester tikte met zijn wijsvinger op zijn voorhoofd. De monnik stak zijn middelvinger op. De meester stak zijn duim op. De monnik riep: ‘Allemaal nirwana.’ De meester tikte met zijn vinger tegen zijn slaap. De monnik vroeg: ‘Wat is nirwana?’

Vijf dummy’s

Eindelijk is het zover. Je gaat op bedevaart. Bij de eerste meester aangekomen vraag je: ‘Waar begint de weg?’ De meester slaat met zijn staf op de grond. Je zegt: ‘Dat is ook toevallig.’ De meester glimlacht. ‘Bent u daarom hier gaan staan?’ De meester kijkt je glazig aan. ‘U bedoelde toch hier?’ ‘Waar?’

Je vraagt: ‘Waar eindigt de weg?’ De meester slaat met zijn staf op de grond. Je zegt: ‘Dit is werkelijk een toplocatie.’ De meester glimlacht. ‘U bedoelt toch hier, of niet soms?’ De meester kijkt je glazig aan. Je zegt: ‘Maar ik bén al hier.’ ‘Wie?’ ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Naar een andere meester, voor een second opinion.’

Bij de volgende meester aangekomen zeg je: ‘Wat voor weg is de weg?’ De meester zegt: ‘Een dwaalweg.’ ‘Waarheen?’ ‘Een doolhof.’ ‘Een dwaalweg naar een doolhof?’ De meester lacht schaapachtig. ‘Het paradijs is een doolhof?’ ‘Ik sta er niet voor in.’

Je zegt: ‘Wees eens eerlijk…’ De meester zegt: ‘Oei.’ ‘Hoe hou je ze uit elkaar?’ ‘Eerlijk en oneerlijk?’ ‘Dwaalweg en doolhof.’ ‘O, gelukkig.’ ‘Nou?’ ‘Het is dat je er zelf over begint…’ ‘Toe dan.’ ‘Ik ben hier niet zo goed in…’ ‘Alstublieft.’ De meester zegt: ‘Tja.’ Je zegt: ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Naar een andere meester, voor een derde mening.’

Bij de volgende meester aangekomen vraag je: ‘Waar is de weg?’ De meester zegt: ‘Weg.’ ‘Pleitte?’ ‘Foetsie.’ ‘Hoe kan dat nou!’ ‘Hij lag toch maar in de weg.’ Je zegt: ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’ ‘Naar een andere meester, voor een vierde mening.’

Bij de laatste meester aangekomen vraag je: ‘Waarom kan ik de weg niet vinden?’ ‘Omdat de weg niet vinden is?’ ‘Hoe hebt u hem dan gevonden?’ ‘Door hem kwijt te raken?’ ‘Maar hoe bent u hem dan kwijtgeraakt?’ ‘Als ik dat wist had ik hem wel gevonden.’ ‘Zo komen we nergens.’ ‘Moet je ergens heen dan?’

Vertwijfeld sjok je naar een nabijgelegen veldje en laat je voorover op het gras vallen. Je mompelt: ‘Wat een stelletje dummy’s.’


Geïnspireerd op koan 20 uit Book of Serenity:

Dizang: Waar ga je heen?
Fayan: Op bedevaart.
Dizang: Waar is dat goed voor?
Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang: Niet-weten is het meest nabij.

Koans 1-12, Koans 13-24, Koans 25-36

Poort 49 – De poortloze poort

De Poortloze Poort, met hoofdletters, is de titel van een collectie van achtenveertig koans verzameld en becommentarieerd door de Chinese Ch’anmeester Wumen Huikai.

De Poortloze Poort met hoofdletters is nu ook de titel van diezelfde collectie van achtenveertig koans hertaald en gedeconstrueerd door de gesjeesde dwaalmeester Huangsu Fuandangu alias Hans van Dam. Niet om door te komen! De Poortloze Poort om precies te zijn.

De poortloze poort met kleine letters is een metafoor. Maar waarvoor?

De poortloze poort, met kleine letters, is ook de titel van de negenenveertigste en laatste reeks van Niet om door te komen! De Poortloze Poort. Dertien dwaalgesprekjes over de poortloze poort als metafoor.

Helaas is de poortloze poort met kleine letters niet de climax van de Poortloze Poort met hoofdletters, want de Poortloze Poort met hoofdletters heeft geen climax – die van Wumenguan niet en die van mij al helemaal niet.

De poortloze poort met kleine letters is ook geen samenvatting of conclusie van de Poortloze Poort met hoofdletters, want wat valt er in Boeddha’s naam samen te vatten of te concluderen aan een leer zonder leer?

De poortloze poort met kleine letters is een nageboorte. De nageboorte van een miskraam. Een reeks nageboortes – moederkoekjes voor het bloeden. Achterpoortjes voor onderdeurtjes. Onderdeurtjes zonder sleutels. Sleutels zonder sloten. Sloten zonder vis.

Vis moet zwammen, kabbelde het spraakwater. Geloof niets van wat ik zeg, oreerde Linji. Dat gelooft geen hond, blafte Zhaozhou.

De laatste poortjes wegen het lichtst.

Een horizon

Monnik: Wat is de poortloze poort?

Meester: Een horizon.

Monnik: In welke zin?

Meester: Hoe lang je er ook op afloopt, hij komt nooit dichterbij.

Monnik: Bedoelt u dat we er vandaan moeten lopen?

Meester: Hoe lang je er ook vandaan loopt, hij gaat nooit verder weg.

Monnik: Bedoelt u dat we er al zijn?

Meester: Waar?

Monnik: Bedoelt u dat dit het al is?

Meester: Wat?

Monnik: Bedoelt u dat zoeken geen zin heeft?

Meester: Waarvoor?

Monnik: Wat bedoelt u dan?

Meester: Kijk!

Monnik: Wat?

Meester: De horizon.

Een vergeetpoort

Monnik: Wat voor poort is de poortloze poort?

Meester: Een vergeetpoort.

Monnik: Wat vergeet hij die erdoorheen gaat?

Meester: Of er wel een poort was, of hij er wel doorheen is gegaan, waarom hij er zo nodig doorheen moest, wie het ook alweer was die erdoorheen dacht te kunnen, met welk…

Monnik: En daar bent u vrijwillig doorheen gegaan?

Meester: Waardoorheen?

Een mand

Monnik: Wat is de poortloze poort?

Meester: Een mand zonder bodem.

Monnik: Wat is door de poortloze poort gaan?

Meester: Door de mand vallen.

Monnik: Wat een naar idee.

Meester: Dat is ook maar een idee.

Monnik: Wat gebeurt dáármee?

Meester: Dat valt ook door de mand.

Monnik: En je andere ideeën?

Meester: Die vallen allemaal mee.

Monnik: Zijn we daar ook weer van verlost.

Meester: ’t Idee.

Een detectiepoortje

Monnik: Wat is de poortloze poort?

Meester: Een detectiepoortje.

Monnik: Hoezo?

Meester: Je gaat erdoorheen maar je gaat nergens heen.

Monnik: Wat wordt er gedetecteerd?

Meester: Of je nog wat weet.

Monnik: En zo ja?

Meester: Dan gaat hij af.

Monnik: O jee.

Meester: Een gekkenhuis.

Monnik: Dat zal mij niet overkomen.

Meester: Zeker weten?

Monnik: Zeker weet ik alleen maar dat ik niets weet.

Meester: Taa-tuu, taa-tuu!

Een zegepoort

Monnik: Wat voor poort is de poortloze poort?

Meester: Een zegepoort.

Monnik: Welke overwinning vier je door eronderdoor te gaan?

Meester: Je viert geen overwinning.

Monnik: Wat dan?

Meester: Je gaat eronderdoor.

Monnik: Je zult toch wel iets overwinnen als je eronderdoor gaat?

Meester: De hoop dan maar.

Monnik: De wanhoop zegeviert?

Meester: Ook overwonnen.

Monnik: Wat heb je dan bereikt?

Meester: Bereikt?

Monnik: Wat heb je dan achter je gelaten?

Meester: Achter je gelaten?

Monnik: Maar wat héb je dan?

Meester: Dan?

Monnik: Doelt u op het hier en nu?

Meester: U?

Monnik: Doelt u op niet-zelf?

Meester: Ook overwonnen.

Monnik: Doelt u op niet bedoelen?

Meester: Ook overwonnen.

Monnik: Wat blijft er dan nog over?

Meester: Waarvan?

Monnik: Noem dat maar een zegepoort.

Meester: Een poort is iets waar je doorheen moet.

Monnik: Een poort is iets waar je onderdoor gaat, zei u toch?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Vanzelfzwijgend

Monnik: Wat is de poortloze poort?

Meester: Tja.

Monnik: Dat is ook geen antwoord.

Meester: Ik kan nou eenmaal niet voor anderen spreken.

Monnik: En voor uzelf?

Meester: Dat gaat al helemaal niet meer.

Linksom of rechtsom

Monnik: Hoe weet je of iemand door de poortloze poort is gegaan?

Meester: Die gelooft er niet meer in.

Monnik: Die gelooft zeker alleen nog in zichzelf.

Meester: Dat zou me verbazen.

Monnik: Die gelooft zeker alleen nog in het zelf.

Meester: Dat zou me verbazen.

Monnik: Die gelooft zeker alleen nog in niet-zelf.

Meester: Dat zou me verbazen.

Monnik: Waar gelooft hij dan wel in?

Meester: Wie zegt dat hij nog ergens in gelooft?

Monnik: Bedoelt u dat hij nergens meer in gelooft?

Meester: Dat zou me verbazen.

Monnik: Bedoelt u dat hij in niet-geloven gelooft?

Meester: Dat zou me verbazen.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Ik zou niks zeggen.

Monnik: En als u toch iets moest zeggen?

Meester: Dat hij door de poortloze poort is gegaan?

Keerzijden

Monnik: Waarom kan niemand mij vertellen hoe het is om door de poortloze poort te gaan?

Meester: Door de wat?

Monnik: Toe nou.

Meester: Omdat niemand ervan terugkeert.

Monnik: Bent u voorgoed aan gene zijde?

Meester: Nooit van gehoord.

Monnik: Bent u voorgoed aan deze zijde?

Meester: Zegt me niks.

Monnik: Waar bent u dan?

Meester: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Monnik: Maar wel voorgoed?

Meester: Voorgoed moet nog komen.

Monnik: Voorlopig dus.

Meester: Idem dito.

Monnik: Ik snap er niks van.

Meester: Wat dacht je van mij.

Monnik: Waarom kan niemand mij vertellen hoe het is om door de poortloze poort te gaan?

Meester: Daarom kan niemand je vertellen hoe het is om door de poortloze poort te gaan.

Uitgezocht

Monnik: Waar is de poortloze poort?

Meester: Aan het einde van je zoektocht.

Monnik: Ja, hè hè.

Meester: Hoezo?

Monnik: Vinden is nou eenmaal het einde van het zoeken.

Meester: Voor sommigen is niet-vinden het einde van het zoeken.

Monnik: Ja, staat de poortloze poort nou voor vinden of voor niet-vinden?

Meester: Voor sommigen is niet zoeken het einde van het zoeken.

Monnik: Dat is ook geen antwoord.

Meester: Dat is ook geen vraag.

Monnik: Maar waar is nou de poortloze poort?

Meester: Aan het einde van je zoektocht.

Onvoorwaardelijk

Meester: Waarvoor staat de poortloze poort volgens jou?

Monnik: Onvoorwaardelijk vertrouwen.

Meester: Hm.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: Onvoorwaardelijk wantrouwen.

Monnik: Echt?

Meester: Ja, wat zeg ik nou?

De Kosmische Grap

Monnik: Er is helemaal geen poortloze poort.

Meester: O?

Monnik: Dat denk je alleen maar.

Meester: Goh.

Monnik: En ook geen zoeker.

Meester: Tjee.

Monnik: Dat denk je ook alleen maar.

Meester: Tja.

Monnik: Laat staan een zoektocht.

Meester: Echt?

Monnik: Dat denk je ook alleen maar.

Meester: Misschien denk je dat ook alleen maar.

Monnik: Wat?

Meester: Dat je dat allemaal alleen maar denkt.

Monnik: Hè?

Meester: Bè.

Monnik: Grapjas.

Meester: Dat had je gedacht.

Onverstoorbaar gestoord

Monnik: Zeg, waar vind ik de poortloze poort?

Meester: In het hart van het oordloze oord.

Monnik: Maar hoe vind ik het oordloze oord?

Meester: Daartoe pleeg je een moordloze moord.

Monnik: Maar wie moet er dan moordloos vermoord?

Meester: Om jouw nek zit het koordloze koord.

Monnik: Arme ik gaat voorgoed overboord?

Meester: In de bloei van zijn leven gesmoord.

Monnik: En het Zelf speelt zijn hemels akkoord?

Meester: Nee, het Zelf dat gaat mee overboord.

Monnik: Wie woont dan in het oordloze oord?

Meester: ’t Is de mens van de soortloze soort.

Monnik: U kent vast wel zijn woordloze woord?

Meester: Tja, daar heb ik nog nooit van gehoord.

Een slotloos slot

Monnik: Waar vind ik de poortloze poort?

Meester: In de muurloze muur.

Monnik: Waar vind ik de muurloze muur?

Meester: Op een plaatsloze plaats.

Monnik: Hoe kondig ik mij daar aan?

Meester: Met een belloze bel.

Monnik: En dan?

Meester: Stap je met je lichaamloze lichaam naar binnen noch buiten…

Monnik: Ga door.

Meester: En dan denk je…

Monnik: Nou?

Meester: En dan denk je…

Monnik: Toe dan.

Meester: En dan denk je, nou en?

Monnik: Is dat alles?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Monnik: Maar dat denk ik al de hele dag!

Meester: Daar heb je het al.

Monnik: En dan?

Meester: En dan denk je…

Monnik: Toe dan.

Meester: En dan denk je, en nou?

Monnik: Maar dat denk ik al de hele dag!

Meester: Ik kan het ook niet helpen.

Monnik: En dan?

Meester: En dan ga je maar weer zoeken.

Monnik: Waarnaar?

Meester: Woorden.

Monnik: Lukt dat?

Meester: Och.

Monnik: Welke woorden hebt u allemaal gevonden?

Meester: Hm.

Monnik: Nou?

Meester: Eh…

Monnik: Toe dan.

Meester: …

Monnik: Komt er nog wat van?

Meester: Dat was het wel zo’n beetje.

Monnik: Hè?

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Monnik: Maar dat denk ik al de hele dag!

Meester: Daar heb je het al.

Namenlijst van protagonisten

Ananda: 22
Baizhang: 2, 40
Bajiao: 44
Bodhidharma: 41
Boeddha: 5, 32, 42
Caoshan: 10
Daimei: 30
Deshan: 13, 28
Dongshan: 15, 18
Doushuai: 47
Fayan: 26
Fengxue: 24
Ganfeng: 48
Guishan: 40
Hongren: 23
Huangbo: 2
Hui-k’o: 41
Huineng: 23, 29
Huoan: 4
Juzhi: 3
Longtan: 28
Mahakashyapa: 5, 22
Manjushri: 42
Mazu: 30, 33
Nanquan: 14, 19, 27, 34
Qingshui: 10
Ruiyan: 12
Shenxiu: 23
Shisuang: 46
Shoushan: 43
Sixin: 39
Songyuan: 20
Tianlong: 3
Xiangyan: 5, 9
Xuefeng: 13
Yangshan: 25
Yantou: 13
Yuean: 8
Yunmen: 15, 16, 21, 39, 48
Wuzu: 35, 36, 38, 45
Zhaozhou: 1, 7, 11, 14, 19, 31, 37