De tao van tja

‘Wie alles in het midden laat, blijft feilloos in balans.’ Tussen nee en ja – de tao van tja. Dwaalteksten over taoïsme en niet-weten.

Dwaalgids > Mystiek > De tao van tja

Lees ook: Meester Tja, De Daodejing in vraagvorm, Zeg maar tja tegen het leven

De Grote Tao en het Grote Tja

Niet-weten is de weg van het tja. Noemen we de weg de tao dan krijgen we de tao van tja. De tao van tja is de essentie van taoïsme zonder essentie.

De tao als kunst(je)

Er zijn tegenwoordig heel wat boeken, tijdschriftartikelen en websites waarvan de titel begint met ‘de tao van’. De tao van leiderschap, de tao van de liefde, de tao van het boogschieten. De tao van de wijsheid, de tao van de fysica, de tao van Poeh. De tao van Toonder, de tao van zen, de tao van de landbouw. De tao van het dirigeren, de tao van de man, de tao van de vrouw. De tao van de seksualiteit, de tao van de topsport, de tao van het coachen, de tao van het struinen.

Meestal is het verband met de taoïstische leer en praktijk ver te zoeken. Het gaat over ‘de flow’ of ‘the zone’, je geest leegmaken, één worden met je tegenstander of je doel, zonder ego zijn, dat soort zaken.

Het gaat erom je prestaties te verbeteren, je productie te verhogen, efficiënter en effectiever te worden, de concurrentie de loef af te steken, je macht te vergroten, successen te behalen, lof te oogsten, meer te genieten, gelukkiger te worden, je netwerk uit te breiden, vriendschappen te verdiepen, je levenskwaliteit te verbeteren, je ambities te realiseren.

Met ‘de tao van’ wordt dus bedoeld ‘de kunst van’: de kunst van leiderschap, de kunst van de liefde, de kunst van het boogschieten et cetera. De tao als kunst. De tao als kunstje. De tao als karikatuur?

De tao als cultus

Niet dat het taoïsme zelf zo duidelijk is. Neem alleen al de naam. Is het nou taoïsme of daoïsme? Tao of dao? Tao tê tjing of Tao Te Ching of Tao-Te-King of Daodejing?

Het ligt er maar aan welk transcriptiesysteem je volgt. De Chinese regering promoot sinds 1958 het pinyin, dat daoïsme, dao en Daodejing voorschrijft. Steeds meer landen stappen over, maar Nederland houdt stand. Je maintiendrai. Wij zijn gehecht aan de t. Anno 2018 zijn tao en taoïsme nog altijd de officiële schrijfwijze.

De naamgeving is niet het grootste probleem. Of we het nou taoïsme of daoïsme noemen, niemand weet wat het is. Of we nou van de tao of de dao spreken, niemand weet waar het naar verwijst, niet precies en niet bij benadering. Dat laatste is zelfs een taoïstisch dogma, zoals we later nog zullen zien.

Geen dogma maar gewoon een feit: hét taoïsme bestaat helemaal niet. Het taoïsme is in de loop van de eeuwen onophoudelijk veranderd, en het verandert nog steeds. Geheel in overeenstemming met het tijdloze dogma van de eeuwige transformatie. Net als het christendom trouwens. Net als de islam. Net als het hindoeïsme. Net als het boeddhisme. Religies veranderen voortdurend en worden, althans historisch gezien, steeds diverser.

Het hedendaagse taoïsme is, evenals het katholicisme, het Tibetaans boeddhisme en de Hare Krisjna, om maar een paar voorbeelden te noemen, een esoterische cultus voor ingewijden, een boeket van cultussen, met eindeloos veel beeldjes, iconen, rituelen, praktijken, voorschriften, geschriften, principes, correspondenties, zielen, heiligen, halfgoden en goden.

Volgens sommigen lijkt het huidige taoïsme zelfs in niets meer op het antieke taoïsme, dat primair een filosofie zou zijn geweest. Volgens anderen is er in wezen niets veranderd en was het taoïsme van meet af aan de volks- en mysteriereligie die het nog steeds zou zijn.

De tao als ratjetoe

Het is nog maar de vraag of het antieke taoïsme ooit ergens op geleken heeft. Van voor den beginne waren de eenheidsdenkers al verdeeld, en niet alleen qua DNA. In een van de oudste overgeleverde werken, Zhuangzi, is al sprake van ‘honderd’ scholen. Dat zullen er inmiddels wel tienduizend zijn, waarvan het merendeel alweer is opgeheven. Tienduizend strijdwagens voor Heer Tao de Ene, mogen Zijn volgelingen talrijk zijn als de animalculen.

Zhuangzi en Liezi zijn overlappende bloemlezingen van overwegend korte teksten. Deze taoïstische classics, die tijdens hun ontstaansperiode van honderden jaren kennelijk nogal eens wisselden van samenstelling, kregen volgens sommigen hun definitieve vorm aan het eind van de derde eeuw na Christus.

In beide werken heeft het taoïsme al zoveel gezichten dat je de kop niet meer van de kont kunt onderscheiden. Zoveel koekoeken hebben hun eieren erin gelegd dat de bodem uit het nest valt. Interpolatie, heet dat met een net woord, maar niemand weet welke teksten tot de oorspronkelijke passagiers behoren en welke tot de verstekelingen. Er zijn er ook die menen dat iedere letter authentiek taoïstisch is.

Hoe het ook zij, de taoïstische canon is een amalgaam dat alle gaatjes vult. Iedereen vindt er wel wat van zijn gading, wie bevestiging zoekt, grijpt zelden mis. Hoe dat kan?

Sommige stukjes in Zhuangzi en Liezi zijn ronduit anarchistisch, andere ronduit legalistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit sceptisch, andere ronduit dogmatisch.

Sommige stukjes zijn ronduit non-conformistisch, andere ronduit reactionair.

Sommige stukjes zijn ronduit socialistisch, andere ronduit kapitalistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit nihilistisch, andere ronduit confucianistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit fatalistisch, andere ronduit activistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit hedonistisch, andere ronduit ascetisch.

Sommige stukjes zijn ronduit intellectualistisch, andere ronduit obscurantistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit sofistisch, andere ronduit absurdistisch.

Zelfs over de stelling dat de tao voorbij de woorden is, waren de taoïsten van weleer het onderling en met zichzelf oneens. Ze schreven er tenminste op los, eerst op latjes, aan elkaar geknoopt tot matjes, toen op papieren rollen gebundeld tot boeken, sneller dan de confucianisten en de mohisten en de entropie hun werken konden hacken, of zij de hunne, en dat zegt wel wat, maar wat?

Veel spreken put zich uit,
het is beter alles in te houden.

(uit Tao Tê Tjing hoofdstuk 5. Over het staan buiten de tegenstellingen, Ir. Blok, 1910/1918)

De tao als kosmologie

Het hoofdbegrip tao wordt dikwijls onvertaald gelaten. In plaats daarvan wordt het opgevoerd als nieuw Nederlands woord, een zogeheten barbarisme. Dat voorkomt misverstanden, maar je moet het woord nog wel even definiëren, en daar zit hem de kneep. Kristofer Schipper kiest voor deze optie in zijn bezorging van de klassieker Zhuang Zi en de nog klassiekere Lao Zi.

Zoals we uit zijn inleidingen, toelichtingen en voetnoten kunnen opmaken omarmt Schipper het idee van de tao als metafysisch principe, als de ultieme ratio, als het absolute ene dat ten grondslag ligt aan de tienduizend verschijnselen. Zonder zelf ook maar een jota te veranderen regelt de tao hun ontstaan, transformatie en vergaan tot in de puntjes en de uitroeptekentjes.

En wij? Wij moeten ons gewoon nergens mee bemoeien. Wu wei, niet-doen, niet-ingrijpen. Wij moeten ook niets proberen te begrijpen. Voor het verstand zal de tao altijd een groot vraagteken blijven. Maar het leven is een kat en komt vanzelf op zijn pootjes terecht, zolang wij maar ruim baan maken. En de dood is een kat met negen levens, ook daar hebben we geen omkijken naar, dus wat is het probleem?

De tao als constructie

Dit is voor zover ik het kan overzien de gebruikelijke westerse interpretatie van het taoïsme. Ze is weliswaar consistent, maar die consistentie wordt bereikt door alle uitspraken die er niet mee in overeenstemming zijn te negeren. Het is, met andere woorden, een constructie.

Iedere consistente presentatie van het taoïsme is noodzakelijkerwijs een constructie, de mijne ook. Geeft niks. Het mooie van het taoïsme is nu juist dat je er alle kanten mee op kunt. Het vervelende van het taoïsme is echter dat je er alle kanten mee op kunt.

De metafysische tao wordt in niet-barbaars Nederlands aangeduid als het Niets, de Leegte, het Ene, het Oneindige, de Bron, het Al, het Oerprincipe of de Geest, bij voorkeur geschreven met een hoofdletter en op te vatten als een hogere, diepere of achterliggende realiteit. De werkelijkheid der werkelijkheden. Wat wij vroeger God noemden, maar zonder evenbeeld.

Een en ander zal met name zenboeddhisten bekend voorkomen. Over constructies gesproken. Als boeddhisme een paard is (vanwege de vier edele waarheden) en taoïsme een ezel (vanwege het niet-weten) dan is zen een muilezel. Meer ezel dan paard, de naam zegt het al. Niets aan te doen of te niet-doen. Had Bodhidharma maar niet uit het westen moeten komen. Wat?

De toekomstige eerste zenpatriarch kwam China inlijven, maar China lijfde hem in alsof hij Tibet heette en het anachronisme nog moest worden uitgevonden. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Bescheiden glimlachend drong de ectomorfe gastheer achterlangs zijn endomorfe gast binnen.

Enkele eeuwen later was het pleit beslecht. Sindsdien streven zenboeddhisten krampachtig naar eenvoud, spontaniteit en niet-doen. Sindsdien kaatst het absolutistische idee van de tao onder diverse schuilnamen (het Ware Zelf, je Oorspronkelijke Gezicht, Boeddhaschap, de Boeddhanatuur…) eindeloos rond in Hollebolle Boeddha. Om nog maar te zwijgen over de confucianistische deugd. Drie leren voor de prijs van één, waarlijk een Groot Voertuig.

Mij hoor je niet klagen. Verandering van spijs doet afgaan. Leegte is licht verteerbaar, lichter dan het tweeduizend jaar oude lichaam en bloed van Christus. Ze vult in geen tijd het holste vat. En dat klinkt.

Tip: Wat is zen?

De tao als weg

Niet iedereen is vol van metafysica. Jan de Meyer gaat zijn eigen weg en vertaalt tao in Liezi consequent als de Weg – de rivier van het leven.

Met zijn ondertitel ‘de taoïstische kunst van het relativeren’ en in zijn inleiding wekt De Meyer de indruk meer geïnteresseerd te zijn in het relatieve van de tienduizend verschijnselen dan in het absolute waarvan ze een manifestatie heten te zijn.

Volgens hem gaat het in Liezi en in de navolger Wunengzi “in essentie […] om het relativeren en afbreken van alle conventionele kennis en inzichten” (tweede druk, pagina 48). Als een auteur ‘in essentie’ of ‘eigenlijk’ of zo schrijft, dan weet je het wel: daar komt weer een constructie aan.

En meteen rijst de vraag: is het taoïsme nu een leer of een weg? Is het een kosmologie of een kunst?

Als het taoïsme een kunst is, is het dan de kunst van het verabsoluteren of de kunst van het relativeren? De kunst van het weten of de kunst van niet-weten? Kunst of ongekunsteldheid? Beide tegelijk? Geen van beide?

De tao als identiteit

Wat mij betreft, ik heb absoluut geen belangstelling voor de metafysica van het absolute, maar des te meer voor de verregaande relativeringen, op het absurdistische af, in de taoïstische overlevering. En dan denk ik vooral aan de drie oudste geschriften, Daodejing, Zhuangzi en Liezi.

Wijzen wiens wijsheid eruit bestaat hun eigen wijsheid onderuit te halen – kom er maar eens om. Toch zijn ze er, voor zover een constructie werkelijkheid is. Want om ze te ontmoeten moet je wel selectief te lezen. Alles weglaten wat duidt op starheid, eenzijdigheid, dogmatisme en hoogmoed. Dat de essentie noemen.

Hoogmoed? Nou en óf. Wist je dat taoïsten zichzelf en elkaar om de haverklap de hemelse, de goddelijke mens, de hoogste mens noemen? Sla Meester Zhuang er maar eens op na. Wist je dat Oude Langoor, de onbekende schrijver en/of samensteller van Lao Zi, sinds de derde eeuw na Christus als een god wordt vereerd?

‘In essentie’ is religie zelfverheffing. De volgende constructie, ik weet het. Maar toch. Jezus werd ruim na zijn kruisdood per decreet vergoddelijkt en maakt sindsdien deel uit van de Heilige Drie-Eenheid, die stomtoevallig rond dezelfde tijd uit het niets in de theologische literatuur opduikt. Sindsdien is Jezus in de ogen van christenmensen de hoogste godmens en is hun eigen religie de hoogste en enige ware religie.

Persoonlijk heb ik nooit maar dan ook nooit een religieus mens ontmoet die zijn eigen religie lager aansloeg dan een andere. Jij? Ben je religieus? Is jouw religie volgens jou de hoogste religie?

In onze eigen verlichte tijd laat een Tenzin Gyatso zich zonder blozen Uwe Heiligheid noemen en op handen dragen. Hij is de geestelijk leider der Tibetaanse Geelhoeden en volgens dezen de veertiende reïncarnatie van de dalai lama. Volgens slecht geïnformeerde westerlingen is hij zelfs de paus van het hele boeddhisme.

De tao als methode

Waar was ik? O ja. De taoïstische kunst van het relativeren. Inderdaad zeg, als de oude taoïstische meesters iets konden, al was het maar in essentie, dan was het wel relativeren. Net als de oude Grieken (Protagoras, Pyrrho, Socrates), maar daar hebben we het nu niet over.

Iemand was zijn bijl kwijtgeraakt, en hij verdacht de buurjongen. Hij observeerde hoe de jongen liep: typisch iemand die een bijl heeft gestolen. Zijn gelaatsuitdrukking: typisch die van een bijlendief. Zijn woorden: typisch die van een bijlendief. Wat de jongen ook deed, zijn hele houding, alles wees erop dat hij de bijl had gestolen.

Niet veel later was de man in de vallei aan het graven en vond hij zijn bijl. De volgende dag zag hij de buurjongen opnieuw: zijn gedragingen en zijn houding deden hoegenaamd niet meer denken aan die van een bijlendief.

(Liezi hoofdstuk 8, XXXIV, Jan De Meyer, 2008, Uitgeverij Augustus)

Relativeren, dat is je zekerheden tegen het licht houden. Je aannames onderzoeken. Niets voor lief nemen. Onder ogen zien dat alle kennis, ieder oordeel, elke waarde betrekkelijk is, beperkt geldig, afhankelijk van standpunt en zichtlijn, tijd en plaats, individu en omstandigheden, leeftijd en geslacht, soort en familie, opleiding en ervaring, natuur en cultuur.

Yang Zhu zei: ‘Dingen die in het verre verleden zijn gebeurd zijn vergaan. De dingen die de Drie Doorluchtigen hebben gedaan zweven tussen bestaan en vergaan. De dingen die de Vijf Keizers hebben gedaan zweven tussen bewustzijn en droom. De dingen die de Drie Koningen hebben gedaan zweven tussen verborgen en zichtbaar.

Van alle honderdduizend dingen is er geen enkel dat we met zekerheid kennen. Van de dingen die zijn gebeurd tijdens ons leven hebben we over sommige gehoord, terwijl we er andere hebben gezien, maar van alle tienduizend is er geen een die we met zekerheid kennen. Van de tienduizend dingen die voor onze ogen gebeuren, onthouden we sommige en vergeten we andere, maar van elke duizend is er geen een die we met zekerheid weten.’

(Liezi Hoofdstuk 7, XV)

De methode van de tao van de oudheid bestond deels uit relativeren, en als we de rest wegdenken, dan is taoïsme niets anders. Door deze constructie meteen weer te relativeren bevestigen we de essentie, geen speld tussen te krijgen.

Taoïsme is deconstructie avant la lettre. Zeg maar gerust protopostmodernisme. En postmodernisme is taoïsme après la lettre. Of is dat een reconstructie achteraf? Hoe dan ook, inlijven van wat dan ook in wat dan ook is helemaal niet zo moeilijk. Daar hoef je echt geen Chinees voor te zijn. Of is het de Chinees die in mij rondkaatst en die ik abusievelijk voor mezelf aanzie – Huangsu Fuandangu?

De wijze als onnozelaar

Al dat relativeren gaat je niet in je koude kleren zitten. Het beeld dat van de taoïstische wijze wordt geschetst in hoofdstuk 20 van de Daodejing liegt er in elk geval niet om. In de woorden van Ir. Blok:

O die verduistering, er is geen einde aan!
De mensen stralen van lust,
als wie zich vergast aan het stieroffer,
als wie in de lente terrassen bestijgt.
Ik alleen lig stil en heb nog geen teken gegeven,
als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft.
Ik ben altijd zwervende, als niet wetende waarheen te gaan.
Alle mensen hebben over; ik alleen ben leeg.
O, ik heb het hart van een dwaas!
Ik ben zo verward!
De mensen zijn helder; ik alleen lijk duister.

(uit Tao Tê Tjing hoofdstuk 20, Over de onwetendheid van de wijzen)

In de woorden van Schipper:

Wat een onnozele ziel! Chaotisch en verward!
De gemene lieden zijn steeds helder van geest.
Ik alleen tast in het duister.
De gemene lieden onderzoeken en scheiden.
Ik alleen ben me nergens van bewust.
Ja, wild ben ik, als was ik de wijde zee!
Chaotisch! Alsof ik nergens houvast heb.

(uit Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, hoofdstuk 20, Kristofer Schipper, 2010)

Dat is weer eens wat anders dan het gebruikelijke beeld van de minzaam glimlachende, onverstoorbare bovenmeester die het/ze allemaal op een rijtje heeft en iedereen onvermoeibaar met raad en daad bijstaat. De wijze als onnozelaar, je leest het maar zelden. Ik kan me er helemaal in vinden.

De tao als spook

Relativeren is ontdekken dat alles duister is. Of mooi gezegd dat alles een wonder is. Een mysterie. Zelfs kennis is een wonder en maakt deel uit van het mysterie!

Maar is dat wel zo? Is alles werkelijk duister of is dat ook maar een gedachte? Is alles werkelijk een mysterie of een wonder, of zijn dat ook maar woorden? Is er eigenlijk wel zoiets als alles, of is dat ook maar een woord? Of is dit ook maar een gedachte?

Alles is een illusie, zegt de non-dualist, maya. O ja? En de illusie dan? En het non-dualisme dan?

Schort al je oordelen op, zegt de scepticus. O ja? En dit oordeel dan?

Schrap je woorden, zegt de nominalist. O ja? En nominalisme dan?

Kill your darlings zegt William Faulkner. O ja? En deze dan?

Dood de boeddha zegt de boeddhist. O ja? En de boeddhadoder dan?

Alles is leeg, zegt de zenboeddhist. O ja? En de leegte dan?

If you’re seeing things
Running through your head
Who can you call?
Ghostbusters!

zingen de ghostbusters in Ghostbusters. O ja? En als je ghostbusters ziet?

De tao als middenstip

Relativeren – begin er niet aan want het einde is zoek. Het enige wat je aan het eind overhoudt, en het enige dat je overeind houdt, is het midden. Het midden van het midden, en daar dan weer het midden van.

Dit midden is dan meteen het begin en het einde, het alfa en omega, het eerste en het laatste, het laagste en het hoogste, het verst weg en het meest nabij. Stel je dat toch eens voor! O, moet ik het voorstellen.

Verbeeld je: een denkbeeldenstorm. Al je ideeën aan gort. Al je meningen naar God. Al je kennis naar z’n grootje. Je persona in zijn blootje. Alle spoken zijn gevlogen.

Leeg is je hoofd, leeg je hart, leeg je koffer, leeg je agenda. Leeg is je leer – zelfs van leegte ontdaan.

Niets kaatst er in je rond of het kaatst naar buiten. Niets koekt er aan je hersenpan of je lust het rauw. Alles waait naar buiten of je blaast het weg.

Kijk, de keizer heeft geen kleren!
Juichend zweeft hij op de wind!
Zonder Rijk en zonder Heere!
Dartel als een hemels kind!

Tip: Zalig zijn de armen van geest

Het Grote Tja

Ha ha

Al die oefeningen in betrekkelijkheid en niet te vergeten de betrekkelijkheid van de betrekkelijkheid hebben onvermijdelijk tot gevolg dat je je gedachten niet meer zo serieus neemt, deze ook niet. Of je gedachten jou niet. Jij jezelf niet. Neem mij nou, als je kunt.

In plaats van Ja! of Nee! zeg ik ronduit Tja tegen mijn gedachten. Telkens weer. Dat mag gerust het Kleine Tja heten.

Zeg ik toch nog eens Ja! of Nee! dan zeg ik daar wel Tja tegen. Ha ha, niks aan de hand, hoort erbij, niet van mij. Dat mag gerust het Middelste Tja heten.

Ook tegen deze gedachten zeg ik Tja, en ook tegen het Kleine Tja, en tegen het Middelste Tja, en op voorhand al tegen het Grote Tja, het Grootste Tja, et cetera. Dat mag gerust het Grote Tja heten, of Tien Pond Scheten, hè bah.

Het Grote Tja, alla, maar mag het ook de Grote Tao heten? De Meyer ziet het taoïsme dan misschien als de kunst van het relativeren, er zijn in de klassieke werken maar weinig uitspraken te vinden die de tao zelf relativeren. Toch?

Dat had je gedacht. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Je ziet ze wel, maar je kijkt eroverheen. Ze zitten verstopt, als bomen in een bos. Als relikwieën in een sint. Sanctum sanctorium, het heilige der heiligen, is vrij toegankelijk verboden gebied. Niemand mag er komen want er is niets te zien. Daarom mag iedereen er komen tot hij het eindelijk ziet…

De tao als de grote onzekerheid

‘Is het mogelijk de Weg te verkrijgen?’
‘Je bezit niet eens je eigen lichaam, hoe zou je dan de Weg kunnen verkrijgen?’
‘Als mijn eigen lichaam niet van mezelf is, van wie is het dan wel?’
‘Het lichaam is je toegevallen. Ook het leven is niet van jezelf: het is je toegevallen. Je kinderen en kleinkinderen zijn niet van jou. Ze zijn je toegevallen. Daarom ben je op reis zonder te weten waar je heen gaat, verblijf je zonder te weten waar je je aan vastklampt en eet je zonder te weten waar het vandaan komt.’

(vrij naar Liezi hoofdstuk 1, XIV)

De Weg is niet te verkrijgen. Alles valt je toe. De Weg gaan betekent op reis zijn zonder te weten waar je bent en waar je heen gaat.

En de Tao?

De tienduizend dingen: ze leven, maar niemand ziet hun oorsprong; ze komen te voorschijn, maar niemand ziet waarvandaan. Alle mensen hechten waarde aan wat hun verstand kan bevatten, en niemand heeft de kennis die berust op wat het verstand niet kan bevatten, en die we wel de grote onzekerheid mogen noemen! Genoeg! Genoeg! In feite kun je daar niet aan ontsnappen, en komt het erop neer te zeggen: ‘Zo is het! – Is het zo?’

(Zhuangzi hoofdstuk 25, VIII)

De tao als de Grote Onzekerheid. Wat kan dat anders zijn dan het Grote Tja? In essentie bedoel ik natuurlijk. Als een van de essenties. Als bijkomstigheid dan, jij je zin.

De tao als het sanatorium der sanatoria. Een lege geest in een leeg lichaam:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste. Dit niet weten, dat is een kwaal. De Wijze, door deze kwaal als een kwaal te beschouwen, is hiervan gevrijwaard. Want alleen op deze manier kun je aan die kwaal ontkomen.

(Lao Zi hoofdstuk 71, Schipper 2010)

Dan zijn we weer terug bij de wijze als onnozelaar. Maar is er überhaupt wel iemand die een wijze genoemd mag worden, binnen of buiten het taoïsme?

De eerste minister van Shang had een ontmoeting met Confucius en vroeg hem: ‘Ben jij een wijze?’ ‘Een wijze?’ antwoordde Confucius. ‘Hoe zou ik durven? Ik ben wel iemand die heel belezen is en veel weet.’

De eerste minister van Shang vroeg: ‘Waren de Drie Koningen wijzen?’ Confucius zei: ‘De Drie Koningen maakten op uitstekende wijze gebruik van kennis en moed, maar of ze wijzen waren weet ik niet.

‘Waren de Vijf Keizers wijzen?’ Confucius zei: ‘De Vijf Keizers maakten op uitstekende wijze gebruik van medemenselijkheid en plichtsbesef, maar of ze wijzen waren weet ik niet.’

‘Waren de Drie Doorluchtigen wijzen?’ Confucius zei: ‘De Drie Doorluchtigen blonken uit in het zich aanpassen aan het moment, maar of ze wijzen waren weet ik niet.’

De eerste minister van Shang was erg verbaasd en zei: ‘Maar wie is dan een wijze?’ Even veranderde Confucius’ gelaatsuitdrukking, en hij zei: ‘Onder de mensen van het westen is er een wijze. Hij regeert niet, en er is geen chaos. Hij spreekt niet, en hij wordt spontaan geloofd. Hij voert geen veranderingen door, en zijn invloed verspreidt zich spontaan. Hij is zo ongrijpbaar dat niemand van zijn volk in staat is hem een naam te geven. Ik vermoed dat hij een wijze is, maar of hij nu echt een wijze is of niet weet ik niet.’

De eerste minister van Shang bewaarde het stilzwijgen, en hij dacht bij zichzelf: Confucius houdt me voor de gek!

(Liezi hoofdstuk 4, III)

Meester Lie houdt ons op zijn beurt voor de gek. Want Confucius, het boegbeeld van het zeergeleerde confucianisme, krijgt hier woorden in de mond gelegd die alleen een taoïst zou durven uitspreken. Ik parafraseer:

Is er wel zoiets als wijsheid? Weet jij het? Is er wel zo iemand als een wijze? Ken jij zo iemand? Ben jij zo iemand?

Je dit serieus afvragen, is dát soms wijsheid?

Taoïsme zónder

Het taoïsme relativeren is het taoïsme uithollen. Zoals we net hebben gezien geven de taoïsten, tenminste enkelen, zelf het goede voorbeeld, hier en daar. Wat krijg je als je die lijn helemaal doortrekt?

Taoïsme zonder tao. Taoïsme zonder deugd. Taoïsme zonder moraal. Taoïsme zonder innerlijke kracht. Taoïsme zonder qi. Taoïsme zonder weg. Taoïsme zonder doel. Taoïsme zonder principes. Taoïsme zonder metafysica. Taoïsme zonder kosmologie. Taoïsme zonder mensbeeld. Taoïsme zonder wereldbeeld. Taoïsme zonder ideaalbeeld. Taoïsme zonder esoterie. Taoïsme zonder onsterfelijkheid.

Taoïsme zonder filosofie. Taoïsme zonder anarchisme. Taoïsme zonder legalisme. Taoïsme zonder scepticisme. Taoïsme zonder dogmatisme. Taoïsme zonder conformisme. Taoïsme zonder non-conformisme. Taoïsme zonder nihilisme. Taoïsme zonder cynisme. Taoïsme zonder fatalisme. Taoïsme zonder activisme. Taoïsme zonder hedonisme. Taoïsme zonder ascese.

Taoïsme zonder scholen, zonder schoolsheid en zonder schoolmeesters. Taoïsme zonder goden, halfgoden, heiligen of zielen. Taoïsme zonder hoge mensen en zonder lage mensen.

Taoïsme zonder taoïsme, antitaoïsme of non-taoïsme.

Taoïsme zónder.

Taoïsme mét is gewoon een van de tienduizend dingen. Alle tienduizend dingen zijn even onbestendig, zegt datzelfde taoïsme. ‘Geen enkele voldoet als toeverlaat’:

Chaotisch! Zonder vorm!
Transformaties, nooit bestendig.
Zijn we dood? Zijn we levend?
Zijn we evenredig met de hemel en de aarde?
Trekken wij samen op met de goden?
Hoe duister! Waar zijn we?
Hoe onduidelijk! Waar gaan we naartoe?
De tienduizend dingen omringen ons totaal,
Geen enkel voldoet als toeverlaat.

(Zhuangzi hoofdstuk 33, paragraaf 9, p426)

Nou dan.

Taoïsme zónder alss de lege leer

Wie moeite heeft met het uithollen van het taoïsme kan het ook zo bekijken: de Tao zelf is volgens het taoïsme alomvattend, duister, mysterieus en onkenbaar. Alles wat je erover zegt is de Tao niet. ‘Wie spreekt, weet niet en wie weet, spreekt niet.’

Uit hoofde van zijn taoïsme is de taoïst daarom verplicht al zijn uitspraken over de Tao terug te nemen. Zonder uitzondering. Alle uitspraken over de Tao terugnemen is niets anders dan het taoïsme uithollen. Een andere benadering, hetzelfde resultaat.

Taoïsme zónder is niets anders dan de lege leer. De leer zonder woorden, de leer zonder inhoud. Ook daar weer tja tegen zeggen – ik kan er lyrisch van worden.

De leer zonder woorden,
De kracht van het niet-doen.
Weinigen onder de hemel zijn er aan toe.

(uit Tao Tê Tjing hoofdstuk 43, Over de kracht van het zachte)

Lyriek bewijst natuurlijk niks. Zelfs al bewees het wat, ‘weinigen onder de hemel zijn eraan toe’. Niet aan de leegte, laat staan de leegte van de leegte, en dan kun je die lyriek wel op je buik schrijven.

Wil je het zelf voelen, die lyriek bedoel ik, dan moet je juist niets op je buik schrijven, en ook niet op een ander lichaamsdeel, en al helemaal niet in je hersenen. Wil je het zelf voelen dan moet je alles maar dan ook alles wissen. Telkens weer, keer op keer. Zelfs het wissen.

Het taoïsme leeg noemen betekent natuurlijk niet dat de tao in metafysische zin, dat wil zeggen, het ene, het absolute, niet zou bestaan. Hoe stel je zoiets vast? Ik zou het echt niet weten. Ik verwijs alleen maar naar een taoïsme dat in overeenstemming met zijn beste voornemens geen uitspraken doet over de al dan niet vermeende tao.

De lege mens zegt niet wat de tao is, niet dat de tao is, niet dat de tao niet is, niet dat de tao niets is. Geen woord maakt hij eraan vuil, anders was hij geen lege mens meer, zijn tao geen tao en zijn taoïsme geen taoïsme.

Maar wie is nou toch die lege mens?

Tip: Agnose!

Niet-weten, niet-doen, niet-zijn

De lege mens, hij weet niets, dit ook niet. Hij heeft geen vaste denkbeelden, geen vaste mensbeelden, geen vaste wensbeelden. Geen wereldbeeld, geen godsbeeld, geen boeddhabeeld.

Daarom is zijn doen zonder doen, zijn denken zonder denken, zijn geloof zonder geloof, zijn wil zonder wil, zijn hebben zonder hebben, zijn geven zonder geven, zijn nemen zonder nemen, zijn zijn zonder zijn, en zijn spreken zonder spreken.*

1. Niet-weten

De lege mens weet niets. Hij weet zelfs niet niets, ook aan niet-weten doet hij niet. Maar wat hij ook weet, hij weet het niet, hij weet het zelfs niet niet.

Noem dat desnoods niet-weten. Zelf zegt hij liever niets.

2. Niet-doen

De lege mens doet niets. Hij doet zelfs niet niets, ook aan niet-doen doet hij niet. Maar wat hij ook doet, hij doet maar wat, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-doen. Zelf zegt hij liever niets.

3. Niet-denken

De lege mens denkt niets. Hij denkt zelfs niet niets, ook aan niet-denken doet hij niet. Maar wat hij ook denkt, hij denkt maar wat, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-denken. Zelf zegt hij liever niets.

4. Niet-geloven

De lege mens gelooft niets. Hij gelooft zelfs niet niets, ook aan niet-geloven doet hij niet. Maar wat hij ook gelooft, hij gelooft het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-geloven. Zelf zegt hij liever niets.

5. Niet-willen

De lege mens wil niets. Hij wil zelfs niet niets, ook aan niet-willen doet hij niet. Maar wat hij ook wil, hij wil het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-willen. Zelfs zegt hij liever niets.

6. Niet-nemen

De lege mens neemt niets. Hij neemt zelfs niet niets, ook aan niet-nemen doet hij niet. Maar wat hij ook neemt, hij neemt het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-nemen. Zelfs zegt hij liever niets.

7. Niet-geven

De lege mens geeft niets. Hij geeft zelfs niet niets, ook aan niet-geven doet hij niet. Maar wat hij ook geeft, hij geeft het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-geven. Zelfs zegt hij liever niets.

8. Niet-hebben

De lege mens heeft niets. Hij heeft zelfs niet niets, ook aan niet-hebben doet hij niet. Maar wat hij ook heeft, hij heeft het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-hebben. Zelfs zegt hij liever niets.

9. Niet-zijn

De lege mens is niets en niemand. Hij is zelfs niet niets of niemand, ook aan niet-zijn doet hij niet. Maar wie of wat hij ook lijkt, hij is het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-zijn. Zelf zegt hij liever niets.

10. Niet-zeggen

De lege mens zegt niets. Hij zegt zelfs niet niets, ook aan niet-zeggen doet hij niet. Maar wat hij ook zegt, hij zegt maar wat, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-zeggen. Zelf zegt hij liever niets.

De lege mens, hij weet zelfs niet niets, hij doet zelfs niet niets, hij denkt zelfs niet niets, hij gelooft zelfs niet niets, hij wil zelfs niet niets, hij neemt zelfs niet niets, hij geeft zelfs niet niets, hij heeft zelfs niet niets, hij is zelfs niet niets en hij zegt zelfs niet niets, anders zou hij dit niet zeggen.

Al zijn denkbeelden zijn ingestort. Zijn denken is een gat waarin alle gedachten verdwijnen.

* En zo verder langs alle werkwoorden uit het woordenboek.

De tao als keerpunt

Wie de betekenis heeft gevat, maakt geen gebruik van woorden; wie iets helemaal heeft begrepen, maakt ook geen gebruik van woorden. Spreken door niets te zeggen is ook een vorm van spraak; weten door niet te weten is ook een vorm van weten. Het gaat niet om “spreken” en “niet-spreken”, het gaat niet om “weten” en “niet-weten”, want dat blijft in alle gevallen “spreken” en “weten”. Er is niets wat hij niet zegt, er is niets wat hij niet weet, en tegelijk zegt hij niets en weet hij niets. Zo, meer valt er echt niet over te zeggen!

(uit Liezi hoofdstuk 4, V)

Wat hij ook zegt, de lege mens zegt niets en wat hij ook niet-zegt, dat zegt hij. Eens gezegd, ongezegd. Incognito verblijft hij in het niemandsland tussen ja en nee. Daar houdt hij moeiteloos het midden van het midden. Statenloos hij in alle staten. Of hij nou wil of niet-wil of niet.

Het middelste midden is de spil waar alles om draait, zegt Meester Zhuang. De spil waar alles om draait, maar die zelf niet meedraait.

Dat kun je ontologisch opvatten of psychologisch. Metafysisch of epistemologisch. Ik verkies het laatste, of het verkiest mij.

De tao is dan niet het eeuwige zwaartepunt van het zijn, maar het eeuwige keerpunt van het denken. Het vluchtpunt. Het verdwijnpunt. Het nulpunt. Het rustpunt. Het oog van de orkaan – de orkaan van stilte, de wolk van niet-weten. Een epistemologisch en ethisch vacuüm. Waar geen wijsheid is en geen dwaasheid. Geen goed en geen kwaad. Geen juist en geen onjuist. Geen tao en geen tê, maar eh en hè?

Het blijft teveel gezegd. De tao is immers voorbij de woorden en mag niet heten, geen middelpunt, geen keerpunt en geen nulpunt, epistemologisch noch psychologisch, ethisch noch metafysisch.

Ook dit gaat alweer te ver. Zeggen dat iets voorbij de woorden is, riekt naar essentialisme. Vanwege dat ‘iets’, ja. Een bedenkelijk denklijk met de weezoete geur van cadeverine.

Natuurlijk, de neus wil ook wat, maar voor je het weet zit je tot over je oren* in de stront van het absolute. En anders wel in de beerput van het relatieve. Alle woorden zijn te lang en ieder zwijgen schiet tekort, dus daar sta je dan met je eeuwige wijsheid.

Niet-weten is geen absolutisme en geen relativisme. Het is een praktijk van relativeren zonder het relativeren te verabsoluteren. Niet-weten is geen filosofie maar een spontane praktijk – prakkiseren zonder prakkiseren.

* Oude Langoor is de bijnaam van de al dan niet vermeende schrijver van de Daodejing, Laozi.

De tao van tja

Niet-weten is de weg van het tja. Niet de kunst van het tja, want niet-weten is in mijn beleving geen kunst. Het is niet iets wat je goed of fout kunt doen. Het is niet iets wat je (be)oefent, maar iets wat je niet-beoefent, iets wat je, weg met de koppeltekens, niet kunt laten, ik in elk geval niet. Niet-weten is iets waarin je je zelf verliest. Iets wat je steeds weer kwijtraakt. Kortom, de weg.

Niet-weten is de weg van het tja. Pas als het tja helemaal zijn gang mag gaan komt het echt op gang. Het komt vanzelf en het gaat vanzelf en zo gaat het maar door. De passagier van dit lege voertuig zit intussen uit zijn nek te kletsen en uit zijn neus te eten want de tong wil ook wat.

Niet-weten is de weg van het tja. Noemen we de weg de tao dan krijgen we de tao van tja. De tao van tja is de titel van deze pagina en de essentie van taoïsme zonder essentie.

Hou op met leren, dan leef je onbezorgd!
Ja en nee, hoe ver liggen die eigenlijk van elkaar?

(uit Lao Zi hoofdstuk 20, Schipper 2010)

Misschien zou ik als pinyinpromotor de dao van tja moeten schrijven, maar dat allitereert niet. Het oor wil ook wat. Ik schaam me niks. Het Chinese restaurant op de hoek, pleisterplaats voor bejaarden en kinderen met en zonder kapotte knieën, serveert principieel geen pinyin.

Niet alles verandert onophoudelijk, niet alles transformeert, in weerwil van de leer. Het menu, ik heb het net nog even voor u gecontroleerd, vermeldt als altijd pekingeend in plaats van beijingeend.

Noem het wat je wil, ik vreet het niet. Beter één vogel in de lucht dan tien op je bord, zei de pinguin en waagde de sprong. Beter tien tao’s in de kosmos dan één in je kop, dacht de dodo en gaf de geest. Genoeg gezwetst, zei Majoor Klets en hield een toespraak waar geen eind aan kwam uit naam van Meester Tja – God hebbe zijn gat.

Verder lezen: Meester Tja, Zeg maar tja tegen het leven, de Daodejing in vraagvorm