De Diamantsoetra voor dummy’s

‘Noem dit desnoods de dharma; zelf zeg ik liever niets.’ De Diamantsoetra voor dummy’s; radicalisering van deze iconoclastische zenklassieker.

dummy: 1. iemand die nog niet weet; 2. iemand die niet meer weet

Dwaalgids > Zen > de Diamantsoetra voor dummy’s

Lees ook: De Hartsoetra voor dummy’s, De Linji lu voor dummy’s, De Poortloze Poort voor dummy’s.

De Boeddha is dood, leve de Boeddha

Deshan trad naar voren met een stapel commentaren op de Diamantsoetra, wees ernaar met zijn fakkel en zei: ‘Zelfs de meest omvattende doctrines zijn nog geen haartje in het heelal. De grootste geheimen van de leer zijn nog geen druppel op een gloeiende plaat.’ Daarop verbrandde hij al zijn aantekeningen, maakte een buiging voor zijn leraar en vertrok.

(uit koan 28 van de Poortloze Poort)

De diamantsoetra is een vooral in zen-kringen populaire, korte, iconoclastische soetra behorende tot de prajnaparamita-literatuur van het mahayana-boeddhisme. Het is toevallig ook mijn lievelingssoetra: de soetra die alle soetra’s overbodig maakt. Dat doet hij natuurlijk niet, maar zo voelt het wel.

De diamantsoetra wordt ook wel de diamantsnijderssoetra genoemd omdat er in deze onnavolgbaar geest-dodende (en, toegegeven, geestdodende) soetra geen diamant wordt aangeboden, maar een diamantbeitel. Een mes om alle wortels, van illusie én werkelijkheid, boeddhistisch én non-boeddhistisch, te doorklieven.

De diamant(snijders)soetra kun je anachronistisch duiden als een postmoderne deconstructie van het boeddhisme. Zo’n deconstructie kun je op haar beurt zien als het einde van het boeddhisme of het toppunt ervan. De Boeddha is dood, leve de boeddha!

Mijn zo mogelijk nog geest-dodender (en, toegegeven, geestdodender) parafrase van de diamantsoetra bestaat uit tweeënvijftig hoofdstukjes, één voor elke week van het jaar, van meestal zes uitspraken, één voor elke dag van de week behalve de sabbat, ik zeg maar wat.

De hoofdstukjes zijn al net zo redundant als de oorspronkelijke diamantsoetra: heb je er één doorzien dan heb je ze allemaal doorzien, heb je ze allemaal doorzien dan heb je mij doorzien, jezelf doorzien, de diamantsoetra doorzien en de Boeddha doorzien. Geloof je dat?

Bij mijn radicalisering heb ik vooral gebruik gemaakt van de vertaling in De diamantsoetra: de wereld opnieuw begrijpen, (pagina’s 75 – 91, Mu Soeng, Maitreya 2002); gewoon omdat die op dat moment toevallig voorhanden was in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

Voor online vertalingen zie onder andere hier en hier en hier.

De Diamantsoetra

Aldus heb ik vernomen

In de tuin van Anathapindika spreekt de Bhagavan Boeddha een grote gemeenschap van monniken en bodhisattva-mahasattva’s toe.

Ze willen weten hoe ze op het pad naar de hoogste verlichting moeten voortgaan en hoe ze hun gedachten onder controle moeten houden.

Hij antwoordt:

De bodhisattvagelofte

Ik zeg niet dat de bodhisattva alle voelende wezens moet bevrijden.

Ik zeg niet dat de bodhisattva alle voelende wezens niet moet bevrijden.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of voelende wezens of bevrijding daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of geen voelende wezens of geen bevrijding daarvan.

Noem dit desnoods de bevrijding van alle voelende wezens.

Zelf zeg ik liever niets.

Lees ook: Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand.

Geen wezen

Ik zeg niet dat de Tathagata het idee van niet-zelf, niet-persoon, niet-wezen of non-entiteit heeft onderwezen.

Ik zeg niet dat de Tathagata het idee van een zelf, een persoon, een wezen of een voortlevende entiteit heeft onderwezen.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is, een zelf of niet-zelf, een persoon of niet-persoon, een wezen of niet-wezen, een voortlevende entiteit of non-entiteit, een idee daarover of onderwijs daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is, geen zelf of niet-zelf, geen persoon of niet-persoon, geen wezen of niet-wezen, geen voortlevende entiteit of non-entiteit, geen idee daarover of geen onderwijs daarvan.

Noem dit desnoods het onderwijzen van het idee van niet-zelf, niet-persoon, niet-wezen en non-entiteit.

Zelf zeg ik liever niets.

Harmonieuze boeddhalanden

Ik zeg niet dat bodhisattva’s harmonieuze boeddhalanden scheppen.

Ik zeg niet dat bodhisattva’s geen harmonieuze boeddhalanden scheppen.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of harmonieuze boeddhalanden of het scheppen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of geen harmonieuze boeddhalanden of geen scheppen daarvan.

Noem dit desnoods het scheppen van harmonieuze boeddhalanden.

Zelf zeg ik liever niets.

Dwazen

Ik zeg niet dat men niet aan ideeën moet vasthouden en dat gewone, dwaze mensen dat wel doen.

Ik zeg niet dat men toch aan ideeën moet vasthouden of dat gewone, dwaze mensen dat niet doen.

Ik zeg niet dat er ideeën zijn of een vasthouden daaraan of dat er gewone, dwaze mensen zijn.

Ik zeg niet dat er geen ideeën zijn of geen vasthouden daaraan of dat er geen gewone, dwaze mensen zijn.

Noem dit desnoods het loslaten van ideeën die gewone, dwaze mensen vasthouden.

Zelf zeg ik liever niets.

Vorm en stem

Ik zeg niet dat de bodhisattva die mijn vorm zag en mijn stem heeft gehoord op het verkeerde pad is en de Tathagata niet zal zien.

Ik zeg niet dat de bodhisattva die mijn vorm niet zag en mijn stem niet heeft gehoord op het juiste pad is en de Tathagata zal zien of heeft gezien.

Ik zeg niet dat er een bodhisattva is of een Tathagata of een vorm van de Tathagata of een zien of niet-zien daarvan of een stem van de Tathagata of een horen of niet-horen daarvan of een juist of verkeerd pad.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva is of geen Tathagata of geen vorm van de Tathagata of geen zien of niet-zien daarvan of geen stem van de Tathagata of geen horen of niet-horen daarvan of geen juist of verkeerd pad.

Noem dit desnoods het zien en horen van de Tathagata door het niet-zien van de vorm en het niet-horen van de stem van de Tathagata.

Zelf zeg ik liever niets.

Dharmakaya

Ik zeg niet dat een boeddha wordt gekend door dharmakaya terwijl toch de ware natuur van dharmakaya niet kan worden begrepen.

Ik zeg niet dat een boeddha niet wordt gekend door dharmakaya of dat de ware natuur van dharmakaya toch kan worden begrepen.

Ik zeg niet dat er een boeddha is of een kennen daarvan of een dharmakaya of een ware natuur daarvan of een begrijpen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen boeddha is of geen kennen daarvan of geen dharmakaya of geen ware natuur daarvan of geen begrijpen daarvan.

Noem dit desnoods het kennen van de boeddha door dharmakaya terwijl toch de ware natuur van dharmakaya niet kan worden begrepen.

Zelf zeg ik liever niets.

Ogen

Ik zeg niet dat de Tathagata het menselijk oog, het goddelijk oog, het inzichtelijk oog, het prajna oog of het boeddha oog bezit.

Ik zeg niet dat de Tathagata niet het menselijk oog, het goddelijk oog, het inzichtelijk oog, het prajna oog of het boeddha oog bezit.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of een menselijk oog of een goddelijk oog of een inzichtelijk oog of een prajna oog of een boeddha oog.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of geen menselijk oog of geen goddelijk oog of geen inzichtelijk oog of geen prajna oog of geen boeddha oog.

Noem dit desnoods het menselijk oog, het goddelijk oog, het inzichtelijk oog, het prajna oog of het boeddha oog van de Tathagata.

Zelf zeg ik liever niets.

Het ware zelf

Ik zeg niet dat de leer naar het ware zelf voert.

Ik zeg niet dat de leer niet naar het ware zelf voert.

Ik zeg niet dat er een leer is of een waar zelf of een voeren van de leer daarheen.

Ik zeg niet dat er geen leer is of geen waar zelf of geen voeren van de leer daarheen.

Noem dit desnoods de leer die naar het ware zelf voert.

Zelf zeg ik liever niets.

Het principe van niet-zelf

Ik zeg niet dat een bodhisattva die het principe van niet-zelf en niet-dharma geheel begrijpt en dit herkent als het ware zelf en de ware dharma, oprecht een bodhisattva genoemd kan worden.

Ik zeg niet dat een bodhisattva die het principe van niet-zelf en niet-dharma geheel begrijpt en dit herkent als het ware zelf en de ware dharma, niet oprecht een bodhisattva genoemd kan worden.

Ik zeg niet dat er een bodhisattva is, of een waar zelf of een ware dharma of een principe van niet-zelf of een principe van niet-dharma of een begrijpen daarvan of een herkennen daarvan als het ware zelf en de ware dharma.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva is, of geen waar zelf of geen ware dharma of geen principe van niet-zelf of geen principe van niet-dharma of geen begrijpen daarvan of geen herkennen daarvan als het ware zelf en de ware dharma.

Noem dit desnoods het geheel begrijpen en herkennen van het principe van niet-zelf en niet-dharma.

Zelf zeg ik liever niets.

Verdiensten

Ik zeg niet dat grote verdiensten de natuur van geen-verdiensten hebben.

Ik zeg niet dat grote verdiensten niet de natuur van geen-verdiensten hebben.

Ik zeg niet dat er grote verdiensten zijn of dat die een natuur hebben of dat er niet-verdiensten zijn of dat die een natuur hebben.

Ik zeg niet dat er geen grote verdiensten zijn of dat die geen natuur hebben of dat er geen niet-verdiensten zijn of dat die geen natuur hebben.

Noem dit desnoods de natuur van geen-verdiensten van grote verdiensten.

Zelf zeg ik liever niets.

De perfecties

Ik zeg niet dat bodhisattva’s de perfecties moeten beoefenen.

Ik zeg niet dat bodhisattva’s de perfecties niet moeten beoefenen.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of perfecties of de beoefening daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of geen perfecties of geen beoefening daarvan.

Noem dit desnoods het beoefenen van de perfecties.

Zelf zeg ik liever niets.

Zonder te hechten

Ik zeg niet dat bodhisattva’s vrijgevigheid moeten beoefenen zonder te hechten aan een object.

Ik zeg niet dat bodhisattva’s geen vrijgevigheid moeten beoefenen zonder te hechten aan een object.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of dat er vrijgevigheid is of een beoefenen daarvan of dat er objecten zijn of een hechten daaraan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of dat er geen vrijgevigheid is of geen beoefenen daarvan of dat er geen objecten zijn of geen hechten daaraan.

Noem dit desnoods het beoefenen van vrijgevigheid zonder te hechten aan een object.

Zelf zeg ik liever niets.

Geduld

Ik zeg niet dat het onderricht van de Tathagata over de perfectie van geduld in werkelijkheid geen perfectie is.

Ik zeg niet dat het onderricht van de Tathagata over de perfectie van geduld in werkelijkheid toch perfectie is.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of perfectie van geduld of onderricht daarover of niet-perfectie.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of geen perfectie van geduld of geen onderricht daarover of geen niet-perfectie.

Noem dit desnoods het onderricht over de perfectie van geduld die in werkelijkheid geen perfectie is.

Zelf zeg ik liever niets.

Onthechting

Ik zeg niet dat de hoogste verlichting bevrijding van alle gehechtheid is.

Ik zeg niet dat de hoogste verlichting geen bevrijding van alle gehechtheid is.

Ik zeg niet dat er verlichting is of gehechtheid of bevrijding daarvan.

Ik zeg niet dat er geen verlichting is of geen gehechtheid of geen bevrijding daarvan.

Noem dit desnoods de bevrijding van alle gehechtheid die de hoogste verlichting is.

Zelf zeg ik liever niets.

Het juiste inzicht

Ik zeg niet dat bodhisattva’s het juiste inzicht moeten verwerven.

Ik zeg niet dat bodhisattva’s niet het juiste inzicht moeten verwerven.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of dat er juist inzicht is of een verwerven daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of dat er geen juist inzicht is of geen verwerven daarvan.

Noem dit desnoods het verwerven van het juiste inzicht.

Zelf zeg ik liever niets.

Niet-inzicht

Ik zeg niet dat wat het juiste inzicht wordt genoemd in werkelijkheid niet-inzicht is.

Ik zeg niet dat wat het juiste inzicht wordt genoemd in werkelijkheid geen niet-inzicht is.

Ik zeg niet dat er juist inzicht is of niet-inzicht.

Ik zeg niet dat er geen juist inzicht is, of geen niet-inzicht.

Noem dit desnoods het juiste inzicht dat in werkelijkheid niet-inzicht is.

Zelf zeg ik liever niets.

Wijsheid

Ik zeg niet dat bodhisattva’s de hoogste transcendente wijsheid moeten nastreven.

Ik zeg niet dat bodhisattva’s de hoogste transcendente wijsheid niet moeten nastreven.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of dat er wijsheid is of een nastreven daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of dat er geen wijsheid is of geen nastreven daarvan.

Noem dit desnoods de hoogste transcendente wijsheid die bodhisattva’s moeten nastreven.

Zelf zeg ik liever niets.

Prajnaparamita

Ik zeg niet dat datgene wat de Tathagata de prajnaparamita heeft genoemd in feite niet de prajnaparamita is.

Ik zeg niet dat datgene wat de Tathagata de prajnaparamita heeft genoemd in feite toch de prajnaparamita is.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of iets wat hij de prajnaparamita heeft genoemd dat in feite niet de prajnaparamita is.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of niet iets wat hij de prajnaparamita heeft genoemd dat in feite niet de prajnaparamita is.

Noem dit desnoods datgene wat de Tathagata de prajnaparamita heeft genoemd dat in feite niet de prajnaparamita is.

Zelf zeg ik liever niets.

Geen onafhankelijk bestaand object

Ik zeg niet dat er een onafhankelijk bestaand object van het bewustzijn bereikt kan worden dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd.

Ik zeg niet dat er geen onafhankelijk bestaand object van het bewustzijn bereikt kan worden dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd.

Ik zeg niet dat er bewustzijn is of een onafhankelijk bestaand object daarin dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd, of een bereiken daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bewustzijn is of geen onafhankelijk bestaand object daarin dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd, of geen bereiken daarvan.

Noem dit desnoods het bereiken van een onafhankelijk bestaand object van het bewustzijn dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd.

Zelf zeg ik liever niets.

Niet-bereiken

Ik zeg niet dat er in werkelijkheid geen bereiken is van iets dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd.

Ik zeg niet dat er in werkelijkheid toch een bereiken is van iets dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd.

Ik zeg niet dat er een werkelijkheid is of iets dat een superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd of een bereiken daarvan.

Ik zeg niet dat er geen werkelijkheid is of niets wat een superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd of geen bereiken daarvan.

Noem dit desnoods het niet bereiken van iets dat de superieure en perfecte verlichting kan worden genoemd.

Zelf zeg ik liever niets.

De waarheid

Ik zeg niet dat de waarheid niet te bevatten is en alle beschrijving te boven gaat.

Ik zeg niet dat de waarheid toch te bevatten of alle beschrijving niet te boven gaat.

Ik zeg niet dat er een waarheid is of een bevatten daarvan of een beschrijving daarvan of een alle beschrijving te boven gaan daarvan.

Ik zeg niet dat er geen waarheid is of geen bevatten daarvan of geen beschrijving daarvan of geen alle beschrijving te boven gaan daarvan.

Noem dit desnoods het niet bevatten van een waarheid die alle beschrijving te boven gaat.

Zelf zeg ik liever niets.

Bestudering van de dharma’s

Ik zeg niet dat bestudering van de dharma’s leidt tot de hoogste verlichting.

Ik zeg niet dat bestudering van de dharma’s niet leidt tot de hoogste verlichting.

Ik zeg niet dat er dharma’s zijn of dat er verlichting is of dat er bestudering van de dharma’s is of het tot de hoogste verlichting leiden daarvan.

Ik zeg niet dat er geen dharma’s zijn of dat er geen verlichting is of geen bestudering van de dharma’s of geen tot de hoogste verlichting leiden daarvan.

Noem dit desnoods de bestudering van de dharma’s die tot hoogste verlichting leidt.

Zelf zeg ik liever niets.

Vrij van dharma en niet-dharma

Ik zeg niet dat de bodhisattva vrij is van het idee van zowel een dharma als een niet-dharma.

Ik zeg niet dat de bodhisattva niet vrij is van het idee van zowel een dharma als een niet-dharma.

Ik zeg niet dat er een bodhisattva is of een dharma of een niet-dharma of een idee daarvan of vrijheid daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva is of geen dharma of geen niet-dharma of geen idee daarvan of geen vrijheid daarvan.

Noem dit desnoods de vrijheid van het idee van zowel een dharma als een niet-dharma.

Zelf zeg ik liever niets.

Het onderricht van de Boeddha

Ik zeg niet dat datgene wat bekend staat als het onderricht van de Boeddha niet het onderricht van de Boeddha is.

Ik zeg niet dat datgene wat bekend staat als het onderricht van de Boeddha toch het onderricht van de Boeddha is.

Ik zeg niet dat er een Boeddha is of onderricht daarvan of een bekend staan daarvan als het onderricht van de Boeddha.

Ik zeg niet dat er geen Boeddha is of geen onderricht daarvan of geen bekend staan daarvan als het onderricht van de Boeddha.

Noem dit desnoods het onderricht van de Boeddha dat niet bekend staat als het onderricht van de Boeddha.

Zelf zeg ik liever niets.

Grote leraren

Ik zeg niet dat alle grote leraren verheven zijn door het ongeconditioneerde.

Ik zeg niet dat alle grote leraren niet verheven zijn door het ongeconditioneerde.

Ik zeg niet dat er grote leraren zijn of dat er zoiets is als het ongeconditioneerde of een daardoor verheven zijn.

Ik zeg niet dat er geen grote leraren zijn of dat er niet zoiets is als het ongeconditioneerde of geen daardoor verheven zijn.

Noem dit desnoods het verheven zijn door het ongeconditioneerde.

Zelf zeg ik liever niets.

Een dharma voor de Tathagata

Ik zeg niet dat er een dharma is waarmee de Tathagata de hoogste, correcte en perfecte bevrijding heeft bereikt.

Ik zeg niet dat er geen dharma is waarmee de Tathagata de hoogste, correcte en perfecte bevrijding heeft bereikt.

Ik zeg niet dat er een dharma is of een Tathagata of een hoogste, correcte en perfecte bevrijding of een bereiken daarvan.

Ik zeg niet dat er geen dharma is of geen Tathagata of geen hoogste, correcte en perfecte bevrijding of geen bereiken daarvan.

Noem dit desnoods de dharma waarmee de Tathagata de hoogste, correcte en perfecte bevrijding heeft bereikt.

Zelf zeg ik liever niets.

Grijpbaar noch ongrijpbaar

Ik zeg niet dat de dharma die de Tathagata heeft ervaren en getoond ongrijpbaar is.

Ik zeg niet dat de dharma die de Tathagata heeft ervaren en getoond niet ongrijpbaar is.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of een door hem ervaren en getoonde dharma of ongrijpbaarheid daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of geen door hem ervaren en getoonde dharma of geen ongrijpbaarheid daarvan.

Noem dit desnoods de ongrijpbare dharma die de Tathagata heeft ervaren en getoond.

Zelf zeg ik liever niets.

Onderwijs

Ik zeg niet dat de Tathagata denkt dat hij de dharma heeft onderwezen.

Ik zeg niet dat de Tathagata niet denkt dat hij de dharma heeft onderwezen.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of een denken of een dharma of een onderwijzen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of geen denken of geen dharma of geen onderwijzen daarvan.

Noem dit desnoods de dharma die de Tathagata niet onderwezen denkt te hebben.

Zelf zeg ik liever niets.

Opheffing van de dharma’s

Ik zeg niet dat zij die zich op het bodhisattva-pad hebben begeven alle dharma’s moeten zien in termen van hun opheffing.

Ik zeg niet dat zij die zich op het bodhisattva-pad hebben begeven alle dharma’s niet moeten zien in termen van hun opheffing.

Ik zeg niet dat er bodhisattva’s zijn of dat er een bodhisattva-pad is of dat er dharma’s zijn of een zien daarvan of opheffing daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva’s zijn of dat er geen bodhisattva-pad is of dat er geen dharma’s zijn of geen zien daarvan of geen opheffing daarvan.

Noem dit desnoods het zien van alle dharma’s in termen van hun opheffing.

Zelf zeg ik liever niets.

De srotapanna

Ik zeg niet dat de srotapanna de stroom is binnengegaan.

Ik zeg niet dat de srotapanna niet de stroom is binnengegaan.

Ik zeg niet dat er een srotapanna is of een stroom of het binnengaan daarvan.

Ik zeg niet dat er geen srotapanna is of geen stroom of geen binnengaan daarvan.

Noem dit desnoods het binnengaan van de stroom door de srotapanna.
Zelf zeg ik liever niets.

De sakridagamin

Ik zeg niet dat de sakridagamin niet eenmaal gegaan en gekomen is.

Ik zeg niet dat de sakridagamin toch eenmaal gegaan en gekomen is.

Ik zeg niet dat er een sakridagamin is of een gaan en komen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen sakridagamin is of geen gaan en komen daarvan.

Noem dit desnoods het gaan en komen van de sakridagamin.

Zelf zeg ik liever niets.

De anagamin

Ik zeg niet dat de anagamin niet gekomen is.

Ik zeg niet dat de anagamin toch gekomen is.

Ik zeg niet dat er een anagamin is of een niet-komen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen anagamin is of geen niet-komen daarvan.

Noem dit desnoods het niet-komen van de anagamin.

Zelf zeg ik liever niets.

De arhat

Ik zeg niet dat de arhat bevrijd is van onheilzame verlangens.

Ik zeg niet dat de arhat niet bevrijd is van onheilzame verlangens.

Ik zeg niet dat er een arhat is of dat er onheilzame verlangens zijn of bevrijding daarvan.

Ik zeg niet dat er geen arhat is of dat er geen onheilzame verlangens zijn of geen bevrijding daarvan.

Noem dit desnoods de bevrijding van onheilzame verlangens van de arhat.

Zelf zeg ik liever niets.

Gaan, komen, staan, zitten en liggen

Ik zeg niet dat de bodhisattva die meent dat de Tathagata gaat, komt, staat, zit of ligt de betekenis van mijn onderricht niet begrijpt.

Ik zeg niet dat de bodhisattva die meent dat de Tathagata gaat, komt, staat, zit of ligt de betekenis van mijn onderricht toch begrijpt.

Ik zeg niet dat er een bodhisattva is of een Tathagata of een gaan, komen, staan, zitten of liggen daarvan, of dat er onderricht is of een betekenis daarvan of een begrijpen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva is of geen Tathagata of geen gaan, komen, staan, zitten of liggen daarvan, of dat er geen onderricht is of geen betekenis daarvan of geen begrijpen daarvan.

Noem dit desnoods het niet gaan, komen, staan, zitten en liggen van de Tathagata, en het begrijpen van de betekenis van zijn onderricht.

Zelf zeg ik liever niets.

Vrede

Ik zeg niet dat de verlichte in vrede verblijft.

Ik zeg niet dat de verlichte niet in vrede verblijft.

Ik zeg niet dat er een verlichte is of vrede of een verblijven daarin.

Ik zeg niet dat er geen verlichte is of geen vrede of geen verblijven daarin.

Noem dit desnoods de vrede waarin de verlichte verblijft.

Zelf zeg ik liever niets.

Denkbeelden

Ik zeg niet dat de bodhisattva zich van alle denkbeelden heeft losgemaakt.

Ik zeg niet dat de bodhisattva zich niet van alle denkbeelden heeft losgemaakt.

Ik zeg niet dat er een bodhisattva is of dat er denkbeelden zijn of een zich losmaken daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva is of dat er geen denkbeelden zijn of geen zich losmaken daarvan.

Noem dit desnoods het zich losmaken van alle denkbeelden door de bodhisattva.

Zelf zeg ik liever niets.

Gewaarwordingen

Ik zeg niet dat de bodhisattva zich van alle gewaarwordingen heeft bevrijd.

Ik zeg niet dat de bodhisattva zich niet van alle gewaarwordingen heeft bevrijd.

Ik zeg niet dat er een bodhisattva is of dat er gewaarwordingen zijn of een zich bevrijden daarvan.

Ik zeg niet dat er geen bodhisattva is of dat er geen gewaarwordingen zijn of geen zich bevrijden daarvan.

Noem dit desnoods het zich bevrijden van alle gewaarwordingen door de bodhisattva.

Zelf zeg ik liever niets.

Niet-gewaarwording van een zelf

Ik zeg niet dat een gewaarwording van een zelf in werkelijkheid niet-gewaarwording is.

Ik zeg niet dat een gewaarwording van een zelf in werkelijkheid toch gewaarwording is.

Ik zeg niet dat er een zelf is of een gewaarwording of niet-gewaarwording daarvan.

Ik zeg niet dat er geen zelf is of geen gewaarwording of geen niet-gewaarwording daarvan.

Noem dit desnoods de niet-gewaarwording die een gewaarwording van een zelf in werkelijkheid is.

Zelf zeg ik liever niets.

Geestesgesteldheden

Ik zeg niet dat de Tathagata alle geestesgesteldheden kent.

Ik zeg niet dat de Tathagata niet alle geestesgesteldheden kent.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of dat er geestesgesteldheden zijn of een kennen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of dat er geen geestesgesteldheden zijn of geen kennen daarvan.

Noem dit desnoods het kennen van alle geestesgesteldheden door de Tathagata.

Zelf zeg ik liever niets.

Het verleden, toekomstige en huidige bewustzijn

Ik zeg niet dat het verleden bewustzijn niet te vatten is, het toekomstige bewustzijn niet te vatten is en het huidige bewustzijn niet te vatten is.

Ik zeg niet dat het verleden bewustzijn toch te vatten is, het toekomstige bewustzijn toch te vatten is of het huidige bewustzijn toch te vatten is.

Ik zeg niet dat er een verleden bewustzijn is of een toekomstig bewustzijn of een huidig bewustzijn of een vatten daarvan.

Ik zeg niet dat er geen verleden bewustzijn is of geen toekomstig bewustzijn of geen huidig bewustzijn of geen vatten daarvan.

Noem dit desnoods het niet vatten van het verleden bewustzijn, het toekomstig bewustzijn en het huidige bewustzijn.

Zelf zeg ik liever niets.

De tweeëndertig kenmerken van een groot mens

Ik zeg niet dat de Tathagata niet herkend kan worden aan de tweeëndertig kenmerken van een groot mens.

Ik zeg niet dat de Tathagata toch herkend kan worden aan de tweeëndertig kenmerken van een groot mens.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of een groot mens of dat er tweeëndertig kenmerken zijn of een herkennen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of geen groot mens of dat er geen tweeëndertig kenmerken zijn of geen herkennen daarvan.

Noem dit desnoods het niet herkennen van de Tathagata aan de tweeëndertig kenmerken van een groot mens.

Zelf zeg ik liever niets.

De anuttara samyaksambodhi

Ik zeg niet dat de Tathagata de anuttara samyaksambodhi niet heeft bereikt op grond van zijn tweeëndertig kenmerken.

Ik zeg niet dat de Tathagata de anuttara samyaksambodhi toch heeft bereikt op grond van zijn tweeëndertig kenmerken.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of dat er tweeëndertig kenmerken zijn of dat er een anuttara samyaksambodhi is of een bereiken daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of dat er geen tweeëndertig kenmerken zijn of dat er geen anuttara samyaksambodhi is of geen bereiken daarvan.

Noem dit desnoods het niet bereiken van de anuttara samyaksambodhi door de Tathagata op grond van zijn tweeëndertig kenmerken.

Zelf zeg ik liever niets.

De lichamelijke kenmerken van een boeddha

Ik zeg niet dat de Tathagata niet aan zijn perfect gevormde lichaam of aan zijn lichamelijke kenmerken kan worden herkend.

Ik zeg niet dat de Tathagata toch aan zijn perfect gevormde lichaam of aan zijn lichamelijke kenmerken kan worden herkend.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of een perfect gevormd lichaam of dat er lichamelijke kenmerken zijn of een herkennen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of geen perfect gevormd lichaam of geen lichamelijke kenmerken of geen herkennen daarvan.

Noem dit desnoods het niet herkennen van de Tathagata aan zijn perfect gevormde lichaam of aan zijn lichamelijke kenmerken.

Zelf zeg ik liever niets.

Het niet-bezitten van lichamelijke kenmerken

Ik zeg niet dat met het bezitten van lichamelijke kenmerken eigenlijk het niet-bezitten van niet-lichamelijke kenmerken wordt bedoeld.

Ik zeg niet dat met het bezitten van lichamelijke kenmerken niet het niet-bezitten van niet-lichamelijke kenmerken wordt bedoeld.

Ik zeg niet dat er lichamen zijn of kenmerken daarvan of een bezitten daarvan of dat er niet-lichamelijke kenmerken zijn of een niet-bezitten daarvan.

Ik zeg niet dat er geen lichamen zijn of geen kenmerken daarvan of geen bezitten daarvan of dat er geen niet-lichamelijke kenmerken zijn of geen niet-bezitten daarvan.

Noem dit desnoods het niet-bezitten van niet-lichamelijke kenmerken dat bedoeld wordt met het bezitten van lichamelijke kenmerken.

Zelf zeg ik liever niets.

De wereld

Ik zeg niet dat de wereld een droom of een illusie is.

Ik zeg niet dat de wereld geen droom of geen illusie is.

Ik zeg niet dat er een wereld is of een droom of illusie.

Ik zeg niet dat er geen wereld is of geen droom of geen illusie.

Noem dit desnoods de droom of illusie die de wereld is.

Zelf zeg ik liever niets.

Vormen

Ik zeg niet dat herkenning van de misleidende natuur van alle vormen herkenning van de Tathagata is.

Ik zeg niet dat herkenning van de misleidende natuur van alle vormen niet herkenning van de Tathagata is.

Ik zeg niet dat er vormen zijn of dat ze een misleidende natuur hebben of dat deze natuur herkend kan worden of dat er een Tathagata is of herkenning daarvan.

Ik zeg niet dat er geen vormen zijn of dat ze geen misleidende natuur hebben of dat deze natuur niet herkend kan worden of dat er geen Tathagata is of geen herkenning daarvan.

Noem dit desnoods herkenning van de misleidende natuur van alle vormen die herkenning van de Tathagata is.

Zelf zeg ik liever niets.

Vergankelijkheid

Ik zeg niet dat alle verschijnselen vergankelijk zijn als een ster bij de dageraad, een luchtbel in een stroom, een bliksemschicht, een zomerwolk, een flikkerende lamp.

Ik zeg niet dat alle verschijnselen niet vergankelijk zijn als een ster bij de dageraad, een luchtbel in een stroom, een bliksemschicht, een zomerwolk, een flikkerende lamp.

Ik zeg niet dat er verschijnselen zijn of dat er sterren zijn of dageraden of stromen of luchtbellen daarin of bliksemschichten of zomerwolken of flikkerende lampen of vergankelijkheid.

Ik zeg niet dat er geen verschijnselen zijn of geen sterren of geen dageraden of geen stromen of geen luchtbellen daarin of geen bliksemschichten of geen zomerwolken of geen flikkerende lampen of geen vergankelijkheid.

Noem dit desnoods de vergankelijkheid als een ster bij de dageraad, een luchtbel in een stroom, een bliksemschicht, een zomerwolk, een flikkerende lamp, van alle verschijnselen.

Zelf zeg ik liever niets.

Chilio-universa

Ik zeg niet dat datgene wat de Tathagata een systeem van drieduizend chilio-universa noemt niet werkelijk een systeem van chilio-universa is.

Ik zeg niet dat datgene wat de Tathagata een systeem van drieduizend chilio-universa noemt toch werkelijk een systeem van chilio-universa is.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of dat er chilio-universa zijn of een systeem daarvan of een benoemen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of dat er geen chilio-universa zijn of geen systeem daarvan of geen benoemen daarvan.

Noem dit desnoods datgene wat de Tathagata een systeem van drieduizend chilio-universa noemt maar geen systeem van chilio-universa is.

Zelf zeg ik liever niets.

Stof

Ik zeg niet dat datgene wat de Tathagata een verzameling stofdeeltjes noemt in essentie geen verzameling stofdeeltjes is.

Ik zeg niet dat datgene wat de Tathagata een verzameling stofdeeltjes noemt in essentie toch een verzameling stofdeeltjes is.

Ik zeg niet dat er een Tathagata is of dat er stofdeeltjes zijn of een verzameling daarvan of een essentie daarvan of een benoemen daarvan.

Ik zeg niet dat er geen Tathagata is of dat er geen stofdeeltjes zijn of geen verzameling daarvan of geen essentie daarvan of geen benoemen daarvan.

Noem dit desnoods datgene wat de Tathagata een verzameling stofdeeltjes noemt maar in essentie geen verzameling stofdeeltjes is.

Zelf zeg ik liever niets.

Een vlot

Ik zeg niet dat mijn leringen vergeleken moeten worden met een vlot, en dat zelfs een dharma moet worden opgegeven, des te meer een niet-dharma.

Ik zeg niet dat mijn leringen niet vergeleken moeten worden met een vlot, en dat zelfs een dharma niet hoeft te worden opgegeven, des te minder een niet-dharma.

Ik zeg niet dat er leringen zijn of een vlot waarmee ze vergeleken kunnen worden, of dat er dharma’s zijn of niet-dharma’s of een opgeven daarvan.

Ik zeg niet dat er geen leringen zijn of geen vlot waarmee ze vergeleken kunnen worden, of dat er geen dharma’s zijn of geen niet-dharma’s of geen opgeven daarvan.

Noem dit desnoods het vergelijken van mijn leringen met een vlot en het opgeven van alle dharma’s en niet-dharma’s.

Zelf zeg ik liever niets.

Vergeefs

De Bhagavan Boeddha rekt zich uit, schraapt zijn keel en verzucht ‘Ik heb gezegd.’

Er ontstaat geroezemoes, waarop hij verschrikt roept: ‘Wat heb ik gezegd!’

Het geroezemoes verstomt.

Als de Boeddha nergens meer op reageert en ook nog eens zijn ogen sluit, staan de aanwezigen hoofdschuddend op.

Ze zijn met stomheid geslagen, verbijsterd over zijn onderricht.

In gedachten verzonken gaan ze elk huns weegs.

Vergeefs trachten ze zijn onderricht ter harte te nemen.

Vergeefs trachten ze het uit hun hart te bannen.

Encore

Voor volhouders volgt nu een tweede, meer systematische deconstructie van een deel van de diamantsoetra. Opnieuw taai als (de) leer, maar dat is nou eenmaal het eerste en zekerste van de tweeëndertig waarmerken van de dharmakaya. Wat wil je nog meer.

De bodhisattva-gelofte (hoofdstuk 3)

De Boeddha zei tot Subhuti: ‘Alle bodhisattva-mahasattva’s die meditatie beoefenen, moeten slechts één gedachte koesteren: ‘Als ik de hoogste verlichting bereik, zal ik alle voelende wezens, in welke bestaanswereld binnen het universum ze ook leven, bevrijden, ongeacht of ze nu uit een ei, uit een baarmoeder, uit vocht of op miraculeuze wijze zijn geboren, of zij nu vorm of geen vorm bezitten, of ze nu beschikken over waarnemingsvermogen, geen waarnemingsvermogen of geen van beide. Zolang er voelende wezens bestaan, zal ik ervoor zorgen dat ze de eeuwige vrede van het nirvana, het nirvana dat zonder overblijfsel is, kunnen binnengaan en zo de staat van uiteindelijke bevrijding bereiken.’
En toch, hoewel er een onmeetbaar, ontelbaar en onbegrensd aantal voelende wezens bevrijding heeft bereikt, heeft waarlijk geen voelend wezen bevrijding bereikt. En waarom niet? Omdat geen enkele bodhisattva die zulke gedachten aan een zelf, een persoon, een wezen of een voortlevende entiteit koestert een echte bodhisattva is. Derhalve zijn er geen voelende wezens die bevrijd moeten worden en is er geen zelf dat de hoogste verlichting bereikt.’

Alle wezens zijn leeg
Ook de Boeddha, Subhuti, alle bodhisattva-mahasattva’s en alle voelende wezens.

Alle verschijnselen zijn leeg
Ook meditatie en het beoefenen daarvan en gedachten aan bevrijding en het koesteren daarvan en de hoogste verlichting en het bereiken daarvan en het bevrijden en het nirwana zonder overblijfsel en de eeuwige vrede daarvan en het binnengaan daarvan en de staat van uiteindelijke bevrijding en het bereiken daarvan en gedachten aan een zelf, een persoon, een wezen en een voortlevende entiteit en het koesteren daarvan.

Alle leerstellingen zijn leeg
Ook de bodhisattva-gelofte ‘Als ik de hoogste verlichting bereik, zal ik alle voelende wezens bevrijden. Ik zal ervoor zorgen dat ze de eeuwige vrede van het nirvana, het nirvana dat zonder overblijfsel is, kunnen binnengaan en zo de staat van uiteindelijke bevrijding bereiken.’

Ook de leerstelling dat alle bodhisattva-mahasattva’s die meditatie beoefenen, slechts één gedachte moeten koesteren: de bodhisattva-gelofte.

Ook de leerstelling dat waarlijk geen voelend wezen bevrijding heeft bereikt, ook al heeft een onmeetbaar aantal voelende wezens bevrijding bereikt.

Ook de leerstelling dat geen enkele bodhisattva die gedachten aan een zelf, een persoon, een wezen of een voortlevende entiteit koestert, een echte bodhisattva is.

Ook de leerstelling dat er derhalve geen voelende wezens zijn die bevrijd moeten worden en geen zelf is dat de hoogste verlichting bereikt.

Ook de leerstelling dat alle wezens, verschijnselen en leerstellingen leeg zijn, is leeg.
Dus waarom zou ik spreken?
Waarom zou ik zwijgen?

De Boeddha is dood.
Leve de Boeddha!

Lees ook: Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand.

Vrijgevigheid (hoofdstuk 4)

‘Bovendien, Subhuti in de beoefening van vrijgevigheid zal een bodhisattva niet hechten aan een object. Hij of zij zal vrijgevigheid beoefenen zonder te hechten aan een visueel object, aan geluid, aanraking, smaak, geur of opkomende gedachten. Op deze manier, Subhuti, zal een bodhisattva vrijgevigheid beoefenen zonder te hechten aan een teken. Waarom? Als een bodhisattva vrijgevigheid beoefent zonder te hechten aan een teken, dan is de omvang van zijn of haar verdiensten niet te bevatten. Subhuti, wat denk je, kun je de ruimte naar het oosten opmeten?’
‘Nee, O Alomgeëerde, dat kan ik niet.’
‘Subhuti, kun je de ruimte naar het zuiden, westen, noorden, naar boven of naar beneden opmeten?’
‘Nee, O Alomgeëerde, dat kan ik niet.’
‘Subhuti, zo ook is het met de verdiensten van een bodhisattva die vrijgevigheid beoefent zonder aan tekenen vast te houden; zij zijn onmeetbaar gelijk de ruimte. Subhuti, een bodhisattva zal eenpuntig volharden in deze instructie.

Alle wezens zijn leeg
Ook Subhuti, de Alomgeëerde en de bodhisattva’s.

Alle verschijnselen zijn leeg
Ook vrijgevigheid en de beoefening daarvan en visuele objecten en geluiden en aanrakingen en smaken en geuren en opkomende gedachten en het hechten daaraan en tekens en verdiensten en de omvang daarvan en het niet bevatten daarvan en ruimte en de onmeetbaarheid daarvan en instructies en eenpuntige volharding daarin.

Alle leerstellingen zijn leeg
Ook de leerstelling dat een bodhisattva in de beoefening van vrijgevigheid eenpuntig zal volharden in de instructie niet te hechten aan een visueel object, aan geluid, aanraking, smaak, geur of opkomende gedachten of andere objecten of tekens.

Ook de leerstelling dat de omvang van zijn of haar verdiensten dan niet te bevatten zal zijn, onmeetbaar gelijk de ruimte.

Ook de leerstelling dat alle wezens, verschijnselen en leerstellingen leeg zijn, is leeg.
Dus waarom zou ik spreken?
Waarom zou ik zwijgen?

De Boeddha is dood.
Leve de Boeddha!

Lichamelijke kenmerken (hoofdstuk 5)

‘Subhuti, denk je dat het mogelijk is een Tathagata te herkennen aan de lichamelijke kenmerken?’
‘Nee, O alomgeëerde. En waarom niet? omdat wanneer de Tathagata over lichamelijke kenmerken spreekt, hij spreekt over het niet-bezitten van niet-kenmerken.’
De Boeddha zei tot Subhuti: ‘Alles wat een vorm bezit is misleidend. Als de misleidende natuur van vorm is herkend, is de Tathagata herkend.’

Alle wezens zijn leeg
Ook Subhuti, de Boeddha en de Tathagata.

Alle verschijnselen zijn leeg
Ook het herkennen van de Tathagata, lichamelijke kenmerken, het bezitten daarvan, niet-kenmerken, het niet-bezitten daarvan, alles, vorm, het bezitten daarvan en de misleidende natuur daarvan.

Alle leerstellingen zijn leeg
Ook de leerstelling dat het niet mogelijk een Tathagata te herkennen aan de lichamelijke kenmerken.

Ook de leerstelling dat de Tathagata spreekt over het niet-bezitten van niet-kenmerken als hij spreekt over lichamelijke kenmerken.

Ook de leerstelling dat alles wat een vorm bezit misleidend is.

Ook de leerstelling dat de Tathagata is herkend als de misleidende natuur van vorm is herkend.

Ook de leerstelling dat alle wezens, verschijnselen en leerstellingen leeg zijn, is leeg.
Dus waarom zou ik spreken?
Waarom zou ik zwijgen?

De Boeddha is dood.
Leve de Boeddha!

Een vlot (hoofdstuk 6)

Subhuti sprak tot de Boeddha: ‘O Alomgeëerde, zullen er in de toekomst mensen zijn die, wanneer ze deze leringen horen, er oprecht geloof en vertrouwen in hebben?’
De Boeddha zei: ‘Subhuti, spreek niet zo. Vijfhonderd jaar na het heengaan van de Tathagata zullen er mensen zijn die morele zelfdiscipline hebben beoefend en zo over voldoende verdiensten beschikken. Zij zullen, wanneer ze deze woorden horen, hun waarheid begrijpen. Je moet weten dat dergelijke mensen hun verzameling van verdiensten niet hebben gecreëerd bij slechts één, twee, drie, vier of vijf boeddha’s, maar bij ontelbare boeddha’s. Als zij deze woorden horen en, al is het maar gedurende één tel, zuiver en helder vertrouwen opwekken, dan zal de Tathagata ze opmerken en hun onmetelijke hoeveelheid verdiensten herkennen. Waarom? Omdat deze mensen vrij zijn van het idee van een zelf, een persoon, een wezen of een voortlevende entiteit; ze zijn vrij van het idee van zowel een dharma als een niet-dharma. En waarom? Omdat als ze het idee van een dharma koesteren, ze nog steeds gehecht zijn aan een zelf, persoon, een wezen of een voortlevende entiteit. Omdat als ze het idee van een niet-dharma koesteren, ze nog steeds gehecht zijn aan een zelf, persoon, een wezen of een voortlevende entiteit. Koester daarom niet het idee van een dharma noch van een niet-dharma. Daarom verkondigt de Tathagata altijd: ‘O bhikshu’s, weet dat mijn leringen vergeleken moeten worden met een vlot. Zelfs een dharma moet worden opgegeven, des te meer een niet-dharma.”

Alle wezens zijn leeg
Ook Subhuti, de Boeddha, de Tathagata, bhikshu’s, toekomstige mensen en ontelbare boeddha’s.

Alle verschijnselen zijn leeg
Ook de toekomst, leringen, oprecht geloof, zuiver en helder vertrouwen en het opwekken daarvan, het heengaan van de Tathagata, morele zelfdiscipline en het beoefenen daarvan, verdiensten en het creëren daarvan en het verzamelen daarvan en het beschikken daarover en het opmerken daarvan en het herkennen daarvan, woorden en het horen daarvan, waarheid en het begrijpen daarvan, het idee van een zelf, een persoon, een wezen of een voortlevende entiteit en het gehecht zijn daaraan en het vrij zijn daarvan, het idee van een dharma en een niet-dharma en het koesteren daarvan en het opgeven daarvan en het vrij zijn daarvan, een lering en het verkondigen daarvan en het vergelijken daarvan met een vlot.

Alle leerstellingen zijn leeg
Ook de leerstelling dat er vijfhonderd jaar na het heengaan van de Tathagata mensen zullen zijn die morele zelfdiscipline hebben beoefend en zo over voldoende verdiensten beschikken.

Ook de leerstelling dat deze mensen, wanneer zij deze woorden horen, hun waarheid zullen begrijpen.

Ook de leerstelling dat deze mensen hun verzameling van verdiensten niet hebben gecreëerd bij slechts één, twee, drie, vier of vijf boeddha’s, maar bij ontelbare boeddha’s.

Ook de leerstelling dat als zij deze woorden horen en, al is het maar gedurende één tel, zuiver en helder vertrouwen opwekken, de Tathagata ze zal opmerken en hun onmetelijke hoeveelheid verdiensten herkennen.

Ook de leerstelling dat deze mensen vrij zijn van het idee van een zelf, een persoon, een wezen of een voortlevende entiteit, en vrij van het idee van zowel een dharma als een niet-dharma.

Ook de leerstelling dat ze, als ze het idee van een dharma of niet-dharma koesteren, nog steeds gehecht zijn aan een zelf, persoon, een wezen of een voortlevende entiteit.

Ook de leerstelling dat je daarom niet het idee van een dharma moet koesteren, noch van een niet-dharma; dat zelfs een dharma moet worden opgegeven, des te meer een niet-dharma.

Ook de leerstelling dat de leringen van de Tathagata vergeleken moeten worden met een vlot.

Ook de leerstelling dat alle wezens, verschijnselen en leerstellingen leeg zijn, is leeg.
Dus waarom zou ik spreken?
Waarom zou ik zwijgen?

De Boeddha is dood.
Leve de Boeddha!

Geen leer (hoofdstuk 7)

‘Wat denk je, Subhuti, heeft de Tathagata de hoogste verlichting bereikt? Heeft hij iets dat hij kan verkondigen?’
Subuthi zei: ‘O Alomgeëerde, als ik de leringen van de Boeddha goed begrepen heb, heeft de Boeddha geen leer over te dragen. De waarheid is niet te bevatten en gaat alle beschrijving te boven. Het is noch een dharma, noch een niet-dharma. Waarom is dit zo? Omdat alle grote leraren verheven zijn door het ongeconditioneerde.’

Alle wezens zijn leeg
Ook Subhuti, de Tathagata en de grote leraren.

Alle verschijnselen zijn leeg
Ook de hoogste verlichting en het bereiken daarvan en de waarheid en het niet kunnen bevatten daarvan en het alle beschrijving te boven gaan daarvan en de dharma en de niet-dharma en het ongeconditioneerde en het verheven zijn daardoor.

Alle leerstellingen zijn leeg
Ook de leerstelling dat de Boeddha de hoogste verlichting heeft bereikt.

Ook de leerstelling dat hij desondanks geen leer over te dragen heeft.

Ook de leerstelling dat de waarheid niet te bevatten is en alle beschrijving te boven gaat.

Ook de leerstelling dat de waarheid noch een dharma, noch een niet-dharma is.

Ook de leerstelling dat alle grote leraren verheven zijn door het ongeconditioneerde.

Ook de leerstelling dat alle wezens, verschijnselen en leerstellingen leeg zijn, is leeg.
Dus waarom zou ik spreken?
Waarom zou ik zwijgen?

De Boeddha is dood.
Leve de Boeddha!

Nawoord: alles leeg en niets heilig

‘Alles leeg en niets heilig’ zou de eerste zenpatriarch, Bodhidharma, tegen de Gele Keizer hebben gezegd toen deze hem naar de essentie van de boeddhistische leer vroeg. In bovenstaande commentaren op de hoofdstukken 3-7 van de diamantsoetra keren vier zinnetjes steeds terug:

  1. Alle wezens zijn leeg.
  2. Alle verschijnselen zijn leeg.
  3. Alle leerstellingen zijn leeg.
  4. Ook de leerstelling dat alle wezens, verschijnselen en leerstellingen leeg zijn, is leeg.

Hiermee verwijs ik naar respectievelijk anatman, sunyata, prajnaparamita en sunyata-sunyata (de leegte van de leegte).

Onder prajnaparamita (de perfectie van de wijsheid) versta ik in deze context dharma noch niet-dharma of de wijsheid zonder wijsheid of de wijsheid voorbij alle wijsheid of de wijdsheid voorbij alle wijsheid of niet-inzicht of de leegte van de leer of de lege leer. Omdat iedereen wat anders bedoelt met dit woord, en met alle woorden, zeg ik het er maar even bij.

Sunyata-sunyata: de leegte van de leegte

Anatman (niet-zelf) kun je opvatten als sunyata toegepast op het idee van een bestendige persoon.

Prajnaparamita kun je opvatten als sunyata toegepast op het idee van een bestendige dharma of eeuwige wijsheid.

Sunyata-sunyata kun je opvatten als sunyata toegepast op het idee van een bestendige leegte.

Zo bezien is sunyata het centrale begrip. Het is de ontologische tegenhanger van niet-weten, dat tot het domein van de epistemologie behoort en daarin een vergelijkbare (zelf)vernietigende werking heeft. De leegte van de leegte correspondeert met niet weten van niet-weten.

Prajnaparamita: de wijsheid voorbij alle wijsheid

Anatman kun je ook opvatten als prajnaparamita toegepast op het idee van een bestendig zelf.

Sunyata kun je opvatten als prajnaparamita toegepast op het idee van bestendige verschijnselen.

Niet-dharma kun je opvatten als prajnaparamita toegepast op het idee van een bestendige leer.

Zo bezien is prajnaparamita het centrale begrip. Het is de epistemologische tegenhanger van sunyata.

Wat komt het eerst, sunyata of prajnaparamita?

Wat is primair, ontologie of epistemologie? Sunyata of prajnaparamita? Verschijnt het weten in het zijn of het zijn in het weten? Is leegte het einde van het weten of niet-weten het einde van het zijn?

Ach, wat doet het ertoe. Een correcte formulering is er niet. Hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk gaan zowel anatman als sunyata als prajnaparamita als de leegte van de leegte als niet-weten als niet weten van niet-weten als de lege leer aan zichzelf te gronde.

Wat hou je over als je sunyata toepast op anatman, prajnaparamita en sunyata-sunyata? Niets en dat ook niet.

Wat hou je over als je prajnaparamita toepast op anatman, sunyata en sunyata-sunyata? Niets en dat ook niet.

Uppaya’s: vlotten om mee over te steken, niet om mee te slepen

Geeft niks. Het waren toch alleen maar uppaya’s (vaardige methoden). Vlotten om mee over te steken, niet om de rest van je levens(dagen) achter je aan te slepen. Voor doctrines moet je bij andere tradities wezen.

Weg met alle doctrines.

Weg met het idee dat je voor doctrines bij andere tradities moet wezen.

Weg met alle uppaya’s.

Weg ook met het idee dat het alleen maar uppaya’s waren.

Weg met het oversteken, weg met de rivier, weg met de metafoor van het vlot.

Weg met niet-oversteken, weg met geen-rivier, weg met geen-vlot.

Weg met gene zijde, weg met nirwana.

Weg met deze zijde, weg met samsara.

Weg met nirwana = samsara.

Weg met nirwana-en-samsara.

Weg met nirwana-noch-samsara.

Weg met samwananirsara, weg met samsiewamsieramsie, weg alvast met de mulamadhyamikakarikashunyadvayavadavedaprajnaparamitapedanta van de toekomstige grootmeester Maitreyakiteshavaraadhyatmabahirdasunyanta Shankarasharankarakanshakakaranshakaranrashan.

Ik zeg, weg met iedere hoofdweg, middenweg, zijweg, bijweg en omweg, weg ook met de onweg, weg ook met het weg ermee.

De Boeddha is dood!

En dit dan toch maar weer anatman of sunyata of prajnaparmita of sunyata-sunyata of niet-weten of niet weten van niet-weten of de lege leer noemen. Met alle misverstanden van dien. Wat moet je anders?

Leve de Boeddha!

Lees ook: De Hartsoetra, De dans ontsprongen