Idioticon niet-weten

Wat is niet-weten? Wat is agnose? Wat is een dwaaltekst? Wat is wis-kunde? Wat is een dwijsgeer? Wat is de lege leer? Het Idioticon* niet-weten helpt je verder. Dwaaltaal spreek je zo.

* Idioticon: woordenboek van een bepaald idioom of dialect

Dwaalgids > Niet-weten > Idioticon niet-weten

Idioticon niet-weten: condensstrepen in de lucht, woorden in de wind

Zie ook: Woordenlijstje niet-weten (met de belangrijkste woorden uit het Idioticon niet-weten), Stijlgidsje niet-weten (stijlfiguren voor stamelaars), Metaforen niet-weten, Eufemismen niet-weten, Weetnietkunde, Niet-weten als passe-partout

Spreken zonder (s)preken

Een agnost zul je er niet van worden.

Nederlands is een rijke taal, maar wie over niet-weten wil praten heeft een probleem. Filosofische, religieuze en spirituele tradities hebben gewoontegetrouw vooral lastige, duistere, veellettergrepige termen gelanceerd, zoals ataraxia, aporie, deconstructie, epoche, iconoclasme en de via negativa, waarmee het makkelijk imponeren maar moeilijk communiceren is. Een overzicht van dit soort termen vind je op mijn pagina Weetnietkunde.

Gelukkig is onze taal al net zo plooibaar als onze geest, en een van de genoegens van het leven is de overlevering naar je tong te zetten. Dat doe je bijvoorbeeld met neologismen, nieuwe woorden samengesteld uit oude componenten of oude woorden met een nieuwe betekenis.

De meeste nieuwvormingen op deze website zijn zelfverklarend: niet-weten, dwijze, agnose, dwaalmeester, spookwoord, denk-beeld. Wie toch een verklaring wil, kan hieronder naar keus zijn hart of zijn neus ophalen.

Een agnost zul je er niet een twee drie van worden, maar spreken zonder (s)preken kun je leren, en dat komt altijd van pas.

Ha-ha-Hans

‘En dat ook niet! En dat ook niet! En dat ook niet!’

Toen ik net tot niet-weten was gekomen, kon ik alleen maar stamelen: ‘En dat ook niet! En dat ook niet! En dat ook niet!’ Dit in reactie op gedachten die tevergeefs kaas probeerden te maken van wat ik destijds zelfs geen niet-weten wist te noemen.

Die term, niet-weten, heb ik pas later ontdekt, toen ik in de literatuur dook op zoek naar mensen die iets soortgelijks hadden meegemaakt. Ik moet hem al eerder onder ogen hebben gehad, maar toen was ik er kennelijk niet ontvankelijk voor.

Jaren ben ik bezig geweest om woorden en uitdrukkingen te verzinnen en te verzamelen en aan elkaar te rijgen tot iets dat enigszins op proza lijkt. De proza van het stamelen, de proza van het herroepen, de proza van het sprekend niet spreken over denkend niet denken – de proza van agnose.

Tegenwoordig kijk ik vol verbazing terug op die eerste tijd. Een woordenlijst heb ik sinds ik hem heb niet meer nodig, en de metaforen fladderen ’s zomers en ’s winters als vlinders door de dwaaltuin van mijn geest.

Makkelijke woorden, moeilijke woorden, sommige lovend, andere neutraal, schertsend of spottend, net wat de situatie vraagt. Het zijn ook allang geen losse woorden meer, maar hele woordvelden, sjablonen, formules, denkwijzen.

Al die woorden en uitdrukkingen – ei ei, spielerei. Holle klanken voor een lege leer, Ø. Condensstrepen in de lucht. Woorden in de wind. Wervelingen van een hemelskind. Zondagskindjes van een zwerveling.

Ik zeg weg ermee. En weg ook met het ‘weg ermee’.

Eén woord is geen woord

Om over niet-weten te kunnen praten heb je eigenlijk maar één woord nodig: niet-weten. Zelfs dat kun je op den duur vergeten. In de wolk van niet-weten is er geen hoofdwoord, en ook de bijwoorden kunnen je gestolen worden. Niet-weten is een hoofd zonder woorden, bij wijze van spreken. Maar nu nog even niet.

Het wegwerpjargon van niet-weten is her en der op deze site terug te vinden:

  1. In het woordenlijstje niet-weten
  2. In dit idioticon niet-weten
  3. Op woordpagina’s
  4. In lokale woordenlijstjes
  5. Op de pagina weetnietkunde
  6. Via het zoekvak

Woordenlijstje

Voor de variatie heb ik op deze website een kleine set synoniemen en afgeleiden van het hoofdwoord niet-weten in gebruik genomen: agnose (agnost, agnostisch), dwijsheid (dwijze, dwijsgeer), groot ongeloof, groot voorbehoud, grote vrede, de lege leer. Deze woorden vind je terug in het Woordenlijstje niet-weten bovenaan de startpagina en in de linkerkolom van iedere pagina, zodat je het altijd bij de hand hebt. Uiteraard vind je ze ook terug in dit idioticon.

Idioticon

Als je net als ik een woordenaar bent, wordt het bedenken van woorden een doel op zich. Ik heb woorden verzonnen die ik zelden of nooit gebruik, maar die toch helpen bij het definiëren en afbakenen van het wegwerpbegrip niet-weten. Voorbeelden van dit soort woorden zijn wis-kunde, geesst, verduisterd (als tegenhanger van verlicht), bestaansmystiek (in plaats van godsmystiek) en filasofie (fil-a-sofie, in tegenstelling tot filo-sofie). Je vind ze hieronder.

Woordpagina’s

Aan sommige termen heb ik een hele pagina gewijd: agnose, bestaansmystiek, dwijsheid, groot ongeloof, grote twijfel, de lege leer, lege mystiek, niet-weten, tja, verduisterd, de weetnietgeest.

Lokale woordenlijstjes

Op sommige pagina’s komen lokale woordenlijstjes voor, zoals een Woordenlijstje Wijsheid, een Woordenlijstje Dwaasheid en een Woordenlijstje Inzicht op de pagina De Mont Fou, het Woordenlijstje voor halfmensen op de pagina Byron Katie voor Workaholics. Ik heb ze niet opgenomen in het Idioticon niet-weten omdat ze niet zonder hun context kunnen.

Weetnietkunde

Het Idioticon niet-weten bevat bestaande woorden die ik een nieuwe betekenis(nuance) heb gegeven en woorden die ik zelf bedacht heb. Met niet-weten verwante woorden die in de loop der eeuwen door anderen bedacht zijn – ataraxia, scepsis, epoche, aporie, pyrronisme, deconstructie en dergelijke – bespreek ik op de pagina Weetnietkunde.

Zoekvak

Mocht je een vreemd woord niet kunnen thuisbrengen, gebruik dan het zoekvak bovenaan de linkerkolom. Standaard genereert de ingebouwde zoekmachine een lijst van alleen die pagina’s waarop alle ingevoerde zoekwoorden tegelijk aanwezig zijn, ongeacht hun volgorde, ook als die woorden niet bij elkaar staan (EN-zoeken). Levert die zoektocht geen resultaten op dan wordt automatisch een lijst gemaakt van pagina’s waarop minstens één van de zoekwoorden voorkomt (OF-zoeken).

Zet je je zoekopdracht tussen dubbele aanhalingstekens, dan wordt gezocht op die exacte tekenreeks, ook als die middenin een woord staat of over meerdere woord(delen) heen gaat (exact zoeken). Deze laatste zoekmogelijkheid gebruik ik zelf het meest.

Niet-weten is gekkenwerk

Route 66, de koninklijke weg naar een narrenbestaan. Zesenzestig vingers naar de maan.

In een Idioticon niet-weten op een website niet-weten.nl mag het lemma niet-weten niet-ontbreken. Daar baal ik van. Deze hele site staat vol verhalen, dialogen, spreuken, artikelen, gedichten, grappen, lofliederen en litanieën over, metaforen voor, en eufemismen, definities en illustraties van niet-weten. Hoe moet ik die in hemelsnaam samenvatten in één lemma? De website is het lemma.

Wat is niet-weten? Je kunt het niet uitleggen. Je kunt het op vele manieren uitleggen. Eén woord is al teveel. Tienduizend woorden is nog te weinig.

Hieronder zes keer elf is zesenzestig pogingen onder het motto: Niet-weten, maak er geen tegeltje van.

Elf is trouwens het gekkengetal, niet-weten het hart van carnaval.

Lees ook: Wat is niet-weten?

Niet-weten in 11 definities

  1. Niet-weten is je gedachten niet geloven, deze ook niet.
  2. Niet-weten is geen oordeel weten te vellen, ook niet over het oordelen.
  3. Niet-weten is al je denkbeelden omverwerpen, ook dit denkbeeld.
  4. Niet-weten is het einde van ego, ik, zelf en niet-zelf.
  5. Niet-weten is alles in het midden laten, ook of je alles in het midden moet laten.
  6. Niet-weten is alles loslaten, ook het loslaten.
  7. Niet-weten is overal de keerzijden van zien, ook van de keerzijden.
  8. Niet-weten is vrede sluiten met je onvrede.
  9. Niet-weten is de vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid.
  10. Niet-weten is het einde van ieder zoeken, ook naar niet-zoeken.
  11. Niet-weten is verlossing van de verlossers, bevrijding van de bevrijders, ontsnapping aan de snappers – een vlucht uit het vluchten.

Lees ook: Niet-weten als passe-partout

Niet-weten in 11 spreekwoorden

  1. Niet-weten is waar iedereen mee flirt maar niemand mee trouwt.
  2. Ook dat er geen antwoorden zijn, is niet het antwoord.
  3. Zelfs niet weten van niet-weten.
  4. Wie eindelijk begrijpt dat er niets te begrijpen valt, heeft nog steeds iets begrepen.
  5. Beter tien meningen in de lucht dan één in je hoofd.
  6. Wijsheid komt voor de val.
  7. Wie een kuil graaft voor zijn weten, valt er zelf in.
  8. Al is het weten nog zo snel, het leven achterhaalt haar wel.
  9. Wie niet weet die niet deert.
  10. Beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd.
  11. Wijzen en dwazen leren het leven uit boeken en glazen.

Lees ook: Dwaalspreuken voor in de vrolijke keuken

Niet-weten in 11 beeldspraken

  1. Weten is alles dichttimmeren, niet-weten is overal kieren zien.
  2. Weten is dingen zien, niet-weten is de tussenruimte zien.
  3. Weten is steeds door hetzelfde raam kijken, niet-weten is steeds door een ander raam kijken.
  4. Weten is eindeloos puzzelen, niet-weten is stukjes zien.
  5. Weten is vastzitten in het web van je gedachten, niet-weten is rondlopen op het web van je gedachten.
  6. Weten is een boom in een potje, niet-weten is een boom in de vrije natuur.
  7. Weten is op iedere vraag een antwoord, niet-weten is op ieder antwoord een vraag.
  8. Weten is een overwinning van de rede op de realiteit, niet-weten is een overwinning op de rede.
  9. Weten is vallen en opstaan, niet-weten is alleen maar vallen.
  10. Weten is vals spelen, niet-weten is spelen.
  11. Weten is volgens de regels spelen, niet-weten is met de regels spelen.

Lees ook: 100 Metaforen voor niet-weten

Niet-weten in 11 paradoxen

  1. Niet-weten laat zich niet benaderen, behalve door niet benaderen.
  2. Niet-weten laat zich niet zien, behalve door niet-zien.
  3. Niet-weten laat zich niet doen, behalve door niet-doen.
  4. Niet-weten laat zich niet kennen, behalve door niet-kennen.
  5. Niet-weten laat zich niet grijpen, behalve door niet-grijpen.
  6. Niet-weten laat zich niet definiëren, behalve door niet-definiëren.
  7. Niet-weten laat zich niet bezitten, behalve door niet-bezitten.
  8. Niet-weten laat zich niet verdedigen, behalve door niet-verdedigen.
  9. Niet-weten laat zich niet vermenigvuldigen, behalve door het te delen.
  10. Niet-weten laat zich niet verkopen, behalve door niet-verkopen.
  11. Niet-weten laat zich niet bezingen, behalve door vals zingen.

Meer over paradoxen en oxymorons: Stijlgidsje niet-weten

Niet-weten in 11 eufemismen

  1. De hoogste waarheid is voorbij de woorden.
  2. In de stroom van wijsheid gaat de verlichte voorbij alle wijsheid.
  3. Alles ontstaat afhankelijk.
  4. Alles is een illusie.
  5. Vorm is leegte, leegte is vorm.
  6. Dood de boeddha.
  7. Gods wegen zijn wonderbaarlijk.
  8. Het leven is een mysterie.
  9. De weg is het doel.
  10. Ik ben die ik ben.
  11. Ik doe wat ik doe.

Lees ook: Eufemismen voor niet-weten

Niet-weten in 11 tussenwerpsels

  1. eh…
  2. hè?
  3. tja…
  4. mwah…
  5. jeetje…
  6. oei…
  7. ach…
  8. och…
  9. hm…
  10. poe…
  11. pff…

Tussenwerpsels zijn de noten van de hemelse weetnietmuziek. En het mooie is, je hoeft ze nooit te kraken.*

Niet-weten is gekkenwerk

* Een schoolvoorbeeld van hemelse weetnietmuziek is de Nooitekrakensuite van Pratr Tjakovski.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Niet-weten is geen doen

In de mystiek is niet-weten een wachtkamer voor God, bij de Zen Peacemakers is het een bejegeningsideaal, bij Jan Oegema een levenshouding en in het bedrijfsleven een managementmethode. Wat is niet-weten nou echt?

Een radicaal niet-weten

Ieder woord van iedere taal betekent voor ieder wezen – mens, paard, hond, vis – iets anders, of gewoon niets. Soms zijn de verschillen klein, soms zijn ze onoverbrugbaar groot. Soms zijn we ons van de verschillen bewust, dikwijls blijven ze onder de radar, waardoor we ten onrechte denken dat we elkaar verstaan of misverstaan, dat we het eens zijn of juist oneens.

Ook niet-weten betekent voor iedereen iets anders. Voor sommigen is het openheid, een onbevooroordeelde blik, medemenselijkheid; voor anderen is het een weg naar God of het onverdeelde zelf, de non-dualiteit. Voor de een is het een middel, voor de ander is het een doel. Voor de daoïst is het wijsheid, voor de theravadin onwetendheid.

Voor mij is niet-weten gewoon niet weten. Met je mond vol tanden staan. Dat je het allemaal even niet meer weet, je kent dat wel – maar dan chronisch.

Niet-weten is geen doen. Het is ook geen laten. Het is geen zelf en geen niet-zelf. Het is geen ideaal, geen middel, geen weg en geen doel. Het is niet juist en niet onjuist. Het is nergens goed voor en het is nergens slecht voor, niet van zichzelf, niet dat ik weet.

Integendeel, denken in termen van tegendelen zoals goed en slecht, juist en onjuist, weg en doel, ideaal en middel, zelf en niet-zelf, doen en laten, weten en niet-weten, behoort helemaal tot het weten. Net als deze tekst. Ik kan het ook niet helpen.

Om het verschil met alternatieve betekenissen van ‘niet-weten’ te benadrukken, noem ik het mijne weleens een radicaal niet-weten, kortweg agnose (a-gnose). Dit laatste woord speelt in het Nederlands nauwelijks een rol en heeft van concurrerende betekenissen nog weinig te duchten. Ik kom er zo op terug.

Niet-weten als tussenstadium

In de mystiek, vooral bij Johannes van het Kruis, is niet-weten een praktijk van bidden, meditatie en contemplatie om je te ontledigen van al je zelfbeelden en godsbeelden, want die staan tussen jou en de allerhoogste in.

Ook verwijst niet-weten er naar de dorre tussentijd waarin je beeldloos afwacht totdat God, wie of wat dat ook moge wezen, zich eindelijk aan jou openbaart, wie of wat jij ook mag wezen.

Erg aangenaam schijnt deze toestand niet te zijn. Johannes van het Kruis noemt het de donkere nacht van de ziel, een kwelling waaraan voor een enkeling een einde komt in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Het radicale niet-weten waarvan ik getuig is geen wachtkamer (martelkamer, verloskamer) maar een gelagkamer (rustkamer, speelkamer). Geen tussenstadium maar een eindstadium waarin je je gedachten doorziet, een voor een, dan breekt het lijntje niet. Dus ook de gedachte van niet-weten als een eindstadium waarin je je gedachten een voor een doorziet. Alsof dat mogelijk zou zijn. Alsof het wenselijk zou zijn.

Aan een radicaal niet-weten komt géén einde in de mystieke vereniging met de beeldloze. Agnose is zelf al de mystieke vereniging. Een vereniging zonder bestuur en zonder leden. Een en al mysterie, zonder tal of taal of teken, niet te claimen, niet te faken. Ook dit is maar een beeld. Agnose is helemaal het einde, ook van niet-weten, ook van beeldloosheid, ook van het mysterie en zelfs van het einde, dus dat scheelt. Leve de lege statuten.

Voor mij is niet-weten geen kwelling. Wéten was de kwelling, als we dan per se in dit soort termen moeten denken. Wel ben ik door het verlies van mijn twijfelachtige zekerheden flink in de rouw geweest. Vaak stonden de tranen in mijn ogen of liepen ze over mijn wangen zonder dat ik er erg in had.

Agnose is een bad dat snel volloopt maar langzaam warm wordt, zou je kunnen zeggen. Het vertrouwen dat je in dit bodemloze tepidarium niet zult verdrinken, moet groeien. Zolang je er niet volledig op vertrouwt, kun je je er niet volledig in ontspannen. Dat kost tijd, jaren in mijn geval, ik was ook zo’n ontzettende weetal.

Tegenwoordig balanceer ik vaak uren achtereen op het randje van de euforie, ongelooflijk. Maar ik zit dan ook al tien jaar in bad. Euforie bewijst natuurlijk niks, je kunt overal van uit je dak gaan – van Jezus, van Hazes, van Krishna, van Callas, van Boeddha, van Beckett, van genot, van pijn, van kopen, van wegdoen, van woorden, van stilte – maar lekker is het wel. Bovendien heb ik niks meer te bewijzen, dit ook niet.

Hoe het ook zij, in een radicaal niet-weten ben je niet alleen vrij van onwrikbare zelfbeelden en godsbeelden, zoals de aanstaande mysticus, maar van alle vaste denkbeelden omtrent welk onderwerp ook – mensbeelden, wereldbeelden, boeddhabeelden, heiligenbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, ziektebeelden, de hele reutemeteut, inclusief je vrijheidsbeelden, inclusief dít vrijheidsbeeld.

Het is niet dat er geen denkbeelden meer zijn, maar dat het geen denk-beelden meer zijn. Radicaal niet-weten is een denkbeeldenstorm die alle denk-beelden aan diggelen slaat, met sokkel en al, de diggelen tot gruis, het gruis tot stof.

Mettertijd luwt de beeldenstorm, maar de wind van niet-weten gaat nooit liggen. Stofhoosjes vormen schijngestalten van voormalige denkbeelden. Oude bekenden, je kijkt er dwars doorheen en ze vallen meteen weer uiteen.

Ook dit is maar een denkbeeld, ik hoop dat je het doorziet.

Niet-weten als voorschrift

Een heel andere betekenis van het begrip niet-weten vinden we bij de Zen Peacemakers. Voor hen is niet-weten geen tussenstop onderweg naar God, maar een humanistisch bejegeningsideaal. Zen Peacemakers willen de medemens open en onbevooroordeeld tegemoet treden, met ‘een houding van niet-weten.’

Een soortgelijke benadering zien we bij de ietsist Jan Oegema, auteur van De stille stem, die niet-weten een levenshouding noemt, waarvoor je kunt kiezen en waarvoor je zou moeten kiezen. Zijn boek is een pleidooi voor openheid, barmhartigheid en naastenliefde – degelijke oecumenische, boeddhistische en verlichtingsidealen, traditiegetrouw gegrond in de zwevende vooronderstelling van een ik met een vrije wil.

Niet-weten als levenshouding

Vragen stellen, luisteren, lief zijn voor elkaar, leven en laten leven, ik vind het prachtig allemaal, misschien wat eenzijdig en naïef. Maar net als bij het bejegeningsideaal van de Zen Peacemakers is het mij niet duidelijk waarom deze levenshouding ineens niet-weten moet heten. Wat voegt dat toe, wat neemt het weg, wat haalt het uit? Oude wijn in nieuwe zakken, zegt het spreekwoord onbarmhartig, maar misschien is dat een vooroordeel.

Ook in managementboeken wordt niet-weten opgevat als een houding, een keuze, een methode, een ideaal. Het is, opnieuw, een machtsgreep. De manager krijgt het advies om zijn vakmatige onwetendheid openlijk toe te geven en een beroep te doen op de expertise van de werkvloer. Hij legt niet zijn wil op zoals de bazen van weleer, maar laat zich adviseren door zijn ondergeschikten, die qua knowhow eigenlijk zijn superieuren zijn. Een manager die niet weet, staat in dienst van werknemers die wél weten. Hij dirigeert niet, hij faciliteert, en het bedrijf profiteert. Zo legt de manager indirect toch zijn wil op, of wiens wil het ook mag wezen.

Geen probleem, dat is het punt niet. Het punt is dat er in een radicaal niet-weten bij gebrek aan denk-beelden geen sprake kan zijn van een bejegeningsideaal, een levenshouding of een managementmethode. Ook het meta-ideaal om anderen of het leven zónder idealen, houdingen of methoden tegemoet te treden, vindt in agnose geen onderdak.

Het punt is dat niet-weten geen punt is. Geen aandachtspunt, geen agendapunt, geen aanknopingspunt en geen gezichtspunt. Niet-weten is geen-punt – of het moest een breekpunt zijn. Een nulpunt?

Misschien spreekt deze formulering je aan: in een radicaal niet-weten is er de facto (maar niet de jure) ruimte voor alle denkbare idealen, houdingen en methoden naast elkaar, hoe tegenstrijdig ook, en voor alle denkbare bezwaren tegen alle denkbare idealen, houdingen en methoden, hoe onredelijk ook.*

Net zo is er in een radicaal niet-weten ruimte voor alle denkbare definities van niet-weten, en voor alle claims van wie dan ook als zou een bepaalde definitie de enige juiste zijn, of een bepaald soort niet-weten het enige ware niet-weten, of ieder niet-weten obstinate onwetendheid, of wat dan ook.

Zelf claim ik bij mijn weten niets, dit ook niet. Noem het wat je wilt.

* Dit is de gedachte van de volle leer.

Verder lezen: Niet-weten is alles uitvegen

Niet weten, niet-weten of nietweten?

Is het niet weten, niet-weten of nietweten? Non boeddhist, non-boeddhist of nonboeddhist? Niet doen, niet-doen of nietdoen? Non dualisme, non-dualisme of nondualisme?

Verbinden of verbreken; het koppelteken en het ontkoppelde denken.

Een nietmachine is geen niet-machine

Taal is grillig en spellingsregels niet minder. Neem nou het koppelteken -. Op het eerste gezicht zit er best enige logica in het gebruik van dit minuscule dwarsliggertje.

We schrijven terecht niet-partijgebonden in plaats van nietpartij-gebonden, tenzij we het willen hebben over gehechtheid aan de nietpartij.

We schrijven terecht nietmachine in plaats van niet-machine want een nietmachine is mooi wel een machine, om niet te zeggen een wel-machine, mooi of niet, of een welmachine natuurlijk, die hoe je hem ook noemt wel niet.

Te recht zal geen welstandscommissie wel-standscommissie durven voorschrijven, al zal een schoolmeester, juist als hij niet aan een meesterschool doceert, het graag voor-schrijven als wel-stand-s-commissie.

We schrijven te recht niet-schakeling om aan te geven dat iets geen schakeling is, en nietschakeling voor een schakeling waarbij de sluiting van een stroomkring wordt gebruikt om een andere stroomkring te openen, of hij het nou doet of niet.

We schrijven te-recht niet-Nederlander in plaats van Nietnederlander, behalve ter aanduiding van de in woners van Nietnederland op het Innerlijk halfrond, en van deel-nemers aan het tele visieprogramma Heel Nederland Niet, maar wie dan wel?

We schrijven ter echt leernicht en niet leer-nicht noch niet-leernicht, want niet iedere leernicht heeft leerplicht maar wel leer-plicht, behalve onder de douche, dat is nou eenmaal de dresscode.

Je ziet, onze spellingsgoeroes zijn zo gek nog-niet, een unicum onder goeroes én nietgoeroes, petje-af maar hoedje voor de spellingsroes

Een nietswaardige nietdeug

en water dicht is het-hier geens zins. Zo schrijven we niet-gericht in plaats van nietgericht, ook al is er, nietobsessies daargelaten, weinig kans op verwarring.

We schrijven zonder doorslag gevende rede niet-bestaand, niet-bewust, niet-metaal, niet-doen en niet-zijn in plaats van nietbestaand, nietbewust, nietmetaal, nietdoen en nietzijn.

Omgekeerd schreven we vroeger volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal (het Laat-Esdnalreden red Keobnedroow) onbekommerd nietdoenerij (ledigheid, thans nietsdoenerij) in plaats van niet-doenerij, nietdoenig (lui) in plaats van niet-doenig, nietemijtig (nietig) in plaats van niet-mijtig.

We schreven nietwetendheid in plaats van niet-wetendheid, nietweet (thans weetniet) in plaats van niet-weet, nietdeug (thans deugniet) in plaats van niet-deug.

We schreven nietjegenstaande, nietwederstaande en niettemeer in plaats van niet-jegenstaande, niet-wederstaande, niet-temeer en we schreven nieteenzins (geenszins) in plaats van niet-eenzins of niet-een-zins (of geenzins).

De nominaal heden-daagse woorden niettemin en niettegenstaande hebben zich bij uit zonder in met succes verzet tegen de verkoppeltekening van de nietwoorden maar niet tegen de ontkoppeltekening van niet-woorden, anders zouden we wel niet-te-min en niet-tegen-staande schrijven. Nietteminmogen ze vanmij zo het oude mannen huizin, met- of zonderdwars streepjes, liefst onderdwang.

Wist je trouwens dat samen stellingen met ‘niets’ nooit een koppel teken krijgen? Of-te nimmer? We schrijven nietsnutten, nietsbeduidend, nietsontziend, nietsverhullend, nietsvermoedend, nietswaardig, nietswording en nietszeggend in plaats van niets-nutten, niets-beduidend, niets-ontziend, niets-verhullend, niets-vermoedend, niets-waardig, niets-wording en niets-zeggend.

Noujij weer.

Een koppel teken

Ik nietweet, wij nietwisten, zij hebben genietweten?

Nou ikweer, ik mag me zelf, graaghoren.

Wie een lans wilbreken voor nietweten, aan elkaar dus, moet welbedenken dat niet-weten zowel een zelf standig naam woord is als een werk woord, en nog een sterkwerk woord ook.

Bij het zelf-standig naam-woord is er weinig-kans op verwarring. Of je nou spreekt van een zen boeddhistisch niet weten of een non-dualistisch niet-weten of het mystieke nietweten van Meistereckhart, niemand zal je mis verstaan, noem dat maar een predikant.

Anders is het met de werk-woordsvorm gesteld. Vormen de samen stellende delen van een werkwoord een vasteverbinding dan blijft deze norma-liter behouden in de vervroeging.

We zeggen ik stofzuig, wij stofzuigden, zij hebben gestofzuigd maar nietzeggen ik zuig stof, zij zogen (of zoogden of zuigden) stof, wij hebben stof gezogen.

We zeggen ik nietsnut, jij nietsnutte, jullie hebben genietsnut maar nietzeggen ik nut niets, jij nutte niets, jullie hebben niets genut.

Zouden we van niet-weten een vasteverbinding maken en toch consequent willenwezen of -weduwen, dan werd het ik nietweet, hij nietwist, zij hebben genietweten.

Het spirituelejargon kent behalve niet-weten nog een hele boel anderewerk woorden die beginnen met ‘niet’. Niet-doen, niet-zoeken, niet-vinden, niet-bereiken bevobbeld. Of toch maar nietdoen, nietzoeken, nietvinden en nietbereiken, met alle vergezochtevervoegingsverwarring vandien?

Je moet het helemaal zelfweten hoormaar als je het mijvraagt komt het je geloof waardigheid niettengoede niet tegen staande je goedeboedelingen.

Ik-zelf hou mijn-zelf aan de conventie, hoe onrede lijk ook. Of het nou om een zelfstandig maanwoord (niet-geest, niet-zelfstandig, niet-god) gat of om een werknietwoord (niet-noemen, niet-spreken, niet-zwijgen), ik gewoongebruik een koppel teken.

Net zoals ik gewoongebruik non-dualist, non-dualisme, non-duaal en non-dualiteit blijfschrijven, ook al schietende nondualisten, nondualismes, nondualen en nondualiteiten op in ter net tegen woordig naar Goedfrans voor beeld als pad-en-stoelen uyttegrond.

Ook de non heeft officieel rechtop koppels teken – de fictie-non, de conformisme-non, de proliferatie-non, de issue-non, de boeddhist-non, maarniet, nondeju, de nonvariante nonvaleur, van wegehaar non-existente nonrespons zeker waar, schijnlijk.

Hoedan ook, en wie eigenlijk niet? Krijg ik goed-genoeg van al die bewust-zijns k nonnen zonder-onder-scheid of tussen ruimte dan schr-f ik g-w-n adualisme of adualist of adualiteit. So wie so n aan rader.

Maar wat zegt een maan?

Leesteken

Deze tekst is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Synoniemen voor niet-weten

In plaats van niet-weten (niet weten, nietweten), kun je ook spreken van adoxie, agnose, asofie, een autoclasme, de dwaalweg, dwijsbegeerte, dwijsheid, filasofie, kenneloosheid, het lege boek, de lege leer, lege mystiek, nietweterij, lege religie, lege spiritualiteit, mindlesness, paradoxie, variologie, verduistering, weteloosheid, de wolk van niet-weten of wis-kunde.

In plaats van niet-wetend (niet wetend, nietwetend) kun je ook spreken van weteloos, kenneloos, dwijs, verduisterd, wis-kundig, agnostisch, asofistisch, filasofisch, asofisch, of autoclastisch.

In plaats van een weetniet kun je ook spreken van een agnost, een arme van geest, een asoof, een autoclast, een dummy, een duisterling, een dwaalgast, een dwaalgeest, een dwaalgids, een dwaalmeester, een dwijsgeer, een dwijsneus, een dwijze, een filasoof, een kenneloze, een lege leerling, een niet-weter, een nitwit, een tjaïst, een tja-zegger, een varioloog, een verduisterde, een weetnietgeest, een weteloze, een wis-kundige of een wiskunstenaar.

De site niet-weten.nl had ook nietweten.nl kunnen heten. Als ik het over mocht doen zou ik hem NietWeten.nl noemen. De extensie .nl staat wat mij betreft niet voor Nederland maar voor Nederlands in de ruimste zin, inclusief Vlaams-Nederlands en Zuid-Afrikaans.

In plaats van willekeurige welk synoniem en willekeurig welke term of omschrijving voor niet-weten, kun je ook het universele lege symbool, Ø gebruiken. Dit symbool is ontleend aan de wiskunde, waar het staat voor de lege verzameling.

Het symbool Ø heet met een mooi woord het agnosticon (afgeleid van a-gnosis, niet-weten) en met een eenvoudig tussenwerpsel eh. Lees meer over het agnosticon op de pagina De lege leer, Ø.

Zengeest, weetnietgeest

Immanuel Kant en de mislukking van het denken

Net als de daoïsten waaraan ze schatplichtig zijn, hebben zenboeddhisten iets met niet-weten. Altijd gehad, en nog steeds. Neem nou mijn favoriete koan uit het antieke Book of Serenity, #20:

Dizang: Waar ga je heen?
Fayan: Op bedevaart.
Dizang: Waar is dat goed voor?
Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.
Dizang: Niet weten is het meest nabij.

De twintigste-eeuwse kampioen niet-weten was waarschijnlijk wijlen de Koreaanse zenmeester Seung Sahn, in het westen bekend van de don’t-know mind (de weetnietgeest) – én van zijn losse zeden, dit niet terzijde. Zijn teaching letters zijn kostelijk leesvoer.

Naast ‘niet-weten’ heeft zen sinds oudsher eufemistische oxymorons gebezigd zoals ‘de kennis zonder leraar’, ‘de wijsheid zonder wijsheid’ en ‘de wijsheid voorbij alle wijsheid’. Eufemistisch omdat zen tenminste in de zin van een radicaal niet-weten – weetnietzen – helemaal geen vorm van kennis of wijsheid is, dus ook geen hogere of overstijgende.

Onwetendheid is het echter ook niet, juist niet, want wie tot niet-weten wil komen, moet diep door het weten gaan. Diep door het stof gaan. Diep door de leerstof van het leven gaan, tot de gaten erin vallen en je er eindelijk doorheen kunt zien. Vraag me niet wat je dan zult zien, want dat behoort nog tot de leerstof.

Waaraan herken je de zenboeddhist? Zijn pij bestaat uit louter gaten. En toch is hij geen exhibitionist. Hij is niet te onderscheiden van een keizer zonder kleren. En toch heeft hij geen rijk. Hij heeft niets meer hoog te houden, en toch is hij niet laag. Hij heeft niets meer te doen en toch zit hij niet bij de pakken neer.

Niet-weten, wil ik zeggen, is steno voor niet-meer-weten, dat op zijn beurt steno is voor het-allemaal-niet-meer-weten, naar keuze met of zonder koppeltekens.

Niet-meer-weten is in mijn woordenboek dus heel wat anders dan nog-niet-weten of niet-willen-weten of onwetendheid. Niet-meer-weten is het weten achter je laten zonder te vergeten. Zonder te vergeten wát je hebt geweten, dát je hebt geweten, dat je het allemaal hebt gelóófd, het uitdroeg, ervoor instond, je ermee identificeerde. Niet-meer-weten volgt op weten zoals weten volgt op onwetendheid.

Niet-meer-weten, hierna weer gewoon niet-weten genoemd, is het failliet van het weten, de val van het verstand, de nederlaag van de geest, het echec van het ego of, in de woorden van de filosoof Immanuel Kant (1724-1804), de mislukking van het denken.

Immanuel Kant, de mislukking van het denken

Die Kant. De nar van Koningsbergen, met het lichaam van een kind en de geest van een geest, die zijn metafysica zag verdwijnen in het duistere Ding-an-sich, zijn epistemologie in de categorieën van het verstand en zijn ethiek in een categorisch imperatief, moedertje lief, houdt de dief, nihilisme in ’t verschiet.

Zelf zie ik niet-weten niet zozeer of althans (alt-Hans) niet alleen als een mislukking van het denken, maar ook en vooral als een triomf van het denken, dat immers zichzelf overwint en maar blijft overwinnen, en zich toch niet wijzer weet. Als ‘het denken’ al geen hypostase is – een dubieuze hypothese.

Toegegeven, je lichaam wordt er niet jonger van, maar je hervindt de geest van een kind – zo licht als de wind, met niets in ’t verschiet, zelfs de vroegere graal van volwassenheid niet. Je wordt weer een kleuter die zomaar wat leutert, zich lekker verkneutert en nochtans niet kinds. Dit alles bij wijze van spreken.

Lees ook: Zalig zijn de armen van geest

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Grote Woorden

Agnose staat voor een wakkere geest die zich door geen enkele gedachte laat flessen.

Grote woorden, geloof ze of niet

Behalve ‘de kennis zonder leraar’, ‘de wijsheid zonder wijsheid’ en ‘de wijsheid voorbij alle wijsheid’ hebben zenboeddhisten nog veel meer fraaie frasen gemunt. Geen wonder. Zenpriesters moesten zich nou eenmaal duur verkopen aan het volk dat hen voor niks moest voeden, nap voor nop. Dan komen de Grote Woorden vanzelf. Ik doel op uitdrukkingen als Groot Vertrouwen, Groot Inzicht, Grote Twijfel, Grote Verlichting.

De Grote Dao

In de daoïstische Zhuangzi, een geschrift dat zo’n duizend jaar ouder is dan zen (chan), komt deze constructie ook al voor, wel of niet met hoofdletters, afhankelijk van de luimen van de vertaler (want het Chinees kent geen hoofdletters).

Zo is daar onder meer sprake van de Grote Weg (de Dao), grote kennis (kennis van de Dao) tegenover kleine kennis (van wereldse zaken), grote woorden (woorden geïnspireerd door de Dao die rustig en vredig zijn) tegenover kleine woorden (die druk en schreeuwerig zijn), en Grote Vrede (de vrede van hem die in overeenstemming met de Dao leeft) – aangenomen dat dit geen anachronistische hineinvertalingen zijn.

In de gezwollen en hoogmoedige taal eigen aan alle wijsheidstradities:

Hij, de allerhoogste mens, leidt zijn geest terug naar daar waar geen begin is, en slaapt in zoete rust in het land van niemendal. Als water stroomt zijn geest in vormeloosheid, het gutst voorwaarts uit de Hoogste Zuiverheid. Ach jij, die met je verstand vastzit op minieme details, en niets weet van de Grote Vrede!

(Zhuang Zi, de volledige geschriften, Kristofer Schipper, 2007/2011, hoofdstuk 32.V, p409-410)

Het Grote Tja

Ik hou ook van Grote Woorden, al ben ik voor mijn levensonderhoud van niemand afhankelijk en hoef ik niemand wat wijs te maken, hooguit wat minder wijs. Zo mag ik niet-weten graag omschrijven als Groot Doorzicht, Groot Ongeloof, Groot Schouderophalen, Groot Uitzicht, Groot Voorbehoud, Groot Wantrouwen en het Grote Tja.

Grote Stilte

Ook Grote Stilte komt in de buurt, al gaat het in agnose niet om een tijdelijke meditatieve trance waarin gedachten en gevoelens naar de achtergrond wijken of geheel ontbreken, en niet om de absolute mentale stilte die ontstaat bij bepaalde beschadigingen van de corticale spraakgebieden of bij (tinnitusvrije) aangeboren doofheid.

Met Grote Stilte bedoel ik hier de figuurlijke stilte van iemand die zich Oost-Indisch doof houdt voor zijn gedachten. Iemand die zijn gedachten niet over zich heen laat walsen maar over zich heen laat wassen zonder een keuze te willen maken of ze vast te willen houden dan wel los te willen laten. Of iemand die zijn gedachten over zich heen ziet wassen of walsen zonder een keuze te kunnen maken of ze vast te kunnen houden of los te kunnen laten, zeg jij het maar, mij maakt het niet uit, ik luister toch niet.

Grote Leegte

Met een soortgelijk voorbehoud kun je niet-weten ook Grote Leegte noemen. Niet omdat je hoofd in agnose vrij is van woorden en gedachten, maar omdat je leer leeg is en er niets te onthouden, uit te dragen of te verdedigen valt, dit ook niet.

Niet-weten is als een leeg plein. Omdat het plein leeg is, staan er geen huisjes op. Omdat er geen huisjes op staan, staan er ook geen heilige huisjes op. Waar geen heilige huisjes staan hoeft niemand ze te onderhouden of omver te schoppen. Waar niemand heilige huisjes hoeft te onderhouden of omver te schoppen, hoeft niemand de onderhouders omver te schoppen of te onderhouden, of de omverschoppers te onderhouden of omver te schoppen.

Grote Vrede

Ook de afwezigheid van heilige huisjes is geen heilig huisje, en voor de dwijze niet zaligmakend. Zijn plein is leeg en zijn plein blijft leeg. Pleinvrees kent hij niet meer, daar is hij voorgoed van genezen, al neigt hij sindsdien naar claustrofobie. Nergens komt hij liever dan op zijn lege plein, en nergens is het niet. Daarom hoeft hij er niet heen en kan hij er niet weg en is hij altijd thuis, al weet hij heg noch steg. Pelgrimeren zonder bede, dat is zijn Grote Vrede.

Grote Vrijheid

Of Grote Vrijheid, wat denk je daarvan? Agnose staat voor een wakkere geest die zich door geen enkele gedachte laat flessen, ook niet door deze. Een weetnietgeest die zelfs niet weet van niet-weten. Een vrijgeest die nergens in vastzit, ook niet in zijn vrijheid. Een libertijn die de flessengeest zijn fles gunt, de heremietkreeft zijn schelp, de kluizenaar zijn cel, de gelovige zijn overtuiging, de bodhisattva zijn geloften, de leerling zijn leer, de horige zijn heer.

Tegenover Grote Vrijheid staat kleine vrijheid, waarin je gekluisterd bent aan een bepaald vrijheidsbeeld, politiek, religieus, spiritueel, maakt niet uit, hoe fraai ook. Kleine vrijheid is geen vrijheid maar een parodie op vrijheid. Geloof je dat? Dan zeg ik: kleine vrijheid is geen parodie, maar de vrijheid om een bepaald vrijheidsbeeld te dienen. Geloof je dat?

Allemaal vrijheidsbeelden. Grote woorden. Geloof ze of niet.

Agnose

Agnose is een eufemisme voor niet-weten.

Voorbeeldzin: Agnose is mijn natuurlijke staat.

Het woord agnose komt van het Griekse ἀγνωσία, agnōsia, een samenvoeging van a, niet, on- en gnōsia, kennis.

Agnostisch is het bijvoeglijk naamwoord van agnose.

De mystiek van Eckhart is eerder agnostisch dan orthodox.

Een agnost is iemand die niet weet, een weetniet, een dummy, een dwijze.

Een agnost heeft wel meningen maar meningen hebben hem niet.

Om het woord enigszins zelfverklarend te maken, kun je agnost ook schrijven als agnosst. Zie het Sstiltecentrum hieronder.

In agnose betekent hetzelfde als in niet-weten.

In agnose zijn er geen antwoorden en geen vragen meer.

Net zoals je in (een wolk van) niet-weten kunt verkeren, verblijven, zijn, kun je ook in agnose verkeren, verblijven, zijn.

Niet-weten heeft als term een streepje voor op agnose omdat het behalve een zelfstandig naamwoord ook een werkwoord is. Aan de andere kant heeft agnose een streepje voor op niet-weten omdat het geen streepje heeft.

Agnose heeft naar mijn gevoel wat meer cachet en bovendien is het geen ontkenning, zoals niet-weten. Het klinkt positiever, vriendelijker en zachter en past daarom beter bij de gemoedstoestand van een radicaal niet-weten, die ik hierboven Grote Vrede heb genoemd, te operationaliseren als vrede hebben met je onvrede (rustig blijven onder je onrust, ongevoelig zijn voor je gevoeligheden, ruimte hebben voor je bekrompenheid, geen voorkeur hebben voor geen-voorkeur, niet oordelen over je oordelen, je niet identificeren met je identificaties et cetera).

In agnose vind je geen immanentie en geen transcendentie, geen theïsme en geen atheïsme, geen gnosticisme en geen agnosticisme, geen moralisme en geen immoralisme, geen dualiteit en geen non-dualiteit, geen activisme en geen fatalisme, geen militarisme en geen pacifisme, geen vorm en geen leegte, geen ego en geen zelf, geen wijsheid en geen dwaasheid, geen eenheid, geen tweeheid, geen niet-tweeheid, geen drieheid en geen veelheid, geen twijfel en geen zekerheid, geen weten en geen niet-weten.

In agnose vind je niets, daar is het agnose voor, maar als je geluk hebt mag je er de extase van ek-stase ervaren. Ik kan je niet vertellen hoe fijn dat is, en ik kan niet garanderen dat het voor jou net zo fijn zal zijn als voor mij.

Agnose is een eufemisme voor niet-weten

Lees ook: Van agnosticisme naar agnoseWat is non-dualiteit? en Wat is non-dualisme?

Wat is agnose niet?

Agnose is geen agnosie (een neurologische herkenningsstoornis).

Agnose is geen agnosticisme (de leer van Spencer en Huxley dat het al dan niet bestaan van God onbewijsbaar is).

Agnose is geen onwetendheid, zwakzinnigheid of dementie.

Agnose is geen romantische, obscurantistische of anti-intellectualistische verheerlijking van irrationaliteit boven rationaliteit, van het gevoel boven het verstand, van spontaniteit boven gemaaktheid, van de daad boven de gedachte, van de onbezonnenheid boven de bedachtzaamheid of van de natuur boven de beschaving.

Agnose is niet de claim dat er geen gnosis bestaat – geheime kennis over de zin van het leven, het wezen van de mens, de aard van de realiteit, het leven na de dood, transcendentie en andere levensbeschouwelijke, spirituele, theologische en filosofische zaken.

Agnose is geen trancetoestand.

Agnose is geen acuut of chronisch verruimd (of vernauwd) bewustzijn.

Agnose is geen mystieke eenheidservaring of een ander soort piekervaring.

Agnose betekent alleen maar dat je de wijsheid niet in pacht hebt, dat durft toe te geven aan jezelf en (als dat opportuun is) aan anderen, je erbij neerlegt, ernaar denkt, spreekt en handelt, en er vrede mee hebt, diepe, blijvende vrede, wat ook de woelingen in de hogere denklagen mogen wezen. Een zielenrust die in mijn ervaring verder gaat dan die van welk weten of geloven ook.

Lees ook: Zalig zijn de armen van geest

Weteloosheid

In den beginne heette niet-weten.nl weteloosheid.nl, en later nog een poosje weteloos.nl.

Ik had voor weteloos(heid) gekozen omdat ik niet-weten maar een lelijk woord vond, met dat onhandige streepje en die negatieve niet. Tot overmaat van ramp werd de zoekterm niet-weten tien jaar terug door de zoekmachines automatisch vertaald in de zoekopdracht ‘niet’ OR ‘weten’, die veel te veel zoekresultaten opleverde, hoofdzakelijk ruis.

De zoekresultaten zijn inmiddels wel wat verbeterd, maar nog steeds bedroevend slecht, of je moet net op zoek zijn naar ‘ikke niet weten’ of ‘niet willen weten of je zwanger bent’ of ‘ik zou het ook niet weten’ en soortgelijke zinnetjes in talloze krantenartikeltjes, blogs, forums en reacties.

Ik had dus goed over nagedacht over mijn hoofdwoord, maar niet goed genoeg. Weteloos(heid) zou inderdaad een prima zoekterm zijn als het woord eenmaal was ingeburgerd, maar dat was het op dat moment niet. Niemand zocht erop. Ik meende dat er een latente behoefte was aan een enkelvoudig trefwoord, en dat weteloos(heid) wel snel zou aanslaan, maar dat is nooit gebeurd. Het werd gedoogd op linkpagina’s, een enkele keer geciteerd, maar door niemand actief in gebruik genomen.

We zijn inmiddels tien jaar verder en niet-weten is nog altijd de enige ingeburgerde term, zowel in de mystiek als in het zenboeddhisme, om naar niet-weten te verwijzen. Ingeburgerd is een groot woord, voor de meeste mensen betekent niet-weten gewoon onwetendheid. Maar toch. Wil je weten wat andere weetnietgeesten over dit onderwerp te melden hebben dan moet je zoeken op niet-weten. Wil je dat anderen lezen wat jij over dit onderwerp te melden hebt, dan moet je schrijven over niet-weten.

In de filosofie ben ik het woord niet-weten jammer genoeg nooit tegengekomen, behalve bij Georges Bataille, maar wie leest die nog? De wijsgeer spreekt liever van scepticisme, pyrronisme, stoïcisme, relativisme, perspectivisme, nihilisme en noem het allemaal maar op. Moeilijke woorden met meer cachet, zeker, die echter filosofisch blijven en wel reiken naar niet-weten maar het nooit bereiken. Iets wat trouwens ook van de meeste mystici en zenboeddhisten gezegd kan worden.

In het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) komt het woord weteloos niet voor. Vreemd genoeg, want in Nederlandse en Zuid-Afrikaanse geschriften wel, en ook in Nederlandse wordt het al sinds de middeleeuwen gebruikt, zij het sporadisch.

Zo meen ik me te herinneren dat er een vertaling bestaat van de preken van Meister Eckhart waarin deze, of tenminste zijn vertaler, zoiets zegt als ‘want hun weten is weteloos’, maar ik kan zo gauw niet terugvinden waar, dus de literatuurverwijzing hou je van me te goed. (Als jij het toevallig weet, stuur me dan even een mailtje).

In het gedicht Duc nos quo tendimus van Guido Gezelle komt het zeker voor:

Groot van oogen, grauw van velle,
lang van ooren, krom van been,
zitten nu de lieve, snelle
jongskes op mijn hand, getween,
weteloos of, weggedreven,
vader nog en moeder leven!

Het woord weteloos mag dan in de WNT ontbreken, het bevat wel de vormvarianten weetloos en wetenloos in de betekenis van onwetend, onkundig, onbekend, vergeten, onbewust. Beide zouden verouderd zijn. In de Van Dale ontbreken ze alle drie. Dat komt goed uit, want dan kunnen we ze zonder gevaar voor ambiguïteit hergebruiken. Niet als hoofdwoord natuurlijk, maar wel als synoniem, voor de variatie.

Hierbij definieer ik de termen weetloos, wetenloos en weteloos als niet-wetend, (agnostisch, dwijs). Weetloosheid, wetenloosheid en weteloosheid betekenen niet-weten (agnose, dwijsheid) en een weetloze, wetenloze of weteloze is gewoon een weetniet (agnost, dwijze).

Zie ook het lemma kunneloos hierboven.

Dwaal-

Wie niet meer weet is niet meer op zoek, maar dolende, zwervende, dwalende. Het voorvoegsel dwaal- is heel geschikt voor samenstellingen met betrekking tot niet-weten. Ik geef een paar voorbeelden.

dwaalgast, dwaalgeest
1. zoeker
2. weetniet

dwaalgebed
dwaaltekst in de vorm van een gebed

Op deze website vind je bijvoorbeeld tientallen dwaalteksten in de vorm van een tweestemmig wisselgebed, oftewel dwaalgebeden.

dwaalgids
1. uw gastheer in deze dwaaltuin, Hans van Dam
2. willekeurig welke ‘meester’ op niet-weten.nl
3. iedereen die het spoor bijster is en daar niet meer mee zit

dwaalgesprek
dwaaltekst in de vorm van een dialoog

De meeste teksten op deze website hebben de vorm van een dwaalgesprek. Ook brieven en interviews reken ik tot de dwaalgesprekken.

dwaalleer
de lege leer

dwaalpad, dwaalspoor, dwaalweg
de weg van wie niet meer weet en gewoon wat ronddoolt onder de zon

dwaalrede
wegwerpredenering die uit een of ander weten leidt, regelrecht het bos in – het bos zonder teken of taal

dwaalspreuk
dwaaltekst in de vorm van een aforisme of euforisme

dwaaltaal
karakteristiek taalgebruik van een dwaalgeest, vol tegenstrijdigheden om een tegenstrijdig heden (z)onder woorden te kunnen brengen

dwaaltekst
gesproken of geschreven demonstratie van niet-weten, bijvoorbeeld een dwaalspreuk of een dwaalgesprek; synoniemen: faaltekst, kraaktekst

dwaaltocht
reis van de dwijze over het dwaalpad van zijn leven

dwaaltuin
1. niet-weten.nl
2. de wereld gezien door de ogen van een weetniet

dwaalwoord, dwaalbegrip
1. samenstelling die met ‘dwaal’ begint, bijvoorbeeld dwaalwoord of dwaalbegrip
2. woord uit deze woordenlijst

dwaalzang
dwaaltekst in de vorm van een lied of een gedicht

Al deze woorden zijn min of meer zelfverklarend. Zo heb je weinig uit te leggen. Je hoeft ze ook niet te onthouden omdat je zelf kunt maken op het moment dat je ze eventjes nodig hebt.

Daar streef ik naar: een eenvoudig gelegenheidsjargon dat je na gebruik wegwerpt. Je kunt er niets mee zeggen maar iets mee ontzeggen. Geen woorden, maar taaldaden.

Hieronder ga ik op enkele van deze dwaalwoorden wat dieper in.


Dwaalgids

Een dwaalgids is iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Zozeer is hij de weg kwijt dat hij niet eens meer weet of hij wel op weg was, of dat hij wás, of ís, of wat ‘voorgoed’ betekent, laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.

Legt hij toch getuigenis af, dan eerder ter vermaeck dan ter leering, want wat valt er te leren aan een lege leer? Aan de andere kant, wat valt eraan te lachen?

Natuurlijk staat het iedereen vrij om een voorbeeld te nemen aan een dwaalgids of iemand die zich daarvoor uitgeeft, maar vroeger of later zul je deze kwesties onder ogen moeten zien: Waarvan is de dwaalgids een voorbeeld? Waarheen wijst zijn vinger, en wijst hij eigenlijk wel?

Tegen de tijd dat al je antwoorden in rook zijn opgegaan, en je vragen erbij, ben je hard op weg een voorbeeld te nemen aan je dwaalgids – maar dan hoeft het al niet meer.

Lees ook: Meester Hans

Dwaalleer

De lege leer is de enige leer die géén eind probeert te maken aan onze onwetendheid. Hij mag dan ook met recht een dwaalleer heten. Niet in de klassieke zin van een leer die de verkeerde kant op wijst, maar in de postmoderne zin van een leer die helemaal niet wijst – niet de verkeerde kant op en niet de goede. Een leer die zelfs het niet-wijzen niet tot norm verheft. Een leer zonder leer. Een ‘leer’.

Dwaalmeester

Het woord ‘meester’ verwijst op deze website niet zoals gebruikelijk naar een goeroe, een mystagoog, een wijze, een wetende, iemand die de waarheid al weet of heeft of leeft, maar naar iemand die niet weet.

Meesters in mijn dwaalteksten zijn anti-helden, gevallenen – dwaalmeesters. Weetnietmeesters. Lege meesters. Meesters zonder lering. Meesters zonder meesterschap. Non-meesters. Niet-meesters. Antimeesters.

Dat kun je ook zien aan hun namen. Weliswaar blijven ze meestal anoniem, maar als ze toch een naam krijgen dan heten ze bijvoorbeeld Meester Bijster, Meester Dement, Meester Eh, Meester Nebbisj, Meester Tja of Meester Zuetsu.

Dwaalmeesters dragen geen kennis of wijsheid over, maar ondermijnen het denken, of liever, het heilige geloof in het denken en het heilige gelijk van de denker.

Het woord ‘leerling’ verwijst op deze website niet zoals gebruikelijk naar een zoeker, een onwetende, iemand die de waarheid nog niet heeft of leeft, maar naar iemand die weet of meent te weten: een gids, een leraar, een raadgever, een coach, iemand die het allemaal wel doorheeft en anderen graag in zijn oneindige wijsheid laat delen.

Leerlingen blijven op deze website naamloos, op een enkele uitzondering na, zoals ‘leerling Meester’.

Waarom gebruik in mijn dwaalgesprekken nog steeds het oubollige woordpaar meester-leerling in een tijd dat steeds meer mensen zelfs het tweetal leraar-leerling als te hiërarchisch ervaren en een voorkeur hebben voor iets anti-autoritairs als het intervisiemodel van Hisamatsu?

Daarom juist. Ik heb geen betere manier kunnen vinden om het idee van de alwetende meester en de onwetende leerling te ondermijnen dan door de rollen volledig om te draaien met behoud van de oorspronkelijke terminologie, inclusief de bijbehorende beleefdheidsvormen.

Was getekend, Meester Weetniet

Lees ook: Meester Schaap en Broeder Ezel

Dwaalmeesters op naam

Om het niet-weten van de meesters op niet-weten.nl te benadrukken, dragen ze namen zoals:

  • Meester Ach
  • Meester Af
  • Meester Baibai
  • Meester Bè
  • Meester Bijster
  • Meester Blabla
  • Meester Blanco
  • Meester Boei’en
  • Meester Bot
  • Meester Bijl
  • Meester Dement
  • Meester Dromer
  • Meester Eh
  • Meester Foei
  • Meester Foetsie
  • Meester Haha
  • Meester Hak
  • Meester Hans
  • Meester Hè
  • Meester Hilarius
  • Meester Ik
  • Meester Kwenie
  • Meester Lijk
  • Meester Leerling
  • Meester Loos
  • Meester Maya
  • Meester Minder
  • Meester Mouche
  • Meester Nebbisj
  • Meester Nietes
  • Meester O
  • Meester Oei
  • Meester Paf
  • Meester Quatsch
  • Meester Quenius
  • Meester Rara
  • Meester Schap
  • Meester Schaap
  • Meester Sof
  • Meester Soit
  • Meester Spoorloos
  • Meester Spoorniet
  • Meester Sst alias de Meesster
  • Meester Stuk
  • Meester Tia
  • Meester Tja
  • Meester Wablief
  • Meester Wie?
  • Meester Ziemaar
  • Meester Zomaar
  • Meester Zot
  • Meester Zuetsu

Ch’anmeesters Foei! (842-849) en Boei’en (821-920) behoren samen met (onder meer) meester Zuetsu, meester Baibai, meesteres Oei! en meester Tia tot de zogenaamde Vergeten Dynastie, de zesde van vijf ch’anhuizen* en de enige school die niet te boek staat als school en niet als boek.

In werkelijkheid zijn de leden van de Vergeten Dynastie niet vergeten, maar bewust ondergedoken in het Collectief Onbewuste, diep onder het Mentale Massief, door Cao Yung zo treffend omschreven als Limbo für Narren ohne Ausweiss während oben die Weisheit weiter wuchert.2

* Guiyang, Linji, Caodong, Yunmen en Fayan

Dwaalmeesters vind je onder andere terug op de pagina’s Meester Tja, Meester Nebbisj, Meester Schaap en Broeder Ezel, Meester Hans, Meester Spoorloos en Agent Speurneus, Meester Zuetsu en het mom van niet-weten en Een leer die nooit verkondigd is

Dwaaltekst

Onder een dwaaltekst versta ik iedere tekst die, ongeacht zijn lengte en vorm, niet-weten tot uitdrukking brengt. Een dwaaltekst, dat is agnose in actie. Alle teksten op niet-weten.nl zijn dwaalteksten.

Tegen de stroom in bewegen dwaalteksten zich van de oplossing naar het probleem, van het antwoord naar de vraag, van de conclusie naar de premissen, van de stelling naar de onderstellingen, van begrip naar onbegrip, van zekerheid naar twijfel, van helderheid naar troebelheid, van vasthouden naar loslaten, van weten naar niet-weten – en daar dan weer voorbij.

Een dwaaltekst in de vorm van een woord of uitdrukking (‘wetend niet-weten’) noem ik een dwaalwoord, een dwaaltekst in de vorm van een sententie (De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is) een dwaalspreuk, een dwaaltekst in de vorm van een dialoog, interview of correspondentie een dwaalgesprek, en zo voort.

Dwaallicht is het licht van niet-weten dat een dwaaltekst doorstraalt.

Dwaaltekst, de orde van

Beschouw de volgende reeks van dwaalzinnen:

  1. Ik weet niets.
  2. Ik weet niets, en dat ook niet.
  3. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet.
  4. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet…

Een dwaaltekst van de laagste (eerste) orde (1) ontkracht een gangbaar of voorafgaand denkbeeld, maar niet met zoveel woorden zichzelf.

Een dwaaltekst van de tweede orde (2) herroept tevens zichzelf (en heeft daardoor altijd de vorm van een paradox).*

Een dwaaltekst van de derde orde (3) herroept tevens het herroepen.

Een dwaaltekst van de hoogste orde (4) herroept zichzelf en iedere herroeping van zichzelf.

Vreemd genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een weten uit, al is het maar een weten van niet-weten. Een oneindige ontkenning is nog steeds een bewering. Dwaalteksten reiken naar niet-weten maar bereiken het nooit.

Zwijgen is weliswaar geen beweren, maar ook geen herroepen, dus ook geen uiting van niet-weten of van wat dan ook.

Dwaaltuin

De leidende metafoor van deze website, niet-weten.nl, is die van een dwaaltuin, waarin je eeuwig kan zoeken zonder iets te vinden, als ik mijn werk tenminste goed heb gedaan. Dat heb ik niet, want menigeen blijkt er toch weer het zijne in te vinden. Paaseieren die hij er zelf heeft verstopt of wegwerpwijsheden van mijn hand waarmee ik iets anders weerspreek, maar die ik op hun beurt niet weersproken heb omdat je nou eenmaal niet aan de gang kan blijven.

De dwaaltuin is ook een metafoor voor de wereld, waarin de dwijze niet alleen de weg kwijt is, maar ook zichzelf, en daarmee zijn wereld, om nog maar te zwijgen over het kwijt zijn, dat is hij ook kwijt, en daarmee het zoeken, en daarmee het vinden, want hij mag dan misschien het hoofd hebben verloren, maar om nou te zeggen dat hij een dwaaltuin heeft gevonden?

Dwijs

Wetend noemen we degene die in de ban is van standpunten,
overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen,
waarden en andersoortige gedachten. Zijn we het met hem eens dan noemen we hem wijs. Zijn we het met het niet met hem eens dan noemen we hem dwaas.

Niet-wetend noemen we degene die niet in de ban is van standpunten,
overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen,
waarden en andersoortige gedachten. Dus ook niet van de gedachte dat hij niet in de ban is van zijn gedachten. Ook niet van de gedachte dat je je aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken. Ook niet van de gedachte dat je je niet aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken. Ook niet van de gedachte dat er een hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken. Ook niet van de gedachte dat er geen hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.

Daar de weetniet geen enkele gedachte bevestigt of ontkent, deze ook niet, kunnen we het ook niet met hem eens of oneens zijn, en kunnen we hem wijs noch dwaas noemen. Daarom noem ik hem maar dwijs. Zijn denken getuigt van wijsheid noch van dwaasheid, maar van dwijsheid.

Dood noemen we degene die zonder gedachten is.

Verder lezen: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Dwijsbegeerte

Zoals het woord wijsheid het woord dwijsheid suggereert, zo wijst wijsbegeerte de weg naar dwijsbegeerte.

Zoals wijsbegeerte gedefinieerd kan worden als het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste, zo kunnen we dwijsbegeerte definiëren als het deconstrueren van onderscheidingen – met name de allerhoogste.

Onderscheidingen zoals: vrijheid – gebondenheid, macht – overmacht, hemel – aarde, eenheid – veelheid, vorm – leegte, het eendere – het andere, eenheid – tweeheid – veelheid, ik – gij, heilig – profaan, hoger – lager, afgescheiden – verbonden, immanent – transcendent, subject – object, buitenwereld – binnenwereld, geest – lichaam, teken – betekende, absoluut – relatief, verlicht – onverlicht, lijden – vreugde, waarheid – leugen, echt – vals, spontaan – berekenend, weg – doel, leven – dood, geboren – ongeboren, vergankelijk – onvergankelijk, in de tijd – buiten de tijd, bestaand – onbestaand, reëel – illusoir, gegrond – grondeloos, weten – niet-weten, dualiteit – non-dualiteit, constructie – deconstructie, verlicht – onverlicht, wijsheid – dwaasheid en niet te vergeten wijsbegeerte – dwijsbegeerte.

Systematische deconstructie heeft bij mij helaas niet geleid tot ‘realisatie van non-dualiteit’ of tot een ‘hoger inzicht’ in de ‘transcendente eenheid van schijnbare tegenstellingen’, zoals ik pas weer ergens mocht lezen, maar gewoon tot een toestand van – ja, wat? Kalme verbijstering?

En mag het wel een toestand heten als je niet voortdurend kalm bent en niet voortdurend verbijsterd en niet voortdurend je?

dwijsgeer
iemand die geneigd is tot het deconstrueren van onderscheidingen

dwijsgerig
deconstructief

dwijselijk
op de wijze van, zoals een dwijsgeer

Dummy

dummy
1. iemand die nog niet weet
2. iemand die niet meer weet, iemand wiens boek leeg is
3. het Lege Boek

Verder lezen: De Poortloze Poort, De Linji-lu, De Hartsoetra, De Diamantsoetra

Groot uitzicht

Groot Uitzicht
het onbelemmerde uitzicht van iemand die niet gehinderd wordt door enig vorm van wijsheid of inzicht, groot, spiritueel of anderszins; synoniem: Groot Doorzicht

Tip: Wat is verlichting? Het denken doorzien

Kenneloos

In het Woordenboek der Nederlandse Taal kwam ik het woord kenneloos (kennelôs, kinneloos) tegen.

Kenneloos zou een antoniem (het tegenovergestelde) zijn van kennelijk (kennelijc) en in algemene zin ‘zonder kennis’ betekenen, in de middeleeuwse mystiek ‘zonder kennis of bewustheid van het onzienlijke, het geestelijke’. In het laatste geval zou het gaan om een soort onwetendheid en niet om een wolk van niet-weten, zoals in het gelijknamige Engelse tractaatje, of om de donkere nacht van de ziel, zoals bij Johannes van het Kruis.

Net als weteloos (zie onder) zou kenneloos een geschikt synoniem zijn van niet-wetend, en kenneloosheid van niet-weten (zelfstandig naamwoord) oftewel agnose. Kenneloos kennend betekent dan weteloos wetend. Een kenneloze is een weteloze, een dwijze, een agnost.

Zelf gebruik ik de termen kenneloos en kenneloosheid (nog) niet.

Leeg

de lege leer
niet-weten, opgevat als een leer zonder leerstellingen (dan lijkt het nog wat)

het lege boek
symbool voor de lege leer (dan heb je nog wat)

Verder lezen: Zeven soorten leegte

Onderscheidingsonvermogen

Dat de wijze over wijsheid beschikt – kennis, inzicht, onderscheidingsvermogen – betekent nog niet dat de dwijze over dwijsheid beschikt. Dwijsheid is eerder een onderscheidingsonvermogen. Het is niet zozeer iets waarover je beschikt als iets waarover je de beschikking bent kwijtgeraakt – of waardoor je niet langer wordt beschikt.

Willen we ons voor de verandering positief uitdrukken, dan moeten we dwijsheid omschrijven als het inzicht dat al onze onderscheidingen grondeloos zijn.

Met deze kunstgreep introduceren we onwillekeurig het onderscheid gegrond – grondeloos, dat uitgaande van bovenstaande omschrijving zelf niet anders dan grondeloos kan zijn.

Is het dat niet dan volgt daaruit op grond van de logica alsnog de grondeloosheid van onze eigen dwijsheid, zodat we geen steek zijn opgeschoten.

Bovendien positioneert het woord dwijsheid, dat het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid wil overstijgen, zich ongewild tussen deze termen in en introduceert het, of ik het nou leuk vind of niet, maar liefst drie nieuwe onderscheidingen: dwaasheid – dwijsheid, dwijsheid – wijsheid, en (dwaasheid – wijsheid) – dwijsheid.

Voor het geval je eroverheen hebt gelezen: ik heb en passant ook nog onderscheid gemaakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden, tussen inzicht en geen inzicht en tussen ik en jij, en ik sta op het punt onderscheid te maken tussen (onder meer) onder en boven, meer en minder, dit en dat, ons en de anderen, opzadelen en afzadelen, spreken en zwijgen, en verdelen en verenigen.

Dit heet: van kwaad tot erger.

Wat ons weer met de onderscheidingen kwaad – goed en erger – beter opzadelt.

Want spreken is verdelen.

Maar daarom is zwijgen nog geen verenigen.

Verder lezen: Wat is non-dualiteit? Wat is non-dualisme?

Ontzeggingskracht

De effectiviteit waarmee een bepaald weten onder woorden wordt gebracht, heet de zeggingskracht. Net zo kunnen we de effectiviteit waarmee een bepaald niet-weten onder woorden wordt gebracht, de ontzeggingskracht noemen.

Een dwaaltekst waarin afgerekend wordt met een groot aantal verschillende ideeën over, laten we zeggen, god, waarheid, wijsheid, verlichting, ethiek, de mens, de geest, het lichaam, de liefde, de dood of de (on)zin van het leven, heeft dan een grote ontzeggingskracht.

Verder lezen: Wat is de zin van het leven?

Spookwoord

spookwoord
Woord zonder tegenhanger in de werkelijkheid

Volgens nominalisten en volgens boeddhisten die de doctrine van de leegte (sunyata) aanhangen, zijn alle woorden spookwoorden. Ook ‘werkelijkheid’, ‘nominalist’, ‘boeddhist’ en ‘leegte’. Volgens realisten (de tegenstrevers van de nominalisten in de middeleeuwen) heeft ieder woord een tegenhanger in de werkelijkheid, zelfs spookwoord. De meeste mensen nemen een tussenpositie in. Ikzelf neem helemaal geen positie in. Een spookpositie, als het ware. Had ik er maar een woord voor.

Verder lezen: Het regressieprobleem

Sstiltecentrum

De figuurlijke stilte van niet-weten

Als je het allemaal niet meer weet, zoals ik, dan is het net alsof je de hele tijd ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) zegt tegen je gedachten. Net alsof, maar niet letterlijk. Want in werkelijkheid zeg ik nooit ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) tegen mijn gedachten. Ik voel ook helemaal niet de behoefte om ze te sussen of te bezweren.

Van mij mogen ze tot volle wasdom komen, ketens vormen, hele kaartenhuizen, geen probleem, maar al die tijd hoor ik ze aan ALSOF ik naar een kind, een fantast, een dwaas, een vertegenwoordiger, een conferencier, een confabulist luister. Dat geldt ook voor de gedachten die ik daarnet heb opgeschreven, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik zometeen ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

‘Sst’ is voor mij dus geen mantra of methode om mezelf gerust te stellen of om tot niet-weten te komen of om in niet-weten te verblijven. Evenmin is het een instructie of oefening voor de adept op weg naar niet-weten. Het is alleen maar een wijze van spreken over mijn eigen niet-weten.

Oefeningen in stilzwijgen (silentie), meditatie- en concentratieoefeningen om de geest tot rust te brengen of leeg te maken – ik doe ze nooit en ik heb ze nooit gedaan. Integendeel, de beste manier om rustig te worden is in mijn geval praten met mijn lief. Urenlang. Als geen ander hou ik van denken, spreken, schrijven.

Als er al een oorzaak is aan te wijzen voor mijn dwijsheid (alweer een wijze van spreken) dan is het dat het denken, spreken en schrijven zichzelf onomkeerbaar ten einde heeft gedacht, gesproken en geschreven, en maar ten einde blijft denken, spreken en schrijven. Dat geldt ook voor deze gedachten, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik zometeen ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

De stilte waarover ik hieronder en in het algemeen op deze website spreek is dus alleen maar een figuurlijke stilte. De figuurlijke stilte van niet-weten. Een levende stilte, geen doodse. Levend als een vrolijke keuken. Stil als een olifant in een porseleinkast.

Niet-weten is trouwens ook maar een wijze van spreken. Of zal ik het toch maar een wijze van zwijgen noemen. Bij wijze van lachen.

Nieuwsste woorden voor de armssten van geesst

Met deze kanttekeningen, presenteer ik hier mijn nieuwsste wegwerpwoorden voor de armssten van geesst:

agnosst
iemand die in agnose verkeert

bewusst
met een versstild bewusstzijn

dwaalteksst
dwaaltekst opgevat als middel om de geesst te wekken

eksstase
buiten alle denkbeelden (zelfbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, tijdsbeelden, ideaalbeelden) sstaan

fluissteraar
iemand met een fluisstergeest; synoniem: gedachtenfluissteraar

fluissteren
‘sst’ (‘tja’, ‘eh’, ‘och’…) zeggen tegen al je gedachten

geesst
geest die fluisstert; synoniem: fluisstergeest

Meester Sst
verpersoonlijking van de sstilte; kloon van meester Tja (dus een echte ouwehoer)

Meester Sst zegt: ‘Stilte maakt nog lang geen sstilte.’
Meester Sst zegt ook: ‘Sstilte is beslist niet stil.’

misst
metafoor voor de toestand van de geesst: ‘Dwalend in de misst van niet-weten’; zo ook duissternis, duisster: ‘verzaligd in de duissternis van mijn ziel’

mysstiek
mystiek van de sstilte

russt
gemoedstoestand van de geesst; synoniemen: gemoedsrusst, zielenrusst, berussting; afleidingen: russtig, gerusst, berusstend

russten
rusten in de geesst

sst
antwoord van de dwijze op alle levensvragen
synoniemen: tja, eh, och…

sstilte
stilte van de geesst; afleidingen: sstil, sstillen, versstild

sstom
sprekend niet sprekend of zwijgend niet zwijgend in de geesst van niet-weten; synoniem: sstilzwijgend

welterussten
een versstild bewustzijn toewensen

Hoe zeg je dat?

Bij het spreken is het enige verschil tussen de oorspronkelijke woorden en hun sst-variant een extra s. Om deze hoorbaar te maken moet je de s-klank verlengen, iets wat wij Nedertalers zelden doen, behalve in het tussenwerpsel sst. Het gaat best, maar het is wel even wennen, zeker voor je paleologistische gesprekspartner.

Hoe schrijf je dat?

Bij het schrijven kom je flink in de problemen als je gebruikmaakt van een tekstverwerker, want de spellingcorrectie weigert consequent alle sst-varianten, tot je ze stuk voor stuk hebt toegevoegd aan je privéwoordenboek. Ook de lezer die niet al op de hoogte is, zal in eerste insstantie denken dat je een s teveel hebt geschreven.

Je moet als schrijver niet alleen uitleggen dat je de s moedwillig hebt tussengevoegd, maar dat ook expliciet maken in het woordbeeld, bijvoorbeeld met behulp van hoofdletters, koppeltekens of opmaak. Geesst kun je bijvoorbeeld schrijven als geesSt, wat de sst minder herkenbaar maakt, of als gees-s-t, wat tot ongewenste woordafbrekingen leidt, of als geesst, wat eruitziet als een hyperlink, of als geeSST, wat aan de SS doet denken, of als geeSst, dat geen van deze nadelen heeft en daarom mijn voorkeur geniet.

GeeSst, dat is de geest die sst zegt tegen zijn eigen gedachten. Scheelt toch weer een paar letters, vergeleken met stiltegeest (sstiltegeesst) of weetnietgeest (weetnietgeesst).

MySstiek, dat is mystiek die van God wil zwijgen (of beter nog, daadwerkelijk van God zwijgt, wat heel iets anders is).1 Scheelt toch weer een paar letters, vergeleken met lege mystiek.

Maar nooit zoveel letters als ik hier verkwanseld heb met mijn beschrijving van het Sstiltecentrum.

  1. Zie bijvoorbeeld Meister Eckhart (‘Over God wil ik zwijgen’) en Hadewijch (‘Ende hier omme swighic sachte’).

Lees ook: Thuis in de ruis, Het Stilte-evangelie

Tja

tja
1. uiting van niet-weten
2. het niet-weten zelf

Verder lezen: Bla bla bla, De tao van tja, Meester Tja, Zeg maar tja tegen het leven

Verduisterd

verduistering
‘verlichting’ in de zin van een radicaal, zelfvernietigend niet-weten; afleidingen: verduisterd, verduisterde

Verder lezen: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Weetniet, weetniet-

Een weetniet is in het dagelijks spraakgebruik een domoor, een onwetende. Op niet-weten.nl is een weetniet iemand die niet weet; een dwijze, een agnost, een dwaalgeest. De weetniet zegt geen ja of nee, maar tja. Zegt hij toch nog eens ja of nee, dan zegt hij daar wel tja tegen.

Een weetnietgeest is (iemand met) de geest van een weetniet, dat wil zeggen, iemand die geen onderscheid weet te maken, die zijn begrippen met een korreltje zout neemt, die zijn heilige huisjes steeds weer omver haalt, die zijn gedachten niet gelooft, die tja zegt tegen het leven. Hij is de dans ontsprongen.

Verder lezen: Wat is de weetnietgeest?

Het weetnietfeest is de zaligheid van de weetnietgeest. Onder zaligheid versta ik berusting, gelatenheid, lauwheid. Geen vreugdekreten, geen oorlogsgeschreeuw maar een zachte glimlach. Een weetniet vindt rust in zijn onrust, vrede in zijn onvrede. Hij blijft kalm ondanks de woelingen van zijn gemoed, en zo niet, dan toch.

Een weetnietbeest is een weetnietgeest die niet van ophouden weet.

De leer van de weetniet is de weetnietleer. De weetnietleer is een ander woord voor de lege leer, Ø. De lege leer bestaat niet, behalve als wijze van spreken. Het is een metafoor, een ballon om op te laten en door te prikken.

Het weetnietboek is het boek dat de weetnietleer bevat. Het weetnietboek is een dummy, net als degene die ernaar leeft. Leven naar het weetnietboek kan niet mislukken, het is immers leeg. Leven naar het weetnietboek kan ook niet lukken, het is immers leeg. Het weetnietboek wordt ook wel het lege boek genoemd. Hoe je het ook noemt, het blijft een wassen beeld. Een wassen neus. Een ongewassen kont. Een kabbelende mond.

Verder lezen: De lege leer, Ø

De zen van de weetniet is weetnietzen. Weetnietzen is zen op basis van een radicaal niet-weten. De dharma is leeg, de leegte is doorzien, de boeddha is dood, en ook de boeddhadoder heeft de geest gegeven. Weetnietzen is lege zen.

Een boeddha die niet-weet heet een weetnietboeddha. Een weetnietboeddha is een lege boeddha, dat wil zeggen, een boeddha wiens leer leeg is, die zijn dharma achter zich heeft gelaten en nu traditievrij en blij rondzwerft.

Boeddhisme zonder dharma is weetnietboeddhisme.

Weetnietmystiek is mystiek op basis van een radicaal niet-weten. De weetnietmysticus doet geen enkele uitspraak over God of over wat dan ook. Weetnietmystiek is lege mystiek.

De advaita van de weetniet is weetnietadvaita. De tao van de weetniet is de weetniettao oftewel het Grote Tja. De filosofie van de weetniet is weetnietfilosofie.

Het weetnietsymbool is het universele lege symbool Ø dat staat voor willekeurig welk weetnietwoord.

Een weetnietwoord of weetnietbegrip is een woord dat deel uitmaakt van het weetnietjargon. Voorbeelden van weetnietwoorden zijn agnose, dwijsbegeerte en Het Grote Tja. Zo ook: weetnietspreuk (dwaalspreuk), weetniettekst (dwaaltekst), weetniettaal enzovoort.

Weetnietspiritualiteit is spiritualiteit zonder leerstellingen, doelstellingen of andere inhoud. Weetnietspiritualiteit is lege spiritualiteit.

Een weetnietpose is een uiterlijk vertoon van niet-weten dat niet voorkomt uit een innerlijk niet-weten, kortom, schone schijn.

Weetnietes en Weetwelles

Waaraan herken je de weetniet? Hij lijdt niet meer aan gelijkhebberitis. Wat het onderwerp ook is, een weetniet gaat niet in zijn gelijk staan en niet in zijn ongelijk. Hij hopt vrijelijk van standpunt naar standpunt zonder te blijven hangen. Niet omdat vindt dat het zo hoort omdat hij niet anders kan.

Daarin verschilt de weetniet radicaal van de weetnietes, die van niet-weten een mening maakt, een religie, een filosofie – meestal een of andere vorm van scepticisme waarin hij heilig gelooft en waarmee hij zich gretig identificeert.

Bij de weetnietes is niet-weten geen praktijk van alledag maar een identiteit; geen vorm van ontspanning maar een vorm van inspanning, geen laatlos maar een houvast; geen onkunde maar kennis.

De weetnietes, zou je kunnen zeggen, lijdt aan weetnietis, een bijzonder geval van eenpuntige gelijkhebberitis waarvoor bij mijn weten nog geen behandeling bestaat.

De weetnietes ligt voortdurend in de clinch ligt met zijn tegenpool, de weetwelles die heilig gelooft dat wij wel degelijk iets kunnen weten.

Dit in tegenstelling tot de weetniet, die met niemand in de clinch ligt. Ook al meent een enkeling abusievelijk met hem in de clinch te liggen.

De weetnietes en de weetwelles geschreven met een hoofdletter zijn allegorische figuren, als het al geen archetypes zijn: Weetnietes en Weetwelles.

Hoe je met ze om moet gaan? Ik groet ze altijd vriendelijk en geef ze zonder meer gelijk.

Weetnietkunde

‘Weetnietkunde’ is een oxymoron, een contradictio in terminis, vanwege de tegenstelling tussen weetniet en kunde. Het woord wordt vrijwel alleen gebruikt in de uitdrukking ‘professor in de weetnietkunde’, dat op zijn beurt een oxymoron is, of een paradox, dat ligt dicht bij elkaar, vanwege de tegenstelling tussen professor en weetnietkunde. Een professor in de weetnietkunde is iemand die dom is of niks weet.

Ik heb nooit serieus overwogen om het woord weetnietkunde te gebruiken als synoniem voor niet-weten. Vanwege die kunde. Niet-weten is nou eenmaal geen kunst en geen kunde maar een onvermogen.

Ik moet dat nuanceren. Niet-weten is wel degelijk een kunst, maar alleen voor zover het een kunst is om de diepten van je intellectuele onvermogen te peilen. Niet-weten is ook een kwestie van lef, maar alleen voor zover je de moed moet zien te vinden om toe te geven dat je bij nader inzien geen clou hebt.

Ik moet dat nuanceren. Persoonlijk vind ik het tegenwoordig veel riskanter om te doen alsof ik iets weet dan om toe te geven dat ik niet weet. Zo bezien is niet-weten eerder een kwestie van bang genoeg zijn. Ik ben simpelweg te angstig om de diepten van mijn onvermogen ongepeild te laten en te angstig om mezelf nog langer wijs te blijven maken dat ik het allemaal wel door heb. Laat dit een troost zijn voor de angsthazen onder ons: voor agnose ben je nooit te bang.

Weetnietkunde is dus geen niet-weten maar wel een mooi woord dat in het paradigma van niet-weten niet mag ontbreken. Ik heb het in gebruik genomen om te verwijzen naar de studie van en kennis over met niet-weten verwante begrippen in de filosofische, spirituele en religieuze tradities, zoals aporie, paradox, ataraxie, apofase, pyronnisme, epoche, nominalisme, deconstructie, zen, leegte, satori, mystiek, agnosticisme, iconoclasme en noem maar op.

Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen deze termen en niet-weten? Wie dat wil weten, kan terecht op mijn pagina Weetnietkunde. Een academisch hoogstandje is het niet, maar ik doe mijn best.

Wegwerp-

wegwerpbegrip
tijdelijk begrip met als enige functie het ondermijnen van andere begrippen

Alle begrippen uit deze lijst zijn wegwerpbegrippen.

wegwerpbewering
tijdelijke bewering met als enige functie het ondermijnen van andere beweringen

Alle beweringen op deze website zijn wegwerpbeweringen, deze ook.

Zo ook wegwerptheorie, wegwerpsite, wegwerpverhaal, wegwerpwijsheid

wegwerpwoord
woord dat een uitweg biedt uit een schijnbegrip of schijndilemma; synoniemen: onwoord, schertswoord, nepwoord, wegwerpwoord, vluchtwoord

Weg ermee

weg ermee
taaldaad waarmee je afstand neemt van een verhaal, opvatting, theorie, geloof, waarheid of begrip of het niet-weten zelf

en weg ook met het weg ermee
taaldaad waarmee je afstand neemt van het afstand nemen, en zo alle afstanden in één klap tot nul reduceert

Wis-kunde

Agnose is niet een bestendige toestand die je op enig moment voorgoed bereikt. Het is niet het einde van je gedachten, of een halstarrig ongeloof dat op voorhand iedere gedachte afwijst, of een denkfobie, of een dooddoener om anderen en jezelf de mond te snoeren of zo.

Integendeel, agnose is een bereidwillig, zelfverzekerd denken dat ieder woord, iedere gedachte, iedere zaak van zoveel mogelijk kanten bekijkt en daardoor nooit tot een vast uitgangspunt, een definitief onderscheid, een eensluidende conclusie, een onwrikbaar standpunt of een heilig geloof komt. Niet omdat dat verkeerd zou zijn, maar gewoon omdat het niet gebeurt.

Alles wat zich in de bovenkamer aandient, wordt rustig bekeken, aangehoord, bepoteld, rondgewalst, besnoven, in de mond genomen en weer uitgetufd, als betrof het een wijnproeverij. Wie niet zat wil worden van zijn weten proeft naar hartenlust maar slikt geen droppel door. Zo kan hij blijven drinken zonder een spoor van beneveling. Helder is de weetniet zonder wolk van weten.

Krijg nou wat. Ben ik me daar ineens in de verkeerde beeldspraken beland. Dat overkomt me nou steeds. Maakt niet uit, iedere beeldspraak is verkeerd. Even een bruggetje verzinnen naar het lemma wis-kunde.

Cruciaal in bovenstaand verhaal is niet het proeven maar het uittuffen, niet het denken maar het loslaten, niet het schrijven maar het wissen. Et voilà.

Weten is schrijven, niet-weten is wissen. Omdat een agnost voortdurend van standpunt wisselt en onophoudelijk zijn gedachten wist, zou je hem een wiskunstenaar kunnen noemen, zijn agnose wis-kunde of wis-kunst, zijn levenshouding wiswijs.

Mooie woorden, en juist daarom gebruik ik ze niet graag. Voor je het weet gaan mensen weer wis-kunde bedrijven en zich wiswijs wanen en prijzen uitreiken aan en wierook branden voor en dwepen met de beste wiskunstenaars.

Alsof het een intellectuele prestatie is, een vaardigheid, een goed voornemen, een doel dat bereikt moet worden, een kwestie van aandacht, mindfulness, bewust leven en denken, mediteren, contempleren, mentale reinheid, een gezonde geest in een gezond lichaam – in plaats van iets wat je ook maar overkomt, of je nou wilt of niet.

Alsof het goed is, en nastrevenswaardig, om alles te onderzoeken, voortdurend van standpunt te wisselen en visies te vermenigvuldigen.

Alsof ik zelf geen standpunten heb en van mezelf geen standpunten mag hebben.

Ik dank je lekker. Dan wis ik ze liever meteen.

Adoxie

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we niet-weten – het ontbreken of althans het tussen haakjes staan van iedere mening – adoxie (a- + doxie: geen mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie is onrechtzinnigheid. Het is daarom niet vergezocht om adoxie terug te vertalen als onzinnigheid. In normaal Nederlands duidt dit woord op een gebrek aan gezond verstand, wat voor de meeste mensen iets negatiefs schijnt te zijn.

Om het verschil tussen deze betekenis en die van adoxie aan te geven, schrijven we daarom on-zinnigheid, met een streepje tussen on en zinnigheid. De bijbehorende adjectieven zijn respectievelijk adox en on-zinnig, in de betekenis van niet-wetend.

Zoals men van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan men van een dwijze zeggen dat hij on-zinnig is omdat hij in overeenstemming met de lege leer leeft.

Voor zover het niet-weten zich manifesteert als een eindeloze nevenschikking van meningen (standpunten, perspectieven, oordelen et cetera) waartussen de weetniet ten diepste geen onderscheid weet te maken, is paradoxie [Grieks, para, naast, bij + doxa] een voor de hand liggend synoniem.

Verder lezen: Leven in de paradox, Wat is non-dualisme? Wat is non-dualiteit?

Autoclasme

Iconoclasme is van alle tijden. Iedere religie lokt zijn eigen tegenbeweging uit, soms zelfs meerdere. Terwijl de oorspronkelijke religie uitdijt, diversifieert, inlijft, politiseert en verwatert, ontstaat vanzelf het verlangen om terug te keren naar de oorsprong, de roep om versobering.

Het orthodoxe christendom inspireerde tot de mystiek, het katholicisme tot de reformatie, het calvinisme en het quakerisme, de islam tot het soefisme, het jodendom tot het chassidisme, het boeddhisme tot zen, het hindoeïsme tot de advaita vedanta en die weer tot neo-advaita.

Inderdaad kun je niet-weten opvatten als het zoveelste iconoclasme, zij het dat het zich niet tegen één specifieke traditie richt – cultureel, spiritueel, filosofisch, psychologisch, religieus of anderszins – maar tegen alle tegelijk. Of liever, tegen geen van alle, want niet-weten is niet naar buiten gekeerd, maar naar binnen. Het is een autoclasme.

Niet-weten vreet je eigen iconen aan – ideeën, helden, standpunten, theorieën, overtuigingen, idealen – zonder zich om die van de buitenwereld te bekommeren. Totdat het zelfs het onderscheid tussen binnen en buiten vernietigt. Totdat het zelfs het onderscheid tussen weten en niet-weten vernietigt.

Als ten slotte ook het vernietigen zélf ten prooi valt aan deze onverzadigbare veelvraat, is alles gewoon weer bij het oude. Maar wat was eigenlijk het oude? En wat is nog gewoon?

Verder lezen: Denkbeeldenstorm

Filasofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia [philos, vriend + sophia, wijsheid].

Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte, dan komen we als vanzelf tot filasofie [Philos + a, niet + sophia].*

Afleidingen van filasofie liggen voor de hand, maar ik noem ze toch maar even. Een dwijsgeer, iemand die filasofie bedrijft, heet een filasoof. Het bedrijven van filasofie heet filasoferen. Iets filasofie-achtigs heet filasofisch. Een filasofeem is een filasofische stelling of uitspraak. Een filasofaster is iemand die voorwendt filasoof te zijn, oftewel een nepdwijze.

Van filasofie is het maar een kleine stap naar asofie. We hoeven alleen maar het voorvoegsel philos (vriend van, liefhebber van) te amputeren en we houden de staart a- (niet) + sophia (kennis, wijsheid) over. Asofie: geen-kennis, niet-weten.

Asofie laat zich net zo vervoegen als filosofie en filasofie. Een asoof is iemand die niet weet, een dwijze. Asofisch betekent niet-wetend, dwijs. Asoferen is dwijsheid beoefenen (of ondergaan; het is maar net hoe je het beleeft). Een asofeem is een stelling of uitspraak die getuigd van niet-weten. Een asofaster is iemand die voorwendt niet-wetend te zijn. Een asofisme is een dwaaltekst. Een asofist is iemand die dwaalteksten schrijft (of spreekt, of denkt).

Asofia, ten slotte, is de naam van onze beschermheilige. Zoals alle heiligen, bestaat ze niet meer of heeft ze nooit bestaan. Juist dit is wat haar in staat stelt ons tegen het weten te beschermen, en niet-weten tegen ons.

Ziezo. Nog meer woorden om in te slikken of te stikken.


* Filasofie, de liefde voor niet-weten, is niet hetzelfde als morosofie, waanwijsheid, een term van Matthijs van Boxel om te verwijzen naar briljante pseudowetenschap – intelligente flauwekul. Het levenswerk van Matthijs is zelf een morosofie van jewelste, een oeverloze obsessie, maar wel een zelfbewuste, en hilarisch bovendien.

morosofie in de Wikipedia

Nu-isme

Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: ‘Nu.’ Dan weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van het eeuwige heden.

Volgens deze leer is het altijd nu. Het verleden is een herinnering nu. De toekomst is een verwachting nu. Tijd als zodanig is een illusie. Alleen het huidige moment is reëel.

De leer van het eeuwige heden is in het huidige heden zo populair dat ik er maar een naam voor bedacht heb: nu-isme. Iemand die het nu-isme aanhangt is een nu-ist.

De nu-ist leeft naar zijn idee buiten de tijd in een heden zonder begin of einde, waarbinnen de lineaire en de cyclische, de logische en de psychologische, de relatieve en de absolute, de omkeerbare en de onomkeerbare tijd als illusie verschijnen. Hij weet zich in zijn diepste wezen ex tempore.

Ik vind het nu-isme een mooie theorie. Een prachtexemplaar tussen miljoenen andere prachtexemplaren aangaande de tijd en talloze andere thema’s.

Of het altijd nu is mag iedereen voor zichzelf uitmaken. Mij is het niet gelukt. Ik ben er niet uitgekomen, en toch zit ik er niet meer in. Ik weet mij niet in een eeuwig heden en niet erbuiten. Ik weet mij niet in de tijd noch de tijd in mijzelf. Ook in andere opzichten heb ik over tijd niets te melden.

Dat was het voor nu. Welterusten, en morgen gezond weer op.

Numinisme

Het bestaan af en toe ervaren als een ‘goddelijk mysterie dat fascineert en doet beven’ omdat men zich overgeleverd voelt aan ‘het grote onbekende’, is één ding. Het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.

In het laatste geval is er sprake van een niet-lege leer omtrent de ware aard van de werkelijkheid, waarvoor ik hier maar even de term numinisme gebruik [Latijn, numen, goddelijke openbaring; Duits, das Numinose (Rudolf Otto); Nederlands, het numineuze, het goddelijke mysterie]. Een aanhanger van het numinisme heet dan een numinist.

Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet-weten is geen numinisme.

Dat deze vier woorden niet mis te verstaan zijn is natuurlijk ijdele hoop, maar gelukkig geloofde ik het toch al niet.

Verder lezen: De mystiek van alledag, of het wonder van het water