Eufemismen voor niet-weten

Zijn Gods wegen wonderbaarlijk of snap je er niks meer van? Ben jij een wijze zonder wijsheid of weet je het niet meer? Eufemismen voor niet-weten.

Dwaalgids > Niet-weten > Eufemismen voor niet-weten

Lees ook: Metaforen voor niet-weten, Passe-partout voor poortloze poorten, Dwaaltaal: de kunst van welsprekend niet-spreken, Weetnietkunde.

De via negativa

‘Waartoe zijn wij op aarde?’
‘Om het goddelijke in onszelf te ontdekken, Hans.’
‘Hoe moeten wij volgens jou het goddelijke benaderen?’
‘Het goddelijke laat zich alleen langs de via negativa benaderen.’
‘Langs de wat?’
‘De negatieve weg.’ Niet dit, niet dat.’ Neti neti.’
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand.’
‘Wat is god dan wel?’
‘Tja.’
‘Is dat wat hij is of weet je het niet?’
‘Als ik het wist zou ik de via negativa niet bewandelen.’
‘Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet?’
‘Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen.’
‘Is ‘een methode om boven het bekende uit te stijgen’ niet gewoon het volgende eufemisme voor ‘ik weet het eigenlijk niet’?’
‘Ik weet het eigenlijk niet.’
‘Dat ook al niet?’

‘Zeg dat dan meteen.’

Op de vleugels van de wind

‘Wat heeft religie jou geleerd?’
‘Dat Gods wegen wonderbaarlijk zijn, Hans.’
‘Pardon?’
‘Ik bedoel dat mijn eindige verstand te klein is om het oneindige te kunnen bevatten.’
‘Hè?’
‘Ik heb het over het numineuze.’
‘Het wat?’
‘Dat het leven één groot mysterie is.’
‘Wat bedoel je nou toch?’
‘ ‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.’ ‘
‘Wie zegt dat?’
‘Romeinen 11.’33.’
‘En?’
‘ ‘De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil.’ Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig.’ Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken.’ Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: ‘Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.’ ‘
‘Wie zegt dat nou weer?’
‘De veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber.’
‘Hij klinkt als een geestelijke.’
‘Hij wás een geestelijke.’
‘Zo plechtstatig.’
‘Mooi, hè?’
‘In zijn tijd misschien.’
‘Voor mij zijn het tijdloze woorden.’
‘Andermans woorden.’
‘Woorden zijn woorden.’
‘Zeg het eens in je eigen woorden.’
‘Ik… hoe onbegrijpelijk… de mens… mond vol tanden… lege handen… niets dan vraagtekens… tjemig…’
‘Volgens mij bedoel je gewoon dat je niks van het leven snapt.’

‘Of niet soms.’
‘Daar kon je weleens gelijk in hebben, Hans.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Kant noch wal

‘Waar kun je Gods woord beluisteren?’
‘Niet in de bijbel, als je het mij vraagt.’
‘Waar wel?’
‘In jezelf, Hans.’
‘O?’
‘God spreekt in de mislukking van het denken.’
‘Wie zegt dat?’
‘Immanuel Kant.’
‘Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?’
‘Dat God groter…’
‘Over wiens denken had hij het, denk je?’
‘Zijn eigen denken, zou ik denken.’
‘Zou hij zijn eigen denken als mislukt hebben beschouwd?’
‘Daar lijkt het wel op.’
‘Wanneer zeg je dat je denken mislukt is?’
‘Als het… als het…’
‘Goed gezegd.’
‘Als het nietszeggend is?’
‘Wat betekent het dat god spreekt in de mislukking van het denken?’
‘Dat Hij… dat Hij…’
‘Goed gezegd.’
‘Dat Hij niets zegt?’
‘Heeft god gezegd dat hij een hij is?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of een zij?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of een het?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Heeft god gezegd dat hij bestaat?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of dat hij niet bestaat?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of dat hij spreekt in de mislukking van het denken?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Of dat hij daarin zwijgt?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Wie spreekt er hier met mij?’
‘Ik?’
‘En wat zegt ik steeds?’
‘Ik zegt steeds ‘niet dat ik weet’.’
‘Zegt ik dat of weet ik dat?’
‘Ik weet het niet, ik zegt maar wat.’
‘Wie of wat spreekt er in de mislukking van jouw denken?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Spreekt de mislukking van jouw denken niet voor zich?’
‘Tja.’
‘Maar wat ze nou wil zeggen?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Je oorspronkelijke staat

‘Wat is verlichting volgens jou?’
‘Terugkeren naar je oorspronkelijke staat, Hans.’
‘Bedoel je dat je al eerder verlicht bent geweest?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Wanneer dan?’
‘Als baby.’
‘Was jij een verlichte baby?’
‘Niet ik in het bijzonder; alle baby’s zijn verlicht.’
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Prereflexief denken. Geen onderscheid maken. Niet oordelen. Eén zijn met de wereld.’
‘Maakt een baby geen onderscheid of weet hij geen onderscheid te maken?’
‘Nou…’
‘Oordeelt hij niet of weet hij niet te oordelen?’
‘Voor zover ik weet…’
‘Is hij één met de wereld of weet hij het verschil niet tussen zichzelf en zijn moeder en de dingen om zich heen?’
‘Hij weet het niet, denk ik.’
‘Herinner je je dat of gis je maar wat?’
‘Herinneren is een groot woord…’
‘Dus ‘verlichting is terugkeren naar je oorspronkelijke staat’ betekent zoveel als ‘toen wist ik misschien geen onderscheid te maken en nou weer niet; toen wist ik misschien niet te oordelen en nou weer niet; toen wist ik misschien het verschil tussen mijzelf en de rest niet en nou weer niet’?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Tip: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Niemand hier

‘Hoe is het nou met je?’
‘Met wie?’
‘Pardon?’
‘Niemand hier, Hans.’
‘Daar gaan we weer.’
‘Ik pretendeer niet origineel te zijn.’
‘Maar wat bedoel je er precies mee?’
‘Ik ben niet-iemand, niemand. Ik besta niet echt. ‘Ik’ bestaat niet. ‘Ik’ is een wijze van spreken. ‘Ik’ is een illusie.’
‘Hoe kom je tot die gedachte?’
‘Wie zou ik moeten zijn? Mijn naam? Die is toevallig. Mijn herinneringen? Die zijn vluchtig. Mijn persoonlijkheid? Die verandert voortdurend. Mijn lichaam? Idem dito. Mijn werk, mijn prestaties, mijn rollen, mijn netwerk? Allemaal zo veranderlijk als het weer.’
‘Je kunt geen vaste, onveranderlijke kern ontdekken.’
‘Precies.’
‘Dus eigenlijk weet je niet wie je bent?’
‘Jawel, ik ben niemand.’
‘Is een wolk niets?’
‘Een wolk is een wolk.’
‘Is een wolk een illusie?’
‘Een wolk is… een wolk?’
‘Ook al kun je er geen vaste, onveranderlijke kern in ontdekken?’
‘Hm.’
‘Als het niet heet is, is het dan koud?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het net zo goed warm of lauw kan zijn.’
‘Als je niet iemand bent, ben je dan niemand?’

‘Dus met ‘niemand hier’ bedoel je eigenlijk ‘ik weet niet wie of wat of dat ik ben’?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Lees ook: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten

Het is wat het is

‘Wat is het leven?’
‘Het is wat het is, Hans.’
‘Wat dat ook moge wezen?’
‘Precies.’
‘Maar je weet niet wat het wezen mag?’
‘Nee, anders had ik dat wel gezegd.’
‘Dus je weet niet wat het is?’
‘Ik veronderstel van niet.’
‘En wat bedoel je precies met ‘het’?’
‘Als ik dat wist had ik het wel benoemd.’
‘Dus eigenlijk zei je twee keer niks.’
‘Van jou geleerd.’
‘Het is wat.’
‘Nee, het is wat het is.’
‘In de zin van ‘Ik weet niet wat datgene wat ik niet weet te benoemen wezen mag’?’
‘Klinkt belachelijk.’
‘Wat weet je van ‘het’ in de zin ‘het regent’?’
‘Niks.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het niet naar een of andere entiteit verwijst.’
‘Waar verwijst het wel naar?’
‘Het is gewoon een hulpwoord.’
‘En ‘het’ in de zin ‘het is wat het is’?’
‘Wat is daarmee?’
‘Verwijst dat naar een of andere entiteit?’
‘Als ik ja zeg vraag je me natuurlijk meteen hoe ik dat weet…’
‘Hoe weet je dat?’
‘En naar welke entiteit het dan wel verwijst.’
‘En naar welke entiteit verwijst het dan wel?’
‘Maar dat weet ik ook al niet.’
‘Wat weet je eigenlijk wel?’

‘Zeg dat dan meteen.’

Sum qui sum*

‘Wie ben jij?’
‘Ik ben die ik ben, Hans.’
‘Het onderwerp is gelijk aan het gezegde.’
‘Nou je het zegt.’
‘Zoiets heet een tautologie.’
‘Een tautologie?’
‘Een manier om niets te zeggen zonder in leugens te vervallen.’
‘O.’
‘Dat was precies de bedoeling, wou je zeggen.’
‘Ik wou alleen maar mijn zelfidentiteit bevestigen.’
‘Je wat?’
‘Het onverloochenbare feit dat ik zelfidentiek ben.’
‘Nou nou.’
‘Dat ik uniek ben en alleen aan mezelf gelijk.’
‘Dat is een aardappel ook.’
‘Aardappels hebben geen zelfbewustzijn.’
‘Dat denken ze van ons ook.’
‘Alles wat ik over mezelf zeg is teveel gezegd.’
‘Ik ben die ik ben niet?’
‘Je moet toch wat.’
‘Van wie?’
‘Vind jij soms dat we moeten zwijgen?’
‘Waarover?’

‘Waarom?’

‘Wat maakt het uit wat ik vind?’

‘Ik bedoel, wie ben ik?’

‘Of liever, wie ben jij?’

‘Volgens mij vind jij dat we moeten zwijgen.’
‘Nee, ik weet alleen niet meer wat ik moet zeggen.’
‘Zeg dat dan meteen.’


* Wijze waarop Jahweh zichzelf omschrijft in Exodus 3:14; ook wel
vertaald als ‘Ik ben die ik zijn zal’ of ‘Ik zal zijn wie ik zijn zal’.’

Alleen maar dit

‘Wat is werkelijk?’
‘Alleen maar dit, Hans.’
‘Wat bedoel je met ‘dit’?’
‘Alles wat ik nu gewaar word.’
‘Wat is het dat je nu gewaar wordt?’
‘Als ik dat wist zou ik het wel zeggen.’
‘Maar je weet het niet?’
‘Nee.’
‘Je weet alleen maar dat het is?’
‘Nee, ik weet alleen maar wat ik nu gewaar word.’
‘Maar niet wat het is dat je nu gewaar wordt?’
‘Nee, maar dat doet er ook niet toe.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het toch een illusie is.’
‘Maar dat weet je dan weer wel?’

‘Nou?’
‘Omdat het een illusie zou kunnen zijn.’
‘Maar dat weet je ook niet?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik het illusoire ervan niet gewaar wordt.’
‘Je denkt het alleen maar.’
‘Ik denk het.’
‘Wat weet je eigenlijk wel?’
‘Ik weet alleen maar wat ik nu gewaar wordt.’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Nou…’
‘En wat bedoel je eigenlijk met ‘alleen maar’?’
‘Dat er niets anders is?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik zou niet weten wat er anders moest zijn dan dit wat ik nu gewaar wordt.’
‘Volgt uit het feit dat jij niet weet wat er anders moest zijn dan dit wat je nu gewaar wordt dat er niets anders is dan dit wat je nu gewaar wordt?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘Dus ‘alleen maar dit’ betekent zoveel als ‘ik weet niet wat er is en wat het is en of het is en of er verder nog iets is’?’

‘Zeg dat dan meteen.’

Alles is één

‘Wat is volgens jou de hoogste waarheid?’
‘Dat alles één is, Hans.’
‘Heb je het nageteld?’
‘Je weet heus wel wat ik bedoel.’
‘Daar zou ik maar niet van uitgaan.’
‘Zoals je zelf altijd zegt: hoe langer je erover nadenkt, hoe vager het onderscheid tussen de dingen onderling en tussen jou en de rest van de wereld.’
‘Ik kan wel zoveel zeggen.’
‘Dan neem ik het zelf wel voor mijn rekening.’
‘Heb jij daadwerkelijk vastgesteld dat er geen principieel onderscheid is tussen de dingen onderling en tussen jou en de rest van de wereld, of heb je het onderscheid nog niet kunnen vinden?’
‘Hoe stel je zoiets vast?’
‘Dat weet je ook al niet?’
‘Eerlijk gezegd niet, nee.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Oké, ik heb geen principieel onderscheid kunnen vinden tussen de dingen onderling en tussen mij en de rest van de wereld, wat niet betekent dat het er niet is.’
‘Wat betekent het wel?’
‘Het betekent dat de dingen best weleens één zouden kunnen zijn.’
‘Of niet natuurlijk.’
‘In ieder geval kun je de mogelijkheid niet uitsluiten.’
‘Als het niet regent, is het dan droog?’
‘Nou?’
‘Niet als het sneeuwt.’
‘Flauw.’
‘Of hagelt.’
‘Tja.’
‘Of mist.’

‘Dus?’
‘Wat was de vraag ook alweer?’
‘Wat het betekent dat je geen principieel onderscheid tussen de dingen onderling en tussen jou en de wereld hebt kunnen vinden.’
‘Ik wéét niet of het wat betekent.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Maar ik heb het wel erváren.’
‘Wat heb je ervaren?’
‘Tijdens het mediteren heb ik meerdere malen de eenheid van het universum gevoeld. Een schitterende ervaring! Pure bliss! De hoogste waarheid!’
‘Wat ervaar je op dit moment?’
‘Gewoon.’
‘Geen eenheid.’
‘Niet op dit moment.’
‘Is dat dan niet de hoogste waarheid?’
‘Hoezo?’
‘Je ervaart het toch?’

‘Of niet soms?’

‘Lastig hè, al die verschillende ervaringen?’
‘Ook als eenheid niet ervaren wordt blijft ze de drager van de dualiteit.’
‘Ook als dualiteit niet ervaren wordt blijft ze de drager van de eenheid.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Onuitsprekelijk

‘Waarom wil je me de waarheid niet vertellen?’
‘Omdat de Waarheid zich niet in woorden laat uitdrukken, Hans.’
‘Bedoel je dat je niet weet hoe je het moet zeggen?’
‘Precies.’
‘Waarom spreek je dan toch van waarheid?’
‘Je moet toch wat.’
‘Maar je had net zo goed iets anders kunnen zeggen?’
‘Zoals?’
‘Het hoogste?’
‘Waarom niet?’
‘God?’
‘Natuurlijk.’
‘De leugen?’ Het laagste?’ De duivel?’
‘Strikt genomen wel, ja.’
‘Want eigenlijk weet je niet hoe je het moet zeggen.’
‘Dat zeg ik.’
‘En eigenlijk weet je ook niet wat het is dat je niet weet te zeggen.’
‘Je drijft het wel op de spits.’
‘En is het wel iets of is het veeleer niets?’
‘Ja, hoe weet ik dat nou.’
‘Ook dat weet je niet?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘En ruim genomen?’
‘Ook niet.’
‘Wat is de waarheid dan wel?’
‘De waarheid ken je niet, die ben je.’
‘Zou je ook iets anders kunnen zijn?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Waar hebben we het dan over?’
‘Ik bedoel, de waarheid lééf je.’
‘Zou je ook iets anders kunnen leven?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Want ieder leven is een waar leven?’
‘Wat zou het anders kunnen zijn?’
‘Begrijp ik het goed dat het volgens jou onmogelijk is om in onwaarheid te leven?’
‘Nogmaals, ik zou niet weten hoe.’
‘Dan vraag ik je nogmaals, waar hebben we het nog over?’
‘Ik weet het niet.’
‘Wat betekent het dan nog om de waarheid te leven?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ik bedoel, als er toch geen alternatief is?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ben je je tong verloren?’
‘Ik ben met stomheid geslagen.’
‘Is dit wat je bedoelt met ‘de waarheid laat zich niet in woorden uitdrukken’?’
‘Ik weet het niet.’
‘Zeg dat dan meteen.’

De wijsheid voorbij

‘Prajna bevat geen gnosis, Hans.’
‘Doe maar duur.’
‘Dat is Sanskriet.’
‘Waarheid verzekerd.’
‘Zo voelt het wel een beetje.’
‘Maar wat het nou betekent?’
‘Het hoogste inzicht is gespeend van kennis.’
‘Wie zegt dat?’
‘Sengzhao, Chinese wijsgeer, vijfde eeuw na Christus.’
‘En wat betekent het?’
‘Dat de hoogste waarheid geen inhoud heeft.’
‘Pardon?’
‘Het gaat hier om een… eh… leer zonder lering… alleen het derde oog… onzegbaar…’
‘Waar heb je het toch over?’
‘De wijsheid voorbij alle wijsheid…’
‘De wat?’
‘Eh… dat we, eh… niks zeker… hoegenaamd niks, eh… weten… zonder woorden… zogezegd.’
‘Zeker weten?’
‘Nee.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Prajnaparamita

”In de stroom van Wijsheid gaat de verlichte voorbij alle Wijsheid.”
De Hartsoetra.’
‘Wie kent hem niet.’
‘En waar komt de verlichte dan uit volgens jou?’
‘Weet je dat dan niet, Hans?’
‘Help me eens op weg.’
‘Bij Prajnaparamita, Volmaakte Wijsheid.’
‘Wat is volmaakte wijsheid?’
‘Het Hoogste Inzicht.’
‘Wat is het hoogste inzicht?’
‘De Diepste Waarheid.’
‘Wat is de diepste waarheid?’
‘Datgene wat geen oor kan horen en geen oog kan zien.’
‘Wat is het dat geen oor kan horen en geen oog kan zien?’
‘De Wijsheid voorbij alle Wijsheid.’
‘Dus als de verlichte in de stroom van wijsheid voorbij alle wijsheid gaat dan vindt hij daar de wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Precies.’
‘Wie had dat kunnen denken.’
‘Alleen Boeddha.’
‘Maar wat is toch die wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Wijsheid zonder kennis dus. Zonder object. Zonder inhoud. Zonder weten.
‘Waaraan ontleent deze lege wijsheid zijn karakter van wijsheid?’
‘Aan niet-weten, zou ik zeggen. De Wijsheid voorbij alle Wijsheid is een zuiver niet-weten. Niet-weten is de exclusieve kenmodus van de Wijsheid voorbij alle Wijsheid.’
‘Voorbij alle wijsheid gaan betekent al het weten achter je laten?’
‘Precies.’
‘Hoe weet je dat eigenlijk?’
‘Dat staat in de Hartsoetra.’
‘En als de Hartsoetra het nou bij het verkeerde eind heeft?’
‘Miljoenen beschouwden en beschouwen de Hartsoetra als het laatste woord.’
‘Dat geldt voor zoveel teksten.’
‘Tja.’
‘Je hebt het dus niet zelf ondervonden?’
‘Hm.’
‘Nou?’
‘Nog niet, maar…’
‘Ja of nee?’
‘Nee.’
‘Dus eigenlijk weet je het niet?’
‘Ik heb al zo vaak…’
‘Dus eigenlijk weet je het niet?’
‘Ik vermoed…’
‘Als je zegt: ‘In de stroom van wijsheid gaat de verlichte voorbij alle wijsheid’ bedoel je alleen maar dat de verlichte misschien niets weet, maar dat je dat eigenlijk ook niet weet?’

‘Zeg dat dan meteen.’

Sunyata

‘Wat is spiritualiteit voor jou?’
‘Sunyata, Hans.’
‘Insgelijks.’
‘Je weet toch wel wat sunyata betekent?’
‘Proost?’
‘Proost!’
‘Een groet, dan?’
‘Een groet!’
‘Of was het nou een belediging…’
‘Sunyata is Sanskriet voor leegte.’
‘Dat zeg ik.’
‘Je zei heel wat anders.’
‘Wat bedoel je precies met leegte?’
‘Dat niets is wat het lijkt.’
‘Wat is het dan wel?’
‘Een ding of een begrip is simpelweg alle andere dingen en begrippen waarvan het voor zijn bestaan afhankelijk is.’
‘En al die andere dingen en begrippen?’
‘Ook.’
‘Een ding of begrip is alle andere dingen en begrippen en alle andere dingen en begrippen zijn ook alle andere dingen en begrippen?’
‘Dat is sunyata.’
‘Dus eigenlijk betekent het dat je van niets weet wat het op zichzelf beschouwd is of wat je ervan kunt verwachten of wat je ervan moet denken?’
‘Nou, eh…’
‘Maar wel dát het is?’
‘Eh…’ niet als zodanig.’
‘Als het erop aankomt weet je van geen enkel ding of begrip wat het is of zelfs maar dat het is?’
‘Daar komt het wel op neer.’
‘Geldt dat misschien ook voor het begrip sunyata?’
‘Oei.’
‘Waar hebben we het dan nog over?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’

De weg en de waarheid

‘Wie ben jij?’
‘Ik ben de weg en de waarheid, Hans.’
‘Waarheen loopt die weg?’
‘Naar de waarheid natuurlijk.’
‘Waar heb je een weg voor nodig als je al de waarheid bent?’
‘Oeps.’
‘Nou?’
‘Oké, dan ben ik gewoon de waarheid.’
‘Wat is de leugen?’
‘Dat weet ik niet want ik ben de waarheid.’
‘Als je de leugen niet kent hoe weet je dan of je de waarheid bent?’
‘Omdat alles waarheid is.’
‘Wat betekent dat nog bij gebrek aan een tegenpool?’

‘Begrijp ik het goed dat de weg die jij zou zijn nergens heen gaat en dat de waarheid die jij zou zijn een nietszeggend eufemisme zonder tegenhanger is?’
‘Ik… weet niet wat ik zeg.’
‘Zeg dat dan meteen.’

De weg is het doel

‘Wat is de weg?’
‘Het doel, Hans.’
‘De weg is het doel?’
‘Mooi, hè?’
‘Sofisterij.’
‘Wat?’
‘Waarom zou de weg het doel zijn?’
‘Omdat de weg nou eenmaal nergens heen gaat.’
‘Hoe weet je dat de weg nergens heen gaat?’
‘Wablief?’
‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld?’
‘Omdat… het komt mij voor… ze zeggen… het is toch logisch… wat zou er…’
‘Heb je iedere weg tot het einde toe afgelopen?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Wat klets je dan.’
‘Maar stel nou dat er inderdaad geen eindbestemming zou zijn.’
‘Stel.’
‘Wat kan het doel dan anders zijn dan de weg zelf?’
‘Wat betekent dat nou helemaal.’
‘Dat de weg zichzelf rechtvaardigt.’
‘In welk opzicht?’
‘Eh…’
‘Volgens welke gedachte?’
‘Nou…’
‘Wat is volgens jou het verschil tussen zelfrechtvaardigend en ongerechtvaardigd?’
‘Dat…’ weet ik eerlijk gezegd niet.’
‘Wat weet je eerlijk gezegd wel?’
‘Eerlijk gezegd niks.’
‘Is dat wat je bedoelt met ‘De weg is het doel’?’
‘Het lijkt er wel op.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Van het doek en de film

‘Wat is jouw ware aard?’
‘Ik ben het doek, niet de film, Hans.’
‘Pardon?’
‘Ik heb mezelf jarenlang geïdentificeerd met de hoofdrolspeler in de film van mijn leven maar nu besef ik dat het al die tijd alleen maar een film was.’
‘En jij?’
‘Ik ben alleen maar het doek waarop de film geprojecteerd wordt.’
‘Niet de toeschouwer?’
‘Eh…’
‘Niet de zaal?’
‘Eh…’
‘Niet het geheel van film, doek, zaal en publiek?’
‘Eh…’
‘Maar in geen geval de acteur.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Hoe ben je tot die conclusie gekomen?’
‘Ik heb jarenlang naar mezelf gezocht. Wie ben ik? Wat is mijn wezen? Wat is het dat hetzelfde blijft doorheen alle veranderingen? Maar ik heb niets kunnen vinden. Niets dat aldoor hetzelfde blijft. Ik ben er niet in geslaagd te bepalen wie of wat ik ten diepste ben.’
‘En toen?’
‘Heb ik me een tijdje heel leeg gevoeld.’
‘En toen?’
‘Viel eindelijk het kwartje.’
‘Welk kwartje?’
‘Dat dát is wat ik ben.’
‘Wat?’
‘Leegte. Bewustzijn. Gewaarzijn. Het zijn zelf.’
‘O?’
‘Ik ben het onbepaalde en het onbepaalbare waarin alles verschijnt.’
‘En daarom zeg je dat je het doek bent en niet de film?’
‘Precies.’
‘En wat is het doek?’
‘Ik ben het doek.’
‘En wat betekent dat concreet?’
‘Dat ik… dat ik… dat ik…’
‘Nou?’
‘Omdat ik er niet achter kan komen wie…’
‘Ga door.’
‘Omdat ik geen idee heb hoe… of wat…’
‘Nou?’
‘Dat bedoel ik dus.’
‘Wat?’
‘Dat ik ten diepste niet weet wie of wat ik ben.’
‘Maar wel dat je bent?’

‘Wat schiet je ermee op jezelf het doek te noemen als je niets over het doek weet?’

‘Als je niet eens weet of het doek dat je bent wel bestaat?’

‘Als het een beetje tegenzit is dit gewoon de volgende film waarin jij de hoofdrol speelt.’
‘Welke film?’
‘De film waarin jij het doek blijkt te zijn, natuurlijk.’
‘Hè?’
‘Goeie titel.’
‘Wat?’
‘Of wat dacht je van ‘De man die zichzelf voor een doek aanzag’?’
‘Ik weet niet wie ik ben.’
‘Zeg dat dan meteen.’


* vergelijkbare uitspraken:

Ik ben het kennen, niet het gekende.
Ik ben het minnen, niet het beminde.
Ik ben het bewustzijn, niet de inhoud.
Ik ben de computer, niet de software.
Ik ben de geest, niet zijn gedachten.
Ik ben God, niet zijn schepping.
Ik ben het krijtbord, niet het krijt.
Ik ben het boek, niet de tekst.
Ik ben de leegte, niet de vorm.
Ik ben de lucht, niet de wolk.
Ik ben het nu, niet de tijd daarin.
Ik ben openheid, niet wat er binnenkomt.
Ik ben de ruimte, niet de dingen daarin.
Ik ben de spiegel, niet de weerspiegelingen.
Ik ben de stilte, niet het geluid.
Ik ben de televisie, niet het programma.
Ik ben de toeschouwer, niet het spektakel.
Ik ben het water, niet de golf.

Spontaniteit

‘Waaraan herkent men de verlichte?’
‘Aan zijn spontaniteit, Hans.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Zonder nadenken reageert hij onmiddellijk en trefzeker op iedere situatie.’
‘Waarom zou de verlichte niet meer nadenken?’
‘Dat heeft hij niet meer nodig.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij in één klap de juiste…’
‘De juiste?’
‘Omdat hij geen onderscheid meer maakt tussen…’
‘Maakt?’
‘Weet te maken.’
‘Omdat hij geen onderscheid meer weet te maken?’
‘Tussen juist en onjuist.’
‘Waarom is hij daarmee gestopt, denk je?’
‘Omdat hij er…’
‘Nou?’

‘Toch niet uitkwam?’

‘Dus?’
‘Kun je net zo goed het eerste het beste doen wat je invalt?’
‘Spontaniteit betekent gewoon maar wat doen want je moet toch wat?’
‘Daar lijkt het wel op.’
‘Zeg dat dan meteen.’

Zelfrealisatie

‘Eindelijk heb ik het zelf gerealiseerd!’
‘Wat heb je gedaan?’
‘Ik heb mijn ware zelf gevonden, Hans.’
‘Waar lag het?’
‘Overal, dat is nou net de grap.’
‘Ik kom niet meer bij.’
‘Idioot hè.’
‘Maar waarom zeg je dan dat je het gerealiseerd hebt?’
‘Zo zeg je dat nou eenmaal.’
‘Het klinkt in ieder geval goed.’
‘Dank je.’
‘Je zou haast denken dat je wat gepresteerd had.’
‘Vind je ook niet?’
‘Wat houdt dat ware zelf zoal in?’
‘Alles dus.’
‘En daar heb je al die jaren voor nodig gehad?’
‘Ik heb mijzelf en de wereld minutieus onderzocht en uiteindelijk moeten vaststellen dat er geen verschil is.’
‘Je kon de grens tussen binnenwereld en buitenwereld niet vinden?’
‘Precies.’
‘Begrijp ik het goed dat je gewoon niet meer weet waar jij ophoudt en waar de wereld begint?’
‘Dat kan ik niet tegenspreken.’
‘En dat je niet eens meer weet of er wel sprake is van een jij of een wereld?’
‘Nou…’
‘Als je zegt dat je het zelf hebt gerealiseerd, bedoel je eigenlijk alleen maar dat je geen idee meer hebt hoe het allemaal in elkaar steekt?’

‘Nou?’
‘Daar komt het wel op neer.’
‘Zeg dat dan meteen.’