Haiku op haiku

Gepubliceerd

dwaalgids > zen

‘Nooit boog het beeld van / Boeddha ver in de heide / eens naar mij terug.’ Haiku op haiku. Rijmloze agnose; lettergrepen naar niet-weten.

Titelafbeelding, twee rotsvrouwtjes die diep naar elkaar buigen
Haiku op haiku; lettergrepen naar niet-weten

Tanka, renga, haiku en senryu

Vier Japanse dichtvormen.

De familie Tanka

Even kennismaken.

De jongste telg van de familie Tanka is de senryu.

De senryu is een dichtvorm ontstaan uit de haiku.

De haiku is een dichtvorm ontstaan uit de renga.vlo

De renga is een dichtvorm ontstaan uit de tanka.

Tanka staat tot renga staat tot haiku staat tot senryu als opa tot papa tot kind tot kleinkind.

Samen vormen deze vier generaties de familie Tanka. Ik ga ze een voor een aan je voorstellen.

Wat is een tanka?

Een tanka (短歌, ‘kort gedicht’, meervoud tanka of tanka’s) is een Japanse dichtvorm bestaande uit 5 regels van liefst 5, 7, 5, 7 en 7 lettergrepen. De regels hoeven niet te rijmen en de maat is niet voorgeschreven.

Woudpioenrozen –
juist nu op het hoogtepunt
van hun volle bloei;
te mooi om af te plukken –
te mooi om niet te plukken.

(zenmonnik Ryokan)

Al slaap ik altijd
op mijn reizen, elke nacht
op een andere plaats,
de droom die ik altijd droom
brengt mij naar mijn eigen huis.

(idem)

Medelijwekkend –
de mensen die niets weten
van de verrukking
van ’t nirwana! Altijd door
treuren zij, om dood, om leven.

(zenmeester Ikkyu)

Daar ik zou denken
dat de werkelijkheid geenszins
werkelijk is,
hoe kan ik dan denken dat
dromen werkelijk dromen zijn?

(shingopriester Saigyo)

De eerste drie regels van de tanka worden de kami-no-ku (上の句) genoemd, en vormen de aanhef. De laatste twee regels, de shimo-no-ku (下の句), dienen ter afronding. Ku (句) betekent hier strofe, no (の) van, kami (上) boven en shimo (下) onder.

Een tanka bestaat dus uit twee strofen, de aanhef en de afronding, die gewoonlijk achter elkaar worden geschreven zonder witregel ertussen.

Wat is een renga?

Een renga (連歌, ‘samenwerkingsgedicht’, meervoud renga of renga’s) is een groepsgedicht of kettinggedicht, dat wil zeggen, een gedicht geschreven door twee of meer mensen die om de beurt een ku (strofe) voor hun rekening nemen.

Hieronder Winterse bui, een zesmansgedicht van 36 schakels uit 1684 met zenboeddhistische ondertonen :

  1. Al tracht de winterbui / de maan te omwikkelen, / zij rukt zich los.1
  2. Hij trapt op het ijs: / het bliksemt in het water.2
  3. Varentakken / draagt de jager met Nieuwjaar / op zijn pijlkoker.3
  4. Hij duwt de Noordpoort open / en de lente begint.4
  5. Op de waaier / waar hij paardenvijgen mee veegt: / een wazige bries.5
  6. De liefhebber van de theeceremonie / is dol op de pisbloemen langs de weg.6
  7. Hoe bevallig / zit zij te lezen / zijn geliefde dochter!2
  8. Met twee lantaarns / wedijveren ze om haar liefde.1
  9. De hagi worstelt / met de dauwdruppel, maar de strijd / blijft onbeslist.4
  10. Zelfs soba is hier heldergroen: / een tempelverblijf in Shigaraki.3
  11. Maan aan de ochtendhemel – / de triktrakspeler / reist af.1
  12. Op weg om saffloers te kopen / hoort hij de kleine koekoek.5
  13. Hij leeft in afzondering / en houdt zich onledig / met het maken van poppen.3
  14. Een hooggeplaatste hofdame / stuurt rijst en andere giften.2
  15. Zelfs van de omheining / heeft de vloedgolf / niets heel gelaten.5
  16. De vis die ze opensnijden / had een boeddhabeeld opgevreten.4
  17. Hij stamt uit een oude familie; / vol respect noemt men hem / ‘Jiro van de bloesems’.2
  18. Zes morgens akkerland / vol wikke en viooltjes!1
  19. Op blije toon / zingt de leeuwerik / van tiereliere.4
  20. Midden op de dag / heeft het paard een slaperig gezicht.3
  21. Okazaki – / wat is die Yahagibrug / toch lang!1
  22. Over de pijnboom van de dorpsoverste / schrijft hij een vers en stuurt het op.5
  23. De vondeling – / is die al groot genoeg / om hout te hakken?3
  24. Het was met eindejaar heel koud / toen hij zijn zwaard verkocht.2
  25. en wat aardig: / een sneeuwgek / met een hoed uit Wu!5
  26. en voor zijn kraag heeft Takao / een mouw losgetrokken.4
  27. Met zijn liefje / zou hij een heel vat kunnen drinken / en er zijn doodskist van maken!2
  28. Zen: je schaft je naam af – / maar als een vallend papaverblad.1
  29. Ten oosten van de maansikkel / is het al donker – / de tempelklok weerklinkt.4
  30. Op het herfstmeer, vaagjes, / zit iemand koto te spelen.3
  31. hij besluit de grondeltjes / niet te koken / maar laat ze weer los.1
  32. Door de struiken / zingt een fraaie stem de Boeddha toe.5
  33. Zachtjes brandt de lamp – / geen zin / om die uit te doen.3
  34. Hij weet geen raad, / maar trekt aan haar obi.2
  35. Zijn smachtende ziel / vliegt / naar de bloesems toe.5
  36. Bij de vollemaan / zou ik hetzelfde wel willen!4

1. Tokoku, 2. Jugo, 3. Yasuï, 4. Basho, 5. Kakei, 6. Shohei

De kortste vorm van de renga heet de tanrenka (短連歌, ‘kort samenwerkingsgedicht’). Deze bestaat uit een openingsgedicht, de hokku (発句), van 3 regels met liefst 5, 7 en 5 lettergrepen, gevolgd door de waki (), een reactie van 2 regels met liefst 7 lettergrepen elk. Hokku en waki worden gescheiden door een witregel.

De tanrenka is dus een renga van twee strofen geschreven door twee personen. Het is niet moeilijk hierin de oorspronkelijke tanka te herkennen, die dezelfde vorm heeft (minus de witregel) maar geschreven is door één persoon. De hokku van de renga correspondeert met de kami-no-ku van de tanka, en de waki van de renga correspondeert met de shimo-no-ku van de tanka. Andere namen voor dezelfde dichtregels.

Een renga is op te vatten als een reeks tanrenka’s.

Uit de renga ontwikkelde zich een luchtige variant die zich weinig aan de geschreven en ongeschreven rengaregels gelegen laat liggen. Deze staat bekend als de haikai no renga, de humoristische renga of de volksrenga.

Wat is een haiku?

Het openingsgedicht van de renga, de hokku, ging na verloop van tijd een eigen leven leiden.

In eerste instantie werd de verzelfstandigde hokku kortweg hokku genoemd, of naar het voorbeeld van de haikai no renga, haikai no hokku, ‘populair versje’ of ‘humoristische strofe’, al waren ze eerder melancholiek dan grappig.

Later ontstond door samentrekking van ‘haikai no hokku’ de naam waaronder we deze dichtvorm in het westen kennen: haiku.

Bloesems van de avond!
Als je ze nog eens wilt zien,
zijn ’t alweer vruchten.

(Buson)

Dagen vol vrede;
de rusteloze jaren
alweer vergeten.

(Taigi)

Zonder jou erbij,
waren zij te diep, te groot,
die donkere bossen.

(Issa)

De lichten branden.
Kersenbloesems vallen neer.
Mensen verlangen.

(Shirao)

Een haiku (俳句, meervoud haiku of haiku’s) is een gedichtje van 3 regels met liefst 5, 7 en 5 of, minder vaak, 3, 5 en 3 lettergrepen. Ook andere aantallen lettergrepen komen voor en sommige dichters zijn strenger voor zichzelf dan andere.

Het onderwerp van de haiku staat niet vast. Haiku’s gaan – net als renga’s en tanka’s – over geboorte en dood, liefde en ziekte, afscheid en verlangen, eenvoud en armoede, Boeddha en dharma en wat al niet. Maar van oudsher zijn de natuur en de seizoenen favoriet.

Wat is een senryu?

Haiku die andere haiku parodiëren en haiku over de onvolkomenheden van de mens doen hun oorspronkelijke naam van ‘haikai no hokku’ eer aan, want ze kunnen heel komisch zijn.

Omdat de haiku inmiddels een serieuze dichtvorm was geworden, ontstond er voor de ironische variant een nieuwe naam: de senryu (川柳, ‘waterwilg’, meervoud senryu of senryu’s), naar de schrijversnaam van zijn grootste protagonist, Karai Hachiemon (1718-1790).

Senryu’s zijn over het algemeen aards, anarchistisch, anti-elitair, anti-intellectueel en niet zelden een puntige uitdrukking van de weetnietgeest:

Alsof hij alles
ter wereld begreep, is de
priester gestorven.

(Kojyaku)

‘k Wou dat ze lachten
om dat wonderbaarlijke
feit, dat ze leven.

(Ichiro)

Menend, dat mensen
altijd werkelijk mensen zijn,
maken wij ons kwaad.

(Kenkabo)

Hij is niet zo wijs,
dus leeft hij veel vrolijker,
zo’n gewone man.

(Kako)

Zo spreekt de wijze:
‘Hemel en aarde weten,
ik weet er niets van.’

(Ittosai)

Zoals nog zal blijken had deze pagina, Haiku op haiku, eigenlijk Senryu op haiku moeten heten.

Literatuur

Alle tanka en haiku hierboven komen uit Japans gedicht, de mooiste haiku, senryu en tanka, J. van Tooren, Meulenhoff Amsterdam, 1985.

De renga Winterse bui komt uit Eeuwige Reizigers: een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur, Jos Vos, De Arbeiderspers, 2008, p564-571, dat veel verklarende voetnoten bevat over de voor ons soms onnavolgbare gedachtesprongen tussen de schakels.

De senryu komen uit Senryu, De Waterwilgen, Japanse volkspoëzie, vertaald en ingeleid door J. van Tooren, deel III, Meulenhoff Amsterdam 1976.

De wereld als illusie en het lichaam als fantoom

‘Het is niet de geest, het is niet de boeddha, het zijn niet de dingen.’

Meester Nanquan in Poortloze Poort 27

Haiku’s als spiegel van de ziel

Haiku’s over de natuur en de seizoenen neigen naar lyriek. Typisch menselijke gevoelens, gemoedstoestanden en gedachten worden aan de omgeving toegeschreven, of liever, toegedicht. Haiku’s zitten vol antropomorfe projecties.

Krekels roepen tot het eindelijk middag is, een leeuwerik bidt boven een graf, een statige kikvors zit de bergen te beschouwen, een ganzenbloempje is verdrietig bij het naderen van een zeis, een pijnboom die nog geen boeddha is staat wat te dromen, de maan wordt gebroken.

Vlooien maken een lange nacht door, het water spreekt, een slak beklimt een heilige berg, een bromvlieg wast speciaal voor ons zijn pootjes, een vogeljong is eenzaam, groene rupsen hebben van iemand hoorns gekregen et cetera.

Dergelijke haiku’s onthullen misschien iets over de natuur, maar minstens zoveel over de werking van de geest en de aard van het menselijk denken. Vooral dit:

De wereld die wij waarnemen en beleven is een door en door menselijke en subjectieve wereld. Maar hij doet zich aan ons voor als een door en door objectieve en universele wereld.

Wij nemen zonder meer aan dat onze wereld dé wereld is, dat die wereld hetzelfde is voor ieder mens van alle tijden en voor ieder wezen waar dan ook.

De wereld als voorstelling van het verstand

Maar hebben krekels wel weet van ochtend en middag? Weet een leeuwerik wat een graf is en kiest hij daarboven positie om te bidden? Is een ganzenbloempje ooit verdrietig? Staan pijnbomen weleens te dromen? Koeren duiven werkelijk uit de zachtheid van hun gemoed? Ziet een kikvors bergen?

Wat is eigenlijk een berg zonder het idee berg? Wat is een graf zonder het idee graf? Wat is een leeuwerik zonder het idee leeuwerik? Wat is bidden zonder het idee bidden? Wat zijn ochtend, middag en avond zonder onze uitgebreide ideeën over tijd?

De wereld die wij zogenaamd waarnemen is minstens gedeeltelijk door onszelf geschapen, niet vijf miljard geleden, niet zesduizend jaar geleden, maar hier, nu, live.

Waarnemingen van de werkelijkheid zijn in werkelijkheid voorstellingen van het verstand, dacht Immanuel Kant. Hoe het Ding-an-sich eruitziet zonder voorstelling van het verstand, weten wij niet en kunnen wij niet weten, stelde hij. Ook dit is slechts een voorstelling van het verstand, maar wel een die ons van eerdere kan bevrijden.

Waarnemen of waargeven?

Niet alleen injecteren wij allerlei onderscheidingen, betekenissen en oordelen in onze waarnemingen, ook de basale waarnemingskwaliteiten, licht, kleur, smaak, geur, druk, warmte en koude, pijn en het evenwichtsgevoel, lijken niet meer dan een projectie van onze geest.

‘Licht is toch gewoon elektromagnetische straling,’ zal de fysicus tegenwerpen, ‘en die is objectief aantoonbaar.’ Kan best wezen, maar elektromagnetische straling is nog geen licht en luchttrillingen zijn nog geen geluid. Volgens de neuroloog Oliver Sacks zijn wij het zelf die, is het ons brein dat een smal deel van het elektromagnetische spectrum in een lichtsensatie transformeert, een smal deel van het akoestische spectrum in een geluidssensatie.

Bovendien is ‘elektromagnetische straling’ ook maar een voorstelling van het verstand, een abstractie, een constructie, een rekeneenheid en alleen ‘objectief aantoonbaar’ via de waarnemingen waarvan de objectiviteit nou net ter discussie staat.

Licht en geluid, warmte en koude, hardheid en zachtheid bestaan niet ‘daarbuiten’, los van iedere waarnemer en waarneming. Dat lijkt maar zo. Ze ontstaan ‘hierbinnen’ op het moment van waarnemen. Net zoals ‘daarbuiten’ en ‘hierbinnen’.

De dingen en het lichaam als projecties van de geest – misschien vind je dat een belachelijk idee. Maar hoe wou je anders het fantoomledemaat en fantoompijn verklaren? En wat te denken van herinneringen? Fantasieën? Dromen? Sluimerbeelden? Hallucinaties?

Geen ding, geen geest, geen zelf

Zonder geest geen werkelijkheid, zonder werkelijkheid geen geest, lijkt het. Tenzij de geest op zijn beurt een projectie is, Joost mag weten waarvan. Ik kan hem tenminste nergens vinden, die geest. Niet als ik hem zoek. Juist dan niet. Mijn geest niet, jouw geest niet, de universele geest niet, in alle tien richtingen niet. Ik kan hem wel denken, als het substraat van al mijn gedachten, maar ja, ik kan wel zoveel denken.*

Ikzelf blijk bij nader onderzoek ook niet meer dan een schim die ongevraagd verschijnt en verdwijnt in waarnemingen van de ogenschijnlijke buitenwereld, en in gedachten en gevoelens in de ogenschijnlijke binnenwereld. Daarbij figureert het lichaam als intermediair, tegelijk buiten en binnen, eigen en oneigen, object en subject, waarneming en waarnemer, slachtoffer en dader. Maar het zelf zelf kan ik nergens vinden. Mijn zelf niet, jouw zelf niet, het ware zelf niet.

Geen ding, geen geest, geen zelf – zo zijgt het kaartenhuis van het gezond verstand langzaam ineen. Gewoonlijk komt er dan algauw een nieuw verstand tevoorschijn, als een staart aan een hagedis, als een kop op een draak. Een nieuw verstand dat een nieuw verhaal produceert, dat het heel origineel de Waarheid noemt, en zichzelf een Wijze. En maar wijzen, dáár is de Weg. Halleluja.

Maar zo hoeft het niet te gaan. Mijn staart is afgevallen en ik heb geen nieuwe gekregen. Zelfs geen fantoomstaart. Mijn koppen zijn afgehakt, alle zeven, en niet meer teruggegroeid. Sinds het bezwijken van mijn gezond verstand ben ik op wonderbaarlijke wijze verschoond gebleven van een Nieuw Verstand en van een Volgend Verhaal.

Ook dit verhaal onderschrijf ik niet, al schrijf ik het zelf. Ik ben niet gek. Het is slecht een om-schrijving van het onverstand. Een schijnverhaal dat niet-weten heet over het onverhaal dat niet wil heten. Halleluja. Gezegend zijn de legen omdat ze niets meer wegen. Wat moeten vogels met een weg?

Roze button met vrouwe Justitia op de achtergrond, met de tekst: Gezegend zijn de legen omdat ze niets meer wegen.
Gezegend zijn de legen omdat ze niets meer wegen.

* ‘Denken’ en ‘gedachten’ in de ruimste zin van het woord, inclusief gevoelens, waarnemingen, ervaringen, dromen enzovoort.

Haiku op haiku

In Haiku op haiku; lettergrepen naar niet-weten koppel ik klassieke haiku met een bepaalde kijk aan eigen haiku met een alternatieve kijk. Het resultaat is een soortement tanrenka, of in elk geval een poëtisch dialoogje, een seriegedichtje, een dubbelhaiku geschreven door twee mensen, de vertaler(s) niet meegerekend.

Van een echte dialoog is natuurlijk geen sprake. De aangevers zijn allemaal dood – zoals de meeste van mijn gesprekspartners, je bent gewaarschuwd. Bovendien ben ik (op deze plaats) niet uit op lyriek, zoals de reguliere rengadichter. Ik wil alleen maar laten zien hoeveel aannames er in ons denken en in onze woorden verstopt zitten, zelfs in deze kleinste der gedichtjes.

Daardoor zijn mijn haiku eerder senryu, die de openingshaiku parodiëren en/of de menselijke onvolkomenheid tot thema hebben; met name ons beperkte en beperkende perspectief, het subjectieve dat wij naïef aanzien voor objectief.

Haiku’s en senryu’s bieden niet veel speelruimte. Meer dan stotteren en snotteren kun je niet binnen zeventien lettergrepen. Toespelingen maken. Spelen en verspelen.

Spreken over niet-weten is sowieso een kwestie van stamelen, hoeveel lettergrepen je ook tot je beschikking hebt. Haspelen en pruttelen. Zuchten en schreeuwen. In onmacht en van opluchting.

Dat lijkt een nadeel maar het is een voordeel: Iedereen kan het. Iedereen doet het al. Van de eerste ademteug tot de laatste zucht. Jij ook.

Je moet het alleen nog even onder ogen zien.

Silhouet van een vogel op een tak. Met de tekst: Wat moeten vogels met een weg?
Wat moeten vogels met een weg?

Eer het middag wordt

Hoe lang moeten de
Krekels roepen in ’t naaldhout
Eer het middag wordt?

(Issa)

Er roepen krekels
In ’t naaldhout, middag wordt het
Alleen voor mensen

Groene boom met om de stam een horloge dat de stam insnoert
Middag wordt het alleen voor mensen

Een schreeuw

Een fazant die schreeuwt
Naar vader en moeder die
Dood zijn verlang ik

(Basho)

Een schreeuw sterft weg
Met in zijn kielzog mijn zucht
Naar dierbare doden

Tingeling

Wolken van bloesems
Een avondbel – Ueno
Of Asakusa?

(Basho)

Wolk van niet-weten
Geen Asakusa, geen Ueno
Enkel geklingel

Een zacht mijmeren

Ruisende regen
In ’t duister van ons rijtuig
Uw zacht fluisteren

(Buson)

Een zacht fluisteren
In ’t duister van het rijtuig
Denk ik u erbij

Ruisen als van regen
Een ratelen en schudden
Als in een rijtuig

Schone beelden

Zie, door de scheuren
In mijn papieren venster
Beeldschoon, de melkweg

(Issa)

Zie, in de krochten
Van de melkweg, beeldschoon mijn
Gescheurde venster

Standbeeld van een vrouwentorso met in de linker borst de ruimte met sterren en een maansikkel
In mijn geestesoog / beeldschoon de melkweg

Opgehangen

Draag de droefheid, al
Het verlangen van uw hart
Over aan de wilgen

(Basho)

Hang uw hang naar niet
Verlangen aan de wilgen
En u hangt niet meer

Vorsers

O, oude vijver
Een kikvors springt van de kant
Geluid van water

(Basho)

O oude denker
Geluid van water: ‘Hé, wat
Sprong daar van de kant?’

O oude dichter
Een plons, geplas, gemopper
Kikkers op de kant

Silhouet van een kikker met kabbelend water (ipv zwart)

Typisch

Uit de tempelpoort
Komend, ’t lied van de thee-oogst
Dat is Japan

(Kikusha)

Uit de tempelpoort
Komend, ’t lied van de thee-oogst
Dat is China

Uit de tempelpoort
Komend, ’t lied van de thee-oogst
Dat is India

Heel de dag

Heel de dag is niet
Genoeg voor de leeuwerik
Die zingen wil, zingen

(Basho)

Heel de dag is veel
Te veel voor de leeuwerik
Die zingen moet, zingen

Denksporen

Och kijk, een mus sprong
Helemaal langs de veranda
Met natte voetjes

(Shiki)

Och, kijk, die vlekjes
Ik denk er een vogel bij
Dan is het een spoor

Duwstok met vogelpootjes patroon

Stille weetnietgeest

Stille weetnietgeest
Je hebt geen antwoorden meer
en zelfs geen vragen

Het hoogste lied

Wadende vrouwen
Planten rijst, alles besmeurd
Behalve hun lied

(Raizan)

Wadende vrouwen
Planten rijst, alles besmeurd
En vunzig hun lied

Zonder kicken

Statig zit hij daar
De bergen te beschouwen
Die dikke kikvors

(Issa)

Rustig zit hij daar
De bergen te negeren
Die suffe kikvors

Groene kikker met tong tot op de grond in meditatiehouding

Grote vrede

Totaal niets heb ik
Maar deze grote vrede
En deze koelte

(Issa)

Totaal niets heb ik
Aan deze grote vrede
En deze koelte

Totaal niets heb ik
Maar deze grote vrede
En deze onrust

Wolk van niet-weten

Wat werd geroepen
In deze zware nevel
Tussen berg en schip?

(Kito)

Niets wordt er verstaan
In de eeuwige nevel
Tussen wal en schip

(Hans)

Niets viel te horen
In deze dichte nevel
Tussen dek en dijk

(Goff Smeets)

Aandoenlijk

Vlinder in de tuin
Het kindje graait, hij fladdert
Het graait, hij fladdert

(Issa)

Vlinder in de tuin
Het kindje graait, hij fladdert
Het graait, verplettert

Angstige baby met reusachtige blauwe vlinder op z'n hoofd

Dagdromen

Die oude pijnboom
Hij is nog lang geen boeddha
Maar heerlijk droomt hij

(Issa)

Die oude pijnboom
Hij is allang een boeddha
En nog steeds droomt hij

Het reine land

Zacht glanst een dauwdrop
Zachtmoedig koeren duiven
Boeddha, behoed ons

(Issa)

Zachtjes koert een duif
En onaangedaan glimlacht
De boeddha ons uit

Stenen boeddhabeeld met kop van duif als hoofd

Gassho Basho

Die bij de bliksem
Geen inzicht heeft verworven
Hoe edel is hij

(Basho)

Die bij de bliksem
Geen inzicht heeft verworven
Hoe ijdel is hij

(Hans)

Edel de bliksem
Even ijdel de donder –
Niets van te bakken

(Goff)

Monnik met raksu, vinger in de lucht, wordt geraakt door d e bliksem
Die bij de bliksem / Geen inzicht heeft verworven / Hoe ijdel is hij

Schijngestalten

Hij wordt gebroken
En weer gebroken, toch blijft
De maan in ’t water

(Chosu)

Hij wordt gebroken
En gebroken, toch valt de
Maan nooit in ’t water

(Hans)

Hij wordt gebroken
En gebroken, zelfs de maan
Valt steeds in ’t water

(Hans)

Maan op het water
Er komt maar geen einde aan
Flarden en stukken

(Goff)

Wat viel daar in het water?

Wat viel in ’t water
Zo diep in het zomerbos
Een bloem, een besje?

(Buson)

Wat viel in ’t water
Zo diep in het zomerbos
Een plan, een feestje?

5 Monniken met geloken ogen, één met een feesthoedje, midden in een meertje
Wat viel daar in het water? Een plan, een feestje?

Zonder perspectief

De zeis aanzettend
Zag ik het ganzenbloempje
Verdrietig kijken

(Meisetsu)

De zeis aanzettend
Bleef toch het ganzenbloempje
Rustig doorbloeien

Vlooienspel

Zou voor de vlooien
De herfstnacht ook zo lang zijn
En ook zo eenzaam?

(Issa)

Zou voor de mensen
De wereld ook zo snel zijn
Zo groot en harig?

Beeld en storm

Bij een bliksemflits
Boog ik voor ’t beeld van Boeddha
Ver in de heide

(Kakei)

Nooit boog het beeld van
Boeddha ver in de heide
Eens naar mij terug

Twee naar elkaar toe buigende figuren uit steen gehouwen
Nooit boog het beeld van / Boeddha ver in de heide / Eens naar mij terug

Kabbel en babbel

O, lang is de nacht
Het geluid van het water
Zegt mijn gedachten

(Buson)

O, lang is de nacht
Mijn gedachten zeggen het
Geluid van water

In de regen

Voor alle mensen
Sta ik hier in de regen
Biddend tot Boeddha

(Issa)

Alle mensen zeg
Sta ik hier in de regen
Biddend tot een beeld

Bedacht

Een horen is kort
Een horen lang, waarover
Zou die slak denken?

(Buson)

Een hoorn is kort of
Een hoorn is lang, dus waarom
Zou die slak denken?

Een roze slak met hersenen in de voelshoorns en hersenen als slakkenhuis
Waarom zou die slak denken?

Voortgejaagd

O najaarswinden
Nader tot Boeddha gaan wij
Al verouderend

(Issa)

O najaarswinden
Ook vandaag waaien wij weer
Alle kanten op

Zwervers

Zwervende priester
Is in de mist verdwenen
Zijn bel klinkt nog voort

(Meisetsu)

Ik hoorde hem echt
Priester bellend in de mist
Maar het was een koe

De heilige

Vleesgeworden vers
Dichter zonder woord of daad
Haikoe in de wei

Maanblind

In mijn vensterruit
Hangt nog steeds de maan, de dief
Heeft hem vergeten

(Ryokan)

Aan de hoogste boom
Hangt nog steeds de dief, de maan
Heeft hem vergeven

Aan een kale tak
Hangt nog steeds de maan, haar licht
Heeft ze gestolen

Maansikkel in een strop aan een tak

Hoog spel

Wij speelden huishouden
Een kinderspel, speelden
Tot de herfstavond

(Shiki)

Wij spelen leven
Een kinderspel, anders niet
’t Wordt steeds vergeten

Samen alleen

Een vuurvlieg flitste
Kijk! had ik haast geroepen
Maar ik was alleen

(Taigi)

Een vuurvliegje flitst
Kijk! had het haast geroepen
Maar het was alleen

De heilige berg

Dikke huisjesslak
Ook jij, beklim de Fuji
Maar langzaam, langzaam

(Issa)

Arme huisjesslak
Ook jij raakt al klimmende
Steeds verder van huis

Arme huisjesslak
Ook op de Fuji blijf jij
Aan huis gebonden

Oude voorovergebogen monnik met een tempel op zijn rug vergroeid
Arme heilige / Ook op de Fuji blijft hij / Aan huis gebonden

Afgedroogd

Die vlieg niet doodslaan
Hij wast voor u zijn handjes
Hij wast zijn voetjes

(Issa)

De mepper zwiept, hoor
Het zuchten van de lucht, kijk
Bromvlieg op zijn rug

Op z’n rug een vlieg
Hij spreidt voor u zijn vleugels
Hij toont u zijn buik

Gevallen

Een blik in de eeuwigheid
Ontdek ik in de gevallen blaren
In mijn tuin

(Kyorai)

Mijn blik op de eeuwigheid
Verlies ik in de gevallen blaren
In mijn tuin

Mezelf verlies ik
In de gevallen blaren
In mijn tuin

Gevallen ben ik
In de gevallen blaren
In mijn tuin

Vergeefs

Nog weer eens vergeefs
Opent hij zijn snaveltje
Eenzaam vogeljong

(Issa)

Nog weer eens vergeefs
Opent hij zijn tere kelk
Eenzaam krokusje

Mussenjong in nest
Spert zijn keeltje open, ah
Zonlicht in z’n buik

Krokus in het gras
Moedermus vliegt af en aan
Kelkje vol met brood

Paarse krokus met broodkruimels in zijn kelk
Krokus in het gras / Moeder mus vliegt af en aan / Kelkje vol met brood

Onder en boven

Diep onder water
Zacht zijn vinnen bewegend
Een karper die droomt

(Kyoroku)

Ver boven water
Zacht zijn lippen bewegend
Een mens die murmelt

Geen woord meer

O, dat is, dat is
Geen woord meer, de bloeiende
Yoshinobergen

(Teishitsu)

O, dat is, dat zijn
Ach, dat zijn, dat is, dat zijn
Och, dat is, dat, o

Waar dan?

Helemaal niemand
Een rietstoel in de schaduw
En dennennaalden

(Shiki)

Een lege rietstoel
Overal dennennaalden
Kun je niemand zien?

Onzichtbare boeddha, met alleen haar en pij zichtbaar
Kun je niemand zien?

Op de tast

De erwtenranken
Denken bij zichzelve, kom
Waar gaan we nu heen?

(Kigiro)

Ook erwtenranken
Denken bij zichzelf, jemig
Waar gaan we toch heen?

Steken tellen

Die woedende wesp
Hij stak de stenen Boeddha
Nog eens en nog eens

(Bokusui)

Een bij steekt boos een
Boeddhabeeld en sterft eraan
Wie heeft het gedaan?

Stenen boeddhahoofd met geel achterlijf en angel van een wesp als haar

Waarom ter wereld?

Waarom ter wereld
Hebben ze groene rupsen
Horens gegeven?

(Buson)

Waarom ter wereld
Zouden ze groene rupsen
Geen horens geven?

Waarom ter wereld
Hebben ze alle mensen
Haren gegeven?

Waarom ter wereld
Hebben ze alle mensen
Woorden gegeven?

Waarom ter wereld
Hebben ze alle woorden
Mensen gegeven?

Mensen met woorden

‘Waarom ter wereld hebben ze alle mensen woorden gegeven?’

‘Waarover zouden we het anders de hele dag moeten hebben?’

Woorden met mensen

‘Waarom ter wereld hebben ze alle woorden mensen gegeven?’

‘Wie had die vraag anders moeten stellen?’

Waar pioenen bloeien

Een tempel waar
Pioenen bloeiden liep ik voorbij
Het spijt me nu

(Buson)

Tempels loop ik langs
Maar waar pioenen bloeien
Blijf ik even staan

Onvermoeibaar

Altijd nog pikt hij
Op dezelfde boom, die specht
Al valt ook de avond

(Issa)

Nog steeds krast hij op
Diezelfde lei, de dichter
Al valt ook de avond

Krassen zonder kraaien

In de herfstavond
Komt een kraai langsgevlogen
Zonder te krassen

(Kishu)

Op mijn lei kras ik:
Er vliegt weer een kraai voorbij
Zonder te krassen

Zwarte kraai krast met zijn snavel op een ouderwets lijtje

Zwammen

Naar zwammen zoekend
Hief ik het hoofd op, daar stond
De maan op de berg

(Buson)

Naar zwammen zoekend
Dacht de dichter plotseling
Wie is hier de zwam?

Drie keer

Drie keer weerklonk hij
Toen was niet meer te horen
De kreet van het hert

(Buson)

Drie keer, steeds zachter
Klonk de kreet van een hert, of
Waren het er drie?

Drie keer, steeds zachter
Klonk de kreet van een hert, of
Was het een jager?

Wit Wit silhouet van 3-koppig hert met geweien in een groene achtergrond
Of anders was het alleen / Een driekoppig hert

Echt een mens

Liever dan een god
Zou ik willen proberen
Echt een mens te zijn

(Kenkabo)

Liever dan een mens
Zou ik willen proberen
Nu eens niets te zijn

Liever dan niets zijn
Zou ik willen proberen
Niets te proberen

Zwevers

Van de ene vogel-
verschrikker naar de andere
Vliegen de mussen

(Sazanami)

Van de ene wijze
Naar de andere wijze
Vliegen de mensen

Boeddhistische vogelverschrikker in het veld.

Ik kom

Ja, ik kom! riep ik
Maar op mijn besneeuwde poort
Klonk nog steeds kloppen

(Kyorai)

Ja, ik kom! dacht ik
Maar in mijn benauwde borst
Klonk nog steeds kloppen

Mensenverschrikkers

Wanneer de maan schijnt
Och, lijken zij op mensen,
Vogelverschrikkers

(Shiki)

Ja, zelfs bij daglicht
Lijken de mensen op ons
Vogelverschrikkers

Tekening van een volle maan met strohoed in de ruimte met sterren
Wanneer ik vol ben / Ben ik de allergrootste / Mensenverschrikker

Wij en ik

Herfstwinden waaien
Wij leven en kunnen elkander
Zien, jij en ik

(Shiki)

Herfstwinden waaien
Wij leven en menen steeds
Elkander te zien

Eindelijk

Van heel ver hoor ik
Langverwachte voetstappen
In het dorre blad

(Buson)

Ik hoorde haar kloppen
Op mijn deur, wat een passie!
Mijn hart bonsde mee…

Nat gaan

Een najaarsvlinder
Is in het gras gevallen
Nat van de regen

(Kido)

Een najaarsvlinder
Is in het gras gevallen
En natgeregend

Het gat van de poort

Van de grote abdij
Staat alleen nog de poort
In de dorre heide

(Shiki)

Van de oude poort
Staat alleen nog het gat, wij
Zijn te benijden

Heide landschap met stenen poort, poortdoorgang is semi-transparant

Geheime levens

De bovenste twijg
Weet van ’t geheime leven
Diep in de wortels

(Shoichi)

De twijgen weten niet
Van het geheime leven
Diep in de wortels

De wortels weten niet
Van het geheime leven
Hoog in de twijgen

De wortels weten niet
Van het geheime leven
Diep in de wortels

Wie o wie weet wat
Wortels en twijgen weten
Van elkaar en ons?

Leeg gezicht met een boom, met lange wortels en een paar blaadjes op het hoofd geplant

Vredig

Ik boog voor ’t altaar
Helemaal niets te vragen
Hoe vredig is dat

(Shoichi)

Ik boog voor allen
Helemaal niets te zeggen
Hoe vredig is dat

De glimlach van een kind

De oude meester
Hij geeft geen aanwijzingen
Hij heeft geen woorden

Geleerden

Wat ook geleerden
Over haar vertellen, ’t blijft
Onze mooie maan

(anoniem)

Wat ook geleerden
Ons allemaal vertellen
’t Blijft een raar bestaan

Heel de duisternis

Toen ’t elektrisch licht
Uitviel zag ik plotseling
De sterrenhemel

(anoniem)

Toen de sterrenhemel
Uitviel, zag ik eindelijk
Heel de duisternis

Monnik met vinger in de lucht in het donker (zwart wit tekening)
Toen de sterrenhemel / Uitviel, zag ik eindelijk / Heel de duisternis

Ontwaakt!

Wakkerder dan ooit
O lettergrepenteller
Haiku in de nacht

Tempelcomplex en aardewerk

De schalen en de kommen van ieder huis
In het Hemelse Jeruzalem
Zullen zijn als de schalen en de kommen
Van de tempel

(Sokan)

De schalen en de kommen van de tempel
Zullen zijn als de schalen en de kommen
Van elk huis

Joods altaar met rollen en kinderservies

Laat het

Van het natte pad
Naar het nooit meer natte pad
Onderweg rustend
Laat het waaien als het waait
Regenen als het regent

(Ikkyu)

Van het natte pad
Naar het nooit meer natte pad
Wat er ook gebeurt
Laat het klagen als het klaagt
Vloeken als het vloekt

Roependen en geroepenen

Een tempelbel roept
Ook een watervogel roept
De nacht wordt donker

(Issa)

Niemand die ons roept
Maar wij blijven roepen dat
Wij zijn geroepen

De Schreeuw, met open mond met rinkelbelletjes

Haiku

Vijf, zeven en vijf
Lettergrepen naar de macht
Woorden in de wind

Hier rust

Reizend werd ik ziek
Over verdorde heiden
Blijft mijn droom dwalen

(Basho, doodshaiku)

Mijn leven loopt dood
In uitgedroogde woorden
Blijft mijn droom steken

Grafsteen op een veld met de tekst: hier rust

In memoriam voor de serie Haiku op Haiku

Van Goff ontving ik na publicatie van deze pagina in het Boeddhistisch Dagblad onderstaande dubbelhaiku met opdracht.

In memoriam voor de serie Haiku op Haiku

Lezend sterf ik af
Dorre woorden overal
Wat ik ook maar schrijf

Schrijvend vat ik vlam
Dorre woorden overal
Vliegen in de fik