Hans van Dam

‘Mijn curriculum vitae? Het leven neemt een loopje met me.’ Hans van Dam: niet wie je denkt. Malle babbels over de onbekende auteur van niet-weten.nl.

Tips: Colofon, Er is meer in mij dan liefde alleenMeester Hans, Publicaties, Wat is niet-weten.nl?

Mijn ware gezicht

Wie zou ik zijn zonder jou

Hierboven zie je een mozaïek van duizenden pixels (picture elements), monochrome beeldvlakjes die samen de illusie wekken van een substantieel mens in een substantiële wereld.
Overtuigend, nietwaar?
Vooral als we het mozaïek in kwestie een foto noemen, de illusie een naam geven, laten we zeggen Hans van Dam, en uitroepen tot auteur dezes.

Een en ander doen we natuurlijk niet op eigen kracht maar met behulp van honderden andere mozaïekjes in de vorm van letters en leestekens die zich ogenschijnlijk aaneenrijgen tot woorden, zinnen en alinea’s.
Daarin legt de lezer ongemerkt zelf de betekenis die hij vervolgens zonder meer aan auteur dezes toeschrijft.

Wie zou ik zijn zonder jou?

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van jezelf, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

Nog een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van het zelf, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

Curriculum vitae

Te gek voor woorden

Sommige mensen vragen zich af wie het is die al die dwaalteksten uit zijn duim zuigt.
Dat zou ik ook weleens willen weten.
Ongetwijfeld gaat iemand mij dat nog eens haarfijn uitleggen.
Een of andere roshi of goeroe.
Een priester of een humanist.
Een sjamaan of een vrijmetselaar.
Een astronoom of een astroloog.
Een monist of een non-dualist.
Een nihilist of een pluralist.
Een darwinist of een neuroloog.
Een fysioloog of een kwantumfysicus.
Een filosoof of een frenoloog.
Een psychiater of een psycholoog.
Maar tot die tijd zul je het met mijn cv moeten doen.

Als jongeling vlucht Hans zo lang mogelijk heen en weer tussen de Universiteit van Utrecht en Japan.

Als dat echt niet langer gaat, doet hij zich vijf jaar lang voor als een brave burgerman, compleet met koopwoning, overheidsbetrekking en samenlevingscontract.

Als dat echt niet langer gaat, doet hij zich vijf jaar lang voor als een ambachtelijke kunstenaar, compleet met tekentafel, lichtbak, episcopen, Leica, doka en thuisstudio.

Als dat echt niet langer gaat, doet hij zich vijf jaar lang voor als een filosoof, compleet met opschrijfboekje, dictafoon en tekstverwerker.

Als dat echt niet langer gaat, schept hij zich een vrijplaats, een oase van onrust, Idios genaamd, waarin, eindelijk, niets meer ongedacht of ongezegd hoeft te blijven; waarin ieder appeltje van iedere boom ongestraft gegeten mag worden.

Ten slotte doet hij nog één poging om iets van zijn leven te maken.
Hij moet en zal de waarheid vinden.
Het waarom, het waarheen, het waartoe!

Dan weet hij het helemaal niet meer.
Zelfs dáárvoor staat hij niet in.
Wel komt hij ervoor uit.
En dat is het verschil.

Maar hoe moeten we hem nou omschrijven.
Als een heraut zonder boodschap?
Als een illusionist zonder illusies?
Als een dominee zonder kansel?
Als een nar zonder hof?
Als een zwerver zonder ransel?
Als een kind met een rugzakje?
Een leeg rugzakje natuurlijk.
Dat dan weer wel.

Hans van Dam is gewoon te groot voor woorden.
Ik bedoel natuurlijk te klein voor woorden.
Te gewoon voor woorden.
Te gek voor woorden.
En wie is dat nou niet.
En wat is niet te gek voor woorden.

Zonder omhaal

Zelfportret

Als een vrijbuiter – zonder buit
Als een kaper – zonder kust
Als een boekanier – zonder boeken
Als een piraat – zonder raad
Als een oproerling – zonder roer
Als een dwarsligger – zonder rails

Hemelrijk

Tot tranen toe

‘Hoe voelt niet weten?’
‘Rijk.’
‘Hoe rijk?’
‘Zo rijk als de hemel.’
‘Heb je daarom tranen in je ogen?’
‘Wie zal het zeggen.’
‘Waar ben je dan zo rijk mee?’
‘Geen idee.’
‘Met de Waarheid?’
‘Ken ik niet.’
‘Met de Werkelijkheid?’
‘Ken ik niet.’
‘Met de Wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Heb ik niet.’
‘Met het Ene?’
‘Ken ik niet.’
‘Met het Numineuze?’
‘Ken ik niet.’
‘Met je Oorspronkelijke Gezicht?’
‘Heb ik niet.’
‘Waar ben je dan zo rijk mee?’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Geen idee.’

Face job

‘Is niet-weten jouw oorspronkelijke gezicht, Hans?’
‘Zeg maar gerust mijn oorspronkelijke gezichtsverlies.’
‘Je ziet het niet als een triomf?’
‘En ook niet als een debacle.’
‘Hoe zie je het dan wel?’
‘En ook niet als een het.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Niet weten is gewoon geen gezicht.’

Geen gezicht

midden in de week maar zondags niet

Maandag

‘Ben jij eigenlijk wel een boeddhist, Hans?’

‘Het boeddhisme heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een boeddhist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een non-dualist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Dinsdag

‘Ben jij eigenlijk wel een non-dualist, Hans?’

‘Advaita heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een non-dualist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een taoïst.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Woensdag

‘Ben jij eigenlijk wel een taoïst, Hans?’

‘Tao heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een taoïst. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een mysticus.’

‘Geef het kind maar een naam.

Donderdag

‘Ben jij eigenlijk wel een mysticus, Hans?’

‘Mystiek heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een mysticus. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een universalist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Vrijdag

‘Ben jij eigenlijk wel een universalist, Hans?’

‘Spiritualiteit heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een een universalist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een humanist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Zaterdag

‘Ben jij eigenlijk wel een humanist, Hans?’

‘De mensheid heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een een humanist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een boeddhist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Zondag

Hè hè.

Maandag

‘Ben jij eigenlijk wel een boeddhist, Hans?’

Leeg gezicht Hans

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Gezichtspunten

‘Ik heb veel gezichten, en elk daarvan is het mijne.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:12)

‘Ik heb veel gezichten, maar geen daarvan is het mijne.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:23)

‘Ik heb geen gezicht, maar dat is wel het mijne.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:32)

‘Ik heb geen gezicht, en ook dat is niet van mij.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:44)

Ik wou dat ik drie neuzen had

Een geluk bij een ongeluk

Drieneus

‘Je zal maar twee neuzen hebben’, zei de ene eenneus tegen de andere.

‘Je zal maar drie neuzen hebben’, zei de ene tweeneus tegen de andere.

‘Je zal maar één neus hebben’, zei de ene drieneus tegen de andere.

‘Je zal maar een neus hebben’, zei de ene platbek tegen de andere.

Wat zeg jij?

Geef het kind maar geen naam

Wat is het dat fascineert en doet beven?
Het onoplosbare raadsel dat mijn naam draagt.

In den beginne wist ik niets.
Niemand hoefde mij de weg te wijzen.
Alles ging vanzelf.
Ik speelde met verve, al was het geen rol,
maar mijn ouders wisten wel beter:
Niet weten was niets voor mij.

Hans voorop op het hobbelpaard

Ik stierf als speelkind en verrees als kind van god.
Religie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand kende de hoogste.
Kind zijn van god betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als kind van god en verrees als mens.
Humanisme zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand begreep onze soort.
Mens zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als mens en verrees als denker.
Filosofie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand kende de waarheid.
Filosoof zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als denker en verrees als ziel.
Psychologie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorzag de psyche.
Ziel zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als ziel en verrees als lichaam.
Fysiologie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand begreep het fysiek.
Lijf zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als lichaam en verrees als dier.
Biologie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorgrondde het leven.
Dier zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als dier en verrees als stof.
Fysica zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorzag de materie.
Stof zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als stof en verrees als geest.
Spiritualiteit zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand begreep het bewustzijn.
Geest zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als geest en verrees als het al.
Holisme zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand vatte de kosmos.
Alles zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als alles en verrees als niets.
Boeddhisme zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorgrondde de leegte.
Niets zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als niets en verrees niet meer.
De weg is vergeten, ik blijf wel hier.
Ik speel nog met verve, al is het geen rol.
Soms denk ik dat niemand iets weet,
al ben ik ook daarvan niet zeker.

Deze tekst is verschenen in het Boeddhistisch Dagblad als ‘In den beginne’.

Weetnietbeest

Bevers moeten knagen

‘Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe, Hans.’
‘De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.’
‘Waar is dat goed voor?’
‘Vraag dat maar aan de weetnietgeest.’
‘Dat doe ik toch?’
‘En wat zei de weetnietgeest?’
‘Vraag dat maar aan de weetnietgeest.’
‘Voilà.’
‘Maar waarom doe je het dan?’
‘Waarom doe ik wat dan?’
‘Ondermijnen. Uithollen. Slopen.’
‘Voor mij hoeft het niet.’
‘Bedoel je dat je het niet kunt laten?’
‘Ook daar zit ik niet op te wachten.’
‘Het hoeft niet en het hoeft niet niet?’
‘En anders maar wel.’
‘Rare snijboon.’
‘Wie?’
‘Bedoel je dat je niemand bent?’
‘Nou dat weer.’
‘Geen-geest, geen-zelf, anatman, inessentie, sunyata?’
‘Vraag het dan maar aan de weetnietgeest.’
‘De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.’
‘De wat?’
‘Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe.’

Geest om geest

Uitgegraven

‘Wat was jouw weg, Hans?’
‘Contractio mentis, dilatatio mentis.’
‘Pardon?’
‘De geest groef zich in, de geest groef zich uit.’
‘En jij dan?’
‘Ik dacht dat ik die geest was.’
‘Nu niet meer?’
‘Ik kan wel zoveel denken.’
‘Er is alleen nog maar geest?’
‘Ook uitgegraven.’
‘Hoe zit het met ascese? Caritas? Meditatio? Contemplatio? Heb jij geloften afgelegd?’ Wat heb je allemaal gepraktiseerd?’
‘Ik heb alleen maar geprakkiseerd.’
‘Ik snap het niet, Hans.’
‘Een doorn verwijderd met een doorn.’
‘Maar wat was dan de doorn?’
‘De geest houdt de geest in zijn greep, de geest helpt de geest om zeep.’
‘De geest was de doorn.’
‘De geest nam de geest en de geest gaf de geest. Of andersom natuurlijk.’
‘Contractio mentis, dilatatio mentis.’
‘Dan lijkt het nog wat.’
‘En dat was jouw weg?’
‘En weg was de weg.’

Hans op het strand

Grote woorden maken het kleiner

Recht voor zijn raap

‘Heb jij het Ware Zelf gerealiseerd, Hans?’
‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel: grote woorden maken het kleiner.’
‘Ik bedoel, ben jij aan de dualiteit ontstegen?’
‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel: grote woorden maken het kleiner.’
‘Recht voor zijn raap dan: ben jij verlicht?’
‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel: grote woorden maken het kleiner.’
‘En het stelt toch al niks voor, wou je zeggen.’
‘Kleine woorden maken het kleiner.’
‘Geen woorden dan maar?’
‘Stilte maakt het te groot.’
‘Geen woorden maar daden?’
‘Woorden zijn ook daden. Taaldaden.’
‘Geen grote woorden, geen kleine woorden, geen stilte en geen daden?’
‘En geen opsommingen en geen negatieve definities.’
‘Mystiek hoor.’
‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel…’
“Mystisch, mystagogisch, mythisch, myrionymisch, mysterieus, numineus?”
‘Grote woorden maken het kleiner.’

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Fundamenteler

Wie wat realiseert die heeft wat

‘Hoe noem je iemand die de ingrond heeft gerealiseerd?’
‘De ongrond?’
‘De ingrond, Hans. De grond van alles. Het absolute. De leegte. De boeddhanatuur. Het onveranderlijke. Dát.’
‘O, dat.’
‘Nou?’
‘Een fundamentalist, zou ik zeggen.’
‘Pardon?’
‘Wie wat realiseert die heeft wat.’
‘En jij dan?’
‘Tja.’
‘Ik bedoel, hoe noem je iemand die de ongrond heeft gerealiseerd?’
‘De ingrond?’
‘De ongrond. Ben je doof of zo?’
‘Een fundamentalist, zou ik zeggen.’
‘Hè?’
‘Wie wat realiseert die heeft wat.’
‘Wat maakt dat jou?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Maar jij hebt toch de ongrond gerealiseerd?’
‘Wat ben ik, een fundamentalist?’
‘Jij bent toch van niet-weten?’
‘Wat ben ik, een fundamentalist?’
‘Heb jij soms iets tegen fundamentalisme?’
‘Wat ben ik, een fundamentalist?’
‘Niet de ingrond, niet de ongrond, wat dan wel?’
‘Tja.’

Lees ook: Meester Tja en de tao van tja, Zeg maar tja tegen het leven.

Deze tekst is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Fundamenteelst

Witte rook

‘Ik las ergens dat jij jezelf een allesbrander noemt, Hans. Bedoel je daarmee dat je tot geen enkele traditie behoort?’
‘Ik bedoel daarmee dat ik tot elke traditie behoor.’
‘Bedoel je daarmee dat er in elke traditie ruimte is voor niet-weten?’
‘Ik bedoel daarmee dat er in niet weten ruimte is voor elke traditie.’
‘Behalve fundamentalistische dan toch?’
‘Waaronder fundamentalistische, antifundamentalistische, fundamentele, ongefundeerde, en noem maar op.’
‘Maar die behoren toch allemaal tot het weten?’
‘Joost mag weten waartoe ze allemaal behoren.’
‘Maar wat is dan nog het verschil met niet-weten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Wat jou betreft mag alles in de allesbrander, zelfs niet-weten.’
‘Zelfs de allesbrander.’

Deze tekst is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Grieks

Of Latijn

‘Geloof jij in reïncarnatie, Hans?’
‘Eerst werd ik geboren in den vleze.’
‘Als mens.’
‘Dat was het einde van de vergetelheid.’
‘En toen?’
‘Werd ik geboren in de liefde.’
‘Voor Lucienne.’
‘Dat was het einde van mijn eenzaamheid.’
‘En toen?’
‘Werd ik geboren in den vreemde.’
‘Als weetniet.’
‘Dat was het einde van mijn wijsheid.’

‘Hoe oud ben je nu?’
‘Achtenvijftig, vijfentwintig en negen.’
‘Zitten er nog meer geboortes aan te komen?’
‘Weet ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Tot nog toe kwam iedere geboorte onverwacht.’
‘En na de dood?’
‘Eerst maar eens zien te sterven.’
‘Geloof jij dan niet in de dood?’
‘Misschien word je er wel in geboren.’
‘Denk je dat of weet je dat?’
‘Ik zeg maar wat.’
‘En waar zou dat het eind van zijn?’
‘Geen idee, van mijn Latijn?’

Ia

Grauw en ik zijn poot en been
We houden veel van reizen
Maar overal diezelfde steen
Ai ai, de steen der wijzen

Steenbreek

Helemaal aan diggelen

‘Met welk dier zou jij jezelf vergelijken, Hans?’
‘Ik ben nog stommer dan een ezel.’
‘Hoezo?’
‘Zelfs een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen.’
‘En jij?’
‘O, wel duizendmaal.’
‘Wat voor steen?’
‘De steen der wijzen natuurlijk.’
‘En nu?’
‘Heb ik geen poot meer om op te staan.’
‘En die steen?’
‘Helemaal aan diggelen.’
‘Zul je je ooit nog stoten?’
‘Waaraan?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Waarmee?’
‘Tja.’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Hoe stom kun je zijn.’
‘Ik ben nog stommer dan een ezel.’
‘Met welke plant zou jij jezelf vergelijken, Hans?’

De val

De weg van de vernedering

– Wat was jouw weg, Hans?
– Wat zal ik vandaag weer eens zeggen.
– Nou?
– Een lange reeks vernederingen dan maar.
– Wat was het resultaat daarvan?
– Vernietiging van eigendunk.
– Ik dacht dat de weg er een was van spirituele groei.
– Bij mij is er niets gegroeid.
– Of van toenemende vaardigheid.
– Bij mij is er niets toegenomen.
– Of van voortschrijdend inzicht.
– Bij mij is er niets voortgeschreden.
– Of van optrekkende mist.
– Bij mij is er niets opgetrokken.
– Wat zou jij zeggen?
– Tja.
– En die weg ben jij vrijwillig gegaan?
– Ik heb de hele weg tegengestribbeld.
– Dan heb je weinig om trots op te zijn.
– Zeg maar gerust niets.
– Dan heb je niets om trots op te zijn.
– Zeg maar gerust niemand.
– Maar ook niemand om je voor te schamen zeker?
– Je probeert de huid te verkopen voor je de beer geschoten hebt.
– En als ik de beer geschoten heb?
– Dan zijn je vragen overbodig.
– Omdat ik de antwoorden dan weet?
– Deze vraag ook.
– Wie of wat is de beer?
– Deze ook.
– Wat moet ik doen om de weg van vernedering te gaan?
– Je bent allang onderweg.
– Wat moet ik onderweg doen?
– Tegenstribbelen.
– Maar ik wil juist meewerken.
– Wou jij je de weg toe-eigenen?
– Ik wil hem gaan, niet ondergaan.
– Allemaal eigendunk.
– Hoe moet ik tegenstribbelen?
– Je doet al niet anders.
– Hè?
– Alleen al door mee te willen werken.
– Door mee te willen werken, stribbel ik tegen?
– Onder meer.
– Dus eigenlijk doe ik het zo slecht nog niet.
– Allemaal eigendunk.
– Geef nog eens een voorbeeld van eigendunk.
– Denken dat je ooit vrij zult zijn van eigendunk.
– Wat is het toppunt van eigendunk?
– Denken dat je vrij bent van eigendunk.
– Hoogmoed komt voor de val.
– Deemoed net zo goed.
– Wat komt niet voor de val?
– De val.

Deze tekst is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Als de put verdronken is

Mijn geheim

Beste Hans,
In al je teksten, om het even welke, maak je op mij een vrije en verloste indruk. Trefzeker, ook al schiet je vanuit de heup. Leg eens uit. Wat is jouw geheim?

Beste X,
Dat ik niks meer uit te leggen heb?
Behalve dat ik niks meer uit te leggen heb.
God sta me bij.

Misschien is dit mijn geheim:
Ik ben verlost van de verlossers.
Ontsnapt aan de snappers.
Verweesd van de wijzen.
Bevrijd van de vrijheid.
Ontdaan van de doener.
Ook de getuige is afgetuigd.
Zelfs niemand ben ik niet.
Hoe het zo gekomen is, weet ik precies niet.
Maar om dat nou een geheim te noemen…

Beste Hans,
Wat was jouw weg?

Beste X,
Als ik een weg had, zou ik hem meteen openstellen.
Het zou een weg zijn met tweerichtingsverkeer, zodat je op je schreden kan terugkeren wanneer je maar wilt.
Dat is pas vrijheid.

Beste Hans,
Zou jij op je schreden terugkeren?

Beste X,
Schrijden is voor koningen.

Beste Hans,
Kruipen dan?

Beste X
Ik zit hier goed, zei de nar op de aambei.

Beste Hans,
Pardon?

Beste X,
Wat kan ik zeggen.
Niks zo lekker als honger.
Er is nog nooit een put verdronken.
Alleen de val komt niet voor de val.
Geen groter uitzicht dan geen inzicht.
Begrijp je wat ik bedoel?

Beste Hans,
Nee.

Beste X,
Nou, ik ook niet.
Wat maakt het uit.
Praten over een terugweg.
Man, ik heb niet eens een heenweg.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Lees ook: Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand.

Leefruimte

voor een bekrompen geest

– Heb jij echt overal ruimte voor, Hans?
– Zelfs voor bekrompenheid.
– Ik bedoel, sta jij echt overal voor open?
– Zelfs voor geslotenheid.
– Aanvaard jij werkelijk alles?
– Zelfs afwijzing.
– Heb je het nou over anderen of over jezelf?
– Ik heb overal ruimte voor.
– Maar bedoel je nou dat je ruimte hebt voor andermans bekrompenheid of voor die van jezelf?
– Ik heb overal ruimte voor.
– Bedoel je dat je open staat voor andermans geslotenheid of voor die van je zelf?
– Ik heb overal ruimte voor.
– Bedoel je dat je andermans afwijzen aanvaardt of dat van jezelf?
– Ik heb overal ruimte voor.
– Mag ik hieruit concluderen dat jij zelf niet vrij bent van bekrompenheid, geslotenheid en afwijzen?
– Niet dat ik weet.
– Is dat een keuze of overmacht?
– Ik heb overal ruimte voor.
– Bedoel je daarmee dat het je niet uitmaakt of dat je het niet weet?
– Ik heb overal ruimte voor.
– Wat is niet weten, Hans?
– Wat een vraag.
– Overal ruimte voor hebben, zou ik zeggen.
– Dan ook voor wel-weten.
– Jij bent toch van niet-weten.nl?
– Ik ben nergens van.
– Ik bedoel, niet-weten.nl is toch van jou?
– Niets is van mij.
– Hè?
– Alles dan?
– Maar weten is toch juist…
– Ik heb overal ruimte voor.
– Jij hebt echt overal ruimte voor, Hans.
– Zelfs voor bekrompenheid.

Losse flodders

‘Niet weten is een BOM, Hans!’
‘Voor de meeste mensen is het een blindganger.’
‘Die ieder moment af kan gaan!’
‘Maar daar rijdt de explosievenopruimingsdienst alweer voor.’

Vragenvuur

Het verhaal achter het verhaal

‘Beste Hans, ik zou je graag interviewen voor …’
‘Leuk.’
‘Je mag helemaal zelf bepalen hoe of wat.’
‘Echt?’
‘Wat zou je het liefste willen?’
‘Dat jij de antwoorden geeft.’
‘Hè?’
‘Dan bedenk ik er wel weer vragen bij.’

‘Beste Hans, ik zou je graag interviewen voor …’
‘Daar komen alleen maar antwoorden van.’
‘Ik heb het niet over spirituele of religieuze vragen; het gaat mij om de mens achter de website. Mensen willen weten wie jij bent.’
‘Anders ik wel.’
‘Ze willen weten waar je het allemaal vandaan haalt.’
‘Bedenk maar wat.’
‘Dat kan ik niet verantwoorden.’
‘Of jij het nou doet of ik.’
‘Dus je wilt niet meewerken?’
‘Kun je hiermee uit de voeten?’

‘Beste Hans, ik zou je graag interviewen voor …’
‘Gaat het om de mens achter het verhaal of het verhaal achter de mens?’
‘Om de mens achter het verhaal.’
‘Als ik hem zie zal ik het doorgeven.’
‘Ik bedoel, om het verhaal achter de mens.’
‘Als ik het hoor zal ik het doorgeven.’

De man die alles wist

‘Hoe zou jij jezelf omschrijven?’
‘Als de man die alles wist.’
‘Wat wist je allemaal?’
‘Dat is de vraag niet.’
‘Wat is de vraag wel?’
‘Wat ik allemaal wis.’
‘O, zo.’
‘O zo.’
‘Wat wis je allemaal?’
‘Wat niet.’
‘Wat blijft er over als je alles wist?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Het enige wat overblijft is niet-weten?’
‘Ook gewist.’
‘Het enige wat overblijft is wissen?’
‘Ook gewist.’
‘Maar hoe moet ik jou nu omschrijven?’
‘Als ik dat eens wist.’

Pief paf poef

‘Ben jij veranderd door niet-weten, Hans?’
‘Ik ben er niet door veranderd, niet weten is de verandering.’
‘Wat houdt die verandering in?’
‘Eerst was ik een hele pief. Nu sta ik aldoor paf.’
‘Denk je niet dat iedereen eigenlijk paf staat zonder het te weten of toe te geven?’
‘Dat moet je aan iedereen vragen.’
‘Wat als je aldoor paf staat?’
‘Dan gaan je gedachten aldoor in rook op.’
‘Deze ook?’
‘Poef.’

Tegenwoordiger

‘Welke traditie vertegenwoordig jij eigenlijk, Hans?’
‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’
‘Jij vertegenwoordigt alleen niet-weten?’
‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’
‘Bedoel je dat je alleen jezelf vertegenwoordigt?’
‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’
‘O, ik snap het al.’
‘Nou ik nog.’
‘Jij vertegenwoordigt het niet-vertegenwoordigen.’
‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

Tegen woordigheid

‘Hans, wat betekent mindfulness voor jou?’
‘Tegen woordigheid van geest.’
‘En dat in het hier en nu zeker?’
‘Dat is ook weer zo’n woord.’
‘Met volledige aandacht.’
‘Dat is ook weer zo’n woord.’
‘Met volledige aandacht betekent anders hetzelfde als mindfulness.’
‘Dat is ook weer zo’n woord.’
‘Ik ben ook tegen woordigheid.’
‘Je zou het zo niet zeggen.’
‘Omdat de waarheid voorbij de woorden is.’
‘Hoe kun je dat dan zeggen?’
‘Aan jouw tegenwoordigheid van geest mankeert duidelijk niets.’
‘Dat is ook weer zo’n woord.’
‘Tegenwoordigheid of geest?’
‘Woord.’

Nul is niet niks

Ik ga er niet om liegen

– Wat heb jij gerealiseerd, Hans?

– Geen idee.

– Is dat wat je hebt gerealiseerd of weet je het niet?

– Dat zeg ik.

– De Waarheid? De Werkelijkheid? De Wijsheid voorbij alle Wijsheid? De Geest? Het Zelf? Het Hart? Je Boeddhanatuur? Je Ware Aard? Je Oorspronkelijke Gezicht?

– Daar weet ik allemaal niets van.

– Wat dan wel?

– Mijn kleinheid dan maar.

– Jij hebt je Kleinheid gerealiseerd?

– Met een kleine letter.

– Vergeleken met wat?

– Een hoofdletter natuurlijk.

– Vergeleken met het Allerhoogste? Het Ene? Het Absolute? Het Goddelijke? Het Alomtegenwoordige? Het…

– Daar weet ik allemaal niets van.

– Ook al niet?

– Sorry.

– Bedoel je dat zoiets niet bestaat?

– Ik kan alleen maar voor mezelf spreken.

– En als je voor jezelf spreekt?

– Geen idee.

– Nou, daar kun je mee voor de dag komen.

– Groter kan ik het niet maken.

– Hoe klein ben jij wel niet?

– Je mag me gerust een nul noemen.

– Verwijs je daarmee naar Stilte, Leegte, Bewustzijn, Gewaarzijn, Kennendheid, Openheid, Ruimte, Niet-iets, Niets, Niet-zijn, Ledigheid, Vol-ledigheid, Inessentie, Sunyata, Geen-geest, Geen-zelf, Parabrahman, Anatman of zo?

– Daar weet ik allemaal niets van.

– Nee, dat dacht ik wel.

– Ik ga er ook niet om liegen.

– Wat blijft er dan nog over?

– Waarvan?

– Maar wat heb jij nou gerealiseerd, Hans?

– Geen idee.

– Is dat wat je hebt gerealiseerd of weet je het niet?

– Dat zeg ik.

– Je kleinheid, zei je volgens mij.

– Alleen maar om tegenwicht te bieden.

– Ik geef het op.

– Zo kun je het ook zeggen.

Masters of the Universe

Spelende wijs

– Wat is momenteel jouw favoriete lectuur, Hans?

– Eh… Perry Rhodan.

– Science-fiction?

– Je moet toch wat.

– Ik bedoelde eigenlijk op het gebied van religie en spiritualiteit.

– Dat zeg ik.

– Wat?

– Perry Rhodan.

– En verder?

– Heb ik momenteel geen favoriete lectuur.

– Geen soetra’s, geen upanishaden, geen gita’s? Geen BoeddhaMagazine, geen Filosofie Magazine, geen InZicht? Geen boeken, geen bladen, geen blogs?

– Auteurs die schrijven over niet weten hoef ik niet te lezen want die hebben geen boodschap. Aan auteurs met een boodschap heb ik geen boodschap, dus die hoef ik niet te lezen.

– Dus wat zal je nog.

– Dat zeg ik.

– Wat?

– Perry Rhodan.

– Wie is daarin je favoriete karakter?

– Gucky.

– Gekkie.

– Een pratende muisbever die alleen maar wil spelen en tuk is op wortelen.

– Niet Perry Rhodan?

– Stel je voor.

– Waarom niet?

– Perry is de held.

– Master of the Universe.

– Dat denkt hij tenminste.

– Jij denkt van niet.

– Het is maar een verhaal.

– En jij bent tuk op wortelen.

– En ik wil alleen nog maar spelen.

– Wat is iemand die alleen nog maar speelt?

– Master of the Universe.

Agent in burger

‘Als jij een monnik was, wat voor een zou je er dan willen zijn, Hans?’
‘Een stille.’
‘Waarom hou je dan je mond niet?’
‘Omdat ik een stille wil zijn.’
‘Als jij een getuige was, wat voor een zou je er dan willen zijn?’
‘De stilste.’
‘Waarom leg je dan je pen niet neer?’
‘Omdat ik de stilste wil zijn.’
‘Bén jij een getuige?’
‘Ik zeg niks.’
‘Of toch meer een monnik?’
‘Jij zegt het.’

Ongeslagen

‘Wie God kent, is met stomheid geslagen.’
‘Wie zegt dat?’
‘Rumi, Hans.’
‘Wie met stomheid geslagen is, spreekt niet van God.’
‘Want wie met stomheid geslagen is, kent geen God?’
‘Wie met stomheid geslagen is, spreekt niet van niet-God.’
‘Want wie met stomheid geslagen is, kent geen niet-God?’
‘Want wie met stomheid geslagen is, spreekt niet.’
‘Betekent dit dat Rumi God niet kent?’
‘Vraag dat maar aan Rumi.’
‘Betekent het dat God Rumi niet kent?’
‘Vraag dat maar aan God.’
‘Wat betekent het dan wel?’
‘Dat Rumi niet met stomheid geslagen is.’
‘Ken jij God?’
‘Ik ben met stomheid geslagen.’
‘Bedoel je dat je God niet kent?’
….
‘Kent God jou?’

‘Bedoel je dat God jou niet kent?’

‘Ken jij jezelf?’

‘Bedoel je dat jij jezelf niet kent?’

‘Is er een jij om te kennen?’

‘Bedoel je dat er geen jij is om te kennen?’

‘Ken jij de wereld?’

‘Bedoel je dat je de wereld niet kent?’

‘Is er een wereld om te kennen?’

‘Bedoel je dat er geen wereld is om te kennen?’

‘Ben jij het kennen zelf?’

‘Bedoel je dat jij niet het kennen zelf bent?’

‘Is er zoiets als het kennen zelf?’

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als het kennen zelf?’

‘Bedoel je dat je niets weet?’

‘Bedoel je dat je toch iets weet?’

‘Bedoel je dat er niets te zeggen is?’

‘Bedoel je dat er toch iets te zeggen is?’

‘Bedoel je dat je met stomheid geslagen bent, Hans?’
‘Dan had ik dat wel gezegd.’
‘Wie met stomheid geslagen is spreekt niet, zei je toch?’
‘Wat heb ik dan gezegd?’

Een blad voor de mond

Niet wie je denkt

Ik ben geen theïst.
Ik ben geen atheïst.
Ik ben geen agnost.
Ik ben geen god.
Ik ben niet goddelijk.
Ik ben niet de bron.
Ik ben niet het zijn.
Ik ben niet het kennen.
Ik ben niet het gekende.
Ik ben niet het onkenbare.
Ik ben niet de onkenbare.
Ik ben niet het absolute.
Ik ben niet het relatieve.
Ik ben niet het zelf.
Ik ben niet de geest.
Ik ben niet het bewustzijn.
Ik ben niet de stilte.
Het is niet stil in mij.

Niet dat ik weet.

Ik ben niet dit.
Ik ben niet dat.
Ik ben niet de vorm.
Ik ben niet de leegte.
Ik ben niet beide.
Ik ben niet geen van beide.
Ik ben niet het niets.
Ik ben niet het ene.
Ik ben niet twee.
Ik ben niet niet-twee.
Ik ben niet drie.
Ik ben niet vier.
Ik ben niet veel.
Ik ben niet alles.
Ik ben niet almachtig.
Ik ben niet eigenmachtig.
Ik ben niet machteloos.
Ik ben niet alwetend.
Ik ben niet onwetend.
Ik ben geen scepticus.
Ik ben niet wijs.
Ik ben niet dwaas.
Ik ben niet dwijs.
Ik ben niet wel.
Ik ben niet niet.

Niet dat ik weet.

Ik ben niet gebonden.
Ik ben niet vrij.
Ik ben niet gehecht.
Ik ben niet onthecht.
Ik ben niet in de wereld.
Ik ben niet van de wereld.
De wereld is niet van mij.
De wereld is niet in mij.
Ik ben het lijden niet voorbij.
Ik ben het voorbij zijn niet voorbij.
Ik heb mijn gedachten niet overwonnen.
Mijn gedachten hebben mij niet overwonnen.
Ik heb de wereld niet verzaakt.
Ik heb mezelf niet verzaakt.
Ik heb het verzaken niet verzaakt.
Ik heb het antwoord niet.
Ik ben het antwoord niet.
Ik heb de vraag niet.
Ik ben de vraag niet.
Ik weet niet wat verlichting is.
Ik ben niet het licht.
Ik ben niet de duisternis.
Ik ben niet de liefde.
Ik weet niet wat liefde is.
Ik ben niet aan gene zijde.
Ik ben niet aan deze zijde.

Niet dat ik weet.

Ik ben geen rolmodel.
Ik ben geen dokter.
Ik ben geen psychiater.
Ik ben geen therapeut.
Ik ben geen consulent.
Ik ben geen coach.
Ik ben geen welzijnswerker.
Ik ben geen levenskunstenaar.
Ik ben geen humanist.
Ik ben geen idealist.
Ik ben geen realist.
Ik ben geen optimist.
Ik ben geen pessimist.
Ik ben geen nihilist.
Ik ben geen negativist.
Ik ben geen defaitist.
Ik ben geen fatalist.
Ik ben geen obscurantist.
Ik ben geen bodhisattva.
Ik ben geen meester.
Ik ben geen leraar.
Ik ben geen vriend.

Niet dat ik weet.

Ik behoor niet tot een bepaalde school.
Ik ben geen eclecticus.
Ik geef geen satsang.
Ik heb niets tegen satsang.
Ik heb geen sangha.
Ik heb niets tegen sangha’s.
Ik heb geen dharma.
Ik heb niets tegen dharma’s.
Ik heb geen goeroe.
Ik heb niets tegen goeroes.
Ik heb geen geloften afgelegd.
Ik heb niets tegen geloften.
Ik heb geen transmissie gekregen.
Ik heb niets tegen transmissie.
Ik mediteer niet.
Ik heb niets tegen meditatie.
Ik contempleer niet.
Ik heb niets tegen contemplatie.
Ik bid niet.
Ik heb niets tegen bidden.
Ik brand geen wierook.
Ik heb niets tegen wierook.
Ik heb geen huisaltaar.
Ik heb niets tegen huisaltaren.
Ik bezoek geen kerk, tempel of moskee.
Ik heb niets tegen kerken, tempels of moskeeën.
Ik voer geen rituelen uit.
Ik heb niets tegen rituelen.
Ik heb niets tegen bezwaren.
Ik heb niets tegen bezwaren tegen bezwaren.

Niet dat ik weet.

Ik ben niet geroepen.
Ik ben niet uitverkoren.
Ik ben niet thuisgekomen.
Ik ben niet eeuwig onderweg.
Ik ben geen weg gegaan.
Ik ben niet mijn eigen weg gegaan.
Ik ben de weg niet.
Ik ken de weg niet.
De weg kent mij niet.
Ik ben geen ander.
Ik ben mezelf niet.
Ik ben niet iemand.
Ik ben niet niemand.
Mijn naam is geen Haas.
Ik weet zelfs niet van niets.

Niet dat ik weet.

Zelfportret en schietgebed

o schamele schim

holler dan het holst van de wacht

aangezegd door de slepende smacht

onheid in het onheden

zonderdeel van het onene

o schimmele waan

slaak zacht