Hans van Dam weet het ook niet

dwaalgids > weetnietkunde

‘Mijn levensloop? Het leven neemt een loopje met me.’ Hans van Dam: niet wie je denkt. Malle babbels over de onbekende auteur van niet-weten.nl.

Inhoudsopgave

Curriculum vitae Hans van Dam

Hans van Dam is de auteur van twee boeken over zenboeddhisme, Niet te geloven! De Linji Lu en Niet om door te komen! De Poortloze Poort.

Hans is een radicale denker en een hartstochtelijk schrijver met een eigen geluid die niets maar dan ook niets voor lief neemt. Hij zet overal vraagtekens bij en heeft een uitstekende neus voor onuitgesproken aannames.

Zijn zen is paradoxaal, zijn advaita radicaal, zijn mystiek agnostisch, zijn filosofie post-postmodern. Hans trekt zich niets aan van de grenzen tussen de verschillende religies en tradities. Ben je nieuwsgierig naar het verschil tussen de hokjesgeest en de weetnietgeest dan moet je bij de auteur van niet-weten.nl wezen.

Zijn website bestaat sinds begin 2009 en omvat honderd webpagina’s met duizenden dwaalteksten over verlichting en de weg, levenskunst, lijden en geluk, meditatie, liefde, de dood, de zin van het leven, ethiek, wijsheid en dwaasheid – te veel om op te noemen. Ernstige onderwerpen opgedist met milde humor en bijtende zelfspot. Nuchter en lyrisch tegelijk, een unieke combinatie.

Sinds 2015 heeft hij zijn eigen rubriek in het Boeddhistisch Dagblad, Hans geeft te denken. Zeven dagen per week verzorgt hij een column over een spiritueel onderwerp. Hij publiceert er seriegewijs brieven, gesprekken, monologen, artikelen en gedichten.

Hans van Dam haalde zijn International Baccalaureate op Atlantic College en is afgestudeerd in klinische psychologie aan de Universiteit Utrecht.

Zie ook Publicaties van Hans van Dam over niet-weten.

Wie zou ik zijn zonder jou?

Kleuren pasfoto Hans van Dam met baard
Hans van Dam

Hierboven zie je een mozaïek van duizenden pixels (picture elements), monochrome beeldvlakjes die samen de illusie wekken van een substantieel mens in een substantiële wereld. Overtuigend, nietwaar? Vooral als we het mozaïek in kwestie een foto noemen, de illusie een naam geven, laten we zeggen Hans van Dam, en uitroepen tot auteur dezes.

Een en ander doen we natuurlijk niet op eigen kracht maar met behulp van honderden andere mozaïekjes in de vorm van letters en leestekens die zich ogenschijnlijk aaneenrijgen tot woorden, zinnen en alinea’s. Daarin legt de lezer ongemerkt zelf de betekenis die hij vervolgens zonder meer aan auteur dezes toeschrijft.

Wie zou ik zijn zonder jou?

Gepixeleerde kleuren pasfoto Hans van Dam met baard
Mijn ware gezicht

Zestig

Gepubliceerd

Hans is zestig geworden maar zes gebleven en maakt de balans op in zestig plus zes woorden

Mijn hart is vol
Mijn leer is leeg
Mijn ziel is stil
Mijn lijf is veeg

Mijn geest is wild:
Een jonge man
Die wil nog steeds
Wat hij niet kan

Mijn lijf is moe
Mijn ziel is vrij
Mijn leer is dwaas
Mijn hart is blij

Maar niets hiervan
Is echt van mij
Nog even en
Het is voorbij

Nog even en
Het is voorbij

Een aanbeveling

– Wat weet jij eigenlijk van jezelf, Hans?

– Minder dan wie ook.

– En van het Zelf?

– Het wat?

– Dat lijkt me geen aanbeveling.

– Integendeel.

Hans van Dam is te gek voor woorden

en wie is dat nou niet?

Sommige mensen vragen zich af wie het is die al die dwaalteksten* uit zijn duim zuigt. Ja, dat zou ik ook weleens willen weten.

Ongetwijfeld gaat iemand mij dat nog eens haarfijn uitleggen. Een roshi of een rinpoche. Een goeroe of een mystagoog. Een priester of een humanist. Een sjamaan of een vrijmetselaar. Een astronoom of een astroloog. Een monist of een non-dualist. Een nihilist of een pluralist. Een darwinist of een neuroloog. Een fysioloog of een kwantumfysicus. Een filosoof of een frenoloog. Een psychiater of een psycholoog.

Liefst allemaal tegelijk en door elkaar heen. Voor elke ik een specialist. Ieder in zijn eigen taal. Dat zal me een geouwehoer geven, zeg. Babylonische spraakverwarring als hoogste identiteit.

Hoe ik mezelf op dit moment zou omschrijven? O, eh…

Als een nar – zonder hof
Als een heraut – zonder boodschap
Als een vrijbuiter – zonder buit
Als een kaper – zonder kust
Als een boekanier – zonder boeken
Als een piraat – zonder raad
Als een oproerling – zonder roer
Als een dwarsligger – zonder rails
Als een illusionist – zonder illusies
Als een pretendent – zonder pretenties
Als een dominee – zonder kansel
Als een zwerver – zonder ransel

Of gewoon als een kind met een rugzakje. Een leeg rugzakje. Dat dan weer wel.

Ach, Hans van Dam is gewoon te groot voor woorden. Ik bedoel natuurlijk te klein voor woorden. Te gewoon voor woorden. Te gek voor woorden.

En wie is dat nou niet? En wat is niet te gek voor woorden?

* dwaaltekst: tekst over niet-weten of geschreven vanuit niet-weten

Brabbel en Krabbel

‘Want je kan misschien je mond wel houden, maar verdomme nooit je kop.’ – c.v. van een o.h.

eerst sabbel je maar wat
daarna brabbel je maar wat
en je brabbelen wordt babbelen
want ineens zeg je
mama
lief
stout
ik
ik ben lief
ik ben stout
ik ben goed
ik ben slecht
ik ben in wezen goed
ik ben in wezen slecht
ik ben eigenlijk goed noch slecht
ik ben eigenlijk goed én slecht
ik ben eigenlijk alles
ik ben nu eens dit en dan weer dat
ik ben nu
ik ben
ik ben niet
ik ben en ik ben niet
hoe zal ik het zeggen
de waarheid is onuitsprekelijk
wat bedoel ik toch met waarheid
shit, nu weet ik het niet meer
ik weet niet eens meer of ik het niet weet
ik zeg maar niets meer
ik heb sowieso nooit iets gezegd
dan zeg je echt even niets meer
tenminste niet hardop
want je kan misschien je mond wel houden
maar verdomme nooit je kop
en zwijgen zegt je ook al niets meer
dus open je je mond maar weer
maar wat moet je nou nog
zeggen, ach, je zegt gewoon maar wat
net als vroeger, net als altijd
net als iedereen alleen
het zegt je niks meer wat je zegt
het zegt je zelfs niet niks meer
en je schrijft het ook nog op
dus nu krabbel je maar wat
dus nu krabbel je maar wat
dus nu krabbel je maar wat

Rijk zonder rijk

‘Hoe voelt niet-weten, Hans?’

‘Rijk.’

‘Heb je daarom tranen in je ogen?’

‘Wie zal het zeggen.’

‘Waar ben je dan zo rijk mee?’

‘Geen idee.’

‘Met de Waarheid?’

‘Ken ik niet.’

‘Met de Werkelijkheid?’

‘Ken ik niet.’

‘Met de Wijsheid voorbij alle wijsheid?’

‘Heb ik niet.’

‘Met het Ene?’

‘Ken ik niet.’

‘Met het Numineuze?’

‘Ken ik niet.’

‘Met je Oorspronkelijke Gezicht?’

‘Heb ik niet.’

‘Waar ben je dan zo rijk mee?’

‘Dat zeg ik.’

‘Wat?’

‘Geen idee.’

Oorspronkelijke gezichtsverlies

‘Is niet-weten jouw oorspronkelijke gezicht, Hans?’

‘Zeg maar gerust mijn oorspronkelijke gezichtsverlies.’

‘Je ziet het niet als een triomf?’

‘En ook niet als een debacle.’

‘Hoe zie je het dan wel?’

‘En ook niet als een het.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Niet-weten is gewoon geen gezicht.’

Ik heb vele gezichten, en geen daarvan is het mijne

Deze tekst is samen met de volgende gepubliceerd als ‘Geen gezicht’.

Geef het kind maar geen naam

Maandag

‘Ben jij eigenlijk wel een boeddhist, Hans?’

‘Het boeddhisme heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een boeddhist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een non-dualist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Dinsdag

‘Ben jij eigenlijk wel een non-dualist, Hans?’

‘Advaita heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een non-dualist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een daoïst.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Woensdag

‘Ben jij eigenlijk wel een daoïst, Hans?’

‘Het daoïsme heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een daoïst. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een mysticus.’

‘Geef het kind maar een naam.

Donderdag

‘Ben jij eigenlijk wel een mysticus, Hans?’

‘Mystiek heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een mysticus. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een universalist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Vrijdag

‘Ben jij eigenlijk wel een universalist, Hans?’

‘Spiritualiteit heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een een universalist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een humanist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Zaterdag

‘Ben jij eigenlijk wel een humanist, Hans?’

‘De mensheid heeft veel gezichten en een daarvan is het mijne. Welk van die gezichten het ware is moet ieder voor zich bepalen. Zelf kan ik ware noch onware ontwaren en daarom noem ik mezelf al jaren een een humanist. Voor wat het waard is.’

‘Volgens mij ben jij meer een boeddhist.’

‘Geef het kind maar een naam.’

Zondag

Hè hè.

Maandag

‘Ben jij eigenlijk wel een boeddhist, Hans?’

Zwart-wit pasfoto Hans van Dam zonder ogen en neus

Ik heb geen gezicht, en ook dat is niet van mij

Gezichtspunten voor gezichtslozen

‘Ik heb veel gezichten, en elk daarvan is het mijne.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:12)

‘Ik heb veel gezichten, maar geen daarvan is het mijne.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:23)

‘Ik heb geen gezicht, maar dat is wel het mijne.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:32)

‘Ik heb geen gezicht, en ook dat is niet van mij.’
(Hans van Dam, 17 januari 2016 om 07:57:44)

Mijn ware snuit

Koning der kieren

‘Ben jij altijd zo kattig, Hans?’

‘Alleen tegen katten.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik eigenlijk een muis ben.’

‘Ha ha, het ware gezicht van Hans van Dam.’

‘Mijn ware snuit.’

‘En ik maar denken dat jij een leeuw was.’

‘Weer een illusie armer.’

‘Die kan BRULLEN dat horen en zien je vergaat.’

Piep.’

‘Genade!’

‘En?’

‘Wat?’

‘Is horen en zien je al vergaan?’

‘Nog lang niet, Hans.’

‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’

Ik speel nog met verve, al is het geen rol

Deze tekst is gepubliceerd als ‘In den beginne’.

Wat is het dat fascineert en doet beven? Het onoplosbare raadsel dat mijn naam draagt.

In den beginne wist ik niets.
Niemand hoefde mij de weg te wijzen.
Alles ging vanzelf.
Ik speelde met verve, al was het geen rol,
maar mijn ouders wisten wel beter:
Niet weten was niets voor mij.

Ik stierf als speelkind en verrees als kind van god.
Religie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand kende de hoogste.
Kind zijn van god betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als kind van god en verrees als mens.
Humanisme zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand begreep onze soort.
Mens zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als mens en verrees als denker.
Filosofie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand kende de waarheid.
Filosoof zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als denker en verrees als ziel.
Psychologie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorzag de psyche.
Ziel zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als ziel en verrees als lichaam.
Fysiologie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand begreep het fysiek.
Lijf zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als lichaam en verrees als dier.
Biologie zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorgrondde het leven.
Dier zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als dier en verrees als stof.
Fysica zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorzag de materie.
Stof zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als stof en verrees als geest.
Spiritualiteit zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand begreep het bewustzijn.
Geest zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als geest en verrees als het al.
Holisme zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand vatte de kosmos.
Alles zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als alles en verrees als niets.
Boeddhisme zou mij de weg wel wijzen.
Ik speelde mijn rol met verve,
maar niemand doorgrondde de leegte.
Niets zijn betekende nog steeds:
Niet weten wie ik was.

Ik stierf als niets en verrees niet meer.
De weg is vergeten, ik blijf wel hier.
Ik speel nog met verve, al is het geen rol.
Soms denk ik dat niemand iets weet,
al ben ik ook daarvan niet zeker.

De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen

Bevers moeten knagen

‘Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe, Hans.’

‘De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.’

‘Waar is dat goed voor?’

‘Vraag dat maar aan de weetnietgeest.’

‘Dat doe ik toch?’

‘En wat zei de weetnietgeest?’

‘Vraag dat maar aan de weetnietgeest.’

‘Voilà.’

‘Maar waarom doe je het dan?’

‘Waarom doe ik wat dan?’

‘Ondermijnen. Uithollen. Slopen.’

‘Voor mij hoeft het niet.’

‘Bedoel je dat je het niet kan laten?’

‘Ook daar zit ik niet op te wachten.’

‘Het hoeft niet en het hoeft niet niet?’

‘En anders maar wel.’

‘Rare snijboon.’

‘Wie?’

‘Bedoel je dat je niemand bent?’

‘Bedoel je dat ik iets bedoel?’

‘Geen-geest, geen-zelf, anatman, inessentie, sunyata?’

‘Vraag het dan maar aan de weetnietgeest.’

‘De weetnietgeest wil alleen maar ondermijnen.’

‘De wat?’

‘Ik heb geloof ik nog nooit zo’n subversieve geest gezien als de jouwe, Hans.’

De geest groef zich in, de geest groef zich uit

Ik heb alleen maar geprakkiseerd

‘Wat was jouw weg, Hans?’

‘Contractio mentis, dilatatio mentis.’

‘Pardon?’

‘De geest groef zich in, de geest groef zich uit.’

‘En jij dan?’

‘Ik dacht dat ik die geest was.’

‘Nu niet meer?’

‘Ik kan wel zoveel denken.’

‘Er is alleen nog maar geest?’

‘Ook uitgegraven.’

‘Hoe zit het met ascese? Caritas? Meditatio? Contemplatio? Heb jij geloften afgelegd? Wat heb je allemaal gepraktiseerd?’

‘Ik heb alleen maar geprakkiseerd.’

‘Anders niets?’

‘Een doorn verwijderd met een doorn.’

‘Maar wat was dan de doorn?’

‘De geest houdt de geest in zijn greep, de geest helpt de geest om zeep.’

‘De geest was de doorn?’

‘En de doorn gaf de geest.’

‘Contractio mentis, dilatatio mentis.’

‘Dan lijkt het nog wat.’

‘En dat was jouw weg?’

‘En weg was de weg.’

Grote woorden maken het kleiner

Gepubliceerd.

Recht voor zijn raap

‘Heb jij het Ware Zelf gerealiseerd, Hans?’

‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel: grote woorden maken het kleiner.’

‘Ik bedoel, ben jij aan de dualiteit ontstegen?’

‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel: grote woorden maken het kleiner.’

‘Recht voor zijn raap dan: ben jij verlicht?’

‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel: grote woorden maken het kleiner.’

‘En het stelt toch al niks voor, wou je zeggen.’

‘Kleine woorden maken het kleiner.’

‘Geen woorden dan maar?’

‘Stilte maakt het te groot.’

‘Geen woorden maar daden?’

‘Woorden zijn ook daden.’

‘Wat voor daden?’

‘Taaldaden.’

‘Geen grote woorden, geen kleine woorden, geen stilte en geen daden?’

‘En geen opsommingen en geen negatieve definities.’

‘Mystiek hoor.’

‘Ik weet niet wat mij is overkomen maar dit weet ik wel…’

‘Mystisch, mystagogisch, mythisch, myrionymisch, mysterieus, numineus?’

‘Grote woorden maken het kleiner.’

Geen fundamentalist en geen antifundamentalist

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd als ‘Fundamenteler.

Wie wat realiseert die heeft wat

‘Hoe noem je iemand die de ingrond heeft gerealiseerd, Hans?’

‘De ongrond?’

‘De ingrond. De grond van alles. Het absolute. De leegte. De boeddhanatuur. Het onveranderlijke. Dát.’

‘O, dat.’

‘Nou?’

‘Een fundamentalist, zou ik zeggen.’

‘Pardon?’

‘Wie wat realiseert die heeft wat.’

‘En jij dan?’

‘Tja.’

‘Ik bedoel, hoe noem je iemand die de ongrond heeft gerealiseerd?’

‘De ingrond?’

‘De ongrond. Ben je doof of zo?’

‘Een fundamentalist, zou ik zeggen.’

‘Hè?’

‘Wie wat realiseert die heeft wat.’

‘Wie de ingrond heeft gerealiseerd is een fundamentalist en wie de ongrond heeft gerealiseerd is ook een fundamentalist?’

‘Jij zegt het.’

‘Wat maakt dat jou?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Maar jij hebt toch de ongrond gerealiseerd?’

‘Wat ben ik, een fundamentalist?’

‘Jij bent toch van niet-weten?’

‘Wat ben ik, een fundamentalist?’

‘Heb jij soms iets tegen fundamentalisme?’

‘Wat ben ik, een fundamentalist?’

‘Niet de ingrond, niet de ongrond, wat dan wel?’

‘Tja.’

In niet-weten is ruimte voor elke traditie

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd als ‘Fundamenteelst’.

Witte rook

‘Ik las ergens dat jij jezelf een allesbrander noemt, Hans. Bedoel je daarmee dat je tot geen enkele traditie behoort?’

‘Ik bedoel daarmee dat ik tot elke traditie behoor.’

‘Bedoel je daarmee dat er in elke traditie ruimte is voor niet-weten?’

‘Ik bedoel daarmee dat er in niet-weten ruimte is voor elke traditie.’

‘Behalve fundamentalistische dan toch?’

‘Waaronder fundamentalistische, antifundamentalistische, fundamentele, ongefundeerde, en noem maar op.’

‘Maar die behoren toch allemaal tot het weten?’

‘Joost mag weten waartoe ze allemaal behoren.’

‘Maar wat is dan nog het verschil met niet-weten?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Wat jou betreft mag alles in de allesbrander, zelfs niet-weten.’

‘Zelfs de allesbrander.’

Tekening van 'De schreeuw' met in zijn mond een verzengend oranje vuur
Wat mij betreft mag alles in de allesbrander, zelfs de allesbrander

Het einde van mijn Latijn

Tot nog toe kwam iedere geboorte onverwacht

‘Geloof jij in reïncarnatie, Hans?’

‘In elk geval als metafoor.’

‘Vertel.’

‘Eerst werd ik geboren in den vleze.’

‘Als mens.’

‘Dat was het einde van de vergetelheid.’

‘En toen?’

‘Werd ik geboren in de liefde.’

‘Voor Lucienne.’

‘Dat was het einde van mijn eenzaamheid.’

‘En toen?’

‘Werd ik geboren in den vreemde.’

‘Als agnost.’

‘Dat was het einde van mijn wijsheid.’

‘Hoe oud ben je nu?’

‘Negenenvijftig, zevenentwintig en tien.’

‘Zitten er nog meer geboortes aan te komen?’

‘Weet ik niet.’

‘Waarom niet?’

‘Tot nog toe kwam iedere geboorte onverwacht.’

‘En na de dood?’

‘Eerst maar eens zien te sterven.’

‘Geloof jij dan niet in de dood?’

‘Misschien word je er wel in geboren.’

‘Denk je dat of weet je dat?’

‘Ik zeg maar wat.’

‘En waar zou dat het eind van zijn?’

‘Geen idee, van mijn Latijn?’

Het einde van mijn gelijk

‘Geloof jij in reïncarnatie, Hans?’

‘Ik zal wel moeten.’

‘Hoe dat zo?’

‘Ik ben alleen in dit leven al drie keer geboren.’

‘Vertel.’

‘Eerst werd ik geboren in onwetendheid.’

‘Waar was dat het einde van?’

‘Als ik dat eens wist.’

‘En toen?’

‘Werd ik geboren in mijn gelijk.’

‘Waar was dat het einde van?’

‘Mijn onwetendheid.’

‘En toen?’

‘Werd ik geboren in niet-weten.’

‘Waar was dat het einde van?’

‘Mijn gelijk.’

‘En nu?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

Ai ai, de steen der wijzen!

Ia

Grauw en ik zijn poot en been
We houden veel van reizen
Maar overal diezelfde steen
Ai ai, de steen der wijzen!

Tekening van een lachende ezel
Ai ai, de steen der wijzen!

Geen poot meer om op te staan

Steenbreek

‘Met welk dier zou jij jezelf vergelijken, Hans?’

‘Ik ben nog stommer dan een ezel.’

‘Hoezo?’

‘Zelfs een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen.’

‘En jij?’

‘O, wel duizendmaal.’

‘Wat voor steen?’

‘De steen der wijzen.’

‘En nu?’

‘Heb ik geen poot meer om op te staan.’

‘En die steen?’

‘Helemaal aan diggelen.’

‘Zal je je ooit nog stoten?’

‘Waaraan?’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Waarmee?’

‘Hoe stom kun je zijn.’

‘Ik ben nog stommer dan een ezel.’

‘Met welke plant zou jij jezelf vergelijken?’

Steenbreek: het plantengeslacht Saxifraga

Mijn weg was een lange reeks vernederingen

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd als ‘De val’.

De val

‘Wat was jouw weg, Hans?’

‘Wat zal ik vandaag weer eens zeggen.’

‘Nou?’

‘Een lange reeks vernederingen dan maar.’

‘Wat was het resultaat daarvan?’

‘Vernietiging van eigendunk.’

‘Ik dacht dat de weg er een was van spirituele groei.’

‘Bij mij is er niets gegroeid.’

‘Of van toenemende vaardigheid.’

‘Bij mij is er niets toegenomen.’

‘Of van voortschrijdend inzicht.’

‘Bij mij is er niets voortgeschreden.’

‘Of van optrekkende mist.’

‘Bij mij is er niets opgetrokken.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Tja.’

‘En die weg ben jij vrijwillig gegaan?’

‘Ik heb de hele weg tegengestribbeld.’

‘Dan heb je weinig om trots op te zijn.’

‘Zeg maar gerust niets.’

‘Dan heb je niets om trots op te zijn.’

‘Zeg maar gerust niemand.’

‘Maar ook niemand om je voor te schamen zeker?’

‘Je probeert de huid te verkopen voor je de beer geschoten hebt.’

‘En als ik de beer geschoten heb?’

‘Dan zijn je vragen overbodig.’

‘Omdat ik de antwoorden dan weet?’

‘Deze vraag ook.’

‘Wie of wat is de beer?’

‘Deze ook.’

‘Wat moet ik doen om de weg van vernedering te gaan?’

‘Je bent allang onderweg.’

‘Wat moet ik onderweg doen?’

‘Tegenstribbelen.’

‘Maar ik wil juist meewerken.’

‘Wou jij je de weg toe-eigenen?’

‘Ik wil hem gaan, niet ondergaan.’

‘Allemaal eigendunk.’

‘Hoe moet ik tegenstribbelen?’

‘Je doet al niet anders.’

‘Hè?’

‘Alleen al door mee te willen werken.’

‘Dus eigenlijk doe ik het zo slecht nog niet.’

‘Allemaal eigendunk.’

‘Geef nog eens een voorbeeld van eigendunk.’

‘Denken dat je ooit vrij zal zijn van eigendunk.’

‘Wat is het toppunt van eigendunk?’

‘Denken dat je eindelijk vrij bent van eigendunk.’

‘Hoogmoed komt voor de val.’

‘Deemoed net zo goed.’

‘Wat komt er eigenlijk niet voor de val?’

‘De val?’

Verlost van de verlossers en ontsnapt aan de snappers

Mijn geheim

Beste Hans,

In al je teksten, om het even welke, maak je op mij een vrije en verloste indruk. Trefzeker, ook al schiet je vanuit de heup. Wat is jouw geheim?

Naakt mannetje die met plantenspuit een zielig beetje water schiet
Trefzeker, ook al schiet je vanuit de heup

Beste Yori,

Dat ik niks meer uit te leggen heb? Behalve dat ik niks meer uit te leggen heb, God sta me bij.

Misschien is dit mijn geheim. Ik ben verlost van de verlossers. Ontsnapt aan de snappers. Verweesd van de wijzen. Bevrijd van de vrijheid. Ontdaan van de doener. Ook de getuige is afgetuigd. Zelfs niemand ben ik niet.

Hoe het zo gekomen is, weet ik precies niet. Maar om dat nou een geheim te noemen?

Yori: Wat was jouw weg?

Hans: Als ik een weg had, zou ik hem meteen openstellen. Het zou een weg zijn met tweerichtingsverkeer, zodat je op je schreden kan terugkeren. Dat is pas vrijheid.

Yori: Zou jij op je schreden terugkeren?

Hans: Schrijden is voor koningen.

Yori: Kruipen dan?

Hans: Ik zit hier goed, zei de nar op de aambei.

Yori: Pardon?

Hans: Wat kan ik zeggen. Niks zo lekker als honger. Er is nog nooit een put verdronken. Geen groter uitzicht dan geen inzicht. Begrijp je wat ik bedoel?

Yori: Nee.

Hans: Nou, ik ook niet. Des te beter. Praten over een terugweg, man, ik heb niet eens een heenweg.

Een eerdere versie van deze tekst is verschenen in het Boeddhistisch Dagblad als ‘Als de put verdronken is’.

Ik heb overal ruimte voor, zelfs voor bekrompenheid

En ik sta overal open voor, zelfs voor geslotenheid

‘Heb jij overal ruimte voor, Hans?’

‘Zelfs voor bekrompenheid.’

‘Ik bedoel, sta jij echt overal voor open?’

‘Zelfs voor geslotenheid.’

‘Aanvaard jij werkelijk alles?’

‘ Zelfs afwijzing.’

‘Heb je het nou over anderen of over jezelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Maar bedoel je nou dat je ruimte hebt voor andermans bekrompenheid of voor die van jezelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Bedoel je dat je open staat voor andermans geslotenheid of voor die van je zelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Bedoel je dat je andermans afwijzen aanvaardt of dat van jezelf?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Mag ik hieruit concluderen dat jij zelf niet vrij bent van bekrompenheid, geslotenheid en afwijzen, Hans?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Is dat een kwestie van keuze of van overmacht?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Bedoel je daarmee dat het je niet uitmaakt, of dat je het niet weet?’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Wat is niet-weten?’

‘Wat een vraag.’

‘Overal ruimte voor hebben, zou ik zeggen.’

‘Dan ook voor wel-weten.’

‘Jij bent toch van niet-weten.nl?’

‘Ik ben nergens van.’

‘Ik bedoel, niet-weten.nl is toch van jou?’

‘Niets is van mij.’

‘Hè?’

‘Alles dan?’

‘Maar weten is toch juist…’

‘Ik heb overal ruimte voor.’

‘Jij hebt echt overal ruimte voor!’

‘Zelfs voor bekrompenheid.’

Niet-weten is een blindganger

Losse flodders

‘Niet-weten is een BOM, Hans!’

‘Voor de meeste mensen is het een blindganger.’

‘Die ieder moment af kan gaan!’

‘Maar daar rijdt de explosievenopruimingsdienst alweer voor.’

Hoofd van man met klappertjespistool tegen zijn slaap
Losse flodders

Vragen naar de onbekende weg

Gepubliceerd

1. Waar ik het allemaal vandaan haal

‘Hans, ik zou je graag interviewen voor X. Mag dat?’

‘Ach, daar komen alleen maar antwoorden van.’

‘Ik heb het niet over spirituele of religieuze vragen; het gaat mij om de mens achter niet-weten.nl. Mensen willen weten wie jij bent.’

‘Anders ik wel.’

‘Ze willen weten waar je het allemaal vandaan haalt.’

‘Bedenk maar wat.’

‘Dat kan ik niet verantwoorden.’

‘Of jij het nou doet of ik.’

‘Dus je wilt niet meewerken?’

‘Kan je hiermee uit de voeten?’

2. De mens achter het verhaal

‘Hans, ik zou je graag interviewen voor Y. Mag dat?’

‘Gaat het om de mens achter het verhaal of om het verhaal achter de mens?’

‘Om de mens achter het verhaal.’

‘Als ik hem zie zal ik het doorgeven.’

‘Ik bedoel, om het verhaal achter de mens.’

‘Als ik het hoor zal ik het doorgeven.’

3. Wat ik het liefst zou willen

‘Hans, ik zou je graag interviewen voor Z. Mag dat?’

‘Moet ik er zelf bij zijn?’

‘Ja, maar je mag helemaal bepalen hoe of wat.’

‘O, gelukkig.’

‘Wat zou je het liefst willen?’

‘Dat jij de antwoorden geeft.’

‘Hè?’

‘Dan bedenk ik er wel weer vragen bij.’

Lachende ezel met een microfoon voor zijn mond

Liefde is geen doen

Gepubliceerd

Een slecht gesprek over een echt gesprek.

“Raar vind ik het dat je thuis en op school wel leert wat je zult tegenkomen als je naar het noorden rijdt of naar het zuiden, naar het oosten of naar het westen, maar niet wat je allemaal in de krochten van je geest kunt aantreffen, laat staan hoe je daarmee om moet gaan.”

Waarom wachten? Brand maar los

Beste Hans,

Graag zou ik je interviewen voor … over het thema Liefde is de Weg.

Beste Pleuni,

Wat is liefde? Is liefde? Heb jij een liefde? Wat is de weg? Is er een weg? Waar wil je weg?

Pleuni: Het is de bedoeling dat ik de vragen stel, Hans.

Hans: O, dat wist ik niet. Wiens bedoeling eigenlijk? Waarom?

Pleuni: Mijn bedoeling. De reden dat ik je benader, bedoel ik. Voel je er wat voor om een gesprek aan te gaan over Liefde en de Weg?

Hans: Ik dacht dat we al begonnen waren.

Pleuni: Nou?

Hans: Over de liefde en de weg in het algemeen heb ik helaas niets te melden, of je moet dat vermeldenswaardig vinden. Maar er komen in weerwil van jouw bedoeling wel spontaan allerlei vragen in me op, die ik nog even gauw stel voor ik me door jou in de hoek van geïnterviewde laat schilderen.

Wat betekent het thema voor jou persoonlijk? Zit het je hoog of ben je eruit? Als je eruit bent, waarom wil je er dan nog over praten? Als het je hoog zit, ben ik dan wel de juiste persoon om mee te praten? Waarom niet met je partner, als je die hebt, of met je beste vriend, als je die hebt, of met je leraar, als je die hebt? Of zit de redactie weer eens verlegen om kopij?

Pleuni: Je begrijpt het niet, Hans. Dit is een kans. Ik bied jou een platform om over jezelf te praten.

Hans: En jij dan? Wil je zelf soms buiten schot blijven?

Pleuni: Zondag ben ik de hele dag in Amsterdam. Zullen we wat afspreken? Zeg maar waar en wanneer, ik trakteer.

Hans: Waarom wachten? Brand maar los.

Wie is er bang voor een echt gesprek?

Pleuni: Waarom doe je zo moeilijk, Hans? Ben je bang voor een echt gesprek?

Hans: Nee hoor. Ik voer iedere dag echte gesprekken, urenlang. Ook correspondentie kan een echt gesprek zijn, al lijkt het een uitstervende kunst. Ben jij bang voor een echte correspondentie?

Pleuni: Ben jij soms bang voor mensen?

Hans: Nou en of. Jij niet?

Pleuni: Interessant. Ik dacht dat jij nergens bang voor was. Waar ben je bang voor?

Hans: Voor mensen die denken dat ik nergens bang voor ben. Voor mensen die geloven dat er mensen zijn die nergens bang voor zijn. Voor mensen die zeggen dat ze nergens bang voor zijn. Voor mensen die dingen doen die ze niet willen omdat anderen zeggen dat ze niet durven.

Ik ben bang voor mensen die nooit antwoord geven. Voor mensen die nooit een vraag stellen. Voor mensen die iedere vraag met een wedervraag beantwoorden. Voor mensen die overal een mening over hebben, voor mensen die hun zin doordrijven, voor mensen die zich verschansen in een rol – teveel om op te noemen.

Pleuni: Waaronder een echt gesprek.

Hans: Nee, ik ben niet bang voor een echt gesprek. Niet voor intimiteit. Niet voor vertrouwelijkheid. Maar des te meer voor afstandelijkheid, vormelijkheid, omzichtigheid.

Het zijn de spelletjes waar je zomaar in verzeild kunt raken die ik vrees. Het doen alsof. De beleefdheden, de vleierij, de gelijkhebberij, de machtsstrijd, de schijnheiligheid, de rituelen. Ik net zo goed als jij hoor, dat zit heel diep.

Niet kunnen zeggen wat je voelt, overal omheen draaien. Over het weer moeten praten terwijl ik misschien met mijn neus in je kruis wil duiken. Al die omtrekkende bewegingen. Dáár ben ik bang voor. Maar niet voor een echt gesprek. Jij?

Vraag niet hoe het kan

Pleuni: Wat versta jij dan onder een echt gesprek?

Hans: Dat is niet zo moeilijk. Toevallig ben ik gezegend met een intense relatie met iemand met een – voor mij – volkomen open geest aan wie ik me helemaal bloot durf te geven en die zich voor zover ik weet helemaal aan mij bloot durft te geven. Zonder touwtrekkerij, zonder terughoudendheid, zonder doel, zonder wil.

Een dynamische uitwisseling waarvan de afloop niet van tevoren vaststaat. Dat is voor mij een echt gesprek. Het loopt al zowat dertig jaar van hot naar haar en het gaat maar door.

Pleuni: Hoe doen jullie dat?

Hans: Vraag niet hoe het kan, ik snap er ook niks van. Het is geen vaardigheid, gesprekstechniek, talent, houding of levenservaring – niet iets waarover we vrij kunnen beschikken en dat ons in onze andere contacten goed van pas komt.

Het was er vanaf de eerste dag. Geen van beiden zijn we er ooit in geslaagd die sfeer van vertrouwelijkheid met iemand anders op te bouwen en vast te houden. Het is dus niet onze verdienste dat het tussen ons zo goed marcheert en het is niet andermans tekortkoming wanneer het met een van ons weer eens hapert of stokt.

Van allemansvrienden, eenmansvrienden en kluizenaars

Pleuni: Gaat al dat praten met dezelfde persoon op den duur niet vervelen?

Hans: Tot nog toe niet. Terwijl we heus niet van die slimme of diepe gedachten hebben. Maar ze komen wel uit onze tenen.

Weet je dat ik sinds ik Lucienne ken niet meer eenzaam ben geweest, maar dan ook helemaal niet meer? Ongelofelijk. Eenzaamheid is alleen nog maar een herinnering. Terwijl ik altijd dacht, nee, wíst, dat het bij het bestaan hoorde, dat iedereen diep vanbinnen eenzaam was. Allemaal projectie.

Als je niet meer eenzaam bent, hoef je ook niet zo nodig met Jan en alleman te gaan rollebollen. Door dat eeuwigdurende dwaalgesprek met Lucienne is mijn behoefte aan intimiteit met anderen sterk gedaald.

Daar heb ik me lang tegen verzet, maar het viel niet te ontkennen. Zo vreemd is het nou ook weer niet. Als je thuis genoeg eet, hoef je niet meer zo nodig iedere dag naar een restaurant. Wat jij.

Pleuni: Ik trakteer.

Hans: Doe dan maar het Amstelhotel.

Pleuni: Haha.

Hans: Vroeger smeerde ik mezelf uit over tientallen mensen, zoals zij zich op hun beurt uitsmeerden over tientallen, soms honderden anderen. Een netwerk, dat was en is de norm. Intimi, vrienden, kennissen, bekenden in uitdijende kringen – een heel circus, al had je toen nog geen sociale media. Met de een ging ik hardlopen, met de ander dansen. Met de een kon ik over seks praten, met de ander over de dood.

Toch was ik eenzaam. Ik voelde me door niemand werkelijk gezien en er was niemand die zich werkelijk aan mij liet zien. Alleen maar stukjes. Nu zijn die tientallen mensen verenigd in een en dezelfde persoon, in wie ik alle afwisseling vind die ik nodig heb.

Pleuni: Sommigen noemen dat eenkennigheid.

Hans: Er zijn allemansvrienden, er zijn eenmansvrienden, er zijn kluizenaars. Waarom zou iedereen hetzelfde moeten zijn? Waarom zou je je hele leven hetzelfde moeten zijn? Misschien smeer ik me straks weer uit over tientallen mensen, eet ik iedere dag in een ander restaurant en roem ik de variatie.

Pleuni: Maar op dit moment heb jij geen behoefte om alles met iedereen te delen.

Hans: Mijn behoefte om alles wat er in me omgaat met iemand op deze aardbol te delen is onverminderd groot. Mijn behoefte om het nog een keer te delen met iemand anders is evenredig klein. Het is niet anders.

Alleen niet-weten wil ik met iedereen delen. Voor zolang het duurt. Daarom schrijf ik nu ook met je. Al verstaan we elkaar niet.

Niemand is gek of normaal

Pleuni: Waarom kun je wel met je vrouw praten, maar niet met mij?

Hans: Die geeft tenminste antwoord.

Pleuni: Dat is toch geen reden om een gesprek met mij uit de weg te gaan?

Hans: Wat zijn we nu aan het doen dan?

Pleuni: Ik vraag maar een uur, geen dertig jaar.

Hans: Dat uur is allang op.

Pleuni: Wat is dat toch, die behoefte om alles met iemand te delen?

Hans: Wat is dat toch, die behoefte om mensen te interviewen?

Pleuni: Jij vind het niet raar om almaar je diepste gedachten op tafel te gooien voor je partner.

Hans: Ik vind het raar om almaar je diepste gedachten onder tafel te houden voor je partner, en zelfs voor wildvreemden zoals jij, al doe ik dat wel. Ik vind het raar om je hele leven met geheimen rond te lopen en voortdurend op je woorden te moeten passen.

Raar vind ik het dat je anno 2018 nog steeds niet vrijuit kunt spreken over je abortus of over je angst dat je van het balkon zult springen of over je behoefte om op iemand te pissen of over je incestueuze fantasieën of over je pedofiele of necrofiele neigingen of over je stille wanhoop of over je brandende jaloezie of over het gevoel dat je in een verkeerd lichaam zit of over je verlangen om onmogelijk dun te worden of onzichtbaar te zijn of er niet meer te zijn of wat er ook maar in je leeft.

Raar vind ik het dat je thuis en op school wel leert wat je zult tegenkomen als je naar het noorden rijdt of naar het zuiden, naar het oosten of naar het westen, maar niet wat je zoal in de krochten van je geest kunt aantreffen, laat staan hoe je daarmee om moet gaan.

Pleuni: Niemand bereidt je voor op je eigen gekte.

Hans: Met gekte heeft het niets te maken. Dat lijkt maar zo, omdat iedereen doet of hij normaal is.

Pleuni: Iedereen is gek.

Hans: ‘Gek’ is een stigma en ‘normaal’ is een stigma. Stigma’s zijn dooddoeners, vraag maar aan Jezus. Daarmee beëindig je een gesprek zelfs al lekken de woorden nog na.

Voor mij is niemand gek of normaal. Zo begint een gesprek dat nergens heen gaat en nooit eindigt, zelfs als er even geen woorden zijn.

Sangha voor twee, satsang privé, wei wuwei, holadijee

Pleuni: Wat is dan het punt?

Hans: Het punt is dat niemand je voorbereidt op je innerlijke leven. Ook religies niet. Die leren je denken in termen van goed en kwaad, juist en onjuist, schuld en boete, werkelijkheid en illusie, relatief en absoluut, ego en zelf, atman en anatman, gebod en gebed, onderdrukken en sublimeren en meer van dat moois. Maar luisteren, ho maar.

Heb je rare gedachten? Ga maar op je kussentje zitten. Heb je het moeilijk? Ga maar op je adem letten. Ben je boos? Ga maar mettameditatie doen. Bij Leven in Aandacht van Thich Nhat Hanh mag je bij de gratie Boeddha’s even dharma delen met de groep zonder dat iemand iets terugzegt.

In de katholieke kerk mag je bij de gratie Gods vijf minuten biechten bij iemand die een toonbeeld van vroomheid lijkt maar dat waarschijnlijk helemaal niet is. Bij de Quakers mag je tijdens de unprogrammed worship eventjes iets delen met je zwijgende geloofsgenoten.

Maar ik moet de eerste christelijke of boeddhistische priester nog tegenkomen die toegeeft dat hij na zijn bezegeling nog altijd, zeg, geil, drankzuchtig, hebzuchtig, heerszuchtig is, dat hij onverminderd geniet van de aandacht van al die goedgelovigen om hem heen, dat hij zich iedere dag opnieuw beter, groter, kalmer, wijzer en interessanter voordoet dan hij is.

Ik moet de eerste christelijke of boeddhistische priester nog tegenkomen die, al is het maar één keer, publiekelijk erkent dat hij ook maar een mens is, nog steeds een mens is, altijd een mens zal blijven, net als iedereen. Die dát tot het speerpunt van zijn onderricht maakt. Maar nee, liever prevelt hij tienduizend keer het Onze Vader of de bodhisattvageloften die zijn verlossersrol rechtvaardigen en zijn heiligheid onderstrepen. Wat voor voorbeeld geef je dan?

Pleuni: Nou nou.

Hans: De wereld is tot op de decimeter in kaart gebracht met gps, Google Maps wijst je overal de weg, maar niemand bereidt je voor op je innerlijk leven, niet echt. Niemand vertelt je hoe je al die gedachten en gevoelens en verlangens en fantasieën en stemmen moet duiden en dulden en doden.

Samen met iemand die je liefhebt en vertrouwt je geest verkennen is dan een groot goed. Al je gedachten delen, al je geheimen prijsgeven, wat er ook van komt. Een heerlijke, eerlijke, spontane, vrije vorm van spiritualiteit, die ik te allen tijd verkies boven voorgeschreven vormen van meditatie, recitatie, ritueel en gebed.

Twee theeketels waarvan de stoomwolken een verliefd stelletje suggereren

Saampjes alle spoken van alle kanten belichten, keer op keer, tot ze hun massa verliezen en doorzichtig worden. Je gedachten net zolang tegen het licht houden tot je er dwars doorheen kijkt. Ook door deze. Sangha voor twee, satsang privé, wei wuwei, holadijee.

Pleuni: En waar leidt dat toe? Waarheid? Non-dualiteit? Nirwana?

Hans: Als het ergens toe moet leiden, is het geen dwaalgesprek meer. Delen is geen weg. Liefde is geen doen. Denk ik weleens. En zie die gedachten meteen weer doorzichtig worden.

Pleuni: Oké. Mocht je toch nog een echt gesprek over het thema Liefde is de Weg willen, laat het me dan weten. De deadline is half november. Ik trakteer.

Nota bene: een dwaalgesprek kun je ook in je eentje voeren. De innerlijke monoloog van een weetniet is gewoon een dwaalgesprek voor één persoon. Ook daar komt geen eind aan. Tot nog toe tenminste niet.

Verder lezen: Wat is liefde?

De man die alles wist

‘Hoe zou jij jezelf omschrijven, Hans?’

‘Als de man die alles wist.’

‘Wat wist je allemaal?’

‘Dat is de vraag niet.’

‘Wat is de vraag wel?’

‘Wat ik allemaal wis.’

‘O, zo.’

‘O zo.’

‘Wat wis je allemaal?’

‘Wat niet.’

‘Wat blijft er over als je alles wist?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Het enige wat overblijft is niet-weten?’

‘Ook gewist.’

‘Het enige wat overblijft is wissen?’

‘Ook gewist.’

‘Hoe zou je jezelf dan omschrijven?’

‘Als je dat eens wist.’

Eerst was ik een hele pief, nu sta ik aldoor paf

Pief, paf, poef

‘Ben jij veranderd door niet-weten, Hans?’

‘Ik ben er niet door veranderd, niet-weten is de verandering.’

‘Wat houdt die verandering in?’

‘Eerst was ik een hele pief. Nu sta ik aldoor paf.’

‘Denk je niet dat iedereen aldoor paf staat zonder het te weten of toe te geven?’

‘Dat moet je aan iedereen vragen.’

‘Wat als je aldoor paf staat?’

‘Dan gaan je gedachten in rook op.’

‘Poef.’

‘Deze ook.’

‘Hè?’

‘Wat?’

‘Ja, gaan je gedachten nou in rook op of niet?’

‘Poef.’

‘Maar eerst was je een hele pief en nu sta je aldoor paf?’

‘Poef.’

‘Dus je bent er niet door veranderd, niet-weten is de verandering?’

‘Poef.’

Ik ben geen vertegenwoordiger, ook niet van niet-weten

Tegenwoordiger

‘Welke traditie vertegenwoordig jij eigenlijk, Hans?’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

‘Jij vertegenwoordigt alleen het niet-weten?’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

‘Bedoel je dat je alleen jezelf vertegenwoordigt?’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

‘O, ik snap het al.’

‘Dat kon niet uitblijven.’

‘Jij vertegenwoordigt het niet-vertegenwoordigen.’

‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

Ik ben tegen woordigheid van geest

‘Wat betekent mindfulness voor jou, Hans?’

‘Tegen woordigheid van geest.’

‘En dat in het hier en nu zeker?’

‘Dat is ook weer zo’n woord.’

‘Met volledige aandacht dan.’

‘Dat is ook weer zo’n woord.’

‘Met volledige aandacht betekent anders hetzelfde als mindfulness.’

‘Dat is ook weer zo’n woord.’

‘Ik ben ook tegen woordigheid, Hans.’

‘Je zou het zo niet zeggen.’

‘Omdat de waarheid voorbij de woorden is.’

‘Hoe kan je dat dan zeggen?’

‘Aan jouw tegenwoordigheid van geest mankeert duidelijk niets.’

‘Dat is ook weer zo’n woord.’

‘Tegenwoordigheid of geest?’

‘Woord.’

Ik heb mijn kleinheid gerealiseerd

Gepubliceerd als ‘Ben jij verlicht?’

Wat is spirituele verlichting? Een eenheidservaring? Inzicht in je ware aard? ‘Je mag me gerust een nul noemen.’ Dwaalgesprek over het realiseren van je kleinheid.

‘Ben jij verlicht, Hans?’

‘Hè?’

‘Of je ontwaakt bent.’

‘Dat zie je toch?’

‘Wat heb je gerealiseerd?’

‘Geen idee.’

‘Je Boeddhanatuur? Je Ware Aard? Je Oorspronkelijke Gezicht? Big Mind? Het Zelf?’

‘Daar weet ik allemaal niets van.’

‘Wat dan wel?’

‘Dat zeg ik.’

‘Heb ik iets gemist?’

‘Mijn kleinheid dan maar.’

‘Jij hebt je Kleinheid gerealiseerd?’

‘Met een kleine letter.’

‘Vergeleken met wat?’

‘Een hoofdletter.’

‘Verwijs je daarmee naar afhankelijk ontstaan? Interzijn? Het Absolute? Non-dualiteit? Het Goddelijke?

‘Daar weet ik allemaal niets van.’

‘Nou moe.’

‘Ik kan het ook niet helpen.’

‘Bedoel je soms dat zoiets niet bestaat?’

‘Dat weet ik ook al niet.’

‘Nou, daar kan je mee voor de dag komen.’

‘Alsof ik voor de dag wil komen.’

‘Hoe klein ben jij wel niet?’

‘Je mag me gerust een nul noemen.’

‘Verwijs je daarmee naar het Niets? Sunyata? Anatman? Maya? Bewustzijn?

‘Daar weet ik…’

‘Allemaal niets van.’

‘Je haalt me de woorden uit de mond.’

‘Wat blijft er dan nog over?’

‘Waarvan?’

‘Kleinheid, zei je toch?’

‘Alleen maar om ervan af te zijn.’

‘Waarvan af?’

‘Daar wil ik vanaf zijn.’

‘Ik snap er niks meer van.’

‘Dat komt op hetzelfde neer.’

‘Ik geef het op.’

‘Zo kan je het ook zeggen.’

‘Dus jij bent niet verlicht?’

‘Hè?’

Doe de verlichtingstest!

Masters of the universe

Spelende wijs

– Wat is jouw favoriete lectuur, Hans?

– Ik lees alles wat los en vast zit.

– Noem eens wat.

– Ik heb eens een jaar lang Perry Rhodan gelezen.

– Science-fiction?

– Je moet toch wat.

– Ik bedoelde eigenlijk op het gebied van religie en spiritualiteit.

– Ik ook.

– Wat is er spiritueel aan Perry Rhodan?

– De lezer.

– Wie was je favoriete karakter?

– Gucky.

– Gekkie?

– Een pratende muisbever die alleen maar wil spelen en tuk is op wortelen.

– Niet Perry Rhodan?

– Stel je voor.

– Waarom niet?

– Perry is de held.

– Master of the Universe.

– Dat denkt hij tenminste.

– Jij denkt van niet.

– Het is maar een verhaal.

– En jij bent tuk op wortelen.

– En ik wil alleen nog maar spelen.

– Wat is iemand die alleen nog maar speelt?

– Master of the Universe.

Stillen getuigen niet

Zelfs niet van niet-getuigen

‘Als jij een monnik was, wat voor een zou je er dan willen zijn, Hans?’

‘Een stille.’

‘Waarom hou je dan je mond niet?’

‘Omdat mensen mij van alles in de mond leggen.’

‘Wat voor mensen bijvoorbeeld?’

‘Mensen zoals jij bijvoorbeeld.’

‘Dus eigenlijk ben jij een stille getuige?’

‘Waarvan dan wel?’

‘Keuzeloos gewaar zijn, zou Jiddhu Krishnamurti zeggen.’

‘Noem dat maar stil.’

‘Maar waarom hou je dan je mond niet?’

‘Daarom hou ik nou mijn mond niet.’

Wie God kent spreekt niet van God

‘Wie God kent, is met stomheid geslagen.’

‘Wie zegt dat?’

‘Rumi, de soefimysticus, Hans.

‘Wie met stomheid geslagen is, spreekt niet van God.’

‘Want wie met stomheid geslagen is, kent geen God?’

‘Wie met stomheid geslagen is, spreekt niet van niet-God.’

‘Want wie met stomheid geslagen is, kent geen niet-God?’

‘Want wie met stomheid geslagen is, spreekt niet.’

‘Betekent dit dat Rumi God niet kent?’

‘Vraag dat maar aan Rumi.’

‘Betekent het dat God Rumi niet kent?’

‘Vraag dat maar aan God.’

‘Wat betekent het dan wel?’

‘Dat Rumi niet met stomheid geslagen is.’

‘Ken jij God, Hans?’

‘Ik ben met stomheid geslagen.’

‘Bedoel je dat je God niet kent?’

….

‘Kent God jou?’

….

‘Bedoel je dat God jou niet kent?’

….

‘Ken jij jezelf?’

….

‘Bedoel je dat jij jezelf niet kent?’

….

‘Is er een jij om te kennen?’

….

‘Bedoel je dat er geen jij is om te kennen?’

….

‘Ken jij de wereld?’

….

‘Bedoel je dat je de wereld niet kent?’

….

‘Is er een wereld om te kennen?’

….

‘Bedoel je dat er geen wereld is om te kennen?’

….

‘Ben jij het kennen zelf?’

….

‘Bedoel je dat jij niet het kennen zelf bent?’

….

‘Is er zoiets als het kennen zelf?’

….

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als het kennen zelf?’

….

‘Bedoel je dat je niets weet?’

….

‘Bedoel je dat je toch iets weet?’

….

‘Bedoel je dat er niets te zeggen is?’

….

‘Bedoel je dat er toch iets te zeggen is?’

….

‘Bedoel je dat je met stomheid geslagen bent, Hans?’

‘Dan had ik dat wel gezegd.’

‘Wie met stomheid geslagen is spreekt niet, zei je toch?’

‘Wat heb ik dan gezegd?’

Zwartwit foto van Hans van Dam, met doorschijnend vijgenblad voor zijn mond
Een blad voor de mond

Hans van Dam in honderd ontkenningen

Niet wie je denkt

Ik ben geen theïst.
Ik ben geen atheïst.
Ik ben geen agnost.
Ik ben geen god.
Ik ben niet goddelijk.
Ik ben niet de bron.
Ik ben niet het zijn.
Ik ben niet het kennen.
Ik ben niet het gekende.
Ik ben niet het onkenbare.
Ik ben niet de onkenbare.
Ik ben niet het absolute.
Ik ben niet het relatieve.
Ik ben niet het zelf.
Ik ben niet de geest.
Ik ben niet het bewustzijn.
Ik ben niet de stilte.
Het is niet stil in mij.

Niet dat ik weet.

Ik ben niet dit.
Ik ben niet dat.
Ik ben niet de vorm.
Ik ben niet de leegte.
Ik ben niet beide.
Ik ben niet geen van beide.
Ik ben niet het niets.
Ik ben niet het ene.
Ik ben niet twee.
Ik ben niet niet-twee.
Ik ben niet drie.
Ik ben niet vier.
Ik ben niet veel.
Ik ben niet alles.
Ik ben niet almachtig.
Ik ben niet eigenmachtig.
Ik ben niet machteloos.
Ik ben niet alwetend.
Ik ben niet onwetend.
Ik ben geen scepticus.
Ik ben niet wijs.
Ik ben niet dwaas.
Ik ben niet dwijs.
Ik ben niet wel.
Ik ben niet niet.

Niet dat ik weet.

Ik ben niet gebonden.
Ik ben niet vrij.
Ik ben niet gehecht.
Ik ben niet onthecht.
Ik ben niet in de wereld.
Ik ben niet van de wereld.
De wereld is niet van mij.
De wereld is niet in mij.
Ik ben het lijden niet voorbij.
Ik ben het voorbij zijn niet voorbij.
Ik heb mijn gedachten niet overwonnen.
Mijn gedachten hebben mij niet overwonnen.
Ik heb de wereld niet verzaakt.
Ik heb mezelf niet verzaakt.
Ik heb het verzaken niet verzaakt.
Ik heb het antwoord niet.
Ik ben het antwoord niet.
Ik heb de vraag niet.
Ik ben de vraag niet.
Ik weet niet wat verlichting is.
Ik ben niet het licht.
Ik ben niet de duisternis.
Ik ben niet de liefde.
Ik weet niet wat liefde is.
Ik ben niet aan gene zijde.
Ik ben niet aan deze zijde.

Niet dat ik weet.

Ik ben geen rolmodel.
Ik ben geen dokter.
Ik ben geen psychiater.
Ik ben geen therapeut.
Ik ben geen consulent.
Ik ben geen coach.
Ik ben geen welzijnswerker.
Ik ben geen levenskunstenaar.
Ik ben geen humanist.
Ik ben geen idealist.
Ik ben geen realist.
Ik ben geen optimist.
Ik ben geen pessimist.
Ik ben geen nihilist.
Ik ben geen negativist.
Ik ben geen laxist.
Ik ben geen fatalist.
Ik ben geen obscurantist.
Ik ben geen bodhisattva.
Ik ben geen meester.
Ik ben geen leraar.
Ik ben geen vriend.

Niet dat ik weet.

Ik behoor niet tot een bepaalde school.
Ik ben geen eclecticus.
Ik geef geen satsang.
Ik heb niets tegen satsang.
Ik heb geen sangha.
Ik heb niets tegen sangha’s.
Ik heb geen dharma.
Ik heb niets tegen dharma’s.
Ik heb geen goeroe.
Ik heb niets tegen goeroes.
Ik heb geen geloften afgelegd.
Ik heb niets tegen geloften.
Ik heb geen transmissie gekregen.
Ik heb niets tegen transmissie.
Ik mediteer niet.
Ik heb niets tegen meditatie.
Ik contempleer niet.
Ik heb niets tegen contemplatie.
Ik bid niet.
Ik heb niets tegen bidden.
Ik brand geen wierook.
Ik heb niets tegen wierook.
Ik heb geen huisaltaar.
Ik heb niets tegen huisaltaren.
Ik bezoek geen kerk, tempel of moskee.
Ik heb niets tegen kerken, tempels of moskeeën.
Ik voer geen rituelen uit.
Ik heb niets tegen rituelen.
Ik heb niets tegen bezwaren.
Ik heb niets tegen bezwaren tegen bezwaren.

Niet dat ik weet.

Ik ben niet geroepen.
Ik ben niet uitverkoren.
Ik ben niet thuisgekomen.
Ik ben niet eeuwig onderweg.
Ik ben geen weg gegaan.
Ik ben niet mijn eigen weg gegaan.
Ik ben de weg niet.
Ik ken de weg niet.
De weg kent mij niet.
Ik ben geen ander.
Ik ben mezelf niet.
Ik ben niet iemand.
Ik ben niet niemand.
Mijn naam is geen Haas.
Ik weet zelfs niet van niets.

Niet dat ik weet.

Zelfportret en schietgebed

O schamele schim

Holler dan het holst van de

Wacht

Aangezegd door de slepende

Smacht

Onheid in het onheden

Zonderdeel van het onene

O schimmele waan

Slaak zacht