100 Metaforen voor niet-weten

Spelen volgens de regels of spelen met de regels? Beeldspreken en buikspreken over het onuitsprekelijke verschil tussen weten en niet-weten.

Een eerdere versie van deze pagina is als serie verschenen in het Boeddhistisch Dagblad als ‘Een kaartenhuis’. Zie mijn publicaties

Dwaalgids > Niet-weten > 100 Metaforen voor niet-weten

INHOUDSOPGAVE

Niet-weten is alles uitvegen

Wat is niet-weten? Is het zen? Onzin? Boeddha? Mara? Maya?

Is niet-weten wijsheid? De wijsheid zonder wijsheid? De wijsheid voorbij alle wijsheid? De kennis zonder leraar?

Is niet-weten een tussenstadium op weg naar nirwana? Een valkuil op weg naar nirwana? Een verschijningsvorm van samsara?

Is niet-weten de donkere nacht van de ziel in afwachting van het moment dat de mystieke godheid zich op zijn eigen tijd op zijn eigen wijze onthult? Is het een vloek van god, een duivelse verleiding?

Is niet-weten de hoogste waarheid, een transcendente werkelijkheid die iedere dualiteit overstijgt, de non-dualiteit, het absolute, de bron, het ene?

Is niet-weten agnosticisme, relativisme, pragmatisme, structuralisme? Is het de limiet van subjectivisme, het toppunt van postmodernisme?

Is niet-weten twijfelzucht? Scepsis? Epoche, het voor onbepaalde tijd opschorten van het oordeel? Is het ataraxia, de onverstoorbaarheid van de scepticus?

Is niet-weten existentialisme, anarchisme, stoïcisme? Fatalisme, nihilisme, obscurantisme, anti-intellectualisme?

Is niet-weten een vlucht in onwetendheid, onverantwoordelijkheid, defaitisme, immoraliteit, chronische onvolwassenheid? Is het een pose, uitsloverij, egotripperij?

Is niet-weten een levenshouding, een omgangsideaal of een managementstijl met het accent op openheid, onbevangenheid, bescheidenheid, vriendelijkheid en mededogen?

Is niet-weten een vorm van dementie, een neurose, vervreemding, verdwazing, een geestesziekte, een autistische fiep, een noodkreet van een dolende ziel, een roep om geestelijke bijstand en houvast, een herderscomplex, een verlosserscomplex, een minderwaardigheidscomplex?

Is niet-weten een antwoord op elke levensvraag? Een panacee voor de problemen van alledag? Een leidraad voor radelozen?

Is niet-weten een spirituele of althans geïnspireerde vorm van cognitieve therapie zoals het Werk van Byron Katie, de autolyse van Jed McKenna?

Is niet-weten vrijdenkerij, veeldenkerij, dwarsdenkerij, omdenkerij, niet-denkerij? Is het een mes om al je gedachten bij de wortel af te snijden?

Is niet-weten een onbalans tussen hoofd en hart, een teveel aan jnana of een tekort aan bhakti misschien?

Is niet-weten het onkenbare bewustzijn zelf, de stilte, de leegte? Is het onvoorwaardelijke, egoloze, grenzeloze liefde?

Is niet-weten het totaal andere, het numineuze, het mysterie, het onzegbare, het onkenbare?

Is niet-weten een einde aan het lijden? Een bron van lijden? Een bron van inkomsten? Een bron van ergernis? Een bron van vermaak?

Niet-weten is voor iedereen wat anders. Ik kan voor niemand anders spreken.

Van mij mag iedereen doen wat hij wil met het woord niet-weten, en met welk woord dan ook. Iedereen doet dat ook, of het van mij mag of niet.

Van mij mag iedereen claimen dat zijn niet-weten het enige ware niet-weten is. Sommigen doen dat ook, of het van mij mag of niet. Zelf claim ik niks, dit ook niet, al zou ik van mezelf best mogen.

Voor mij is niet-weten een wegwerpwoord om de onvoorstelbare en (tot nog toe) onomkeerbare verandering in mijn denken mee aan te duiden die mij tien jaar geleden ongevraagd en onvoorzien is overkomen – niet geleidelijk maar plotseling, of je een zee leeggooit – en die zich niet onder woorden laat brengen, ook niet als niet-weten, of agnose, of dwijsheid, of wat dan ook.

Onder woorden brengen zou het einde ervan zijn, voel ik, een vlinder prik je niet op. Zwijgen doet het ook geen recht, en zo ontstaat vanzelf het spel van balletjes opgooien en weer wegslaan, met als resultaat de ene reeks dwaalteksten* na de andere, nu deze van ‘honderd’ metaforen weer.

Als je aan het einde van deze serie weet wat ik met niet-weten bedoel, ben ik te duidelijk geweest – en anders te onduidelijk.

Invullen maar.

* dwaaltekst: tekst die het levende niet-weten demonstreert

Lees ook het lemma Niet-weten is geen doen en de pagina’s Weetnietkunde en De lege leer

Niet-weten is geen wolk

De wolk van weten
De helderheid van niet-weten

Lees ook: De wolk van niet-weten

Niet-weten is helemaal het einde

Leerling: Wat is weten?

Meester: Van zinkend schip naar zinkend schip.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Verzuipen.

Niet-weten is reten zien

Leerling: Wat is weten?

Meester: Alles dichttimmeren.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Overal reten zien.

Niet-weten is verder kijken

Een kinderhand is gauw gevuld

Leerling: Wat is weten?

Meester: Overal reten zien.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Door de reten kijken.

Leerling: Wat is daar te zien?

Meester: Een gapend gat.

Leerling: Wát?

Meester: Noem het dan maar eindeloze vergezichten.

Leerling: Wauw!

Niet-weten is door de reten kijken

Niet-weten is een holte in de ruimte

Leerling: Wat is weten

Meester: Een gapend gat.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ook een gapend gat.

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Een gapend gat.

Niet-weten is geen boekenwijsheid

Boekenwijsheid houd je aan de grond

Niet-weten is het onzichtbare zien

Intervisie

Leerling: Waarmee kun je weten vergelijken?

Meester: Dingen zien.

Leerling: Waarmee kun je niet-weten vergelijken?

Meester: Tussenruimte zien.

Leerling: Welke tussenruimte?

Meester: De ruimte tussen de dingen.

Leerling: Maar die kun je toch niet zien?

Meester: Daardoor kun je dingen zien.

Een prachtig boek over de tussenruimte is Bewijsmateriaal van K. Schippers.

Niet-weten is je perspectieven doorzien

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een perspectief op de wereld aanzien voor de wereld zelf.

Leerling: Hoe kan ik de wereld zelf zien?

Meester: Dat je de wereld zelf zou kunnen zien is opnieuw een perspectief.

Leerling: Bedoelt u dat je de wereld zelf niet kan zien?

Meester: Dat is opnieuw een perspectief.

Leerling: Bedoelt u dat er niet zoiets is als de wereld zelf?

Meester: Dat is opnieuw een perspectief.

Leerling: Er zijn alleen maar perspectieven, wou u zeggen.

Meester: Dat is opnieuw een perspectief.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Geen perspectief.

Leerling: Daar kan ik me niets bij voorstellen.

Meester: Doe dan maar elk perspectief.

Leerling: Is dat de waarheid of opnieuw een perspectief?

Meester: Dat heb je goed gezien.

Lees ook: Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken

Niet-weten is steeds door een ander raam kijken

Leerling: Wat is weten?

Meester: Steeds door hetzelfde raam kijken.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Steeds door een ander raam kijken.

Leerling: Kies je daarvoor of overkomt het je?

Meester: Het is maar net door welk raam je kijkt.

Leerling: Wat is de weg naar niet-weten?

Meester: Het is maar net door welk raam je kijkt.

Leerling: Bedoelt u dat er vele wegen naar niet-weten zijn?

Meester: Het is maar net door welk raam je kijkt.

Leerling: Is er eigenlijk wel een weg naar niet-weten?

Meester: Het is maar net door welk raam je kijkt.

Leerling: Is er eigenlijk wel zoiets als niet-weten?

Meester: Het is maar net door welk raam je kijkt.

Leerling: Volgens mij kijkt u steeds door hetzelfde raam.

Meester: Volgens mij zie jij mij steeds door hetzelfde raam kijken.

Leerling: En niet-weten is steeds door een ander raam kijken?

Meester: Het is maar net door welk raam je kijkt.

Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet

Leerling: Wat is weten?

Meester: Door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet.

Leerling: Ik geloof dat ik het zie.

Meester: Dan is dat je raam.

Leerling: Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet is ook een raam?

Meester: En zien dat door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet ook een raam is ook.

Leerling: Enzovoort.

Meester: Nou, voort…

Leerling: Allemaal weten.

Meester: Per definitie.

Leerling: Maar wat is dan niet-weten?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Leerling: Per definitie niet?

Meester: Hoe dan ook niet.

Leerling: Want dat zou toch weer weten zijn.

Meester: Per definitie.

Niet-weten is zien dat je denkt dat je de wereld ziet

Lees ook: Wat is verlichting? Het denken doorzien

Niet-weten is de puzzel doorzien

Leerling: Wat is weten?

Meester: Eindeloos puzzelen.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Stukjes zien.

Niet-weten is stukjes zien

Niet-weten is het hele plaatje doorzien

Leerling: Wat is weten?

Meester: Stukjes zien.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Het hele plaatje zien.

Niet-weten is het hele plaatje zien

Niet-weten is geen god

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een januskop.

Leerling: Een wat?

Meester: Een god met twee gezichten.

Leerling: Waarom noemt u het een god?

Meester: Omdat iedereen het aanbidt.

Leerling: Wat zijn de twee gezichten van weten?

Meester: Gewoon weten en weten van niet-weten.

Leerling: Wat is weten van niet-weten?

Meester: Een schijngestalte van niet-weten.

Leerling: Maar wat is dan niet-weten?

Meester: Niet-weten is geen gezicht.

Weten is een januskop

Niet-weten is geen-hersenspinsel

en geen hersenspinsel

Weten is vastzitten in het web van je gedachten

Leerling: Wat is weten?

Meester: Vastzitten in het web van je gedachten.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Rondlopen op het web van je gedachten.

Leerling: Ik streef ernaar het web van mijn gedachten helemaal te verlaten.

Meester: Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.

Leerling: Want het web van je gedachten verlaten kun je niet.

Meester: Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.

Leerling: Want er is helemaal geen web.

Meester: Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.

Leerling: Want er is helemaal geen je.

Meester: Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.

Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.

Leerling: Wat is vastzitten in het web van je gedachten?

Meester: Weten.

Leerling: Wat is niet-weten?

Niet-weten is een boom zonder kennis

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een boom in een potje.

Weten is een boom in een potje

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een boom in de vrije natuur.

Niet-weten is een boom in de vrije natuur

Leerling: Nou, dan zou ik het wel weten.

Meester: Nou, ik niet.

Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt

Bij hoog en bij laag

Leerling: Wat is weten?

Meester: De boom der kennis.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: De ongrond waarin de boom der kennis wortelt.

Niet-weten is de ongrond waarin de boom der kennis wortelt

Niet-weten is een vlucht uit het vluchten

Krijg het heen en weer

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een vlucht uit niet-weten.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een vlucht uit het weten.

Leerling: Bedoelt u dat we voortdurend heen en weer vluchten?

Meester: Tenzij we vanzelf heen en weer gaan.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Gesteld dat we inderdaad heen en weer gaan.

Leerling: Hè?

Meester: Want ik kan wel zoveel beweren.

Leerling: Is dit nou een vlucht uit het weten of een vlucht uit niet-weten?

Meester: Een vlucht uit het vluchten.

Het heen en weer tussen weten en niet-weten

Niet-weten is een denken dat nooit victorie kraait

Leerling: Wat is weten?

Meester: Denken dat tot stilstand probeert te komen.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Denken dat in beweging blijft.

Leerling: Welk denken zal uiteindelijk victorie kraaien?

Meester: Ze zullen beide blijven kraaien…

Leerling: Maar?

Meester: Nooit victorie.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Omdat ze elkaar aan de gang houden.

Leerling: Is dat een goede of een slechte zaak?

Meester: Je probeert tot stilstand te komen.

Leerling: Kun je beter in beweging blijven?

Meester: Je probeert opnieuw tot stilstand te komen.

Leerling: Volgens mij probeert u in beweging te blijven.

Meester: Je probeert nog steeds tot stilstand te komen.

Leerling: Is dit wat u bedoelt met nooit victorie?

Meester: Maar we kraaien vrolijk verder.

Niet-weten is weten van het bord voor je kop

Niet-weten is weten van het bord voor je kop

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een bord voor je kop.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ook een bord voor je kop.

Leerling: Hoe kom ik van dat bord af?

Meester: Welk bord?

Leerling: Elk bord.

Meester: Wie zegt dat je ervan af kan komen?

Leerling: Waar hebben we het anders over?

Meester: Wat is denken dat je ervan af kan komen?

Leerling: Nou?

Meester: Een bord voor je kop.

Leerling: Omdat je er nooit van af kan komen?

Meester: Wat is denken dat je er nooit van af kan komen?

Leerling: Nou?

Meester: Een bord voor je kop.

Leerling: Toch wil ik ervan af.

Meester: Waarom?

Leerling: Omdat ik dan beter af zal zijn.

Meester: Wat is denken dat je beter af zal zijn zonder bord voor je kop?

Leerling: Een bord voor je kop?

Meester: Hoe kom je erop.

Leerling: Omdat je beter af bent mét?

Meester: Wat is denken dat je beter af bent met een bord voor je kop?

Leerling: Zeker weer een bord voor je kop.

Meester: Wat is jezelf zien als iemand met een bord voor z’n kop?

Leerling: Bedoelt u dat ik toch geen bord voor mijn kop heb?

Meester: Wat is jezelf zien als iemand zonder bord voor z’n kop?

Leerling: Hoe moet ik mezelf dan zien?

Meester: Wie zegt dat er iets te zien valt?

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Wat is denken dat er niets te zien valt?

Leerling: Een bord voor je kop?

Meester: Wat is denken dat er toch iets te zien valt?

Leerling: Een bord voor je kop?

Meester: Conclusie?

Leerling: Ik zeg niks.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Ik trap er niet meer in.

Meester: Vind je dat we moeten zwijgen?

Leerling: Wel als we van het bord voor ons kop af willen.

Meester: Dan is dat het bord voor je kop.

Niet-weten is een vraagteken

Vragenvuur

Leerling: Wat is weten?

Meester: Op iedere vraag een antwoord.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Op ieder antwoord een vraag.

Niet-weten is een uitroepteken

Vreugdevuur

Leerling: Wat is weten?

Meester: Op ieder antwoord een vraag, op iedere vraag een antwoord.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Geen vraag en geen antwoord.

Niet-weten is een dwaalgesprek met jezelf

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een leergesprek met jezelf.

Leerling: Komt daar ooit een eind aan?

Meester: Voor de meeste mensen niet.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een dwaalgesprek met jezelf.

Leerling: Komt daar ooit een einde aan?

Meester: Tot nu toe niet.

Niet-weten is een rede zonder rede

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een overwinning van de rede op de realiteit.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een overwinning van de rede op de rede.

Leerling: Ja, heeft de rede nou gewonnen of niet?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Leerling: Ik bedoel, heeft de realiteit nou verloren of niet?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Niet-weten is je laatste fuik

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een fuik.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ook een fuik.

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Uit de eerste kun je nog ontsnappen.

Niet-weten is de ruimste fuik

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een fuik.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: De ruimte eromheen.

Leerling: Nou, dan zou ik het wel weten.

Meester: Nou, ik niet.

Niet-weten is verwijlen in het ongewisse

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een fuik.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: De ruimte eromheen.

Leerling: Wat is het verschil?

Meester: In een fuik kun je nergens heen, al zou je wel willen.

Leerling: En in de ruimte eromheen?

Meester: Wil je nergens heen, al zou je wel kunnen.

Leerling: Waar je ook bent, je gaat nergens heen?

Meester: Niet dat ik weet.

Leerling: Wat maakt het dan nog uit?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Niet-weten is iets waar je niet in zit en niet uit komt

Leerling: Wat als je uit de fuik van het weten ontsnapt?

Meester: Dan kom je in de fuik van niet-weten terecht.

Leerling: Hoe is het daar?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Zult u er ooit uitkomen?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Zit u er wel in?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Is er wel een fuik?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Is er wel een u?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Weet u dan helemaal niets?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Niet-weten is toch zeker geen fuik?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Niet-weten is ultieme vrijheid!

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Moet ik u nou feliciteren of condoleren?

Meester: Dat weet ik niet.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik er nog in zit?

Leerling: Gecondoliteerd dan maar.

Meester: Insgelijks dan maar.

Niet-weten is een fuik waar je niet in zit

Niet-weten is een vrije val

Leerling: Wat is weten?

Meester: Vastklampen aan de neus van een vliegtuig…

Vastklampen aan de neus van een vliegtuig

Leerling: Terwijl je gewoon kan vliegen!

Meester: Terwijl je gewoon kan vallen.

Niet-weten is vallen zonder opstaan

Plaats vergaan

Leerling: Wat is weten?

Meester: Vallen en opstaan.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Vallen.

Niet-weten is vallen zonder opstaan

Niet-weten is een val zonder strik

Gestrekt maar niet gestrikt

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een val.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ook een val.

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: De val van niet-weten is vrij.

Niet-weten is geen welles en geen nietes

Leerling: Wat is weten?

Meester: Altijd gelijk hebben.

Leerling: Dat is mooi.

Meester: En altijd ongelijk hebben.

Leerling: Hè?

Meester: Zeg dat wel.

Leerling: Op hetzelfde moment?

Meester: In verschillende opzichten.

Leerling: Of op verschillende momenten?

Meester: In hetzelfde opzicht.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Nooit gelijk of ongelijk hebben.

Leerling: Hè?

Meester: Zeg dat wel.

Leerling: Op welk moment?

Meester: Wanneer dan ook.

Leerling: In welk opzicht?

Meester: In welk opzicht dan ook.

Leerling: Dat is niet zo mooi.

Meester: Dat is weer weten.

Niet-weten is een zwart gat

Leerling: Wat is de beste metafoor voor het verschil tussen weten en niet weten?

Meester: Het achterwerk.

Leerling: Waarom?

Meester: Je staart je blind op de billen, maar het venijn zit in de aars.

Leerling: Waarvoor staan de billen?

Meester: Voor dit soort vragen.

Leerling: Waarvoor staat de aars?

Meester: Voor dit soort antwoorden.

Leerling: Staan ze voor illusie en werkelijkheid?

Meester: Proet.

Leerling: Voor verschijnsel en bewustzijn?

Meester: Proet.

Leerling: Voor vorm en leegte?

Meester: Proet.

Leerling: Voor ego en zelf?

Meester: Proet.

Leerling: Voor dualiteit en non-dualiteit?

Meester: Allemaal billen.

Leerling: Maar wat is dan die aars?

Meester: Proet.

Je staart je blind op de billen, maar het venijn zit in de aars

Niet-weten is gebakken lucht

Mest of mist? Hoogstandjes van de endelgeest.

Leerling: Wat is weten?

Meester: Tien pond scheten.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ook tien pond scheten.

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Tien pond scheten.

Leerling: Rekenen is ook een vak.

Meester: Endelgas is nog geen kak.

Niet-weten is een katalysator

Het loopt wel los

Leerling: Waarmee kun je weten vergelijken?

Meester: Een analysator.

Leerling: Hoezo?

Meester: Het verdeelt het denken en bindt zich aan de elementen tot het vastloopt.

Leerling: Waarmee kun je niet-weten vergelijken?

Meester: Een katalysator.

Leerling: Hoezo?

Meester: Het versnelt het denken zonder een verbinding aan te gaan tot het vrijloopt.

Het versnelt het denken zonder een verbinding aan te gaan

Tip: Wat is de mind?, Denkbeeldenstorm!

Niet-weten is enkel spel

Leerling: Wat is weten?

Meester: Vals spelen.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Spelen.

Niet-weten is dubbel spel

Leerling: Wat is weten?

Meester: Volgens de regels spelen.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Met de regels spelen.

Niet-weten is met de regels spelen

Niet-weten is je kaarten op tafel leggen

Leerling: Wat is weten?

Meester: De kaarten opnemen.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Je kaarten op tafel leggen.

Niet-weten is je kaarten schudden

Leerling: Wat is weten?

Meester: Je kaarten sorteren.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Je kaarten schudden.

Niet-weten is een blinde kaart

Leerling: Wat is weten?

Meester: Doorgestoken kaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een blinde kaart.

Niet-weten is van de kaart zijn

Leerling: Wat is weten?

Meester: Alles op één kaart zetten.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Helemaal van de kaart zijn.

Niet-weten is schoppen

Leerling: Wat is weten?

Meester: Hartenjagen.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Schoppen.

Niet-weten is naaktlopen

Leerling: Wat is weten?

Meester: Strip poker

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Naturisme.

Niet-weten is in je kaart laten kijken

Leerling: Wat is weten?

Meester: Blufpoker.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: In je kaart laten kijken.

Niet-weten is een bankroet

Leerling: Wat is weten?

Meester: Bluf.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Blut.

Niet-weten is een leeg huis

Leerling: Wat is weten?

Meester: Full house.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Empty house.

Niet-weten is geen huis

Leerling: Wat is weten?

Meester: Full house.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: No house.

Niet-weten is een gekkenhuis

Leerling: Wat is weten?

Meester: Full house.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Fool house.

Niet-weten is een joker

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een plaatje.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een joker.

Niet-weten is een rode kaart

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een gele kaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een rode kaart.

Niet-weten is een onhaalbare kaart

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een haalbare kaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Onhaalbare kaart.

Niet-weten is een vrijkaart

Leerling: Wat is weten?

Meester: Onhaalbare kaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een vrijkaart.

Niet-weten is een passe-partout

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een vrijkaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een passe-partout.

Niet-weten is een zeekaart

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een landkaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een zeekaart.

Niet-weten is de zee

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een zeekaart.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: De zee.

Niet-weten is een kaartenhuis

Leerling: Wat is weten?

Meester: Een kaartenhuis.

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ook een kaartenhuis.

Leerling: Wat is dan het verschil?

Meester: Niet-weten is al ingestort.

Niet-weten is een oorverdovende stilte

De Schreeuw

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Stilte.

Leerling: Wat voor stilte?

Meester: Een oorverdovende stilte.

Leerling: Zo erg?

Meester: Fortissimo furioso.

Leerling: Wat hoor je daarin niet?

Meester: Antwoorden.

Leerling: Hoe is het in die oorverdovende stilte?

Meester: Hoe weet ik dat nou?

Leerling: U bent daar toch?

Meester: Als ik dat eens wist.

Leerling: Wat moet ik doen om er zelf te komen?

Meester: Ik heb geen idee.

Leerling: Maar je kunt er toch wel komen?

Meester: Wie zegt dat je erheen moet?

Leerling: Bedoelt u dat ik er al ben?

Meester: Wie zegt dat je bent?

Leerling: Is het er fijn?

Meester: Waar?

Leerling: Of vervelend?

Meester: Wat is het verschil?

Leerling: Het komt er dus op neer dat er helemaal geen antwoorden zijn?

Meester: Dat zou nog steeds een antwoord zijn.

Leerling: Aaargh!

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Wat?

Meester: Fortissimo furioso.

Niet-weten is een oorverdovende stilte

Niet-weten is gratis en gratuit

Leerling: Waarvoor staat niet-weten?

Meester: Voor niets.

Tip: Loflied op niet-weten

Niet-weten is een vuurzee

Leerling: Wat heeft niet-weten voor nieuws te bieden?

Meester: Niet-weten heeft niets te bieden, laat staan iets nieuws.

Leerling: Waarin onderscheidt het zich dan?

Meester: In dat het er openlijk voor uitkomt.

Leerling: Waarvoor?

Meester: Dat het niets te bieden heeft.

Leerling: Is dat alles?

Meester: Kom er maar eens om.

Leerling: Hoezo?

Meester: Overal kun je wel iets krijgen, maar waar krijg je nou niets?

Leerling: Als u hét niets bedoelt dan weet ik nog wel een paar adresjes.

Meester: Maar ik bedoel gewoon niets.

Leerling: Dan zal het ook wel niets kosten.

Meester: Integendeel, het zal je alles kosten.

Leerling: Niet-weten brengt je niets maar kost je alles?

Meester: Wat wil je nog minder.

Leerling: Geef mijn portie maar aan Fikkie.

Meester: Zeg maar gerust vuurzee.

Leerling: En als je eenmaal niet meer weet?

Meester: Dan brengt het je alles en kost het je niets.

Lees ook: Dood de Boeddha! Zen, leegte en nihilisme

Niet-weten is geen woord

Leerling: Wat is de weg van niet-weten?

Meester: Geen weg.

Leerling: Wat is het doel van niet-weten?

Meester: Geen doel.

Leerling: Wat is de waarheid van niet-weten?

Meester: Geen waarheid.

Leerling: Wat is de leer van niet-weten?

Meester: Geen leer.

Leerling: Wat is de visie van niet-weten?

Meester: Geen visie.

Leerling: Wat is het standpunt van niet-weten?

Meester: Geen standpunt.

Leerling: Wat is het ideaal van niet-weten?

Meester: Geen ideaal.

Leerling: Wat is het motto van niet-weten?

Meester: Geen motto.

Leerling: Wat is het voorschrift van niet-weten?

Meester: Geen voorschrift.

Leerling: Wat is het woord van niet-weten?

Meester: Geen woord.

Niet-weten is geen stilte

Leerling: Wat is de weg van niet-weten?

Meester: Elke weg.

Leerling: Wat is het doel van niet-weten?

Meester: Elk doel.

Leerling: Wat is de waarheid van niet-weten?

Meester: Elke waarheid.

Leerling: Wat is de leer van niet-weten?

Meester: Elke leer.

Leerling: Wat is de visie van niet-weten?

Meester: Elke visie.

Leerling: Wat is het standpunt van niet-weten?

Meester: Elk standpunt.

Leerling: Wat is het ideaal van niet-weten?

Meester: Elk ideaal.

Leerling: Wat is het motto van niet-weten?

Meester: Elk motto.

Leerling: Wat is het voorschrift van niet-weten?

Meester: Elk voorschrift.

Leerling: Wat is het woord van niet-weten?

Meester: Elk woord.

Tip: De volle leer

Niet-weten is ‘weten’

Leerling: Op wat voor gronden berust onze kennis?

Meester: Op gronden tussen aanhalingstekens.

Leerling: Wat als onze gronden inderdaad ‘gronden’ zijn?

Meester: Dan zijn onze bewijzen ‘bewijzen’, onze waarheden ‘waarheden’, onze zekerheden ‘zekerheden’, onze oordelen ‘oordelen’, onze standpunten ‘standpunten’, onze meningen ‘meningen’, onze normen ‘normen’, onze waarden ‘waarden’ en onze principes ‘principes’.

Leerling: Zijn onze gronden ‘gronden’?

Meester: Dat valt niet te bewijzen.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Omdat bewijzen dan ‘bewijzen’ zouden zijn.

Leerling: Bedoelt u dat er wel degelijk gronden zijn?

Meester: Dat valt niet te bewijzen.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Als ze bewijsbaar waren zouden het geen gronden zijn maar afgeleiden.

Leerling: Wat betekent dit voor ons weten?

Meester: Dat het alleen maar ‘weten’ is.

Leerling: En voor ons niet-weten?

Meester: Dat het alleen maar ‘niet-weten’ is.

Leerling: En voor die aanhalingstekens?

Meester: Dat het alleen maar ‘aanhalingstekens’ zijn.

Leerling: Wat is dan nog het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’?

Meester: Een verschil tussen aanhalingstekens.

Leerling: Een ‘verschil’.

Meester: Bij wijze van spreken.

Leerling: Weten is ‘weten’ en niet-weten is ‘niet-weten’ en het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet-weten’ is een ‘verschil’, bij wijze van spreken?

Meester: Jij zegt het.

Leerling: Betekent dit niet dat ze identiek zijn?

Meester: Hoogstens tussen aanhalingstekens.

Leerling: En minstens?

Meester: Helemaal.

Leerling: Nou weet ik nog niks.

Meester: Nou niet weer meteen conclusies gaan trekken, hè?

Niet-weten is worstelen en ondergaan

Luctor et submergo

Leerling: Weet u een motto voor niet-weten?

Meester: Luctor et submergo.

Leerling: Wat betekent dat?

Meester: Ik worstel en ga onder.

Leerling: Prettig vooruitzicht.

Meester: En ik is niet het enige dat ondergaat.

Leerling: Wat nog meer?

Meester: Alleen maar de hele wereld.

Leerling: Toe maar.

Meester: En daarmee het hele weten.

Leerling: Het moet niet veel gekker worden.

Meester: En daarmee het hele niet-weten.

Leerling: Niet-weten gaat ook ten onder?

Meester: Zeker weten.

Leerling: Nou, dan heb je alles wel zo’n beetje gehad.

Meester: Dat mocht je willen.

Leerling: Wat is er dan nog over?

Meester: Niet-ik en niet-wereld bijvoorbeeld.

Leerling: Die gaan ook ten onder?

Meester: Submergo et submergo.

Leerling: Wat nog meer?

Meester: Het ondergaan bijvoorbeeld.

Leerling: Dat ook al?

Meester: Zeker weten.

Leerling: Maar dan ben je ook helemaal uitgeworsteld?

Meester: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

Leerling: Want niet-weten is nergens van uitgaan.

Meester: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

Leerling: Ik weet eerlijk gezegd niet of ik daar wel heen wil.

Meester: Ik weet eerlijk gezegd niet of je daar wel weg kan.

Niet-weten is een wormgat naar deze zijde

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een wormgat naar gene zijde.

Leerling: Wat is gene zijde?

Meester: Wat is deze zijde?

Leerling: Waar is dat wormgat dan voor nodig?

Meester: Welk wormgat?

Leerling: Dat weet u ook al niet?

Meester: Wat is niet-weten?

Niet-weten is het weten terugsnoeien

Onkruid vergaat niet; tuinieren onder de bodhiboom.

Meester: Wat is niet-weten?

Leerling: Het weten met wortel en al uitrukken.

Meester: Toe maar.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Het weten terugsnoeien tot de grond.

Leerling: En dan?

Meester: Kijken hoe het weer opkomt.

Leerling: Waarom zou je het weten niet met wortel en al uitrukken?

Meester: Omdat het geen wortels heeft?

Leerling: Is dat een antwoord of een vraag?

Meester: Wat jij wil.

Leerling: Doe dan maar een antwoord.

Meester: Dan snoei ik het vast terug.

Leerling: En dan?

Meester: Kijken hoe het weer opkomt.

Niet-weten is een surplace van de denker

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een surplace van de denker.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Je gedachten gaan nog steeds overal heen…

Leerling: Maar jijzelf gaat niet meer mee?

Meester: Zoiets.

Leerling: Prachtig.

Meester: Maar ja.

Leerling: Wat?

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

Niet-weten is een surplace van je gedachten

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Een surplace van je gedachten.

Leerling: Hoe bedoelt u?

Meester: Jij gaat nog steeds overal heen…

Leerling: Maar je gedachten gaan niet meer mee?

Meester: Zoiets.

Leerling: Prachtig.

Meester: Maar ja.

Leerling: Wat?

Meester: Dat is ook maar een gedachte.

Niet-weten is steeds opnieuw beginnen

Undo

Leerling: Waarmee kun je niet-weten vergelijken?

Meester: Ctrl-Z.

Leerling: Wat?

Meester: Het commando ongedaan-maken op de computer.

Leerling: Wat wordt er ongedaan gemaakt?

Meester: Je vorige gedachte.

Leerling: Waarmee?

Meester: Je huidige gedachte.

Leerling: Waarmee maak je die dan weer ongedaan?

Meester: Je volgende gedachte natuurlijk.

Leerling: Aha!

Meester: Wat?

Leerling: Eindelijk snap ik het.

Meester: Ctrl-Z.

Niet-weten is niet weten uit te sluiten

Leerling: Wat is niet-weten?

Meester: Ruimte.

Leerling: Waarvoor?

Meester: Overal voor.

Leerling: Zonder onderscheid?

Meester: Met, zonder, maakt niet uit.

Leerling: Dus ook voor weten?

Meester: Zeker weten.

Niet-weten is een paradox

Leerling: Wat is de crux van niet-weten?

Meester: Zelfs niet weten van niet-weten.

Leerling: Ai, een dubbele ontkenning.

Meester: Ja ja.

Leerling: Ai, een dubbele bevestiging.

Meester: Je had commentator moeten worden.

Leerling: Bedoelt u met ‘zelfs niet weten van niet-weten’ dat je toch kunt weten?

Meester: Als ik dat eens wist.

Leerling: Is dat een bevestiging of een ontkenning?

Meester: Ai, een paradox.

Niet weten is dubbel of quitte

Onthecht van onthechting, het loslaten losgelaten en het relativeren gerelativeerd.

Niet-weten is wissen

1.

Leerling: Niet-weten is alles afbreken.

Meester: Ook het afbreken.

2.

Leerling: Niet-weten is alles verliezen.

Meester: Ook het verliezen.

3.

Leerling: Niet-weten is alles ontkennen.

Meester: Ook het ontkennen.

4.

Leerling: Niet-weten is alles weerspreken.

Meester: Ook het weerspreken.

5.

Leerling: Niet-weten is alles relativeren.

Meester: Ook het relativeren.

6.

Leerling: Niet-weten is niets geloven.

Meester: Ook dit niet.

7.

Leerling: Niet-weten is niets afwijzen.

Meester: Ook niet het afwijzen.

8.

Leerling: Niet-weten is overal aan twijfelen.

Meester: Ook aan het twijfelen.

Alles wissen

9.

Leerling: Niet-weten is ruimte voor alles.

Meester: Ook voor ruimtegebrek.

10.

Leerling: Niet-weten is overal voorbijgaan.

Meester: Ook aan het voorbijgaan.

11.

Leerling: Niet-weten is bevrijding.

Meester: Ook van de vrijheid.

12.

Leerling: Niet-weten is loslaten.

Meester: Ook het loslaten.

13.

Leerling: Niet-weten is onthechting.

Meester: Ook van onthechting.

14.

Leerling: Niet-weten is nergens over oordelen.

Meester: Ook niet over oordelen.

15.

Leerling: Niet-weten is geen standpunten hebben.

Meester: Ook niet over standpunten.

16.

Leerling: Niet-weten is van niets weten.

Meester: Ook niet van niet-weten.

Zelfs het wissen wissen

Niet-weten is bungeejumpen

Leerling: Wat bindt de mens aan zijn weten?

Meester: Een elastiek.

Leerling: Wat heeft dat voor gevolg?

Meester: Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.

Leerling: U ook?

Meester: Iedereen.

Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Jij blijft rustig in de buurt van het weten rondscharrelen.

Leerling: En u?

Meester: Ik doe aan bungeejumpen.

Niet-weten is rondscharrelen

Leerling: Wat bindt de mens aan zijn niet-weten?

Meester: Een elastiek.

Leerling: Wat heeft dat voor gevolg?

Meester: Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.

Leerling: U ook?

Meester: Iedereen.

Leerling: Wat is dan het verschil tussen ons?

Meester: Ik blijf rustig in de buurt van niet-weten rondscharrelen.

Leerling: En ik?

Meester: Jij doet aan bungeejumpen.

Niet-weten is je natuurlijke staat

Leerling: Als je met elastiek aan het weten gebonden bent dan is weten je natuurlijke staat.

Meester: Inderdaad.

Leerling: Als je met elastiek aan niet-weten gebonden bent dan is niet-weten je natuurlijke staat.

Meester: Inderdaad.

Leerling: Wat is nou je natuurlijke staat, weten of niet-weten?

Meester: Wil je dat echt weten?

Leerling: Inderdaad.

Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.

Leerling: Waartussen?

Meester: Jou en mij.

Leerling: Wilt u het niet weten of weet u het gewoon niet?

Meester: Weet ik ook al niet.

Leerling: Bij wie moet ik dan wezen?

Meester: Wie zegt dat iemand het weet?

Leerling: Wou u zeggen van niet?

Meester: Wat weet ik daarvan?

Leerling: Maar wat is nou je natuurlijke staat?

Meester: Dat is nou je natuurlijke staat.

Leerling: Weten of niet-weten?

Meester: Heen en weer gaan tussen weten en niet-weten?

Leerling: Heen en weer gaan is je natuurlijke staat?

Meester: Ik zou het anders ook niet weten.

Leerling: Dat zou een hoop verklaren.

Meester: Als er al een natuurlijk staat is.

Leerling: Daar vraagt u me wat.

Meester: En iemand die daarin kan verkeren.

Leerling: Daar ging ik inderdaad eventjes van uit.

Meester: Misschien is niet weten of er een natuurlijke staat is wel je natuurlijke staat.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien is niet weten of er iemand is die daarin kan verkeren wel je natuurlijke staat.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Maar misschien ook niet.

Niet-weten is zelfbezwerend

Leerling: Met welke toverspreuk bezweert u het weten?

Meester: Ik hoef het niet te bezweren.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Omdat het zelfbezwerend is.

Leerling: Hoe lang duurt dat ongeveer?

Meester: Zo lang als een gedachte ongeveer.

Leerling: Geef eens een voorbeeld.

Meester: ‘Omdat het zelfbezwerend is’ bijvoorbeeld.

Niet-weten is geen gezond verstand

Klein verstand vindt alles vanzelfsprekend
Gemiddeld verstand vindt veel vanzelfsprekend
Groot verstand vindt weinig vanzelfsprekend
Briljant verstand vindt niets vanzelfsprekend

Onverstand vindt niets

Gezond verstand, spiritueel verstand en onverstand

Niet-weten is nooit af

Het achtvoudige pad van agnose

De werkelijkheid bestrijden met de middelen van het realisme
Luchtkastelen bestrijden met de middelen van het idealisme
Gedachten bestrijden met de middelen van de psychologie
Kennis bestrijden met de middelen van de wetenschap
Stellingen bestrijden met de middelen van de filosofie
Bewijzen bestrijden met de middelen van de logica
Woorden bestrijden met de middelen van de taal
Niet-weten bestrijden met niet-weten
Gauw weer terug naar af

Niet-weten is een white-out

ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten
ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten niet kan witten

(vrij naar Hugo Pos)

Niet-weten is een black-out

ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten
ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten steeds moet witten

Niet-weten is een kind

Een kind weet wat niet-weten is
Een aap weet wat niet-weten is
Ook ik wist wat niet-weten is
Totdat ik het wou weten

Geen kennis of onwetendheid
Geen weg en geen doel
Geen blijspel en geen treurspel
Geen heilsboodschap of onheilstijding

Geen therapie en geen geestesziekte
Geen vraagstuk en geen panacee
Geen waarheid en geen leugen
Geen dwaasheid en geen wijsheid

Geen houvast en geen laatlos
Geen hel en geen hemel
Geen openheid en geen liefde
Geen gevangenschap en geen vrijheid

Geen worden en geen zijn
Geen eenheid en geen non-dualiteit
Geen zusheid en geen zoheid
Geen essentie en geen singulariteit

Geen atheïsme en geen pantheïsme
Geen scepticisme en geen pyrronisme
Geen stoïcisme en geen laxisme
Geen cynisme en geen nihilisme

Geen boeddha en geen sangha
Geen dharma en geen karma
Geen samsara of nirwana
Geen vorm en geen leegte

Geen geest en geen niet-geest
Geen ingrond en geen ongrond
Want weten wat niet-weten is
Is nevernooit niet-weten

Een kind weet wat niet-weten is
Een aap weet wat niet-weten is
Ook jij wist wat niet-weten is
Al wil je het niet weten

Zalig zijn de armen van geest

Niet-weten is geen pied-à-terre

Meester Soit heeft het op vele manieren gezegd:

Niet-weten is hier, wij zijn daar

Niet-weten is thuis, wij zijn uit

Niet-weten is binnen, wij zijn buiten

Niet-weten is in ons hart, wij zijn in ons hoofd

Niet-weten is inwonend, wij zijn vreemdelingen

Niet-weten is nooit weggeweest, wij zijn nooit teruggegaan

Niet-weten is het meest nabij, wij zijn weer eens op bedevaart

Laatst schreeuwde hij om middernacht

Niet-weten is geen pied-à-terre!

Maar zijn stem draagt niet zo ver

’t Zij zo, heeft hij steeds gezegd

‘k Blijf het zeggen, blijft hij zeggen,

En ook dat is dan maar zo

’t Zij zo is het meest nabij

Niet-weten is het meest nabij, Verwarring is het meest nabij, Een knipoog komt het meest nabij, Gewenste initimiteiten

Niet-weten is natafelen

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Weet ik niet meer.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Ik heb ze meteen verbrijzeld.

Niet-weten is geen epitaaf

1.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Dit zijn de stenen tafelen van niet-weten.

2.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Dit zijn niet de stenen tafelen van niet-weten.

3.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand weet wat voor stenen tafelen dit zijn.

4.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand weet wat voor stenen dit zijn.

5.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand weet wat dit zijn.

6.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Niemand weet wat.

7.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Op de ene staat Niemand weet.

Leerling: En op de andere?

Meester: Wat?

8.

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Niet-weten is een beletselteken

dat niemand iets belet

Leerling: Wat staat er op de stenen tafelen van niet-weten?

Meester: …

Leerling: Gij zult niet weten?

Meester: …

Leerling: Gij zult niet gebieden?

Meester: …

Leerling: Gij zult niet beitelen?

Meester: …

Leerling: Tja?

Meester: …

Leerling: Niets dan?

Meester: …

Leerling: Is dat wat er staat of weet u het niet?

Meester: …

Niet-weten is warm en vloeiend

Leerling: Waarmee kun je de stenen tafelen van het weten vergelijken?

Meester: Gewapend beton.

Leerling: En die van niet-weten?

Meester: Lava.

Niet-weten is anderen niet geloven

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Ik!

Meester: Is dat je motto of heb je er een?

Leerling: Ik heb er een.

Meester: Voor de draad ermee.

Leerling: Credo nulli.

Meester: Wat betekent dat?

Leerling: Niemand geloven.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Erasmus.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je hem?

Niet-weten is jezelf niet geloven

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Credo nulli!

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Dat doet er niet toe.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat ik er zelf ook zo over denk.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je jezelf?

Niet-weten is geen geloof

Meester: Wie heeft er een motto?

Leerling: Credo nulli nulli!

Meester: Wat betekent dat?

Leerling: Zelfs niet geloven dat je niemand moet geloven.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Niemand, volgens mij.

Meester: En?

Leerling: Wat?

Meester: Geloof je niemand?

Lees ook: Groot Ongeloof, Grote God

Niet-weten is geen vetpot

Leerling: Ik vind niet-weten onverteerbaar.

Meester: Maakt niet uit.

Leerling: Hoezo?

Meester: De voedingswaarde is nihil.

Niet-weten is geen gedachtestilte

Niet-weten is geen gedachtestilte.
Het is geen voel-, spreek- of handelverbod.
Integendeel, een weetniet denkt, voelt, spreekt en handelt erop los.

Niet-weten is het herroepen van iedere gedachte, deze ook.
Het terugnemen van elke conclusie, deze ook.
Het ontzeggen van al het gezegde, dit ook.

Niet om iets te bereiken of te bewijzen.
Gewoon, omdat je dat nou eenmaal doet.
Omdat je dat nou eenmaal moet.
Omdat je het nou eenmaal niet kan laten.
Ja, weet ik veel waarom.

Niet-weten is een koning zonder kijk

Meester Rara is een genie of een genius, daar wil ik vanaf zijn. Hij zegt gerust tien keer hetzelfde met andere woorden of tien keer wat anders met dezelfde woorden, dat valt ook al niet uit te maken, als hij al wat zegt.

1

Wie wéét die ziet het allemaal, wie niet weet die zíet het allemaal wel, en zo heeft elk zijn kijk.

2

Wie wéét die heeft het goed gezien, wie niet weet die heeft het zien doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.

3

Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft het zelf gezien, en zo heeft elk zijn kijk.

4

Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft zichzelf doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.

5

Wie wéét die heeft zichzelf ontzien, wie niet weet heeft afgezien, en zo heeft elk zijn kijk.

6

Wie wéét die houdt het voor onzienlijk, wie niet weet die houdt het voor gezien, en zo heeft elk zijn kijk.

7

Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die heeft het wel gezíen, en zo heeft elk zijn kijk.

8

Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die is gezien, en zo heeft elk zijn kijk.

9

Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elkeen rijk.

10

Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elk een rijk.

Niet-weten is een fluitketelfluit

Worden de blinden geopend, dan licht de lege ruimte op
Maar als beginsel volstaat zelfs de leegte niet
Werp liever alle dingen én de leegte weg
Opdat de geesteswind nooit meer door de kieren zal gieren

(Wumen Huikai in zijn vers bij koan 26 van de Poortloze Poort)

Een prachtig vers, als je het mij vraagt. Maar waarom zou de geesteswind nooit meer door de kieren mogen gieren? Doe eens gek, zei de gek, en werp zelfs het wegwerpen van alle dingen en de leegte weg en…

Hoor die ketel plots weer fluiten
Noch van binnen noch van buiten
Licht de lege ruimte op
Zet hem dan maar op je kop

Niet-weten is een fluitketelfluit

Niet-weten is geen brevet

Meester Zuetsu heeft gezegd:

‘Wie eindelijk doorkrijgt dat hij niets begrijpt, heeft toch weer iets begrepen. Nog even volhouden dus, maar wat?’

Hij heeft ook gezegd:

‘Niet begrijpen is geen hogere vorm van begrijpen; transmissie wordt hier niet verleend.’

Na enig aandringen verklaarde hij:

‘Nabij een hemellichaam is vallen geen kunst en in de eindeloze ruimte geen vliegwerk, maar wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich tot met een gerust hart tot zen wenden. De leertijd is onbegrensd en je Zero staat al klaar.’

Wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich tot zen wenden

Tip: Wat is zen? 100 definities

Kan je er maar geen genoeg van krijgen? Elders op deze site vind je nog veel meer metaforen voor niet-weten.