Levenskunst is vliegwerk

‘Leven is geen kunst, geen kunstje en geen kunde; levenskunst is vliegwerk, en vrij alleen je val.’ Dwaalteksten over ars vivendi, ars moriendi, agnose, angst, leed, geluk en wijsheid.

Dwaalgids > Filosofie > Levenskunst, levenskunst? Leven is geen kunst

Lees ook: Lijden, is er een einde aan? Wat is gemoedsrust? Vrede sluiten met je onvrede, Wat is de zin van het leven?, Voorbij goed en kwaad, de ethiek van niet-weten, De dood doodgedacht.

INHOUDSOPGAVE

Aanbeveling voor levenskunstenaars

Leerling: Wat weet u eigenlijk van levenskunst?

Meester: Minder dan wie ook.

Leerling: Dat lijkt me geen aanbeveling.

Meester: Integendeel.

De Bergsoetra – 33 trappen naar de top

Levenskunst is vliegwerk; stellen, vergroten en overtreffen.

Twee soorten levenskunst

Leerling: Wat is Kleine Levenskunst?

Meester: Vallen en opstaan.

Leerling: Wat is Grote Levenskunst?

Meester: Vallen.

 

Tip: Zeg maar tja tegen het leven

Drie levenslessen

Leerling: Wat is de Kleine Levensles?

Meester: Almaar bijleren.

Leerling: Wat is de Grote Levensles?

Meester: Dat er niets te leren valt.

Leerling: Wat is de Grootste Levensles?

Meester: Dat de Kleine Les al niet te leren valt.

Tip: Meester Schaap en Broeder Ezel

Twee vormen van volmaaktheid

Leerling: Wat is Kleine Volmaaktheid?

Meester: Weten dat niets volmaakt is.

Leerling: Wat is Grote Volmaaktheid?

Meester: Niet weten wat ‘volmaakt’ is.

Tip: Loflied op niet-weten

Drie soorten initiatief

Leerling: Wat is het Kleine Initiatief?

Meester: Almaar doen.

Leerling: Wat is het Grote Initiatief?

Meester: Maar wat doen.

Leerling: Wat is het Grootste Initiatief?

Meester: Laat maar gaan.

Tip: Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid

Vier vormen van gemoedsrust

Leerling: Wat is de Kleinste Rust?

Meester: Even bijkomen.

Leerling: Wat is Kleine Rust?

Meester: Je onrust aanvaarden.

Leerling: Wat is Grote Rust?

Meester: Aanvaarden dat je dat niet kunt.

Leerling: Wat is de Grootste Rust?

Meester: Aanvaarden dat je dat ook niet kunt.

Tip: Wat is gemoedsrust? Vrede sluiten met je onvrede

Vier soorten liefde

Leerling: Wat is de Kleinste Liefde?

Meester: Een roze bril.

Leerling: Wat is Kleine Liefde?

Meester: Alles onder ogen zien.

Leerling: Wat is Grote Liefde?

Meester: Onder ogen zien dat je dat niet kunt.

Leerling: Wat is de Grootste Liefde?

Meester: Onder ogen zien dat je dat niet weet.

Tip: Wat is liefde?

Drie manieren van sterven

Leerling: Wat is de Kleine Dood?

Meester: Sterven aan je lichaam.

Leerling: Wat is de Grote Dood?

Meester: Sterven aan je geest.

Leerling: Wat is de grootste dood?

Meester: Sterven aan het sterven.

Tip: De dood doodgedacht

Vier soorten houvast

Leerling: Wat is het Kleinste Houvast?

Meester: Niets loslaten.

Leerling: Wat is het Kleine Houvast?

Meester: Iets loslaten.

Leerling: Wat is het Grote Houvast?

Meester: Alles loslaten.

Leerling: Wat is het Grootste Houvast?

Meester: Het loslaten loslaten.

Tip: Grote twijfel, grote verlichting

Drie zonden

Leerling: Wat is de Kleine Zonde?

Meester: Weten wat zonde is.

Leerling: Wat is de Grote Zonde?

Meester: De Kleine Zonde niet door de vingers kunnen zien.

Leerling: Wat is de Grootste Zonde?

Meester: De Grote Zonde niet door de vingers kunnen zien.

Tip: Voorbij goed en kwaad; de ethiek van niet-weten

Vier soorten deugd

Leerling: Wat is de Kleinste Deugd?

Meester: Spelen zonder regels.

Leerling: Wat is de Kleine Deugd?

Meester: Spelen volgens de regels.

Leerling: Wat is de Grote Deugd?

Meester: Spelen met de regels.

Leerling: Wat is de Grootste Deugd?

Meester: Spelen.

Tip: Zalig zijn de armen van geest

Twee soorten domheid

Leerling: Wat is Kleine Domheid?

Meester: Denken dat alles vanzelf spreekt.

Leerling: Wat is Grote Domheid?

Meester: Denken dat alles een wonder is.

Tip: De mystiek van alledag

Drie soorten leed

Leerling: Wat is Klein Leed?

Meester: Denken.

Leerling: Wat is Groot Leed?

Meester: Denken.

Leerling: Wat is het Grootste Leed?

Meester: Denken.

Tip: Lijden, is er een einde aan?

Drie soorten vreugde

Leerling: Wat is Kleine Vreugde?

Meester: Denken.

Leerling: Wat is Grote Vreugde?

Meester: Denken.

Leerling: Wat is de Grootste Vreugde?

Meester: Denken.

Tip: Niet-weten als passe-partout

Drie manieren van thuiskomen

Leerling: Wat is het Kleine Thuiskomen?

Meester: Je heilige huisjes betrekken.

Leerling: Wat is het Grote Thuiskomen?

Meester: Je heilige huisjes verlaten.

Leerling: Wat is het Grootste Thuiskomen?

Meester: Vrij in- en uitlopen.

Tip: Verder, verder! Reistips voor spirituele zoekers

Drie zelven

Leerling: Wat is het Kleine Zelf?

Meester: Een doodloper.

Leerling: Wat is het Grote Zelf?

Meester: Een zitzak.

Leerling: Wat is het Grootste Zelf?

Meester: Vanzelf.

Tip: Zoeken naar het einde van het zoeken

Twee maskers

Leerling: Wat is het Kleine Masker?

Meester: Je persona.

Leerling: Wat is het Grote Masker?

Meester: Je oorspronkelijke gezicht.

Tip: Brieven zen; de dharma voorbij

Twee soorten zen

Leerling: Wat is Kleine Zen?

Meester: Een verkleedpartij.

Leerling: Wat is Grote Zen?

Meester: Naaktlopen.

Tip: Wat is zen? 100 definities

Vier soorten boeddha’s

Leerling: Wat is de Kleinste Boeddha?

Meester: Een boeddhabeeldje.

Leerling: Wat is de Kleine Boeddha?

Meester: Een levende boeddha.

Leerling: Wat is de Grote Boeddha?

Meester: Een dode boeddha.

Leerling: Wat is de Grootste Boeddha?

Meester: Een boeddhadoder.

Tip: Dood de Boeddha

Vier vormen van echtheid

Leerling: Wat is de Kleinste Echtheid?

Meester: Doen alsof je echt bent.

Leerling: Wat is Kleine Echtheid?

Meester: Doen alsof je niet echt bent.

Leerling: Wat is Grote Echtheid?

Meester: Niet doen alsof je echt bent.

Leerling: Wat is de Grootste Echtheid?

Meester: Niet doen alsof je niet doet alsof.

Tip: Wie ben je?

Vier soorten advaita

Leerling: Wat is de Kleinste Advaita?

Meester: Niet-twee.

Leerling: Wat is Kleine Advaita?

Meester: Niet-een.

Leerling: Wat is Grote Advaita?

Meester: Niet-tellen.

Leerling: Wat is de Grootste Advaita?

Meester: Niet noemen.

Tip: Wat is non-dualisme?

Vier soorten mystiek

Leerling: Wat is de Kleinste Mystiek?

Meester: God worden.

Leerling: Wat is Kleine Mystiek?

Meester: Alles worden.

Leerling: Wat is Grote Mystiek?

Meester: Niets worden.

Leerling: Wat is de Grootste Mystiek?

Meester: Klein worden.

Leerling: Hoe klein precies?

Meester: Precies zo groot als je bent.

Tip: Wat is mystiek?

Vijf idealen

Leerling: Wat is het Kleinste Ideaal?

Meester: De wereld verbeteren.

Leerling: Wat is het Kleine Ideaal?

Meester: De wereld aanvaarden.

Leerling: Wat is het Grote Ideaal?

Meester: Jezelf verbeteren.

Leerling: Wat is het Grootste Ideaal?

Meester: Jezelf aanvaarden.

Leerling: Wat is het Allergrootste Ideaal?

Meester: Het afwijzen aanvaarden.

Tip: De ethiek van niet-weten

Vier vormen van spiritualiteit

Leerling: Wat is de Kleinste Spiritualiteit?

Meester: Vinden.

Leerling: Wat is Kleine Spiritualiteit?

Meester: Zoeken.

Leerling: Wat is Grote Spiritualiteit?

Meester: Niets kunnen vinden.

Leerling: Wat is de Grootste Spiritualiteit?

Meester: Niets meer zoeken.

Tip: Wat is spiritualiteit?

Drie wegen

Leerling: Waar is de Kleine Weg?

Meester: Daar.

Leerling: Waar is de Grote Weg?

Meester: Hier.

Leerling: Waar is de Grootste Weg?

Meester: Weg.

Tip: 40 Wegen naar niet-weten

Vier geheimen

Leerling: Wat is het Kleinste Geheim?

Meester: Het relatieve.

Leerling: Wat is het Kleine Geheim?

Meester: Het absolute.

Leerling: Wat is het Grote Geheim?

Meester: Dat er geen geheim is.

Leerling: Wat is het Grootste Geheim?

Meester: Of dat wel zo is.

Tip: Het lege geheim, Ø

Vier illusies

Leerling: Wat is de Kleinste Illusie?

Meester: Denken dat de werkelijkheid bestaat.

Leerling: Wat is de Kleine Illusie?

Meester: Denken dat de werkelijkheid niet bestaat.

Leerling: Wat is de Grote Illusie?

Meester: Denken dat de illusie bestaat.

Leerling: Wat is de Grootste Illusie?

Meester: Denken dat de illusie niet bestaat.

Tip: De illusie van de illusie

Twee soorten conclusies

Leerling: Wat is de Kleine Conclusie?

Meester: Geen conclusie.

Leerling: Wat is de Grote Conclusie?

Meester: Geen premissen.

Tip: Het regressieprobleem

Twee manieren van zien

Leerling: Wat is het Kleine Zien?

Meester: Oogjes toe.

Leerling: Wat is het Grote Zien?

Meester: Kop eraf.

Tip: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Twee soorten wijsheid

Leerling: Wat is Kleine Wijsheid?

Meester: Dwaasheid.

Leerling: Wat is Grote Wijsheid?

Meester: Dwijsheid.

Tip: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Drie waarheden

Leerling: Wat is de Kleine Waarheid?

Meester: Een boek.

Leerling: Wat is de Grote Waarheid?

Meester: Een leugen.

Leerling: Wat is de Grootste Waarheid?

Meester: Geen idee.

Lees ook: Metaforen voor verlichting

Twee leugens

Leerling: Wat is de Kleine Leugen?

Meester: Wat ik niet zeg.

Leerling: Wat is de Grote Leugen?

Meester: Wat ik ook zeg.

Tip: De Waarheid

Vijf soorten geluk

Leerling: Wat is het Kleinste Geluk?

Meester: Blij zijn met iets.

Leerling: Wat is het Kleine Geluk?

Meester: Blij zijn met niets.

Leerling: Wat is het Grote Geluk?

Meester: Niet blij hoeven zijn.

Leerling: Wat is het Grootste Geluk?

Meester: Niets hoeven zijn.

Leerling: Wat is het Allergrootste Geluk?

Meester: Niet hoeven zijn.

Tip: Wat is de zin van het leven?

Drie vormen van vrijheid

Leerling: Wat is Kleine Vrijheid?

Meester: Niet-weten.

Leerling: Hoe maakt niet-weten vrij?

Meester: Wat je niet weet kan je ook niet binden.

Leerling: Wat is Grote Vrijheid?

Meester: Zelfs niet weten van niet-weten.

Leerling: Maar je was toch al bevrijd?

Meester: Nog niet van de Kleine Vrijheid.

Leerling: Wat is de Grootste Vrijheid?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Tip: Brieven verlichting; de vrijheid voorbij

Levenskunst is vliegwerk

Een versie van deze tekst is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Een trap zonder treden

Groot, groter, grootst – grootteloos

Leerling: Wat is de kleine trap?

Meester: De stellende.

Leerling: Wat is de middelste trap?

Meester: De vergrotende.

Leerling: Wat is de grote trap?

Meester: De overtreffende.

Leerling: Wat is de allergrootste trap?

Meester: De ontstellende.

Leerling: Wat moet ik me voorstellen bij de ontstellende trap?

Meester: Niet stellen, niet vergroten, niet overtreffen.

Leerling: Wat is dat nou voor trap.

Meester: Geen kleine en geen grote.

Leerling: De allergrootste trap is niet groot en niet klein?

Meester: En geen trap.

Leerling: Nou moe.

Meester: Daarom gaat hij nergens heen.

Leerling: Daarom is geen reden…

Meester: Als je van de trap af valt…

Leerling: Ben je gauw beneden!

Meester: Is er geen beneden.

Trappen naar de maan

Trappen van vergelijking in de Wikipedia

Eromheen draaien is de weg

Een trap onder een hol

Leerling: Wat is de weg?

Meester: De weg is een trap.

Leerling: Een trap waarnaartoe?

Meester: Een trap naar de maan.

Leerling: Waarvoor staat die trap?

Meester: Wil je dat echt weten?

Leerling: Anders zou ik het niet vragen.

Meester: Een trapgat.

Leerling: Wat?

Meester: Had je niet gedacht, hè?

Leerling: En waarvoor staat de maan?

Meester: Wil je dat echt weten?

Leerling: Anders zou ik het niet vragen.

Meester: Een trapgat.

Leerling: Hè?

Meester: Wat dacht je dan?

Leerling: De weg is het doel, wou u zeggen.

Meester: Een gat is een gat, zou ik zeggen.

Leerling: Waar vind ik dat gat?

Meester: Dat vind je niet.

Leerling: Wat dan?

Meester: Dat ontstaat.

Leerling: Waar?

Meester: Waar je bent.

Leerling: Hoe dan?

Meester: Door er steeds omheen te draaien.

Leerling: En dat zou de weg zijn?

Meester: En wat zou de weg zijn?

Leerling: Eromheen draaien tot er een gat ontstaat?

Meester: Kun je lang wachten.

Leerling: En dan erin springen zeker.

Meester: En dan eromheen blijven draaien.

Leerling: Waarom niet springen?

Meester: Noem het dan maar moed verzamelen.

Leerling: Hoelang moet je daarmee doorgaan?

Meester: Tot je over je eigen benen struikelt.

Leerling: En dan?

Meester: Val je in een gat.

Leerling: En dan?

Meester: Blijf je maar in een gat vallen.

Leerling: Hoe voelt dat?

Meester: Wat zal ik er eens van zeggen.

Leerling: Komt daar ooit een eind aan?

Meester: Ik durf het niet te zeggen.

Leerling: Waarvoor staat dat gat?

Meester: Daarvoor staat dat gat.

Levenskunst is vliegwerk, en vrij alleen je val

Lees ook: Zen, leegte en nihilisme

De Grootste Leer, het Grootste Boek en het Grootste Weten

Leerling: Wat is de Grootste Leer?

Meester: De Lege Leer.

Leerling: Wat is het Grootste Boek?

Meester: Het Lege Boek.

Leerling: Wat is het Grootste Weten?

Meester: Niet-weten.

Tip: De lege leer, Ø

Drie woorden voor onderweg

Leerling: Wat is het Eerste Woord?

Meester: Eh…

Leerling: Wat is het Middelste Woord?

Meester: Hè?

Leerling: Wat is het Laatste Woord?

Meester: Tja.

Tip: Het Stilte-evangelie

Leven is geen kunst

Ars vivendi voor dummy’s

Leerling: Hoe moeten wij leven?

Meester: Je leeft al.

Leerling: U begrijpt best wat ik bedoel.

Meester: Ben je dood?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Krijg je geen lucht?

Leerling: Natuurlijk wel.

Meester: Nou dan.

dummy: 1. iemand die nog niet weet, 2. iemand die niet meer weet

Tip: Zingeving voor zotten

Sterven is geen kunst

Ars moriendi voor dummy’s

Leerling: Hoe moeten wij sterven?

Meester: Je bent al stervende.

Leerling: U begrijpt best wat ik bedoel.

Meester: Bang dat het niet zal lukken?

Leerling: Dat is te zeggen…

Meester: Ooit gehoord dat iemand het niet kon?

Leerling: Uiteindelijk niet nee.

Meester: Nou dan.

Tip: De dood doodgedacht

Denken is geen kunst

Probeer maar eens niet te denken

Leerling: Hoe moeten wij leven?

Meester: Probeer maar eens niet te leven.

Leerling: Hoe moeten wij sterven?

Meester: Probeer maar eens niet te sterven.

Leerling: Leven en sterven zijn geen kunst, wou u zeggen.

Meester: Behalve voor het denken.

Leerling: Leven en sterven zijn geen kunst, behalve voor het denken?

Meester: Zou je denken?

Leerling: Dat leven en sterven geen kunst zijn, behalve voor het denken, is ook maar een gedachte, wou u zeggen.

Meester: Dat het maar een gedachte is ook.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Wat?

Leerling: Hoe moeten wij denken?

Meester: Probeer maar eens niet te denken.

Leerling: Denken is ook geen kunst, wou u zeggen.

Meester: Behalve voor het denken.

Leerling: Denken is ook geen kunst, behalve voor het denken?

Meester: Zou je denken?

Leerling: Dat denken ook geen kunst is, behalve voor het denken, is ook maar een gedachte, wou u zeggen.

Meester: Dat het maar een gedachte is ook.

Leerling: Verdraaid.

Tip: Wat is de mind?, Denkbeeldenstorm!

Wat is eigenlijk het probleem?

Leerling: Leven en sterven zijn op zichzelf geen probleem, dat maakt het denken ervan.

Meester: Dat maak jij ervan.

Leerling: Wat?

Meester: Dat leven en sterven op zichzelf geen probleem zijn, maar het denken erover wel.

Leerling: Dat maak ik ervan?

Meester: Of je denken, wie zal het zeggen.

Leerling: Dat leven en sterven op zichzelf geen probleem zijn, maar mijn denken erover wel, is wat ik of mijn denken ervan maakt?

Meester: Dat maak ik ervan.

Leerling: O, u.

Meester: Of mijn denken natuurlijk, wie zal het zeggen.

Leerling: Maar zijn leven en sterven op zichzelf nou wel of geen probleem?

Meester: Zou je denken?

Tip: Brieven niet-weten; de grootspraak voorbij

Leven is ook bang zijn

Meester: Wat is jouw motto?

Leerling: Mens, durf te leven.

Meester: Hm.

Leerling: Wat is uw motto?

Meester: Je weet maar nooit.

Leerling: Is dat uw motto, of weet u maar nooit wat uw motto zal zijn?

Meester: Ik had het niet beter kunnen zeggen.

Leerling: Wat is op dit moment uw motto?

Meester: Mens, durf bang te zijn.

Leerling: Ik was er al bang voor.

Meester: Dat komt dan mooi uit.

Leerling: Bang zijn is geen leven.

Meester: Leven is ook bang zijn.

Leerling: Is dat uw motto?

Meester: Op dit moment wel.

Leerling: Want je weet maar nooit.

Meester: Is dat jouw motto?

Tip: Wat is gemoedsrust? Vrede sluiten met je onvrede

De gevangenis van het hier en nu

Leerling: Ramses Shaffy leefde helemaal in het hier en nu.

Meester: Zelfs hij wist er niet aan te ontsnappen.

Leerling: Wat heeft die man genoten.

Meester: Wat heeft die man geleden.

Leerling: Hij sleepte iedereen mee.

Meester: Hij sleepte iedereen mee in zijn val.

Leerling: Hij was gewoon bedwelmend.

Meester: Hij was gewoon bedwelmd.

Leerling: Ramses Shaffy leefde helemaal in het hier en nu.

Meester: Zelfs hij wist er niet aan te ontsnappen.

Tips: Idolen van de zoeker

Leren naar niemand te luisteren

Wat geen oor kan horen

Leerling: Wat is volgens u het doel van de opvoeding?

Meester: Leren naar niemand te luisteren.

Leerling: Wat zegt u me daar?

Meester: Je hoorde me wel.

Leerling: Behalve naar jezelf natuurlijk.

Meester: Vooral niet naar jezelf.

Leerling: Wat zegt u me daar?

Meester: Je hoorde me wel.

Leerling: Hoe leer ik dat mijn kind?

Meester: Hoe leer ik wat mijn kind?

Leerling: Naar niemand te luisteren, vooral niet naar zichzelf?

Meester: Waarom zou je dat willen?

Leerling: Omdat u me dat aanraadt.

Meester: Dan heb je niet goed geluisterd.

Leerling: Wat is volgens u het doel van de opvoeding?

Tip: Wat is spiritualiteit?

Onderdrukken als er onderdrukken is

Een onderstroom

Leerling: Je moet met de stroom meegaan.

Meester: Wat houdt dat in?

Leerling: Niet onderdrukken wat er is.

Meester: Wat er ook is?

Leerling: Woede als er woede is, verdriet als er verdriet is, vreugde als er vreugde is.

Meester: En als er onderdrukken is?

Tip: Byron Katie voor Workaholics

Meegaan met de tegenstroom

Leerling: Je moet met de stroom meegaan.

Meester: Waarom?

Leerling: Dan gaat alles vanzelf.

Meester: En als je er vanzelf tegenin gaat?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En in een draaikolk?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En bij een maalstroom?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En in een getijdenrivier?

Meester: En in een mui?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En als de stroom zich opsplitst?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En bij wisselstroom?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En als het water te ondiep is?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: En als het water stilstaat?

Leerling: Dan natuurlijk niet.

Meester: Wanneer eigenlijk wel?

Leerling: Je moet zoveel mogelijk meegaan met de stroom.

Meester: Maak dat de zalm maar wijs.

Tip: Dwaalspreuken voor in de vrolijke keuken

Wie met de stroom mee wil moet zeewaardig zijn

Figuurzwemmen

Leerling: Je moet altijd met de stroom meegaan.

Meester: Alleen als je in zee wil uitkomen.

Leerling: Daar zegt u me wat.

Meester: Niet verstandig voor een binnenschipper.

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Meester: En als je in de bergen wil uitkomen?

Leerling: Dan moet je tegen de stroom ingaan.

Meester: Niet verstandig voor een binnenschipper.

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Meester: En als je naar de overkant wil?

Leerling: Dan moet je dwars op de stroom gaan.

Meester: Niet verstandig voor een binnenschipper.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Maar wel voor een veerman.

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Meester: En als je rustig wil zwemmen en terug wil wandelen?

Leerling: In dat geval kan je maar beter met de stroom meegaan.

Meester: Of naar de overkant zwemmen en over de brug terug.

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Meester: En als je stevig wil zwemmen maar niet van wandelen houdt?

Leerling: Dan moet je sur place tegen de stroom in zwemmen.

Meester: Of heen en weer schuin tegen de stroom.

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Meester: En als je naar de bodem wil?

Leerling: Dan moet je duiken.

Meester: En als je nergens heen of weg wil?

Leerling: Dan blijf je zitten waar je zit.

Meester: En als je ergens heen of weg wil?

Leerling: In dat geval kan je het beste met de stroom meegaan. Toch?

Meester: Alleen als je het jezelf makkelijk wil maken.

Leerling: Zo had ik het nog niet bekeken.

Tip: 100 Metaforen voor niet-weten

Aan algemeenheden heb je niets (ook niet aan deze)

Algemeenheden in een bijzonder heden

Leerling: Je moet altijd met de stroom meegaan.

Meester: Ga jij altijd met de stroom mee?

Leerling: Eh… nee.

Meester: Nou dan.

Leerling: Maar vaak wel.

Meester: Maar dat zei je niet.

Leerling: Laat ik het dan zo zeggen, in het algemeen moet je met de stroom meegaan.

Meester: Wanneer precies?

Leerling: Jemig.

Meester: Wanneer bijvoorbeeld niet?

Leerling: Tja.

Meester: Zo zie je maar weer.

Leerling: Wat?

Meester: Aan algemeenheden heb je niets.

Leerling: Jammer zeg.

Meester: Ook niet aan deze.

Leerling: Hè?

Meester: Het heden is nooit algemeen.

Leerling: Hm.

Meester: Behalve in het verleden.

Leerling: Aha!

Meester: Maar dan is het te laat.

Zwammen of verzuipen

Leerling: Go with the flow.

Meester: Daar gaan we weer.

Leerling: Je moet altijd met de stroom mee zwemmen.

Meester: Schei toch uit.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Je moet nooit met de stroom mee zwammen.

Tip: Goeroes, goeroelopers en ouwehoeroes

Voor wie zich tegen zijn verzet verzet

Leerling: Je moet je nooit verzetten tegen wat er is.

Meester: En als er verzet is?

Leerling: Dan… eh… hè?

Meester: Nou?

Leerling: Je moet je nooit verzetten tegen wat er is, ook niet tegen je verzet.

Meester: En als je je verzet tegen je verzet?

Leerling: Dan… eh… hè?

Meester: Nou?

Leerling: Je moet je nooit verzetten tegen wat er is, ook niet tegen je verzet en ook niet tegen je verzet tegen je verzet.

Meester: Hoe bedenk je het.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Bekijk het maar.

Leerling: Ik bedoel, als er verzet is.

Meester: Zie maar.

Tip: Het regressieprobleem

Vooruitkijken voor strebers

Leerling: Ik wil iets bereiken.

Meester: En dan?

Tip: Zingeving voor zotten

Terugkijken voor losers

Leerling: U hebt tenminste iets bereikt.

Meester: Juist niet.

Tips: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Vluchten voor het vluchten en vechten tegen het vechten

Leerling: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Waar wou je anders voor vluchten?

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: Ik wil gewoon niet langer vluchten.

Meester: Dan vlucht je voor het vluchten.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Wou je er liever tegen vechten?

Leerling: Ik wil niet langer vechten tegen de werkelijkheid.

Meester: Waar wou je anders tegen vechten?

Leerling: Hè?

Meester: Wat?

Leerling: Ik wil gewoon niet langer vechten.

Meester: Dan vecht je tegen het vechten.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Wat wil je wel?

Leerling: Ik wil het leven omarmen.

Meester: Met alles erop en eraan?

Leerling: Met alles erop en eraan.

Meester: Dan ook het vluchten en vechten.

Leerling: Verdraaid.

Vluchten voor de werkelijkheid maakt deel uit van de werkelijkheid

Leerling: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Vluchten maakt deel uit van werkelijkheid.

Leerling: Vluchten voor de werkelijkheid maakt deel uit van de werkelijkheid?

Meester: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Leerling: Wat maakt eigenlijk geen deel uit van de werkelijkheid?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Leerling: En toch wil ik niet meer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid maakt deel uit van de werkelijkheid.

Leerling: En ik wil ook niet meer niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Ook niet meer niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid maakt deel uit van de werkelijkheid.

Leerling: Niet meer niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid maakt nog steeds deel uit van de werkelijkheid?

Meester: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Leerling: Maar wat is dan de oplossing?

Meester: Dat is dan de oplossing.

Tip: De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

Echt willen leven is al echt leven

Leerling: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Je kunt niet vluchten voor de werkelijkheid.

Leerling: Waarom niet?

Meester: Omdat alles even werkelijk is.

Leerling: Maar vluchten is toch zeker geen…

Meester: Vluchten is precies even werkelijk als niet-vluchten.

Leerling: Maar ik wil écht leven.

Meester: Echt willen leven is ook echt leven.

Leerling: Iets willen is toch heel wat anders dan iets doen?

Meester: Willen is gewoon een manier van doen.

Leerling: Misschien bent u het wel die voor de werkelijkheid vlucht.

Meester: Dan is dat de werkelijkheid.

Leerling: Misschien is niet-weten wel een vlucht uit de werkelijkheid.

Meester: Misschien is de werkelijkheid wel een vlucht uit niet-weten.

Leerling: Maar alles was toch even werkelijk?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Tip: Wat is non-dualisme?

Als je alles loslaat

Leerling: Als je alles loslaat, word je gedragen door het oneindige.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het oneindige.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat, word je gedragen, al weet je niet waardoor.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het idee dat je gedragen wordt.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat, zul je in een vrije val geraken.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het idee dat je vrij zult vallen.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat…

Meester: Dan ook het idee dat je iemand bent.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat, ben je niemand meer.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het idee dat je niemand bent.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat…

Meester: Dan ook het loslaten.

Jaren later

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Niet slecht.

Tip: De wolk van niet-weten

Moet jouw hoogtepunt nog komen of is het al geweest?

Zes dieptepunten naar een climax

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven nog moet komen?

De meeste leerlingen steken hun hand op.

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven al voorbij is?

De andere leerlingen steken hun hand op.

Meester: Wie heeft er nog niet gereageerd?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven nog moet komen?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven al voorbij is?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft dat nú het hoogtepunt van zijn leven is?

Alle leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven al geweest is, nu plaatsvindt of nog moet komen?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft dat er meerdere hoogtepunten zijn?

De meeste leerlingen steken hun hand op.

Meester: Wie gelooft dat er helemaal geen hoogtepunten zijn?

De overige leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft dat ‘hoogtepunt’ en ‘leven’ alleen maar woorden zijn?

Alle leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft er iets over hoogtepunten?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft er niets over hoogtepunten?

Alle leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft er iets of niets over hoogtepunten?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Napraters.

Leerling: Maar we zeiden toch niks?

Meester: Lafaards.

De leerlingen zwijgen verbijsterd.

Meester: Is dit nou een hoogtepunt of niet?

Zonder antwoord af te wachten verlaat hij de zaal.

Tip: De Linji-lu

Er is geen weg, dat is geluk

Maandag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.*

Meester: Er is geen weg. Dat is geluk.

Dinsdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Er is geen geluk. Dat is de weg.

Woensdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Geluk is zo weer weg.

Donderdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Weg met geluk. Dat brengt ongeluk.

Vrijdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Ongeluk is de weg. Dat brengt geluk.

En toen was het gelukkig weer weekend.

* Uitspraak toegeschreven aan de Boeddha

Tip: Wat is zen? 100 definities

Wie het geluk zoekt, moet afzien van zijn geluk

Maandag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Mijn vorige leraar.

Meester: Was hij gelukkig?

Leerling: Ik geloof het wel.

Meester: Dan zal hij wel gelijk hebben.

Dinsdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Je hebt helemaal gelijk.

Leerling: Daar gaat het niet om.

Meester: Gelukkig.

Woensdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Wie zegt dat er iets te kiezen valt?

Leerling: We hebben allemaal een vrije wil.

Meester: Je hebt helemaal gelijk.

Leerling: Gelukkig.

Donderdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Kan mij dat gelijk schelen.

Leerling: Dan heeft u geluk.

Meester: Kan mij dat geluk schelen.

Leerling: Hè?

Vrijdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Ik word gelukkig van mijn gelijk.

Leerling: Je kunt niet altijd gelijk hebben.

Meester: Je kunt niet altijd geluk hebben.

Zaterdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Soms heb je geluk, soms heb je gelijk.

Leerling: Zo lust ik er nog wel een.

Meester: Ga je gang.

Leerling: Eh…

Meester: Soms zoek je het geluk, soms niet; soms zoek je het gelijk, soms niet.

Leerling: Dat bedoel ik.

Meester: Soms word je gelukkig van je gelijk, soms ongelukkig; soms word je gelukkig van je ongelijk, soms ongelukkig.

Leerling: Ik bedoel maar.

Meester: Soms ben je gewoon gelukkig, soms ben je gewoon ongelukkig; soms heb je gewoon gelijk, soms heb je gewoon ongelijk.

Leerling: Maar waar het nou aan ligt?

Meester: Soms ben je gelukkig én ongelukkig; soms heb je gelijk én ongelijk.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Soms ben je gelukkig noch ongelukkig; soms heb je gelijk noch ongelijk.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Soms denk je dat er iets aan te doen valt, soms niet.

Leerling: Inderdaad, zeg.

Meester: Soms kan het je wat schelen, soms niet.

Leerling: En zo kunnen we maar doorgaan.

Meester: Dat bedoel ik.

Leerling: U heeft helemaal gelijk.

En toen was het zondag. Je kan niet altijd pech hebben.

Tip: Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken

Gelukkig is mijn weegschaal stuk

1.

Leerling: Beter een ons geluk dan een pond wijsheid.1

Meester: Ik heb nog geen gram wijsheid.

Leerling: Hoe groot is uw geluk?

Meester: Gelukkig is mijn weegschaal stuk.

2.

Leerling: Beter een ons geluk dan een pond wijsheid.

Meester: Deze weegt al honderd pond.

Leerling: Wat volgt daaruit voor mijn geluk?

Meester: Volgens mij geen ene fuck.2

  1. Nederlands spreekwoord.
  2. Geen Nederlands spreekwoord

Tip: De Mont Fou: geen inzicht, maar wat een uitzicht

Vier sleutels tot het geluk

Een klavertje vier is er niks bij

1.

Leerling: Wat is de sleutel tot het geluk?

Meester: De sleutel tot het ongeluk.

2.

Leerling: Wat is de sleutel tot het geluk?

Meester: Niet weten wat de sleutel tot het geluk is.

3.

Leerling: Wat is de sleutel tot het geluk?

Meester: Niet weten of er een sleutel tot het geluk is.

4.

Leerling: Wat is de sleutel tot het geluk?

Meester: Niet weten wat geluk is.

De poort naar het geluk is de poort naar het ongeluk

Leerling: De poort naar het ongeluk heb ik allang gevonden, maar waar is nou de poort naar het geluk?

Meester: Volgens mij is er maar één poort.

Leerling: De poort naar het geluk is de poort naar het ongeluk?

Meester: Heb je het door?

Leerling: Hoe zou u die poort omschrijven?

Meester: Eén poort is geen poort.

Leerling: Dus?

Meester: Kan je net zo goed thuisblijven.

Leerling: Net zo goed als wat?

Meester: Weggaan natuurlijk.

Leerling: Wat nu?

Meester: Zo kan je het ook zeggen.

Leerling: Hè?

Meester: Zo kan je het ook zeggen.

Leerling: Nou moe.

Meester: Zo kan je het ook zeggen.

Leerling: …

Meester: Zo kan je het ook zeggen.

Leerling: Tja.

Meester: Maar om dat nou geluk te noemen?

Leerling: Wat zou u geluk noemen?

Meester: Daar begin ik niet meer aan.

Leerling: O.

Meester: En dat is mijn geluk.

Lees ook: De Poortloze Poort

Leed doet hopen, of was het nou andersom?

Meer geluk dan wijsheid

Leerling: Bent u een gelukkig mens?

Meester: Ben ik een mens?

Leerling: Dat nam ik inderdaad even aan.

Meester: Ben ik?

Leerling: Dat nam ik inderdaad even aan.

Meester: Wat heet gelukkig?

Leerling: Ik had gehoopt dat u dat wist.

Meester: Hoop doet lijden.

Leerling: Vandaar.

Meester: Of was het nou andersom?

Leerling: Wat?

Meester: Leed doet hopen?

Leerling: Of beide?

Meester: Of geen van beide?

Leerling: Hoop doet leven, was het toch?

Meester: Leven is lijden, was het toch?

Leerling: Wie zei dat ook alweer?

Meester: Ik, zei de gek.

Leerling: Nou u het zegt.

Meester: Maar wie ben ik?

Tip: Lijden, is er een eind aan?

Achter de poort tot het geluk zit niet-weten

Leerling: Niet-weten is de sleutel tot het geluk.

Meester: Maar waar is nou het slot?

Leerling: Ik bedoel, niet-weten is de sleutel en het slot tot het geluk.

Meester: Maar waar is nou de poort?

Leerling: Ik bedoel, niet-weten is de sleutel en het slot en de poort tot het geluk.

Meester: Maar wat er nou achter zit?

Leerling: Het geluk natuurlijk.

Meester: Niet-weten natuurlijk.

Leerling: Niet-weten is de poort tot niet-weten?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Leerling: En waar is het geluk?

Meester: En daar is het geluk.

Tip: Zalig zijn de armen van geest