Leven is geen kunst

Leven is geen kunst, geen kunstje en geen kunde; levenskunst is vliegwerk, en vrij alleen je val. Dwaalteksten over ars vivendi, ars moriendi, leed, angst, geluk en wijsheid.

Dwaalgids > Filosofie > Leven is geen kunst

Levenskunst is vliegwerk, en vrij alleen je val

Lees ook: Lijden, is er een einde aan? Vrede sluiten met je onvrede, Zingeving voor zotten, Voorbij goed en kwaad, de ethiek van niet-weten, De dood doodgedacht.

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van de kunst van het leven, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘En van de kunst van het sterven?’

‘Idem dito.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

Tip: Meester Hans

Trappen naar de maan; stellen, vergroten en overtreffen

Trappen naar de maan

Levenskunst

‘Wat is Kleine Levenskunst?’

‘Ja zeggen tegen het leven.’

‘Wat is Grote Levenskunst?’

‘Tja zeggen tegen het leven.’

Tip: Zeg maar tja tegen het leven

Levenslessen

‘Wat is de Kleinste Les?’

‘Almaar bijleren.’

‘Wat is de Kleine Les?’

‘Dat er niets te leren valt.’

‘Wat is de Grote Les?’

‘Dat de Kleine Les al niet te leren valt.’

‘Wat is de Grootste Les?’

‘Almaar afleren.’

Tip: Meester Schaap en Broeder Ezel

Volmaaktheid

‘Wat is Kleine Volmaaktheid?’

‘Weten dat niets volmaakt is.’

‘Wat is Grote Volmaaktheid?’

‘Niet weten wat volmaakt is.’

Tip: Loflied op niet-weten

Initiatieven

‘Wat is het Kleine Initiatief?’

‘Maar wat doen.’

‘Wat is het Grote Initiatief?’

‘Laat maar gaan.’

Tip: Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid

Rust

‘Wat is Kleine Rust?’

‘Je onrust aanvaarden.’

‘Wat is Grote Rust?’

‘Aanvaarden dat je dat niet kunt.’

‘Wat is de Grootste Rust?’

‘Aanvaarden dat je dat ook niet kunt.’

Tip: Vrede sluiten met je onvrede

Liefde

‘Wat is Kleine Liefde?’

‘Alles onder ogen zien.’

‘Wat is Grote Liefde?’

‘Onder ogen zien dat je dat niet kunt.’

‘Wat is de Grootste Liefde?’

‘Onder ogen zien dat je dat niet weet.’

Tip: Liefde is puntje puntje puntje

De dood

‘Wat is de Kleine Dood?’

‘Sterven aan je lichaam.’

‘Wat is de Grote Dood?’

‘Sterven aan je geest.’

‘Wat is de grootste dood?’

‘Sterven aan het sterven.’

Tip: De dood doodgedacht

Zonden

‘Wat is de Kleine Zonde?’

‘Weten wat zonde is.’

‘Wat is de Grote Zonde?’

‘De Kleine Zonde niet door de vingers kunnen zien.’

‘Wat is de Grootste Zonde?’

‘De Grote Zonde niet door de vingers kunnen zien.’

Tip: Voorbij goed en kwaad; de ethiek van niet-weten

Domheid

‘Wat is Kleine Domheid?’

‘Denken dat alles vanzelf spreekt.’

‘Wat is Grote Domheid?’

‘Denken dat alles een wonder is.’

Tip: De mystiek van alledag

Leed

‘Wat is Klein Leed?’

‘Denken.’

‘Wat is Groot Leed?’

‘Denken.’

‘Wat is het Grootste Leed?’

‘Denken.’

Tip: Lijden, is er een einde aan?

Vreugde

‘Wat is Kleine Vreugde?’

‘Denken.’

‘Wat is Grote Vreugde?’

‘Denken.’

‘Wat is de Grootste Vreugde?’

‘Denken.’

Tip: Passe-partout voor poortloze poorten

Thuiskomen

‘Wat is het Kleine Thuiskomen?’

‘Je heilige huisjes verlaten.’

‘Wat is het Grote Thuiskomen?’

‘Wonen waar je woont.’

Tip: Verder, verder! Reistips voor spirituele zoekers

Selfies

‘Wat is het kleine zelf?’

‘Een wegversperring.’

‘Wat is het grote zelf?’

‘Een wegversperring.’

Tip: Zoeken naar het einde van het zoeken

Maskers

‘Wat is het kleine masker?’

‘Je persona.’

‘Wat is het grote masker?’

‘Je oorspronkelijke gezicht.’

Tip: Brieven zen; de dharma voorbij

Wegen

‘Waar is de Kleine Weg?’

‘Daar.’

‘Waar is de Grote Weg?’

‘Hier.’

‘Waar is de Grootste Weg?’

‘Weg.’

Tip: Wegen naar de onbekende vraag

Geheimen

‘Wat is het Kleine Geheim?’

‘Dat er geen geheim is.’

‘Wat is het Grote Geheim?’

‘Of dat wel zo is.’

Tip: Ben je jezelf of het Zelf? Het lege geheim

Illusies

‘Wat is de Kleinste Illusie?’

‘Denken dat de werkelijkheid bestaat.’

‘Wat is de Kleine Illusie?’

‘Denken dat de werkelijkheid niet bestaat.’

‘Wat is de Grote Illusie?’

‘Denken dat de illusie wél bestaat.’

‘Wat is de Grootste Illusie?’

‘Denken dat de illusie ook niet bestaat.’

Tip: De illusie van de illusie

Conclusies

‘Wat is de Kleine Conclusie?’

‘Geen conclusie.’

‘Wat is de Grote Conclusie?’

‘Geen premissen.’

Tip: Het regressieprobleem

Zien

‘Wat is het Kleine Zien?’

‘Oogjes toe.’

‘Wat is het Grote Zien?’

‘Kop eraf.’

Tip: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Wijsheden

‘Wat is Kleine Wijsheid?’

‘Dwaasheid.’

‘Wat is Grote Wijsheid?’

‘Dwijsheid.’

Tip: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Waarheden

‘Wat is de Kleine Waarheid?’

‘Een boek.’

‘Wat is de Grote Waarheid?’

‘Een leugen.’

Tip: De Intergalactische Waarheidsconferentie

Leugens

‘Wat is de Kleine Leugen?’

‘Wat ik niet zeg.’

‘Wat is de Grote Leugen?’

‘Wat ik ook zeg.’

Tip: Dwaaltaal: de kunst van welsprekend niet spreken

Vrijheden

‘Wat is Kleine Vrijheid?’

‘Niet weten.’

‘Hoe maakt niet weten vrij?’

‘Wat je niet weet kan je ook niet binden.’

‘Wat is Grote Vrijheid?’

‘Zelfs niet weten van niet weten.’

‘Maar je was toch al bevrijd?’

‘Nog niet van de Kleine Vrijheid.’

‘Wat is de Grootste Vrijheid?’

‘Ik zou het ook niet weten.

Tip: Brieven verlichting; de vrijheid voorbij

De Grootste Leer, het Grootste Boek en het Grootste Weten

‘Wat is de Grootste Leer?’

‘De Lege Leer.’

‘Wat is het Grootste Boek?’

‘Het Lege Boek.’

‘Wat is het Grootste Weten?’

‘Niet weten.

Tip: De lege leer

Leven is geen kunst

Ars vivendi voor dummy’s

Bendert: Hoe moeten wij leven?

Hans: Je leeft al.

Bendert: Je begrijpt best wat ik bedoel.

Hans: Ben je dood?

Bendert: Natuurlijk niet.

Hans: Krijg je geen lucht?

Bendert: Natuurlijk wel.

Hans: Begrijp je wat ik bedoel?

dummy: 1. iemand die nog niet weet, 2. iemand die niet meer weet

Tip: Zingeving voor zotten

Sterven is geen kunst

Ars moriendi voor dummy’s

Justien: Hoe moeten wij sterven?

Hans: Je bent al stervende.

Justien: Je begrijpt best wat ik bedoel.

Hans: Bang dat het niet zal lukken?

Justien: Dat is te zeggen…

Hans: Ooit gehoord dat iemand het niet kon?

Justien: Uiteindelijk niet nee.

Hans: Begrijp je wat ik bedoel?

Tip: De dood doodgedacht

Denken is geen kunst

Probeer maar eens niet te denken

Hilary: Hoe moeten wij leven?

Hans: Probeer maar eens niet te leven.

Hilary: Hoe moeten wij sterven?

Hans: Probeer maar eens niet te sterven.

Hilary: Leven en sterven zijn geen kunst, wou je zeggen.

Hans: Behalve voor het denken.

Hilary: Leven en sterven zijn geen kunst, behalve voor het denken?

Hans: Zou je denken?

Hilary: Dat leven en sterven geen kunst zijn, behalve voor het denken, is ook maar een gedachte, wou je zeggen.

Hans: Dat het maar een gedachte is ook.

Hilary: Verdraaid.

Hans: Wat?

Hilary: Hoe moeten wij denken?

Hans: Denken is geen kunst.

Hilary: Iedereen kan denken, wou je zeggen.

Hans: En niemand kan het niet.

Tip: Vrijdenkers hebben maling aan de mind, Denkbeeldenstorm!

Wat is eigenlijk het probleem?

Arber: Leven en sterven zijn op zichzelf geen probleem, dat maakt het denken ervan.

Hans: Dat maak jij ervan.

Arber: Wat?

Hans: Dat leven en sterven op zichzelf geen probleem zijn, maar het denken erover wel.

Arber: Dat maak ik ervan?

Hans: Of je denken, wie zal het zeggen.

Arber: Dat leven en sterven op zichzelf geen probleem zijn, maar mijn denken erover wel, is wat ik of mijn denken ervan maakt?

Hans: Dat maak ik ervan.

Arber: O, jij.

Hans: Of mijn denken natuurlijk, wie zal het zeggen.

Arber: Maar zijn leven en sterven op zichzelf nou wel of geen probleem?

Hans: Zou je denken?

Tip: Brieven niet-weten; de grootspraak voorbij

Leven is ook bang zijn

Motto’s voor angstige momenten

Hans: Wat is jouw motto?

Frida: Mens, durf te leven.

Hans: Hm.

Frida: Wat is jouw motto?

Hans: Dat varieert van moment tot moment.

Frida: Op dit moment?

Hans: Mens, durf bang te zijn.

Frida: Bang zijn is geen leven.

Hans: Leven is ook bang zijn.

Tip: Vrede sluiten met je onvrede

De gevangenis van het hier en nu

Berend: Ramses Shaffy leefde helemaal in het hier en nu.

Hans: Zelfs hij wist er niet aan te ontsnappen.

Berend: Wat heeft die man genoten.

Hans: Wat heeft die man geleden.

Berend: Hij sleepte iedereen mee.

Hans: Hij sleepte iedereen met zich mee.

Berend: Hij was gewoon bedwelmend.

Hans: Hij was gewoon bedwelmd.

Berend: Ramses Shaffy leefde helemaal in het hier en nu.

Hans: Zelfs hij wist er niet aan te ontsnappen.

Tips: Idolen van de zoeker

Leren naar niemand te luisteren

Wat geen oor kan horen

Maerle: Wat is volgens jou het doel van de opvoeding?

Hans: Leren naar niemand te luisteren.

Maerle: Wat zeg je me daar?

Hans: Je hoorde me wel.

Maerle: Behalve naar jezelf natuurlijk.

Hans: Vooral niet naar jezelf.

Maerle: Wat zeg je me daar?

Hans: Je hoorde me wel.

Maerle: Hoe leer ik dat mijn kind?

Hans: Hoe leer ik wat mijn kind?

Maerle: Naar niemand te luisteren, vooral niet naar zichzelf?

Hans: Waarom zou je dat willen?

Maerle: Omdat jij me dat aanraadt, suffie.

Hans: Dan heb je niet goed geluisterd.

Maerle: Wat is volgens jou het doel van de opvoeding?

Tip: Wat is spiritualiteit?

Onderdrukken als er onderdrukken is

Een onderstroom

Caren: Je moet met de stroom meegaan.

Hans: Wat houdt dat in?

Caren: Niet onderdrukken wat er is.

Hans: Wat er ook is?

Caren: Woede als er woede is, verdriet als er verdriet is, vreugde als er vreugde is.

Hans: En als er onderdrukken is?

Tip: Byron Katie voor Workaholics

Meegaan met de tegenstroom

Farzad: Je moet met de stroom meegaan.

Hans: Waarom?

Farzad: Dan gaat alles vanzelf.

Hans: En als je er vanzelf tegenin gaat?

Farzad: Dan natuurlijk niet.

Hans: En bij een maalstroom?

Farzad: Dan natuurlijk niet.

Hans: En in een mui?

Farzad: Dan natuurlijk niet.

Hans: En als de stroom zich opsplitst?

Farzad: Dan natuurlijk niet.

Hans: En bij wisselstroom?

Farzad: Dan natuurlijk niet.

Hans: Wanneer eigenlijk wel?

Farzad: Je moet zoveel mogelijk meegaan met de stroom.

Hans: Maak dat de zalm maar wijs.

Tip: Dwaalspreuken voor in de vrolijke keuken

Voor wie zich tegen zijn verzet verzet

Engelien: Je moet je nooit verzetten tegen wat er is.

Hans: En als er verzet is?

Engelien: Je moet je nooit verzetten tegen wat er is, ook niet tegen je verzet, wou jij zeggen.

Hans: Tenzij je je ertegen verzet.

Engelien: Je moet je nooit verzetten tegen wat er is, ook niet tegen je verzet, en ook niet tegen je verzet tegen je verzet?

Hans: Hoe verzin je het.

Tip: Het regressieprobleem

Ik weet altijd wat ik moet doen, maar nooit wanneer

Figuurzwemmen

Chiem: Go with the flow.

Hans: Ga met de vla.

Chiem: Je moet altijd met de stroom mee zwemmen.

Hans: Of haaks erop natuurlijk.

Chiem: Een redelijk alternatief.

Hans: Of ertegenin.

Chiem: Dat kan ook nog.

Hans: Maar vraag je me nou wanneer?

Tip: Metaforen voor niet-weten

Aan algemeenheden heb je niets (ook niet aan deze)

Algemeenheden in een specifiek heden

Floyd: Je moet altijd met de stroom meegaan.

Hans: Ga jij altijd met de stroom mee?

Floyd: Eh… nee.

Hans: Nou dan.

Floyd: Maar meestal wel.

Hans: Maar dat zei je niet.

Floyd: Laat ik het dan zo zeggen, in het algemeen moet je met de stroom meegaan.

Hans: Wanneer precies?

Floyd: Jemig.

Hans: Of wanneer niet?

Floyd: Tja.

Hans: Zo zie je maar weer.

Floyd: Wat?

Hans: Aan algemeenheden heb je niets.

Floyd: Ik veronderstel van niet.

Hans: Ook niet aan deze.

Floyd: Hè?

Tip: Meester Tja en de tao van tja

Met de stroom meezwammen

Barre: Go with the flow.

Hans: Daar gaan we weer.

Barre: Je moet altijd met de stroom mee zwemmen.

Hans: Je moet nooit met de stroom mee zwammen.

Tip: Goeroes, goeroelopers en ouwehoeroes

Vooruitkijken voor strebers

Otis: Ik wil iets bereiken.

Hans: En dan?

Tip: Zingeving voor zotten

Terugkijken voor losers

Dione: Jij hebt tenminste iets bereikt.

Hans: Juist niet.

Tips: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Vluchten voor het vluchten

1.

Leerling: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Wat wou je er anders mee?

2.

Leerling: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Waar wou je anders voor vluchten?

3.

Leerling: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Meester: Dan vlucht je voor het vluchten.

Niet meer niet meer willen vluchten

Helena: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Hans: Vluchten maakt deel uit van werkelijkheid.

Helena: Vluchten voor de werkelijkheid maakt deel uit van de werkelijkheid?

Hans: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Helena: Wat maakt eigenlijk geen deel uit van de werkelijkheid?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Helena: En toch wil ik niet meer vluchten.

Hans: Niet meer willen vluchten maakt deel uit van de werkelijkheid.

Helena: En ik wil ook niet meer niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid.

Hans: Ook dat maakt deel uit van de werkelijkheid.

Helena: Niet meer niet meer willen vluchten voor de werkelijkheid maakt nog steeds deel uit van de werkelijkheid?

Hans: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Tip: De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

Echt willen leven is al echt leven

Orso: Ik wil niet langer vluchten voor de werkelijkheid.

Hans: Je kunt niet vluchten voor de werkelijkheid.

Orso: Waarom niet?

Hans: Omdat alles even werkelijk is.

Orso: Maar vluchten is toch zeker geen…

Hans: Vluchten is precies even werkelijk als niet-vluchten.

Orso: Maar ik wil écht leven.

Hans: Echt willen leven is ook echt leven.

Orso: Iets willen is toch heel wat anders dan iets doen?

Hans: Willen is ook een manier van doen.

Orso: Misschien ben jij het wel die voor de werkelijkheid vlucht.

Hans: Dan is dat de werkelijkheid.

Orso: Misschien is niet-weten wel een vlucht uit de werkelijkheid.

Hans: Misschien is de werkelijkheid wel een vlucht uit niet-weten.

Orso: Maar alles was toch even werkelijk?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Tip: Wat is non-dualisme?

Als je alles loslaat

Leerling: Als je alles loslaat, word je gedragen door het oneindige.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het oneindige.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat, word je gedragen, al weet je niet waardoor.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het idee dat je gedragen wordt.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat, zul je in een vrije val geraken.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het idee dat je val vrij zal zijn.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat…

Meester: Dan ook het idee dat je iemand bent.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat, ben je niemand meer.

Meester: Als je alles loslaat, dan ook het idee dat je niemand bent.

Jaren later

Leerling: Als je alles loslaat…

Meester: Dan ook het loslaten.

Jaren later

Leerling: Ik geef het op.

Meester: Niet slecht.

Tip: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten

Moet jouw hoogtepunt nog komen of is het al geweest?

Zes dieptepunten tot de climax

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven nog moet komen?

De meeste leerlingen steken hun hand op.

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven al voorbij is?

De andere leerlingen steken hun hand op.

Meester: Wie heeft er nog niet gereageerd?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven nog moet komen?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven al voorbij is?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft dat nú het hoogtepunt van zijn leven is?

Alle leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft dat het hoogtepunt van zijn leven al geweest is, nu plaatsvindt of nog moet komen?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft dat er meerdere hoogtepunten zijn?

De meeste leerlingen steken hun hand op.

Meester: Wie gelooft dat er helemaal geen hoogtepunten zijn?

De overige leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft dat ‘hoogtepunt’ en ‘leven’ alleen maar woorden zijn?

Alle leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft er iets over hoogtepunten?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Wie gelooft er niets over hoogtepunten?

Alle leerlingen steken hun hand op.

Meester: Ik was er al bang voor.

Maanden later

Meester: Wie gelooft er iets of niets over hoogtepunten?

Geen enkele leerling steekt zijn hand op.

Meester: Napraters.

Leerling: Maar we zeiden toch niks?

Meester: Lafaards.

De leerlingen zwijgen verbijsterd.

Meester: Is dit nou een hoogtepunt of niet?

Zonder antwoord af te wachten verlaat hij de zaal.

Tip: De Linji-lu voor dummy’s

Er is geen weg, dat is geluk

Maandag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.*

Meester: Er is geen weg. Dat is geluk.

Dinsdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Er is geen geluk. Dat is de weg.

Woensdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Geluk is zo weer weg.

Donderdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Weg met geluk. Dat brengt ongeluk.

Vrijdag

Leerling: Er is geen weg naar geluk. Geluk is de weg.

Meester: Ongeluk is de weg. Dat brengt geluk.

En toen was het gelukkig weer weekend

* Uitspraak toegeschreven aan de Boeddha

Tip: Wat is zen? Honderd definities

Wie het geluk zoekt, moet afzien van zijn geluk

Maandag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Wie zegt dat?

Leerling: Mijn vader.

Meester: Was hij gelukkig?

Leerling: Hij heeft mij toch.

Meester: Dan zal hij wel gelijk hebben.

Dinsdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Je hebt helemaal gelijk.

Leerling: Daar gaat het niet om.

Meester: Gelukkig.

Woensdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Wie zegt dat er iets te kiezen valt?

Leerling: We hebben allemaal een vrije wil.

Meester: Je hebt helemaal gelijk.

Leerling: Gelukkig.

Donderdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Kan mij dat gelijk schelen.

Leerling: Dan heeft u geluk.

Meester: Kan mij dat geluk schelen.

Leerling: Hè?

Vrijdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Ik word gelukkig van mijn gelijk.

Leerling: Je kunt niet altijd gelijk hebben.

Meester: Je kunt niet altijd geluk hebben.

Zaterdag

Leerling: Wie het geluk zoekt moet afzien van zijn gelijk en wie het gelijk zoekt moet afzien van zijn geluk.

Meester: Soms heb je geluk, soms heb je gelijk.

Leerling: Zo lust ik er nog wel een.

Meester: Ga je gang.

Leerling: Eh…

Meester: Soms zoek je het geluk, soms niet; soms zoek je het gelijk, soms niet.

Leerling: Dat bedoel ik.

Meester: Soms word je gelukkig van je gelijk, soms ongelukkig; soms word je gelukkig van je ongelijk, soms ongelukkig.

Leerling: Ik bedoel maar.

Meester: Soms ben je gewoon gelukkig, soms ben je gewoon ongelukkig; soms heb je gewoon gelijk, soms heb je gewoon ongelijk.

Leerling: Maar waar het nou aan ligt?

Meester: Soms ben je gelukkig én ongelukkig; soms heb je gelijk én ongelijk.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Soms ben je gelukkig noch ongelukkig; soms heb je gelijk noch ongelijk.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Soms denk je dat er iets aan te doen valt, soms niet.

Leerling: Inderdaad, zeg.

Meester: Soms kan het je wat schelen, soms niet.

Leerling: En zo kunnen we maar doorgaan.

Meester: Dat bedoel ik.

Leerling: U heeft helemaal gelijk.

En toen was het zondag. Je kan niet altijd pech hebben.

Tip: Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken

Gelukkig is mijn weegschaal stuk

1.

Leerling: Beter een ons geluk dan een pond wijsheid.1

Meester: Ik heb nog geen gram wijsheid.

Leerling: Hoe groot is uw geluk?

Meester: Gelukkig is mijn weegschaal stuk.

2.

Leerling: Beter een ons geluk dan een pond wijsheid.

Meester: Deze weegt al honderd pond.

Leerling: Wat volgt daaruit voor mijn geluk?

Meester: Volgens mij geen ene fuck.2

  1. Nederlands spreekwoord.
  2. Geen Nederlands spreekwoord

Tip: De Mont Fou: geen inzicht, maar wat een uitzicht

Vier sleutels tot het geluk

Een klavertje vier is er niks bij

1.

Yolanthe: Wat is de sleutel tot het geluk?

Hans: De sleutel tot het ongeluk.

2.

Kristopher: Wat is de sleutel tot het geluk?

Hans: Niet weten wat de sleutel tot het geluk is.

3.

Eugenie: Wat is de sleutel tot het geluk?

Hans: Niet weten of er een sleutel tot het geluk is.

4.

Dominiek: Wat is de sleutel tot het geluk?

Hans: Niet weten wat geluk is.

De poort naar het geluk is de poort naar het ongeluk

Sandjiv: De poort naar het ongeluk heb ik allang gevonden, maar waar is nou de poort naar het geluk?

Hans: Volgens mij is er maar één poort.

Sandjiv: De poort naar het geluk is de poort naar het ongeluk?

Hans: Heb je het door?

Sandjiv: Hoe zou jij die poort omschrijven?

Hans: Eén poort is geen poort.

Sandjiv: Dus?

Hans: Kan je net zo goed thuisblijven.

Sandjiv: Net zo goed als wat?

Hans: Weggaan natuurlijk.

Sandjiv: Wat nu?

Hans: Zo kan je het ook zeggen.

Sandjiv: Hè?

Hans: Zo kan je het ook zeggen.

Sandjiv: Nou moe.

Hans: Zo kan je het ook zeggen.

Sandjiv: …

Hans: Zo kan je het ook zeggen.

Sandjiv: Tja.

Hans: Maar om dat nou geluk te noemen?

Sandjiv: Wat zou jij geluk noemen?

Hans: Daar begin ik niet meer aan.

Sandjiv: O.

Hans: En dat noem ik geluk.

Lees ook: De Poortloze Poort voor dummy’s

Leed doet hopen, of was het nou andersom?

Meer geluk dan wijsheid

Allette: Bent jij een gelukkig mens?

Hans: Ben ik een mens?

Allette: Dat nam ik inderdaad even aan.

Hans: Ben ik?

Allette: Dat nam ik inderdaad even aan.

Hans: Wat heet gelukkig?

Allette: Ik had gehoopt dat jij dat wist.

Hans: Hoop doet lijden.

Allette: Vandaar.

Hans: Of was het nou andersom?

Allette: Wat?

Hans: Leed doet hopen?

Allette: Of beide?

Hans: Of geen van beide?

Allette: Hoop doet leven, was het toch?

Hans: Leven is lijden, was het toch?

Allette: Wie zei dat ook alweer?

Hans: Ik, zei de gek.

Allette: Nou je het zegt.

Hans: Maar wie ben ik?

Tip: Lijden, is er een eind aan?

Achter de poort tot het geluk zit niet-weten

Vivien: Niet-weten is de sleutel tot het geluk.

Hans: Maar waar is nou het slot?

Vivien: Ik bedoel, niet-weten is de sleutel en het slot tot het geluk.

Hans: Maar waar is nou de poort?

Vivien: Ik bedoel, niet-weten is de sleutel en het slot en de poort tot het geluk.

Hans: Maar wat er nou achter zit?

Vivien: Het geluk natuurlijk.

Hans: Niet-weten natuurlijk.

Vivien: Niet-weten is de poort tot niet-weten?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Vivien: En waar is het geluk?

Hans: En daar is het geluk.

Tip: Zalig zijn de armen van geest