De Linji Lu – weetnietzen voor de weetnietgeest

dwaalgids > zen

‘De ware mens heeft geen vorm, de ware leer heeft geen inhoud.’ Niet te geloven! De Linji Lu – nieuwe vertaling van deze zenklassieker. Tweede gewijzigde editie, 2018.

Inhoud:

  • Wie is Linji en wat is de Linji Lu?
  • Zestig preken
  • Zestig koans
  • Verantwoording

De eerste editie van de Linji Lu is als serie gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Niet te geloven! De Linji Lu

Van Niet te geloven! De Linji Lu zijn op dit moment vijf vier versies beschikbaar:

  1. Niet te geloven! De Linji Lu als serie in het Boeddhistisch Dagblad (eerste editie, gratis)
  2. Niet te geloven! De Linji Lu als pdf (eerste editie; 50 pagina’s A4, afdrukbaar, gratis)
  3. Niet te geloven! De Linji Lu als epub (eerste editie; 135 pagina’s, reflowable, gratis; nota bene: klikken=downloaden)
  4. Niet te geloven! De Linji Lu als boek (hardcover, ISBN 978 94 92185 05-1, eerste editie, UITVERKOCHT)
  5. Deze webpagina bevat een voorlopige versie van de tweede editie van Niet te geloven! De Linji Lu.

De tweede editie verschijnt dit najaar als boek en als epub. De pdf en epub van de eerste editie zijn vanaf dat moment niet meer verkrijgbaar.

Boeddhistisch Dagblad over Niet te geloven! De Linji Lu:

Linji Lu- Het boek dat niet te bespreken is
Na 35 jaar weer een nieuwe Nederlandse hertaling van de Linji Lu
Winnaar bekend van verloting boek Hans van Dam
Het spook dat Linji heet
Nieuwe bulderaar in het BD

Niet te geloven! De Linji Lu is geciteerd in dhammapada.pdf.

Inhoudsopgave

Wat is de Linji Lu?

Weetnietzen voor de weetnietgeest

De Linji Lu is een klassieke iconoclastische zentekst

De preken van Meester Linji laten geen spaan heel van het boeddhistische begrippenkader

De Linji Lu (de ‘Kronieken van Linji’) is een verzameling van honderdtwintig teksten namens en over de Chinese chanmeester Linji Yixuan.

De helft van die teksten bestaat uit radicale beeldenbrekende preken van Meester Linji die geen spaan heel laten van het boeddhistische begrippenkader, noch van de boeddhistische praktijk. Een van de bekendste zenmotto’s, ‘Dood de Boeddha’, is ontleend aan deze preken.

De andere helft van de Linji Lu bestaat uit koans – raadselachtige scènes en dialogen die iedere logica tarten en waarin Linji nu eens als meester figureert, dan weer als leerling.

De Linji Lu wordt ook wel de Linji Yulu of (in het Japans) de Rinzai Roku of Rinzai Goroku genoemd.

De plaats van de Linji Lu in de zentraditie

De Linji Lu heeft als handvest van de Linji zong, de School van Linji, veel invloed gehad op de ontwikkeling van chan in China. De Linji Lu is ook de bijbel geworden van een van de twee grote zentradities van Japan, rinzai. De School van Linji wordt in Japan de Rinzai Shu genoemd. De andere grote Japanse traditie is soto.

Chan is het Chinese woord waarvan het Japanse woord zen is afgeleid. Westerlingen spreken van zen omdat de chantraditie via Japan naar het westen is gekomen.

In rinzai ligt het accent op koantraining, in soto op shikantaza, alleen maar zitten. De rinzaiboeddhist zoekt verlichting (kensho, satori), de sotoboeddhist gelatenheid. Vroeger was rinzai in Japan vooral populair onder samurai, soto onder het volk. Er zijn ook mengvormen.

De Chinese chanmeester Wumen Huikai (1183-1260), samensteller van de bekende koancollectie De Poortloze Poort (Wumenguan) was dharmahouder in de lijn van Linji.

De Linji Lu is niet de enige iconoclastische chantekst, maar wel een van de meest radicale. Een andere tekst die er niet om liegt is de Diamantsoetra.

Wie is Linji?

Ooggetuigen van de verbeelding

Over Linji Yixuan is vrijwel niets met zekerheid bekend. Niemand weet wanneer hij geboren is, maar hij zou overleden zijn in 866. Buiten China luistert hij behalve naar de naam Linji Yixuan ook naar de namen Linji Huizhao, Lin-chi I-hsüan (Wade-Giles) en Rinzai Gigen (Japans). Linji, zoals we hem verder zullen noemen, is de hoofdrolspeler van de Linji Lu.

Als je de preken van de Linji Lu leest is het net of je de meester zelf hoort spreken. De koans lezen als ooggetuigeverslagen van zijn tijdgenoten – Linji’s meesters, broeders en leerlingen.

Uit recent historiografisch onderzoek blijkt echter dat de Linji Lu een lange rijpingsperiode heeft doorgemaakt. Er is aan geschaafd door een onbekend aantal onbekenden gedurende een periode van circa tweehonderdvijftig jaar. Hun bijdragen werden impliciet toegeschreven aan Linji en zijn tijdgenoten, zoals in China toen gebruikelijk was. De canonieke taoïstische werken Laozi (Meester Lao), Zhuangzi (Meester Zhuang) en Liezi (Meester Lie) zijn op vergelijkbare wijze tot stand gekomen.

Zeeuws Meisje van zen

Linji zelf schijnt geen letter op papier gezet te hebben. De meester stierf al in 866, maar de Linji Lu ontstond pas in de loop van de tiende eeuw en kreeg pas aan het begin van de twaalfde eeuw zijn definitieve, huidige vorm. De Kronieken vertegenwoordigen naar men nu aanneemt niet zozeer het gedachtegoed van de historische Meester Linji als wel het gedachtegoed van het Huis van Linji, een van de vijf grote Chinese chanhuizen – de School die zich achter zijn naam verschool.

Wanneer we de voorlopers van de Linji Lu en de verschillende edities ervan met elkaar vergelijken, zien we Meester Linji steeds krasser worden. In de loop van de eeuwen veranderde hij in een formidabele patriarch, een charismatische martiale meester die iedereen schrik aanjoeg – het perfecte boegbeeld voor een boeddhistisch voertuig dat nu pas op stoom kon komen. Voor Japanse ridders, de samurai, bleek deze Meester Linji een onweerstaanbaar rolmodel.

De historische Linji is niet de grondlegger of de stichter van de School van Linji, zoals op het moment van schrijven nog steeds in de (Engelstalige) Wikipedia valt te lezen. Zijn gedachtegoed is niet het gedachtegoed van de School van Linji.

Maar de legendarische Linji werd daar wel het gezicht van. Het imago. Linji Yixuan is de Frau Antje van rinzai, het Zeeuws Meisje van zen. Hij is echter niet de schrijver van alle preken en koans, net zomin als Frau Antje alle Nederlandse kazen maakt of Zeeuws Meisje alle Nederlandse boter.

Een lappenpop in een lappendeken

De Linji van de Linji Lu is dus een constructie, een mythologische figuur die de historische Linji, voor zover bekend, in de schaduw stelt. Zelfs aan zijn lineage schijnt gesleuteld te zijn ten gunste van de rol van Meester Huangbo en ten nadele van de rol van meester Dayu.

Om misverstanden te voorkomen, zouden we de fictieve meester misschien Pseudo-Linji moeten noemen, naar het voorbeeld van Pseudo-Dionysius, de schrijver van het traktaatje Over Mystieke Theologie die zich een millennium lang met succes voordeed als Dionysius de Areopagiet. Ik kom er in mijn verantwoording op terug.

Hoe we Linji ook noemen, hij blijft een lappenpop met een vulling van woorden, en hoe we de Linji Lu ook noemen, het blijft een lappendeken van akkertjes overgeleverd door anonieme tekstboertjes uit hetzelfde dal met hetzelfde doel: de articulatie en promotie van de eigen factie. Wie wat gezegd heeft, welke teksten door wie met welk doel herschreven zijn, valt niet meer te achterhalen.

Aldus het postmoderne decreet.

Zie voor een gedetailleerde reconstructie The Textual History of the Linji lu (Record of Linji): The Earliest Recorded Fragments van Albert Welter.

Waarom moet je de Linji Lu gelezen hebben?

Stilzitten is geen kunst – op eigen benen staan, daar komt het op aan.

Linji mag dan een mythe zijn, de Linji Lu is een uitzonderlijk werk, schokkend en hilarisch tegelijk. Het is mijn favoriet onder de zenklassiekers. Duizend jaar oud en toch fris, vitaal en eigentijds – om niet te zeggen postmodern en absurdistisch.

Wie autoriseert wie, en waar is de autonomie?

Mijn vertaling, Niet te geloven! De Linji Lu, is een loflied op de historische Linji, op de mythische Linji, op de scholen die naar de beide Linji’s zijn vernoemd, op het chanboeddhisme waaruit deze scholen voortkomen en op de subversieve weetnietgeest die nog altijd in zen rondwaart. Of is dat slechts een nabeeld?

Het is wel ironisch dat de patriarch die autonomie pre-dikt en voor-leeft, voor zijn ontstaan en voortbestaan afhankelijk is van de school die hem schiep en van de traditie die zijn valse nagedachtenis naleeft. Het is dubbel ironisch dat die traditie zich daarvoor op het gezag van haar eigen schepping moet beroepen. Wie autoriseert hier wie, en waar is de autonomie?

Wanneer een traditie van meer dan duizend jaar oud terug moet grijpen op een gepimpte patriarch van meer dan duizend jaar oud, vraag je je onwillekeurig af of chan/zen ooit ook maar één Linji van vlees en bloed heeft voortgebracht van de statuur van de legendarische Linji.

Op eigen benen staan, daar komt het op aan

Hoe effectief is het zenboeddhisme eigenlijk wanneer het erom gaat de geest te bevrijden uit zijn zelfbedachte gevangenis? Worden er alleen illusies weggenomen of komen er nieuwe voor in de plaats? Is al die studie, is al dat zitten, zijn al die geloften en inspanningen van het levenslange zenpad ergens goed voor?

Het moet maar eens gezegd worden: (zen)boeddhisme is taaie kost. Maar niet voor Pseudo-Linji, de ras-apofaticus die Pseudo-Dionysius, de meester van de negatieve theologie, moeiteloos naar de kroon steekt.

Onze antiheld maakt overal gehakt van, ook van het heldendom. Van heiligen moet hij niets hebben en geleerdheid is hem te geleerd. Je niets laten wijsmaken en niemand iets wijsmaken, dat is de kern van zijn leer. Niets geloven dit ook niet.

Stilzitten is geen kunst – op eigen benen staan, daar komt het op aan.

Hans van Dam, Amsterdam, herfst 2018

Wil je weten hoe deze vertaling tot stand is gekomen en welke vrijheden ik me heb veroorloofd, lees dan de Verantwoording.

I. PREKEN

‘Laat je niets wijsmaken door die oude wijzen!’ zei de oude wijze. Wat laat jij je allemaal wijsmaken?

Preek 1 – Je hoeft nergens heen

Meester Linji zei:

Wedergangers, wie de leer bestudeert, moet tussen de regels door lezen. Met je blik op oneindig zul je alle klippen als vanzelf omzeilen. Niet aan de grond lopen, daar komt het op aan. Je hoeft nergens heen, de zee is overal.

Onze nijvere voorvaderen hadden elk hun eigen kijk op het rijk. Wat mij betreft, ik volsta ermee te zeggen dat je niemand moet geloven. Mij ook niet. Jezelf ook niet. Wat valt er nog te overwegen wanneer dat eenmaal helder is?

Leerlingen van tegenwoordig zijn niet te houden. Ze rennen overal achteraan, waaien met alle winden mee. Lichtgelovige, kom je soms iets te kort? Het enige verschil tussen jou en de Boeddha is je rusteloos zoekende geest.

Wil je weten wie de Boeddha is? Niemand anders dan degene die hier voor me staat te luisteren naar mijn kletspraat. Maar je hebt je laten wijsmaken dat je het buiten jezelf moet zoeken. Dat daar iets te vinden is. Nou, het enige wat je zult vinden is gestolde woorden, nooit de levende geest van de Boeddha zelf.

Zie je het nu niet, dan zie je het nooit, in geen duizend levens. Balkend en loeiend zul je jezelf steeds weer aantreffen in de baarmoeders van ezels en runderen.

Wedergangers, wat valt er te zoeken? Voor niets komt de zon op, voor niets gaat hij onder. Wie het zo bekijkt, heeft het goed bekeken.

Preek 2 – De trikaya is drie keer niks

Meester Linji zei:

Voorbijgangers,

Deze wereld biedt evenveel rust
als een brandend huis.

Wil je niet verschillen van de Boeddha, zoek het dan niet langer buiten jezelf. Wat is het oog dat iedere gedachte doorziet? Gewoon je eigen geest. Jij die hier met je eigen oren naar mijn kletspraat staat te luisteren en er met open ogen intuint.

Het oog dat iedere gedachte doorziet, dat is de dharma­kaya­boeddha. Het oog dat iedere gedachte doorziet, dat is de sambhoga­kaya­boeddha. Het oog dat iedere gedachte doorziet, dat is de nirmana­kaya­boeddha. Jijzelf bent het drievoudige lichaam. Zolang je tenminste niet als een kip zonder kop rondrent op zoek naar je drievoudige lichaam.

Voorbijgangers, volgens de onovertroffen meesters van de soetra’s en de shastra’s zou het drievoudige boeddhalichaam het allerhoogste zijn. Laat je niets wijsmaken. Het is alleen maar beeldspraak. Een drievoudige instinker.

De trikaya is drie keer niks. Net als je eigen geest. Net als het oog dat iedere gedachte doorziet.

Preek 3 – Geloof niets en je doorziet alles

Meester Linji zei:

Voetzoekers, wie is het die zelfs de leer doorziet? Hij is de oorsprong van alle boeddha’s en het vertrekpunt waarnaar alle zoekers moeten terugkeren.

Ons lichaam, opgebouwd uit de vier elementen, kan de leer niet doorzien. Onze milt of maag kan de leer niet doorzien. Onze lever of galblaas kan de leer niet doorzien. De lege hemel kan de leer niet doorzien.

Wie kan wel de leer doorzien? Degene die je niet kan zien. Degene die zichzelf doorziet. Degene die hier sprakeloos naar mijn kletspraat staat te luisteren – het is de weetnietgeest die de leer doorziet.

Wie zelfs de weetnietgeest doorziet, verschilt in geen enkel opzicht van de eerste patriarch. Geloof niets, dit ook niet, en je doorziet alles, dit ook.

Waar kennis heerst, is wijsheid ver te zoeken.
Denkbeelden zijn de bouwstenen van het lot.

Zoals ik het zie, is niets of niemand substantieel. Maar als je je gedachten en gevoelens gelooft, is het einde zoek.

Geloof je dat?

Preek 4 – Stalpalen voor ezels

Meester Linji zei:

Klaplopers, de weetnietgeest heeft geen vorm en geen leegte.

Hij doorziet de beelden in je ogen.
Hij doorziet de geluiden in je oren.

Hij doorziet de geuren in je neus.
Hij doorziet de woorden in je hoofd.

Hij doorziet het grijpen van je handen.
Hij doorziet het jachten van je voeten.

De weetnietgeest kent geen verschil en houdt overal huis. In de onverdeelde weetnietgeest ben je altijd thuis.

Waarom ik dit zeg? Omdat jullie als dollen rondtollen. Omdat jullie je blind staren op de zeergeleerde larie van de wijsneuzen van weleer.

Klaplopers, neem een voorbeeld aan mij en hak onvervaard de koppen van de sambhoga­kaya­boeddha’s en nirmana­kaya­boeddha’s af. Een bodhisattva die het tiende stadium heeft bereikt is niet meer waard dan een kreupele dagloner. Een bodhisattva van grote of onovertroffen verlichting is niet beter af dan een geketende gevangene. Een arhat of een pratyeka­boeddha heeft minder nut dan een beerput.

Verlichting en nirwana zijn stalpalen voor ezels. Hoe dat kan? Hebben jullie nou nog steeds de leegte van de woorden en de dingen niet ingezien?

Preek 5 – Doe niet zo moeilijk

Meester Linji zei:

Een echte padvinder neemt de dingen zoals ze zijn en handelt naar bevinding. Hij loopt als hij zin heeft, gaat zitten als hij moe is. Hij legt knopen of haalt ze uit. Hij steekt een vuurtje aan of dooft het. Geen moment maakt hij zich druk over zijn boeddhanatuur. Waarom niet?

Zoek het einde van het lijden en je lijdt.
Zoek de boeddhadharma en je raakt hem kwijt.

Zandlopers, tijd is kostbaar. Je kunt hem maar één keer verteren. Waarom studeren? Wat valt er te leren aan een lege leer? Wat moet je met een boeddha, wat moet je met een patriarch, wat moet je met een meester – zijn je ouders al niet erg genoeg?

Laat die kaalgeschoren schoolfrikken toch stikken. Ze weten van boven niet dat ze van onderen afgaan. Ze zien overal spoken en spikken. Ze wijzen naar het oosten en reppen van het westen. Ze hebben liever zonneschijn, ze hebben liever regen, het ene heet een vloek, het andere een zegen.

Padvinder, je zoekt de stok in je hand. Je zoekt de zee op het land. Haal je niets in je hoofd. Zoek het niet buiten jezelf. Zoek het niet in jezelf. Zoek niet. Weet niet. Doe niet – zo moeilijk.

Preek 6 – Boeddha is een woord

Meester Linji zei:

Teengangers, het gaat niet om inzicht maar om uitzicht. Hoe ver reikt je blik? Kun je achter de schermen kijken en inzien dat alles leeg is?

Laat je niet inblikken door die schoolfrikken. Wie nergens heen hoeft is al aangekomen. Al die ambities – het houdt alleen maar op. Is gewoon al niet te gek?

Maar nee hoor, je moet weer zo nodig op jacht naar groot wild. Nou, het enige wat je zult vinden is kleine wildpaadjes. Van al die andere jagers op groot wild.

Je blijft maar naar de boeddha zoeken, maar boeddha is een woord. Woorden verwijzen naar andere woorden, er is geen einde aan. Als je al niet weet wat je zoekt, hoe moet je het dan ooit vinden?

Teengangers, de boeddha’s en de patriarchen uit de drie tijden en de tien richtingen zijn geen doel op zich. Ze wijzen alleen maar de weg naar de leer. De leer wijst alleen maar de weg uit de leer. Haal hem neer, keer op keer – meer heeft de leer niet om het lijf.

De weetnietgeest kent geen vorm en geen leegte. Je vind hem overal en nergens. Je ziet hem door hem niet te zien. Je vangt hem door hem vrij te laten. Niet door over hem te praten.

Preek 7 – Kijk overal doorheen

Meester Linji zei:

Dwaalgasten, als ik, een eenvoudige bergmonnik, onderricht geef, wat leer ik dan? Niets. Welk niets? Het niets van de lege leer. Welke lege leer? De leer van de weetnietgeest.

De weetnietgeest heeft geen weet van aards en heilig. Hij heeft geen weet van rein en onrein. Hij heeft geen weet van vergankelijk en onvergankelijk. Hij kent ze niet maar doorziet ze meteen.

De weetnietgeest – dat is kijken zonder kopen, denken zonder menen, proeven zonder slikken, voelen zonder vatten. Meer komt er niet bij kijken.

Dwaalgasten, de manier waarop ik onderricht geef, is uniek. Stel dat Manjusri en Samantabhadra hun lichamelijke vorm aannemen en hier voor me verschijnen om me vragen te stellen over de leer. Nog voor ze hun mond opendoen heb ik ze al doorzien.

Hoe dat kan? Uiterlijk maak ik geen onderscheid tussen werelds en heilig, innerlijk verwijl ik niet in het absolute. Ik ken zekerheid noch twijfel en kijk overal dwars doorheen.

Wie is het die dwars door jullie heen kijkt? Wie is het die dwars door mij heen kijkt? Wie is het die dwars door deze vragen heen kijkt?

Preek 8 – Wijzen weten niet beter

Meester Linji zei:

Nestvlieders, wat de leer aangaat valt er niets te doen. Wees gewoon jezelf. Doe wat je altijd al deed – opstaan, aankleden, zitten, lopen, eten, drinken, praten, poepen, plassen, gapen, slapen.

Dwazen lachen me uit
Maar wijzen weten niet beter

Want

Zij die er werk van maken
zijn eersteklas stomkoppen

Als je niets gelooft is er geen situatie om meester van te worden, geen plek om heen te gaan. Zelfs je oude waandenkbeelden en je zogenaamde karma hebben geen substantie meer. Wie deel uitmaakt van de feiten wordt er nooit door ingehaald.

Preek 9 – Geen Boeddha zonder Mara

Meester Linji zei:

Leerlingen van tegenwoordig weten niets van de leer. Net als schapen vreten ze alles wat je ze voor de neus houdt.

Leerlingen zijn nestblijvers die zichzelf voor nestvlieders houden. Overal zien ze meesters en slaven, gastheren en gasten, goede motieven en slechte. Stelletje huismussen. Ze zoeken alleen maar verstrooiing.

Nestvlieders wonen nergens. Niet in Mara, niet in Boeddha, niet in gehechtheid, niet in onthechting, niet in de vorm, niet in de leegte, niet in het kwade, niet in het goede, niet in het valse, niet in het ware, niet in het wereldse, niet in het heilige. Nestvlieders verlaten ieder nest.

Wie van Mara naar Boeddha overloopt, van gehechtheid naar onthechting, van de vorm naar de leegte, van het kwade naar het goede, van het valse naar het ware, van het wereldse naar het heilige, die verruilt het ene nest voor het andere. Die stapelt schuld op schuld.

Boeddha-Mara is een brij, pap met zout. Jullie willen alleen het zout, maar zonder pap is het niet te vreten. Pap zonder zout ook niet. Daarom behandelt de ware nestvlieder Boeddha en Mara met evenveel eerbied.

Als je het heilige liefhebt maar het aardse haat
zul je verdrinken in de zee van geboorte en dood.

Preek 10 – Allemaal hersenspinsels

Meester Linji zei:

Doodlopers, jullie blijven maar vragen stellen. Wat is Boeddha? Wat is Mara? Wat is Boeddha-Mara? Ik zal het je zeggen, luister goed.

Overal doorheen kijken, zien dat de tienduizend dingen leeg zijn, doorhebben dat zelfs de geest een fantoom is – dat is Boeddha. Het geringste spoor van onderscheid in je geest – dat is Mara. Het onderscheid tussen Boeddha en Mara doorzien – dat is Boeddha-Mara.

Geloof je dat? Doodloper! Er is helemaal geen Boeddha. Er is geen Mara. Er is geen Boeddha-Mara. Er zijn geen voelende wezens, er is niemand om te verlossen, er is niemand die verlost. Dat zijn allemaal hersenspinsels. Fantomen in je geest.

Wat je nastreeft kan niet worden nagestreefd. Wat je bereikt denkt te hebben, hoefde niet te worden bereikt. Er valt niets te beoefenen, niets te realiseren en niets te winnen, dit ook niet.

Meer heeft mijn leer niet om het lijf. Wie meent dat ik een hogere leer heb, doet uit de hoogte. Die leeft in een roze wolk.

Preek 11 – Doorzie de dharma’s

Meester Linji zei:

Wegkijkers, degene die hier pal voor mijn ogen staat te luisteren naar mijn kletspraat is al degene die nergens blijft hangen.

Wie de tien richtingen vrijelijk doorkruist, schuwt de tienduizend dingen niet. Ze brengen hem niet in verlegenheid. Brengen ze hem toch in verlegenheid dan is hij daarmee niet verlegen. In één ogenblik doorziet hij alle dharma’s.

Ontmoet hij een boeddha dan doorziet hij een boeddha. Ontmoet hij een patriarch dan doorziet hij een patriarch. Ontmoet hij een arhat dan doorziet hij een arhat. Ontmoet hij een schriftgeleerde dan doorziet hij een schriftgeleerde. Ontmoet hij een leerling dan doorziet hij een leerling. Ontmoet hij zichzelf dan doorziet hij zichzelf.

Doordat zijn geest nooit vol raakt, brengt hij overal verluchting. Hij is nergens op uit en zijn duisternis straalt zachtjes in alle richtingen zonder iemand te verblinden.

Preek 12 – Uitzicht komt vanzelf naar je toe

Meester Linji zei:

Doorlopers, diep vanbinnen weet je nu al dat er niets te doen is en nooit iets te doen is geweest. Maar je wilt het niet weten, dus blijf je maar doen alsof, doelloos rondrennend als een hond die zijn staart najaagt.

Al die zogenaamde bodhisattva’s die angstvallig binnen de grenzen van het Zuivere Land legeren, het aardse minachten en het heilige hoogachten. Ze blijven maar goedkeuren en afkeuren, aanraden en afraden, nastreven en weerstreven, beheerst door ideeën over zuiverheid en onzuiverheid.

Doorlopers, zo werkt het niet in onze chanschool. Inzicht is een greep naar de macht, maar uitzicht komt vanzelf naar je toe. Plotseling en onverwacht, als de zon die door de wolken breekt. Dan kun je eindelijk van je afkijken. Wat een ruimte, wat een overvloed!

Hoe je er ook over denkt, mijn onderricht stelt niets voor. Het is een doekje voor het bloeden. Een fopspeen voor zuigelingen. Een wandelstok in het moeras. Een wijsheidsoog van glas. Ik heb helemaal geen leer. Ik klets maar wat.

Wie dit begrijpt is een ware nestvlieder en hoeft niet langer op zijn eieren te broeden. Waarom zou hij ook? Het zijn maar windeieren. Zodra je erop gaat zitten zak je erdoorheen.

Doorloper, ga je nou niet op je borst lopen slaan omdat je je hebt laten inpalmen door een of andere oude meesteroplichter. Je enthousiasme bewijst niets, behalve je goedgelovigheid. Je vaardigheden bewijzen niets, behalve je hebzucht. Je welbespraaktheid bewijst niets, behalve je ijdelheid.

Wie de weg kent is hem kwijt, maar wie hem kwijt is kent hem. De ware wegwerker maakt zich niet druk om de wereld, hij kijkt er dwars doorheen. Wie overal dwars doorheen kijkt heeft niets meer te doen. Niets aan te doen.

Preek 13 – Boeddha’s ontstaan uit wantrouwen

Meester Linji zei:

Wat is onwetendheid? Er is geen onwetendheid. Wat is het juiste inzicht? Er is geen juist inzicht. Je hoeft alleen maar in te zien dat er geen juist is en geen onjuist, geen inzicht en geen onwetendheid. Ook het onderscheid tussen juist en onjuist is niet juist of onjuist.

Dromers, de weg leidt nergens naartoe of vandaan. Of je nou het aardse binnengaat of het heilige, het relatieve of het absolute; of je nou afreist naar het reine land of naar het onreine, naar het land van de Boeddha of naar het land van Mara, naar het hemelse dharmarijk van Vairocana of naar het toekomstige rijk van Maitreya – het is allemaal illusie.

De Boeddha verscheen in de wereld, gaf een slinger aan het dharmawiel en ging nirwana binnen. Toch heeft hij geen spoor nagelaten. Al zoek je tot je erbij neervalt, vinden zul je hem niet.

Wie alle landen aan deze en gene zijde doorkruist, komt uiteindelijk in de navel van de wereld terecht. Wat blijkt? Alle dingen en leringen zijn door en door leeg. Onvindbaar. Er is alleen de leegloper die nergens op steunt. Hijzelf is de vader en moeder aller boeddha’s. Zie je hem dan niet? Hij staat hier pal voor mijn neus. Hij staat hier pal voor jullie neus.

Lichtgelovigen, boeddha’s ontstaan uit wantrouwen. Geloof niets, dit ook niet, en je hoeft geen boeddha meer te worden. Dat is het juiste inzicht.

Preek 14 – De ware mens zonder rang

Meester Linji zei:

Leerlingen zijn hopeloos. Omdat ze in namen en frasen zoals ‘aards’ en ‘heilig’ geloven, is hun dharma-oog blind. Ze kijken nergens doorheen en slikken alles voor zoete koek.

Neem nou de Twaalf Afdelingen van het Onderricht – wat een flauwekul. Maar leergierigen geloven erin. Ze geloven in oorzaak en gevolg, in geboorte en dood, in mensen en goden, in samsara en nirwana, in alles en niets.

Ze geloven alles wat ze zien. Ze geloven alles wat ze horen. Ze geloven alles wat ze denken. Ze vormen meningen en worden ervan afhankelijk. Zo blijven ze een speelbal van hun gedachten.

Wil je vrij zijn om te zitten en te staan, om te komen en te gaan? Erken dan nu de nitwit die hier naar mijn kletspraatjes staat te luisteren. De ware mens zonder rang, die geen vorm heeft en geen leegte, geen wortels en geen kroon, geen bron en geen monding, geen weg en geen doel en geen pleisterplaats.

Hij valt, maar nooit te pletter. Hij stinkt, maar nergens in. Hij spoort, maar laat geen sporen na. Jaag hem na en je jaagt hem weg.

Vind hem door hem niet te zoeken. Ken hem door hem niet te kennen. Wees hem door hem niet te zijn.

Preek 15 – Zie in dat de leer leeg is

Meester Linji zei:

Wegdromers, vertrouw je niet toe aan je lichaam. Vroeger of later vergaat het.

Vertrouw niet op de tienduizend dingen. Welke daarvan zou meer dan kortstondige verlossing kunnen brengen?

Je propt je vol met eten en besteedt je kostbare tijd aan het oplappen van je gewaden. Zoek liever een lege leraar.

Gemak is maar gemak. De tijd vliegt en je gedachten vliegen mee. Zoek liever een lege leer.

Wegdromers, zie in dat de vier elementen en de vier fasen leeg zijn, en het werk is gedaan. Zie in dat de leer leeg is, en de weg is gegaan.

Preek 16 – De vier elementen zijn illusies

Meester Linji zei:

Wat betekent de zinsnede ‘de vier elementen zijn illusies’?

Eén moment van goedgelovigheid in een gedachte en je zit vast in de aarde. Eén moment van gehechtheid aan een gedachte en je verdrinkt in het water. Eén moment van boosheid om een gedachte en je verbrandt in het vuur. Eén moment van vreugde om een gedachte en je vliegt in de lucht.

Heb je dit eenmaal door dan zul je nooit meer een speelbal van je gedachten zijn. Je zult over het water lopen als op het land; je zult door het land zwemmen als in water. Je zult vuur inademen als lucht; je zult je aan de lucht warmen als aan vuur. Je zult vrijelijk van oost naar west springen, van zuid naar noord, van onder naar boven, van de rand naar het midden en weerom.

Geloof je dat? Dan zit je vast in de aarde. Dan verdrink je in het water. Dan verbrandt je in het vuur. Dan vlieg je in de lucht. Waarom? Omdat de vier elementen leeg zijn, leeg als je dromen.

Waterlopers, degene die hier nu naar mijn kletspraat staat te luisteren, bestaat net zomin uit elementen als de elementen. Hij bestaat er niet uit, maar hij speelt ermee als met zichzelf, of zij met hem. Heb je dat eenmaal door dan zul je nooit meer een speelbal van je gedachten zijn.

Geloof je dat?

Preek 17 – Er is geen Manjusri en geen berg Wutai

Meester Linji zei:

Vanuit mijn verdwijnpunt gezien is er niets om van te houden of te haten. Er is niets heiligs en niets aards.

Wie het heilige aanbidt, aanbidt namen. Wie het aardse minacht, minacht namen. Wat is er heilig aan ‘heilig’? Wat is er aards aan ‘aards’? Niets.

De haren rijzen mij te berge wanneer ik bedenk hoeveel leerlingen Manjusri op de berg Wutai zoeken. Hoe diep kun je zinken. Holbewoners, er is geen Manjusri op de berg Wutai, want er is geen Manjusri en geen berg Wutai.

Wil je Manjusri op de berg Wutai leren kennen? Degene die hier voor me staat te luisteren naar mijn kletspraat – dat is de levende Manjusri. Het oog dat iedere gedachte doorziet – dat is de levende Samantabhadra. De gedachte die je bevrijdt van alle andere – dat is de levende Avalokiteshvara. Ziedaar je meesters en dienaren, één in drie en drie in één.

Wie ook dit doorziet kan veilig soetra’s lezen.

Preek 18 – De leer is geen beroep

Meester Linji zei:

Nestbevuilers, wees toch niet zo goedgelovig. Zo vind je nooit houvast. Met één woord kan ik jullie al aan het twijfelen brengen. ‘Er zijn boeddha’s, er zijn patriarchen’ – hoe verzin je het. Daar prik je toch zo doorheen?

Je beroept je op de hemel, je beroept je op de aarde. Je beroept je op je leraar, je beroept je op de leer. Allemaal tevergeefs. De leer is geen beroep. Je nergens op beroepen, dat is de leer.

Zoek het niet buiten jezelf, daar vind je alleen as en rook. Zoek het niet in jezelf, daar vind je alleen gebakken lucht. Zoek niet naar verlossing en je bent overal van verlost.

Nestbevuilers, verdoe je tijd niet met holle kletspraat over koningen en ballingen, goed en kwaad, recht en krom, lust en geld. Dat leidt alleen maar af.

Preek 19 – De ware wegloper staat voor niets

Meester Linji zei:

Wie er ook naar me toekomt, boeddha, monnik of leek, ik doorzie hem meteen.

Waar hij ook vandaan komt, wie hij ook meent te zijn, wat hij ook beweert en adviseert, het is allemaal quatsch. Dwaze dromen van een goedgelovige geest.

Alleen wie geen speelbal meer is van zijn gedachten belichaamt het mysterie. De ware wegloper zegt niet van zichzelf: ‘Ik ben een boeddha.’ Hij zegt niet van zichzelf: ‘Ik ben geen boeddha.’ De ware wegloper staat nergens voor en claimt niets.

Als boeddha ben ik zuiver, als bodhisattva vol mededogen, als verlichte mysterieus, in nirwana sereen. Als mens ben ik onzuiver, als strijder zonder mededogen, als kind transparant, in samsara ontstemd.

Afhankelijk van de omstandigheden ben ik nu eens deze, dan weer die, nu eens dit, dan weer dat, nu eens zus, dan weer zo. Daar hoef ik niets voor te doen en niets tegen te doen.

Wat is de ware vorm van een wateroppervlak?
Wat is de ware weerspiegeling van de maan?

Preek 20 – Laat lopen en alles marcheert

Meester Linji zei:

Leeglopers, als je volgens de leer wilt leven, doe het dan helemaal. Wie een lege emmer wil wezen, moet tot de bodem gaan. Hij moet er dwars doorheen gaan. Loop leeg en alles valt op zijn plek.

Wie er ook aan het woord is, lekker laten leuteren. Mij ook. Zodra je iets gelooft slaat je geest op hol en is er geen houden meer aan. Zelfs een bodhisattva is er niet immuun voor.

Wie gelooft, is gezien. Geloof je gedachten niet, deze ook niet. Zoek het niet buiten jezelf en zoek het niet in jezelf. Hou alles tegen het licht, wat blijkt? Je kijkt er dwars doorheen. Meer valt er niet te zien.

Maar zodra de geringste gedachte zich in je geest nestelt, ontstaan hemel en aarde, de tienduizend dingen, oorzaak en gevolg, dood en wedergeboorte, onderscheid en eenheid, samsara en nirwana. Dan ga je zoeken naar houvast in het tumult, een kussen om op te zitten, een terp om op te staan.

Laat lopen en alles marcheert. Vanzelf ga je het zuivere binnen, vanzelf het onzuivere, vanzelf de Toren van Maitreya, vanzelf het Land van de Drie Ogen. Je kijkt overal doorheen en ziet alleen nog lege namen.

Preek 21 – Voorouderlijke verzinsels

Meester Linji zei:

Wat is ‘het Land van de Drie Ogen’?

Wanneer wij het land van het mysterie binnengaan, dragen we het kleed van niet-weten en prediken als de dharma­kaya­boeddha.

Wanneer we het land van non-dualiteit binnengaan, dragen we het kleed van on-verschilligheid en prediken als de sambhoga­kaya­boeddha.

Wanneer we het land van de verlossing binnengaan, dragen we het kleed van on-schuld en prediken als de nirmana­kaya­boeddha.

Wat als we geen kleed dragen?

Volgens de meestermisdadigers van de soetra’s en de commentaren moeten we de dharmakaya beschouwen als substantieel en de sambhogakaya en de nirmanakaya als functioneel, maar

De drie lichamen zijn afhankelijk van woorden.
De drie landen zijn afhankelijk van de drie lichamen.

In wezen zijn de Landen van de Drie Ogen zonder wezen. Ze zijn leeg. Zo leeg als de drie lichamen. Zo leeg als de drie ogen. Zo leeg als de leegte. Zo leeg als de leegte van de leegte.

Wat mij betreft kunnen jullie het allemaal vergeten. Er kan geen twijfel over bestaan dat de dharma-ogen en de dharmalichamen en de dharmalanden voorouderlijke verzinsels zijn. Doornen voor rozen. Gimmicks voor goochelaars. Verhaaltjes voor het slapen gaan. Dagdromers, wat voor soep denken jullie nog uit die leeggezogen mergpijpen te trekken?

Buiten de geest om is er geen leer. Erbinnen valt niets te winnen. Wat nu?

Preek 22 – Oefening baart karma

Meester Linji zei:

Tegenwoordig denkt iedereen dat er iets te beoefenen valt. Inderdaad, oefeningen. Maar waarvoor?

Je roept: ‘De zes perfecties en de tienduizend deugden dienen onophoudelijk gepraktiseerd te worden.’ O ja? Denk je dat er wat te halen valt?

Oefening baart karma, karma baart oefening. Zo blijf je aan de gang, leven in, leven uit.

Zoek de boeddha en betaal de prijs. Zoek de dharma en betaal de prijs. Zoek de boeddha en de dharma en bezoek de hel.

Lees de soetra’s en betaal de prijs. Bestudeer de leer en betaal de prijs. Zoek en lees en leer tot het ettert als een zweer.

Wat is het dat de boeddha’s en de patriarchen onderscheidt? Ze hebben niets meer te doen. Ze hebben niets meer te laten. Ze zijn van de Boeddha los en van onthechting onthecht.

Ze lusten geen dharma en ze verzamelen geen karma. De hemel kan ze gestolen worden, zo vermijden ze de hel. Ze schuwen de hel niet en gaan waarheen de weg hen leidt.

Preek 23 – Laat je niets wijsmaken

Meester Linji zei:

Je hebt van die kaalkoppen die proberen hun buik vol te houden en hun hoofd leeg. Ravitailleren en mediteren. Ze willen hun gedachten de kop indrukken of bij de wortel afsnijden. Ze haten herrie en zoeken steeds de stilte op. Hoe stom kun je zijn.

De geest stilzetten om de stilte te aanschouwen
De geest opwekken om de buitenwereld te verlichten
De geest beheersen om de binnenwereld te klaren
De geest concentreren om samadhi in te gaan –
Allemaal illusie

IJveraars, wat valt er te blussen aan bluswater? Wat valt er te legen aan leegte? Wat valt er te onthullen aan het oog dat alles doorziet?

De weetnietgeest die hier en nu naar mijn kletspraat staat te luisteren, die maak je niets wijs. Daar is hij te stom voor. Maar jullie blijven het proberen. Nitwits!

Preek 24 – Schijt aan het verleden

Meester Linji zei:

Bruinwerkers, jullie trekken de dode woorden uit de dode monden van de oude meesterzwetsers en zien ze aan voor de weg zelf. Je denkt: Hun wijsheid is niet te vreten, wie kan zich met hen meten?

Je hele leven hou je vast aan dit soort vooroordelen. Trillend van ontzag kus je denkbeeldige voeten en lik je denkbeeldige hielen van denkbeeldige sterren uit het bruine verleden.

Alleen die schijt hebben aan de patriarchen zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan het onderricht van de tripitaka zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan de vromen en de braven en de ijverigen zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan goed en fout zijn boeddha’s – alleen degenen die niets geloven, dit ook niet, en zich door niemand gek laten maken.

Wanneer ik terugblik op het afgelopen decennium, speurend naar iets dat karma mag heten, kan ik niets vinden. Geen spoortje. Toch heb ik nooit een blad voor de mond genomen. Vergelijk dat eens met zo’n chan-kwezel die knikkend en buigend door het leven gaat opdat ze hem zijn tempeltje en zijn titeltje en zijn naampje en zijn natje en zijn droogje niet zullen afnemen.

Bruinwerkers, in het verleden heeft nooit enig baanbrekend boeddha steun van zijn tijdgenoten gekregen. Integendeel, hij paste niet in hun plaatje. Ze konden hem niet voor hun karretje spannen. Hij was niet te paaien. Hij was hen veel te gortig. Eerst nadat hij vertrokken of overleden was, kon men de boeddha in hem zien en zijn afwezigheid betreuren.

Hem was het om het even. Wat heeft een wolf te vrezen van schapen? Wat moet een vrijgeest met een kroon?

Preek 25 – Je zoekt een doel voor je zoektocht

Meester Linji zei:

Doelzoekers, overal hoor je mensen zeggen dat er een weg te gaan is, een leer om te bestuderen. Zeg eens, wat valt er te leren, waar wou je heen? Wat ontbreekt je op dit moment? Wat moet er zo nodig bereikt worden?

Naïeve jonge monniken barsten van de energie en jagen liever spoken na. Hoor ze toch eens babbelen: ‘Slechts door principe en praktijk te integreren en voortdurend beducht te zijn voor de drie karma’s, kan de boeddhanatuur worden gerealiseerd.’ Wat een kapsones.

Een van onze illustere voorgangers heeft gezegd:

Kom je iemand tegen die de Weg kent,
spreek geen moment over de Weg.

Belangrijker nog:

Probeert iemand de Weg te gaan,
dan vindt hij haar versperd

en tienduizend gidsen kunnen hem niet gidsen.
Maar waar het gedachtenzwaard flitst
vindt het licht vanzelf zijn weg.

Doelzoeker, je zoekt een doel voor je zoektocht. Je zoekt een sokkel voor een sukkel. Jij die hier naar mijn geleuter staan te luisteren bent al het oog dat alles doorziet.

Het is zo simpel. ‘De gewone geest is de weg’. Jouw geest is geen andere dan de weetnietgeest. Waarin zou de ene weetnietgeest moeten verschillen van de andere?

Voor jullie staat de levende aartsvader. Voor mij staan de levende aartsvaders.

Preek 26 – De geest en de Geest zijn illusies

Meester Linji zei:

Wat wordt bedoeld met ‘de toestand waarin geest en Geest niet verschillen’?

Alleen al door die vraag te stellen, zadel je jezelf op met een geest en een Geest, en ontstaan er nieuwe vragen. Wat zijn de overeenkomsten tussen de geest en de Geest? Wat zijn de verschillen tussen de geest en de Geest? Wat zijn de verbanden tussen de geest en de Geest? Hoe kom je van de geest tot de Geest? Hoe voorkom je dat je terugvalt van de Geest in de geest? Vraag na vraag na vraag. Zo blijf je aan de gang.

Denkslaven, opgelet. Alle dingen in deze wereld en in alle volgende zijn leeg. Zoek naar hun essentie en je vindt haar niet. Zoek naar hun grenzen en je vindt ze niet.

Dingen blijken woorden en woorden blijken namen en namen blijken leeg. ‘Leeg’ is eveneens een woord en op zijn beurt leeg. Leeg als de zin ‘Alle dingen in deze wereld en in alle volgende zijn leeg.’ Wat hou je dan nog over?

Hoe is het in Boeddha’s naam mogelijk dat je nog steeds in loze namen gelooft! Als er al iets bestaat, dan afhankelijk van al het andere. Ik heb het niet alleen over de gewone dingen, maar net zo goed over verlichting, nirwana, verlossing, het drievoudige lichaam, afhankelijk bestaan, object, subject, wereld, geest, boddhisattvaschap en boeddhanatuur.

Zekerheid zoeken in afhankelijkheden maakt afhankelijk. De Boeddha is een fantoom. De patriarchen zijn dood. Zelfs de groeten kun je ze niet doen. De ‘Drie Voertuigen’ en de ‘Twaalf Afdelingen van het Onderricht’ – je kunt er niet eens je kont mee afvegen.

Zoek de Boeddha en je blijft geboeid. Zoek de patriarchen en je blijft gebonden. Bevrijding? Stelletje papkindjes. Zie je eerst maar van je moeder te ontdoen.

Preek 27 – De Boeddha is dood

Meester Linji zei:

Monniken, laat je niets op de mouw spelden door die kaalgeschoren schoolfrikken. Ze ululeren dat de Boeddha het ultieme is. Ze zaniken dat hij eerst na vele eeuwigheden van oefenen tot rijpheid kwam.

Als de Boeddha inderdaad het ultieme zou zijn, hoe kan het dan dat hij al na tachtig jaar op zijn zij ging liggen om zijn laatste adem uit te blazen? Waar is de ultieme nu? Wie van jullie heeft hem ooit gezien of gesproken of zelfs zijn lijk maar geroken?

Lichtgelovigen, de Boeddha was even sterfelijk was als u en ik. Zijn geboorte zal ook wel niet al te verheffend zijn geweest. Had hij daar nou al die eeuwigheden voor gepraktiseerd?

Preek 28 – Een boeddha is zonder kenmerken

Meester Linji zei:

Keurmeesters, jullie denken een boeddha te kunnen herkennen aan tweeëndertig primaire en tachtig secundaire kenmerken. Zeker weten? Heb je het persoonlijk vastgesteld?

Wie garandeert je dat alle boeddha’s van alle tijden al deze kenmerken hadden, hebben en zullen hebben, of zelfs maar één ervan? Wie garandeert je dat alle niet-boeddha’s van alle tijden al deze kenmerken niet hadden, hebben of zullen hebben?

De kenmerken van een boeddha zijn al even leeg als de kenmerken van een niet-boeddha. De boeddha is al even leeg als de niet-boeddha. Wie of wat wou je dan waaraan herkennen?

De lichamelijke kenmerken van de Tathagata
maken het onvoorstelbare voorstelbaar
zodat we erover kunnen spreken.

Opdat we ze konden noemen, kregen ze namen.
Bij wijze van spreken, tweeëndertig stuks
en nogmaals tachtig, bij wijze van zwijgen.

Het sterfelijke lichaam is niet wat ontwaakt.
Vrij zijn van kenmerken is het ware kenmerk.

Keurmeesters, ook het vrij zijn van kenmerken is geen kenmerk, en zelfs ‘het onvoorstelbare’ is nog steeds een voorstelling.

Preek 29 – Een boeddha laat zich niet beetnemen

Meester Linji zei:

Ik heb het vaak horen fluisteren: ‘Een boeddha heeft zes bovennatuurlijke krachten. Hoe wonderlijk!’

Wegdromers, maak jezelf niets wijs. Goden, duivels, engelen, feeën en tovenaars hebben naar men zegt allemaal bovennatuurlijke krachten. Zijn zij daarom boeddha’s?

Toen Asura tegen Indra vocht, bracht hij zijn hele leger van vierentachtigduizend zielen in veiligheid in de haarwortel van een lotusplant. Maakt dat hem een wijze?

Bovennatuurlijke krachten zijn al net zo leeg als natuurlijke krachten. Om over bovennatuurlijk krachtpatsers nog maar te zwijgen. Wat wordt er dan bedoeld met de zes bovennatuurlijke krachten van een boeddha?

Dat hij beelden ziet maar zich er niet door laat beetnemen. Dat hij geluiden hoort maar zich er niet door laat beetnemen. Dat hij geuren ruikt maar zich er niet door laat beetnemen. Dat hij smaken proeft maar zich er niet door laat beetnemen. Dat hij dingen voelt maar zich er niet door laat beetnemen. Dat hij gedachten denkt maar zich er niet door laat beetnemen. Ook niet door deze.

Waar komen de ‘bovennatuurlijke krachten’ van een boeddha vandaan? Nergens vandaan. Wie kleur, klank, geur, smaak, gevoel en gedachte volledig heeft doorzien, blijft er moeiteloos vrij van. Al is hij ervan doordrenkt, hij verdrinkt er niet in. Voor hem zijn ze als een pierenbadje – verfrissend, maar zonder enige diepgang.

Wegdromers, een boeddha heeft geen bovennatuurlijke krachten meer nodig. Noem dat desnoods zijn bovennatuurlijke kracht.

Preek 30 – Hemel en hel zijn maar namen

Meester Linji zei:

Spoorzoekers, de ware mens heeft geen gestalte, de ware leer geen inhoud. Wat jullie ook bedenken aan waarheden, waardigheden, vaardigheden en perfecties, het zijn allemaal voorstellingen van de geest. Speculaties en speculaties over speculaties.

Wie gedachten omarmt zal erdoor gewurgd worden. Een echte boeddha wil niets te maken hebben met leerstellingen, hoe edel ook. Zelfs als hij speculeert houdt hij zich er verre van.

Een ware boeddha maakt zich niet sappel over deze wereld of over de volgende. Mochten hemel en aarde van plaats verwisselen, hij zou er geen traan om laten. Mochten de boeddha’s uit alle tien richtingen aan hem verschijnen, hij zou zich er geen moment over verheugen. Mocht de grond onder hem openscheuren en de hel der hellen op hem afsnellen, hij zou niet eens met zijn ogen knipperen.

Hoe dat kan? Hemel, aarde, hel – het zijn maar namen. Waar je ook zoekt, vinden zul je ze niet. De drie rijken bestaan alleen maar in je geest. De tienduizend dingen bestaan alleen maar in je geest. De ware boeddha bestaat alleen maar in je geest. Ja, de geest zelf bestaat alleen maar in je geest. Ook deze woorden zijn er zo geweest.

Hoe wou je ze plukken?
IJsbloemen op het raam.

Preek 31 – Een boeddha is Oost-Indisch blind

Meester Linji zei:

Blindgangers, een boeddha wandelt door de drie hellen als door een park. Hij zal in het hellevuur niet verbranden, in de hellepoel niet verdrinken. Hij kan het jachtgebied van de hongerige beesten binnengaan zonder opgevreten te worden.

Hoe dat mogelijk is? Een boeddha is Oost-Indisch blind voor alles wat zijn geest hem voortovert. Welk schrikbeeld zou een blinde angst kunnen aanjagen? Wat valt er te vrezen voor wie zijn gedachten niet ziet?

Als je het heilige liefhebt en het aardse haat
zul je wegzinken in de zee van geboorte en dood.
Begeerte is een functie van de geest.
Waaraan zou een lege geest zich moeten hechten?
Wie niet in hokjes denkt en niets weet vast te houden
heeft geen bestemming en geen weg te gaan.

Blindgangers, zolang je tot inzicht probeert te komen, zul je een speelbal van je gedachten blijven. Hou toch op! Zolang je je meester wilt maken van je gedachten en gevoelens zullen ze je knechten. Schei toch uit! Zolang je wilt ophouden en uitscheiden zullen ze je bezighouden. Wat nu?

Preek 32 – Maak er meteen een einde aan

Meester Linji zei:

Wegwerkers, wat gebeurt er wanneer een leerling een meester ontmoet? Nadat ze elkaar hebben begroet, zal de leerling de meester wellicht proberen te testen met een woord of een daad. Eens kijken wat voor vlees hij in de kuip heeft.

Als de meester hem doorziet, maakt hij er meteen een einde aan. Dan zal de leerling tot rust komen en de meester vragen iets te zeggen.

Ook daar maakt de meester meteen een einde aan. Waarop de leerling concludeert: ‘Welk een superieure wijsheid, wat een geweldige leraar, zeg.’

Ook daar maakt de meester meteen een einde aan. Wie kent het verschil tussen goed en slecht?

Of het is de meester die het initiatief neemt en iets zegt of een daad stelt. De leerling die hem doorziet, pareert hem meesterlijk.

Daarop ontbloot de meester zijn bovenlijf, waarop de leerling een kreet slaakt.

Vervolgens probeert de meester hem gek te maken met het ene onderscheid na het andere, waarop de leerling zegt: ‘Wie kent het verschil tussen goed en slecht?’

‘Hè hè,’ verzucht de meester, ‘eindelijk een echte wegwerker.’

Preek 33 – Hoed je voor de weetal

Meester Linji zei:

Wegrenners, heel wat leraren maken er een potje van. Vraagt een leerling iets over verlichting, nirwana, de trikaya, object en subject, stof en geest, dan verliest zo’n weetal zich in ellenlange uiteenzettingen. Als de leerling hem tot de orde roept, dondert hij: ‘Brutale vlerk, hoe durf je’, pakt zijn stok en slaat erop los.

Er zijn nou eenmaal van die sullen die hun kop niet van hun kont weten, die de ene dag naar het oosten wijzen, de andere dag naar het westen, die van lekker weer houden of van vies, die tempels vereren en beelden aanzien voor boeddha’s.

Wat een ezels. Ze laten zich bewieroken en groeien bijkans scheef van alle schouderklopjes die ze hun leerlingen ontfutselen. Echte wegrenners halen hun schouders op en maken dat ze wegkomen.

Preek 34 – Dood de Boeddha

Meester Linji zei:

Thuisverlaters, de weg is lang. Als leerling hield ik me angstvallig aan de Vinaya en las ik ijverig de soetra’s en shastra’s tot ik eindelijk doorkreeg dat het maar woorden waren. Voorschriften, ideeën, theorieën, interpretaties – gedachten. Op een dag heb ik mijn boeken dichtgeslagen en ben ik gaan mediteren.

Dankzij het onderricht van Meester Huangbo begon ik stukje bij beetje de oude boeddha’s te begrijpen en de ware van de valse te onderscheiden. Op het laatst doorzag ik iedereen.

Ik geef toe, het is me niet aan komen waaien, maar na veel studeren en praktiseren ging me eindelijk een lichtje op: de dharma stelt werkelijk niets voor.

Thuisverlaters, als je de leer wilt doorzien, laat je dan niet misleiden. Geloof niemand. Wie je ook maar tegenkomt, dood hem.

Kom je de Boeddha tegen, dood de Boeddha.
Kom je een patriarch tegen, dood de patriarch.
Kom je een arhat tegen, dood de arhat.
Kom je je ouders tegen, dood je ouders.
Kom je familie tegen, dood je familie.
Kom je jezelf tegen, dood jezelf.

Pas als er niemand meer over je schouders meekijkt, kun je de zaken helder zien. Alleen door je van iedereen onafhankelijk te maken, zul je bevrijding vinden.

Preek 35 – Op eigen benen

Meester Linji zei:

Meelopers, de afgelopen jaren zijn leerlingen uit alle hoeken van het rijk mij komen opzoeken. Het spijt me te moeten zeggen dat geen van hen ook maar enigszins onafhankelijk was. In dat geval ben ik meedogenloos. Draag je het in je handen, ik sla het eruit. Komt het uit je mond, ik sla hem dicht. Voor praatjesmakers en toneelspelers ken ik geen pardon.

Helaas heb ik nog altijd niemand gezien die op eigen benen kon staan. De een na de ander loopt nietsvermoedend in de valkuilen van de oude meesteroplichters. Zie er dan nog maar eens uit te komen.

Wat mij betreft, ik heb geen wijsheid te vergeven, geen leer om door te geven. Knopen haal ik niet uit, ik hak ze meteen door.

Meelopers, ik daag jullie uit. Verbreek je banden. Wees nergens van afhankelijk. Is dat nou zo moeilijk?

Niet te geloven zeg. In al die jaren heb ik niet één onafhankelijke geest gezien. Niet één. Alleen maar angsthazen die zich begraven in grotten en gaten. Schrikdiertjes die het al uitschreeuwen als je alleen maar naar ze kijkt. Warhoofden die met hun loze gewauwel de wereld willen bezweren. Snoeshanen die eindeloos in cirkeltjes draaien en zich na iedere rondgang op de borst slaan vanwege hun voortgang.

Preek 36 – Niet vasthouden aan gedachten

Meester Linji zei:

Mijnwerkers, er is geen boeddha en er is geen dharma. Er valt niets te oefenen en niets in te zien. Er is niets om bij te lichten en niemand om te verlichten. Hoeveel dieper willen jullie nog gaan? Wat komen jullie hierboven tekort?

Jij die hier voor me staat verschilt in geen enkel opzicht van de patriarchen. Maar je denkt van wel, daarom blijf je maar graven. Goudzoeker, een gat in de grond is nog geen mijn. De aarde is een kerkhof. Als het meezit vind je wat oude botten in een halfvergane pij. Ziedaar je oorsprong en bestemming.

Nergens valt iets te halen. Bij mij ook niet. Dit ook niet. Je trekt de woorden uit mijn mond, maar je kunt er niks mee beginnen. Misschien kun je er iets mee eindigen? Hou toch op. Schei toch uit. Laat toch gaan. Neem er je gemak van.

Niet vasthouden aan de gedachten die al in je opgekomen zijn en geen nieuwe gedachten omarmen, deze ook niet – meer heeft de leer niet om het lijf. Simpel, nietwaar? Daar kan geen studie, praktijk of bedevaart tegenop.

Preek 37 – Woorden zijn lijmstokken

Meester Linji zei:

‘Boeddha’ en ‘patriarch’ zijn maar woorden. Woorden zijn lijmstokken voor trekvogels. Voor je het weet blijf je eraan vastplakken. Zie dan nog maar eens los te komen.

Als je het mij vraagt, valt er niets bijzonders te doen. Aankleden, eten, een beetje schoffelen, hoe moeilijk kan het zijn? Maar nee hoor, dat praktiseert maar en prakkiseert maar, altijd op jacht naar de Boeddha, eeuwig in de weer met de dharma, steeds uit op bevrijding, naarstig op zoek naar een uitweg uit deze wereld.

Trekvogel, waar wou je heen als je deze wereld verlaat? De wereld waaruit je ontsnapt is de wereld waarnaar je ontsnapt.

Het oog dat alles doorziet, hoeft nergens heen. Het kijkt overal dwars doorheen, waar het zich ook bevindt. Met je blik op oneindig hoef je niets te missen.

Het dharma-oog doorziet de vorm, het doorziet de leegte. Het doorziet samsara, het doorziet nirwana. Het doorziet gehechtheid, het doorziet onthechting. Het doorziet je geest, het doorziet je lichaam. Het doorziet boeddha’s, het doorziet patriarchen. Het doorziet jou, het doorziet mij. Het doorziet het zelf, het doorziet zichzelf. Wat blijft er dan nog over?

Preek 38 – De boom der verlichting

Meester Linji zei:

Boomklevers, de plaats waar je geest rusteloos ronddoolt wordt de boom der onwetendheid genoemd. De boom der onwetendheid is zo groot als je gedachten.

Wie de ene gedachte aan de andere rijgt, raakt er steeds verder in verstrikt. Hij gelooft in geboorte en dood, hij gelooft in ongeborenheid en onsterfelijkheid. Hij meent dat de geest in het lichaam verschijnt, hij meent dat het lichaam in de geest verschijnt. Hij meent een vacht op zijn lichaam te dragen en hoorns op zijn kop. Hij gelooft dit, hij gelooft dat, hij gelooft steeds iets anders maar altijd wat.

De plaats waar je geest tot rust komt, wordt de boom der verlichting genoemd. Maar alleen door boomklevers. Wanneer je geen gedachten koestert, woon je nergens. Niet in de boom der onwetendheid en niet in de boom der verlichting.

Wie zijn gedachten doorziet is dit noch dat, zus noch zo, lichaam noch geest, gezond noch ziek, wijs noch onwetend, hier noch daar. De plaats waar je geest tot rust komt is geen plaats, het is niet de geest die tot rust komt, het is niet de jouwe, er is geen geest en er is geen rust.

Verlichting is leeg, en nergens te verkrijgen.

Preek 39 – Kijken, niet aankomen

Meester Linji zei:

Zwabbergasten, de milt, de maag, de lever, de galblaas, het haar en de nagels, ja, het hele lichaam is al net zo vergankelijk als alle andere dingen opgebouwd uit de vier elementen. Ze zijn allemaal leeg.

Zo leeg als de dingen zijn, zo leeg is de Boeddha. Zo leeg is zijn leer. Zo leeg zijn jullie. Zo leeg ben ik zelf. Zo leeg zijn mijn woorden. Zo leeg is de leegte.

Zien, niet geloven. Meer heeft het ‘mysterieuze principe’ niet om het lijf. Nemen, niet noemen. Kijken, niet aankomen. Spoelen, niet doorslikken. Meegaan, niet voorgaan. Ondergaan, niet nagaan.

Mijn geest resoneert met de tienduizend dingen
en deze resonantie is mysterieus en onbegrijpelijk.
Dit onderkennend terwijl ik meedrijf met de stroom
zal ik ondergaan wat ik niet ken.

Preek 40 – Van dokters en patiënten

Meester Linji zei:

Omlopers, wanneer chanmeesters en chanleerlingen elkaar aan de tand voelen, gebeurt dat volgens bepaalde patronen. Ze spreken of zwijgen, ze brullen als leeuwen of trompetteren als olifanten. Wat is hier aan de hand?

Soms slaakt een leerling een kreet of verleidt de meester, die het niet zo door heeft, met een of ander object tot ingewikkelde daden of rituelen. De leerling slaakt nogmaals een kreet, maar de meester houdt voet bij stuk en verliest zich in voorschriften en verklaringen. Hij is ongeneeslijk ziek. Hier onderzoekt de patiënt de dokter.

Soms neemt de meester een afwachtende houding aan, tot een leerling een vraag stelt, waarna de meester hem ermee om de oren slaat. De leerling houdt voet bij stuk en kan niet loslaten. Hier onderzoekt de dokter de patiënt.

Soms valt er voor de meester niets meer te doen. Hij erkent het en laat het erbij. De leerling roept verheugd: ‘Wat een uitnemende leraar.’ De meester vraagt: ‘Wie kent het verschil tussen goed en slecht?’ waarop de leerling voor hem buigt. Hier onderzoekt de dokter de dokter.

Soms verschijnt een leerling voor een meester met zijn hoofd in een strop en zijn handen gebonden. De meester legt hem aan zijn eigen ketting en beiden vermeien zich in hun wijsheid. Hier onderzoekt de patiënt de patiënt.

Omloper, ik leg je deze gevallen voor opdat je de bluffers en de knoeiers zult herkennen en op het lege pad kunt blijven.

Preek 41 – Verlichting is een kwestie van doorzien

Meester Linji zei:

Leerlooiers, het is moeilijk om bij de les te blijven. De dharma is leeg en ondoorgrondelijk, maar niet ondoordringbaar. Ik doe iedere dag mijn best om jullie uit te leggen dat er niets valt uit te leggen.

Waarom kan geen oor het horen? Omdat je er tot over je oren in zit. Waarom kan geen oog het zien? Omdat je er geen oog voor hebt.

Verlichting is geen kwestie van zien. Het is ook geen kwestie van inzien. Verlichting is een kwestie van doorzien. Wie ook nog zijn verlichting doorziet, is er voorgoed op uitgekeken.

Hoe vaak ik het ook zeg, jullie blijven maar houvast zoeken in woorden en beelden. Tevergeefs. Op die manier zul je nog eerder de dood vinden dan de Boeddha.

Leerlooier, hoeveel doodlopende wegen wou je nog afstruinen? Hoeveel zolen ga je nog verslijten op deze heilloze trek?

Preek 42 – De weg is geen parkeerplaats

Meester Linji zei:

Als ik beweer dat er daarbuiten niets te vinden is, trekken jullie meteen de conclusie dat je het in jezelf moet zoeken. Dan ga je onmenselijk stil in een donkere grot zitten met je voeten op je dijen en het puntje van je tong tegen je verhemelte, en waant je algauw een boeddha.

Doodzitters, de weg is geen parkeerplaats. Wie onbeweeglijkheid aanziet voor verlichting, loopt aan de leiband van de dood.

Jezelf verliezen in een donkere grot,
wat een afschrikwekkend lot.

Wie het daarentegen in beweeglijkheid zoekt, is geen haar beter dan zijn haar dat met alle winden meewaait.

Rust duidt op het element aarde. Beweging duidt op het element lucht. Wat zowel stilstaat als beweegt kan geen eigen wezen hebben. Zoek je het in onbeweeglijkheid dan zal het van je wegdansen. Zoek je het in beweging dan dans je ervan weg.

Vis in het water,
wie beroert wie?

Doodzitters, stilte en beweging zijn maar namen. De mens zonder weg bedient zich vrijelijk van beide. Hij hangt zich nergens aan op.

Preek 43 – De mens van de buitencategorie

Meester Linji zei:

Wegwezers komen van heinde en verre naar mij toe. Ze zijn er in soorten en maten, maar qua aanleg vallen ze in drie categorieën.

De goede leerling ontneem ik zijn zekerheden maar niet zijn leer. De betere leerling ontneem ik zowel zijn zekerheden als zijn leer. De beste leerling ontneem ik noch zijn zekerheden noch zijn leer.

Uitzonderlijke leerlingen plaats ik niet in een categorie en benader ik niet op een vooropgezette wijze. Dat heeft geen zin. Ze zijn sneller dan de wind en lichter dan een veertje.

Een gewone leerling hoeft maar met zijn ogen te knipperen of hij is al gezien. Hij hoeft maar met zijn geestesoog te knipperen of hij ziet al dubbel. Er hoeft maar een gedachte langs te komen of hij fladdert er als een koolwitje achteraan.

De mens van de buitencategorie ziet het met zijn ogen dicht. Hij doorziet het duister en het licht.

Preek 44 – Niet in de soetra’s maar tussen de regels

Meester Linji zei:

Wegwuivers, jullie zeulen maar rond met je ransel, onvermoeibaar op zoek naar de Boeddha en de dharma.

Wie is het die je nooit zult vinden? Hij is wakker en dartel en heeft geen wortels. Hij laat zich niet vangen, hij laat zich niet wegjagen. Hij zal altijd achter je staan.

Zolang je je neus achterna rent, zul je hem over het hoofd zien. Zolang je hem probeert te aanschouwen, zul je spoken zien. Zolang je tegen hem aan blijft praten zul je hem overstemmen.

Pas als je je verlies neemt en je aandacht verlegt van het stellende naar het ontstellende komt hij tevoorschijn. Niet in de soetra’s, maar tussen de regels. Niet in de shastra’s, maar in de marges. Niet in de mantra’s, maar in de stiltes. Zijn zwijgen zal weergalmen in je oren. Je zult hem horen door niet-horen.

Wie dit niet gelooft, zal zijn hele leven achter de feiten aanlopen. En wie het wel gelooft? Ai.

Wegwuivers, de weg kent geen afstand of tijd. Sneller dan je een scheet kunt laten, dring je de Lotuswereld binnen, het Zuivere Land, het Land van Vairocana, het Land van de Verlossing, het Land van de Bovennatuurlijke Krachten, het Rijk van de Dharma.

In een oogwenk schiet je heen en weer tussen het zuivere en het onzuivere, het wereldse en het heilige, het rijk van de hongerige geesten en het rijk van de wilde beesten. Hoe dat kan?

Het zijn allemaal maar namen, wezens zonder wezen, plaatsen zonder coördinaten, voortbrengsels van de verbeelding – ridders zonder vlees of faam.

Spiegelbeelden, luchtkastelen, ga er niet in wonen.
Goed en kwaad, winst en verlies – boek ze af, voorgoed.

Preek 45 – Zal deze pijl ooit nog doel treffen?

Meester Linji zei:

Kettinggangers, mijn leer is tot mij gekomen in een ononderbroken lijn van meester op meester, van Mayu via Danxia, Daoyi, en Lushan op Shigong, en heeft zich door het hele keizerrijk verspreid. Toch stelt niemand zich ervoor open. Zal deze pijl ooit nog doel treffen?

Eerwaarde Daoyi’s onderricht was simpel en zuiver, maar niet één van zijn drie- tot vijfhonderd studenten kon erbij.

Eerwaarde Lushan was vrij en echt, maar of hij nou meegaf of tegensprak, zijn leer bleek ontoegankelijk en zijn leerlingen stonden perplex.

Eerwaarde Danxia goochelde met zijn parel, verborg hem en toverde hem weer tevoorschijn, maar zijn volgelingen hadden er lak aan.

Eerwaarde Shigong sondeerde zijn gezellen met een lijkenprikker, maar niemand ging over tot ontbinding.

En eerwaarde Mayu? Zijn leer was bitter als bier, en niemand leerde hem drinken.

Preek 46 – Blij zonder titel of pij

Meester Linji zei:

Jaknikkers, over mij valt weinig te vertellen. Geheimen heb ik niet. Ik leef gewoon mijn leven. Ik spreek en zwijg, ik ren en hijg net als ieder ander.

Alles ben ik kwijtgeraakt, toch zoek ik niets. Niet langer loop ik op de feiten vooruit of erachteraan. Zolang ik ze niet probeer te vatten, krijgen gedachten geen vat op mij en zijn ze zo voorbij.

Als ik onderweg mensen tegenkom, houd ik niets achter. Terecht zien ze mij over het hoofd. Maar zodra ik een pij aantrek ontwaren ze een meester en beginnen onbeschaamd te buigen en te zuigen, te babbelen en te grabbelen in mijn overlege ton.

Werp ik mijn gewaad weer af, dan raken ze over hun toeren. ‘Maar meester, u bent helemaal naakt.’ Zeg dat wel. Herken je me nu?

Preek 47 – De leer is geen verkleedpartij

Meester Linji zei:

Zaklopers, staar je niet blind op gewaden. Kleren maken geen man. De pij van zuiverheid niet, de pij van geboorteloosheid niet, de pij van verlichting niet, de pij van nirwana niet, de pij van de patriarch niet en de pij van de Boeddha niet. Het is allemaal camouflage. Uiterlijk vertoon van een innerlijk gewoon.

Gedachten zijn losse flodders, woorden zijn lege gewaden die wapperen in de wind. Hoe je de leer ook inkleedt, het blijft gebakken lucht.

Kleren schaken de man. Zolang je de verpakking aanziet voor de inhoud zul je ook na ontelbare eeuwigheden niet meer zijn dan een kleerhanger voor een grauwe pij.

Zelf sta ik liever in mijn hemd, wat jij. De leer is geen verkleedpartij. De ware mens draagt geen kledij.

Erken hem, maar verken hem niet.
Spreek van hem, maar nooit zijn naam.

Preek 48 – Je ware gezicht

Meester Linji zei:

Leerlingen van tegenwoordig lopen vast omdat ze heilig in namen geloven. Ze kalligraferen de woorden van een of andere opperdooie in een mooi cahier, winden er doekjes om en houden het voor iedereen verborgen. ‘Dit is het Mysterieuze Principe’, fluisteren ze, en bewaken het met hun leven. Aaseters! Welk merg denken jullie uit die afgekloven beenderen te kunnen zuigen?

Dan heb je van die hansworsten die ervan overtuigd zijn de geschriften te doorzien, ook al kunnen ze nog geen recept van een gerecht onderscheiden. Ze gissen erop los en schrijven sneller dan ze lezen ellenlange exegesen.

Zij zijn als boeren die jagen op mollen. Mollen die dromen van wormen. Wormen die leven van lijken. Zo’n loden letterknecht zou Maitreya nog niet herkennen als hij voor hem stond. Even doorvragen en hij staat met zijn mond vol tanden. Boer met kiespijn: ziedaar zijn ware gezicht.

Preek 49 – Geen leraar kan je erheen brengen

Meester Linji zei:

Jacobsgangers, wat zoeken jullie toch? Hoe lang blijven jullie deze ladder nog beklimmen? Wie heeft je wijsgemaakt dat het leven bestaat uit hoog en laag en dat het boven beter is dan beneden?

De leer is overal. Geen leraar kan je erheen brengen. De Boeddha is nergens. Er is zelfs geen graf om naartoe te gaan. De weg is een eindeloze vlakte van overal naar nergens. De enige trap die je er ooit nodig zult hebben is een trap tegen je kont.

Wie buiten zich een boeddha vindt
zal nimmer op hem lijken
maar wie zijn eigen weetnietgeest ontdekt
heeft niets meer te bereiken.

De ware boeddha heeft geen vorm. De ware weg heeft geen richting. De ware leer heeft geen inhoud. Ik zeg jullie, de ware boeddha is niet waar en geen boeddha. De ware weg is niet waar en geen weg. De ware leer is niet waar en geen leer.

Wie zoekt zal niet vinden maar wie niet meer zoekt is ervan verlost.

Preek 50 – Al je streven is zinloos

Meester Linji zei:

Wat is de ware boeddha, wat is de ware dharma, wat is de ware weg?

De ware boeddha is de zuivere geest. De ware dharma is de uitstraling van de zuivere geest. De ware weg is de beweging van de zuivere geest.

Deze drie verschillen niet, want het zijn lege namen zonder realiteit.

Sinds Bodhidharma uit het westen kwam, zocht hij onophoudelijk naar iemand die op eigen benen kon staan. Die zich niets meer wijs liet maken. Die zichzelf niets meer wijs probeerde te maken. Die anderen niets meer wijs wilde maken.

Uiteindelijk ontmoette Bodhidharma de tweede chanpatriarch, die aan één woord genoeg had om in te zien dat al zijn streven zinloos was.

Wie genoeg heeft aan één woord, zal meester van patriarchen zijn. Wie genoeg heeft aan twee woorden zal meester van leerlingen zijn. De rest kan niet eens zichzelf verlossen.

Preek 51 – Alle perfecties en oefeningen zijn leeg

Meester Linji zei:

Boeddhisten uit alle windstreken zijn het er tegenwoordig over eens dat de dharma in hoofdzaak bestaat uit de zes perfecties en de tienduizend oefeningen. Daarmee hopen ze hun ziel te zuiveren en hun karma wit te wassen.

Witwassers, perfecties en oefeningen zijn bijzaak. Rituelen om mensen aan te trekken. Sfeermakers om ze in de stemming te brengen. Bezigheden om ze erbij te houden. Met de leer als zodanig hebben ze niets van doen.

Degenen die zich onberispelijk aan de regels en de geloften houden zijn geen haar beter af dan degenen die ze aan hun laars lappen.

Degenen die solitair op een bergtop leven, bij dageraad hun enige maaltijd nuttigen, onophoudelijk mediteren en de Boeddha zesmaal per dag de hoogste eer bewijzen, komen geen stap dichter de leer.

Degenen die alles weggeven, hoofd en ogen, merg en hersenen, staten en steden, vrouwen en kinderen, olifanten, paarden en de zeven kostbaarheden, vergroten alleen maar het lijden van lichaam en geest.

Hoe dat kan? Alle perfecties en oefeningen zijn leeg. Er is niets dat beoefend kan worden, niets dat vervolmaakt moet worden, niets dat bereikt moet worden en niemand om dat te doen.

De ware wegpoetser treedt in niemands voetsporen en wist zijn eigen voetsporen uit. Zelfs een bodhisattva die alle tien stadia heeft doorlopen zal hem tevergeefs zoeken.

En alle goden vieren feest, de geesten van de aarde buigen diep, in alle tien richtingen is er geen boeddha die hem niet prijst.

Preek 52 – Nooit zag de Boeddha het licht

Meester Linji zei:

‘De Boeddha van het Doordringende Inzicht en de Opperste Wijsheid praktiseerde tien eeuwigheden zonder onderbreking. Nooit vond hij de boeddhaweg, nooit zag hij het licht.’ Wat betekent dat?

‘Doordringend inzicht’ betekent dat je op ieder moment doordringt in de vormeloosheid en de wezenloosheid van de tienduizend dharma’s.

‘Opperste Wijsheid’ betekent wijs zijn zonder wijsheid omdat de tienduizend dharma’s leeg zijn.

‘Boeddha’ staat voor het oog dat alles doorziet.

‘Tien eeuwigheden praktiseren’ verwijst naar het beoefenen van de tien perfecties.

Dat de Boeddha van het Doordringende Inzicht en de Opperste Wijsheid de boeddhaweg niet vond, komt doordat hij hem al ging.

Dat hij geen boeddha werd, komt doordat hij het al was.

Dat hij het al was betekent niets, want boeddha’s zijn al net zo leeg als de boeddhaweg. Boeddha zijn is het boeddhaschap doorzien.

Dat de Boeddha van het Doordringende Inzicht en de Opperste Wijsheid het licht niet zag, komt doordat de tienduizend dharma’s leeg zijn. Wat valt er te zien? De leer is een van die tienduizend dingen. Wat valt er in te zien? Zelfs het oog dat alles doorziet is leeg, evenals de leegte.

De Boeddha is de Boeddha niet.
Door niets wordt hij besmeurd.

Preek 53 – Laat de Boeddha geen fopspeen zijn

Meester Linji zei:

Wil je een boeddha worden, laat je dan niet meeslepen door de dingen.

Als de geest in beweging komt, ontstaan er tienduizend dharma’s.
Als de geest tot rust komt, vergaan er tienduizend dharma’s.
Als de geest zich er niet mee bemoeit, zijn de tienduizend dharma’s onbezoedeld.

Melkmuilen, noch in deze wereld, noch in de volgende is er ook maar één ding te vinden. Er is niets dat ontstaat en niets dat vergaat. Er is niemand die geboren wordt en niemand die sterft. Hoe dat kan?

Alle zaken zijn leeg. Ook de Boeddha en de dharma, de soetra’s en de shastra’s, de perfecties en je karma. Het zijn lege namen, boekjes voor het bloeden, pleisters op de zonden, toverwoorden om de wereld te bezweren, wiegeliedjes om kinderen te kalmeren. Bange kinderen met kaalgeschoren koppen en wapperende gewaden.

Melkmuilen, hoe lang willen jullie nog baby’s blijven? Wanneer durven jullie eindelijk eens op eigen benen te gaan staan? Laat de Boeddha geen fopspeen zijn.

Preek 54 – Vijf meesterlijke misdaden

Meester Linji zei:

Wegpiraten, verlossing kun je bereiken door vijf meesterlijke misdaden te plegen. Over welke misdaden heb ik het?

De vader doden. De moeder ontmaskeren. Het bloed van de boeddha vergieten. De vrede van de sangha verstoren. De heilige beelden en geschriften verbranden. Dat zijn de vijf meesterlijke misdaden.

De vader staat voor onwetendheid. Eens zul je ontdekken dat je de plaats waar je gedachten ontstaan en vergaan nergens kunt vinden, net zomin als de plaats van een echo in een galmkelder. Er valt niets te onderdrukken. Dit heet ‘het doden van de vader’.

De moeder staat voor begeerte. Eens zul je ontdekken dat de dingen waarnaar je verlangt leeg zijn, net de de begeerte zelf. Er valt niets te weerstaan. Dit heet ‘het ontmaskeren van de moeder’.

De boeddha staat voor de logica. Eens zul je ontdekken dat alle redeneringen gebaseerd zijn op lege woorden. Er valt niets te verhelderen. Dit heet ‘het bloed van de boeddha vergieten’.

De sangha staat voor groepsvorming. Eens zul je ontdekken dat de banden tussen mensen al even leeg zijn als zijzelf. Er valt niets te verbinden. Dit heet ‘de vrede van de sangha verstoren’.

De heilige beelden en geschriften staan voor de dharma’s. Eens zul je ontdekken dat alle zaken en oorzaken, alle woorden en geschriften leeg zijn. Er valt niets te eren of te leren. Dit heet ‘het doden van de heilige beelden en geschriften’.

Wegpiraten, verlossing kun je bereiken door deze vijf meesterlijke misdaden te plegen. Wie durft?

Preek 55 – Geloof niets van wat ik zeg

Meester Linji zei:

Slaven van de weg, heb je eenmaal alles doorzien, dan betekenen namen als ‘aards’ en ‘heilig’ niets meer.

Een gedachte in je geest
is slechts een lege hand
aanzien voor een volle –
een illusie van het oog.

Wie geen onderscheid maakt tussen aards en heilig, heeft geen burgers meer om op neer te zien en geen boeddha’s meer om tegenop te zien.

Waarom laten jullie je keer op keer verleiden door de wezenloze woorden van de wijzen van weleer? Hoe lang gaat dat nog door? Lichtgelovige, laat je niet boeien door die boeienkoningen. Laat je niet dooddoen door hun dooddoeners.

Zolang je je nog vastklampt aan illusie en werkelijkheid zul je een speelbal van je gedachten blijven. Zolang je nog steunt op yin en yang zul je achter de feiten aanhollen. Zolang je nog denkt in termen van hoog en laag zul je op en neer gaan als een klimtol.

Slaven van de weg, geloof niets van wat ik zeg. Waarom niet? Mijn woorden hebben geen inhoud. Mijn lering heeft geen grond. Mijn meesterschap is als een mistbank die oplost in het eerste licht.

Preek 56 – De Boeddha is een blok aan je been

Meester Linji zei:

Meesterproevers, de dharma is als een spreker zonder mond. Een letter zonder font. Een schijtgat in de grond.

Zowel het bodhisattvaschap als het arhatschap zijn kluisters die je boeien. De Boeddha is een blok aan je been. Vandaar dat Manjusri hem met zijn zwaard probeerde te doden en Agulimala hem wilde afslachten met zijn dolk.

Er is geen dharma om te doorgronden. Er is geen boeddhanatuur om te realiseren. De doctrines van de Drie Voertuigen, van de Vijf Naturen en van de Volledige en Onmiddellijke Verlichting zijn allemaal leeg. Ze dienen uitsluitend om je uit je grot te lokken.

Eenmaal buiten heb je er niets meer aan. Daar kun je gaan en staan waar je wilt.

Preek 57 – Maak er geen werk van

Meester Linji zei:

Hoogvliegers, velen van jullie zijn op zoek naar een transcendente waarheid en hopen haar te vinden door naar binnen te keren. Een groot misverstand. Anderen zijn eveneens op zoek naar een transcendente waarheid maar hopen haar buiten zichzelf te vinden – zo mogelijk een nog groter misverstand.

Mij maakt het niet uit of je de soetra’s en de shastra’s hebt bestudeerd. Mij kan het niet schelen of je een hoogleraar bent of een hogepriester. Mij interesseert het niet hoelang je stil kunt zitten en welke houding je daarbij aanneemt. Mij laat het koud of je de perfecties praktiseert en de geloften naleeft. Je doet maar wat je niet laten kunt – zolang je maar overal doorheen kijkt.

Al ken je alle heilige teksten achterstevoren uit je hoofd, al zit je stiller dan een bevroren boeddhabeeld, dan nog haal je het niet bij de eerste de beste zwerver die er geen werk meer van maakt.

Uitslover, eens zul je de prijs voor al je inspanning betalen. Denk maar aan de monnik Sunakatra. Hij begreep de twaalf afdelingen van het onderricht als geen ander, maar brandde levend in de hel omdat de onmetelijke aarde geen plaats meer voor hem had.

Vandaar dat ik zeg: laat maar zitten. Laat toch gaan. Neem het er eens van.

Krijg ik honger dan open ik mijn mond.
Krijg ik slaap dan sluit ik mijn ogen.
Dwazen lachen me uit
maar wijzen weten niet beter.

Hoogvliegers, zoek het niet in woorden. Daar word je alleen maar winderig van. Zoek het niet in daden. Daar word je alleen maar moe van. Haast je langzaam. Wie eenmaal de dharma doorziet, haalt de tienduizend bodhisattva’s opeengepakt in hun Drie Voertuigen links en rechts in.

Preek 58 – Maak dat je wegkomt

Meester Linji zei:

Wegwezers, verknoei je tijd goed. Indertijd, toen ik er nog niks van snapte, meende ik precies te weten wat mij ontbrak. Omdat ik het allemaal zo goed doorhad, rende ik rond met een lege buik en een volle kop op zoek naar de waarheid.

Terwijl ik mezelf jaar na jaar uitputte, raakte ik steeds verder van huis. Uiteindelijk wist iemand mij een halt toe te roepen en nu sta ik hier voor een stelletje lichtgelovigen mijn zelfgebakken lucht te verkopen. Stink er niet in, luidt mijn welgemeende advies, maak dat je wegkomt.

Kennelijk heb je het een en ander over de oude Linji gehoord en nu ben je hiernaartoe gekomen om me in verlegenheid te brengen met diepzinnige vragen die moeten bewijzen hoe ver je al bent. Maar als ik antwoord geef met mijn eigen geest in plaats van die van de Boeddha of met mijn lichaam in plaats van mijn geest, dan zit je me stom aan te staren, geschokt tot in je merg en niet tot enige reactie in staat.

Dat komt ervan als je een olifant uitnodigt in je porseleinkast.

Preek 59 – Grootspraak van kleinkunstenaars

Meester Linji zei:

Overal waar ik verschijn, staan monniken zich op de borst te slaan: ‘Zoek niet langer, ik ben een man van Chan. Ik weet de Weg, ik heb een Plan.’ Reppend en beppend maken ze de een wat wijs, de ander wat afhandig.

Woordenkramers, de weg bedient zich niet van argumenten, twistgesprekken en spitsvondigheden om mensen aalmoezen te ontfutselen of doctrines op te dringen. De weg bedient zich nergens van en verleidt nergens toe. Hij leidt nergens heen, maar overal vandaan. Weg van je doel en weg van chan.

De transmissie van de boeddha’s en de patriarchen is leeg. De twaalf afdelingen van het onderricht, de drie voertuigen, de vijf naturen, de leer van de volledige en plotselinge verlichting – het is alleen maar grootspraak van kleinkunstenaars. De uitdaging waar jullie voor staan is niet om het allemaal te begrijpen, maar om het allemaal te doorzien. Ook dit verhaal.

Overal cremeert men de doden, maar jullie hoofd zit vol lijken. Daardoor kun je geen kant meer op. Aaseters, laat de maden hun edele werk doen en voor je het weet heb je een zee van ruimte.

Haal je niets in je hoofd, en je zult nooit meer vastzitten. Meer valt er niet te doen. Gebruik je geest zoals hij bedoeld is en alles gaat vanzelf.

Preek 60 – Je moet het zelf doorzien

Meester Linji zei:

Afvallers, willen jullie de leer doorgronden? Laat je dan niets wijsmaken. Opengeslagen past er geen letter in, dichtgeslagen omvat hij het hele universum. Een oude wijze zei het al: ‘Benoemen is de boot missen’. Zo miste hij de boot.

Op mij kun je rekenen, ik neem niemand bij de neus. Maar wie ergens aan vasthoudt, neemt zichzelf bij de neus. Wie zich bij wijze van houvast nergens aan vasthoudt, neemt zichzelf nog steeds bij de neus.

Dit is geen raadsel om diep over na te denken. De leer is geen kwestie van begrijpen of niet begrijpen. Verlies je niet in speculatie. Neem geen houding aan.

Weten is een wassen neus en niet-weten een ongewassen neus. Gewoon je neus achterna lopen, is dat nou zo moeilijk? Ja, ik zeg maar gewoon waar het op staat. Zie maar wat je ermee doet.

Afvaller, je moet het zelf zien – maar wat? Je moet het zelf doorzien. Het wat? Ik kan praten tot je een ons weegt, maar dat is nog altijd een ons teveel. Minder kan ik niet voor je doen.

Nou jij weer.

II. KOANS

‘Laat je niet gek maken door die oude gekken!’ zei de oude gek. Door wie laat jij je allemaal gekmaken?

Koan 1 – Welke Boeddha?

Gouverneur Wang en zijn staf nodigden Meester Linji uit om plaats te nemen op het podium. Nadat hij was gaan zitten, sprak de meester:

‘Ik kan uw verzoek om het podium te bestijgen niet weigeren. Was ik een patriarch, dan zou ik als hoogste uitdrukking van de Grote Zaak het zwijgen bewaren. Helaas geeft dat ook alleen maar misverstanden. En hoe zou ik, na door de gouverneur zelf te zijn uitgenodigd, iets achter kunnen houden? Is er hier misschien een dappere broeder die zich met mij wil meten? Laat hem dan nu naar voren treden.’

Een monnik stond op en vroeg: ‘Wat is de kern van het boeddhisme?’ Meester Linji slaakte een kreet. De monnik maakte een buiging.

Een andere monnik vroeg: ‘Hoe klinkt uw lied en van wie hebt u dat?’ ‘Ik stelde Meester Huangbo drie keer een vraag en kreeg drie keer slaag’, antwoordde Linji. De monnik wist niets uit te brengen. De meester slaakte een kreet, gaf de monnik een draai om zijn oren en zei: ‘Wou jij een wolk aan de hemel vastspijkeren?’

Een schriftgeleerde zei: ‘De Drie Voertuigen en de Twaalf Afdelingen van het Onderricht spreken boekdelen.’ ‘U moet uw tuintje nog wieden’, antwoordde Linji. ‘De Boeddha loog er anders niet om’, zei de schriftgeleerde. ‘Welke Boeddha?’ vroeg Linji. De schriftgeleerde stond perplex. ‘Wou u mij ten overstaan van de gouverneur te kakken zetten?’ vroeg de meester. ‘Vort, wegwezen.’

Linji zei: ‘Verder nog iemand? Nee? Uitstekend. Boeddha zei het al: “De leer kent geen woorden, geen oorzaken en geen voorwaarden.” Spreken is verspreken. Straks gaan de gouverneur en zijn gevolg ons nog geloven ook, dan zijn we nog verder van huis.’ Hij slaakte een kreet en riep: ‘Voor lichtgelovigen zal de laatste dag nooit komen!’

Koan 2 – Welk oog is het ware?

Een monnik vroeg: ‘De godin van het mededogen heeft duizend handen en duizend ogen. Welk oog is het ware?’ Meester Linji zei: ‘De godin van het mededogen heeft duizend handen en duizend ogen. Welk oog is het ware?’

De monnik sleurde hem van zijn kussen en ging er zelf op zitten. Linji ging vlak voor hem staan en vroeg: ‘Wat ziet het ware oog nu?’ De monnik wist niets uit te brengen. De meester sleurde hem op zijn beurt van het kussen en nam zijn plaats weer in.

Koan 3 – Waar is de mens die zich nooit laat kennen?

Een monnik vroeg: ‘Waar is de mens die zich nooit laat kennen?’ Linji greep de monnik in zijn kraag en riep: ‘Hebbes!’ De monnik keek hem beteuterd aan. De meester gaf hem een zet en zei: ‘Wat een nitwit is de mens die zich nooit laat kennen’.

Koan 4 – Wat heb je ontdekt?

Een monnik maakte een buiging voor Linji. De meester slaakte een kreet. ‘Van mij komt u toch niets te weten!’ riep de monnik. ‘Wat heb je dan ontdekt?’ vroeg de meester. De monnik slaakte een kreet.

Koan 5 – Wat is de kern van de leer?

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ Linji hield zijn vliegenkwast omhoog. De monnik slaakte een kreet. De meester gaf hem een oplawaai.

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ Linji stak zijn vliegenkwast in de lucht. De monnik slaakte een kreet. De meester slaakte een kreet. De monnik wist het niet meer. De meester gaf hem een oplawaai.

Koan 6 – Wie neemt de handschoen op?

Linji zei tegen zijn leerlingen: ‘Sommigen van jullie deinzen er niet voor terug hun lichaam of zelfs hun leven op het spel te zetten omwille van de leer. Twintig jaar geleden vroeg ik Meester Huangbo driemaal naar de kern van het boeddhisme en driemaal kreeg ik slaag. Maar zijn klappen waren balsem voor de ziel. Wat zou ik er graag weer eens van langs krijgen. Wie neemt de handschoen op?’ ‘Ik!’ riep een monnik. Linji reikte hem zijn stok. Vlak voor de monnik de stok vastgreep, sloeg de meester toe.

Koan 7 – Waar vind ik het zwaard?

Een monnik vroeg: ‘Waar vind ik het zwaard dat alle gedachten bij de wortel afsnijdt?’ Linji pakte zijn stok en riep: ‘Pas op, daar komt het!’ De monnik stond als aan de grond genageld. De meester sloeg toe.

Koan 8 – Hoe vond je mijn schreeuw?

Linji werd benaderd door een monnik en slaakte een kreet. De monnik maakte een buiging. ‘Hoe vond je mijn schreeuw?’ vroeg de meester. ‘Nogal schreeuwerig’, antwoordde de monnik. ‘Is dat alles?’ vroeg de meester. ‘Verzin eens wat nieuws’, zei de monnik. Linji slaakte een kreet.

Koan 9 – Wie was de gastheer, wie de gast?

Toen de hoofdmonniken van de oostelijke en de westelijke hal elkaar tegenkwamen, slaakten ze tegelijkertijd een kreet. Later die dag vroeg een monnik aan Linji: ‘Wie was hier de gastheer, wie de gast?’ ‘Die gastvrij is’, zei de meester.

Koan 10 – Wie komt het verst?

Meester Linji zei: ‘De een is onderweg zonder zijn huis te verlaten, de ander verlaat zijn huis zonder onderweg te zijn. Wie komt het verst?’

Koan 11 – Wie is het eerste thuis?

Meester Linji zei: ‘De een staat op een drukke marktplaats zonder uitweg, de ander op een hoge bergtop zonder terugweg. Wie is het eerste thuis?’

Koan 12 – Wie trekt hier aan de touwtjes?

Een monnik vroeg: ‘Wat is de eerste aanwijzing?’ Linji zei: ‘Waar niet gespeculeerd wordt, zijn pop en kast duidelijk onderscheiden. Wat moet je dan nog achter de schermen?’

‘Wat is de tweede aanwijzing?’ ‘Ook wie aldoor vragen stelt, zal bedrogen uitkomen. Heeft het poppenspel zich er ooit door laten onderbreken?’

‘Wat is de derde aanwijzing?’ ‘Als de poppen sjansen, heb je de poppenspeler aan het dansen. Wie trekt hier aan de touwtjes?’

De meester vervolgde: ‘Voor jullie lijkt dit misschien een spel, maar wat zijn dan de regels?’

Koan 13 – Subject of object?

Linji zei tegen zijn leerlingen: ‘Soms valt het subject weg, soms het object, soms beide, soms geen van beide.’

Een monnik vroeg: ‘Wat als het subject wegvalt?’ De meester zei: ‘De lentezon breekt door en niemand werpt een schaduw.’

‘Wat als het object wegvalt?’ ‘De koning heerst en niemand kent zijn grenzen.’

‘Wat als beide wegvallen?’ ‘Niemand thuis in Nergenshuis en ergens ben je niet.’

‘Wat als geen van beide wegvalt?’ ‘De koning is zijn rijk te rijk en ieder zingt zijn lied.’

Koan 14 – Wat is de dharma ontvangen?

Een monnik vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’ ‘Als hij ergens op uit was geweest, had hij niet eens zichzelf kunnen verlossen’, antwoordde Linji.

De monnik zei: ‘Als hij nergens op uit was, hoe kan het dan dat de tweede patriarch de dharma ontving?’ De meester zei: ‘Ontvangen is afstaan.’

De monnik vroeg: ‘Wat is de dharma afstaan?’ Linji zei: ‘Het is omdat jullie voortdurend je neus achterna lopen dat een patriarch uitriep: “Wat een kneuzen, met je hoofd op je schouders naar je hoofd zoeken!” Zie in dat jouw geest in geen enkel opzicht verschilt van die van de patriarchen. Dan ben je in één keer klaar en heb je niets meer te doen. Dat is de dharma ontvangen.’

Koan 15 – Hoeveel rijst eten ze per dag?

Meester Huangbo ging naar de keuken en zei tegen de rijstkok: ‘Wat ben jij aan het doen?’ ‘Rijst pakken voor de monniken’, zei de kok. Huangbo vroeg: ‘Hoeveel rijst eten ze per dag?’ ‘Twee zakken’, zei de kok. ‘Is dat niet wat veel?’ vroeg de meester. ‘Eerder te weinig’, zei de kok. Huangbo gaf hem een klap.

De kok beklaagde zich bij Linji, die zich in de handen wreef en zei: ‘Wacht maar, ik krijg hem nog wel.’

Toen Linji aan de beurt was om Huangbo te bedienen, vertelde deze hem zelf het verhaal. Linji vroeg: ‘Wat had de kok dan moeten zeggen? Als u nou even voor kok speelt, dan begin ik: “Is dat niet wat veel?”’ De meester antwoordde: ‘Wat dacht je van “Morgen is er weer een dag”?’ ‘Waarom tot morgen wachten’, riep Linji, ‘hier hebt u uw portie vast!’ en gaf Huangbo een flinke draai om zijn oren. ‘Die dwaas moet weer zo nodig zijn hoofd in het hol van de leeuw steken!’ riep de meester geschrokken. Linji slaakte een kreet en ging ervandoor.

‘Waar ging dat over?’ vroeg Guishan. ‘Wat denkt u zelf, eerwaarde?’ zei Yangshan. ‘De meester streek weer eens met zijn hand over zijn hart.’ ‘Geen sprake van’, zei Yangshan. ‘Wat zou jij zeggen?’ vroeg Guishan. ‘De meester hield zijn hart weer eens vast.’

Koan 16 – Waar kom jij vandaan?

Linji zag een monnik aankomen en stak zijn vliegenkwast in de lucht. De monnik maakte een buiging. De meester gaf hem een klap.

Linji zag een monnik aankomen en hield zijn vliegenkwast omhoog. De monnik negeerde hem. De meester gaf hem een klap.

Linji zag een monnik aankomen en zei: ‘Waar kom jij vandaan?’ De monnik slaakte een kreet. De meester gebaarde hem te gaan zitten. De monnik keek hem verrast aan. De meester gaf hem een klap.

Koan 17 – Bovennatuurlijk of oorspronkelijk?

Op een dag genoten Meester Linji en Puhua een feestmaal van een begunstiger. Linji zei: ‘Een druppel water bevat de hele oceaan, en een naald de hele hooiberg. Verwijst dit naar het bovennatuurlijke of naar het oorspronkelijke?’ Puhua trapte de eettafel omver. ‘Wat grof!’ riep de meester. Puhua riep: ‘Grof en fijn, waar denkt u wel dat we zijn!’ ‘Puritein!’ riep de meester.

De volgende dag genoten Linji en Puhua opnieuw een feestmaal van een begunstiger. De meester zei: ‘Hoe verhoudt de dis van vandaag zich tot die van gister?’ Weer trapte Puhua de eettafel omver. ‘Wat grof!’ riep Linji opnieuw. ‘Apotheker!’ riep Puhua, ‘de leer is grof noch fijn!’ ‘Sacherijn!’ riep de meester.

Koan 18 – Dwaas of wijs?

Meester Linji zat samen met twee oude priesters, Heyang en Muta, rond het vuur in de meditatiehal. Linji zei: ‘Iedere dag hangt Puhua op straat de dorpsgek uit. Is hij nou een dwaas of een wijze?’

Voordat iemand antwoord kon geven, kwam Puhua binnen. ‘Zeg eens, ben jij een dwaas of een wijze?’ vroeg de meester hem. ‘Zeg eens, ben jij een dwaas of een wijze’, bauwde Puhua hem na. Linji slaakte een kreet.

Terwijl hij van de een naar de ander wees, zei Puhua: ‘Heyang komt net kijken, Muta heeft het gehad en Linji stelt ook niets voor, al heeft hij het oog.’ De meester riep: ‘Oud wijf!’ ‘Stokstijf!’ gilde Puhua, en lichtte zijn hielen.

Koan 19 – Wie is de ezel?

Broeder Puhua stond stiekem rauwe groenten naar binnen te proppen. Linji betrapte hem erop en zei: ‘Net een ezel.’ ‘Ia, ia!’ balkte Puhua. De meester zei: ‘Ach, wat lief.’ ‘Houd de dief!’ riep Puhua en ging ervandoor.

Koan 20 – Wat als het niet komt?

Puhua liep dikwijls de markten af, rinkelend met zijn belletje en luidkeels roepend:

‘Komt het als licht dan sluit ik mijn ogen.
Komt het als duisternis dan wend ik me af.
Komt het van overal dan ben ik nergens.
Komt het als leegte dan doet het me niets.’

Linji gaf zijn bediende opdracht Puhua in zijn kraag te vatten en hem te vragen: ‘Wat als het niet komt?’

De bediende had de vraag nog niet gesteld of Puhua duwde hem van zich af en zei: ‘Dan is het feest in de Tempel van het Grote Mededogen.’

Toen de bediende zijn verhaal had gedaan, vroeg de meester: ‘Wat als het toch komt?’

Koan 21 – Hoor ik nu te buigen?

Een oude hoogwaardigheidsbekleder had een onderhoud met Meester Linji. Bij het overhandigen van zijn gift vroeg hij: ‘Hoor ik nu te buigen of niet?’ De meester slaakte een kreet. De oude man maakte een buiging. Linji riep: ‘Hielenlikker!’ ‘Waterkikker, mattenstikker!’ gilde de oude man terug en vertrok. ‘Denk maar niet dat u daarmee wegkomt!’ riep Linji hem na.

Later vroeg Linji aan de hoofdmonnik: ‘Wat maakt u ervan?’ ‘Zeg dat wel’, zei de hoofdmonnik. De meester zei: ‘Wie ging hier over de schreef, de gastheer of de gast?’ ‘Servies hoort in de kast’, zei de hoofdmonnik. ‘Nou?’ drong Linji aan. De hoofdmonnik liep weg zonder iets te zeggen. ‘Denk maar niet dat u daarmee wegkomt!’ riep de meester hem na.

Toen Meester Nanquan ervan hoorde, zei hij alleen maar: ‘Raspaarden moeten trappen.’

Koan 22 – Werelds of heilig?

Linji ging een legerkamp binnen om een feest bij te wonen. Bij de poort stond een stafofficier. De meester wees naar een van de pilaren en zei: ‘Is deze werelds of heilig?’ De officier wist niets uit te brengen. Linji legde zijn hand erop en zei: ‘Wat je ook ten antwoord geeft, het blijft een houten paal.’

Koan 23 – Heb je alles verkocht?

Linji zei tegen de tempelbeheerder: ‘Waar ben je geweest?’ ‘Gierst verkopen in de stad.’ ‘Heb je alles verkocht?’ vroeg de meester. ‘Tot de laatste korrel.’ Linji trok met zijn stok een streep op de grond en zei: ‘En deze dan?’ De tempelbeheerder slaakte een kreet. De meester gaf hem een oplawaai.

De chef-kok die net was binnengekomen zei: ‘Hij snapt het niet.’ ‘Jij wel soms?’ vroeg Linji. De chef-kok maakte een buiging. De meester gaf hem een mep.

Koan 24 – Maakt het wat uit?

Toen een schriftgeleerde zich voor een onderhoud bij hem vervoegde, vroeg Linji: ‘In welke soetra’s of commentaren bent u gespecialiseerd?’ ‘Voor zover mijn gebrekkige talent mij toestaat heb ik een oppervlakkige studie gemaakt van de Baifa lun‘, antwoordde de schriftgeleerde.

Linji vroeg: ‘Stel dat iemand volledig inzicht had gekregen in de Twaalf Afdelingen van de Drie Voertuigen, en iemand anders niet. Zou dat wat uitmaken?’ ‘Voor degene met volledig inzicht zou het hetzelfde zijn, voor degene zonder inzicht anders’, antwoordde de schriftgeleerde.

Broeder Lepu, op dat moment de bediende van Linji, riep: ‘Hetzelfde, anders, waar denkt u wel dat u bent!’ De meester wendde zich tot Lepu en zei: ‘Wat maakt het uit?’ Lepu slaakte een kreet.

Nadat hij de schriftgeleerde had uitgezwaaid, vroeg Linji: ‘Was die schreeuw voor mij bedoeld?’ ‘Wat maakt het uit?’ zei Lepu brutaal. De meester gaf hem een klap.

Koan 25 – Waarom dertig stokslagen?

Meester Deshan de Tweede zei dikwijls: ‘Dertig stokslagen als je spreekt, dertig als je zwijgt.’ Toen dit Linji ter ore kwam, gaf hij broeder Lepu opdracht Deshan een bezoekje te brengen. ‘Vraag hem: “Waarom dertig stokslagen voor iemand die kan spreken?” Wacht tot hij naar zijn stok grijpt, pak hem af en geef hem ervan langs. Eens kijken hoe hij reageert.’

Lepu maakte zijn opwachting bij Deshan en deed wat hem was opgedragen. Deshan greep naar zijn stok, Lepu pakte hem af, de meester reageerde niet en Lepu haalde uit.

Teruggekomen vertelde Lepu hoe het was afgelopen. ‘Als ik het niet dacht!’ zei Linji vergenoegd. ‘Wat?’ vroeg Lepu. De meester greep naar zijn stok, Lepu reageerde niet en de meester haalde uit.

Koan 26 – Lezen de monniken soetra’s?

Linji kreeg bezoek van gouverneur Wang. De hoogwaardigheidsbekleder vroeg: ‘Lezen de monniken in dit klooster soetra’s?’ ‘Welnee’, zei de meester. ‘Leren ze mediteren?’ vroeg de gouverneur. ‘Welnee.’ ‘Wat doen ze dan wel?’ vroeg Wang. ‘Boeddha’s en patriarchen worden’, antwoordde Linji. ‘Goudstof is mooi, maar in je ogen geeft het staar’, bevestigde de gouverneur. ‘En ik maar denken dat u gek was’, zei de meester.

Koan 27 – Wat is een witte stier op een kale vlakte?

Kalfsleer voor koeienkoppen

Linji vroeg: ‘Wat is een witte stier op een kale vlakte? ‘Boe!’ deed Xingshan. ‘Hoe eloquent’, zei de meester. ‘Boe!’ herhaalde Xingshan. ‘Wat een rund’, zei Linji.

Koan 28 – Schreeuwen of slaan?

Linji zei: ‘Sommigen schreeuwen het uit, anderen slaan erop los. Wat komt dichterbij?’ ‘Geen van beide’, antwoordde broeder Lepu. ‘Wat wel?’ vroeg de meester. Lepu schreeuwde het uit. Linji sloeg erop los.

Koan 29 – Gesnopen?

Linji zag een monnik aankomen en ging in de weg staan met zijn armen wijd. De monnik keek hem stom aan. ‘Gesnopen?’ vroeg de meester. ‘Ik ben bang van niet’, zei de monnik. ‘Zoek dan maar weer verder’, zei Linji, en stapte opzij.

Koan 30 – Hoe groet je een meester?

Toen Dajue tijdens zijn bedevaart Linji aandeed, stak deze zijn vliegenkwast in de lucht, waarna Dajue zijn meditatiekleedje spreidde. Linji legde zijn kwast neer, Dajue vouwde zijn kleedje op en meldde zich in de meditatiezaal. ‘Zeker familie van de meester,’ mopperden de monniken, ‘Dajue maakte geen buiging of niks, en kwam er gewoon mee weg.’

Linji liet Dajue halen. ‘De anderen klagen dat je mij niet correct begroet hebt’, zei hij. ‘Hoi’, zei Dajue, en keerde terug naar de meditatiezaal.

Koan 31 – Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?

Toen Zhaozhou tijdens zijn pelgrimage Linji aandeed, zat de meester net zijn voeten te wassen. Zhaozhou vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’ ‘Ik zit net mijn voeten te wassen’, zei Linji. Zhaozhou kwam een stapje dichterbij en hield zijn hoofd scheef. De meester zei: ‘Ik sta op het punt mijn tweede teiltje leeg te gieten.’

Koan 32 – Waarom buigt u nu niet?

Toen broeder Ding tijdens zijn bedevaart Linji bezocht, vroeg hij: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ De meester stond op, greep Ding in zijn kraag, gaf hem een draai om zijn oren en duwde hem ruw van zich af.

De broeder bleef stokstijf stilstaan. Een monnik die het zag gebeuren, riep: ‘Broeder Ding, waarom buigt u nu niet?’ Midden in zijn buiging viel bij Ding het kwartje.

Koan 33 – Wat is het ware gezicht van Guanyin?

Tijdens zijn bedevaart ging Mayu langs bij Linji. Hij legde zijn meditatiematje neer en vroeg: ‘Welke van de twaalf gezichten van Guanyin is het ware?’ De meester stond op, greep met zijn ene hand Mayu, met de andere diens matje en riep: ‘Welke Guanyin!’

Mayu rukte zich los en probeerde op de plek van de meester te gaan zitten. Linji pakte zijn stok om hem te slaan, maar Mayu greep het andere uiteinde. Zo gingen ze al duwend en trekkend het privévertrek van de meester binnen.

Koan 34 – Wat is een schreeuw?

Op een dag zei Linji tegen een monnik: ‘Soms is een schreeuw als een zwaard dat alles afhakt, soms als een leeuw op de loer, soms als een hengel in het water en soms als een loze kreet.’ De monnik keek hem perplex aan. De meester slaakte een kreet.

Koan 35 – Welkom of nietkom?

Linji zei tegen een non: ‘Welkom of nietkom?’ De non slaakte een kreet. ‘Geef antwoord!’ riep de meester en pakte zijn stok. Opnieuw slaakte de non een kreet. De meester sloeg toe.

Koan 36 – Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?

Longya ging naar Linji en vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen? De meester zei: ‘Geef die ruggensteun eens aan.’ Longya gaf hem de steun en Linji haalde uit. Longya zei: ‘Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?’

Later ging Longya naar Cuiwei en vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’ De meester zei: ‘Geef dat biezenmatje eens aan.’ Longya gaf hem het matje en Cuwei haalde uit. Longya zei: ‘Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?’

Nadat Longya zelf meester van een tempel was geworden, vroeg een monnik: ‘Klopt het dat u tijdens uw pelgrimage een onderhoud hebt gehad met twee eminente priesters?’ Longya zei: ‘Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?’

Koan 37 – Wat hebt u misdaan, eerwaarde?

In het klooster op Mount Jing zaten vijfhonderd monniken, maar bijna niemand vroeg meer een gesprek aan. Meester Huangbo gaf Linji opdracht poolshoogte te gaan nemen en vroeg: ‘Wat ben je van plan bij aankomst?’ ‘Dat zien we dan wel weer.’

Nadat hij was gearriveerd, ging Linji met zijn reiskleren nog aan naar de dharmahal voor een onderhoud met de abt. Toen deze eindelijk opkeek, slaakte Linji een kreet, stak zijn neus in de lucht en vertrok.

Later die dag vroeg een monnik aan de abt: ‘Wat hebt u misdaan dat hij zo tegen u schreeuwde, eerwaarde?’ De abt haalde zijn schouders op en zei: ‘Hij komt van Huangbo, ga het daar maar vragen.’

Niet veel later waren de meeste monniken van Mount Jing vertrokken.

Koan 38 – Wie heeft er een pij uit één stuk?

Dag na dag zwierf broeder Puhua met een belletje over straat en vroeg iedereen om een pij uit één stuk. Hij kreeg er veel aangeboden, maar weigerde ze allemaal. Meester Linji liet de tempelbeheerder een doodskist kopen en zei tegen Puhua: ‘Kijk eens, ik heb een pij uit één stuk voor je laten maken!’

Puhua nam de doodskist op zijn schouders, sjokte ermee door de straten en riep steeds: ‘Linji heeft een pij uit één stuk voor me laten maken. Ik ga nu naar de Oostpoort om een einde aan mijn leven te maken.’ Zijn stadsgenoten liepen massaal uit, dat wilden ze weleens zien. Toen het erop aankwam krabbelde Puhua terug. Hij zei: ‘Morgen ga ik naar de Zuidpoort om een einde aan mijn leven te maken.’

Nadat hij er drie keer van had afgezien, geloofde niemand hem meer. Op de vierde dag verliet Puhua in zijn eentje stilletjes het stadje. Eenmaal buiten de stadsmuren vroeg hij een voorbijganger om zijn doodskist voor hem dicht te spijkeren. Al gauw deed het nieuws de ronde en het hele stadje liep uit.

Toen de nieuwsgierigen de kist openbraken, zagen ze tot hun verbazing dat hij leeg was. Maar hoog in de lucht hoorden ze het ijle geluid van een belletje dat langzaam wegstierf. Tingelingeling… tingeling… ting…

Koan 39 – Hoe lang gaat dit nog door?

Toen Linji bij Meester Huangbo studeerde, viel hij op door zijn eenvoud en directheid. Op een dag ging de hoofdmonnik naar hem toe en vroeg: ‘Hoe lang ben je hier nou al?’ ‘Drie jaar’, zei Linji. ‘Heb je ooit om een onderhoud gevraagd?’ ‘Nooit. Ik zou niet weten wat ik moest vragen.’ ‘Ga maar vragen wat de kern van de boeddhistische leer is.’

Linji ging naar Huangbo, maar voor hij was uitgesproken kreeg hij ervan langs. ‘En?’ vroeg de hoofdmonnik na afloop. ‘Ik snap er niks van, de meester begon meteen te slaan.’ ‘Ga het hem nog maar eens vragen.’

Drie keer stelde Linji zijn vraag en drie keer kreeg hij slaag. Tegen de hoofdmonnik zei hij: ‘Hartelijk dank voor uw goede raad. Helaas was het diepzinnige onderricht van de meester niet aan mij besteed. Ik denk dat ik maar weer verder trek.’ ‘Je moet nog wel even afscheid nemen van Meester Huangbo’, zei de hoofdmonnik. Linji maakte een buiging en ging zijn spullen pakken.

Op een holletje ging de hoofdmonnik naar Huangbo en zei: ‘De jongeman die u driemaal naar de kern van de boeddhistische leer heeft gevraagd, is op de goede weg. In de toekomst zal hij een reusachtige boom worden waaronder veel reizigers rust zullen vinden. Ontmoedig hem niet.’

Toen Linji afscheid kwam nemen, zei Huangbo vriendelijk: ‘Ga maar naar Dayu in Gaoan. Hij kan je wel verder helpen.’

Linji ging naar Dayu en verzocht om een onderhoud. De meester vroeg: ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Van Huangbo’, zei Linji. ‘Heb je nog wat van hem opgestoken?’ ‘Drie keer vroeg ik hem naar de kern van de leer en drie keer kreeg ik slaag. Misschien lag het aan mij’, antwoordde Linji. ‘Wat is het toch een goedzak dat hij zich zo om je bekommert’, zei Dayu. ‘En dan moet je mij nog komen vragen of het aan jou lag?’

Eindelijk ging Linji een lichtje op. ‘Goh, de leer van Huangbo stelt ook niets voor!’ riep hij uit. De meester greep hem in zijn kraag en zei: ‘Sufferd! Eerst vraag je of het aan jou ligt en nou roep je weer dat de leer van Huangbo niets voorstelt. Zeg op, wat is volgens jou de kern van de boeddhistische leer?’ Linji porde hem drie keer in zijn ribben. Kreunend duwde Dayu hem van zich af en zei: ‘De appel valt niet ver van de boom. Vort, maak dat je wegkomt.’

Linji keerde terug naar Huangbo en maakte zijn opwachting. De meester zei: ‘Nee maar, daar heb je hem weer! Wat een omloper. Hoe lang gaat dit nog door?’ ‘Wat bent u toch een goedzak!’ riep Linji uit. ‘Vertel eens, hoe ging het bij Dayu?’ vroeg de meester, waarop Linji verslag uitbracht.

Huangbo zei handenwrijvend: ‘Ach, wat zou ik die gast graag eens een goed pak slaag geven!’ ‘Waarom wachten?’ riep Linji, ‘Hier, pak aan!’ en gaf de meester een klinkende draai om zijn oren. ‘Halve gare!’ schreeuwde Huangbo, ‘zomaar je hoofd in het hol van de leeuw steken!’ Linji slaakte een kreet. ‘Bediende!’ riep de meester, ‘Verlos mij van deze dwaas en begeleidt hem naar de meditatiezaal.’

Guishan vroeg: ‘Wie gaf nou de doorslag, Huangbo of Dayu?’ ‘De een gaf hem op zijn kop en de ander trok hem aan zijn staart’, antwoordde Yangshan.

Koan 40 – Waarom al die moeite?

Linji stond pijnboompjes te planten. Meester Huangbo zei: ‘Waarom al die moeite? Ze groeien hier vanzelf.’ Linji antwoordde: ‘Welke moeite? Ze groeien hier vanzelf.’

Even later verklaarde hij: ‘Ik wil een mooie achtergrond scheppen voor de hoofdpoort en een baken oprichten voor latere generaties.’ Hij sloeg driemaal met zijn houweel op de grond.

‘Heb ik je daarvoor dertig stokslagen gegeven?’ zei de meester hoofdschuddend. ‘Had u maar een houweel moeten gebruiken’, zei Linji, en sloeg weer driemaal op de grond. ‘Door jouw toedoen zal mijn leer de wereld veroveren!’, riep Huangbo opgetogen.

Koan 41 – Wie is de wakkerste?

Op een dag toen Linji als zijn bediende optrad, mompelde Deshan: ‘Ik ben zo moe.’ ‘Zelfs als hij slaapt houdt hij zijn mond niet’, zei Linji. De meester sloeg naar hem. Linji gooide hem met stoel en al omver. Deshan zei niets meer.

Koan 42 – Is die vent nou al moe?

De monniken waren aan het werk in de tuin. Toen hij zag dat Huangbo eraan kwam, hield Linji op en leunde op zijn schoffel. ‘Is die vent nou al moe?’ vroeg de meester. ‘Deze vulkaan is uitgewerkt’, zei Linji. De meester trapte tegen zijn schoffel. Linji pakte zijn stok af en sloeg hem tegen de grond.

Huangbo zei tegen de dienstdoende monnik: ‘Help me eens overeind.’ De monnik deed wat hem was opgedragen, maar siste: ‘Eerwaarde, dat pikt u toch niet!’ De meester gaf hem een oplawaai.

Terwijl hij weer begon te schoffelen, zei Linji: ‘Overal cremeren ze de doden, maar ik begraaf ze levend!’

Guishan zei: ‘Waarom sloeg Huangbo de dienstdoende monnik?’ Yangshan zei: ‘Omdat hij nog niet was uitgewerkt.’

Koan 43 – Wie speelt hier toneel?

Linji zat maar wat te zitten voor de meditatiezaal. Toen hij zag dat Huangbo eraan kwam, deed hij gauw zijn ogen dicht. De meester sjokte schijnbaar teleurgesteld naar zijn vertrekken. Linji holde hem achterna en maakte een buiging.

Later zei Huangbo tegen de hoofdmonnik: ‘Die maak je ook niks meer wijs.’ De hoofdmonnik merkte op: ‘Eerwaarde, niemand weet waar de klepel hangt, maar u luidt wel de klok voor deze jongeling.’ De meester sloeg zichzelf op de mond. ‘Als u dat maar weet’, zei de hoofdmonnik.

Koan 44 – Wat u zich allemaal in het hoofd haalt?

Linji lag te slapen in de meditatiehal. Huangbo kwam binnen, liep op hem af en sloeg met zijn stok op de vloer. Linji deed één oog open, zag dat het de meester was en sliep rustig verder.

Huangbo sloeg nogmaals met zijn stok op de vloer en liep naar de andere kant van de hal, waar de hoofdmonnik zat te mediteren. Hij zei: ‘Die jongeman daarginds zit tenminste te mediteren, maar wat u zich allemaal in het hoofd haalt.’ ‘Wat u zich allemaal in het hoofd haalt’, zei de hoofdmonnik.

Guishan vroeg: Wie was wie te slim af? ‘Wat u zich allemaal in het hoofd haalt’, zei Yangshan.

Koan 45 – Waar is je schoffel?

De monniken stonden in de tuin te werken. Huangbo zag dat Linji niets omhanden had en vroeg: ‘Waar is je schoffel?’ ‘Dat zou ik ook weleens willen weten’, zei Linji.

‘Kom eens hier,’ zei de meester, ‘We moeten even babbelen.’ Huangbo hield zijn schoffel omhoog en zei: ‘Hij weegt niets en toch kan niemand hem optillen.’ Linji griste de schoffel uit zijn handen, stak hem in de lucht en zei: ‘U kunt me nog meer vertellen.’ ‘Ik denk het niet’, lachte de meester, en keerde terug naar de tempel.

Guishan zei: ‘Volgens mij was Linji hier de meester te slim af.’ Yangshan zei: ‘U kunt me nog meer vertellen.’

Koan 46 – Hoeveel leerlingen hebt u?

Linji ging naar Guishan met een brief van Huangbo. Yangshan, die op dat moment voor gastheer speelde, nam de brief in ontvangst. Hij zei: ‘Deze is van Huangbo, maar waar is die van de bode?’ Linji gaf hem een draai om zijn oren. Yangshan zei: ‘Dat is klare taal.’

Samen gingen ze naar Guishan. ‘Hoeveel leerlingen heeft mijn confrère Huangbo?’ vroeg deze. ‘Zevenhonderd.’ antwoordde Linji. ‘Klaar is hij ermee. Wie is hun leider?’ ‘Hij heeft u zojuist een brief bezorgd. En hoeveel leerlingen hebt u, eerwaarde?’ ‘Vijftienhonderd’ zei Guishan. ‘Klaar bent u ermee’, zei Linji. ‘Wacht maar’, zei de meester. Lachend namen ze afscheid.

Koan 47 – Ga je er nu alweer vandoor?

Letters knechten

Terwijl de zomerretraite van Mount Huangbo allang begonnen was, kwam Linji nog eens aanzetten. Toen hij de meester een soetra zag lezen, zei hij: ‘En ik maar denken dat u uitgeleerd was. Wat een veelvraat.’

Na een paar dagen ging Linji afscheid nemen. Huangbo zei: ‘Eerst kom je te laat en nu ga je er alweer vandoor?’ ‘Ik heb er mijn buik vol van’, verklaarde Linji. ‘Hongerkunstenaar!’ riep Meester Huangbo, en joeg hem weg.

Onderweg kreeg Linji toch weer trek. Hij keerde op zijn schreden terug en maakte de zomerretraite af.

Koan 48 – Waar ga je heen?

Linji ging afscheid nemen van Huangbo. De meester vroeg: ‘Waar ga je heen?’ ‘Van hot naar her.’ Huangbo gaf hem een oplawaai en Linji gaf hem een oplawaai terug.

Lachend riep de meester zijn bediende: ‘Breng me de onderscheidingstekens van wijlen mijn Meester Baizhang!’ ‘De brand erin!’ riep Linji. ‘Ach,’ zei Huangbo, ‘dat kan altijd nog. Neem ze nou maar mee. In de toekomst zul je iedereen de mond snoeren.’

Guishan zei: ‘Ging Linji hier niet te ver?’ ‘Integendeel,’ zei Yangshan, ‘je kunt niet ver genoeg gaan.’ ‘Hoe dat zo?’ ‘Alleen wie zijn meester aftroeft, is een waardig erfgenaam.’

Koan 49 – Aan wie wilt u eer bewijzen?

Gedenk te doden

Linji bezocht een monument ter nagedachtenis van Bodhidharma. De beheerder vroeg: ‘Priester, aan wie wilt u eerst eer bewijzen, aan de Boeddha of aan Bodhidharma?’ ‘Ik wil aan niemand iets bewijzen’, zei Linji. ‘Wat doet u hier dan?’ vroeg de beheerder verbaasd. Linji stak zijn neus in de lucht en vertrok.

Koan 50 – Hoe sla je een slag zonder stok?

Tijdens een bedevaart deed Linji het klooster van Longguang aan. De meester wilde net aan een preek beginnen toen Linji op hem afliep en vroeg: ‘Hoe slaat men een slag zonder stok?’ De meester wist niets uit te brengen. ‘Goed gesproken’, zei Linji. Longguang staarde hem stom aan. Linji zei: ‘Zo slaat men een slag zonder stok.’

Koan 51 – Heb je nog wat van hem opgestoken?

Linji ging op bezoek bij Ping te Sanfeng. De meester vroeg: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Van Huangbo’, zei Linji. ‘Heb je nog wat van hem opgestoken?’ ‘Donderend sloeg de bliksem in / De vogel is gevlogen’, dichtte Linji. ‘De herfstwind fluit door de bomen / Wie kent zijn melodie?’ antwoordde Ping. ‘Hij breekt door alle grenzen heen / Voorbij de blauwe lucht’, riposteerde Linji. ‘Overdrijven is ook een vak’, zei de meester. ‘Het schaap heeft hier een wolf gebaard / Die breekt zelfs uit de hemel!’ jubelde Linji. ‘Kom nou maar gewoon binnen, dan drinken we een kopje thee.’

Bij zijn vertrek vroeg de meester: ‘Waar ben je hiervoor geweest?’ ‘Bij Longguang’, zei Linji. ‘Zo blijf je aan de gang’, zei Ping.

Koan 52 – Wat zit je nou te kniezen op je kussentje?

Linji bracht een bezoek aan Daci, die zich in zijn privévertrek had teruggetrokken. ‘Wat zit u nou te kniezen in uw kamertje?’ vroeg Linji. ‘De oude pijnboom heeft geen haast / Een meisje plukt een bloem / En alom wordt het lente’, dichtte de meester. ‘Volmaakte wijsheid kent geen tijd / De oude pijnboom groeit noch bloeit / En staat maar in de weg’ improviseerde Linji. De meester slaakte een kreet en Linji schreeuwde terug.

Er viel een lange stilte. ‘Wat zit je nou te kniezen op je kussentje?’ vroeg Daci. Linji haalde zijn neus op en vertrok.

Koan 53 – Eerwaarde, wat staat u hier te suffen?

Linji arriveerde bij de tempel van Huayan in Xiangzhou. De meester stond op zijn stok te leunen en deed alsof hij sliep. ‘Eerwaarde, wat staat u hier te suffen!’ riep Linji. ‘Eindelijk iemand die van wanten weet!’ riep Huayan. ‘Bediende, haal thee voor de meester,’ zei Linji. ‘Bediende, geef die monnik een ereplaats’, zei Huayan.

Koan 54 – Heeft iemand nog wat te melden?

Op zijn bedevaart deed Linji ook Meester Cuifeng aan. Deze vroeg: ‘Waar komt jij vandaan?’ ‘Van Huangbo.’ ‘Heeft mijn confrère nog wat te melden?’ ‘Niet dat ik weet.’ ‘Hoe dat zo?’ vroeg Cuifeng. ‘Ik durf het niet te zeggen.’ ‘Probeer het toch maar’, drong de meester aan. ‘Ik heb u niets te zeggen.’ ‘Kom kom, niet zo bleu’, zei Cuifeng. ‘Ik heb toch al teveel gezegd’, zei Linji, en deed er verder het zwijgen toe.

Koan 55 – Wat doen al die kaalkoppen hier?

Linji ging bij Xiangtian langs en zei: ‘Het is werelds noch heilig – wat hebt u daarop te zeggen?’ ‘Zo ben ik nou eenmaal’, antwoordde de meester eenvoudig. Linji slaakte een kreet en riep: ‘Wat doen al die kaalkoppen hier dan?’

Koan 56 – Waar is al dat rondreizen goed voor?

Toen Linji Minghua aandeed, vroeg de meester: ‘Waar is al dat rondreizen goed voor?’ ‘Voor mijn zolen,’ antwoordde Linji. ‘Hoezo?’ ‘Dan slijten ze nog een beetje.’ ‘Maar wat heeft al dat gereis voor zin?’ vroeg Minghua nogmaals. ‘Wat heeft al dat gepraat voor zin?’ vroeg Linji.

Koan 57 – Wat moet dat hier?

Onderweg naar Meester Fenglin kwam Linji een oud vrouwtje tegen. ‘Wat moet dat hier’, zei het vrouwtje. ‘Ik zoek Fenglin’, zei Linji. ‘Kan je lang zoeken’, zei het vrouwtje. ‘Ik heb de tijd’, zei Linji. ‘Ik niet’, zei het vrouwtje en slofte verder.

Linji liep zachtjes achter haar aan, tilde zijn stok op en riep: ‘Daar zal je hem net hebben!’ Verrast draaide het vrouwtje zich om. Linji sloeg toe.

Koan 58 – Maar waarmee eet je dan je rijst?

Toen Linji zich bij Meester Fenglin vervoegde, zei deze al te beleefd: ‘Ik zou graag iets aan de orde stellen. Staat u mij toe?’ ‘Zachte heelmeesters…’, zei Linji.

‘De maan schijnt zonder schaduw over zee / En nog verdwaalt de vis’, dichtte de meester.

‘De maan schijnt zonder schaduw over zee / En nooit verdwaalt de vis’, riposteerde Linji.

‘Ik ken de golven aan de wind / Ik ken de boten aan hun zeil’, declameerde de meester.

‘Daarboven schijnt alleen de maan / En als ik lach dan kolkt de zee!’ antwoordde Linji.

‘Je tong reikt verder dan het zwerk / Maar waarmee eet je dan je rijst?’ probeerde Fenglin.

‘Ontmoet je een zwaardvechter, reik hem je zwaard,’ zei Linji, ‘maar dicht nooit met wie geen dichter is.’ De meester viel stil. Linji citeerde: ‘De Grote Weg is eindeloos en nergens loopt hij niet. Hij is zelfs sneller dan het licht waardoor je hem niet ziet.’

Guishan zei: ‘Als de Grote Weg werkelijk eindeloos is, hoe zouden we hem dan ooit in woorden kunnen vangen?’ ‘Wat denkt u zelf, eerwaarde?’ vroeg Yangshan. ‘Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel’, opperde Guishan. ‘Dat zegt u’, zei Yangshan. ‘Wat zou jij zeggen?’ vroeg de meester. ‘Woorden maken deel uit van de Grote Weg’, zei Yangshan.

Koan 59 – Wie denkt u wel dat u bent?

Na een lange tocht arriveerde Linji bij het klooster van Jinniu. Toen de meester hem aan zag komen, ging hij gauw bij de poort zitten en stak zijn stok uit bij wijze van slagboom. Linji deed de ‘slagboom’ open, liep meteen door naar de meditatiezaal en ging op de eerste plek zitten.

Jinniu liep hem achterna en zei: ‘In een gesprek tussen gastheer en gast gelden bepaalde regels. Wie denk je wel dat je bent!’ Linji zei: ‘Wie denkt u wel dat u bent!’ Nog voor de meester antwoord kon geven, gaf Linji hem een oplawaai. Jinniu verloor zijn evenwicht en kreeg nog een klap na ook. ‘Ik heb geloof ik mijn dag niet’, zei Meester Jinniu beduusd.

Guishan vroeg: ‘Wie van de eerwaarden trok hier aan het langste eind?’ ‘De einden van een stok zijn even lang,’ zei Yangshan.

Koan 60 – Wat zul je zeggen?

Toen Linji zijn einde voelde naderen, ging hij voor de laatste maal zitten en zei kreunend: ‘Laat mijn Ware Dharma-oog niet tegelijk met mij uitdoven.’ Sansheng trad naar voren en riep: ‘Nooit!’ ‘Wat zul je zeggen als iemand ernaar vraagt?’ piepte de meester. Sansheng slaakte een kreet. ‘Ik was er al bang voor’, zuchtte Linji.

Het waren zijn laatste woorden.

Verantwoording

Een obscuur werk over onzegbare zaken

De Linji Lu een obscuur werk over naar men zegt onzegbare zaken geschreven in een obscure taal, middeleeuws Chinees. Zelfs hedendaagse Chinezen hebben er moeite mee, net zoals hedendaagse Nederlanders moeite hebben met Middelnederlands, laat staan met Middelchinees. Lezers van de eenentwintigste eeuw, oosters of westers, kunnen niet zonder de hulp van een of meer tolk-vertalers.

Vroeger werd vertalen gezien als een directe omzetting van de ene taal in de andere, of van een dode taal in een levende, of van een oude versie van een taal in een nieuwe – zonder aantasting van de eigenheid van de oorspronkelijke tekst. In de loop van de vorige eeuw zijn we daar heel anders naar gaan kijken.

Vertalen is interpreteren en iedere vertaling levert een radicaal nieuwe tekst op, die nooit verward mag worden met de oorspronkelijke. Dat geldt voor alle teksten, maar zeker voor wijsgerige, religieuze en spirituele, die nou eenmaal weinig concreet zijn. De pretentie dat een vertaling objectief en definitief zou kunnen zijn is door postmoderne historiografen grondig onderuitgehaald.

Interpretaties van de Linji Lu

In zijn artikel Towards a Philosophy of Chan Enlightenment: Linji’s anti-enlightenment rethoric (mei 2010) gaat André van der Braak in op deze kwestie. Hij voert verschillende vertalers en commentatoren op die elke hun eigen kijk op het lijk van Linji hebben.

Volgens Van der Braak gaat de Linji Lu volgens Burton Watson (1925-2017) over het stillen van de geest zodat deze ontvankelijk wordt voor de ‘onderliggende eenheid van het absolute’ (p3).

Volgens Van der Braak gaat de Linji Lu volgens Youru Wang over een radicale apofatische deconstructie van iedere neiging tot katafatisch absolutisme, inclusief het idee van verlichting (p8).

Volgens Van der Braak gaat de Linji Lu volgens Robert Buswell over het ontwikkelen van vertrouwen in de gunstige werking van de intrinsiek verlichte boeddhanatuur.

Excuses voor de lompe formuleringen. Ik schrijf het zo op om te benadrukken dat de interpreten van de Linji Lu hier op hun beurt geïnterpreteerd worden door André van der Braak, zoals André op zijn beurt geïnterpreteerd wordt door Hans van Dam, en ik op mijn beurt door jou, waarde lezer.

Een post-postmoderne interpretatie

Mijn eigen vertaling van de Linji Lu is net zozeer en net zo onvermijdelijk een interpretatie als alle andere – in dit geval een post-postmoderne die eropuit is iedere interpretatie te deconstrueren, ook de postmoderne.

Zoals ik in de inleiding al heb uitgelegd, is de Linji van de Linji Lu niet de historische Linji, maar een creatie van het Huis van Linji, een mythische figuur die je Pseudo-Linji zou kunnen noemen. Dat maakt de Linji Lu op zijn beurt een creatie, een schijnkroniek, een mythe die je de Pseudo-Linji-Lu zou kunnen noemen.

De vertaling van de Pseudo-Linji-Lu in het Engels door Sasaki c.s. zou dan de Pseudo-Pseudo-Linji-Lu moeten heten, en de figuur van Linji daarin Pseudo-Pseudo-Linji.

Mijn vertaling daarvan heet dan de Pseudo-Pseudo-Pseudo-Linji-Lu, en mijn Linji Pseudo-Pseudo-Pseudo-Linji.

Jouw interpretatie van mijn vertaling tenslotte zou dan de Pseudo-Pseudo-Pseudo-Pseudo-Linji-Lu heten, en jouw Linji Pseudo-Pseudo-Pseudo-Pseudo-Linji.

Ik heb het maar weer even helemaal uitgeschreven zodat je precies weet welk werk je leest wanneer je de Linji-Lu meent te lezen, en op welke schijnmeester je jouw ideeën over Linji projecteert.

Uiteindelijk heb ik toch maar gekozen voor de titel Niet-te-geloven! De Linji Lu. Ik denk niet dat iemand mij dat na zal dragen.

Bronnen: The record of Linji en de Zen teachings of Rinzai

Mijn vertaling van de Linji Lu is gebaseerd op The record of Linji van Ruth Fuller Sasaki, redactie Thomas Yuho Kirchner, Honolulu Press 2009.

Hoewel de publicatiedatum anders doet vermoeden, is The record of Linji niet postmodern. De vertaling zelf, de inleidingen en de talloze voetnoten getuigen allemaal van groot respect, om niet te zeggen kritiekloos ontzag voor de legendarische Linji. Ze doen eerder aan het absolutisme van Burton Watson denken dan aan het relativisme van Wang (zie boven). Dat is best te begrijpen als we naar de ontstaansgeschiedenis van deze vertaling kijken.

The record of Linji is een langlopend project geweest. Het werd al in de jaren dertig van de vorige eeuw in gang gezet door Sasaki Shigetsu Roshi (1882–1945). Na zijn dood werd het project voortgezet door zijn echtgenote, Ruth Fuller Sasaki en een team van academici.

De definitieve versie werd pas gepubliceerd in 1969, enkele jaren na de dood van mevrouw Sasaki, maar ruim voordat de postmoderne deconstructie en de structuralistische benadering van het discours doordrongen tot de gemeenschap van vertalers. Vandaar dat deze vertolking, hoe academisch en verantwoord ook, toch ouderwets aandoet.

Een andere verouderde vertaling waarvan ik gebruik heb gemaakt is The zen teachings of Rinzai, Irmgard Schloegel, Shambhala Publications Inc., 1975.

Schloegel is hertaald in het Swierengaals (knottnerisch Nederlands of Knotterwaals) door mevrouw Aleid Knottnerus Swierenga, en antiquarisch verkrijgbaar als Zenleer van Rinzai (1979). Over interpretaties gesproken. Je weet niet wat je leest.

Vertaling of hertaling?

Omdat ik een Engelse vertaling uit het Chinees heb vertaald en niet het Chinese origineel of zelfs maar de Japanse overlevering daarvan (de Rinzai Roku), is Niet te geloven! De Linji Lu per definitie een hertaling.

Hetzelfde geldt, helaas, voor de meeste vertalingen van oosterse religieuze werken in het Nederlands. De Poortloze Poort van Yamada Koun bij uitgeverij Asoka bijvoorbeeld is een serievertaling van de Wumenguan: uit het Chinees in het Japans, uit het Japans in het Duits en uit het Duits in het Nederlands. Ook mijn vertaling van de Poortloze Poort is slechts een hertaling en een bewerking.

Laten we hopen dat de vertaallijnen in de toekomst korter worden. De sinologen Kristofer Schipper en Jan de Meyer geven hierin met hun vertaling van diverse taoïstische werken rechtstreeks uit het Chinees het goede voorbeeld. Ik zou graag zien dat de Linji Lu ook op die manier vertaald werd. Het is beslist de moeite waard. De Linji Lu is een sleuteltekst en zo’n canonieke vertaling kan een paar generaties mee.

Tot het zover is zullen eentalige Nederlandstaligen het met Aleid Knottnerus Wierenga en Hans van Dam c.s. moeten doen.

Hertaling of bewerking?

Om Linji tot leven te brengen en aantrekkelijk te maken voor lezers van nu heb ik gekozen voor een vrije hertaling.

Hoewel er praktisch niets is weggelaten, heb ik binnen de preken en de koans met het oog op de logica en de tekstdoorloop hier en daar veranderingen aangebracht in de volgorde.

Al te wollige of cryptische zinnen zijn vervangen door puntige.

Bij de gedichten en de citaten heb ik me regelmatig laten leiden door metrum, rijm en context, en ben ik van de letterlijke vertaling afgeweken wanneer die in mijn oren als orakeltaal klonk.

Sommige beeldspraken van het origineel zijn gedateerd of ronduit onbegrijpelijk zonder uitgebreid voetnotenapparaat. Waar nodig en mogelijk heb ik ze vervangen door eigentijdse metaforen die geen toelichting behoeven.

De Linji Lu is van zichzelf nogal repetitief en stereotiep. Zo spreekt Meester Linji zijn toehoorders voortdurend aan als ‘volgers van de weg’. Op den duur gaat dat vervelen, temeer daar ik de monologen in behapbare brokken heb geknipt. Daarom heb ik wat variatie aangebracht in de aanspreekvorm.

Nagarjuna’s filosofie van de leegte

‘Kleine twijfel kleine verlichting, grote twijfel, grote verlichting’, heet het in zen. Een waar woord. Chan in het algemeen en de Linji Lu in het bijzonder gaan niet over overdraagbare wijsheid maar over ‘de wijsheid zonder wijsheid’ of ‘de wijsheid voorbij alle wijsheid’. Niet over weten maar over ‘weten zonder weten’ of ‘niet-weten’.

Zen is geen inzicht, maar alle inzichten doorzien, deze ook. De Linji Lu is dus geen verzameling wijsheden, integendeel. De hele tekst ademt de geest van Nagarjuna’s filosofie van de leegte, de Madhyamaka.

Om te voorkomen dat de argeloze lezer zwicht voor de verleiding om steeds terugkerende metaforen als ‘het licht’ of ‘de boeddhanatuur’ of ‘de ware mens zonder rang’ of ‘de geest’ of ‘de leegte’ te verabsoluteren, heb ik de apofatische deconstructie, het kenmerk bij uitstek van de Linji Lu, in mijn vertaling uitvergroot.

Dat is een keuze die bij de Burton Watsons van onze tijd, met hun uitgesproken voorkeur voor katafatische metafysica en tijdloze onveranderlijke waarheden, niet in de smaak zal vallen.

Hen daag ik uit om hun eeuwige zekerheden eventjes in de ijskast te zetten en Linji te lezen als de filosoof van de leegte die hij is. Al was het maar omdat de Boeddha zelf, herstel, al was het maar omdat een flink aantal Pseudo-Boeddha’s in verschillende soetra’s zich uit naam van de historische Boeddha volstrekt agnostisch opstelt inzake ontologische kwesties.

Probeer het gewoon eens, al is het maar één keer, en voel het verschil tussen loslaten en vasthouden, tussen agnose en gnosis – tussen mystiek en mystificatie. ‘Laat gaan, en alles gaat vanzelf.’

Zengeest, weetnietgeest

Een van de sleutelbegrippen van de Linji Lu is ‘geest’. In de vertaling van Sasaki komt het woord ‘mind’ met en zonder hoofdletter meer dan vijfhonderd maal voor, de inleidingen en voetnoten meegeteld.

‘Geest is vormloos en strekt zich uit in alle tien richtingen.’

‘Jouw geest is de Geest.’

‘De drie rijken zijn alleen maar geest, de tienduizend dingen zijn louter bewustzijn.’

Dit soort zinnen riekt naar idealistische reïficatie in de trant van de advaita vedanta en dzogchen.

Reïficatie is op geen enkele wijze te verenigen met de sunyata-vada waarvan de Linji Lu doortrokken is. Om de neiging tot essentialisme ook hier de kop in te drukken heb ik ‘mind’ af en toe vertaald met ‘weetnietgeest’.

Chan op zijn best is geen dode letter, maar een levende geest. Het is geen leer, maar het einde van alle leerstelligheid. Het is geen icoon, maar een iconoclasme. De Boeddha is er niet om te vereren maar om te doden. De Linji Lu wil niet overstijgen, maar ondermijnen.

Tenminste, in mijn interpretatie.

De indeling van de Linji Lu

The record of Linji bestaat uit drie delen:

a. Discourses 1-22
b. Critical examinations 1-24
c. Pilgrimages 1-21

Deze indeling lijkt nogal willekeurig. Zo zijn de eerste tien ‘discourses’ eerder ‘critical examinations’, hebben vrij veel ‘critical examinations’ het karakter van ‘pilgrimages’ en alle ‘pilgrimages’ het karakter van ‘critical examinations’. Het enige principiële verschil dat ik kan ontdekken tussen de teksten in de Linji Lu is dat ze hetzij monologisch, hetzij dialogisch van aard zijn. Hierop is mijn eigen indeling in preken en koans gebaseerd.

De eerste zestig teksten van Niet te geloven! De Linji Lu zijn preken van Meester Linji. Ze corresponderen met Discourses 10-22, die ik omwille van de leesbaarheid in stukken heb geknipt, waarbij de volgorde echter is gehandhaafd.

De tweede groep teksten van Niet te geloven! De Linji Lu zijn koans. Nummers 1-14 corresponderen met Discourses 1-10, nummers 15-38 met de Critical Examinations en nummers 39-60 met de Pilgrimages.

Met het oog op de verwijsbaarheid en de herkenbaarheid zijn alle teksten door mij van een nummer en een titel voorzien.

Herkomst van de preken en de koans

Als je wilt weten waar een bepaalde preek of koan vandaan komt, kun je het lijstje hieronder gebruiken. Een code als 45:a18/29a betekent dat preek 45 afkomstig is uit discourse 45 van Sasaki en uit hoofdstuk 29a van Schloegel.

Legenda Sasaki: a. Discourses 1-22, b. Critical examinations 1-24, c. Pilgrimages 1-21.

Preken

1:a10/11a; 2:a10/11b; 3:a10/11c; 4:a10/11d; 5:a10/11d-e; 6:a11/12a; 7:a11/12b-c; 8:a12/13a; 9:a12/13a; 10:a13/13b.

11:a13/13c; 12:a13/13d-e; 13:a14/14a; 14:a14/14b; 15:a14/14c; 16:a15/14d; 17:a15/14d; 18:a16/15a; 19:a16/15a; 20:16/15b.

21:a17/15c; 22:a17/16b; 23:a17/16b; 24:a17/16c; 25:a17/17a; 26:a18/17b; 27:a18/18a; 28:a18/18a; 29:a18/18b; 30:a18/18c.

31:a18/18c; 32:a18/19a-b; 33:a18/19c-d; 34:a18/20; 35:a18/20; 36:a18/21; 37:a18/21; 38:a18;22b; 39:a18;22a/b; 40:a18;23-25.

41:a18/26; 42:a18/27; 43:a18/28; 44:a18/28; 45:a18/29a; 46:18/29b; 47:a18/29c; 48:a18/30; 49:a18/31a; 50:a19/31b.

51:a20/33; 52:a21/34; 53:a21/35; 54:a22/36; 55:a22/37; 56:a22/38; 57:a22/39; 58:a22/40; 59:a22/40; 60:a6/6c,a22/41.

Koans

1:a1/1a-e; 2:a2/2; 3:a3/3; 4:a4/4a-c; 5:a5/5a-b; 6:a5/5c; 7:a6/6a; 8:a4/4a-c; 9:a4/4a-c; 10:a8/8.

11:a7/7; 12:a9/9; 13:a10/10; 14:a20/32; 15:b1/42; 16:b2/43; 17:b3/44; 18:b4/45; 19:b5/46; 20:b6/47.

21:b7/48; 22:b8/49; 23:b9/50; 24:b10/51; 25:b11/52; 26:b12/53; 27:b13/54; 28:b14/55; 29:b15/56; 30:b16/57.

31:b17/58; 32:b18/59; 33:b19/60; 34:b20/62; 35:b21/62; 36:b22/63; 37:b23/64; 38:b24/65; 39:c1/66; 40:c2/67.

41:c3/68; 42:c4/69; 43:c5/70; 44:c6/71; 45:c7/72; 46:c8/73; 47:c9/74; 48:c9/75; 49:c10/76; 50:c11/77.

51:c12/78; 52:c13/79; 53:c14/80; 54:c15/81; 55:c16/82; 56:c17/83; 57:c18/84; 58:c19/85; 59:c20/86; 60:c21/87.

Bij de tweede editie

In plaats van monologen en dialogen spreek ik nu consequent van preken en koans. Bijna alle titels van zowel de preken als de koans zijn vernieuwd. Alle teksten zijn geredigeerd en opnieuw opgemaakt.

Koan #8 uit de eerste editie berustte op een misinterpretatie mijnerzijds. Ik heb hem verwijderd.

Koan #9 van de eerste editie was in feite een monoloog. In de tweede editie heb ik hem geïntegreerd in preek #60.

Om het gat van koans #8 en #9 op te vullen zonder de oude nummering te verstoren, heb ik koan #4, die eigenlijk uit drie koans bestond, gesplitst. De oude koan #4 correspondeert nu dus met koans #4, #8, en #9.

Koan #5 en # 16 bestaan eveneens uit meerdere koans, die echter zozeer op elkaar lijken dat ik ze na rijp beraad ook in de tweede editie bij elkaar heb gehouden.

De Linji Lu als boek (eerste editie, uitverkocht)

Hedendaagse hertaling van de zenklassieker die ten grondslag ligt aan de rinzaischool van het zenboeddhisme. Inhoud: Voorwoord, Zestig monologen, Zestig dialogen, Nawoord.

Aanbeveling

De Linji Lu is een verzameling van honderdtwintig teksten toegeschreven aan chanmeester Linji Huizhao. Zij is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van chan in China en ligt ten grondslag aan een van de twee grote zentradities van Japan (rinzai).

De monologen en dialogen van Linji maken korte metten met boekenwijsheid en bieden een alternatief voor het traditionele boeddhistische pad van levenslang of zelfs levens lang studeren en praktiseren. Linji spreekt met zijn leerlingen, niet als een filosoof uit een ivoren toren, niet als een schriftgeleerde met een griffel, niet als een predikant van de kansel, maar als een jongen van de straat, een koopman op de Albert Cuyp, een geboren en getogen Amsterdammer: recht voor zijn raap, zonder kapsones, grappig op het vulgaire af, en nooit mis te verstaan. Van hart tot hart, zou de hedendaagse zenboeddhist zeggen. Van mond tot kont, zou Linji Huizhao zeggen.

Niet voor niets wordt de Linji Lu al duizend jaar steeds opnieuw vertaald en wint hij ook in het Westen snel aan populariteit. Veel Nederlandse leraren laten zich door de woorden van Linji inspireren en op het moment van schrijven worden er gelijktijdig zowel in Amsterdam als in Utrecht studiebijeenkomsten over Linji gehouden.

Waren de liefhebbers van Linji tot nog toe aangewezen op Engelse vertalingen en een alleen antiquarisch verkrijgbare Nederlandse, nu is er dan eindelijk een geheel nieuwe vertaling in hedendaags Nederlands die zich niet angstvallig aan de letter houdt, maar is toegewijd aan de geest van de oorspronkelijke tekst – de weetnietgeest.

Nietzsche wordt wel de filosoof met de hamer genoemd. De Linji Lu is zen met de hamer. Weetnietzen.

Wie durft?

Bestel

Bestel hier de frisse, tegendraadse Linji Lu van Hans van Dam, Niet te geloven! de Linji Lu, een prachtig gebonden boek met harde kaft, leeslintje en kapitaalbandjes. Binnen 10 werkdagen in huis. UITVERKOCHT

Reacties

Een greep uit de reacties in het Boeddhistisch Dagblad, waar de tekst als serie is gepubliceerd:

“Ik ga dit missen! Waarom zijn deze pareltjes er niet in levende ademende boekvorm? Dan kan ik het vastpakken, bladeren, lezen, nog eens lezen, en nog eens lezen, ruiken, aan mijn hart drukken! En mijn hart en hoofd al filosoferend laten (ver)dwalen. Dank Hans van Dam, het was genieten!”

“Hans, hartelijk dank voor deze prachtige hertaling. Ik heb ervan genoten!”

“Heel erg jammer dat het afgelopen is. Hans van Dam heeft meesterwerkjes afgeleverd!”

“Waar vind ik dat schitterend boekje van Hans van Dam?”

“Geweldig hoe alles tussen de regels dreunt”

“Het eerste dat ik ’s ochtends doe, is de stukjes van Linji lezen. Recht voor zijn raap en humoristisch. Bovendien smeuïg her- (ver-)taald door Hans van Dam.”

“Wow! Hier word je wakker van. Mooi.”