Meester Spoorloos en agent Speurneus

‘Na lang zoeken slaagde agent Speurneus er eindelijk in een lijk te vinden dat binnen de krijtstrepen paste.’ Wie niet spoort die niet speurt; dwijsheden van Meester Spoorloos.

Dwaalgids > Advaita > Meester Spoorloos en agent Speurneus

Zoeken naar een reden om te zoeken

Er was eens een agent die niets te doen had. Met krijt dat hij in de kelder van het politiebureau gevonden had, tekende hij op straat de contouren van een lichaam. Hij weerstond de aanvechting om zijn handtekening eronder te zetten; zijn tijd kwam nog wel.

De politieman nam een foto die hij aan de hoofdagent liet zien. De hoofdagent stelde een opsporingsteam samen. Na lang zoeken slaagden de agent en zijn team er eindelijk in een lijk te vinden dat binnen de krijtstrepen paste. Een daverend succes, dat gevierd werd met schnapps, chips, pinda’s en meer schnapps. Nu was het nog maar een kwestie van tijd voor ze de dader in zijn kraag zouden vatten.

Ik wil weten wie u bent

Agent Speurneus: Kunt u zich legitimeren?

Meester Spoorloos: Hoe bedoelt u?

Agent: Kunt u bewijzen dat u de persoon bent waarvoor u zich uitgeeft?

Meester: Heb ik dat gedaan?

Agent: Wat?

Meester: Mezelf voor iemand uitgegeven?

Agent: Ik wil weten wie u bent.

Meester: Ik net zo goed.

Agent: Dit is een aantasting van het wettelijk gezag.

Meester: Daar is dan niet veel voor nodig.

Agent: Ik vraag het niet nog een keer.

Meester: Afgesproken.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.

Ik neem nooit iets aan

Agent: Kunt u zich legitimeren?

Meester: U eerst.

Agent: Hier heeft u mijn penning.

Meester: Wat moet ik daarmee?

Agent: Die bewijst dat ik een politieman ben.

Meester: Hij bewijst alleen maar dat u een penning heeft.

Agent: Maar…

Meester: Hoe weet ik dat u deze penning niet gestolen heeft?

Agent: Beticht u mij van diefstal?

Meester: Hoe weet ik dat u deze penning niet nagemaakt heeft?

Agent: Beticht u mij van vervalsing?

Meester: Hoe weet ik dat dit soort penningen door de politie gebruikt wordt?

Agent: Beticht u mij van misleiding?

Meester: Beticht u mij van betichten?

Agent: Neem me niet kwalijk.

Meester: Zand erover.

Agent: Hier hebt u mijn mobieltje, belt u mijn superieuren maar.

Meester: Hoe weet ik dat ik het bureau krijg?

Agent: In plaats van?

Meester: Een handlanger bijvoorbeeld.

Agent: Belt u dan het ministerie van veiligheid.

Meester: Zelfde idee.

Agent: Loop anders even mee naar het bureau.

Meester: Wie zegt dat het bureau bonafide is?

Agent: Dat moet u van me aannemen.

Meester: Ik neem nooit iets aan.

Agent: Maak dan maar een uitzondering.

Meester: Waarom?

Agent: Omdat ik politieman ben.

Meester: Dat proberen we nou net vast te stellen.

Agent: Als iedereen zo zou redeneren.

Meester: Heeft u liever dat ik mij uitlever aan het eerste het beste uniform?

Agent: Nee, dat niet.

Meester: Ik doe alleen maar mijn burgerplicht.

Agent: Neemt u mij niet kwalijk.

Meester: Voor deze keer zal ik het door de vingers zien.

Agent: Dank u vriendelijk.

Meester: Goedendag.

Agent: Goedendag.

Misschien heb ik wel gelogen

Agent: Kunt u zich legitimeren?

Meester: Ik zou niet weten hoe.

Agent: Voor de dag ermee.

Meester: Waarmee?

Agent: Uw legitimatiebewijs.

Meester: O, dat. Alstublieft.

Agent: Dank u wel… In orde.

Meester: In orde?

Agent: Pak aan.

Meester: Wie zegt dat het geen namaak is?

Agent: Het ziet er echt genoeg uit.

Meester: Is dat niet het kenmerk van iedere goede vervalsing?

Agent: Wou u beweren dat het nep is?

Meester: Al zou het echt zijn, wat dan nog?

Agent: Dan bent u wie u zegt dat u bent.

Meester: Ik heb nooit gezegd wie ik was.

Agent: Wie uw paspoort zegt dat u bent.

Meester: Misschien heb ik wel gelogen op het gemeentehuis.

Agent: U lijkt mij een betrouwbaar mens.

Meester: U denkt dat mijn paspoort in orde is omdat u mij vertrouwt?

Agent: Inderdaad.

Meester: Dan heb ik mijn paspoort gelegitimeerd in plaats van andersom.

Agent: Hier, pak aan.

Meester: Ik moest maar weer eens gaan.

Agent: Alstublieft, ik doe alleen maar mijn plicht.

Meester: En ik geef alleen maar te denken.

Wie denkt u wel dat u bent!

Agent: Wie denkt u wel dat u bent!

Meester: Denkt u dan dat ik ben?

Waar zijn wij mee bezig!

Agent: Waar zijn wij mee bezig!

Meester: Als u het al niet weet…

Waar denkt u dat u heen gaat!

Agent: Waar denkt u dat u heen gaat!

Meester: Alsof ik daaraan denk.

Wat moet dat hier!

Agent: Wat moet dat hier!

Meester: Zit u daar ook zo mee?

Wat moet dat daar!

Agent: Wat moet dat hier!

Meester: Waar?

Agent: Hier, zeg ik toch?

Meester: Dat zult u zelf wel het beste weten.

Agent: Hoezo?

Meester: De enige die ‘hier’ is, bent u immers zelf.

Agent: Ik had het anders over u.

Meester: Waarom zei u dan ‘hier’?

Agent: Daar vraagt u me wat.

Meester: Waar?

Agent: Hier.

Meester: O, daar.

Agent: Even overnieuw?

Meester: Vooruit dan maar.

Agent: Wat moet dat daar?

Meester: Waar?

Agent: Waar u staat.

Meester: Vragen beantwoorden.

Agent: Wat voor vragen?

Meester: Uw vragen.

Agent: O, dan is het goed.

Meester: O, dan is het goed.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.

Overbodige vragen

Agent: Wat moet dat hier!

Meester: Vragen beantwoorden.

Agent: Wat voor vragen?

Meester: Overbodige.

Agent: Van wie?

Meester: Van u.

Agent: Bent u speciaal daarvoor hierheen gekomen?

Meester: Ik zou het anders ook niet weten.

Agent: In orde.

Meester: Als u het zegt.

Agent: Goedendag.

Meester: Goedendag.