Meester Tja en de Tao van Tja

dwaalgids > mystiek

‘Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?’ Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja geïnspireerd op de Daodejing.

Naakte verbaasde chinees met opgetrokken schouders en handpalmen omhoog
Meester Tja en de Tao van Tja

Lees ook: De Tao van Tja

Inhoudsopgave

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

De Grote Tao als het Grote Tja

De Daodejing (Tao-tê-tjing, Laozi) is het oudste werk van de taoïstische canon en een van de meest vertaalde werken uit de Chinese literatuur. Hij bestaat uit 81 hoofdstukjes die met zo min mogelijk woorden de grondprincipes van het taoïsme uiteenzetten.

Velen hebben er hun tanden en hun hersenen op stukgebeten en lopen nu met een kunstgebit en een kunstkop rond. Mocht dat de bedoeling zijn van dit boekje, dan is de Daodejing wellicht de oudste en meest succesvolle koan uit de geschiedenis van de mensheid.

Hoewel er veel niet-weten zit in het taoïsme, en veel taoïsme in niet-weten, zijn er ook verschillen. Met name het kosmologisch idee van de Tao als een onkenbaar, absoluut, eeuwigdurend, onveranderlijk, vormloos, sturend principe, vindt in een radicaal niet-weten geen weerklank – maar ook geen weerwoord.

Een opvallende overeenkomst tussen het taoïsme en niet-weten is het idee, of liever de praktijk, van niet-doen, van doen zonder doen, zonder opzet, spontaan, ongeforceerd, als vanzelf: wuwei.

Het niet-doen van een agnost is echter niet geworteld in de Grote Tao maar in niet-weten, wuzhi – in het Grote Tja. Niet-doen is een natuurlijk uitvloeisel van niet-weten. Niet-weten is de rationale, of liever de irrationale, van niet-doen.

Vele wegen leiden naar niet-doen, niet-spreken, niet-geloven, niet-denken, niet-willen et cetera, maar bij niet-weten krijg je het allemaal gratis en voor niks. Of je wilt of niet. Niet-weten krijg je ook gratis en voor niks, maar waar?

Niet bij mij. Ik kan het je niet geven. Ik heb het zelf nooit gekregen. Ineens was het er, of had ik het, of had ik het niet meer, of was ik het, of was ik het niet meer, of was ik niet meer, of ben ik er nooit geweest, of heb ik het nooit gehad, of hoe zeg je dat, zó niet.

Maar ik kan het wel onder woorden brengen, enigszins. Ik kan het ook zonder woorden brengen, geenszins zogezegd. Non-verbale communicatie, verbale non-communicatie, paraverbale pericommunicatie – schiet mij maar lek. Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek, behalve een enkele gek?

Afbeelding van binnenkant oog, blinde vlek, met de tekst: Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?
Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

Wie is Meester Tja?

De Tao-tê-tjing en de Lao Zi

De eerste keer dat ik mij liet inspireren door de Tao Te Tjing was in 2010. Ik baseerde me toen op de vertaling van Ir. Blok uit 1910, Tao-tê-tjing, een van de oudste Nederlandse vertalingen, waar ik al veel plezier van heb gehad.

In 2018 kreeg ik opnieuw de geest. Ditmaal baseerde ik me op de vertaling van Kristofer Schipper uit 2010, Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, op het moment van schrijven de nieuwste Nederlandse vertaling rechtstreeks uit het Chinees. Nuchterder, minder hoogdravend en ietsje toegankelijker dan Ir. Blok, voor zover je bij de Daodejing tenminste van toegankelijkheid kunt spreken.

Ik las hem voor aan mijn lief of zij aan mij, we spraken erover, soms uren per hoofdstuk of zelfs per zin, meanderend als een rivier door het lage landschap, en dan probeerde ik mijn pen, zoals dat vroeger heette. ‘Betrachtte ik mijn toetsenbord’, zou Ir. Blok misschien gezegd hebben als hij het eeuwige leven had gehad, maar zo taoïstisch was hij kennelijk ook weer niet.

Toen de tweede serie klaar was, heb ik hem gecombineerd met de eerste en alle doublures verwijderd*, met als resultaat deze pagina over het Grote Tja.

Meester Tja en het Grote Tja

De woordvoerder van het Grote Tja (m/v/o) is Meester Tja (m/v/o). Beide zijn fictief, en ik hecht eraan daarover geen misverstand te laten bestaan. Op essentialisme zal niemand mij betrappen. Op deïficatie evenmin. Ook anti-essentialistisch, atheïstisch of nihilistisch ben ik niet.

Het meesterschap van Meester Tja is geen meesterschap in de klassieke zin van het woord – een superieur vakmanschap waarvan we wat kunnen opsteken of waaraan we een voorbeeld kunnen nemen of waaraan we ons kunnen vergapen en overgeven.

Meester Tja is een dwaalmeester, zijn specialiteit is onwetendheid en hij is hooguit een voorbeeld van iemand die zichzelf niet ten voorbeeld stelt, ook niet als iemand die zichzelf niet ten voorbeeld stelt. Al kan hij het natuurlijk niet helpen wanneer iemand ter meerdere eer en glorie van zijn onvermogen toch een voorbeeld aan hem neemt.

Bronnen en links

Onder de titel van iedere tekst van Meester Tja staat het nummer van het Daodejing-hoofdstuk dat ertoe inspireerde. Als je het leuk vindt kun je de teksten met elkaar vergelijken. Noodzakelijk is dat niet, maar het helpt om te begrijpen waarom Meester Tja af en toe zulke rare dingen zegt. Zijn monologen zijn immers ontstaan in dialoog met de Daodejing.

De vertaling van Ir. Blok kun je terugvinden op niet-weten.nl via de link Tao-tê-tjing. Op de vertaling van Schipper berust auteursrecht, die mag ik niet zomaar beschikbaar stellen. Zonde, maar het is niet anders. De eeuwige geest is geen andere dan de handelsgeest, amen.

Wel beschikbaar is mijn Daodejing in vraagvorm. Die heb ik gemaakt door de circa duizend beweringen in de vertaling van Schippers om te zetten in evenzoveel vragen. Het is een koud kunstje om uit de vragen de oorspronkelijke beweringen te reconstrueren, al blijft het schipperen. Je kunt natuurlijk ook proberen antwoord te geven, afijn, zie maar.

Dan geef ik nu het woord aan Meester Tja.

* De doublures heb ik na lang aandringen overgedragen aan de illustere en vooralsnog illusoire Meester Maya, voor wie niet alleen de werkelijkheid een illusie is, maar ook de illusie, om nog maar de zwijgen over de Werkelijkheid. De serie met Meester Maya gaat waarschijnlijk ‘De Mayamonologen’ heten.

De schat van niet-weten

Meester Tja zegt:

Een berekenend koopman verbergt zijn schatten en doet zich voor als een armoedzaaier, maar de wijze toont vrijmoedig zijn onwetendheid.

Meer heeft zijn wijsheid niet om het lijf.

Afbeelding van een naakte, geslachtsloze chinees die zijn schouders ophaalt tegen de achtergrond van een tangram in de vorm van het woord Tja
Meer heeft zijn wijsheid niet om het lijf

In den blinde kom je thuis

Geïnspireerd door hoofdstuk 1 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja kan eenvoudig in woorden worden uitgedrukt. Hoe je het ook zegt, hoeveel namen je er ook aan geeft, het stelt niets voor.

Het Grote Tja is niet iets. Het is niet het niets. Het is niet de naam van de oorsprong van de tienduizend dingen. Het is niet de naam van de bestemming van de tienduizend dingen.

Het Grote Tja is er voor iedereen. Het is er voor degene die gebonden is door verlangens en voor degene die vrij is van verlangens. Het is er voor degene met een blinde vlek in zijn oog en voor degene met oog voor zijn blinde vlek.

Het Grote Tja is duister. Zelfs de toegangspoort tot het Grote Tja is gehuld in diepe duisternis. Je ziet er geen hand voor ogen. Er valt niets te onderscheiden.

Waar niets te onderscheiden is, valt niets te verenigen. Daar is geen veelheid en geen eenheid. Er is geen Tao en geen Tja. Er is geen zoeken, geen vinden en geen kwijtraken.

In den blinde kom je thuis.

De wijze houdt het bij niet-weten en niet-doen

Geïnspireerd door hoofdstuk 2 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wat in het maanlicht mooi schijnt, lijkt lelijk in de zon. Is het nou mooi of lelijk?

Wat voor een kind makkelijk schijnt, lijkt moeilijk voor een volwassene. Is het nou makkelijk of moeilijk?

Wat hoog schijnt voor een dwerg, lijkt laag voor een reus. Is het nou hoog of laag?

Wat veraf schijnt voor een schildpad, lijkt dichtbij voor een haas. Is het nou veraf of dichtbij?

Wat in het ene opzicht goed schijnt, lijkt in een ander opzicht slecht. Is het nou goed of slecht?

Wat vrij lijkt voor het gevoel, schijnt onvrij voor het verstand. Ben je nou vrij of onvrij?

De wijze houdt het in zijn oordelen bij niet-weten, in zijn handelingen bij niet-doen. Zo leeft hij zijn leer zonder lering. Zo drukt hij wel uit maar niet dood.

Alleen zuchten geeft enige verlichting

Geïnspireerd door hoofdstuk 3 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Betrokkenheid geeft bemoeizucht, onverschilligheid geeft zelfzucht.

Idealisme geeft veranderzucht, eigenbelang geeft behoudzucht.

Hoop geeft bouwzucht, wanhoop geeft vernielzucht.

Macht geeft heerszucht, onmacht geeft wraakzucht.

Rijkdom geeft praalzucht, armoede geeft hebzucht.

Alleen zuchten geeft enige verlichting.

Tja is geen wijze, maar een wijze van spreken

Geïnspireerd door hoofdstuk 4 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja is leeg, bodemloos leeg. Wat je er ook in stopt, je vindt het nooit meer terug.

Het maakt bot wat scherp is, het woelt los wat vastzit. Het versterkt wat zwak is, het dimt wat verblindt.

Het vermindert de verschillen zonder eenheid te scheppen. Het verheldert het troebele zonder duidelijkheid te geven.

Tja is geen wijze, maar een wijze van spreken. Het komt nergens uit voort en mondt nergens in uit, behalve de mond.

De wijze is zonder natuur

Geïnspireerd door hoofdstuk 5 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De natuur is niet barmhartig. De natuur is niet onbarmhartig. De natuur is de natuur.

De wijze is niet barmhartig. De wijze is niet onbarmhartig. De wijze is niet wijs.

Wat zich in de natuur afspeelt, lijkt nergens op. Het is goed noch slecht, juist noch onjuist, slim noch dom, zinvol noch zinloos. Daarin komt het de wijze nabij.

Grote geleerdheid leert met harde stelligheid. Het Grote Tja ontstelt door hardleersheid. De wijze is zonder natuur. Hij lijkt nergens op.

Groen fantasiefiguur opgebouwd uit kleine figuurtjes en sierlijke lijnen
De wijze is zonder natuur. Hij lijkt nergens op.

Als een priester zonder mond

Geïnspireerd door hoofdstuk 6 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als een kip zonder kop
Als een berg zonder top
Als een dal zonder bodem
Als een vrouw zonder poort
Als een wezen zonder wezen
Als een opschrift zonder woord
Als een priester zonder mond
Als een reus zonder grootte
Als een hemel zonder rijk
Als een erf zonder grond
Als een dode zonder lijk
Zo is het Grote Tja

Klein onmogelijke vraagteken
Als een vraagteken zonder vraag

Waarom de wijze er geen strategie op nahoudt

Geïnspireerd door hoofdstuk 7 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De hemel bestaat al heel lang, de aarde is al op leeftijd, de mensheid komt pas net kijken en het individu is hoe dan ook geen lang leven beschoren.

Wat mensen ook claimen, er lijkt geen formule te zijn die een goede gezondheid en een hoge leeftijd garandeert.

Iemand die op de achtergrond blijft wordt niet per se ouder dan iemand die op de voorgrond treedt.

Iemand die alleen voor anderen leeft wordt niet per se ouder dan iemand die alleen voor zichzelf leeft.

Iemand die zijn lichaam cultiveert wordt niet per se ouder dan iemand die zijn lichaam negeert of misbruikt.

Iemand die zijn eigenbelang nastreeft door niet zijn eigenbelang na te streven wordt niet per se ouder dan iemand die dat wel doet.

Vandaar dat de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt voor een goede gezondheid en een hoge leeftijd.

Ook dat is geen formule voor een goede gezondheid en een hoge leeftijd.

In het antwoorden gaat er niets boven vragen

Geïnspireerd door hoofdstuk 8 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Water stroomt, ijs kraakt, stoom doodt. Vast, vloeibaar, gasvormig – nooit bepaalt water zijn eigen toestand. Onbedoeld oefent het invloed uit, ten goede of ten kwade, maar meestal allebei. Daarin komt het de wijze nabij.

Gierzwaluwen wonen in de lucht, struisvogels op het zand, vissen onder water. Ze kunnen niet anders en ze willen niet anders. Mensen gedijen op de grond, maar hunkeren naar de hemel. Dat is hun lot. Ze kunnen wel anders maar ze willen niet anders. Vol zijn van de grond waarop je gedijt is voor weinigen weggelegd.

Voor het denken is veelzijdigheid het best, voor diepzinnigheid oppervlakkigheid. In het antwoorden gaat er niets boven vragen. In het vragen gaat er niets boven lachen. Lachen tot het je vergaat, en er niets meer boven staat.

Blaam is geen blamage

Geïnspireerd door hoofdstuk 8 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Blaam is geen blamage. Je kunt het niet bestrijden door faam te vermijden.

Zodra en zolang je het onderscheid tussen blaam en faam doorziet, ben je verlost van beide. Kun je dat niet, dan is dat geen blamage.

Wanneer maak je er een eind aan?

Geïnspireerd door hoofdstuk 9 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Om te snijden kan een koksmes niet scherp genoeg zijn, om je vingers te sparen niet bot genoeg. Hoe lang moet je slijpen?

Om een hersentumor te verwijderen snij je zoveel mogelijk weefsel weg, om de hersenen te ontzien zo min mogelijk. Hoeveel snij je weg?

Om later te genieten moet je voor het zingen de kerk uit, om nu te genieten erna. Hoe lang blijf je binnen?

Voor een bloeiende beschaving zijn veel mensen nodig, voor een bloeiende natuur weinig. Hoeveel is genoeg?

Om ziektekiemen te bestrijden moet je lang antibiotica slikken, om je darmflora te behouden kort. Hoe lang ga je door?

Om euthanasie te plegen moet je wilsbekwaam zijn, wie nog wilsbekwaam is stelt het vaak uit. Wanneer maak je er een eind aan?

Om niet-weten te vinden moet je vragen stellen, maar van vragen komen antwoorden. Hoe ver vraag je door?

Om je van je gedachten te bevrijden moet je nadenken, maar wie nadenkt wordt bevangen door gedachten. Hoe diep moet je gaan?

Van je onwetendheid geen verlichting maken, kun je dat?

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Je op je adem concentreren en hem zacht maken, kun je dat? Je op je adem concentreren zonder hem te veranderen, kun je dat? Gewoon doorademen zonder op te letten, kun je dat?

Iets goed doen, kun je dat? Iets doen zonder goed, kun je dat? Iets doen zonder doen, kun je dat?

Zitten en je hoofd leegmaken, kun je dat? Zitten zonder je hoofd leeg te maken, kun je dat? Zitten tot je opstaat, kun je dat?

Je onzichtbare spiegel rein houden, kun je dat? Je onzichtbare spiegel onrein laten worden, kun je dat? Je onzichtbare spiegel breken, kun je dat?

Van je wijsheid geen verlichting maken, kun je dat? Van je niet-weten geen wijsheid maken, kun je dat? Van je onwetendheid geen niet-weten maken, kun je dat?

De wijze blijft rustig onder zijn onrust

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze blijft rustig onder zijn onrust. Bij wijze van wijsheid aanvaardt hij zijn dwaasheid, hoe groot ook. Hij surft op elk getij en weet van kip noch ei.

Terwijl de poorten van de hemel zich openen, doet de wijze wat hij doet zonder schaamte. Rondrennen als een kip zonder kop, piekeren als een kop zonder kip, doodzitten als een broedende hen – net wat er komt. Schaamt hij zich toch, dan schaamt hij zich daar niet voor. Schaamt hij zich er toch voor, dan schaamt hij zich niet.

Waarom je de weg niet kunt kwijtraken

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is geen weg, het is geen wegennet – het is een eindeloze vlakte. Vooruit, achteruit, linksom, rechtsom, de weg is overal.

Vandaar dat je de weg nooit zult vinden, wat je ook doet of nalaat. Vandaar ook dat je de weg nooit zult kwijtraken, in geen tienduizend jaar.

Een vrije geest is een lege geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 11 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie zijn beweeglijkheid wil verliezen moet zijn huis volproppen. Wie verstopt wil raken moet zijn buik volproppen. Wie gek wil worden moet zijn hoofd volproppen.

Een vrije geest is een lege geest. Een lege geest heeft een lege leer. Hij heeft er geen omkijken naar. Daarom kan hij overal vrij rondkijken.

Grote Gedachten, Grote Dwaasheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 12 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Zie je het dan niet?

Grote Prikkels verblinden de geest.
Grote Passies verblinden de geest.
Grote Ambities verblinden de geest.

Grote Woorden verblinden de geest.
Grote Idealen verblinden de geest.
Grote Goden verblinden de geest.

Groot Geloof verblindt de geest.
Grote Wijsheid verblindt de geest.
Grote Waarheid verblindt de geest.

Groot Gezag verblindt de geest.
Grote Wetenschap verblindt de geest.
Grote Verlichting verblindt de geest.

Daarom zegt Meester Tja: Grote Gedachten, Grote Dwaasheid; kleine gedachten, kleine wijsheid.

Of is dat een Grote Gedachte?

Het wel en wee van ja en nee

Geïnspireerd door hoofdstuk 13 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

In de gunst staan is plezierig, omdat het voordelen biedt, aanzien geeft en het ego streelt. In de gunst staan is vervelend, omdat het verplichtingen met zich meebrengt, vleierij uitlokt en ieder moment afgelopen kan zijn. Wie kunnen we het best belasten met het bestuur: iemand die in de gunst wil staan of iemand die onafhankelijk is? Wat is beter voor je, wel of niet in de gunst staan?

Een hoge positie is plezierig omdat je dan invloed hebt, vrienden krijgt en beloond wordt. Een hoge positie is vervelend omdat je dan verantwoordelijkheid draagt, vijanden krijgt en je gezondheid schaadt. Wie kunnen we het best belasten met het bestuur: iemand die een hoge positie ambieert of iemand zonder ambities? Wat is beter voor je, wel of geen hoge positie?

Wie zijn gezondheid verspeelt kan het rijk niet besturen, wie het rijk verspeelt kan nog wel voor zijn lichaam zorgen. Wat is belangrijker, en voor wie?

Duivelse dilemma’s – het wel en wee van ja en nee.

Kennen kunnen wij ons lichaam niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 13 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Grote geneugten voltrekken zich aan ons lichaam,
grote rampen voltrekken zich aan ons lichaam,
grote gevoelens voltrekken zich aan ons lichaam,
grote gedachten voltrekken zich aan ons lichaam,
ziekte en dood voltrekken zich aan ons lichaam,
maar kennen kunnen wij ons lichaam niet.

Daarom:

Wie de wereld kent als zijn lichaam, die kan men het Tja wel toevertrouwen.

Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

We kijken wel, maar we snappen het niet.
We luisteren wel, maar we snappen het niet.
We proeven wel, maar we snappen het niet.
We ruiken wel, maar we snappen het niet.
We voelen wel, maar we snappen het niet.
We denken wel, maar we snappen het niet.
Dit zijn de zes facetten van het Tja.

Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

De leidraad van Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja komt nooit op en gaat nooit onder. Ze geeft licht noch duisternis, raad noch onraad. Ze schept eenheid noch veelheid, orde noch chaos, zin noch onzin.

Nooit geeft ze nee ofte ja. Dat is de leidraad van Tja.

Houdt u liever van de domme

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Waarom trachten te doorgronden?
Houdt u liever van de domme.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft te doen.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft te doen alsof.

Het Grote Mysterie en het Grote Alsof

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nooit is iemand doorgedrongen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Noch in het grijze verleden, noch in het kleurrijke heden. Nooit zal iemand erin hoeven doordringen. Waarom niet?

Omdat alles en iedereen reeds doordrongen is van de duisternis van de subtielste mysteriën. Wijzelf zijn een en al duisternis en mysterie. Te duister, te mysterieus zelfs om duisternis of mysterie te noemen, subtiel of grof, god of kosmos, ik of gij, zelf of wij, dit of dat.

De duisternis is in je en om je heen – je bent het zelf, maar je ziet het niet. Je bent er al van doordrongen, maar doordringen wil het niet. Je kunt het niet zien, want je wilt het niet zien. Je wilt het niet zien, want het onbekende jaagt je angst aan. Het onbekende jaagt je angst aan, ook al ben je het zelf.

Onophoudelijk vertellen we elkaar verhalen om aan de duisternis te ontsnappen. Onophoudelijk luisteren we naar elkaars duistere verhalen over een of ander Licht. Met zijn allen spelen we dat alles helder en klaar is.

Maar we spelen het niet klaar, we doen alleen alsof. Ook dat spelen we niet klaar, we doen alleen alsof we niet doen alsof. Waarom, vraag ik u? Ook dat maakt deel uit van het mysterie.

Dit was het Verhaal van de Duisternis van de Subtielste Mysteriën. Meester Tja deed even alsof.

Gelukkig is mijn ongeluk

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Onvolkomen is mijn volkomenheid,
harmonieus mijn disharmonie en
eindeloos mijn ondergang.

Gelaten is mijn doen,
vredig mijn onrust en
weteloos mijn weten.

De dwijze is dwaas noch wijs

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De dwijze is dwaas noch wijs. Hij weet en weet niet. Hij is zo licht en tastbaar als zijn nee en zijn ja, zo duister en ongrijpbaar als zijn eeuwige Tja. Zijn diepte is ondiepte, zijn oppervlakkigheid bodemloos.

Daar niemand gekend kan worden, zelfs niet als onkenbaar, zal ik een denkbeeld geven.

De dwijze is behoedzaam als wie zijn vrienden vreest en zijn vijanden vertrouwt. Ingetogen als een gast en opgetogen als een kind. Wijkend en kruiend als smeltend ijs. Massief als een berg en leeg als een vallei. Troebel als modder en helder als smeltwater.

Wie is het die zijn helderheid behoudt zonder de troebelen te klaren? Wie is het die rust neemt in beweging en beweging in rust?

De dwijze: vol en leeg, rijk en berooid, in en uit de tijd, is hij volkomen onvolkomen.

Waarom de wijze zich nooit laat kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 16 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze houdt niets achter. Toch laat hij zich nooit kennen.

Hij neemt niet aan, je weet maar nooit.
Hij wijst niet af, je weet maar nooit.

Hij keurt niet goed, je weet maar nooit.
Hij keurt niet af, je weet maar nooit.

Hij werkt niet tegen, je weet maar nooit.
Hij werkt niet mee, je weet maar nooit.

Hij blijft niet thuis, je weet maar nooit.
Hij gaat niet weg, je weet maar nooit.

Hij raadt niet aan, je weet maar nooit.
Hij raadt niet af, je weet maar nooit.

Hij juicht niet mee, je weet maar nooit.
Hij klaagt niet mee, je weet maar nooit.

Soms weet hij wél, je weet maar nooit.
Maar meestal niet, hij weet het nooit.

Daarom laat de wijze zich nooit kennen. Toch houdt hij niets achter.

Geen ruimte zo groot, geen stilte zo diep

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Geen ruimte zo groot als de ruimte van de lege geest. De tienduizend gedachten, ik zie ze verschijnen, ik zie ze verdwijnen. Ook die over hun verschijnen en verdwijnen. Ook die over de ruimte van de lege geest.

Hebben de tienduizend gedachten een oorsprong? Hebben ze een bestemming? Is de oorsprong de bestemming? Is de oorsprong onveranderlijk?

Geen stilte zo diep als de stilte van het lege woord.

Tja maakt ongewild mild

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja maakt ongewild mild. Wie ongewild mild is, sluit niets uit, wat hij ook uitsluit. Hij bevestigt niet wat hij nú niet kan bevestigen, hij ontkent niet wat hij nú niet kan ontkennen. Daarom bevestigt hij niet en ontkent hij niet. Dat is alles – het is niets.

Wie Tja heeft, vertegenwoordigt alles of niets. Hij vertegenwoordigt hemel én aarde. Hij vertegenwoordigt jou noch mij. Hij vertegenwoordigt nee én ja.

Wie Tja heeft, is geen vertegenwoordiger, maar geenszins tegen woorden. Groot schijnt hem zijn tegenwoordigheid van geest, maar alleen vergeleken met vroeger.

Soeverein noch onaanraakbaar lijkt hij, alwetend noch onwetend, hemels noch aards, levend noch dood. Een raadsel dat geen oplossing behoeft.

(17)

Grote heersers heersen niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Van grote heersers weten de onderdanen nauwelijks dat ze bestaan.
Grote heersers weten zelf nauwelijks dat ze bestaan, noch weten ze of hun onderdanen wel bestaan, noch weten ze wie heerst over wie.

Nooit menen ze enige verdienste verworven, enig werk volvoerd te hebben. Nooit zijn ze bedachtzaam of onnadenkend. Nooit zijn hun woorden of daden kostbaar.

Wat ze ook doen, ze doen maar wat, en ook hun niet-doen doen ze niet. Wat ze ook zeggen, ze zeggen maar wat en dat zeggen ze ook, al is het alweer teveel gezegd.

Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

Geïnspireerd door hoofdstuk 18 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wanneer het Grote Tja krimpt, krijgen we…

Regels en principes
Geloften en geboden
Wegen en methoden
Standpunten en ruzies

Goed en kwaad
Deugd en zonde
Schuld en boete
Inquisitie en aflaat

Heilige en heiligschennis
Hoogmoed en deemoed
Tweedracht en eendracht
Loopgraaf en praalgraf

Geloof en overtuiging
Kennis en onwetendheid
Meester en leerling
Welles en nietes

Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

Geen enkele richtlijn maakt vrij

dus luister vooral niet naar mij

Geïnspireerd door hoofdstuk 19 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Vergeet het weten en vergeet het vergeten. Stop met het vereren van kennis en onwetendheid. Hou op met onderscheiden en verenigen. Laat al je denkbeelden gaan, ook deze, en luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen sluwheid kennen, je hebzucht. Zolang wij er zijn zullen er rovers en dieven zijn.

Leer je eigen praatzucht en praalzucht kennen. Zolang wij er zijn zullen er uitslovers zijn.

Leer je eigen pretenties kennen, je dromen. Zolang wij er zijn zullen er radicalen zijn.

Leer je eigen liefde kennen, je mededogen. Zolang wij er zijn zullen er verlossers zijn.

Niet willen begeren is begeerte. Echt willen zijn is nep. Streven naar eenvoud is ingewikkeld. Niets is van nature onnatuurlijk. Geen enkele richtlijn maakt vrij, dus luister vooral niet naar mij.

Verzaak de wijsheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 19 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Verzaak de wijsheid.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee van liefde hebben.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee van liefde hebben, en toch niet zonder zijn.

Verzaak de wijsheid en u zult geen afkeer van begeerte hebben, noch onverschilligheid begeren.

Verzaak de wijsheid en het onzuivere dat u zozeer veracht zal op zijn eigen wijze maagdelijk blijken.

Verzaak de wijsheid en uw ik-zucht zal de uwe niet zijn, zij zal u niet dienen en aan anderen geen schade berokkenen.

Verzaak de wijsheid en u zult het recht niet meer kennen, niet meer vaardig wezen, rechtvaardig noch onrechtvaardig zijn over anderen of uzelf.

Verzaak de wijsheid en u zult het volk niet meer kennen, geen voordeel kennen, door niemand meer bevoordeeld worden en niemand nog bevoordelen.

Verzaak de wijsheid en de laatsten zullen de eersten zijn, de eersten weer de laatsten.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee hebben van hemel of hel, hoger of lager, absoluut of relatief.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid.

Wijsheid is van alle markten, maar nooit thuis

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Over bevestigen en ontkennen zegt men:

  1. Ja is ja en nee is nee.
  2. Ja is nee en nee is ja.
  3. Het is altijd ja én nee.
  4. Het is altijd ja noch nee.

Over leren zegt men:

  1. Hou op met leren, dan leef je onbezorgd.
  2. Hoe meer je leert, hoe minder zorgen.
  3. Geleerd of ongeleerd, zorgen zijn zorgen.
  4. Onbezorgd leven kun je leren.

Over vrees zegt men:

  1. Wie vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  2. Wie vrees inboezemt heeft zelfs niets meer te vrezen.
  3. Wie geen vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  4. Wie geen vrees inboezemt heeft niets te vrezen.

Over schoonheid zegt men:

  1. Iets is altijd mooi óf lelijk.
  2. Iets is altijd mooi én lelijk.
  3. iets is nooit mooi of lelijk.
  4. Mooi is lelijk, lelijk is mooi.
  5. Iets is nu eens mooi dan weer lelijk.
  6. Iets kan mooi zijn in het ene opzicht, lelijk in het andere.
  7. Wat mooi is voor de een, is lelijk voor de ander.
  8. Niets is mooi of lelijk van zichzelf, dat maakt het denken ervan.

Wijsheid is van alle markten – maar nooit thuis.

Waarom, dat vraag ik niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nu eens lig ik stil zonder teken als een baby die niet weet wat lachen is, dan weer straal ik van lust als wie zich vergast aan het stierenoffer.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch, dan vraag ik niet waarom.

Dikwijls keer ik naar binnen als wie in de zomer terrassen bestijgt of zich ’s winters verwarmt aan een vuur.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch, dan vraag ik niet waarom.

De grenzeloze ruimte tussen weten en niet-weten

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie ongetwijfeld zegt, wéét. Wie waarschijnlijk zegt, wéét. Wie misschien zegt, wéét. Wie onwaarschijnlijk zegt, wéét. Wie onmogelijk zegt, wéét.

Zo gering als het verschil tussen ongetwijfeld en onmogelijk, zo onmetelijk is het verschil tussen weten en niet-weten.

Mijn meester heeft geen leerlingen

Geïnspireerd door hoofdstuk 21 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Mijn zien is zonder zien.
Mijn horen is zonder horen.
Mijn ruiken is zonder ruiken.
Mijn voelen is zonder voelen.

Zien, horen, ruiken, voelen –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn denken is zonder denken.
Mijn weten is zonder weten.
Mijn menen is zonder menen.
Mijn oordelen is zonder oordelen.

Denken, weten, menen, oordelen –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn doen is zonder doen.
Mijn laten is zonder laten.
Mijn komen is zonder komen.
Mijn gaan is zonder gaan.

Doen, laten, komen, gaan –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn geven is zonder geven.
Mijn nemen is zonder nemen.
Mijn hebben is zonder hebben.
Mijn zijn is zonder zijn.

Geven, nemen, hebben, zijn –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn spreken is zonder spreken.
Mijn zwijgen is zonder zwijgen.
Mijn leven is zonder leven.
Mijn sterven is zonder sterven.

Spreken, zwijgen, leven, sterven –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn geest is zonder geest.
Mijn lichaam is zonder lichaam.
Mijn liefde is zonder liefde.
Mijn haat is zonder haat.

Geest, lichaam, liefde, haat –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn lust is zonder lust.
Mijn onlust is zonder onlust.
Mijn wil is zonder wil.
Mijn onwil is zonder onwil.

Lust, onlust, wil, onwil –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn gehechtheid is zonder gehechtheid.
Mijn onthechting is zonder onthechting.
Mijn onderscheid is zonder onderscheid.
Mijn eenheid is zonder eenheid.

Gehechtheid, onthechting, onderscheid, eenheid –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn deugd is zonder deugd.
Mijn zonde is zonder zonde.
Mijn vreugde is zonder vreugde.
Mijn verdriet is zonder verdriet.

Deugd, zonde, vreugde, verdriet –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn waarheid is zonder waarheid.
Mijn wijsheid is zonder wijsheid.
Mijn kennis is zonder kennis.
Mijn filosofie is zonder filosofie.

Waarheid, wijsheid, kennis, filosofie –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn moraal is zonder moraal.
Mijn realiteit is zonder realiteit.
Mijn religie is zonder religie.
Mijn verlichting is zonder verlichting.

Moraal, realiteit, religie, verlichting –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn eenvoud is zonder eenvoud.
Mijn woord is zonder woord.
Mijn bede is zonder bede.
Mijn vaart is zonder vaart.

Eenvoud, woord, bede, vaart –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn Tao is zonder Tao.
Mijn Boeddha is zonder Boeddha.
Mijn God is zonder God.
Mijn ik is zonder ik.

Tao, Boeddha, God, ik –
Alle volgen het Grote Tja.

Het Grote Tja is geen volgeling.
Mijn meester heeft geen meester.
Hij is een leerling van niets.
Ik ben mijn eigen leerling.

Het Grote Tja is niet te volgen.
Mijn meester heeft geen leerlingen.
Hij is een meester van niets.
Ik ben mijn eigen meester.

De wijze heeft niets te verhullen of onthullen

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie veel heeft, zal verkrijgen of verliezen. Wie weinig heeft vergaat het niet anders.

Wat stuk is wordt hersteld of gedumpt. Wat krom is trekt rechter of krommer. Wat buigt veert terug of barst. Wat hol is loopt leeg of vol.

Al houdt het Tja zich niet aan hem, de wijze houdt zich aan het Tja. Zodoende is hij herder noch schaap, verdienstelijk noch onverdienstelijk, aanzienlijk noch onaanzienlijk.

De wijze heeft niets te verhullen, daarom spreekt hij vrijuit. Hij heeft niets te onthullen, daarom zwijgt hij voluit. Hij houdt zich aan het vele noch aan het ene, en veinst nimmer ongeveinsd te zijn.

Wie in de schaduw staat werpt geen licht

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing

Meester Tja kan het niet vaak genoeg zeggen:

Wie zichzelf in het licht stelt zal een schaduw werpen, maar wie zichzelf in de schaduw stelt werpt daarom nog geen licht. De wijze stelt zichzelf niet in het licht, maar daarom schittert hij nog niet. Hij slaat zichzelf niet hoog aan, maar daarom blinkt hij nog niet uit.

Heel even dacht ik niets

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Eerst dacht ik: Alle mensen hebben over, ik alleen ben leeg
Toen dacht ik: Alle mensen zijn leeg, ik alleen heb over
Daarna: Ik alleen heb over, en toch ben ik leeg
Toen: Niets heb ik over, toch ben ik niet leeg
En: Wist ik nou maar hoe het zat
En: Of toch maar liever niet
Heel even dacht ik niets
Ook dat was zo –
Voorbij

Waarom de wijze niet van ophouden weet

Geïnspireerd door hoofdstuk 23 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De hele dag praten is natuurlijk. Nu eens spreken, dan weer zwijgen is natuurlijk. Weinig spreken is natuurlijk. Geen stom woord zeggen – niets is onnatuurlijk. Als de mens al geen maat weet te houden, hoeveel minder dan de natuur.

Een storm blaast wekenlang of waait snel over. Stortregen, droogte, hitte of koude put zich uit of houdt aan. Als hemel en aarde al geen maat weten te houden, hoeveel minder dan de dwaas.

Ook wie Tja heeft is mateloos. Hij weet niet van ophouden omdat hij nergens aan begint. Hij weet niet van beginnen, omdat hij overal klaar mee is. Daarom kan niemand iets met hem beginnen.

Hij weet niet van winnen omdat hij alles al heeft. Hij weet niet van verliezen omdat hij alles al kwijt is. Daarom kan niets of niemand van hem winnen of verliezen. Zelfs niet de natuur.

Wie nergens op staat valt vrij

Geïnspireerd door hoofdstuk 24 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Iedereen schept weleens op, tegen zichzelf of tegen anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – opscheppen doen we allemaal. Ook ik wil weleens opscheppen, al is het maar door niet op te scheppen.

Iedereen loopt weleens te paraderen, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – paraderen doen we allemaal. Ook ik wil weleens paraderen, al is het maar door niet te paraderen.

Iedereen wil weleens schitteren, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – schitteren doen we allemaal. Ook ik wil weleens schitteren, al is het maar door niet te schitteren.

Iedereen doet weleens alsof, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – pretenderen doen we allemaal. Ook ik wil weleens doen alsof, al is het maar door niet te doen alsof.

Daarom:

Wie zijn pretenties ontkent, staat zwak. Wie zijn pretenties erkent, staat sterk. Wie andermans pretenties herkent, staat nergens op. Wie nergens op staat valt vrij. Of is dat weer opschepperij?

Wie denkt er zo ver met mij mee

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Was de aarde er vóór de dingen?
Was de hemel er vóór de aarde?
Zo ja of nee, wat was er dan vóór
die tienduizendtwee?
Wie denkt er zo ver
met mij mee?

Heeft de kosmos een moeder?
Heeft de moeder een vader?
Heeft de vader een oorzaak?
Heeft de oorzaak een bron?
Heeft de bron een naam?
Heeft de naam een naamgever?

Als wij de naamgever zijn,
waar komen wij dan vandaan?
Waar zijn wij op dit moment?
Waar gaan we zo naartoe?
Wie waren wij, wie zijn wij en
zijn wij er straks
geweest?

Zijn dit de juiste vragen?
Zijn er juiste vragen?
Zijn vragen echt
wel vragen
of zijn ze al
het antwoord?

Groots schijnt de kosmos.
Grootser de onzekerheid
die hem verhult.

Of is het de onzekere – schepper
zonder vlees of braam?
Nog weet ik niet zijn naam,
alleen zijn bijnaam
mag er wezen
als zijn wezen
noch zijn vorm –
het Grote Tja
(on)aangenaam.

Het grote ja!
Het grote nee!
De boze heks!
De goede fee!
Het grote tja!
Gedachtenwee:
hoe groot precies
is een idee?

Is de aarde een idee?
Is de hemel een idee?
Is de kosmos een idee?
Is de moeder een idee?
Is de vader een idee?
Is de oorzaak een idee?
Is de bron maar een idee?
Of is dat ook maar een idee?

Wie denkt er zo ver
met wie mee?

Verlicht noch verduisterd

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Vraagt u mij wat ik ben dan zeg ik:

Wederkerend noch eenmalig
Bestaand noch onbestaand
Verlicht noch verduisterd
Vliedend noch inwonend
Verdeeld noch verenigd
Meester noch gezel
Levend noch dood
Wijs noch dwaas
Groot noch klein
Veraf noch nabij

Vraagt u mij hoe ik heet, dan zeg ik: Tja.

De wegleidweg naar de hemel

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De weg naar het Tja is de weg naar de hemel
De weg naar de hemel is de weg naar de aarde
De weg naar de aarde is de weg naar de mensen
De weg naar de mensen is de weg naar jezelf
De weg naar jezelf is de weg naar de geest
De weg naar de geest is de weg naar het weten
De weg naar het weten is de weg naar niet-weten
De weg naar niet-weten is de weg naar het Tja
De weg naar het Tja leidt overal van weg
De wegleidweg leidt recht naar de hemel

Wie stilte zoekt hoort alles

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie de wereld bestuurt verliest zijn lichaam uit het oog.
Wie zijn lichaam verzorgt verliest de wereld uit het oog.

Wie bezorgd is over zijn bagage zal slecht slapen.
Wie goed slaapt zal beroofd worden.

Wie zwak is wordt onder de voet gelopen.
Wie sterk is wordt uitgedaagd.

Wie veel weegt komt moeilijk in beweging.
Wie weinig weegt waait makkelijk om.

Wie niets onderneemt verveelt zich dood.
Wie iets onderneemt ergert zich dood.

Wie arm is heeft weinig te besteden.
Wie rijk is heeft veel te verliezen.

Wie alles hoort zoekt stilte.
Wie stilte zoekt hoort alles.

Wie Tja heeft…

De wortel van wijsheid en dwaasheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wat zwaar lijkt voor het kind lijkt licht voor de ouder. Zwaar kan de wortel van licht niet zijn, licht niet de wortel van zwaar.

Wat rust lijkt vanuit de zon lijkt beweging vanuit de aarde. Rust kan de wortel van beweging niet zijn, beweging niet de wortel van rust.

Wat koud lijkt voor een warme hand lijkt warm voor een koude. Koude kan de wortel van warmte niet zijn, warmte niet de wortel van koude.

Wat wijsheid lijkt voor een dwaas, lijkt dwaasheid voor een wijze. Wijsheid kan de wortel van dwaasheid niet zijn, dwaasheid niet de wortel van wijsheid.

Een goede denker laat geen gedachten na

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een goede dichter opent.
Een goede leraar leert af.
Een goede leerling spijbelt.
Een goede zoeker vindt niets.
Een goede reiziger blijf thuis.
Een goede bouwer ondermijnt.
Een goede advocaat verdedigt niet.
Een goede verzamelaar neemt niet mee.
Een goede denker laat geen gedachten na.
Een goede zwijger heeft veel woorden nodig.
Een goede spreker neemt zijn woorden terug.
Een goede verstaander heeft genoeg aan stilte.

Ook de wijze weet niet beter. Daarom hoeft hij niemand te redden of anderen het redden te beletten.

Door niet naar het licht te streven geeft hij ruimte aan het duistere. Zo verkleint hij het verschil.

De meester niet hoogschatten, de leerling niet geringschatten, daar begint het mee. Wie kan zeggen waarmee het eindigt?

Niet-gaan behoeft geen voertuig

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Niet-uitmunten behoeft geen oefening
en niemand voelt zich minder

Niet-verwerpen behoeft geen vuisten
en niemand neemt aanstoot

Niet-weten behoeft geen uitspraak
en niemand kan verdedigen

Niet-rekenen behoeft geen telraam
en niemand maakt fouten

Niet-binden behoeft geen banden
en niemand kan losknopen

Niet-helpen behoeft geen handen
en niemand kan weigeren

Niet-sluiten behoeft geen grendel
en niemand kan openen

Zo word je ’s werelds schilder

Geïnspireerd door hoofdstuk 28 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Doorzie het mannelijke en het vrouwelijke, dan word je ’s werelds fallus. De honderd seksen zul je welkom heten als je eigen geslacht.

Doorzie je eergevoel en je schaamte, dan word je ’s werelds vlakte. De duizend dalen zul je welkom heten als je eigen piek.

Doorzie het witte en het zwarte, dan word je ’s werelds schilder. De tienduizend tinten zul je welkom heten als je eigen kleurenpalet.

Ik verloor mijn onbegrip en mijn begrip

Geïnspireerd door hoofdstuk 28 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Ik verloor mijn kwetsbaarheid en mijn soevereiniteit, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn vrienden en mijn vijanden, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn ondeugd en mijn deugd, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn hel en mijn hemel, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn doen en mijn laten, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn weg en mijn doel, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn dwaasheid en mijn wijsheid, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn weten en mijn niet-weten, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Mijn Tja ben ik nooit verloren – ik heb het nooit gehad.

Een denkbeeld voorbij alle denkbeelden

Geïnspireerd door hoofdstuk 29 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Boeren maken hokken op hun erf om dieren in op te sluiten. Dit heet: veeteelt.

Mensen maken hokjes in hun hoofd om gedachten in op te sluiten. Dit heet: denkteelt.

Denkteelt is een ander woord voor geleerdheid. Geleerdheid is een ander woord voor hoop. Hoe kleiner de hokjes, hoe groter de geleerdheid. Hoe groter de geleerdheid, hoe ijdeler de hoop.

Nooit krijg je je geest in een hokje gepropt. De geest is groter dan alle denkbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je jezelf in een hokje gepropt. Jijzelf bent groter dan alle zelfbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je de mens in een hokje gepropt. De mens is groter dan alle mensbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je de wereld in een hokje gepropt. De wereld is groter dan alle wereldbeelden bij elkaar.

De wereld die groter is dan alle wereldbeelden bij elkaar, de mens die groter is dan alle mensbeelden bij elkaar, de jij die groter is dan alle zelfbeelden bij elkaar, de geest die groter is dan alle denkbeelden bij elkaar – het zijn op hun beurt hokjes in je hoofd, beperkt en beperkend. Wat valt er zonder nog te zeggen?

De wijze zonder wijsheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 29 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Sommigen vechten zich moeizaam omhoog, anderen zitten gauw bij de pakken neer. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen kunnen wel tegen een stootje, anderen zijn gauw van slag. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen moeten voorgaan, anderen moeten volgen. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen verdragen geen hitte, anderen geen koude. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen richten beelden op, anderen halen ze neer. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen gedijen bij rust, anderen bij actie. Wie kan zeggen waarom?

De wijze vermijdt alle wijsheid. U snapt nu wel waarom.

Niet-weten is een weldaad voor de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 30 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoor ze toch tekeer gaan: ‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar vrede!’ ‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar oorlog!” Tijdens vrede verlangt iedereen naar oorlog en omgekeerd!’ ‘Iedereen verlangt zowel naar vrede als naar oorlog!’

‘Wapens veroorzaken geweld!’ ‘Wapens voorkomen geweld!’ ‘Wapens kunnen zowel geweld veroorzaken als voorkomen!’ ‘Geweld vindt ook zonder wapens zijn weg!’ ‘Wapens moeten een staatsmonopolie zijn!’ ‘Iedereen heeft recht op wapens! Wapens moeten verboden worden!’

‘Alleen geweld kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen geweldloosheid kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen innerlijke vrede kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen politieke hervorming kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen economische hervorming kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen religie kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen technologie kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen eugenetica kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen geboortebeperking kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen een combinatie van maatregelen kan een eind maken aan geweld!’ ‘Niets kan een eind maken aan geweld!’

Wie tegen het Tja ingaat is er gauw geweest. Niet-weten is een weldaad voor de geest.

Zonder wapens geen wereld

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoofden zijn wapens
Tanden zijn wapens
Handen zijn wapens
Vingers zijn wapens
Ellebogen zijn wapens
Schouders zijn wapens
Geslachten zijn wapens
Knieën zijn wapens
Schenen zijn wapens
Voeten zijn wapens

Hoeven zijn wapens
Horens zijn wapens
Tentakels zijn wapens
Stekels zijn wapens
Klauwen zijn wapens
Poten zijn wapens
Vleugels zijn wapens
Angels zijn wapens
Tentakels zijn wapens

Stenen zijn wapens
Kiezels zijn wapens
Grit is een wapen
Zand is een wapen
Kuilen zijn wapens
Diepten zijn wapens
Hoogten zijn wapens

Water is een wapen
IJs is een wapen
Gas is een wapen
Lucht is een wapen
Slijm is een wapen
Lijm is een wapen
Olie is een wapen
Vuur is een wapen

Stokken zijn wapens
Ploegen zijn wapens
Spaden zijn wapens
Hamers zijn wapens
Sikkels zijn wapens
Vijzels zijn wapens
Messen zijn wapens
Vorken zijn wapens

Ziekten zijn wapens
Medicijnen zijn wapens
Kinderen zijn wapens
Dierbaren zijn wapens
Rijkdom is een wapen
Armoede is een wapen
Kracht is een wapen
Zwakte is een wapen

Hersens zijn wapens
Kennis is een wapen
Onkunde is een wapen
Gedachten zijn wapens
Emoties zijn wapens
Woorden zijn wapens
Zwijgen is een wapen

Zonder wapens geen wereld
Ook wie Tja heeft voert ze
In vrede, oorlog en afzijdigheid
Links, rechts en in het midden

Mensen doden en laten doden

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Mensen doden en laten doden.

Maar ze noemen het geen doden.

Ze noemen het een voorbeeld stellen.
Ze noemen het terechtstellen.
Ze noemen het gerechtigheid.
Ze noemen het euthanasie.
Ze noemen het verdedigen.
Ze noemen het beveiligen.
Ze noemen het Gods Wil.
Ze noemen het eerwraak.
Ze noemen het zuiveren.
Ze noemen het voorkómen.
Ze noemen het genezen.
Ze noemen het beheersen.
Ze noemen het bestrijden.
Ze noemen het ontsmetten.
Ze noemen het pasteuriseren.
Ze noemen het steriliseren.
Ze noemen het bestralen.
Ze noemen het afmaken.
Ze noemen het slachten.
Ze noemen het ruimen.
Ze noemen het vissen.
Ze noemen het jagen.
Ze noemen het wieden.
Ze noemen het rooien.
Ze noemen het onderhouden.
Ze noemen het oogsten.
Ze noemen het bereiden.
Ze noemen het eten.

Ze noemen het van alles, behalve doden.

Maar mensen doden en laten doden.

Gezegend zijn de doden

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het is tot mijn verdriet dat ik in het doden vreugde vindt.

Het is tot mijn vreugde dat ik in het doden verdriet vindt.

Gezegend zijn de doden. Hen maakt het niets meer uit.

De dienaren des levens zijn de dienaren des doods

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Dezelfde boom draagt de vrucht
en verstikt de zaailing

Hetzelfde mes snijdt het vlees aan
en de hals door

Dezelfde mond zoent de vriend
en bijt de vijand

Hetzelfde vuur gaart de kool
en verkoolt het brood

Hetzelfde water laaft de koe
en verdrinkt het kalf

De dienaren des levens
zijn de dienaren des doods

Hoe groot is een idee?

Geïnspireerd door hoofdstuk 32 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoe groot is een idee? Kleiner dan het allerkleinste omvat het Tja de hele wereld. Groter dan het allergrootste past het overal in.

Het Tja wil niets aan zich onderwerpen, hoe sterk het door zijn eenvoud ook is. Niets kan het Tja aan zich onderwerpen, hoe gering het in zijn eenvoud ook is.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren, dan keren alle gedachten zich spontaan tot hem. Ja en nee, hemel en aarde, deugd en ondeugd – alle tegenstellingen vermengen zich vrijelijk. Ze vloeien samen, lossen op en maken plaats voor nieuwe.

De geest schept werkelijkheden en vernietigt ze. Hij schept luchtkastelen en vernietigt ze. Hij schept waarden en vernietigt ze. Hij schept idealen en vernietigt ze. Hij schept ideeën en vernietigt ze. Hij schept namen en vernietigt ze.

De geest schept zonder terughoudendheid en vernietigd zonder uitzondering. Ook het idee van de geest als schepper en vernietiger. Ook het idee van het Grote Tja.

Dit heet: het Grote Tja.

Wie er een doel van maakt, zal het nooit bereiken

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie de ander meent te kennen, kent zijn eigen geest niet. Wie zijn eigen geest meent te kennen is onwetend. Wie zichzelf kent weet niet.

Wie anderen overwint verliest. Wie van anderen verliest wint niet. Wie niet van winnen weet verliest niet.

Een doel hebben betekent krachtig streven. Krachtig streven vraagt standvastigheid. Wie standvastig is gaat nergens heen.

Een standvastig leven is een onvoltooid leven. Een voltooid leven bestaat erin te verdwijnen voor je sterft. Wie daar een doel van maakt, zal het nooit bereiken.

Zacht is wie zijn woede kent

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Stand houdt wie zijn plaats niet kent.
Sterk is wie zijn kracht niet kent.
Groot is wie zijn kleinheid kent.
Hoog is wie zijn laagheid kent.
Wijs is wie de mens niet kent.
Thuis is wie de weg niet kent.
Zacht is wie zijn woede kent.
Vrij is wie zichzelf niet kent.

De wijze is groot in zijn kleinheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt recht door krom te spreken en mee in tegenspraken.

Hij vermenigvuldigt ter deling en verdeelt ter meerdering.

Hij is zacht in zijn hardheid en eenduidig in zijn dubbelheid.

Hij vertroebelt ter opheldering en vangt ter bevrijding.

Hij verzwaart, hij verduistert, maar steevast ter verlichting.

Nooit is een woord het laatste

Geïnspireerd door hoofdstuk 34 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weids is de blik van het Grote Tja. Links, rechts, voor, achter, boven, onder, binnen, buiten – alles neemt het in ogenschouw. Nooit is een woord het hoogste of het laatste, zelfs het laagste woord is een begin.

Het Tja doet zijn werk, maar vraagt er geen aandacht voor. Het ziet alles onder ogen, ook dat het dat niet kan. Het laat zich nergens op voorstaan zonder zich daarop voor te laten staan.

Het Tja heet iedereen welkom, ook degenen die het niet verwelkomen. De toegang is gratis, de uitgang is er voor niets.

Ruim is de geest die alle gedachten toelaat. Ruimer nog de geest die alle gedachten uitlaat. Hoe ruim is de geest die ook deze gedachten loslaat?

Waarom de wijze niet weigert

Geïnspireerd door hoofdstuk 34 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De tienduizend wezens
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Verdienste en berekening
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Liefde en haat
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Begeerte en apathie
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Wijsheid en dwaasheid
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Weten en niet-weten
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Weigering en aanvaarding
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Hij zou niet weten hoe.

De Grote Vrede zal je leren

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Neem het Grote Tja
Ga je geest door
Ga!

Niets kan je!
Deren

De Grote Vrede zal je!
Leren

Kleurloos als water – eeuwig fris

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Muziek en lekker eten, daar stoppen reizigers voor. Maar de woorden uit de mond van het Tja? Die zijn zouteloos en smakeloos.

Kijk naar het Tja. Niets dat het bekijken waard is!

Luister naar het Tja. Niets dat het horen waard is!

Denk over het Tja. Niets dat het overdenken waard is!

Leeg is de leer van de lege mens. Kleurloos als water – eeuwig fris.

Geen poort zonder muur

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Spreekt Tja over zichzelf, dan spreekt ze in alle toonaarden.

Noemt ze zich diep dan noemt ze zich oppervlakkig.
Noemt ze zich waarheid dan noemt ze zich leugen.
Noemt ze zich vrij dan noemt ze zich gedwongen.
Noemt ze zich eeuwig dan noemt ze zich tijdelijk.
Noemt ze zich geest dan noemt ze zich lichaam.
Noemt ze zich vrede dan noemt ze zich oorlog.
Noemt ze zich hemel dan noemt ze zich aarde.
Noemt ze zich licht dan noemt ze zich duister.
Noemt ze zich goed dan noemt ze zich kwaad.
Noemt ze zich poort dan noemt ze zich muur.
Noemt ze zich wijs dan noemt ze zich dwaas.
Noemt ze zich leven dan noemt ze zich dood.
Noemt ze zich één dan noemt ze zich veel.
Noemt ze zich piek dan noemt ze zich dal.

Zwijgt Tja over zichzelf, dan zwijgt ze in alle toonaarden.

Soms moet je dalen om te stijgen

Geïnspireerd door hoofdstuk 36 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms moet je versterken om te verzwakken.
Soms moet je verzwakken om te versterken.
Soms moet je versterken om te versterken.
Soms moet je verzwakken om te verzwakken.

Soms moet je vergroten om te verkleinen.
Soms moet je verkleinen om te vergroten.
Soms moet je vergroten om te vergroten.
Soms moet je verkleinen om te verkleinen.

Soms moet je verenigen om te scheiden.
Soms moet je scheiden om te verenigen.
Soms moet je verenigen om te verenigen.
Soms moet je scheiden om te scheiden.

Soms moet je moet je stijgen om te dalen.
Soms moet je dalen om te stijgen.
Soms moet je stijgen om te stijgen.
Soms moet je dalen om te dalen.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms is je ondergang je redding

Geïnspireerd door hoofdstuk 36 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms zijn wapens je redding, dan weer je ondergang.
Soms moet je ze tonen, dan weer verbergen.

Soms zijn woorden een hulpmiddel, dan weer een hinderpaal.
Soms moet je ze uitspreken, dan weer verzwijgen.

Wat gisteren mislukte gaat vandaag goed.
Wat vandaag lukt gaat morgen mis.

Wie kan zeggen waarom?

In een onzeker heden komt de geest tot rust

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Tja bestaat erin niets te weten en dat te vergeten. Niets te doen en dat te laten. Alles te doorzien, ook het doorzien. Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren, dan verliezen gedachten hun magie.

Ren je achter ideeën aan als een hond achter zijn staart? Brengen ze je onweerstaanbaar in beweging? Kun je hun betovering niet weerstaan?

Wie Tja heeft bestookt ze met vragen, ontwapent ze met alternatieven, ontnuchtert ze met stilte, brengt ze tot vrede met de de eenvoud van niet-weten.

In een onzeker heden komt de geest tot rust. Zonder schijnzekerheden uit toekomst en verleden. Zonder illusies, vrij van de illusie vrij van illusies te zijn, valt er niets meer te doen of te laten.

Ook deze gedachten verliezen dan hun magie.

Grote geestkracht berust nergens op

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing

De hoogste vorm van geestkracht berust niet op kracht. Geestkracht op basis van kracht forceert. Dat is dwang. Wie over grote geestkracht beschikt, baseert zich op niets. Wie zich op niets baseert heeft geen reden tot forceren. Ook het niet-forceren dwingt hij niet af. Zelfs zijn dwang is ongedwongen.

Menswaardigheid die zich menswaardig weet is niet zo menswaardig. Rechtvaardigheid die zich rechtvaardig weet is niet zo rechtvaardig. Deugd die zich deugdzaam weet is niet zo deugdzaam. Beleefdheid opleggen is onbeleefd. Beschaving afdwingen is onbeschaafd. Wijsheid vastleggen is dwaasheid.

Daarom is de wijze menswaardig zonder waarden. Rechtvaardig zonder rechten. Deugdzaam zonder deugden. Beleefd zonder beleefdheden. Beschaafd zonder beschaafdheid. Wijs zonder wijsheid.

Wie Tja heeft veinst niet te weten wat hij niet weet. Hij ontkent niet wat hij weet, maar erkent wat hij niet weet. Hij voelt zich thuis in den vreemde voor zover het hem bekend voorkomt. Hij voelt zich thuis in het bekende voor zover het hem vreemd voorkomt. Zijn eigen vreemdheid maakt hem zacht.

De hoogste vorm van geestkracht kent geen hoogte, geen geest en geen macht.

Waarom de wijze zich nergens aan houdt

Geïnspireerd door hoofdstuk 39 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze kent de geest niet van de stof, de jade niet van de kiezel.

Hij kent de hemel niet van de aarde, de goden niet van de mensen.

Hij kent de vorsten niet van de onderdanen, de rijken niet van de armen.

Hij kent het edele niet van het vulgaire, reinheid niet van verdorvenheid.

Hij kent de geest niet van het vlees, het bot niet van de stof.

Hij kent wijsheid niet van dwaasheid, volheid niet van leegte.

Hij kent het hier niet van het daar, het binnenste niet van buiten.

Hij kent vroeger niet van later, toen niet van nu.

Daarom houdt de wijze zich aan de kern noch de schors. Hij houdt zich aan de bloem noch de vrucht. Hij doet eens dit, hij doet eens dat, ach ja, hij doet maar wat.

Teruggaan is de dynamiek van het Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 40 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Teruggaan is de dynamiek van het Tja.

Uit het antwoord in de vraag,
uit de vraag in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de oplossing in het probleem,
uit het probleem in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de conclusie in de premissen,
uit de premissen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de zekerheid in de twijfel,
uit de twijfel in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het worden in het zijn,
uit het zijn in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de tijd in het heden,
uit het heden in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het nemen in het geven,
uit het geven in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit gehechtheid in onthechting,
uit onthechting in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de wereld in de geest,
uit de geest in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit mijn praatjes in mijn zinnen,
Uit mijn zinnen in mijn woorden,
Uit mijn woorden in de letters,
Uit de letters in de streepjes,
Uit de streepjes in het wit
dat allicht vol kleuren zit.

Het Ja van Tja lijkt Nee

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als een domoor van het Grote Tja hoort, verbaast het hem niet. Als een normaal mens van het Grote Tja hoort, schiet hij in de lach. Als een professor van het Grote Tja hoort, komt hij niet meer bij. Kwam hij toch bij, dan was het niet het Grote Tja. Hoe dat kan?

De weg van het Tja lijkt een doolhof.
Het vinden van het Tja lijkt verliezen.
De vrede van het Tja lijkt strijd.
De triomf van het Tja lijkt een fiasco.

De zekerheid van het Tja lijkt twijfel.
De grond van het Tja lijkt drijfzand.
De werkelijkheid van het Tja lijkt een illusie.
Het licht van het Tja lijkt duister.

De helderheid van het Tja lijkt troebel.
Het hart van het Tja lijkt een hoofd.
Het mededogen van het Tja lijkt meedogenloos.
De deemoed van het Tja lijkt hoogmoed.

De deugd van het Tja lijkt ondeugd.
De rijkdom van het Tja lijkt armoede.
De volheid van het Tja lijkt leegte.
De verrukking van het Tja lijkt vlak.

Het spel van het Tja lijkt menens.
Het wonder van het Tja lijkt gewoon.
De eenvoud van het Tja lijkt ingewikkeld.
De echtheid van het Tja lijkt gemaakt.

De wijsheid van het Tja lijkt dwaasheid.
De kracht van het Tja lijkt zwakte.
De diepte van het Tja lijkt oppervlakkig.
Het denken van het Tja lijkt dwalen.

Het doen van het Tja lijkt laten.
Het spreken van het Tja lijkt zwijgen.
Het zwijgen van het Tja lijkt zwetsen.
Een meester van het Tja lijkt een leerling.

Vandaar dat alleen domoren er niet om lachen.

Brullen om illusie en werkelijkheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie onverwacht in het Grote Tja verzeild raakt, is er ontdaan van. Alles staat op zijn kop. Pas na maanden of jaren begint hij er eindelijk de grap van in te zien. Eer het volledig is ingedaald, brult hij inwendig van het lachen.

Hij brult om illusie en werkelijkheid!
Hij brult om weten en niet-weten!
Hij brult om veelheid en eenheid!
Hij brult om leugen en waarheid!
Hij brult om ondeugd en deugd!
Hij brult om duisternis en licht!
Hij brult om vorm en essentie!
Hij brult om zijn en niet zijn!
Hij brult om aarde en hemel!
Hij brult om onjuist en juist!
Hij brult om tja en om tjee!
Hij brult om ja en om nee!
Hij brult om tao en tê!

Wie brult er eens
met ons mee?

Als een grote truc zonder truc

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als een groot vierkant zonder hoeken
Als een groot geluid zonder volume
Als een grote cirkel zonder straal
Als een groot beeld zonder vorm
Is het grote weten zonder weten

De geest is een idee

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De geest bedenkt de leegte
en noemt zich boeddhist.

De geest bedenkt het ene
en noemt zich monist.

De geest bedenkt de twee
en noemt zich dualist.

De geest bedenkt het niet-twee
en noemt zich non-dualist.

De geest bedenkt de drie
en noemt zich christen.

De geest bedenkt de vier
en noemt zich hindoe.

De geest bedenkt de tienduizend
en noemt zich pluralist.

De geest brengt alle ideeën voort, ook het idee van de geest die alle ideeën voortbrengt. Wie weet waarvandaan?

De schepselen torsen op hun ene schouder het ja, op hun andere het nee. Alleen door het verbinden van ja en nee ontstaan evenwicht en harmonie.

De geest noemt dit het Tja – het zoveelste idee. Het is nog steeds een juk – het juk van ja-en-nee.

Meester Tja doet niet meer mee.

Het binnenste buiten

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De tienduizend dingen dragen het lichtbeginsel buiten, het duister beginsel binnen. Ze tonen zich, maar laten zich niet kennen.

Het Tja keert ze binnenstebuiten. Binnenstebuiten tonen ze hun duister beginsel. Dit heet: het doden van de tienduizend dingen.

De tienduizend dingen keren het Tja op zijn beurt binnenstebuiten en openbaren zijn lichtbeginsel. Dit heet: het doden van het Tja.

De geest zonder geest is leer noch meester

Geïnspireerd door hoofdstuk 43 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms moet je iets doen, soms moet je iets laten
Soms overheerst de vorm, soms de leegte
Soms wint het harde, soms het zachte

Soms heb je een voorkeur, soms niet
Het Grote Tja heeft geen voorkeur
voor een leven zonder voorkeur

De geest zonder geest
is leer noch meester –
Een lege heer

Zonder Tja is het geen doen

Geïnspireerd door hoofdstuk 44 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Zonder succes kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder weten kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder macht kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder liefde kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder geluk kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder faam kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder bezit kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder hoop kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder doel kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder weg kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder God kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder Tao kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder lijf is er geen leven.

Zonder Tja is het geen doen.

Een lege heer

Geïnspireerd door hoofdstuk 45 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Tja heeft niets om het lijf, maar zijn trouw is hartverwarmend.

Het spreekt zichzelf tegen, maar zijn logica is onweerlegbaar.

Het bekeert niet, maar zijn wendbaarheid is ongeëvenaard.

Het zegt geen woord, maar zijn stilte spreekt boekdelen.

Het gaat nergens heen, maar zijn bereik is onbeperkt.

Het stelt niets voor, maar kan zich alles voorstellen.

Het strijdt niet, maar slaat zich overal doorheen.

Het gaat nooit voor, maar houdt niets achter.

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als de wereld geen Tja heeft, fokt men oorlogspaarden tot in de buitenwijken, vleespaarden tot in het centrum en mestpaarden tot in de tempel.

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van, en daarvan weer de keerzijden.

Van vasthoudendheid en van gemakzucht
Van begeerte en van lusteloosheid
Van kennis en van onwetendheid
Van hebzucht en van armoede
Van winnen en van verliezen
Van vechten en van vluchten
Van akkerbouw en veeteelt
Van jagen en verzamelen
Van groenten en granen
Van vlees en van vis
Van mest en van pis

Daarom:

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig.

Heb je niets dan heb je het rijk

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Heeft het rijk Tja, dan ziet het zonden als een kans op vergeving, vergeving als een oorzaak van zonde.

Heeft het rijk Tja, dan ziet het rampspoed als tijding van voorspoed, voorspoed als tijding van rampspoed.

Heeft het rijk Tja, dan bemesten renpaarden de akker en bevuilen ze het erf.

Heeft het rijk Tja, dan kan niemand de grenzen vinden waar de hengsten strijden.

Daarom:

Heb je Tja dan heb je niets.

Heb je niets dan heb je het rijk.

Kennen door niet-kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 47 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Om de wereld te kennen moet je jezelf kennen. Om jezelf te kennen moet je je lichaam kennen. Om je lichaam te kennen moet je je geest kennen. Om je geest te kennen moet je het Tja kennen.

Het Tja laat zich kennen door niet-kennen. Het laat zich kennen als niet-kennen.

Daarom:

Wie zijn geest kent als het Tja, kent zijn geest niet. Wie zijn lichaam kent als zijn geest, kent zijn lichaam niet. Wie zichzelf kent als zijn lichaam, kent zichzelf niet. Wie de wereld kent als zichzelf, kent de wereld niet.

Wie het Tja niet kent, en zijn geest niet kent, en zijn lichaam niet kent, en de wereld niet kent, die kent het leven als zijn broekzak.

Laat je bij wijze van vatten omvatten

Geïnspireerd door hoofdstuk 48 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie leert weet steeds meer. Wie afleert weet steeds minder. Minder en minder, net zolang tot het niet weten bereikt is. Door niets te weten blijft niets ongeweten.

Dit heet het Grote Tja.

Wil je de wereld vatten? Probeer haar dan niet te vatten. Liet ze zich zomaar vatten, dan was ze de moeite niet waard. Laat je bij wijze van vatten maar door haar omvatten.

Voel je wel?

Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar

Geïnspireerd door hoofdstuk 49 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nooit eigent de wijze zich andermans hart toe. Nooit eigent hij zich zijn eigen hart toe. Maakt hij zich toch een hart eigen, dan staat hij het gauw weer af.

De wijze denkt niet in termen van goed en fout, en zo komt alles goed. Denkt hij toch in die termen, dan vindt hij dat niet goed of fout, en zo blijft alles goed.

Hij denkt niet in termen van wijs of dwaas. Denkt hij toch eens in die termen dan vindt hij dat niet wijs of dwaas.

Wie eerlijk is gelooft hij niet. Wie oneerlijk is evenmin, dat lijkt hem wel zo eerlijk. Ook dit gelooft hij niet, noch dit, en zo ontstaat vertrouwen. Vertrouwen zonder basis.

Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar. Dit heet: Groot Vertrouwen. Sommigen noemen het Groot Wantrouwen of Grote Twijfel. Alleen de naam verschilt.

De wijze verzamelt niets, wat hij ook verzamelt. Hij neemt niets, wat hij ook neemt. Hij heeft niets, wat hij ook heeft. Daarom heeft hij niets weg te geven en heeft niemand iets bij hem te zoeken.

Wie toch zijn ogen tot hem richt, schenkt hij zijn kinderlijke blik. Hij hoeft hem echt niet terug, dat niet, maar ziet hem graag weerspiegeld. Ja, hij ziet hem graag terug.

Een verstand dat niet werkt

Geïnspireerd door hoofdstuk 49 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De geringste onder de magistraten doet niet voor haar onder en de grootste onder hen overtreft haar niet.

De honderd geslachten richten naar haar hart hun oor, maar horen het niet kloppen.

Ze richten tot haar verstand hun vragen, maar zien het niet werken.

Zij delft het onderspit waar ze zegeviert en slaagt terwijl ze faalt.

Verdienste kent ze niet, noch rekent zij zich arm.

Wie is zij?

Een waan tussen ontstaan en vergaan

Geïnspireerd door hoofdstuk 50 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tienduizend dingen maken het verschil tussen bestaan en vergaan. Mensen hopen verschil te maken door er tien te beheersen.

Ze laten hun hart controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun borsten controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun baarmoeder controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun darmen controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun bloed controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Dit heet: kokervisie.

Ze laten het vliegtuig staan
maar niet de auto
en wanen zich veilig.

Ze laten de auto staan
maar niet de motor
en wanen zich veilig.

Ze laten de motor staan
maar niet de scooter
en wanen zich veilig.

Ze laten de scooter staan
maar niet de fiets
en wanen zich veilig.

Ze laten de fiets staan
maar niet de benenwagen
en wanen zich veilig.

Dit heet: zelfbedrog.

Tienduizend dingen maken het verschil tussen bestaan en vergaan. Er is geen beginnen aan.

Begin ik er toch weer aan, dan laat ik dat begaan, maar waan mij nimmer veilig.

Dit heet: het Grote Tja.

Velen menen het leven te beheersen

Geïnspireerd door hoofdstuk 50 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Goden en mensen, koningen en onderdanen – nooit heb ik iemand ontmoet die het leven beheerst.

Het land doortrekkend mijdt u neushoorn en tijger, maar neushoorn en tijger mijden u niet. Ingaand in legers mijdt u pantser en wapen, maar pantser en wapen mijden u niet.

De neushoorn vindt altijd een plaats om zijn hoorn in te stoten. De tijger vindt altijd een plaats om zijn klauw in te slaan. Het wapen vindt altijd een plaats om het harnas binnen te dringen.

Is het niet een wapen dan is het wel uw familie. Is het niet uw familie dan is het wel een buurman. Is het niet een buurman dan bent u het wel zelf. Bent u het niet zelf dan is het wel een ziekte. Is het niet een ziekte dan is het wel de gedachte dat u het leven beheerst.

Goden en mensen, koningen en onderdanen – velen menen het leven te beheersen.

Een lege geest is geestig

Geïnspireerd door hoofdstuk 51 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weetzucht leidt tot vetzucht. Vetzucht van de geest.

Een vette geest is een zware geest.
Een vette geest is een trage geest.
Een vette geest is een moede geest.
Een vette geest is vettig.

Tja hongert de geest uit tot hij helemaal leeg is.

Een lege geest is een lichte geest.
Een lege geest is een snelle geest.
Een lege geest is een fitte geest.
Een lege geest is geestig.

Alle schepsels vereren voedsel. Wie verheerlijkt de honger?

Midden tussen nee en ja

Geïnspireerd door hoofdstuk 52 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Heeft de wereld een begin? Heeft de wereld een einde? Wie zal het zeggen – ik niet. Laten we dit hier zolang het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft de geest een begin? Heeft de geest een einde? Wie zal het zeggen – ik niet. Laten we dit hier het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft het Tja een begin? Heeft het Tja een einde? Ik zal het u zeggen.

Ooit wist ik van niets. Ook dat wist ik niet. Dat was het begin, het kleine tja. Geen idee!

Voor ik het wist, wist ik van alles. Dat was het einde van het kleine tja. Het ja of nee, zeker weten! Het was het begin van het einde.

Nu weet ik weer van niets. Had dat een begin? Heeft het een einde? Wie zal het zeggen – ik niet. Laten we dit hier zolang het midden noemen, het ja noch nee, het Grote Tja.

Zo houden we het in het midden.

Leer eerst maar eens één ding kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 52 van de Daodejing

Als je hem vraagt: ‘Leer ons de moeder aller dingen kennen’, zegt Meester Tja: ‘Leer eerst maar eens één ding kennen.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste één ding kennen’, zegt hij: ‘Ik ben je moeder niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons het wezen van de tienduizend dingen kennen’, zegt Meester Tja: ‘Hoe zou ik het wezen kunnen doorgronden? Ik begrijp de verschijningsvorm al niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste de verschijningsvorm kennen’, zegt hij: ‘De ene verschijningsvorm is de andere niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste één verschijningsvorm kennen’, zegt hij: ‘Waar zou dat een verschijningsvorm van moeten wezen?’

Als je hem vraagt: ‘Is het wezen gelijk aan de verschijningsvorm?’ zegt Meester Tja: ‘Vraag dat maar aan een ander wezen.’

Als je hem vraagt: ‘Wat is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen?’ zegt hij: ‘Tja is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen.’

Als je hem dan vraagt naar de essentie van het Tja, zegt hij alleen maar: ‘Tja.’

Die Meester Tja.

Moordenaars en minnaars

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld, onvoorspelbaar als de mens, ondoordringbaar als het lichaam, onbegrijpelijk als de geest. Groot verstand, klein verstand – niemand kan het vatten.

Mensen houden van rechte wegen met mijlpalen en verkeersborden, wegrestaurants en toiletten, rijstroken en vluchtstroken, middenberm en vangrails – veilig en overzichtelijk.

Het Grote Tja is als een dicht woud met tienduizend wildpaadjes kronkelend van hot naar her. De weggetjes zijn overwoekerd, de natuur is wild, onzegbaar – vol leven en vol dood.

Je komt er reuzen tegen en dwergen, simpele zielen en ingewikkelde, moordenaars en minnaars, goedzakken en rotzakken, engelen en spoken – net als in jezelf.

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld, onvoorspelbaar als de mens, ondoordringbaar als het lichaam, onbegrijpelijk als de geest. Groot verstand, klein verstand – niemand kan ze vatten.

In je zwakte gaan staan

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie al ontworteld is, kan niet meer ontworteld raken.
Wie al opgegeven heeft, kan niet meer opgeven.
Wie al losgelaten heeft, kan niet meer loslaten.
Wie al ontglipt is, kan niet meer ontglippen.
Wie al verloren is, kan niet meer verliezen.
Wie al gevallen is, kan niet meer vallen.

Daarom:

Alleen wie in zijn zwakte gaat staan, kan de volle kracht van het Tja ervaren. Alleen wie zijn kleinheid volledig realiseert, belichaamt het Grote Tja. Alleen wie Tja heeft, staat zonder fundering toch als een huis.

Hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie?

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Ik beschouw het Tja als mijn ziel, mijn ziel als mijn lief, mijn lief als mijn thuis, mijn thuis als mijn wijk en mijn wijk als de wijde wereld.

Hoe weet ik dat de wereld, mijn wijk, mijn thuis, mijn lief en mijn ziel zijn zoals ik ze zie?

Ik zie ze niet! Ik weet het niet!

Wie Tja heeft lijkt op een baby

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft lijkt op een baby.

Een baby kent nog geen binnen en buiten,
nog geen onderscheid en eenheid,
nog geen wijsheid en dwaasheid,
nog geen waarheid en illusie,
nog geen schuld en onschuld,
nog geen hoop en wanhoop,
nog geen gelijk en ongelijk,
nog geen goed en kwaad,
nog geen hoger en lager,
nog geen hier en daar,
nog geen mijn en dijn,
nog geen zelf en Zelf,
nog geen ik en jij.

Zijn doen is nog zonder doen.
Zijn wil is nog zonder wil.
Hij dringt nog niet op of aan
en alles gaat nog spontaan.

Maar wie Tja heeft is geen baby.

Hij heeft geen binnen en buiten meer,
geen onderscheid en eenheid meer,
geen wijsheid en dwaasheid meer,
geen waarheid en illusie meer,
geen schuld en onschuld meer,
geen hoop en wanhoop meer,
geen gelijk en ongelijk meer,
geen goed en kwaad meer,
geen hoger en lager meer,
geen hier en daar meer,
geen mijn en dijn meer,
geen zelf en Zelf meer,
geen ik en jij meer.

Zijn denken is weer zonder denken.
Zijn weten is weer zonder weten.
Hij dringt niet meer op of aan
en alles gaat weer spontaan.

Maar dan komt de borst en de melk vloeit vanzelf

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie overvloed aan Tja heeft
lijkt op een pasgeboren kindje.

Het kindje wordt gestoken
en het snapt niet waardoor.

Wilde beesten bespringen het
en het weet niet waarvandaan.

Roofvogels pikken het
en het weet niet waarmee.

Zijn beenderen geven steun
maar het vermoedt ze niet.

Het kindje grijpt stevig
maar het weet niet waarnaar.

Zijn ogen zijn scherp
maar het kan ze niet zien.

Het is altijd maar moe
en het weet niet waarvan.

Zijn plasser wordt stijf
maar het weet niet waartoe.

Het brabbelt maar door
en het weet niet waarvoor.

Het schreeuwt en het schreeuwt
en het weet niet naar wie en
het weet niet waarmee en
het weet niet waarom.

Maar dan komt de borst en de melk vloeit vanzelf.

Net als iedereen, alleen

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft is net als iedereen.

Wespen kunnen hem steken.
Slangen kunnen hem bijten.
Dieren kunnen hem grijpen.
Vogels kunnen hem aanvallen.

Zijn beenderen zijn taai of breekbaar.
Zijn spieren zijn sterk of zwak.
Zijn hand balt zich en ontspant.
Zijn lid wordt stijf en slap.

Hij is nu eens rustig, dan weer onrustig.
Vandaag zorgeloos, morgen bedrukt.
’s Morgen sereen, ’s avonds prikkelbaar.
Bij de een spontaan, bij de ander gemaakt.

Wie Tja heeft is net als iedereen, alleen,
hij heeft zich erbij neergelegd
en dat is het verschil.

Slijp de lachspiegels

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja opent de sluizen,
dempt de loopgraven,
slijpt de lachspiegels,
verbreedt de blik,
ontzekert de geest,
dimt wat verblindt,
licht bij in het duister,
vermenigvuldigt visies,
ontsluit heilige huisjes,
vermindert onderscheid
en verbreekt eenheid.

Ze zegt waar het op staat, maar staat niet op wat ze zegt.

Wie niet-weet die niet-spreekt

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie spreekt die weet. Wie niet-weet die niet-spreekt.

Dan is er geen intimiteit of afstandelijkheid meer,
geen spontaniteit of gemaaktheid,
geen eenvoud of complexiteit,
geen spreken of niet-spreken,
geen weten of niet-weten,
geen voordeel of nadeel,
geen deugd of ondeugd,
geen juist of onjuist,
geen hoog of laag,
geen Tao of Tja,
geen nee of ja.

Wie zijn hoofd in de wolk van niet-weten heeft, staat met beide benen op de grond.

Weet niet, en je geest vindt zijn eigen weg

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie rent, dwingt zijn lichaam.
Wie weet, dwingt zijn geest.
Wie streeft, dwingt zijn hart.
Wie eist, dwingt de ander.
Wie doet, dwingt de wereld.

Ren niet, en je lichaam vindt zijn eigen weg.
Weet niet, en je geest vindt zijn eigen weg.
Streef niet, en je hart vindt zijn eigen weg.
Eis niet, en de ander vindt zijn eigen weg.
Doe niet, en de wereld vindt zijn eigen weg.

Waarmee overwint men wijsheid?

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Met redelijkheid regeert men de staat,
maar waarmee regeert men redelijkheid?

Met wetten beheerst men de misdaad,
maar waarmee beheerst men de wet?

Met wapens bestrijdt men de vijand,
maar waarmee bestrijdt men de wapens?

Met niet doen wint men het rijk,
maar waarmee wint men het niet doen?

Met woorden voert men het debat,
maar waarmee voert men de woorden?

Met listen voert men oorlog,
maar waarmee voert men de listen?

Met mededogen bestrijdt men hardvochtigheid,
maar waarmee bestrijdt men mededogen?

Met kennis vernietigt men onwetendheid,
maar waarmee vernietigt men kennis?

Met wijsheid overwint men dwaasheid,
maar waarmee overwint men wijsheid?

De weetnietgeest is zelfontspannend

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoe meer geboden en verboden je erop nahoudt, hoe ingewikkelder je leven. Hoe meer afweermechanismen je ontwikkelt, hoe meer je er in stelling moet brengen. Hoe meer spullen je verzamelt, hoe meer je er moet beheren.

Wie het goede verdedigt en het kwade bestrijdt, bevindt zich tussen twee vuren die hij zelf heeft aangestoken. Wie het geluk zoekt en het ongeluk mijdt, rent gillend van hot naar her. Wie fanatiek recht wil zijn in een of andere leer, zal kromtrekken door de hitte van zijn hartstocht.

Is de geest gespannen, dan is hij hard en ernstig. Is de geest ontspannen, dan is hij zacht en speels. De weetnietgeest is zelfontspannend. Hoe dat kan?

De weetnietgeest kent het goede niet van het kwade, het geluk niet van het ongeluk, het rechte niet van het kromme.

De weetnietgeest is niet zo bezig met geboden en verboden, met aanvallen en verdedigen, met verzamelen en beheren.

De weetnietgeest streeft er niet naar dit of dat bereiken, te zijn of te lijken. Hij is wat hij is, maar weet niet wat of waarom.

De weetnietgeest is niet duister en niet licht. Dat is zijn enige luister.

Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Bestuur is waardoor wanorde zich handhaaft
Wanorde is waarmee bestuur zich billijkt

Welvaart is waarin het gebrek zich toont
Gebrek is waarin welvaart ontluikt

Dwaasheid is waarvan wijsheid bevrijdt
Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt

Grote tradities zijn niet vrij

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Grote legers zijn niet beweeglijk.
Grote organisaties zijn niet flexibel.
Grote tradities zijn niet vrij.

Veel voorraad is niet beheersbaar.
Veel eten ligt zwaar op de maag.
Veel weten belast de geest.

Daarom legt de wijze geen voorraden aan.
Heeft hij ze toch, dan rekent hij er niet op.
Hij verzamelt noch kennis noch wijsheid.
Doet hij het toch, dan rekent hij er niet op.

Zo schept hij ruimte voor zijn gedachten,
zijn gevoelens, zichzelf en zijn medemens.
Met ruimte vult hij zijn hoofd en zijn hart.
Met leegte vult hij zijn bestaan.

Ruimte maakt beweeglijk.
Ruimte maakt flexibel.
Ruimte maakt vrij.

Leegte vraagt geen beheersing.
Leegte is licht verteerbaar.
Leegte verruimt de geest.

Een doolhof voor zoekers naar inzicht

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Er is geen weg voor een lang leven en durend inzicht. Er is alleen een doolhof voor een onbestemd leven met wisselend uitzicht.

Hij zegt ook:

Er is geen doolhof voor een onbestemd leven met wisselend uitzicht. Behalve voor zoekers naar een lang leven en durend inzicht.

Rijk zonder grenzen

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Kent niemand zijn grenzen, dan is er geen rijk om te regeren. Kent niemand het rijk, dan zijn er geen grenzen om te bewaken.

Wie Tja heeft, kan lang aanblijven.

Woorden tegen woorden

Geïnspireerd door hoofdstuk 60 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, vereert geen woorden.

Niet die van de goden.
Niet die van de tradities.
Niet die van de priesters.
Niet die van de exegeten.
Niet die van de meesters.
Niet die van de sjamanen.
Niet die van de goeroes.
Niet die van de coaches.
Niet die van de voorouders.
Niet die van de wijsgeren.
Niet die van de wetenschappers.
Niet die van de moralisten.
Niet die van de nihilisten.
Niet die van de politici.
Niet die van de psychologen.
Niet die van de therapeuten.
Niet die van de artsen.
Niet die van de mensen.
Niet die van hemzelf.

Wie Tja heeft gebruikt de macht van de woorden om hun macht te breken. Hij gebruikt hun bevrijdende werking om zich ervan te bevrijden.

Ook deze woorden vereert hij niet.

Wie weet hoe hij ter wereld komt?

Geïnspireerd door hoofdstuk 60 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Je bestuurt een staat zoals je een provincie bestuurt.
Je bestuurt een provincie zoals je een stad bestuurt.
Je bestuurt een stad zoals je een dorp bestuurt.
Je bestuurt een dorp zoals je een wijk bestuurt.
Je bestuurt een wijk zoals je een straat bestuurt.
Je bestuurt een straat zoals je je gezin bestuurt.
Je bestuurt je gezin zoals je je leven bestuurt.
Je bestuurt je leven zoals je je lichaam bestuurt.
Je bestuurt je lichaam zoals je je geest bestuurt.
Je bestuurt je geest zoals je je hart bestuurt.
Je bestuurt je hart zoals je kleine visjes braadt.
Je braadt kleine visjes zoals je ter wereld komt.

Wie weet hoe hij ter wereld komt?

Hoe het vrouwelijke het mannelijke overwint

Geïnspireerd door hoofdstuk 61 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Noemen we Ja en Nee mannelijk, dan mag Tja vrouwelijk heten.

Ja neemt, Nee weert. Tja ontvangt en geeft weg.

Ja en Nee zoeken de uitersten. Tja houdt het midden.

Ja en Nee bedienen zich van woorden, Tja bedient zich van stilte. Bedient ze zich toch van woorden, dan neemt ze die steeds terug.

Zwakte is de kracht van Tja, kleinheid haar grootte. Ze wijkt ter toenadering, aarzelt ter bevestiging. Ze antwoordt met vragen, leidt door te volgen, doet door te laten en weet te vergeten.

Terwijl Ja de wereld schaakt en Nee het fort bewaakt, bewaart Tja haar kalmte.

Zo overwint het vrouwelijke het mannelijke.

Een grote schat zonder waarde

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja is niets waard, toch is zij een grote schat. Ze laat zich niet nemen, maar ze is er voor iedereen. Ze werkt nooit, maar haar werking is onvoorstelbaar.

Waarom ziet zij nooit iets in? Omdat ze overal doorheen kijkt.

Waarom prijst ze niemand? Omdat ze geen deugden kent.

Waarom vergeeft ze niemand? Omdat ze geen zonden kent.

Waarom laat ze zich nooit kennen? Omdat ze niet-kennen is.

Waarom laat ze zich niet vinden? Omdat ze niet-zoeken is.

Waarom laat ze zich niet kleineren? Omdat ze geen grootte heeft.

Waarom laat ze zich niet op een voetstuk zetten? Omdat ze hoogten vreest.

Waarom heeft ze geen gladde woorden nodig? Omdat ze niets te zeggen heeft.

Wie Tja heeft, weet niet hoe het moet

Geïnspireerd door hoofdstuk 63 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weet door niet te weten.
Wees door niet te wezen.
Denk door niet te denken.
Wil door niet te willen.
Stuur door niet te sturen.
Geef door niet te geven.
Neem door niet te nemen.
Heb door niet te hebben.
Doe door niet te doen.
Ga door niet te gaan.
Sta door niet te staan.
Zeg door niet te zeggen.
Zwijg door niet te zwijgen.

Meer heeft het Tja niet om het lijf.
Hoe ik dat weet? Ik weet het niet!
Hoe dat dan moet? Je moet het niet!

Wie Tja heeft, weet niet hoe het moet.
Dat is alles wat hij doet.

Wie kan zeggen wanneer?

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms moet je voorbereiden treffen, soms moet je impulsief zijn. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je vroeg ingrijpen, soms moet je lang afwachten. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je voorraden aanleggen, soms moet je ze opmaken. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je onderzoek doen, soms moet je handelen. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je dreigen, soms moet je toeslaan. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je opereren, soms moet je ervan afzien. Wie kan zeggen wanneer?

Ook de wijze doet maar wat, alleen verhult hij het niet meer. Hij kan er wel om lachen, nu, noem dat desnoods zijn leer.

Een leven begint met een val en eindigt met een val

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een boom van honderd meter
begint met een hoop molm
en eindigt met een hoop molm

Een toren van honderd verdiepingen
begint met een hoop zand
en eindigt met een hoop zand

Een tocht van duizend mijlen
begint met een verblijf
en eindigt met een verblijf

Een rijk van duizend jaren
begint met chaos
en eindigt met chaos

Een leven lang of kort
begint met een val
en eindigt met een val

Een woord lang of kort
begint met stilte
en eindigt met stilte

Stilte begint met een woord en eindigt met een woord

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een hoop molm
begint met een boom
en eindigt met een boom

Een hoop zand
begint met een gebouw
en eindigt met een gebouw

Een verblijf
begint met een tocht
en eindigt met een tocht

Chaos
begint met een rijk
en eindigt met een rijk

Een val
begint met een leven
en eindigt met een leven

Stilte
begint met een woord
en eindigt met een woord

Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit

Geïnspireerd door hoofdstuk 65 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie bedreven is in het Tja gebruikt het nergens voor.

Niet om slimmer te worden.
Niet om dommer te worden.

Niet om groter te lijken.
Niet om kleiner te lijken.

Niet om zijn leven te regelen.
Niet om zijn leven te ontregelen.

Niet om mensen te vangen.
Niet om mensen te bevrijden.

Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit.

De weg van de minste

Geïnspireerd door hoofdstuk 66 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Alle stromen vinden vanzelf de zee, die van alle wateren het laagst gelegen is. De laagste zal de grootste zijn.

Ieder Ja en Nee mondt uit in het Tja, waaraan niets gelegen is. De leegste zal de laagste zijn.

De weg van het Tja is de weg van de zee. Daarom plaatst de wijze zich onderaan.

Hij leidt niet en lijdt er niet onder.
Hij volgt niet en wordt niet vervolgd.
Hij wijst niet en wordt niet gevolgd.
Hij bezit niet en wordt niet bezeten.
Hij twist niet en wordt niet betwist.
Hij weet niet, dus hij weet niet beter.

De weg van de wijze is de weg van het licht. Licht vindt vanzelf het gat dat het duisterst is.

Dit heet: de weg van de minste.

Een onbekende grootheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 67 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Klein ben ik, noch groot, maar onvergelijkbaar als het onbekende.

Er zijn geen regels die ik volg, geen principes die ik hanteer, geen schatten die ik koester.

Ik doe niet aan terughoudendheid.
Ik doe niet aan vasthoudendheid.
Ik doe niet aan rechtvaardigheid.
Ik doe niet aan barmhartigheid.
Ik doe niet aan deugdzaamheid.
Ik doe niet aan vriendelijkheid.
Ik doe niet aan goedgeefsheid.
Ik doe niet aan spontaniteit.
Ik doe niet aan dapperheid.
Ik doe niet aan eerlijkheid.
Ik doe niet aan soberheid.
Ik doe niet aan eenvoud.
Ik doe niet aan geduld.
Ik doe niet aan liefde.
Ik doe niet aan Tao.
Ik doe niet aan Tê.

Klein ben ik, noch groot. Onvergelijkbaar zelfs met het onbekende.

Mijn naam is Meester Tja.

Een wijze krijger is geen hebber

Geïnspireerd door hoofdstuk 68 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een gewone krijger heerst over zijn wapens.
Een goede krijger heerst over zijn gevoelens.
Een wijze krijger heerst niet.

Hij heerst niet over zijn wapens.
Hij heerst niet over zijn emoties.
Hij heerst niet over zijn bezittingen.
Hij heerst niet over zijn lichaam.
Hij heerst niet over zijn geest.
Hij heerst niet over zijn tong.
Hij heerst niet over het leven.
Hij heerst niet over de dood.

Wie nergens over heerst, heeft niets. Wie niets heeft, heeft niets om voor te strijden.

Een wijze krijger is geen hebber.

Er is geen geest, behalve in je geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 69 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Er zijn geen vijanden, behalve in je geest
Er zijn geen vrienden, behalve in je geest

Er is geen haat, behalve in je geest
Er is geen liefde, behalve in je geest

Er is geen oorlog, behalve in je geest
Er is geen vrede, behalve in je geest

Er zijn geen helden, behalve in je geest
Er zijn geen lafaards, behalve in je geest

Er zijn geen winnaars, behalve in je geest
Er zijn geen verliezers, behalve in je geest

Er zijn geen landen, behalve in je geest
Er zijn geen grenzen, behalve in je geest

Er is geen daar, behalve in je geest
Er is geen hier, behalve in je geest

Er is geen ander, behalve in je geest
Er is geen zelf, behalve in je geest

Er is geen onderscheid, behalve in je geest
Er is geen eenheid, behalve in je geest

Er is geen doel, behalve in je geest
Er is geen weg, behalve in je geest

Er is geen Tao, behalve in je geest
Er is geen Tja, behalve in je geest

Er is geen geest, behalve in je geest
En ook niet-weten is er nooit geweest

Ervaring zegt niets

Geïnspireerd door hoofdstuk 69 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Eens heb ik een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Ik durf niet te beginnen, ik wacht liever af.’ Een tweede zei: ‘Ik durf niet af te wachten, ik begin liever.’ Een derde zei: ‘Men moet beginnen én afwachten.’ Een vierde zei: ‘Men moet afwachten noch beginnen.’

Een vijfde zei: ‘Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug.’ Een zesde zei: ‘Ik durf geen duim terug te gaan, ik ga liever een voet vooruit.’ Een zevende zei: ‘Men moet achterwaarts vooruit gaan.’ Een achtste zei: ‘Men moet naar voren noch naar achteren gaan.’

Een negende zei: ‘Men moet voorgaan zonder gaan.’ Een tiende zei: ‘Men moet gaan zonder voorgaan.’ Een elfde zei: ‘Men moet gaande voorgaan.’ Een twaalfde zei: ‘Men moet gaan noch voorgaan.’

Een dertiende zei: ‘Men moet dreigen zonder de armen te strekken.’ Een veertiende zei: ‘Men moet de armen strekken zonder dreigen.’ Een vijftiende zei: ‘Men moet dreigen en de armen strekken.’ Een zestiende zei: ‘Men moet dreigen noch de armen strekken.’

Een zeventiende zei: ‘Men moet opdringen zonder weerstand te wekken.’ Een achttiende zei: ‘Men moet weerstand wekken zonder op te dringen.’ Een negentiende zei: ‘Men moet weerstand wekken en opdringen.’ Een twintigste zei: ‘Men moet opdringen noch weerstand wekken.’

Een eenentwintigste: ‘Men moet aangrijpen zonder te wapenen.’ Een tweeëntwintigste zei: ‘Men moet wapenen zonder aan te grijpen.’ Een drieëntwintigste zei: ‘Men moet wapenen en aangrijpen.’ Een vierentwintigste zei: ‘Men moet aangrijpen noch wapenen.’

Een vijfentwintigste zei: ‘Goed dat ik ten strijde ben getrokken.’ Een zesentwintigste zei: ‘Was ik maar thuis gebleven.’ Een zevenentwintigste zei: ‘Ik had thuis ten strijde moeten trekken.’ Een achtentwintigste zei: ‘Was ik maar ten strijde getrokken noch thuisgebleven.’

Meester Tja zei niets. Hij had geen ervaring.

Woorden zijn geen heiligen

Geïnspireerd door hoofdstuk 70 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Woorden zijn maar woorden. Wie er heilig in gelooft, zal het Grote Tja nooit kennen.

Principes zijn maar woorden.
Dogma’s zijn maar woorden.
Normen zijn maar woorden.
Waarden zijn maar woorden.
Geschriften zijn maar woorden.
Voorschriften zijn maar woorden.
Openbaringen zijn maar woorden.
Exegeses zijn maar woorden.
Soetra’s zijn maar woorden.
Koans zijn maar woorden.
Geloften zijn maar woorden.
Beloften zijn maar woorden.
Wensen zijn maar woorden.
Meningen zijn maar woorden.
Kritieken zijn maar woorden.
Beledigingen zijn maar woorden.
Bedreigingen zijn maar woorden.
Fatwa’s zijn maar woorden.
Vloeken zijn maar woorden.
Vervloekingen zijn maar woorden.
Uitdagingen zijn maar woorden.
Kranten zijn maar woorden.
Boeken zijn maar woorden.
Pamfletten zijn maar woorden.
Diagnoses zijn maar woorden.
Contracten zijn maar woorden.
Wetten zijn maar woorden.
Oordelen zijn maar woorden.
Vonnissen zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden. Ook het Grote Tja is maar een woord. Wie er heilig in gelooft, zal het Grote Tja nooit kennen.

Weten is geen kwaal, niet-weten geen remedie

Geïnspireerd door hoofdstuk 71 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weten is hoog. Niet-weten is hoger. Weten van niet-weten is het hoogst.

Niet weten van niet-weten – wie kan zeggen hoe hoog dat is?

Wie zelfs niet weet van niet-weten, kent het hoge niet van het lage, het weten niet van niet-weten. Hij ziet het ene niet als kwaal, het andere niet als remedie.

Hij neemt zijn weten zoals het komt en hij neemt zijn niet-weten zoals het komt. Ook dat ziet hij niet als kwaal of remedie.

De wijze heeft geen idee

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Sommige heersers menen hun onderdanen vrees aan te moeten jagen, andere menen hen gerust te moeten stellen.

Sommige heersers menen hun onderdanen te moeten onderdrukken, andere menen het hen naar de zin te moeten maken.

Sommige heersers menen hun onderdanen voor te moeten schrijven waar ze mogen wonen, andere menen dat ze zich vrij moeten kunnen vestigen.

Sommige heersers menen hoge belastingen te moeten heffen, andere menen de belastingen laag te moeten houden.

Wat hebben al deze heersers met elkaar gemeen? Ze menen de mens te kennen, en de manier om over hem te heersen.

De wijze kent de mens niet en geeft het gewoon toe. Hij kent zichzelf niet en laat het gerust zien. Hij weet niet wat van buiten komt en niet wat binnen is.

Heerst een mens over zijn zelfbeheersing? Heerst een heerser over zijn heerszucht? Is een meester meester over zijn meesterschap?

De wijze heeft geen idee.

Niet-weten is geen kunst

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Niet-weten heeft vele facetten:

Niet weten te onderbouwen.

Niet weten te onderscheiden.

Niet weten te verenigen.

Niet weten uit te sluiten.

Niet weten te oordelen.

Niet weten te kiezen.

Niet weten te vatten.

Niet weten te doen.

Niet weten te laten.

Niet weten te zeggen.

Niet weten te zwijgen.

Niet-weten heeft vele facetten, en toch is het geen kunst. Niet-weten is een onvermogen. Niemand kan het niet.

Wie gaat zonder gaan is weg van de weg

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie strijdt
zonder strijden
weerstaat
noch berust

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie gaat
zonder gaan
is weg
van de weg

Woord en doodslag

Geïnspireerd door hoofdstuk 74 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De man die doodt uit naam van de staat noemt men een scherprechter. De man die doodt uit naam van zichzelf noemt men een moordenaar. Wat is de overeenkomst?

De man die gedood wordt op persoonlijke titel noemt men een slachtoffer. De man die gedood wordt in naam der wet noemt men een dader. Wat is het verschil?

De man die beroepsmatig doodt, noemt men een vakman. De man die zelden doodt noemt men een amateur. Wie heeft u liever?

De man die woorden vermoordt heet een weetniet. De man die moorden verwoordt een schrijver. Wie leest u liever?

Tja, ik was er al bang voor.

Tien denkbeelden over de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 75 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

1. Kennis maakt de geest traag.

2. Idealen maken de geest fanatiek.

3. Overtuigingen maken de geest onhebbelijk.

4. Speculaties maken de geest zweverig.

5. Wijsheid maakt de geest pedant.

6. Doelen maken de geest jachtig.

7. Tradities maken de geest star.

8. Ambities maken de geest hard.

9. Argumenten maken de geest twistziek.

10. Denkbeelden maken de geest blind.

Dit waren tien denkbeelden over de geest.

Wie Tja heeft, heeft niets.

Wie niets heeft, heeft niets teveel.

Onvergankelijk is alleen de hoop op eeuwig leven

Geïnspireerd door hoofdstuk 76 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nog vóór mens en dier geboren worden zijn ze ten dode opgeschreven. Ze sterven soepel en sterk of stijf en zwak, afhankelijk van hun leeftijd.

Nog voor dieren en planten geboren worden zijn ze ten dode opgeschreven. Ze sterven zacht en teer of dor en droog, afhankelijk van hun leeftijd.

Stijfheid en sterkte, soepelheid en zwakte – alle zijn volgelingen van het leven. Alle zijn voorboden van de dood.

Want een boom die zwak staat zal omwaaien. Een boom die sterk staat zal verbranden. Een boom die staat als een berg zal van binnenuit wegrotten.

Een leger dat zwak staat zal weggevaagd worden. Een leger dat sterk staat zal door list verslagen worden. Een leger dat onverslaanbaar is zal zichzelf overbodig maken.

Onvergankelijk is alleen de hoop op eeuwig leven.

De wijze heeft al zijn pijlen verschoten

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja lijkt op het afschieten van een pijl. Zodra de pijl wegvliegt, kan de boog ontspannen. Zodra een gedachte is doorzien, kan de geest ontspannen.

De weg van de mens bestaat erin al zijn pijlen op zijn boog te houden en de wereld te bezien door zijn koker.

De wijze heeft zijn pijlen verschoten en houdt het voor gezien.

Met water weet je het maar nooit

Geïnspireerd door hoofdstuk 78 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als ijs bedekt het zee en land.
Als wolk brengt het regen en mist.
Als golf brengt het redding en dood.
Als stoom drijft het aan en verbrandt.
Als vloeistof vult het de diepste spleten.
Als sneeuw bedekt het de hoogste toppen.
Het is zacht bij lage snelheid, hard bij hoge.
Het holt grotten uit en vult ze met druipsteen.
Het verdrinkt de mensen en verlucht de vissen.
Het doet planten groeien en wortels rotten.
Het vormt stranden en vernietigt duinen.
Waarlijk, met water weet je maar nooit.
Toch treft het faam noch blaam.

Hierin komt water het Tja nabij.

Ware vrijheid kent geen vrijheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 79 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie overal vrede zoekt
zal overal oorlog zien
en erover oordelen

Ware vrede kent geen vrede
Geen ware en geen valse

Wie overal liefde zoekt
zal overal haat zien
en erover oordelen

Ware liefde kent geen liefde
Geen ware en geen valse

Wie overal deugd zoekt
zal overal ondeugd zien
en erover oordelen.

Ware deugd kent geen deugd
Geen ware en geen valse

Wie overal echtheid zoekt
zal overal valsheid zien
en erover oordelen

Ware echtheid kent geen echtheid
Geen ware en geen valse

Wie overal zachtheid zoekt
zal overal hardheid zien
en erover oordelen

Ware zachtheid kent geen zachtheid
Geen ware en geen valse

Wie overal eenvoud zoekt
zal overal complexiteit zien
en erover oordelen

Ware eenvoud kent geen eenvoud
Geen ware en geen valse

Wie overal wijsheid zoekt
zal overal dwaasheid zien
en erover oordelen

Ware wijsheid kent geen wijsheid
Geen ware en geen valse

Wie overal vrijheid zoekt
zal overal gebondenheid zien
en erover oordelen

Ware vrijheid kent geen vrijheid
Geen ware en geen valse

Waarom de wijze nergens op rekent

Geïnspireerd door hoofdstuk 80 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Laat er een klein land zijn met weinig inwoners of een groot land met veel inwoners.

Volk dat de dood vreest, zal daarom of ergens anders om of zonder duidelijke reden tijdelijk of voorgoed thuis blijven, in de buurt blijven of wegtrekken.

Zijn er boten en wagens, dan zal men reden vinden erin plaats te nemen en reden eruit te blijven. Zijn er geen boten of wagens, dan zal men reden vinden ze te vervaardigen en reden dat te verbieden.

Zijn er kurassen, dan zal men reden vinden ze om te gorden en reden ze af te leggen. Zijn er wapens, dan zal men reden vinden ze te tonen en reden ze te verbergen. Zijn er geen kurassen of wapens, dan zal men reden vinden ze te maken en reden dat te verbieden.

Keert men terug tot het gebruik van geknoopte touwtjes, dan zal men reden vinden zich toch weer van het schrift te bedienen en reden om het voorgoed te af te schaffen. Houdt men het bij het schrift, dan zal men reden vinden terug te keren tot geknoopte touwtjes en reden die voorgoed te verbieden.

Vind men zijn eten lekker, zijn kleren mooi, zijn woning vredig en zijn gebruiken prettig, dan zal men toch reden vinden iets anders te proberen. Zodra het nieuwe aanslaat, zal men reden vinden terug te keren tot het oude.

Ligt een buurland zo ver weg dat de hanen en honden van weerskanten elkaar niet kunnen horen, dan zal men reden vinden de banden aan te halen. Zoekt het volk van buurlanden elkaar op, dan zal het reden vinden de banden te verbreken.

Want het volk vindt overal reden voor. Maar nooit vindt het reden voor zijn reden, of daar weer reden voor.

Daarom houdt de wijze overal rekening mee, maar rekent nergens op.

Bij wijze van zwijgen

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja brengt geen kennis en geen onwetendheid, maar kennis-noch-onwetendheid.

Het brengt geen goedheid en geen slechtheid, maar goedheid-noch-slechtheid.

Het brengt geen voordeel en geen nadeel, maar voordeel-noch-nadeel.

Het brengt geen geluk en geen ongeluk, maar geluk-noch-ongeluk. Het brengt geen hemel en geen hel, maar hemel-noch-hel.

Het brengt geen doen en geen laten, maar doen-noch-laten.

Dit alles bij wijze van zwijgen.

Ware woorden ontwoorden

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Dwaze woorden ontwarren, wijze woorden verwarren.

Oppervlakkige woorden zijn logisch, diepe woorden zijn tegenstrijdig.

Onware woorden antwoorden, ware woorden ontwoorden.

Lege woorden vullen niet, volle woorden legen.

Wie Tja heeft, pot niet op
Zijn leer is eeuwig
leeg

Zeg maar tja

Meester Tja heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.

Niet-weten is vereenzelviging met het tja, dat wil zeggen, het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

Het einde van vereenzelviging is het einde van het ik, het einde van niet-ik, het einde van de illusie, het einde van de werkelijkheid, het einde van het ja, het einde van het nee, het einde van het tja en het einde van het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn. Maar waarvan?

Zeg maar Tja