Meester Tja

‘Lege woorden vullen niet. Volle woorden legen.’ Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja geïnspireerd op de Tao Te Tjing.

Dwaalgids > Mystiek > Meester Tja

Meester Tja en de Tao van Tja

Lees ook: De Daodejing in vraagvorm, De tao van tja, Zeg maar tja tegen het leven

INHOUDSOPGAVE

De schat van onwetendheid

Meester Tja zegt:

Een berekenend koopman verbergt zijn schatten en doet zich voor als een armoedzaaier, maar de wijze toont vrijmoedig zijn onwetendheid, en niemand die het ziet.

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

De Grote Tao als het Grote Tja

De Daodejing is het oudste werk van de taoïstische canon en een van de meest vertaalde werken uit de Chinese literatuur. Het bestaat uit 81 hoofdstukjes die in uiterst spaarzame, orakelachtige taal de grondprincipes van het taoïsme uiteenzetten, om niet te zeggen uiteenscheuren.

Velen hebben er hun tanden op stuk gebeten, en hun hersens erbij. Mocht dat de bedoeling zijn van dit werk, dan is het de oudste koan uit de geschiedenis, en zo niet, dan toch.

De teksten op deze pagina zijn niet bedoeld als uitleg bij of commentaar op de Daodejing; ik heb mij enkel laten inspireren door de Daodejing bij het verwoorden van een radicaal niet-weten.

Hoewel er veel niet-weten zit in het taoïsme, en veel taoïsme in niet-weten, zijn ze niet identiek. Met name het kosmologisch idee van de Tao als een onkenbaar, absoluut, eeuwigdurend, onveranderlijk, vormloos, sturend principe, als bron en bestemming van ‘de tienduizend dingen’, vindt in een radicaal niet-weten geen weerklank – maar ook geen weerwoord.

Geen weerklank, geen weerwoord: ziedaar niet-weten in een notendop.

Bij mij is de Grote Tao getransformeerd in het Grote Tja, dat geen metafysisch principe is, en ook geen epistemologisch principe, maar een metafoor voor niet-weten. Wat ook maar een metafoor is, maar waarvoor?

Een andere overeenkomst tussen het taoïsme en niet-weten is het idee, of liever de praktijk van niet-doen, of doen zonder doen, zonder opzet, als vanzelf, spontaan, ongeforceerd (wuwei). Bij mij is het niet-doen echter geworteld in de Tao maar in niet-weten (wuzhi), in het Tja. Niet-doen is een natuurlijk uitvloeisel van niet-weten. Het laatste is de rationale, of liever de irrationale, van het eerste.

Vele wegen leiden naar niet-doen, niet-spreken, niet-geloven, niet-denken, niet-willen et cetera, maar bij niet-weten krijg je het allemaal gratis en voor niks. Of je wil of niet. Niet-weten krijg je ook gratis en voor niks, maar waar?

Niet bij mij. Ik kan het je niet geven. Ik heb het zelf nooit gekregen. Ineens was het er, of had ik het, of had ik het niet meer, of was ik het, of was ik het niet meer, of was ik niet meer, of ben ik er nooit geweest, of heb ik het nooit gehad, of hoe zeg je dat, zó niet.

Maar ik kan het wel onder woorden brengen, enigszins. Ik kan het ook zonder woorden brengen, geenszins zogezegd. Non-verbale communicatie, verbale non-communicatie, paraverbale pericommunicatie – schiet mij maar lek. Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek, behalve een enkele gek?

Inspiratiebronnen van Meester Tja

De eerste keer dat ik mij liet inspireren door de Tao Te Tjing was in 2010. Ik baseerde me toen op de vertaling van Ir. Blok (De Tao-tê-tjing) uit 1910.

In 2018 kreeg ik opnieuw de geest. Ditmaal baseerde ik me op de vertaling van Kristofer Schipper uit 2010 (Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht). Ik las hem voor aan mijn lief, we spraken erover, mopperden wat, lachten erom en vervolgens probeerde ik mijn pen, zoals dat vroeger heette – ‘betrachtte ik mijn toetsenbord’, zou Ir. Blok gezegd hebben.

Om het enigszins overzichtelijk te houden, heb ik de beide series samengevoegd en de doublures verwijderd. De hoofdnummers van de titels komen overeen met de hoofdstuknummers van de Daodejing.

De eerste dwaaltekst van ieder hoofdstuk is geïnspireerd op Schipper. De daaropvolgende, zo daar sprake van is, kunnen uit beide series afkomstig zijn. Klinken ze echt ouderwets dan zijn ze waarschijnlijk naar Blok, maar de taal van Schipper, hoewel een eeuw later genoteerd, is ook niet bepaald van deze tijd, dus je weet maar nooit.

De vertaling van Ir. Blok kun je hier terugvinden. Op die van Schipper berust auteursrecht dat pas in 2085 verloopt. Wel beschikbaar is mijn Daodejing in vraagvorm. Door de duizend vragen om te zetten in evenzoveel beweringen kun je Schipper’s origineel desgewenst reconstrueren. Je moet er wat voor over hebben, maar dat hoort bij de Daodejing. Het hoort bij de Weg.

Meester Tja weet het ook niet

Genoeg gepraat. Ik geef het woord aan Meester Tja.

Meester Tja weet het ook niet

Lees ook: De tao van tja

1 In den blinde kom je thuis

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja kan in woorden worden uitgedrukt.
Het heeft talloze namen, maar stelt niets voor.

Het is niet het niets – geen naam voor de herkomst van de tienduizend dingen.
Het is niet iets – geen naam voor de moeder van de tienduizend dingen.

Het is niet het niets en niet iets, maar het is er voor iedereen.
Het is er voor wie voor altijd bevrijd is van zijn verlangens.
Het is er voor wie altijd vol verlangens zit.

Het is er voor iedereen met een blinde vlek in zijn oog.
Het is er voor iedereen met oog voor zijn blinde vlek.

Het Grote Tja is duister.
De poort tot de duisternis is gehuld in duisternis,
waar geen onderscheid of eenheid is,
geen Tao en geen Tja.

In den blinde
kom je
thuis.

Hoofdstuk 1 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 1 van de Tao Te Tjing

2 Waarom de wijze het bij niet-weten houdt

Meester Tja zegt:

Wat in het maanlicht mooi schijnt,
lijkt lelijk in de volle zon.
Is het nu mooi of lelijk?

Wat voor een kind makkelijk schijnt,
lijkt moeilijk voor een volwassene.
Is het nu makkelijk of moeilijk?

Wat hoog schijnt voor een dwerg,
lijkt laag voor een reus.
Is het nu hoog of laag?

Wat voor schijnt voor de achterhoede,
lijkt achter voor de voorhoede.
Is het nu voor of achter?

Wat veraf schijnt voor een schildpad,
lijkt dichtbij voor een haas.
Is het nu veraf of dichtbij?

Wat in het ene opzicht goed schijnt,
lijkt in een ander opzicht slecht.
Is het nu goed of slecht?

Wat ideaal lijkt op de korte termijn,
schijnt rampzalig op de lange.
Is het nu ideaal of rampzalig?

Wat vrij lijkt voor het gevoel,
schijnt onvrij voor het verstand.
Ben je nu vrij of onvrij?

Daarom houdt de wijze het
in zijn oordelen bij niet-weten,
in zijn handelingen bij niet-doen.
Zo leeft hij zijn leer zonder lering.
Zo drukt hij wel uit maar niet dood.

Gedachten verschijnen, maar zonder zijn initiatief.
Gedachten verdwijnen, maar zonder zijn inspanning.
Pas als alles gedacht is, gaat hij zijn gedachten achterna.
Zonder een spoor na te laten – net als zij.

Hoofdstuk 2 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 2 van de Tao Te Tjing

3 Zuchten van verlichting

Wat is wijsheid?

Meester Tja zegt:

Betrokkenheid geeft bemoeizucht, onverschilligheid zelfzucht.

Ideologie geeft veranderzucht, eigenbelang behoudzucht.

Hoop geeft bouwzucht, wanhoop vernielzucht.

Macht geeft heerszucht, onmacht wraakzucht.

Rijkdom geeft praalzucht, armoede hebzucht.

Alleen zuchten geeft verlichting.

Hoofdstuk 3 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 3 van de Tao Te Tjing

4 Het Grote Tja is leeg

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is leeg, bodemloos leeg.
Wat je er ook in stopt, je vindt het
nooit meer terug.

Het Tja verstompt wat scherp is.
Het maakt los wat vast is.
Het dimt wat verblindt.
Het versterkt wat zwak is.
Het vermindert de verschillen
zonder eenheid te scheppen.
Het verheldert het troebele
zonder duidelijkheid te geven.

Het Grote Tja is slechts een wijze van spreken.
Het komt nergens uit voort en mondt nergens in uit,
behalve natuurlijk de mond.

Hoofdstuk 4 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 4 van de Tao Te Tjing

5 De wijze is niet wijs

De natuur is niet barmhartig.
De natuur is niet onbarmhartig.
De natuur is de natuur.

De wijze is niet barmhartig.
De wijze is niet onbarmhartig.
De wijze is niet wijs.

Wat zich in de natuur afspeelt, lijkt nergens op.
Het is vol noch leeg, volgzaam noch leidend.
Daarin komt het de wijze nabij.

Grote geleerdheid stelt met grote stelligheid.
Het Grote Tja ontstelt zonder ontsteltenis.
De wijze is zonder natuur.

Hoofdstuk 5 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 5 van de Tao Te Tjing

6 Het Grote Tja is als een dode zonder lijk

Meester Tja zegt:

Als een kip zonder kop
Als een berg zonder top
Als een dal zonder bodem
Als een woord zonder woord
Als een vrouw zonder poort
Als een man zonder grond
Als een reus zonder grootte
Als een hemel zonder rijk
Als een dode zonder lijk
Als een wezen zonder wezen

Zo ongrijpbaar is het Grote Tja.

Hoofdstuk 6 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 6 van de Tao Te Tjing

7 Waarom de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt

Meester Tja zegt:

De hemel bestaat al heel lang,
de aarde duurt steeds voort,
de mensheid komt net kijken.
Hoe dat kan?

Wie voor anderen leeft
sterft oud of jong.

Wie voor zichzelf leeft
sterft jong of oud.

Wie zijn eigen persoon voorrang geeft
door hem op de achtergrond te houden,
vergaat het niet anders.

Wie zijn persoon probeert te behouden
door zich niet om hem te bekommeren,
vergaat het niet anders.

Wie zijn eigenbelang verwezenlijkt
door niet zijn eigenbelang na te streven,
vergaat het niet anders.

Vandaar dat de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt.

Ook dat beschouwt hij niet als strategie.

Hoofdstuk 7 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 7 van de Tao Te Tjing

8 In het antwoorden gaat er niets boven vragen

Meester Tja zegt:

Water stroomt, ijs breekt, stoom doodt.
Vast, vloeibaar, gasvormig –
Nooit bepaalt het zijn eigen toestand.
Onbedoeld oefent het invloed uit,
ten goede of ten kwade
maar meestal allebei:
net zoals de wijze.

Gierzwaluwen wonen in de lucht.
Struisvogels wonen op het zand.
Vissen wonen onder water.
Voor het denken is veelzijdigheid het best.
Voor diepzinnigheid, oppervlakkigheid.
In het antwoorden gaat er niets boven vragen.
In het vragen gaat er niets boven lachen.
Lachen! tot het je vergaat.

Geven is nemen en niemand kan het niet.
Winnen is verliezen, maar niet van hetzelfde.
Blaam vermijden kun je niet.
Het is dus geen blamage.

Hoofdstuk 8 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 8 van de Tao Te Tjing

9 Geen kwestie van timing

Meester Tja zegt:

Om te snijden kan een koksmes niet scherp genoeg zijn,
om je vingers te sparen niet bot genoeg.
Hoe lang moet je slijpen?

Om een tumor te verwijderen snij je meer weefsel weg,
om de hersenfunctie te bewaren minder.
Hoe ver moet je gaan?

Om later te genieten moet je voor het zingen de kerk uit,
om nu te genieten erna.
Hoe lang blijf je?

Voor een bloeiende beschaving zijn veel mensen nodig,
voor een bloeiende natuur weinig.
Hoeveel is te veel?

Om ziektekiemen te bestrijden moet je lang antibiotica slikken,
om je darmflora te behouden kort.
Hoe lang ga je door?

Om euthanasie te plegen moet je wilsbekwaam zijn,
maar wie wilsbekwaam is wil misschien nog niet.
Wanneer maak je er een eind aan?

Hoofdstuk 9 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 9 van de Tao Te Tjing

9.2 Tja is een eindeloze vlakte

Meester Tja zegt:

Dragen, neerzetten, laten vallen…

Gevuld houden, opdrinken, leeggieten…

Wetten om te scherpen, wetten tot men zich snijdt, wetten tot het lemmet weg is, wetten tot men het kan laten, meteen het wetten laten…

Een zaal vullen met juwelen en goud, die zaal inrichten als gevangenis, die zaal aan de vijand schenken, die zaal inrichten als restaurant, die zaal aan het volk schenken, die zaal onder water zetten, die zaal in brand steken, die zaal dichtmetselen…

Aardig zijn bij rijkdom of eer, waardig zijn bij rijkdom of eer, onaardig zijn bij rijkdom of eer, hovaardig zijn bij rijkdom of eer, boosaardig zijn bij rijkdom of eer, boetvaardig zijn bij rijkdom of eer, strijdvaardig zijn bij rijkdom of eer, nietswaardig zijn bij rijkdom of eer…

Het Tja is geen weg, het is geen wegennet, het is een eindeloze vlakte.

10 Van je onwetendheid geen niet-weten maken

Meester Tja zegt:

Je op je adem concentreren en hem zacht maken, kun je dat?
Je op je adem concentreren zonder hem te veranderen, kun je dat?
Gewoon ademen zonder op te letten, kun je dat?

Iets goed doen, kun je dat?
Iets niet-doen, kun je dat?
Het niet-doen niet doen, kun je dat?

Zitten en je hoofd leegmaken, kun je dat?
Zitten zonder je hoofd leeg te maken, kun je dat?
Zomaar wat zitten zonder iets of niets te doen, kun je dat?

Je onzichtbare spiegel rein houden, kun je dat?
Je onzichtbare spiegel onrein laten worden, kun je dat?
Je onzichtbare spiegel breken, kun je dat?

Van je wijsheid geen verlichting maken, kun je dat?
Van je niet-weten geen wijsheid maken, kun je dat?
Van je onwetendheid geen niet-weten maken, kun je dat?

Hoofdstuk 10 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 10 van de Tao Te Tjing

10.2 De wijze aanvaardt zijn dwaasheid

Meester Tja zegt:

Terwijl de poorten des hemels
zich openen kan de wijze
rondrennen als een kip zonder kop,
doodzitten als een broedende hen
of piekeren als een kop zonder kip
en het zich toch niet euvel duiden.

11 Een vrije geest is een lege geest

Meester Tja zegt:

Wie zijn beweeglijkheid wil verliezen moet zijn huis volproppen.
Wie verstopt wil raken moet zijn buik volproppen.
Wie gek wil worden moet zijn hoofd volproppen.

Een vrije geest is een lege geest.
Een lege geest heeft een lege leer.
Hij heeft er geen omkijken naar.
Zo kan hij overal vrij rondkijken.

Dit heet: de geesst krijgen.

Hoofdstuk 11 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 11 van de Tao Te Tjing

12 Kleine wijsheid

Grote Prikkels verblinden de geest.
Grote Passies verblinden de geest.
Grote Ambities verblinden de geest.
Grote Woorden verblinden de geest.
Grote Idealen verblinden de geest.
Grote Goden verblinden de geest.

Wie blind is die komt nergens meer.
Hij stoot zich maar en dat doet zeer.

Groot Geloof verblindt de geest.
Grote Wijsheid verblindt de geest.
Grote Waarheid verblindt de geest.
Groot Gezag verblindt de geest.
Grote Wetenschap verblindt de geest.
Grote Verlichting verblindt de geest.

Eenieder die het grote mijdt
vergroot zo zijn beweeglijkheid.

Hoofdstuk 12 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 12 van de Tao Te Tjing

13 Het wel en wee van ja en nee

Meester Tja zegt:

In de gunst staan is geweldig omdat het voordelen biedt, aanzien geeft en het ego streelt. In de gunst staan is verschrikkelijk omdat het verplichtingen meebrengt, tot vleierij aanzet en eindig is. Wat is beter: wel of niet in de gunst staan?

Een hoge positie is geweldig omdat je dan grote invloed hebt, veel vrienden krijgt en goed beloond wordt.Een hoge positie is verschrikkelijk omdat je dan grote verantwoordelijkheid draagt, vijanden krijgt en je gezondheid verspeelt. Wat is beter: wel of geen hoge positie?

Wie mag belast worden het bestuur: iemand die in de gunst wil staan of iemand die niet in de gunst wil staan? Iemand die een hoge positie ambieert of iemand die geen hoge positie ambieert?

Iemand die zijn lichaam hoger aanslaat dan de wereld of iemand die de wereld hoger aanslaat dan zijn lichaam? Of iemand die beide hoog aanslaat? Of iemand die geen van beide hoog aanslaat?

Hoofdstuk 13 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 13 van de Tao Te Tjing

13.2 Kennen kunnen wij het lichaam niet

Meester Tja zegt:

Ons treft het grote leven via het lichaam,
ons treffen grote gedachten via het lichaam,
ons treffen grote geneugten via het lichaam,
ons treffen grote rampen via het lichaam,
ons treft de grote dood via het lichaam,
ons treft het hele lichaam via het lichaam,
maar kennen kunnen wij het lichaam niet.

Daarom:

Wie zijn geest kent als zijn lichaam
kan men het Grote Tja toevertrouwen.

14 De leidraad van Tja

Meester Tja zegt:

We kijken, maar we snappen het niet.
We luisteren, maar we snappen het niet.
We proeven, maar we snappen het niet.
We ruiken, maar we snappen het niet.
We voelen, maar we snappen het niet.
We denken, maar we snappen het niet.
Dit zijn de zes facetten van het Tja.

Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

Het Tja komt niet op en het gaat niet onder.
Het geeft geen duisternis en geen licht.
Geen veelheid en geen eenheid.
Geen chaos en geen orde.
Geen onzin en geen zin.
Geen onraad en geen raad.
Geen nee en geen ja.

Dit is de leidraad van Tja.

Hoofdstuk 14 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 14 van de Tao Te Tjing

14.2 Houdt u liever van de domme

Meester Tja zegt:

Waarom trachten te doorgronden?
Houdt u liever van de domme.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft te doen.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft te doen alsof.

15 Het verhaal van het grote mysterie

Meester Tja zegt:

Nooit is iets of iemand doorgedrongen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Noch in het grijze verleden, noch in het kleurrijke heden, noch in de zwarte toekomst. Nooit zal iets of iemand doordringen in de duisternis van de subtielste mysteriën.

Nooit heeft iets of iemand door hoeven dringen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Nooit zal iets of iemand door hoeven dringen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Waarom niet?

Omdat alles en iedereen reeds doordrongen is van de duisternis van de subtielste mysteriën. Wijzelf zijn duisternis en mysterie. Te duister, te mysterieus zelfs om subtiel of grof te noemen, mysterie of duisternis, jij of ik, wereld of god, dit of dat.

De duisternis is in je en om je, jij bent het zelf, maar je ziet het niet.
Je bent er al van doordrongen, maar doordringen wil het niet.
Je kunt het niet zien, want je wilt het niet zien.
Je wilt het niet zien, want het onbekende jaagt je angst aan.
Het jaagt je angst aan, ook al ben je het zelf.

Onophoudelijk vertellen we verhalen om aan de duisternis te ontsnappen.
Onophoudelijk luisteren we naar elkaars duistere verhalen.
Samen spelen we dat alles helder en klaar is.
We spelen het niet klaar, we doen alleen alsof.
We doen alsof we niet doen alsof.
Waarom in mysterie’s naam?
Ook dat maakt deel uit van het mysterie.

Ook dit is maar een verhaal.
Het verhaal van het grote mysterie.

Hoofdstuk 15 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 15 van de Tao Te Tjing

15.2 Gelukkig is mijn ongeluk

Meester Tja zegt:

Volkomen is mijn onvolkomenheid,
Harmonieus mijn disharmonie,
Verheffend mijn ondergang,
Vredig mijn onrust en
Weteloos mijn weten.

15.3 De wijze is volkomen onvolkomen

Meester Tja zegt:

De wijze van ouds:

Hij was niet dwaas,
hij was niet wijs.

Hij wist
en wist niet.

Hij was licht en tastbaar,
duister en ongrijpbaar
als het eeuwige Tja.

Zijn diepte was ondiepte,
zijn oppervlakkigheid bodemloos.

Daar niets gekend kan worden
zal ik een denkbeeld geven:

De dwijze was behoedzaam
als wie zijn vrienden vreest
en zijn vijanden vertrouwt.

Ingetogen als een gast
en opgetogen als een kind.

Wijkend en kruiend
als smeltend ijs.

Massief als een berg
en leeg als een vallei.

Troebel als modder
en helder als smeltwater.

Wie klaart de troebelen niet op
en verstoort niet de helderheid?

Wie neemt rust in beweging
en beweging in rust?

De wijze van ouds:

Vol en leeg,
rijk en berooid,
in en uit de tijd
is hij volkomen
onvolkomen.

16 De wijze laat zich niet kennen

Meester Tja zegt:

Waarom laat de wijze zich niet kennen,
ook niet door zichzelf?

Hij neemt niets aan, je weet maar nooit.
Hij wijst niets af, je weet maar nooit.

Hij houdt zich in, je weet maar nooit.
Hij gaat ervoor, je weet maar nooit.

Hij juicht niet snel, je weet maar nooit.
Hij klaagt niet gauw, je weet maar nooit.

Hij keurt niet goed, je weet maar nooit.
Hij keurt niet af, je weet maar nooit.

Hij ligt niet dwars, je weet maar nooit.
Hij werkt niet mee, je weet maar nooit.

Hij gaat niet weg, je weet maar nooit.
Hij blijft niet thuis, je weet maar nooit.

Hij raadt niet aan, je weet maar nooit.
Hij raadt niet af, je weet maar nooit.

Soms weet hij wél, je weet maar nooit.
Maar meestal niet, hij weet het nooit.

Daarom laat de wijze zich nooit kennen.
Ook niet door zichzelf.

Hoofdstuk 16 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 16 van de Tao Te Tjing

17 Het Tja maakt ongewild mild

Meester Tja zegt:

Geen diepere stilte dan het lege woord.
Geen grotere ruimte dan de lege geest.
Daarin verrijst alles vrijelijk.

De tienduizend gedachten:

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.
Ook die over mijn zien.
Ook die over mezelf.
Ook die over de lege geest.
Ook die over het lege woord.

Hebben de tienduizend gedachten een oorsprong?
Ik sluit het niet uit.

Hebben de tienduizend gedachten een bestemming?
Ik sluit het niet uit.

Is de oorsprong de bestemming?
Ik sluit het niet uit.

Is de oorsprong onveranderlijk?
Ik sluit het niet uit.

Het Tja maakt ongewild mild.
Wie ongewild mild is, sluit niets uit, wat hij ook uitsluit.
Hij bevestigt niet wat hij nú niet kan bevestigen.
Hij ontkent niet wat hij nú niet kan ontkennen.
Daarom bevestigt hij niet en ontkent hij niet.
Dat is alles – het is niets.

Wie Tja heeft vertegenwoordigt alles of niets.
Hij vertegenwoordigt hemel én aarde.
Hij vertegenwoordigt jou noch mij.
Hij vertegenwoordigt nee én ja.
Wie Tja heeft is geen vertegenwoordiger,
maar geenszins tegen woorden.

Groot is alleen zijn
tegenwoordigheid
van geest.

Soeverein noch onaanraakbaar.
Alwetend noch onwetend.
Hemels noch aards.
Leeft hij?
Gaat hij dood?

Hij sluit het niet uit.

Hoofdstuk 17 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 17 van de Tao Te Tjing

17.2 Ook hun niet-doen deden ze niet

Meester Tja zegt:

Van de grote heersers wisten de onderdanen nagenoeg niet dat ze bestonden.
De grote heersers zelf wisten nauwelijks dat ze bestonden. Noch wisten ze of hun onderdanen wel bestonden. Noch wisten ze wie heerste over wie.

Nooit meenden ze enige verdienste verworven, enig werk volvoerd te hebben. Nooit waren ze bedachtzaam of onbedachtzaam. Nooit waren hun woorden of daden kostbaar.

Wat ze ook deden, ze deden maar wat, en dat zeiden ze ook, en ook hun niet doen deden ze niet. Wat ze ook zeiden, ze zeiden maar wat, en dat zeiden ze ook, en ook hun zwijgen zei ze niets.

18 Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

Meester Tja zegt:

Wanneer het Grote Tja krimpt
krijgen we regels en principes
Geloften en geboden
Wegen en methoden

Goed en kwaad
Deugd en zonde
Schuld en boete
Inquisitie en aflaat

Heiligen en heiligschennis
Hoogmoed en deemoed
Tweedracht en eendracht
Loopgraaf en praalgraf

Kennis en onwetendheid
Meesters en leerlingen
Standpunten en argumenten
Geloof en overtuiging

Welles en Nietes
Ja en Nee
Tao en Te
Kong Tse of Lao Tse?

Als het Tja van huis is
dansen de denkers
op tafel.

Hoofdstuk 18 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 18 van de Tao Te Tjing

19 Luister vooral niet naar mij

Meester Tja zegt:

Vergeet het weten en vergeet het vergeten.
Stop met het vereren van kennis en ongekunsteldheid.
Hou op met onderscheiden en verenigen.
Laat al je denkbeelden gaan
en luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen slimmigheid kennen, je hebzucht.
Zolang wij er zijn zullen er rovers en dieven zijn.
Leer je eigen praatzucht en praalzucht kennen.
Zolang wij er zijn zullen er uitslovers zijn,
dus luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen intelligentie kennen, je handigheid.
Zolang wij er zijn zal de wereld veranderen.
Leer je eigen liefde kennen, je mededogen.
Zolang wij er zijn zullen er verlossers zijn,
dus luister vooral niet naar mij.

Niets willen begeren is begeerte.
Streven naar eenvoud is geen eenvoud.
Niets is natuurlijk of onnatuurlijk,
dus luister vooral niet naar mij.

Hoofdstuk 19 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 19 van de Tao Te Tjing

19.2 Verzaak de wijsheid

Meester Tja zegt:

Verzaak de wijsheid en

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee van liefde hebben, en toch niet zonder zijn.

Verzaak de wijsheid en u zult geen afkeer van begeerte hebben noch onverschilligheid begeren.

Verzaak de wijsheid en de laatsten zullen de eersten zijn, de eersten weer de laatsten.

Verzaak de wijsheid en het gerepte dat u zozeer veracht zal op zijn eigen wijze maagdelijk blijken.

Verzaak de wijsheid en uw ik-zucht zal de uwe niet zijn, zij zal u niet dienen en aan anderen geen schade berokkenen.

Verzaak de wijsheid en u zult het recht niet meer kennen, niet meer vaardig wezen, rechtvaardig noch onrechtvaardig zijn over anderen of uzelf.

Verzaak de wijsheid en u zult het volk niet meer kennen, geen voordeel kennen, door niemand meer bevoordeeld worden en niemand nog bevoordelen.

20 Meerkeuzewijsheid

Meester Tja zegt:

Leren of niet leren?

  1. Hou op met leren, dan leef je onbezorgd.
  2. Hoe meer je leert, hoe minder zorgen.
  3. Geleerd of ongeleerd, zorgen zijn zorgen.
  4. Onbezorgd leven kun je leren.

Vrees inboezemen of niet?

  1. Wie vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  2. Wie vrees inboezemt heeft niets te vrezen.
  3. Wie geen vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  4. Wie geen vrees inboezemt heeft niets te vrezen.

Ja of nee?

  1. Ja is ja en nee is nee.
  2. Ja is nee en nee is ja.
  3. Het is altijd ja en nee.
  4. Het is altijd ja noch nee.

Mooi of lelijk?

  1. Iets is altijd mooi óf lelijk.
  2. Iets is altijd mooi én lelijk.
  3. iets is nooit mooi of lelijk.
  4. Iets is nu eens mooi dan weer lelijk.
  5. Iets kan mooi zijn het ene opzicht, lelijk in het andere.
  6. Wat mooi is voor de een, is lelijk voor de ander.
  7. Niets is mooi of lelijk van zichzelf, dat maakt het denken ervan.
  8. Mooi is lelijk, lelijk is mooi.

Hoofdstuk 20 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 20 van de Tao Te Tjing

20.2 Waarom, dat vraag ik niet

Meester Tja zegt:

Nu eens lig ik stil zonder teken
als een baby die niet weet
wat lachen is.

Dan weer straal ik van lust
als wie zich vergast
aan het stierenoffer.

Dikwijls keer ik naar binnen
als wie in de zomer terrassen bestijgt
of zich des winters verwarmt aan een vuur.

Waarom, dat vraag ik niet.
Vraag ik het toch,
dan vraag ik niet

Waarom, dat vraag ik niet.
Vraag ik het toch,
dan vraag ik niet

Waarom, dat vraag ik niet.
Vraag ik het toch,
dan vraag ik niet waarom.

20.3 Tussen ongetwijfeld en onmogelijk

Meester Tja zegt:

Wie ongetwijfeld zegt, wéét.

Wie waarschijnlijk zegt, wéét.

Wie misschien zegt, wéét.

Wie onwaarschijnlijk zegt, wéét.

Wie onmogelijk zegt, wéét.

Hoe gering het verschil tussen ongetwijfeld en onmogelijk.

Hoe onmetelijk het verschil tussen weten en niet-weten.

21 Volgelingen van het Grote Tja

Meester Tja zegt:

Mijn zien is zonder zien.
Mijn horen is zonder horen.
Mijn ruiken is zonder ruiken.
Mijn voelen is zonder voelen.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn denken is zonder denken.
Mijn weten is zonder weten.
Mijn menen is zonder menen.
Mijn oordelen is zonder oordelen.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn doen is zonder doen.
Mijn laten is zonder laten.
Mijn komen is zonder komen.
Mijn gaan is zonder gaan.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn geven is zonder geven.
Mijn nemen is zonder nemen.
Mijn hebben is zonder hebben.
Mijn zijn is zonder zijn.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn spreken is zonder spreken.
Mijn zwijgen is zonder zwijgen.
Mijn leven is zonder leven.
Mijn sterven is zonder sterven.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn geest is zonder geest.
Mijn lichaam is zonder lichaam.
Mijn liefde is zonder liefde.
Mijn haat is zonder haat.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn lust is zonder lust.
Mijn onlust is zonder onlust.
Mijn wil is zonder wil.
Mijn onwil is zonder onwil.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn gehechtheid is zonder gehechtheid.
Mijn onthechting is zonder onthechting.
Mijn onderscheid is zonder onderscheid.
Mijn eenheid is zonder eenheid.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn deugd is zonder deugd.
Mijn zonde is zonder zonde.
Mijn vreugde is zonder vreugde.
Mijn verdriet is zonder verdriet.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn waarheid is zonder waarheid.
Mijn wijsheid is zonder wijsheid.
Mijn kennis is zonder kennis.
Mijn filosofie is zonder filosofie.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn moraal is zonder moraal.
Mijn realiteit is zonder realiteit.
Mijn religie is zonder religie.
Mijn verlichting is zonder verlichting.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn eenvoud is zonder eenvoud.
Mijn woord is zonder woord.
Mijn bede is zonder bede.
Mijn weg is zonder weg.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn Tao is zonder Tao.
Mijn Boeddha is zonder Boeddha.
Mijn God is zonder God.
Mijn ik is zonder ik.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Het Grote Tja is geen volgeling.
Mijn meester heeft geen meester.
Hij is een leerling van niets.
Ik ben mijn eigen leerling.

Het Grote Tja is niet te volgen.
Mijn meester heeft geen leerlingen.
Hij is een meester van niets.
Ik ben mijn eigen meester.

Hoofdstuk 21 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 21 van de Tao Te Tjing

22 De wijze heeft niets te onthullen

Meester Tja zegt:

Wie veel heeft zal verkrijgen of verliezen.
Wie weinig heeft zal verliezen of verkrijgen.
Wat stuk is wordt hersteld of gedumpt.
Wat krom is trekt rechter of krommer.
Wat buigt veert terug of barst.
Wat hol is loopt leeg of vol.

Al houdt het Tja zich niet aan hem,
de wijze houdt zich aan het Tja.
Zodoende is hij herder noch schaap,
verdienstelijk noch onverdienstelijk,
aanzienlijk noch onaanzienlijk,
glansrijk noch dof,
goed noch slecht.

De wijze heeft niets te verhullen of te onthullen.
Hij houdt zich aan het vele noch aan het ene.
Hij veinst zelfs niet ongeveinsd te zijn.
Hij wedijvert zonder wedijveren
en niemand kan verliezen.

Hoofdstuk 22 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 22 van de Tao Te Tjing

22.2 Wie zichzelf in het licht stelt zal een schaduw werpen

Meester Tja zegt:

De wijze stelt zich niet in het licht,
maar daarom schittert hij nog niet.

Hij slaat zichzelf niet hoog aan,
maar daarom blinkt hij nog niet uit.

Want wie zichzelf in het licht stelt
zal een schaduw werpen,
maar wie zichzelf in de schaduw stelt
werpt daarom nog geen licht.

22.3 Heel even dacht ik niets

Meester Tja zegt:

Ik dacht: Alle mensen hebben over; ik alleen ben leeg.
Ik dacht: Alle mensen zijn leeg; ik alleen heb over.
Ik dacht: Ik alleen heb over; toch ben ik leeg.
Ik dacht: Niets heb ik over; toch ben ik niet leeg.
Ik dacht: Wist ik nou maar hoe het zat.
Ik dacht: Of toch maar liever niet.
Heel even dacht ik niets.
Ook dat was zo
voorbij.

23 Een mateloze maat

Meester Tja zegt:

De hele dag praten is natuurlijk.
Weinig spreken is natuurlijk.
Geen stom woord zeggen is natuurlijk.
Een woordenvloed gevolgd door stilte –
Niets is onnatuurlijk.

Een storm blaast wekenlang of waait snel over.
Stortregen put zich uit of houdt almaar aan.
Als hemel en aarde geen maat weten te houden,
hoeveel minder dan de mens?

Maar wie het Tja belichaamt,
die laat nooit verstek gaan.
Wie alles heeft verloren,
wordt één met zijn verlies.

Wie zelfs het Grote Tja laat gaan,
wordt één met zijn bestaan,
al is het al gedaan.

Hoofdstuk 23 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 23 van de Tao Te Tjing

24 Wie nergens op staat valt vrij

Meester Tja zegt:

Iedereen schept weleens op.
Tegen zichzelf of tegen anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Opscheppen is natuurlijk.
Ook ik schep weleens op.
Al is het maar door niet op te scheppen.

Iedereen loopt weleens te paraderen.
Voor zichzelf of voor anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Paraderen is natuurlijk.
Ook ik loop weleens te paraderen.
Al is het maar door niet te paraderen.

Iedereen wil weleens schitteren.
Voor zichzelf of voor anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Schitteren is natuurlijk.
Ook ik wil weleens schitteren.
Al is het maar door niet meer te schitteren.

Iedereen heeft weleens pretenties.
Voor zichzelf of voor anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Pretenderen is natuurlijk.
Ook ik heb weleens pretenties.
Al pretendeer ik bij wijle van niet.

Daarom:

Wie zijn pretenties ontkent, staat zwak.
Wie zijn pretenties erkent, staat sterk.
Wie andermans pretenties herkent, staat nergens op.
Wie nergens op staat valt vrij.
Of is dat weer opschepperij?

Hoofdstuk 24 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 24 van de Tao Te Tjing

25 Nog weet ik niet zijn naam

Meester Tja zegt:

Was de aarde er voor de dingen?
Was de hemel er voor de aarde?
Zo ja of nee, wat was er voor
Die tienduizend en twee?

Heeft de kosmos een moeder?
Heeft de moeder een vader?
Heeft de vader een oorzaak?
Heeft de oorzaak een bron?
Heeft de bron een naam?
Heeft de naam een naamgever?

Als wij de naamgever zijn,
Waar komen wij dan vandaan?
Waar zijn wij op dit moment?
Waar gaan we zo naartoe?

Wie waren wij,
Wie zijn wij en
Zijn wij er straks
Geweest?

Wie ben ik dat ik wij zeg?
Wat zijn wij dat we vragen stellen?
Waarvan zijn vragen een teken?
Zijn er vragen zonder teken?
Zijn er tekens zonder vragen?
Zijn dit wel de juiste vragen?
Zijn er wel juiste vragen?
Zijn vragen echt wel vragen?
Of zijn vragen al het antwoord?
Aan wie kan ik dat vragen?

Groots schijnt de kosmos.
Groter nog de onzekerheid
Die hem verhult.

Of is het de onzekere –
Schepper zonder
Vlees of blaam?

Nog weet ik niet zijn naam.
Alleen zijn bijnaam
Mag er wezen
Als zijn wezen
En zijn vorm:
Het Grote Tja,
(On)aangenaam.

Het grote ja,
Het grote nee,
De boze heks,
De goede fee,
Hoe groot precies
Is een idee?

Is de aarde een idee?
Is de hemel een idee?
Is de kosmos een idee?
Is de moeder een idee?
Is de vader een idee?
Is de oorzaak een idee?
Is de bron maar een idee?

Is het Tja maar een idee?
Wie denkt er zo ver
Met mij mee?

Hoofdstuk 25 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 25 van de Tao Te Tjing

25.2 Tja is nee noch ja

Meester Tja zegt:

Vraagt u me wat ik ben dan zeg ik wederkerend noch eenmalig
Van wederkerend noch eenmalig zeg ik bestaand noch onbestaand
Van bestaand noch onbestaand zeg ik verlicht noch verduisterd
Van verlicht noch verduisterd zeg ik vliedend noch inwonend
Van vliedend noch inwonend zeg ik verdeeld noch verenigd
Van verdeeld noch verenigd zeg ik meester noch gezel
Van meester noch gezel zeg ik levend noch dood
Van levend noch dood zeg ik wijs noch dwaas
Van wijs noch dwaas zeg ik groot noch klein
Van groot noch klein zeg ik ver noch nabij
Van ver noch nabij zeg ik nee noch ja:
Ach, noem mij toch Meester Tja

Lees ook: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

25.3 De wegleidweg

Meester Tja zegt:

De weg naar het Tja is de weg naar de hemel.
De weg naar de hemel is de weg naar de aarde.
De weg naar de aarde is de weg naar de mensen.
De weg naar de mensen is de weg naar jezelf.
De weg naar jezelf is de weg naar de geest.
De weg naar de geest is de weg naar het weten.
De weg naar het weten is de weg naar niet-weten.
De weg naar niet-weten is de weg naar het Tja.
De weg naar het Tja leidt overal van weg.
De wegleidweg leidt recht naar de hemel.

26 Wie Tja heeft zegt tja

Meester Tja zegt:

Wie de wereld bestuurt verliest zijn lichaam uit het oog.
Wie zijn lichaam verzorgt verliest de wereld uit het oog.

Wie bezorgd is over zijn bagage zal slecht slapen.
Wie goed slaapt zal beroofd worden.

Wie zwak is wordt onder de voet gelopen.
Wie sterk is wordt uitgedaagd.

Wie veel weegt komt moeilijk in beweging.
Wie weinig weegt waait makkelijk om.

Wie niets onderneemt verveelt zich dood.
Wie iets onderneemt ergert zich dood.

Wie arm is heeft weinig te besteden.
Wie rijk is heeft veel te verliezen.

Wie alles hoort zoekt stilte.
Wie stilte zoekt hoort alles.

Wie Tja heeft zegt tja.

Hoofdstuk 26 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 26 van de Tao Te Tjing

26.2 Over de relativiteit van tegendelen

Meester Tja zegt:

Wat zwaar is voor het kind
is licht voor de ouder.
Zwaar kan de wortel van licht niet zijn,
licht niet de wortel van zwaar.

Wat rust is vanuit de zon
is beweging vanuit de aarde.
Rust kan de wortel van beweging niet zijn,
beweging niet de wortel van rust.

Wat koud is voor een warme hand
voelt warm aan voor een koude.
Kou kan de wortel van warmte niet zijn,
warmte niet de wortel van kou.

27 De meester niet hoogschatten

Ook de wijze weet niet beter

Meester Tja zegt:

Een goede dichter opent.
Een goede leraar leert af.
Een goede leerling spijbelt.
Een goede zoeker vindt niets.
Een goede reiziger blijf thuis.
Een goede bouwer ondermijnt.
Een goede advocaat verdedigt niet.
Een goede verzamelaar neemt niet mee.
Een goede denker laat geen gedachten na.
Een goede zwijger heeft veel woorden nodig.
Een goede spreker neemt zijn woorden terug.
Een goede verstaander heeft genoeg aan stilte.

Ook de wijze weet niet beter.
Daarom hoeft hij niemand te redden
of anderen het redden te beletten.
Door niet naar het licht te streven
geeft hij lucht aan het duistere
en verkleint zo het verschil.

De meester niet hoogschatten,
de leerling niet geringschatten,
daar begint het mee.

Wie kan zeggen waar het eindigt?

Hoofdstuk 27 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 27 van de Tao Te Tjing

27.2 Niet-uitmunten heeft geen oefening nodig

Meester Tja zegt:

Niet-uitmunten heeft geen oefening nodig en niemand voelt zich minder.
Niet-verwerpen heeft geen vuisten nodig en niemand neemt aanstoot.
Niet-rekenen heeft geen telraam nodig en niemand maakt fouten.
Niet-binden heeft geen banden nodig en niemand kan losknopen.
Niet-helpen heeft geen handen nodig en niemand kan weigeren.
Niet-sluiten heeft geen grendel nodig en niemand kan openen.
Niet-weten heeft geen uitspraak nodig en niemand kan verdedigen.

28 Zo word je ’s werelds schilder

Meester Tja zegt:

Doorzie het mannelijke, doorzie het vrouwelijke,
Zo word je tot ’s werelds fallus.
De honderd geslachten zul je welkom heten
Als je eigen boreling.

Doorzie je eergevoel, doorzie je schaamte,
Zo word je ’s werelds vlakte.
De duizend pieken en dalen zul je welkom heten
Als je eigen hooggebergte.

Doorzie het witte, doorzie het zwarte
Zo word je ’s werelds schilder.
De tienduizend tinten zul je welkom heten
Als je eigen kleurenpalet.

Hoofdstuk 28 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 28 van de Tao Te Tjing

28.2 Nimmer zonder tja

Meester Tja zegt:

Ik verloor mijn soevereiniteit en mijn kwetsbaarheid
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn vijanden en mijn vrienden
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn meervoud en mijn enkelvoud
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor de ander en mezelf
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn deugd en mijn ondeugd
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn hel en mijn hemel
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn doen en mijn laten
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn weg en mijn doel
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn dwaasheid en mijn wijsheid
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn weten en mijn niet-weten
maar ben nimmer zonder tja.

29 De wijsheid zonder wijsheid

Meester Tja zegt:

Boeren maken hokjes om dieren in op te sluiten.
Doe hetzelfde in je geest en je krijgt geleerdheid.
Wie alle ruimte wil hebben moet geen schotjes plaatsen.

Nooit krijg je je geest in een hokje gepropt.
Je geest is groter dan alle denkbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je jezelf in een hokje gepropt.
Jij bent groter dan alle zelfbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je de mens in een hokje gepropt.
De mens is groter dan alle mensbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je de wereld in een hokje gepropt.
De wereld is groter dan alle wereldbeelden bij elkaar.

De wereld die groter is dan alle wereldbeelden bij elkaar,
De mens die groter is dan alle mensbeelden bij elkaar,
De jij die groter is dan alle zelfbeelden bij elkaar,
Je geest die groter is dan alle denkbeelden bij elkaar –
Het zijn allemaal maar denkbeelden.
Wat valt er zonder nog te zeggen?

Sommigen moeten voorop gaan, anderen moeten volgen.
Sommigen hebben het snel warm, anderen zijn kouwelijk.
Sommigen kunnen tegen een stootje, anderen zijn gauw van slag.
Sommigen vechten zich omhoog, anderen springen naar beneden.
Sommigen gedijen bij eenvoud, anderen verkiezen complexiteit.
Sommigen zoeken hun eigen weg, anderen lopen in ganzenpas.
Sommigen plaatsen schotjes, anderen breken ze af.
Sommigen houwen beelden, anderen bestormen ze, ja:

Soms ga je zelf voorop, soms volg je.
Soms heb je het snel warm, soms ben je kouwelijk.
Soms kun je tegen stootje, soms ben je gauw van slag.
Soms vecht je je omhoog, soms spring je naar beneden.
Soms gedij je bij eenvoud, soms bij complexiteit.
Soms zoek je je eigen weg, soms loop je in ganzenpas.
Soms plaats je schotjes, soms breek je ze af.
Soms houw je beelden, soms bestorm je ze.

Daarom vermijdt de wijze alle wijsheid.
Dit heet de wijsheid zonder wijsheid.
Het heet de lege leer.
Alias het Grote Tja.

Hoofdstuk 29 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 29 van de Tao Te Tjing

30 Wie tegen het Tja ingaat is er gauw geweest

Meester Tja zegt:

Alleen geweld kan een eind maken aan geweld,
Alleen geweldloosheid kan een eind maken aan geweld,
Alleen innerlijke vrede kan een eind maken aan geweld,
Alleen politieke hervorming kan een eind maken aan geweld,
Alleen economische hervorming kan een eind maken aan geweld,
Alleen religie kan een eind maken aan geweld,
Niets kan een eind maken aan geweld.

Wat is wijsheid?

Wapens leiden tot geweld,
Wapens voorkomen geweld,
Wapens kunnen zowel geweld veroorzaken als voorkomen,
Gewelddadigheid vindt ook zonder wapens zijn weg,
Wapens dienen een monopolie van de staat te zijn,
Wapens zijn een fundamenteel burgerrecht,
Wapens moeten verboden worden.

Wat is wijsheid?

Diep in zijn hart verlangt iedereen naar vrede,
Diep in zijn hart verlangt iedereen naar oorlog,
Tijdens de oorlog verlangt iedereen naar vrede,
Tijdens de vrede verlangt iedereen naar oorlog,
Iedereen verlangt zowel naar vrede en oorlog,
Vrede is de natuurlijke staat van alle wezens,
Oorlog is de natuurlijke staat van alle wezens.

Wat is wijsheid?

Wijsheid geeft onrust,
Onrust geeft actie,
Actie geeft strijd,
Strijd geeft geweld,
Geweld geeft wijsheid.

Dat is wijsheid.

Daarom:

Wie tegen het Tja ingaat
is er gauw geweest.

Hoofdstuk 30 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 30 van de Tao Te Tjing

31 Woorden zijn wapens, wapens zijn woorden

Meester Tja zegt:

Hoofden zijn wapens
Tanden zijn wapens
Handen zijn wapens
Vingers zijn wapens
Ellebogen zijn wapens
Schouders zijn wapens
Geslachten zijn wapens
Knieën zijn wapens
Schenen zijn wapens
Voeten zijn wapens

Hoeven zijn wapens
Horens zijn wapens
Tentakels zijn wapens
Stekels zijn wapens
Klauwen zijn wapens
Poten zijn wapens
Vleugels zijn wapens
Angels zijn wapens
Tentakels zijn wapens

Stenen zijn wapens
Kiezels zijn wapens
Grit is een wapen
Zand is een wapen
Kuilen zijn wapens
Diepten zijn wapens
Hoogten zijn wapens

Water is een wapen
IJs is een wapen
Gas is een wapen
Lucht is een wapen
Slijm is een wapen
Lijm is een wapen
Olie is een wapen
Vuur is een wapen

Stokken zijn wapens
Ploegen zijn wapens
Spaden zijn wapens
Hamers zijn wapens
Sikkels zijn wapens
Vijzels zijn wapens
Messen zijn wapens
Vorken zijn wapens

Ziekten zijn wapens
Medicijnen zijn wapens
Kinderen zijn wapens
Dierbaren zijn wapens
Rijkdom is een wapen
Armoede is een wapen
Kracht is een wapen
Zwakte is een wapen

Hersens zijn wapens
Kennis is een wapen
Onkunde is een wapen
Gedachten zijn wapens
Emoties zijn wapens
Woorden zijn wapens
Zwijgen is een wapen

Zonder wapens geen wereld
Ook wie tja heeft voert ze
In vrede, bestand en oorlog
Links, rechts en in het midden

Hoofdstuk 31 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 31 van de Tao Te Tjing

31.2 Veel verschil maakt het niet

Bekentenis

Meester Tja zegt:

Het is tot mijn verdriet dat ik in het doden vreugde vindt. Het is tot mijn vreugde dat ik in het doden verdriet vindt. Veel verschil maakt het niet.

31.3 Mensen doden en laten doden, maar ze noemen het geen doden

Meester Tja zegt:

Mensen doden en laten doden,
maar ze noemen het geen doden.

Ze noemen het een voorbeeld stellen.
Ze noemen het terechtstellen.
Ze noemen het gerechtigheid.
Ze noemen het euthanasie.
Ze noemen het verdedigen.
Ze noemen het beveiligen.
Ze noemen het Gods Wil.
Ze noemen het eerwraak.
Ze noemen het zuiveren.
Ze noemen het voorkómen.
Ze noemen het genezen.
Ze noemen het beheersen.
Ze noemen het bestrijden.
Ze noemen het ontsmetten.
Ze noemen het pasteuriseren.
Ze noemen het steriliseren.
Ze noemen het bestralen.
Ze noemen het afmaken.
Ze noemen het slachten.
Ze noemen het ruimen.
Ze noemen het vissen.
Ze noemen het jagen.
Ze noemen het wieden.
Ze noemen het rooien.
Ze noemen het onderhouden.
Ze noemen het oogsten.
Ze noemen het bereiden.
Ze noemen het eten.
Ze noemen het van alles.

Ze noemen het geen doden,
maar mensen doden en laten doden.

31.4 De dienaren des levens zijn de dienaren des doods

Meester Tja zegt:

Dezelfde boom draagt de vrucht
en verstikt de zaailing.

Hetzelfde mes snijdt het vlees aan
en de hals door.

Dezelfde mond zoent de vriend
en bijt de vijand.

Hetzelfde vuur gaart de kool
en verkoolt het brood.

Hetzelfde water laaft de koe
en verdrinkt het kalf.

De dienaren des levens
zijn de dienaren des doods.

32 Niets ter wereld kan het Tja onderwerpen

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja mag geen naam hebben.
Hoe groot is een idee?
Kleiner dan het allerkleinste
omvat het de hele wereld.
Groter dan het allergrootste
past het makkelijk overal in.

Hoewel het niets aan zich wil onderwerpen
kan niets ter wereld het aan zich onderwerpen.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren
dan keren alle gedachten zich spontaan tot hem.
Ja en nee, welles en nietes, hemel en aarde –
alle tegenstellingen vermengen zich vrijelijk.
Ze vloeien samen, lossen op
en niemand dringt aan.

De geest schept ideeën en vernietigt ze.
De geest schept namen en vernietigt ze.
De geest schept werkelijkheden en vernietigt ze.
De geest schept luchtkastelen en vernietigt ze.
De geest schept waarden en vernietigt ze.
De geest schept idealen en vernietigt ze.
De geest schept en de geest vernietigd
zonder geweld en zonder uitzondering.
Ook het idee van de geest en het Grote Tja.

Dit heet: het Grote Tja.

Hoofdstuk 32 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 32 van de Tao Te Tjing

32.2 Het Tja onderwerpt zich niet

Meester Tja zegt:

Tja is eeuwig noch onnoembaar.
Hoe gering het in zijn eenvoud ook is,
onderwerpt het de ganse wereld,
maar weet de ganse wereld
het niet te onderwerpen.

33 Verdwijnen voor je sterft

Meester Tja zegt:

Wie de ander meent te kennen, kent zijn eigen geest niet.
Wie zijn eigen geest meent te kennen is onwetend.
Wie zichzelf kent weet niet.

Wie anderen overwint verliest.
Wie van anderen verliest wint niet.
Wie niet van winnen weet verliest niet.

Een doel te hebben betekent krachtig streven.
Krachtig streven vraagt standvastigheid.
Wie standvastig is gaat nergens heen.

Een standvastig leven is een onvoltooid leven.
Een voltooid leven bestaat erin te verdwijnen voor je sterft.
Wie daar een doel van maakt, zal het niet bereiken.

Hoofdstuk 33 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 33 van de Tao Te Tjing

33.2 Licht is wie het duister kent

Meester Tja zegt:

Stand houdt wie zijn plaats niet kent.
Sterk is wie zijn kracht niet kent.
Groot is wie zijn kleinheid kent.
Hoog is wie zijn laagheid kent.
Wijs is wie de mens niet kent.
Thuis is wie de weg niet kent.
Zacht is wie zijn woede kent.
Vrij is wie zichzelf niet kent.
Licht is wie het duister kent.

33.3 De wijze is zacht in zijn hardheid

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt recht door krom te spreken en mee in tegenspraken.
Hij vermenigvuldigt ter deling en verdeelt ter meerdering.
Hij is zacht in zijn hardheid en eenduidig in zijn ambiguïteit.
Hij vertroebelt ter opheldering en vangt ter bevrijding.

De wijze verzwaart en verduistert, maar steevast ter verlichting.

34 Nooit is een woord het laatste

Meester Tja zegt:

Weids is de blik van het Grote Tja.
Links, rechts, voor, achter,
boven, onder, binnen, buiten,
het neemt alles in ogenschouw.

Geen steen blijft ongekeerd,
geen gedachte blijft ongedacht,
geen gevoel blijft onverwoord,
geen woord blijft ongezegd.
Geen gezegde blijft gezegd,
nooit is een woord het laatste,
ook niet het Grote Tja.

Het Tja doet zijn werk maar vraagt er geen aandacht voor.
Het ziet alles onder ogen, ook wanneer het dat niet kan.
Het laat zich nergens op voorstaan en laat zich daar niet op voorstaan.
Het heet iedereen welkom, ook degenen die het niet welkom heten.
De toegang is altijd gratis, de uitgang is er
voor niets.

Ruim is de geest die alle gedachten toestaat.
Ruimer de geest die alle gedachten uitlaat.

Hoe ruim is de geest die deze gedachten loslaat?

Hoofdstuk 34 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 34 van de Tao Te Tjing

34.2 De wijze weigert niet

Meester Tja zegt:

De wijze slokt alles op,
zowel links als rechts.

De tienduizend wezens
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Verdienste en berekening
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Liefde en haat
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Begeerte en apathie
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Wijsheid en dwaasheid
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Weten en niet-weten
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Weigering en aanvaarding
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Hij zou niet weten hoe.

35 De Grote Vrede zal je leren

Meester Tja zegt:

Neem het Grote Tja.
Ga je geest door.
Ga! Niets kan je deren.
De Grote Vrede
zal je leren.

Hoofdstuk 35 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 35 van de Tao Te Tjing

35.2 Kleurloos als water, eeuwig fris

Meester Tja zegt:

Muziek en lekker eten, daar stoppen reizigers voor.
Maar nu de woorden uit de mond van het Tja:
Die zijn zouteloos, ze hebben helemaal geen smaak.

Kijk maar: niets wat het bekijken waard is.
Luister maar: niets wat het horen waard is.
Leeg is de leer van de lege mens.
Kleurloos als water – eeuwig fris.

35.3 Spreken over het Tja

Meester Tja zegt:

Spreekt het Tja over zichzelf dan spreekt het in alle toonaarden.

Noemt het zich diep dan noemt het zich oppervlakkig.
Noemt het zich waarheid dan noemt het zich leugen.
Noemt het zich vrij dan noemt het zich gedwongen.
Noemt het zich eeuwig dan noemt het zich tijdelijk.
Noemt het zich geest dan noemt het zich lichaam.
Noemt het zich vrede dan noemt het zich oorlog.
Noemt het zich hemel dan noemt het zich aarde.
Noemt het zich licht dan noemt het zich duister.
Noemt het zich goed dan noemt het zich kwaad.
Noemt het zich poort dan noemt het zich muur.
Noemt het zich leegte dan noemt het zich vorm.
Noemt het zich wijs dan noemt het zich dwaas.
Noemt het zich leven dan noemt het zich dood.
Noemt het zich één dan noemt het zich twee.
Noemt het zich piek dan noemt het zich dal.

Zwijgt het Tja over zichzelf dan zwijgt het in alle toonaarden.

36 Wie kan zeggen waarom?

Meester Tja zegt:

Soms moet je versterken om te verzwakken.
Soms moet je verzwakken om te versterken.
Soms moet je versterken om te versterken.
Soms moet je verzwakken om te verzwakken.

Soms moet je vergroten om te verkleinen.
Soms moet je verkleinen om te vergroten.
Soms moet je vergroten om te vergroten.
Soms moet je verkleinen om te verkleinen.

Soms moet je verenigen om te scheiden.
Soms moet je scheiden om te verenigen.
Soms moet je verenigen om te verenigen.
Soms moet je scheiden om te scheiden.

Soms moet je moet je stijgen om te dalen.
Soms moet je dalen om te stijgen.
Soms moet je stijgen om te stijgen.
Soms moet je dalen om te dalen.

Soms zijn wapens je redding, dan weer je ondergang.
Soms moet je ze tonen, dan weer verbergen.

Soms zijn woorden een hulpmiddel, dan weer een hinderpaal.
Soms moet je ze uitspreken, dan weer verzwijgen.

Wat gisteren lukte gaat vandaag mis.
Wat vandaag lukt gaat morgen mis.

Wie kan zeggen waarom?

Hoofdstuk 36 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 36 van de Tao Te Tjing

37 In een onzeker heden komt de geest tot rust

Als gedachten hun magie verliezen

Meester Tja zegt:

Het Tja bestaat erin niets te weten en ook dat te vergeten.
Het bestaat erin niets te doen en ook dat te laten.
Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren,
dan zullen gedachten hun magie verliezen.

Willen ze je toch in beweging brengen?
Ik zou ze ontmaskeren met vragen,
ontwapenen met alternatieven,
ontnuchteren met stilte,
tot vrede brengen
met de eenvoud
van niet-weten.

Ja, ik zou ze onttoveren,
want zonder illusies,
in een onzeker heden
zonder schijnzekerheden
uit toekomst en verleden
komt de geest tot russst.

Hoofdstuk 37 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 37 van de Tao Te Tjing

38 Grote geestkracht baseert zich op niets

Meester Tja zegt:

De hoogste vorm van geestkracht berust niet op kracht.
Zo is er pas echt sprake van geestkracht.
Geestkracht die zich op kracht baseert, forceert.

Wie over grote geestkracht beschikt, baseert zich op niets.
Wie zich op niets baseert heeft geen reden tot forceren.
Ook het niet-forceren dwingt hij niet af, en dat is dat.

Menswaardigheid die zich menswaardig weet is niet zo menswaardig.
Rechtvaardigheid die zich rechtvaardig weet is niet zo rechtvaardig.
Deugd die zich deugdzaam weet is niet zo deugdzaam.
Opgelegde beleefdheid is een vorm van dwang.
Afgedwongen beschaving is geen beschaving.
Overgeleverde wijsheid is geen wijsheid.

Daarom:

Wie Tja heeft is menswaardig zonder waarden.
Rechtvaardig zonder rechten.
Deugdzaam zonder deugden.
Beleefd zonder vormen.
Beschaafd zonder beschaving.
Wijs zonder wijsheid.

Hij veinst niet te weten wat hij niet weet.
Hij kent de grenzen van zijn kennis
en voelt zich van huis uit thuis
in het grote onbekende.

Dit is de hoogste vorm van geestkracht.
De hoogste vorm van geestkracht
berust niet op kracht.

Hoofdstuk 38 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 38 van de Tao Te Tjing

38.2 Ach ja, ik zeg maar wat

Meester Tja zegt:

Ik houd mij aan de kern noch aan de schors.
Ik houd mij aan de bloem én aan de vrucht.
Ik doe eens dit, ik doe eens dat,
ach ja, ik doe maar wat.

Ik ken de geest niet van de stof.
Ik ken de jade niet van de kiezel.
Ik zeg eens dit, ik zeg eens dat,
ach ja, ik zeg maar wat.

39 Wie Tja heeft kent het ene niet

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft kent het ene niet.
Hij kent het andere niet.
Hij kent het ene niet van het andere:

Het verleden niet van het heden.
Het heden niet van de toekomst.
Het hier niet van het daar.
De mythen niet van de feiten.
Het hoge niet van het lage.
Het vele niet van het ene.
De hemel niet van de aarde.
Reinheid niet van onreinheid.
Goden niet van mensen.
De rijken niet van de armen.
Vorsten niet van hun onderdanen.
Het wonder niet van het gewone.
De bergen niet van de dalen.
Volheid niet van leegte.
Het edele niet van het vulgaire.
Waardigheid niet van onwaardigheid.
Nederigheid niet van hoogmoed.
Eer niet van schande.
De jade niet van de kiezels.

Wat valt er dan te scheiden?
Wat valt er te verenigen?
Wat valt er nog te weten?
Wat valt er te vergeten?
Wat valt er te begeren?
Wat valt er na te streven?
Wat valt er te vermijden?
Wat valt er te nog doen?
Wat valt er na te laten?

Daarom:

Wie Tja heeft doet maar wat.

Hoofdstuk 39 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 39 van de Tao Te Tjing

40 Teruggaan is de dynamiek van het Tja

De wolk van niet-weten

Meester Tja zegt:

Teruggaan, dat is de dynamiek van het Tja.

Uit het antwoord in de vraag,
uit de vraag in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de oplossing in het probleem,
uit het probleem in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de conclusie in de premissen,
uit de premissen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de stelling in de onderstellingen,
uit de onderstellingen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de zekerheid in de onzekerheid,
uit de onzekerheid in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de eenduidigheid in de meerduidigheid,
uit de meerduidigheid in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het ingewikkelde in het eenvoudige,
uit het eenvoudige in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het onderscheid in de eenheid,
uit de eenheid in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het worden in het zijn,
uit het zijn in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het weten in het niet-weten,
uit het niet-weten in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het geloven in het niet-geloven,
uit het niet-geloven in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het oordelen in het niet-oordelen,
uit het niet-oordelen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het willen in het niet-willen,
uit het niet-willen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het hebben in het niet-hebben,
uit het niet-hebben in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het hechten in het niet-hechten,
uit het niet-hechten in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het denken in het niet-denken,
uit het niet-denken in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het doen in het niet-doen,
uit het niet-doen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de betekenis in het teken,
uit het teken in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit mijn toespraken in mijn zinnen,
Uit mijn zinnen in mijn woorden,
Uit mijn woorden in de letters,
Uit de letters in de streepjes,
Uit de streepjes in het wit,
en ten slotte, uit het wit,
in het wit waar alles zit.

Dit heet: de wolk van niet-weten.

Hoofdstuk 40 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 40 van de Tao Te Tjing

41 Het Ja van het Tja lijkt Nee

Meester Tja zegt:

Als een domoor van het Tja hoort – het zal hem niet verbazen.
Als een gemiddeld mens van het Tja hoort, schiet hij in de lach.
Als een professor van het Tja hoort, komt hij niet meer bij.
Kwam hij toch bij, dan was het niet het Tja.

Hoe dat kan?

De weg van het Tja lijkt een doolhof.
Het vinden van het Tja lijkt verliezen.
De vrede van het Tja lijkt strijd.
De triomf van het Tja lijkt een fiasco.

De zekerheid van het Tja lijkt twijfel.
De grond van het Tja lijkt drijfzand.
De realiteit van het Tja lijkt schijn.
Het licht van het Tja lijkt duister.

De helderheid van het Tja lijkt troebel.
Het hart van het Tja lijkt een hoofd.
Het mededogen van het Tja lijkt meedogenloos.
De deemoed van het Tja lijkt hoogmoed.

De deugd van het Tja lijkt ondeugd.
De rijkdom van het Tja lijkt armoede.
De volheid van het Tja lijkt leegte.
De verrukking van het Tja lijkt vlak.

Het spel van het Tja lijkt menens.
Het wonder van het Tja lijkt gewoon.
De eenvoud van het Tja lijkt ingewikkeld.
De echtheid van het Tja lijkt gemaakt.

De wijsheid van het Tja lijkt dwaasheid.
De kracht van het Tja lijkt zwakte.
De diepte van het Tja lijkt oppervlakkig.
Het denken van het Tja lijkt dwalen.

Het doen van het Tja lijkt laten.
Het spreken van het Tja lijkt zwijgen.
Het zwijgen van het Tja lijkt zwetsen.
Een meester van het Tja lijkt een leerling.

Hoe dat kan?

Een ruime geest heeft geen hokken.
Het Grote Tja heeft geen haken.
Daarom blijft er niets in hangen en
blijft het niet aan iemand hangen.

Hoofdstuk 41 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 41 van de Tao Te Tjing

41.2 Brullen om illusie en werkelijkheid

Meester Tja zegt:

Horen zuigelingen van het tja, ze reageren niet.
Horen ongeschoolden van het tja, ze grinniken erom.
Horen laaggeschoolden van het tja, ze lachen erom.
Horen hooggeschoolden van het tja, ze gieren erom.
Horen dwijzen van het tja, ze brullen erom.
Ze brullen om illusie en werkelijkheid.
Ze brullen om weten en niet-weten.
Ze brullen om veelheid en eenheid.
Ze brullen om leugen en waarheid.
Ze brullen om ondeugd en deugd.
Ze brullen om duisternis en licht.
Ze brullen om vorm en essentie.
Ze brullen om zijn en niet zijn.
Ze brullen om aarde en hemel.
Ze brullen om tja en om tjee.
Ze brullen om ja en om nee.
Ze brullen om tao en tê.
Wie brult er eens
met ons mee?

41.3 Als een berg zonder hoogte

Meester Tja zegt:

als een groot vierkant zonder hoeken
als een groot geluid zonder volume
als een grote cirkel zonder straal
als een groot beeld zonder vorm
is het grote weten zonder weten

42 Het Tja heeft geen idee

Meester Tja zegt:

De geest bedenkt de Leegte.
Hij noemt zich een boeddhist.

De geest bedenkt het Ene.
Hij noemt zich een monist.

De geest bedenkt de Twee.
Hij noemt zich een dualist.

De geest bedenkt het Niet-twee.
Hij noemt zich een non-dualist.

De geest bedenkt de Drie.
Hij noemt zich een christen.

De geest bedenkt de Vier.
Hij noemt zich een hindoe.

De geest bedenkt de Tienduizend.
Hij noemt zich een pluralist.

De geest brengt alle ideeën voort,
ook het idee van de geest.
Wie weet waarvandaan?

Alle schepsels torsen
op hun ene schouder het Ja,
op hun andere het Nee.

Door het verbinden van Ja en Nee
ontstaan evenwicht en harmonie.
De geest noemt dit het Tja.

Het Tja heeft geen idee.
Wie doet er met ons mee?

Hoofdstuk 42 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 42 van de Tao Te Tjing

42.2 Het doden van het Tja

Meester Tja zegt:

De tienduizend dingen dragen het lichtbeginsel buiten,
het duister beginsel binnen.
Ze tonen zich, maar laten zich niet kennen.

Het tja keert ze binnenstebuiten.
Binnenstebuiten tonen ze hun duister beginsel.
Dit heet: het doden van de tienduizend dingen.

De tienduizend dingen keren het tja binnenstebuiten
en openbaren zijn lichtbeginsel.
Dit heet: het doden van het tja.

43 De leer zonder leer

Meester Tja zegt:

Soms moet je iets doen, soms moet je iets laten.
Soms overheerst de vorm, soms de leegte.
Soms wint het harde, soms het zachte.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms heb je een voorkeur, soms niet.
Het Grote Tja heeft geen voorkeur
voor een leven zonder voorkeur.

Wie kan zeggen waarom?

De geest zonder geest,
de heer zonder heer,
is overal of nergens.

Wie kan zeggen waar?

Hoofdstuk 43 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 43 van de Tao Te Tjing

44 Zonder Tja is het geen doen

Meester Tja zegt:

Zonder succes kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder weten kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder macht kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder liefde kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder geluk kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder faam kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder bezit kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder hoop kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder doel kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder weg kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder God kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder Tao kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder lichaam is er geen leven.

Zonder Tja is het geen doen.

Hoofdstuk 44 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 44 van de Tao Te Tjing

45 Het Tja laat zich graag kennen

Meester Tja zegt:

Het Tja zegt weinig,
maar zijn stilte spreekt boekdelen.

Het Tja spreekt zichzelf tegen,
maar zijn logica is onweerlegbaar.

Het Tja gaat nergens heen,
maar zijn bereik is oneindig.

Het Tja bekeert zich niet,
maar zijn wendbaarheid is groot.

Het Tja is helemaal leeg,
maar zijn ruimte is onuitputtelijk.

Het Tja heeft niets om het lijf,
maar zijn trouw is hartverwarmend.

Het Tja is geen vechtersbaas,
maar slaat zich overal doorheen.

Het Tja stelt niets voor,
maar kan zich alles voorstellen.

Het Tja kent niemand,
maar laat zich altijd kennen.

Kent u het al?

Hoofdstuk 45 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 45 van de Tao Te Tjing

46 Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig

Meester Tja zegt:

Als de wereld geen Tja heeft, fokt men
oorlogspaarden tot in de buitenwijken,
vleespaarden tot in het centrum,
mestpaarden tot in de tempel.

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van.
Hij ziet de keerzijden van oorlog en van vrede.
Van vasthoudendheid en van gemakzucht.
Van begeerte en van lusteloosheid.
Van kennis en van onwetendheid.
Van hebzucht en van armoede.
Van winnen en van verliezen.
Van akkerbouw en veeteelt.
Van jagen en verzamelen.
Van groenten en granen.
Van vlees en vis.
Van mest en pis.

Hij ziet overal de keerzijden van,
en daarvan weer de keerzijden,
en daarvan weer de keerzijden,
en daarvan weer de keerzijden.

Daarom heet het:

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig.

Hoofdstuk 46 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 46 van de Tao Te Tjing

46.2 Heeft men niets dan heeft men het rijk

Meester Tja zegt:

Als het rijk Tja heeft ziet het zonden als een kans op vergeving, vergeving als een oorzaak van zonde.

Als het rijk Tja heeft ziet het rampspoed als tijding van voorspoed, voorspoed als tijding van rampspoed.

Als het rijk Tja heeft bemesten renpaarden de akker en bevuilen ze het erf.

Als het rijk Tja heeft kan niemand de grenzen vinden waar de hengsten strijden.

Daarom: heeft men Tja dan heeft men niets.

Heeft men niets dan heeft men het rijk.

47 Wie de wereld kent als zichzelf, kent de wereld niet

Meester Tja zegt:

Om de wereld te kennen moet je jezelf kennen.
Om jezelf te kennen moet je je lichaam kennen.
Om je lichaam te kennen moet je je geest kennen.
Om je geest te kennen moet je het Tja kennen.

Het Tja laat zich kennen door niet-kennen.
Het laat zich kennen als niet-kennen.

Daarom:

Wie zijn geest kent als het Tja, kent zijn geest niet.
Wie zijn lichaam kent als zijn geest, kent zijn lichaam niet.
Wie zichzelf kent als zijn lichaam, kent zichzelf niet.
Wie de wereld kent als zichzelf, kent de wereld niet.

Hoofdstuk 47 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 47 van de Tao Te Tjing

48 Wie over het Tja hoort weet steeds minder

Meester Tja zegt:

Wie leert weet steeds meer.
Wie afleert weet steeds minder.
Minder en minder, net zolang
tot het nietsweten bereikt is.
Door niets te weten
blijft niets ongeweten.

Dit heet het Grote Tja.

Wil je de wereld vatten?
Probeer hem dan niet te vatten.
Zou je hem kunnen vatten,
dan was het de moeite niet waard.
Laat je maar liever omvatten.
Dat is de wereld bevatten.

Voel je wel?

Hoofdstuk 48 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 48 van de Tao Te Tjing

49 De wijze houdt zijn hart niet vast

Meester Tja zegt:

Nooit heeft de wijze een eigen hart. Nooit heeft hij andermans hart.
Hij maakt zich alle harten eigen, en staat ze gauw weer af.

Hij staat ze gauw weer af.

De wijze denkt niet in termen van goed en fout, en zo komt alles goed.
Denkt hij toch in die termen, dan vindt hij dat niet goed of fout, en
zo komt alles goed.

En zo blijft alles goed.

Wie eerlijk is gelooft hij niet.
Wie oneerlijk is evenmin,
dat lijkt hem wel zo eerlijk.
Want eerlijk noch oneerlijk duurt het langst.
Ook dit gelooft hij niet, noch dit,
en zo ontstaat vertrouwen.

En zo ontstaat vertrouwen.

De wijze, in de wereld, neemt niets en verzamelt niets.
Zodoende heeft hij niets te geven of na te leven.
Wie desondanks zijn ogen tot hem richt,
schenkt hij zijn kinderlijke blik.
Hij hoeft hem echt niet terug, dat niet,
maar ziet hem graag weerspiegeld.

Hij ziet hem graag weerspiegeld.

Hoofdstuk 49 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 49 van de Tao Te Tjing

49.2 De geringste doet niet voor hem onder

Een raadsel

Meester Tja zegt:

De geringste onder de magistraten doet niet voor hem onder en de grootste onder hen overtreft hem niet.

De honderd geslachten richten naar zijn hart hun oor, maar horen het niet kloppen.

Ze geslachten richten tot zijn verstand hun vragen, maar zien het niet werken.

Hij slaagt omdat hij faalt en delft het onderspit waar hij zegeviert.

Verdienste kent hij niet, noch rekent hij zich arm.

50 Laat ze maar begaan

Meester Tja zegt:

Tussen het verschijnen in het leven
en het verdwijnen in de dood
zijn het de tienduizend dingen
die het verschil maken
tussen bestaan of vergaan.

Tienduizend dingen maken het verschil.
Mensen hopen verschil te maken
door er tien te beheersen.

Ze laten hun hart controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun borsten controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun baarmoeder controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun ontlasting controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun bloed controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Dit heet: kokervisie.

Ze laten het vliegtuig staan
maar niet de trein
en wanen zich veilig.

Ze laten de trein staan
maar niet de auto
en wanen zich veilig.

Ze laten de auto staan
maar niet de motor
en wanen zich veilig.

Ze laten de motor staan
maar niet de scooter
en wanen zich veilig.

Ze laten de scooter staan
maar niet de fiets
en wanen zich veilig.

Dit heet: zelfbedrog.

Tienduizend dingen maken het verschil
tussen bestaan en vergaan.
Er is geen beginnen aan.
Ik laat ze maar begaan.

Begin ik er toch weer aan
dan laat ik dát begaan
en waan mij echt niet veilig.

Dit heet: het Grote Tja.

Hoofdstuk 50 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 50 van de Tao Te Tjing

50.2 Voor wie het leven niet beheerst

Meester Tja zegt:

Nooit heb ik gehoord van wie het leven beheerst.

Het land doortrekkend mijdt u neushoorn en tijger,
maar neushoorn en tijger mijden u niet.
Ingaand in legers mijdt u pantser en wapen,
maar pantser en wapen mijden u niet.

De neushoorn vindt altijd een plaats om zijn hoorn in te stoten.
De tijger vindt altijd een plaats om zijn klauw in te slaan.
Het wapen vindt altijd een plaats om het scherp in te steken.

Is het niet een wapen dan is het wel uw familie.
Is het niet uw familie dan is het wel een buurman.
Is het niet een buurman dan bent u het wel zelf.
Bent u het niet zelf dan is het wel een ziekte.
Is het niet een ziekte dan is het wel een gedachte zoals:

Nooit heb ik gehoord van wie het leven beheerst.

51 Een lege geest is geestig

en geeft vanzelf de geest

Meester Tja zegt:

Weetzucht leidt tot vetzucht.
Vetzucht van de geest.

Een vette geest is een zware geest.
Een vette geest is een trage geest.
Een vette geest is een moede geest.
Een vette geest is vettig.

Het Tja hongert de geest uit.
Net zolang tot hij leeg is.

Een lege geest is een lichte geest.
Een lege geest is een snelle geest.
Een lege geest is een fitte geest.
Een lege geest is geestig.

Alle schepsels vereren voedsel.
Wie verheerlijkt de honger?

Het Tja baart niet, voedt niet,
vormt niet, beschermt niet,
steunt niet, heerst niet
en vervult niet.

Het zingt niet, vecht niet,
huilt niet, bidt niet,
lacht niet, werkt niet
en bewondert niet.

Het zuigt alleen de geest leeg
en geeft vanzelf de geest.

Hoofdstuk 51 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 51 van de Tao Te Tjing

52 Wie zal het zeggen?

Laten we dit hier het midden noemen

Meester Tja zegt:

Heeft de wereld een begin?
Heeft de wereld een einde?
Wie zal het zeggen – ik niet.
Laten we dit hier het Midden noemen.
Zo houden we het in het midden.

Heeft de geest een begin?
Heeft de geest een einde?
Wie zal het zeggen – ik niet.
Laten we dit hier het Midden noemen.
Zo houden we het in het midden.

Heeft het Tja een begin?
Heeft het Tja een einde?
Ik zal het u zeggen.

Ooit wist ik van niets.
Ook dit niet.
Dat was het begin,
het Kleine Tja.
Geen idee!

Voor ik het wist
wist ik van alles.
Dat was het einde
van het Kleine Tja.
Het Nee-en-Ja.
Zeker weten!

Nu weet ik weer van niets.
Dat zal het Midden zijn,
het Nee-noch-Ja,
het Grote Tja?
Wie zal het zeggen.

Hoofdstuk 52 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 52 van de Tao Te Tjing

52.2 Leer eerst maar eens één ding kennen

Als je hem vraagt: ‘Leer ons de moeder aller dingen kennen!’ zegt Meester Tja: ‘Leer eerst maar eens één ding kennen.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons tenminste één ding kennen!’ zegt Meester Tja: ‘Ik ben je moeder niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons het wezen van de tienduizend dingen kennen!’ zegt Meester Tja: ‘Hoe zou ik het wezen kunnen doorgronden? Ik begrijp de verschijningsvorm al niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste de verschijningsvorm kennen!’ zegt Meester Tja: ‘De ene verschijningsvorm is de andere niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste één verschijningsvorm kennen!’ zegt Meester Tja: ‘Hoe zou ik die moeten onderscheiden van het wezen?’

Als je hem vraagt: ‘Is het wezen soms gelijk aan de verschijningsvorm?’ zegt Meester Tja: ‘Vraag dat maar aan een ander wezen.’

Als je hem vraagt: ‘Wat is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen?’ zegt meester Tja: ‘Tja is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen.’

Als je hem dan vraagt naar de essentie van het Tja, zegt hij alleen maar: ‘Tja.’

53 Het Grote Tja is onnavolgbaar

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld,
Onvoorspelbaar als de mens,
Ondoordringbaar als het lichaam,
Onbegrijpelijk als de geest.
Groot verstand, klein verstand –

Niemand kan hem vatten.

Mensen houden van rechte wegen,
Met mijlpalen en verkeersborden,
Wegrestaurants en toiletten,
Rijstroken en vluchtstroken,
Middenberm en vangrails –

Veilig en overzichtelijk.

Het Grote Tja is als een dicht woud,
Met tienduizend wildpaadjes
Kronkelend van hot naar her.
De paden zijn overwoekerd,
De natuur is wild, onzegbaar –

Vol leven en vol dood.

Je komt er reuzen tegen en dwergen,
Simpele zielen en ingewikkelde,
Moordenaars en minnaars,
Goedzakken en rotzakken,
Engelen en spoken –

Net als in jezelf.

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld,
Onvoorspelbaar als de mens,
Ondoordringbaar als het lichaam,
Onbegrijpelijk als de geest.
Groot verstand, klein verstand –

Niemand kan ze vatten.

Hoofdstuk 53 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 53 van de Tao Te Tjing

54 Wie Tja heeft staat als een huis

Meester Tja zegt:

Wie al ontworteld is, kan niet meer ontworteld raken.
Wie al opgegeven heeft, kan niet meer opgeven.
Wie al losgelaten heeft, kan niet meer loslaten.
Wie al ontglipt is, kan niet meer ontglippen.
Wie al verloren is, kan niet meer verliezen.
Wie al gevallen is, kan niet meer vallen.

Daarom:

Wie Tja heeft, staat
zonder fundering
toch als een huis.

Alleen wie ledig in zijn zwakte gaat staan
kan de volle kracht van het Tja ervaren.
Alleen wie zijn kleinheid realiseert
belichaamt het Grote Tja.

Ik beschouw
Het Tja als mijn ziel,
Mijn ziel als mijn lief,
mijn lief als mijn thuis,
mijn thuis als mijn buurt,
mijn buurt als de wijde wereld.

Hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie?
Dat weet ik niet! Ik weet het niet!

Hoofdstuk 54 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 54 van de Tao Te Tjing

55 Hij dringt niet op of aan, en alles gaat spontaan

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft lijkt op een baby.

Een baby heeft nog geen binnen en buiten.
Geen onderscheid en geen eenheid.
Geen wijsheid en geen dwaasheid.
Geen waarheid en geen illusie.
Geen schuld en geen onschuld.
Geen hoop en geen wanhoop.
Geen gelijk en geen ongelijk.
Geen goed en geen kwaad.
Geen hoger en geen lager.
Geen hier en geen daar.
Geen mijn en geen dijn.
Geen zelf en geen Zelf.
Geen ik en geen jij.

Zijn doen is nog zonder doen.
Zijn wil is nog zonder wil.
Hij dringt niet op of aan
en alles gaat spontaan.

Wie Tja heeft is geen baby.

Hij heeft geen binnen en buiten meer.
Geen onderscheid en geen eenheid.
Geen wijsheid en geen dwaasheid.
Geen waarheid en geen illusie.
Geen schuld en geen onschuld.
Geen hoop en geen wanhoop.
Geen gelijk en geen ongelijk.
Geen goed en geen kwaad.
Geen hoger en geen lager.
Geen hier en geen daar.
Geen mijn en geen dijn.
Geen zelf en geen Zelf.
Geen ik en geen jij.

Zijn denken is zonder denken.
Zijn weten is zonder weten.
Hij dringt niet op of aan
en alles gaat spontaan.

Hoofdstuk 55 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 55 van de Tao Te Tjing

55.2 En de melk vloeit vanzelf

Meester Tja zegt:

Wie overvloed aan Tja heeft
lijkt op een pasgeboren kindje.

Het kindje wordt gestoken
en het snapt niet waardoor.

Wilde beesten bespringen het
en het weet niet waarvandaan.

Roofvogels pikken het
en het weet niet waarmee.

Zijn beenderen geven steun
maar het vermoedt ze niet.

Het grijpt al stevig
maar het weet niet waarnaar.

Zijn ogen zijn scherp
maar het kan ze niet zien.

Het is altijd moe
maar het weet niet waarvan.

Zijn plasser wordt stijf
maar het weet niet waarvoor.

Het brabbelt maar door
en het weet niet waarvoor.

Het schreeuwt en het schreeuwt
en het weet niet naar wie en
het weet niet waarmee en
het weet niet waarom,
maar dan komt de borst
en de melk vloeit
vanzelf

55.3 Of je nou wil of niet

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft is net als iedereen.

Wespen kunnen hem steken, of hij nou wil of niet.
Slangen kunnen hem bijten, of hij nou wil of niet.
Dieren kunnen hem grijpen, of hij nou wil of niet.
Vogels kunnen hem aanvallen, of hij nou wil of niet.

Zijn beenderen zijn taai of breekbaar, of hij nou wil of niet.
Zijn spieren zijn sterk of zwak, of hij nou wil of niet.
Zijn hand balt zich of ontspant, of hij nou wil of niet.
Zijn lid wordt stijf of slap, of hij nou wil of niet.

Hij is nu eens rustig, dan weer onrustig, of hij nou wil of niet.
Vandaag zorgeloos, morgen bedrukt, of hij nou wil of niet.
’s Morgen sereen, ’s avonds prikkelbaar, of hij nou wil of niet.
Bij de een spontaan, bij de ander gemaakt, of hij nou wil of niet.

Wie Tja heeft is net als iedereen,
maar heeft zich erbij neergelegd,
en dat is het verschil.

56 Wie niet-weet die niet-spreekt

Meester Tja zegt:

Het Tja zegt waar het op staat.
Het staat niet op wat het zegt.

Het opent de sluizen,
dempt de loopgraven,
slijpt de lachspiegels,
verbreedt de blik,
ontzekert de geest
dimt wat verblindt,
licht bij in het duister,
vermenigvuldigt visies,
ontsluit heilige huisjes,
vermindert onderscheid,
verbreekt de eenheid.

Wie spreekt die weet.
Wie niet-weet die niet-spreekt.

Dan is er geen intimiteit of afstandelijkheid meer,
geen spontaniteit of gemaaktheid,
geen eenvoud of complexiteit,
geen spreken of niet-spreken,
geen weten of niet-weten,
geen voordeel of nadeel,
geen deugd of ondeugd,
geen juist of onjuist,
geen hoog of laag,
geen Tao of Tja,
geen nee of ja.
geen gij of mij.

Dit heet: de wolk van niet-weten.

Wie zijn hoofd in de wolk van niet-weten heeft,
staat met beide benen op de grond.

Hoofdstuk 56 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 56 van de Tao Te Tjing

57 Alles vindt zijn eigen weg

Meester Tja zegt:

Wie denkt dwingt zijn geest.
Wie wil dwingt zijn lichaam.
Wie verlangt dwingt zijn hart.
Wie adviseert dwingt de ander.
Wie doet dwingt de wereld.

Daarom zegt de wijze:

Ik denk niets en mijn geest vindt zijn eigen weg.
Ik wil niets en mijn lichaam vindt zijn eigen weg.
Ik verlang niets en mijn hart vindt zijn eigen weg.
Ik adviseer niets en de ander vindt zijn eigen weg.
Ik doe niets en de wereld vindt zijn eigen weg.

Hoofdstuk 57 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 57 van de Tao Te Tjing

57.2 Waarmee overwint men de wijsheid?

Meester Tja zegt:

Met redelijkheid regeert men de staat
maar waarmee regeert men de redelijkheid?

Met wijsheid overwint men dwaasheid
maar waarmee overwint men wijsheid?

Met wetten beheerst men de misdaad
maar waarmee beheerst men de wet?

Met wapens bestrijdt men de vijand
maar waarmee bestrijdt men de wapens?

Met niet doen wint men het rijk
maar waarmee wint men het niet doen?

Met woorden voert men het debat
maar waarmee voert men de woorden?

Met listen voert men oorlog
maar waarmee voert men de listen?

58 Een ontspannen geest is een weetnietgeest

Meester Tja zegt:

Hoe meer geboden en verboden je erop nahoudt
hoe meer je ermee bezig bent.

Hoe meer afweermechanismen je ontwikkelt
hoe meer je ermee bezig bent.

Hoe meer je verzamelt en beheert
hoe meer je ermee bezig bent.

Daarom:

Wie het goede toejuicht, zal het kwade wekken.
Wie het geluk najaagt, zal ongeluk vinden.
Wie recht wil worden zal kromtrekken.

Is de geest gespannen, dan is hij hard en ernstig.
Is de geest ontspannen, dan is hij zacht en speels.
Een ontspannen geest is een weetnietgeest.

De weetnietgeest:

is niet zo bezig met geboden en verboden,
niet met aanvallen en verdedigen,
niet met verzamelen en beheren.

Hij kent het goede niet van het kwade,
het geluk niet van het ongeluk,
het rechte niet van het kromme.

Hij streeft er niet naar dit of dat te zijn,
niet lichtend en evenmin duister.

Hij is wat hij is en hij weet niet waarom,
en dat is zijn enige luister.

Hoofdstuk 58 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 58 van de Tao Te Tjing

58.2 Gebrek is waarin welvaart ontluikt

Meester Tja zegt:

Bestuur is waardoor wanorde zich handhaaft.
Wanorde is waarmee bestuur zich billijkt.

Welvaart is waarin het gebrek zich toont.
Gebrek is waarin welvaart ontluikt.

59 Een onbeperkte voorraad ruimte

Meester Tja zegt:

Grote legers zijn niet beweeglijk.
Grote organisaties zijn niet flexibel.
Grote tradities zijn niet op maat.

Veel voorraad is niet beheersbaar.
Veel eten ligt zwaar op de maag.
Veel weten belast de geest.

Daarom legt de wijze geen voorraden aan.
Heeft hij ze toch, dan rekent hij er niet op.
Hij verzamelt noch kennis noch wijsheid.
Doet hij het toch, dan rekent hij er niet op.

Zo schept hij ruimte voor zijn gedachten,
zijn gevoelens, zichzelf en zijn medemens.
Met ruimte vult hij zijn hoofd en zijn hart.
Met ruimte vult hij zijn bestaan.

Ruimte maakt beweeglijk.
Ruimte maakt slagvaardig.
Ruimte is steeds op maat.

Ruimte vraagt geen beheersing.
Ruimte is licht verteerbaar.
Ruimte bevrijdt de geest.

Hoofdstuk 59 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 59 van de Tao Te Tjing

59.2 Een doolhof voor zoekers naar inzicht

Meester Tja zegt:

Er is geen weg voor een lang leven en durend inzicht, er is alleen een doolhof voor een onbestemd leven en wisselend uitzicht.

Er is geen doolhof voor een onbestemd leven en wisselend uitzicht, behalve voor zoekers naar een lang leven en durend inzicht.

59.3 Geen rijk om te regeren

Meester Tja zegt:

Kent niemand zijn grenzen dan is er geen rijk om te regeren. Die het Tja van geen-rijk heeft, kan lang aanblijven.

60 Wie Tja heeft, vereert geen woorden

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, vereert geen woorden.

Niet die van de goden.
Niet die van de tradities.
Niet die van de priesters.
Niet die van de exegeten.
Niet die van de meesters.
Niet die van de sjamanen.
Niet die van de goeroes.
Niet die van de coaches.
Niet die van de voorouders.
Niet die van de wijsgeren.
Niet die van de wetenschappers.
Niet die van de moralisten.
Niet die van de nihilisten.
Niet die van de politici.
Niet die van de psychologen.
Niet die van de therapeuten.
Niet die van de artsen.
Niet die van de mensen.
Niet die van hemzelf.

Wie Tja heeft gebruikt de macht van de woorden
om hun macht te breken.

Hij gebruikt hun bevrijdende werking
om ons ervan te bevrijden.

Zo berokkenen ze hem de minste schade
en berokkent hij de minste schade
aan hen die de woorden vereren.

Ook deze woorden vereert hij niet.

Hoofdstuk 60 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 60 van de Tao Te Tjing

60.2 Wie weet hoe hij ter wereld komt?

Meester Tja zegt:

Je bestuurt een staat zoals je een provincie bestuurt.
Je bestuurt een provincie zoals je een stad bestuurt.
Je bestuurt een stad zoals je een dorp bestuurt.
Je bestuurt een dorp zoals je een wijk bestuurt.
Je bestuurt een wijk zoals je een straat bestuurt.
Je bestuurt een straat zoals je je gezin bestuurt.
Je bestuurt je gezin zoals je je leven bestuurt.
Je bestuurt je leven zoals je je lichaam bestuurt.
Je bestuurt je lichaam zoals je je geest bestuurt.
Je bestuurt je geest zoals je je hart bestuurt.
Je bestuurt je hart zoals je kleine visjes braadt.
Je braadt kleine visjes zoals je ter wereld komt.

Wie weet hoe hij ter wereld komt?

Zoals je ter wereld komt zo braadt je kleine visjes.
Zoals je kleine visjes braadt zo bestuur je je hart.
Zoals mijn je hart bestuurt zo bestuur je je geest.
Zoals je je geest bestuurt zo bestuur je je lichaam.
Zoals je je lichaam bestuurt zo bestuur je je leven
Zoals je je leven bestuurt zo bestuur je je gezin.
Zoals je je gezin bestuurt zo bestuur je een straat.
Zoals je je straat bestuurt zo bestuur je een wijk.
Zoals je je wijk bestuurt zo bestuur je een dorp.
Zoals je je dorp bestuurt zo bestuur je een stad.
Zoals je een stad bestuurt zo bestuur je een provincie.
Zoals je een provincie bestuurt zo bestuur je een staat.

61 Hoe het vrouwelijke het mannelijke overwint

Meester Tja zegt:

Noemen we het Ja en het Nee mannelijk,
dan kunnen we het Tja vrouwelijk noemen.

Het Ja neemt, het Nee weert.
Tja ontvangt en geeft weg.

Ja en Nee zoeken de uitersten,
Tja houdt het midden.

Ja en Nee bedienen zich van woorden.
Tja bedient zich van stilte.
Bedient ze zich toch van woorden,
dan neemt ze die steeds terug.

Zwakte is de kracht van Tja,
kleinheid haar grootte.
Ze wijkt ter toenadering,
aarzelt ter bevestiging.

Ze antwoordt met vragen,
leidt door te volgen,
doet door te laten,
en weet te vergeten.

Terwijl Ja met zijn krachten smijt
en Nee al zijn energie verspilt,
bewaart Tja haar kalmte.

Zo overwint het vrouwelijke het mannelijke.

Hoofdstuk 61 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 61 van de Tao Te Tjing

62 Het Tja is er voor iedereen

Meester Tja zegt:

Het Tja is niets waard.
Toch is het een grote schat.

Het Tja laat zich niet uitdelen.
Toch is het er voor iedereen.

Het Tja beschermt nergens tegen.
Toch ben je nergens veiliger.

Het Tja vergeeft niemand. Waarom niet?
Omdat het geen zonden kent.

Het Tja laat zich niet vinden. Waarom niet?
Omdat het niet-zoeken is.

Het Tja laat zich niet omkopen. Waarom niet?
Omdat het geen geld kent.

Het Tja heeft geen gladde woorden nodig. Waarom niet?
Omdat het niets te zeggen heeft.

Het Tja laat zich niet op een voetstuk zetten. Waarom niet?
Omdat het hoogtevrees heeft.

Het Tja stelt niets voor, maar zijn werking is onvoorstelbaar.

Hoofdstuk 62 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 62 van de Tao Te Tjing

63 Wie Tja heeft weet niet hoe het moet

Meester Tja zegt:

Weet door niet te weten.
Wees door niet te wezen.
Denk door niet te denken.
Wil door niet te willen.
Stuur door niet te sturen.
Geef door niet te geven.
Neem door niet te nemen.
Heb door niet te hebben.
Doe door niet te doen.
Ga door niet te gaan.
Sta door niet te staan.
Zeg door niet te zeggen.
Zwijg door niet te zwijgen.

Meer heeft het Tja niet om het lijf.

Hoe ik dat weet? Ik weet het niet!
Hoe dat dan moet? Je moet het niet!

Wie Tja heeft weet niet hoe het moet,
en dat is alles wat hij doet.

Hoofdstuk 63 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 63 van de Tao Te Tjing

64 Wie kan zeggen wanneer?

Meester Tja zegt:

Soms moet je voorbereiden treffen,
soms moet je impulsief zijn.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je vroeg ingrijpen,
soms moet je lang afwachten.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je voorraden aanleggen,
soms moet je voorraden opmaken.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je onderzoek doen,
soms moet je handelen.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je dreigen,
soms moet je toeslaan.

Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je opereren,
soms moet je ervan afzien.

Wie kan zeggen wanneer?

Daarom:

Ook de wijze doet maar wat.
Hij kan er wél om lachen.

Hoofdstuk 64 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 64 van de Tao Te Tjing

64.2 Het begint en eindigt met stilte

Meester Tja zegt:

O jee!

Een boom van honderd meter
begint met een hoop molm
en eindigt met een hoop molm.

Een toren van honderd verdiepingen
begint met een hoop zand
en eindigt met een hoop zand.

Een tocht van duizend mijlen
begint met een verblijf
en eindigt met een verblijf.

Een rijk van duizend jaren
begint met chaos
en eindigt met chaos.

Een leven, lang of kort
begint met een val
en eindigt met een val.

Een tekst, lang of kort,
begint met stilte
en eindigt ermee.

Hoezee!

64.3 En in het midden: stilte

Meester Tja zegt:

Hoezee!

Een hoop molm
begint met een boom
en eindigt met een boom.

Een hoop zand
begint met een gebouw
en eindigt met een gebouw.

Een verblijf
begint met een tocht
en eindigt met een tocht.

Een chaos
begint met een rijk
en eindigt met een rijk.

Een val
begint met een leven
en eindigt met een leven.

Een stilte
begint met een tekst
en eindigt ermee.

O jee!

65 Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit

Meester Tja zegt:

Wie bedreven is in het Tja
gebruikt het nergens voor.

Niet om slimmer te worden,
niet om dommer te worden.

Niet om zijn leven te regelen,
niet om het te ontregelen.

Niet om ideeën aan te vallen,
niet om ze te verdedigen.

Niet om mensen te vangen,
niet om ze te bevrijden.

Niet om groter te lijken,
niet om kleiner te lijken.

Niet als motief,
niet als excuus.

Wie thuis is in het Tja
neemt het niet mee uit.

Hoofdstuk 65 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 65 van de Tao Te Tjing

66 De Weg van de Minste

Meester Tja zegt:

Alle stromen vinden vanzelf de zee,
die het laagst gelegen is.

De laagste zal de grootste zijn.

Ieder Ja en Nee mondt uit in het Tja
waaraan niets gelegen is.

De leegste zal de laagste zijn.

De weg van het Tja
is de weg van de zee.
Hij heet: de Weg
van de Minste
Weerstand.

De Weg van de Minste Weerstand
loopt van hoog naar laag,
van staan naar liggen,
van iets naar niets.

Ook de wijze plaatst zich onderaan.

Hij weet niet, dus hij weet niet beter.
Hij leidt niet en lijdt des te minder.
Hij volgt niet en wordt niet vervolgd.
Hij wijst niet en wordt niet gevolgd.
Hij heeft niet en wordt niet benijd.
Hij twist niet en wordt niet betwist.
Hij doet niet, maar hij doet niet minder.

De weg van de wijze
is de weg van het licht.
Hij heet: de Weg
van de Minste.

Alle lichten vinden vanzelf het gat
dat het allerduisterst is.

Hoofdstuk 66 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 66 van de Tao Te Tjing

67 Een onbekende grootheid

Meester Tja zegt:

Klein ben ik, noch groot,
maar onvergelijkbaar
als het onbekende.

Was het onbekende dit of dat,
klein of groot, wel of niet,
dan was het niet meer onbekend.

Er zijn geen regels die ik volg,
geen principes die ik hanteer,
geen schatten die ik bewaar.

Geen terughoudendheid.
Geen vasthoudendheid.
Geen rechtvaardigheid.
Geen barmhartigheid.
Geen deugdzaamheid.
Geen spaarzaamheid.
Geen spontaniteit.
Geen eerlijkheid.
Geen eenvoud.
Geen gulheid.
Geen geduld.
Geen kracht.
Geen liefde.
Geen moed.
Geen Tao.
Geen Tê.

Waren er regels,
principes of schatten,
dan was ik niet langer
onvergelijkbaar.

Klein ben ik, noch groot.
Onvergelijkbaar zelfs
met het onbekende.

Mijn naam is Meester Tja.

Hoofdstuk 67 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 67 van de Tao Te Tjing

68 De beste krijger hoeft niets

Vrede zonder vrede

Meester Tja zegt:

Een goede krijger beheerst zijn wapens.
Een betere krijger beheerst zijn emoties.
De beste krijger beheerst niets.

Hij beheerst zijn wapens niet,
zijn emoties niet, zijn lichaam niet,
zijn geest niet en zijn tong niet.

De beste krijger beheerst niets
en wordt door niets beheerst –
Hij weet alleen maar niet.

Van niet-weten komt hij tot niet-willen.
Van niet-willen komt hij tot niet-doen.
Van niet-doen komt hij tot niet-heersen.

Van niet heersen komt hij tot niet-strijden.
Zo kan niemand met hem strijden
of de strijd met hem vermijden.

Dit heet: strijden zonder strijden.
Het heet: heersen zonder heersen.
Het heet: winnen zonder winnen.

De beste krijger
neemt niets
en krijgt alles.

De beste krijger
krijgt alles
en hoeft niets.

Hoofdstuk 68 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 68 van de Tao Te Tjing

68.2 Wie kan zeggen waaruit?

Meester Tja zegt:

Niet-denken, niet-doen, niet-willen, niet-strijden, niet-oordelen, niet-begeren, niet-hechten, niet-geven, niet-nemen, niet-hebben, niet-zijn – alles vloeit voort uit niet-weten.

Wie kan zeggen waaruit niet-weten voortvloeit?

69 Er zijn geen grenzen, behalve in je geest

Meester Tja zegt:

Er zijn geen vijanden, behalve in je geest.
Er zijn geen vrienden, behalve in je geest.

Er is geen haat, behalve in je geest.
Er is geen liefde, behalve in je geest.

Er is geen oorlog, behalve in je geest.
Er is geen vrede, behalve in je geest.

Er zijn geen helden, behalve in je geest.
Er zijn geen lafaards, behalve in je geest.

Er zijn geen winnaars, behalve in je geest.
Er zijn geen verliezers, behalve in je geest.

Er zijn geen landen, behalve in je geest.
Er zijn geen grenzen, behalve in je geest.

Er is geen daar, behalve in je geest.
Er is geen hier, behalve in je geest.

Er is geen ander, behalve in je geest.
Er is geen zelf, behalve in je geest.

Er is geen onderscheid, behalve in je geest.
Er is geen eenheid, behalve in je geest.

Er is geen doel, behalve in je geest.
Er is geen weg, behalve in je geest.

Er is geen Tao, behalve in je geest.
Er is geen Tja, behalve in je geest.

Er is geen zijn, behalve in je geest.
Er is geen niet-zijn, behalve in je geest.

Er is geen geest, behalve in je geest.
En ook niet-weten is er nooit geweest.

Hoofdstuk 69 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 69 van de Tao Te Tjing

69.2 Ervaring zegt in mijn ervaring niets

Een ervaren krijgsman zei: Ik durf niet te beginnen, ik wacht liever af.
Een tweede zei: Ik durf niet af te wachten, ik begin liever.
Een derde zei: Men moet beginnen én afwachten.
Een vierde zei: Men moet afwachten noch beginnen.

Een ervaren krijgsman zei: Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug.
Een tweede zei: Ik durf geen duim terug te gaan, ik ga liever een voet vooruit.
Een derde zei: Men moet achterwaarts vooruit gaan.
Een vierde zei: Men moet naar voren noch naar achteren gaan.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet voorgaan zonder gaan.
Een tweede zei: Men moet gaan zonder voorgaan.
Een derde zei: Men moet gaande voorgaan.
Een vierde zei: Men moet gaan noch voorgaan.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet dreigen zonder de armen te strekken.
Een tweede zei: Men moet de armen strekken zonder dreigen.
Een derde zei: Men moet dreigen en de armen strekken.
Een vierde zei: Men moet dreigen noch de armen strekken.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet opdringen zonder weerstand te wekken.
Een tweede zei: Men moet weerstand wekken zonder op te dringen.
Een derde zei: Men moet weerstand wekken en opdringen.
Een vierde zei: Men moet opdringen noch weerstand wekken.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet aangrijpen zonder te wapenen.
Een tweede zei: Men moet wapenen zonder aan te grijpen.
Een derde zei: Men moet wapenen en aangrijpen.
Een vierde zei: Men moet aangrijpen noch wapenen.

Een ervaren krijgsman zei: Goed dat ik ten strijde ben getrokken.
Een tweede zei: Was ik maar thuis gebleven.
Een derde zei: Ik had thuis ten strijde moeten trekken.
Een vierde zei: Was ik maar ten strijde getrokken noch thuisgebleven.

Meester Tja zegt: Ik zeg niets; ik heb geen ervaring.

70 Woorden zijn maar woorden

Meester Tja zegt:

Het Tja is eenvoudig te begrijpen.
Toch zijn er niet veel die het zien.
Daarom leg ik het nog eens uit.

Woorden zijn maar woorden.
Principes zijn maar woorden.
Dogma’s zijn maar woorden.
Normen zijn maar woorden.
Waarden zijn maar woorden.
Geschriften zijn maar woorden.
Voorschriften zijn maar woorden.
Openbaringen zijn maar woorden.
Exegeses zijn maar woorden.
Soetra’s zijn maar woorden.
Koans zijn maar woorden.
Geloften zijn maar woorden.
Beloften zijn maar woorden.
Wensen zijn maar woorden.
Meningen zijn maar woorden.
Kritieken zijn maar woorden.
Beledigingen zijn maar woorden.
Bedreigingen zijn maar woorden.
Fatwa’s zijn maar woorden.
Vloeken zijn maar woorden.
Vervloekingen zijn maar woorden.
Uitdagingen zijn maar woorden.
Kranten zijn maar woorden.
Boeken zijn maar woorden.
Pamfletten zijn maar woorden.
Diagnoses zijn maar woorden.
Contracten zijn maar woorden.
Wetten zijn maar woorden.
Oordelen zijn maar woorden
Vonnissen zijn maar woorden.

Woorden zijn maar woorden.
Streepjes op papier.
Golven in de lucht.

Het is omdat men erin gelooft
dat men het Tja niet kent.

Ook dit zijn maar weer woorden.
Wie nu het Tja nog kan doorzien
heeft niets meer te begrijpen.

Hoofdstuk 70 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 70 van de Tao Te Tjing

71 Weten is geen kwaal

Meester Tja zegt:

Weten is hoog.
Niet-weten is hoger.
Weten dat je niet weet is hoger nog.
Zelfs niet weten van niet-weten –
wie kan zeggen hoe hoog dat is?

Wie het helemaal niet meer weet,
kent het hoge niet van het lage,
het weten niet van niet-weten.
Hij ziet het eerste niet als kwaal.
Het tweede niet als remedie.
Wat valt er dan te redden?
Wat valt er nog te doen?

Hoofdstuk 71 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 71 van de Tao Te Tjing

72 Waarom de wijze niet wijst

Meester Tja zegt:

De een wil zwerven,
de ander wil thuisblijven.

De een wil rijk worden,
de ander wil arm blijven.

De een wil zich uitleven,
de ander wil zich inhouden.

De een wil werken,
de ander wil niksen.

De een wil zich binden,
de ander wil vrij zijn.

De een wil leiden,
de ander wil volgen.

De een wil vrezen,
de ander wil vrees aanjagen.

De een wil besparen,
de ander wil verkwisten.

De een wil op de voorgrond treden,
de ander wil op de achtergrond blijven.

De een verwerpt wat van buiten komt,
de ander verwerpt wat van binnen komt.

Wie kan zeggen waarom?

Wie kan zeggen waarom niet?

Daarom onderdrukt de wijze niets.
Zelfs het onderdrukken niet.

Hoofdstuk 72 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 72 van de Tao Te Tjing

73 Niemand kan het niet

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is geen kunst.
Het is een onvermogen.

Het is:

Niet weten te onderbouwen.
Niet weten te onderrichten.
Niet weten te onderscheiden.
Niet weten te verenigen.
Niet weten uit te sluiten.
Niet weten in te sluiten.
Niet weten te oordelen.
Niet weten te vechten.
Niet weten te vluchten.
Niet weten te kiezen.
Niet weten te vatten.
Niet weten te doen.
Niet weten te laten.
Niet weten te zeggen.
Niet weten te zwijgen.

Het Grote Tja is onkunde
en niemand kan het niet.

Hoofdstuk 73 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 73 van de Tao Te Tjing

73.2 Weg van de weg

Meester Tja zegt:

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie strijdt
zonder strijden
weerstaat
noch berust

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie gaat
zonder gaan
is wég
van de weg

wie weet
zonder weten
is weg
van de wég

74 Woord en doodslag

Meester Tja zegt:

De man die doodt uit naam van de staat noemt men een scherprechter.
De man die doodt uit naam van zichzelf noemt men een moordenaar.

Wat is de overeenkomst?

De man die gedood wordt op persoonlijke titel noemt men een slachtoffer.
De man die gedood wordt in naam der wet noemt men een dader.

Wat is het verschil?

De man die beroepsmatig doodt, noemt men een vakman.
De man die zelden doodt noemt men een amateur.

Wie heeft u liever?

Hoofdstuk 74 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 74 van de Tao Te Tjing

75 Wie Tja heeft, komt niets tekort

Meester Tja zegt:

Een teveel aan kennis
maakt de geest traag.

Een teveel aan idealen
maakt de geest fanatiek.

Een teveel aan overtuigingen
maakt de geest obstinaat.

Een teveel aan speculaties
maakt de geest zweverig.

Een teveel aan wijsheid
maakt de geest pedant.

Een teveel aan doelen
maakt de geest jachtig.

Een teveel aan denkbeelden
maakt de geest star.

Een teveel aan hokjes
maakt de geest intolerant.

Een teveel aan tradities
maakt de geest ouderwets.

Een teveel aan ambities
maakt de geest hard.

Een teveel aan argumenten
maakt de geest twistziek.

Wie Tja heeft, heeft niets.
Wie niets heeft, heeft niets teveel.

Hoofdstuk 75 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 75 van de Tao Te Tjing

76 Onvergankelijk de hoop op eeuwig leven

Meester Tja zegt:

Nog vóór de mens wordt geboren is hij ten dode opgeschreven. Hij sterft soepel of stijf, sterk of zwak, afhankelijk van zijn leeftijd.

Nog voor dieren en planten geboren worden zijn ze ten dode opgeschreven. Ze sterven zacht en teer of dor en droog afhankelijk van hun leeftijd.

Stijfheid en sterkte, soepelheid en zwakte – alle zijn volgelingen van het leven. Alle zijn voorboden van de dood.

Want een boom die zwak staat zal zeker omwaaien. Een boom die sterk staat zal zeker verbranden. Een boom die staat als een berg zal zeker van binnenuit wegrotten.

Een leger dat zwak staat zal weggevaagd worden. Een leger dat sterk staat zal door list verslagen worden. Een leger dat onverslaanbaar is zal zich overbodig maken.

Maar onvergankelijk is de hoop op eeuwig leven.

Hoofdstuk 76 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 76 van de Tao Te Tjing

77 De wijze heeft pijl noch boog

Meester Tja zegt:

Het Tja lijkt op het afschieten van een pijl.
Zodra hij weg is kan de geest ontspannen.

De weetnietgeest,
Wat te veel is schiet hij af.
Daardoor komt hij nooit tekort.

De weg van de mensen bestaat erin
alle pijlen op hun boog te houden.

De wijze heeft zijn pijlen verschoten
en kijkt nooit meer door een koker.

Hoofdstuk 77 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 77 van de Tao Te Tjing

77.2 De wijze leert zijn deugd niet kennen

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, kan zonder dienen de wereld dienen.
Hij kan zonder wereld de wereld dienen.
Hij kan zonder wereld.
Hij kan zonder dienen.
Hij kan zonder hij.
Hij kan zonder Tja.
Hij kan zonder zonder.

Daarom:

De wijze doet en laat,
verwerft verdienste
en raakt haar weer kwijt,
verwerft kennis
en verliest haar weer
en leert zijn deugd
nooit kennen.

78 Het Tja is als water

Meester Tja zegt:

Als ijs bedekt het zee en land.
Als wolk brengt het regen en mist.
Als golf brengt het redding en dood.
Als stoom drijft het aan en verbrandt.
Als vloeistof vult het de diepste spleten.
Als sneeuw bedekt het de hoogste toppen.
Het is zacht bij lage snelheid, hard bij hoge.
Het holt grotten uit en vult ze met druipsteen.
Het verdrinkt de mensen en verlucht de vissen.
Het doet planten groeien en wortels rotten.
Het vormt stranden en vernietigt duinen.
Nee, met water weet je maar nooit.
Toch treft het blaam noch faam.

Hierin komt water het Tja nabij.

Hoofdstuk 78 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 78 van de Tao Te Tjing

79 Ware wijsheid kent geen wijsheid

Meester Tja zegt:

Wie overal vrede zoekt
zal overal oorlog zien
en erover oordelen.

Ware vrede kent geen vrede.
Geen ware en geen valse.

Wie overal liefde zoekt
zal overal haat zien
en erover oordelen.

Ware liefde kent geen liefde.
Geen ware en geen valse.

Wie overal deugd zoekt
zal overal ondeugd zien
en erover oordelen.

Ware deugd kent geen deugd.
Geen ware en geen valse.

Wie overal echtheid zoekt
zal overal valsheid zien
en erover oordelen.

Ware echtheid kent geen echtheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal zachtheid zoekt
zal overal hardheid zien
en erover oordelen.

Ware zachtheid kent geen zachtheid.
Geen ware en geen valse

Wie overal eenvoud zoekt
zal overal complexiteit zien
en erover oordelen.

Ware eenvoud kent geen eenvoud.
Geen ware en geen valse.

Wie overal vrijheid zoekt
zal overal gebondenheid zien
en erover oordelen.

Ware vrijheid kent geen vrijheid.
Geen ware en geen valse.

Wie overal wijsheid zoekt
zal overal dwaasheid zien
en erover oordelen.

Ware wijsheid kent geen wijsheid.
Geen ware en geen valse.

Hoofdstuk 79 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 79 van de Tao Te Tjing

80 De wijze rekent nergens op

Meester Tja zegt:

Laat er een klein land zijn met weinig volk of een groot land met veel volk.

Volk dat de dood vreest zal daarom of ergens anders om of zonder duidelijke reden tijdelijk of voorgoed thuis blijven, in de buurt blijven of wegtrekken.

Zijn er boten en wagens, dan zal men reden vinden erin plaats te nemen en reden eruit te blijven.

Zijn er geen boten of wagens, dan zal men reden vinden ze te vervaardigen en reden dat te verbieden.

Zijn er kurassen, dan zal men reden vinden ze aan te doen en reden ze uit te laten.

Zijn er wapens, dan zal men reden vinden ze te tonen en reden ze te verbergen.

Zijn er geen kurassen of wapens, dan zal men reden vinden ze te maken en reden dat te verbieden.

Keert het volk terug tot het gebruik van geknoopte touwtjes, dan zal men reden vinden terug te keren tot het schrift en reden om het voorgoed te verbieden.

Houdt het volk het bij het schrift, dan zal het reden vinden terug te keren tot geknoopte touwtjes en reden die voorgoed af te danken.

Vind het volk zijn eten lekker, zijn kleren mooi, zijn woning vredig en zijn gebruiken prettig, dan zal het reden vinden iets anders te proberen.

Doet het iets anders, dan zal het reden vinden terug te keren tot het oude.

Ligt een buurland ver weg, zodat de hanen en honden van weerskanten elkaar niet kunnen horen, dan zal het volk reden vinden de banden aan te halen.

Zoekt het volk van buurlanden elkaar op, dan zal het reden vinden de banden te verbreken.

Want het volk vindt overal reden voor.
Maar nooit vindt het reden voor zijn reden,
of daar weer reden voor.

Daarom houdt de wijze overal rekening mee,
maar rekent nergens op.

Hoofdstuk 80 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 80 van de Tao Te Tjing

81 Wie Tja heeft pot niet op

Meester Tja zegt:

Het Tja brengt kennis noch onwetendheid
Het brengt goedheid noch slechtheid
Het brengt voordeel noch nadeel
Het brengt geluk noch ongeluk
Het brengt hemel noch aarde
Het brengt doen noch laten
Het Tja brengt niemand iets
Het neemt alleen maar weg

Dwaze woorden ontwarren
Wijze woorden verwarren

Oppervlakkige woorden zijn logisch
Diepe woorden zijn tegenstrijdig

Onware woorden antwoorden
Ware woorden ontwoorden

Lege woorden vullen niet
Volle woorden legen

Wie Tja heeft, pot niet op
Zijn leer is eeuwig
Leeg

Hoofdstuk 81 van De Daodejing in Vraagvorm
Hoofdstuk 81 van de Tao Te Tjing

Zeg maar tja

Meester Tja heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.

Niet-weten is vereenzelviging met het tja, dat wil zeggen, het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

Het einde van vereenzelviging is het einde van het ik, het einde van niet-ik, het einde van de illusie, het einde van de werkelijkheid, het einde van het ja, het einde van het nee, het einde van het tja en het einde van het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn. Maar waarvan?

Zeg maar Tja.