Meester Tja

‘U vraagt hoe wij tot volledige aanvaarding van de tienduizend dingen komen. Is weigering niet één van die dingen?’ Dwaalteksten met Meester Tja geïnspireerd op de Daodejing.

Dwaalgids > Mystiek > Meester Tja

Meester Tja weet het ook niet

Lees ook: De Daodejing in vraagvorm, De tao van tja, Zeg maar tja tegen het leven

INHOUDSOPGAVE

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

De Grote Tao als het Grote Tja

De teksten op deze pagina zijn niet bedoeld als uitleg bij of commentaar op de Daodejing; ik heb mij enkel laten inspireren door de Daodejing bij het verwoorden van een radicaal niet-weten.

Hoewel er veel niet-weten zit in het taoïsme, en veel taoïsme in niet-weten, zijn ze niet identiek. Met name het kosmologisch idee van de Tao als een onkenbaar, absoluut, eeuwigdurend, onveranderlijk, vormloos, sturend principe, als bron en bestemming van ‘de tienduizend dingen’, vindt in een radicaal niet-weten geen weerklank – maar ook geen weerwoord.

Geen weerklank, geen weerwoord: ziedaar niet-weten in een notendop.

Bij mij is de Grote Tao getransformeerd in het Grote Tja, dat geen metafysisch principe is, en ook geen ander principe, maar een metafoor voor niet-weten. Wat ook maar een metafoor is, maar waarvoor?

Bij mij is het niet-doen (wuwei) geworteld in niet-weten (wuzhi). Niet in de Tao dus, maar in het Tja. Niet-doen is een natuurlijk uitvloeisel van niet-weten. Het laatste is de rationale, of liever de irrationale, van het eerste.

Vele wegen leiden naar niet-doen, niet-spreken, niet-geloven, niet-denken, niet-willen et cetera, maar bij niet-weten krijg je het allemaal gratis en voor niks. Of je wil of niet. Niet-weten krijg je ook gratis en voor niks, maar waar?

Niet bij mij. Ik kan het je niet geven. Ik heb het zelf nooit gekregen. Ineens had ik het, of had ik het niet meer, of was ik het, of was ik het niet meer, of was ik niet meer, of ben ik er nooit geweest, of heb ik het nooit gehad, of hoe zeg je dat, zó niet.

Maar ik kan het wel onder woorden brengen, enigszins. Ik kan het ook zonder woorden brengen, geenszins zogezegd. Non-verbale communicatie, verbale non-communicatie, paraverbale paracommunicatie – schiet mij maar lek. Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek, behalve een enkele gek?

De codes onder de teksten

De eerste keer dat ik mij liet inspireren door de Tao Te Tjing was in 2010. Ik baseerde me toen op de vertaling van Ir. Blok (De Tao-tê-tjing) uit 1910.

Op dit moment, we schrijven 2018, doe ik het nog eens dunnetjes over. Ditmaal baseer ik me op de vertaling van Kristofer Schipper uit 2010 (Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht). Ik lees hem voor aan Lucienne, we kletsen erover en dan probeer ik mijn pen. We zijn inmiddels bij hoofdstuk 17. Alles wat er nog bij komt is meegenomen.

De codes onder de teksten verwijzen naar het hoofdstuk in de Daodejing waarop de tekst is geïnspireerd. Een S verwijst naar de vertaling van Schipper, een B naar de vertaling van Ir. Blok, een Q naar de Biografie van Lao Zi door Sima Qian.

B en een klein beetje Q kun je hier terugvinden. S is vanwege auteursrechtelijke bescherming op de vertaling niet beschikbaar op het internet tot 2085. Dan ben ik 127 en begin ik denk ik net zo’n beetje te puberen, dat wordt nog wat.

Als je het niet zolang uithoudt, verlustig je dan aan mijn pagina De Daodejing in vraagvorm. Die is ook gebaseerd op de vertaling van Schipper, en geeft een aardige eerste indruk.

De verwijzingen naar de hoofdstuknummers in B zijn bij een vorige redactie verloren gegaan. Ik ben begonnen ze te reconstrueren, maar het valt niet mee. Alles wat er nog bij komt is meegenomen.

Lees ook: De tao van tja

Hoe je meester Tja moet aanspreken

Meester Tja zegt:

‘Hoe u mij moet aanspreken? Zegt u maar tja tegen mij.’

Hij zegt ook:

‘U mag mij best meester noemen, maar bedenk wel: mijn lering heeft geen woorden, mijn woorden geen wil, mijn wil geen baas, mijn baas geen opdracht en niemand om te knechten, niets om voor te vluchten en niets om voor te vechten.’

(B70)

In den blinde kom je thuis

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja kan best in woorden worden uitgedrukt.
Het heeft talloze namen, maar stelt evengoed niets voor.

Het is niet het niets – geen naam voor de herkomst van de tienduizend dingen.
Het is niet iets – geen naam voor de moeder van de tienduizend dingen.

Het is niet het niets en niet iets, maar het is er voor iedereen.
Het is er voor wie voor altijd bevrijd is van zijn verlangens.
Het is er voor wie altijd vol verlangens zit.

Het is er voor eenieder met een blinde vlek in zijn oog.
Het is er voor elkeen met oog voor zijn blinde vlek.

Het Grote Tja is duister.
De poort tot de duisternis is gehuld in duisternis,
waar geen onderscheid of eenheid is,
geen Tao en geen Tja.

In den blinde
kom je
thuis.

(S1)

Waarom de wijze het bij niet-weten houdt

Meester Tja zegt:

Wat in het maanlicht mooi schijnt, lijkt lelijk in de volle zon. Is het nu mooi of lelijk?

Wat voor een kind makkelijk schijnt, lijkt moeilijk voor een volwassene. Is het nu makkelijk of moeilijk?

Wat hoog schijnt voor een dwerg, lijkt laag voor een reus. Is het nu hoog of laag?

Wat voor schijnt voor de achterhoede, lijkt achter voor de voorhoede. Is het nu voor of achter?

Wat veraf schijnt voor een schildpad, lijkt dichtbij voor een haas. Is het nu veraf of dichtbij?

Wat in het ene opzicht goed schijnt, lijkt in een ander opzicht slecht. Is het nu goed of slecht?

Wat ideaal lijkt op de korte termijn, schijnt rampzalig op de lange. Is het nu ideaal of rampzalig?

Wat vrij lijkt voor het gevoel, schijnt onvrij voor het verstand. Ben je nu vrij of onvrij?

Daarom houdt de wijze het in zijn oordelen bij niet-weten,
in zijn handelingen bij niet-doen.
Zo leeft hij zijn leer zonder lering.
Zo drukt hij wel uit maar niet dood.

Gedachten verschijnen, maar zonder zijn initiatief.
Gedachten verdwijnen, maar zonder zijn inspanning.
Pas als alles gedacht is gaat hij zijn gedachten achterna.
Zonder een spoor na te laten – net als zij.

(S2)

Zuchten van verlichting

Wat is wijsheid?

Meester Tja zegt:

Betrokkenheid geeft bemoeizucht, onverschilligheid zelfzucht.

Ideologie geeft veranderzucht, eigenbelang behoudzucht.

Hoop geeft bouwzucht, wanhoop vernielzucht.

Macht geeft heerszucht, onmacht wraakzucht.

Rijkdom geeft praalzucht, armoede hebzucht.

Alleen zuchten geeft enige verlichting.

(S3)

De wijze doet naar behoefte zijn behoefte

Meester Tja zegt:

De wijze die niet weet
vult bijtijds zijn buik,
doet naar behoefte zijn behoefte
en ledigt onophoudelijk zijn geest.

Dit verzwakt zijn verlangens
en verdiept zijn rust.
Het ondermijnt zijn kennis
sneller dan hij bijleert.

Het ondermijnt zijn doelen
sneller dan hij ze kan bijstellen.
Het ondermijnt zijn plannen
voor hij ze kan uitvoeren.

Wat zou hij moeten doen?

Het ondermijnt zijn bezwaren
voor ze hem bezwaren.
Het ondermijnt zijn gemakzucht
voor hij van gemak zucht.

Wat zou hij moeten laten?

(S3)

Het Grote Tja is leeg

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is leeg, bodemloos leeg.
Wat je er ook in stopt, je vindt het
nooit meer terug.

Het Tja verstompt wat scherp is.
Het maakt los wat vast is.
Het dimt wat verblindt.
Het versterkt wat zwak is.
Het vermindert de verschillen
zonder eenheid te scheppen.
Het verheldert het troebele
zonder duidelijkheid te geven.

Het Grote Tja is slechts een wijze van spreken.
Het komt nergens uit voort en mondt nergens in uit,
behalve natuurlijk de mond.

(S4)

De wijze is niet wijs

De natuur is niet barmhartig.
De natuur is niet onbarmhartig.
De natuur is de natuur.

De wijze is niet barmhartig.
De wijze is niet onbarmhartig.
De wijze is niet wijs.

Wat zich in de natuur afspeelt, lijkt nergens op.
Het is vol noch leeg, volgzaam noch leidend.
Daarin komt het de wijze nabij.

Grote geleerdheid stelt met grote stelligheid.
Het Grote Tja ontstelt zonder ontsteltenis.
De wijze is zonder natuur.

(S5)

Zo ongrijpbaar is het Grote Tja

Meester Tja zegt:

Als een kip zonder kop
Als een berg zonder top
Als een dal zonder bodem
Als een woord zonder woord
Als een vrouw zonder poort
Als een man zonder wortel
Als een reus zonder grootte
Als een aarde zonder grond
Als een hemel zonder rijk
Als een dode zonder lijk
Als een wezen zonder wezen

Zo ongrijpbaar is het Grote Tja.

(S6)

Waarom de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt

Meester Tja zegt:

De hemel bestaat al heel lang, de aarde duurt steeds voort, de mensheid komt net kijken. Hoe dat kan?

Wie voor anderen leeft, sterft oud of jong.
Wie voor zichzelf leeft, sterft jong of oud.

Wie zijn eigen persoon voorrang geeft door hem op de achtergrond te houden, vergaat het niet anders.

Wie zijn persoon probeert te behouden door zich niet om hem te bekommeren, vergaat het niet anders.

Wie zijn eigenbelang verwezenlijkt door niet zijn eigenbelang na te streven, vergaat het niet anders.

Vandaar dat de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt.
Ook dat beschouwt hij niet als strategie.

(S7)

In het antwoorden gaat er niets boven vragen

Meester Tja zegt:

Water stroomt, ijs breekt, stoom doodt.
Vast, vloeibaar, gasvormig –
Nooit bepaalt het zijn eigen toestand.
Onbedoeld oefent het invloed uit,
ten goede of ten kwade
maar meestal allebei:
net zoals de wijze.

Gierzwaluwen wonen in de lucht, struisvogels op het zand, vissen onder water.
Voor het denken is veelzijdigheid het best.
Voor diepzinnigheid, oppervlakkigheid.
In het antwoorden gaat er niets boven vragen,
in het vragen, lachen, lachen!
tot het je vergaat.

Geven is nemen en niemand kan het niet.
Winnen is verliezen, maar niet van hetzelfde.
Blaam vermijden kun je niet.
Het is dus geen blamage.

(S8)

Geen kwestie van timing

Meester Tja zegt:

Om te snijden kan een koksmes niet scherp genoeg zijn, om je vingers te sparen niet bot genoeg. Hoe lang moet je slijpen?

Om een tumor te verwijderen, snij je meer weefsel weg, om de hersenfunctie te bewaren minder. Hoe ver moet je gaan?

Om later te genieten moet je voor het zingen de kerk uit, om nu te genieten erna. Hoe lang blijf je?

Voor een bloeiende beschaving zijn veel mensen nodig, voor een bloeiende natuur weinig. Hoeveel is te veel?

Om ziektekiemen te bestrijden moet je lang antibiotica slikken, om je darmflora te behouden kort. Hoe lang ga je door?

Om euthanasie te plegen moet je wilsbekwaam zijn, maar wie wilsbekwaam is wil misschien nog niet. Wanneer maak je er een eind aan?

(S9)

Hoe laat is op tijd?

Meester Tja vraagt dikwijls:

‘Sterft een mens ooit op tijd, te vroeg of te laat?’

Zo krijgt hij de mensen stil, maar nooit lang genoeg.

Hij zegt ook weleens:

‘Een mens sterft altijd op tijd, te vroeg en te laat.’

Of:

‘Een mens sterft nooit op tijd, te vroeg of te laat.’

Ook dat helpt meestal maar even.

(S9)

Van je onwetendheid geen niet-weten maken

Meester Tja zegt:

Je op je adem concentreren en hem zacht maken, kun je dat?
Je op je adem concentreren zonder hem te veranderen, kun je dat?
Gewoon ademen zonder op te letten, kun je dat?

Iets goed doen, kun je dat?
Iets niet-doen, kun je dat?
Het niet-doen niet doen, kun je dat?

Zitten en je hoofd leegmaken, kun je dat?
Zitten zonder je hoofd leeg te maken, kun je dat?
Zomaar wat zitten zonder iets of niets te doen, kun je dat?

Je onzichtbare spiegel rein houden, kun je dat?
Je onzichtbare spiegel onrein laten worden, kun je dat?
Je onzichtbare spiegel breken, kun je dat?

Van je wijsheid geen verlichting maken, kun je dat?
Van je niet-weten geen wijsheid maken, kun je dat?
Van je onwetendheid geen niet-weten maken, kun je dat?

(S10)

Een vrije geest is een lege geest

Meester Tja zegt:

Wie zijn beweeglijkheid wil verliezen moet zijn huis volproppen.
Wie verstopt wil raken moet zijn buik volproppen.
Wie gek wil worden moet zijn hoofd volproppen.

Een vrije geest is een lege geest.
Een lege geest heeft een lege leer.
Hij heeft er geen omkijken naar.
Zo kan hij overal vrij rondkijken.

(S11)

Kleine wijsheid

Grote Prikkels verblinden de geest.
Grote Passies verblinden de geest.
Grote Ambities verblinden de geest.
Grote Woorden verblinden de geest.
Grote Idealen verblinden de geest.
Grote Goden verblinden de geest.

Wie blind is die komt nergens meer.
Hij stoot zich maar en dat doet zeer.

Groot Geloof verblindt de geest.
Grote Wijsheid verblindt de geest.
Grote Waarheid verblindt de geest.
Groot Gezag verblindt de geest.
Grote Wetenschap verblindt de geest.
Grote Verlichting verblindt de geest.

Eenieder die het grote mijdt
vergroot zo zijn beweeglijkheid.

(S12)

Het wel en wee van ja en nee

Meester Tja zegt:

In de gunst staan is geweldig omdat het voordelen biedt, aanzien geeft en het ego streelt. In de gunst staan is verschrikkelijk omdat het verplichtingen meebrengt, tot vleierij aanzet en eindig is. Wat is beter: wel of niet in de gunst staan?

Een hoge positie is geweldig omdat je dan grote invloed hebt, veel vrienden krijgt en goed beloond wordt.Een hoge positie is verschrikkelijk omdat je dan grote verantwoordelijkheid draagt, vijanden krijgt en je gezondheid verspeelt. Wat is beter: wel of geen hoge positie?

Wie mag belast worden het bestuur: iemand die in de gunst wil staan of iemand die niet in de gunst wil staan? Iemand die een hoge positie ambieert of iemand die geen hoge positie ambieert?

Iemand die zijn lichaam hoger aanslaat dan de wereld of iemand die de wereld hoger aanslaat dan zijn lichaam? Of iemand die beide hoog aanslaat? Of iemand die geen van beide hoog aanslaat?

(S13)

De leidraad van Tja

Meester Tja zegt:

We kijken, maar we snappen het niet.
We luisteren, maar we snappen het niet.
We proeven, maar we snappen het niet.
We ruiken, maar we snappen het niet.
We voelen, maar we snappen het niet.
We denken, maar we snappen het niet.
Dit zijn de zes facetten van het Tja.

Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

Het Tja komt niet op en het gaat niet onder.
Het geeft geen duisternis en geen licht.
Geen veelheid en geen eenheid.
Geen chaos en geen orde.
Geen onzin en geen zin.
Geen onraad en geen raad.
Geen nee en geen ja.

Dit is de leidraad van Tja.

(S14)

Het verhaal van het grote mysterie

Meester Tja zegt:

Nooit is iets of iemand doorgedrongen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Noch in het grijze verleden, noch in het kleurrijke heden, noch in de zwarte toekomst. Nooit zal iets of iemand doordringen in de duisternis van de subtielste mysteriën.

Nooit heeft iets of iemand door hoeven dringen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Nooit zal iets of iemand door hoeven dringen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Waarom niet?

Omdat alles en iedereen reeds doordrongen is van de duisternis van de subtielste mysteriën. Wijzelf zijn duisternis en mysterie. Te duister, te mysterieus zelfs om subtiel of grof te noemen, mysterie of duisternis, jij of ik, wereld of god, dit of dat.

De duisternis is in je en om je, jij bent het zelf, maar je ziet het niet.
Je bent er al van doordrongen, maar doordringen wil het niet.
Je kunt het niet zien, want je wilt het niet zien.
Je wilt het niet zien, want het onbekende jaagt je angst aan.
Het jaagt je angst aan, ook al ben je het zelf.

Onophoudelijk vertellen we verhalen om aan de duisternis te ontsnappen.
Onophoudelijk luisteren we naar elkaars duistere verhalen.
Samen spelen we dat alles helder en klaar is.
We spelen het niet klaar, we doen alleen alsof.
We doen alsof we niet doen alsof.
Waarom in mysterie’s naam?
Ook dat maakt deel uit van het mysterie.

Ook dit is maar een verhaal.
Het verhaal van het grote mysterie.

(S15)

De wijze laat zich niet kennen

Meester Tja zegt:

Waarom laat de wijze zich niet kennen,
ook niet door zichzelf?

Hij neemt niets aan, je weet maar nooit.
Hij wijst niets af, je weet maar nooit.

Hij houdt zich in, je weet maar nooit.
Hij gaat ervoor, je weet maar nooit.

Hij juicht niet snel, je weet maar nooit.
Hij klaagt niet gauw, je weet maar nooit.

Hij keurt niet goed, je weet maar nooit.
Hij keurt niet af, je weet maar nooit.

Hij ligt niet dwars, je weet maar nooit.
Hij werkt niet mee, je weet maar nooit.

Hij gaat niet weg, je weet maar nooit.
Hij blijft niet thuis, je weet maar nooit.

Hij raadt niet aan, je weet maar nooit.
Hij raadt niet af, je weet maar nooit.

Soms weet hij wél, je weet maar nooit.
Maar meestal niet, hij weet het nooit.

Daarom laat de wijze zich nooit kennen.
Ook niet door zichzelf.

(S15)

Het Tja maakt ongewild mild

Meester Tja zegt:

Geen diepere stilte dan het lege woord.
Geen grotere ruimte dan de lege geest.
Daarin verrijst alles vrijelijk.

De tienduizend gedachten:

Ik zie ze verschijnen.
Ik zie ze verdwijnen.
Ook die over mijn zien.
Ook die over mezelf.
Ook die over de lege geest.
Ook die over het lege woord.

Hebben de tienduizend gedachten een oorsprong?
Ik sluit het niet uit.

Hebben de tienduizend gedachten een bestemming?
Ik sluit het niet uit.

Is de oorsprong de bestemming?
Ik sluit het niet uit.

Is de oorsprong onveranderlijk?
Ik sluit het niet uit.

Het Tja maakt ongewild mild.
Wie ongewild mild is, sluit niets uit, wat hij ook uitsluit.
Hij bevestigt niet wat hij nú niet kan bevestigen.
Hij ontkent niet wat hij nú niet kan ontkennen.
Daarom bevestigt hij niet en ontkent hij niet.
Dat is alles – het is niets.

Wie Tja heeft vertegenwoordigt alles of niets.
Hij vertegenwoordigt hemel én aarde.
Hij vertegenwoordigt jou noch mij.
Hij vertegenwoordigt nee én ja.
Wie Tja heeft is geen vertegenwoordiger,
maar geenszins tegen woorden.

Groot is alleen zijn
tegenwoordigheid
van geest.

Soeverein noch onaanraakbaar.
Alwetend noch onwetend.
Hemels noch aards.
Leeft hij?
Gaat hij dood?

Hij sluit het niet uit.

(S16)

Kennis van het Grote Tja is niet het Grote Tja

Meester Tja zegt:

Kennis is geen wijsheid.
Weten van niet-weten is geen niet-weten.
Kennis van het Grote Tja is niet het Grote Tja.

Liefde is geen wijsheid.
Liefde voor niet-weten is geen niet-weten.
Liefde voor het Grote Tja is niet het Grote Tja.

Ontzag is geen wijsheid.
Ontzag voor niet-weten is geen niet-weten.
Ontzag voor het Grote Tja is niet het Grote Tja.

Vertrouwen is geen wijsheid.
Vertrouwen in niet-weten is geen niet-weten.
Vertrouwen in het Grote Tja is niet het Grote Tja.

Geloof is geen wijsheid.
Geloof in niet-weten is geen niet-weten.
Geloof in het Grote Tja is niet het Grote Tja.

Geloof niets, dit ook niet.
Ga voorbij de woorden.
Voorbij je gedachten, telkens weer.
Niet-weten gaat overal voorbij,
zelfs aan het voorbijgaan.
Dit heet: het Grote Tja.

Nooit is het werk gedaan.
Nooit gaat het niet
spontaan.

(S17)

Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

Meester Tja zegt:

Wanneer het Grote Tja krimpt
krijgen we regels en principes
Geloften en geboden
Wegen en methoden

Goed en kwaad
Deugd en zonde
Schuld en boete
Inquisitie en aflaat

Heiligen en heiligschennis
Hoogmoed en deemoed
Tweedracht en eendracht
Loopgraaf en praalgraf

Kennis en onwetendheid
Meesters en leerlingen
Standpunten en argumenten
Geloof en overtuiging

Welles en Nietes
Ja en Nee
Tao en Te
Kong Tse of Lao Tse?

Als het Tja van huis is
dansen de denkers
op tafel.

(S18)

Luister vooral niet naar mij

Meester Tja zegt:

Vergeet het weten en vergeet het vergeten.
Stop met het vereren van kennis en ongekunsteldheid.
Hou op met onderscheiden en verenigen.
Laat al je denkbeelden gaan
en luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen slimmigheid kennen, je hebzucht.
Zolang wij er zijn zullen er rovers en dieven zijn.
Leer je eigen praatzucht en praalzucht kennen.
Zolang wij er zijn zullen er uitslovers zijn,
dus luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen intelligentie kennen, je handigheid.
Zolang wij er zijn zal de wereld veranderen.
Leer je eigen liefde kennen, je mededogen.
Zolang wij er zijn zullen er verlossers zijn,
dus luister vooral niet naar mij.

Niets willen begeren is begeerte.
Streven naar eenvoud is geen eenvoud.
Niets is natuurlijk of onnatuurlijk,
dus luister vooral niet naar mij.

(S19)

Meerkeuzewijsheid

Meester Tja zegt:

Leren of niet leren?

  1. Hou op met leren, dan leef je onbezorgd.
  2. Hoe meer je leert, hoe minder zorgen.
  3. Geleerd of ongeleerd, zorgen zijn zorgen.
  4. Onbezorgd leven kun je leren.

Vrees inboezemen of niet?

  1. Wie vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  2. Wie vrees inboezemt heeft niets te vrezen.
  3. Wie geen vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  4. Wie geen vrees inboezemt heeft niets te vrezen.

Ja of nee?

  1. Ja is ja en nee is nee.
  2. Ja is nee en nee is ja.
  3. Het is altijd ja en nee.
  4. Het is altijd ja noch nee.

Mooi of lelijk?

  1. Iets is altijd mooi óf lelijk.
  2. Iets is altijd mooi én lelijk.
  3. iets is nooit mooi of lelijk.
  4. Iets is nu eens mooi dan weer lelijk.
  5. Iets kan mooi zijn het ene opzicht, lelijk in het andere.
  6. Wat mooi is voor de een, is lelijk voor de ander.
  7. Niets is mooi of lelijk van zichzelf, dat maakt het denken ervan.
  8. Mooi is lelijk, lelijk is mooi.

(S20)

Een onnozele ziel

Meester Tja zegt:

Mensen juichen, ik niet.
Mensen janken, ik niet.

Mensen hopen, ik niet.
Mensen wanhopen, ik niet.

Mensen scheiden, ik niet.
Mensen verenigen, ik niet.

Mensen doen, ik niet.
Mensen laten, ik niet.

Mensen hechten, ik niet.
Mensen onthechten, ik niet.

Mensen zoeken, ik niet.
Mensen vinden, ik niet.

Mensen hebben vragen, ik niet.
Mensen hebben antwoorden, ik niet.

Mensen willen hetzelfde zijn, ik niet.
Mensen willen anders zijn, ik niet.

Mensen hebben een ego, ik niet.
Mensen hebben een zelf, ik niet.

Mensen kennen de Tao, ik niet.
Mensen ontkennen de Tao, ik niet.

Mensen zijn onderweg, ik niet.
Mensen zijn aangekomen, ik niet.

Mensen zijn verlicht, ik niet.
Mensen zijn verduisterd, ik niet.

Mensen spreken, ik niet.
Mensen zwijgen, ik niet.

Mensen zijn mensen, ik ook.
Mensen zijn onmensen, ik zeker.

(S20)

Volgelingen van het Grote Tja

Meester Tja zegt:

Mijn zien is zonder zien.
Mijn horen is zonder horen.
Mijn ruiken is zonder ruiken.
Mijn voelen is zonder voelen.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn denken is zonder denken.
Mijn weten is zonder weten.
Mijn menen is zonder menen.
Mijn oordelen is zonder oordelen.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn doen is zonder doen.
Mijn laten is zonder laten.
Mijn komen is zonder komen.
Mijn gaan is zonder gaan.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn geven is zonder geven.
Mijn nemen is zonder nemen.
Mijn hebben is zonder hebben.
Mijn zijn is zonder zijn.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn spreken is zonder spreken.
Mijn zwijgen is zonder zwijgen.
Mijn leven is zonder leven.
Mijn sterven is zonder sterven.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn geest is zonder geest.
Mijn lichaam is zonder lichaam.
Mijn liefde is zonder liefde.
Mijn haat is zonder haat.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn lust is zonder lust.
Mijn onlust is zonder onlust.
Mijn wil is zonder wil.
Mijn onwil is zonder onwil.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn gehechtheid is zonder gehechtheid.
Mijn onthechting is zonder onthechting.
Mijn onderscheid is zonder onderscheid.
Mijn eenheid is zonder eenheid.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn deugd is zonder deugd.
Mijn zonde is zonder zonde.
Mijn vreugde is zonder vreugde.
Mijn verdriet is zonder verdriet.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn waarheid is zonder waarheid.
Mijn wijsheid is zonder wijsheid.
Mijn kennis is zonder kennis.
Mijn filosofie is zonder filosofie.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn moraal is zonder moraal.
Mijn realiteit is zonder realiteit.
Mijn religie is zonder religie.
Mijn verlichting is zonder verlichting.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn eenvoud is zonder eenvoud.
Mijn woord is zonder woord.
Mijn bede is zonder bede.
Mijn weg is zonder weg.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Mijn Tao is zonder Tao.
Mijn Boeddha is zonder Boeddha.
Mijn God is zonder God.
Mijn ik is zonder ik.

Alle zijn volgelingen van het Grote Tja.

Het Grote Tja is geen volgeling.
Mijn meester heeft geen meester.
Hij is een leerling van niets.
Ik ben mijn eigen leerling.

Het Grote Tja is niet te volgen.
Mijn meester heeft geen leerlingen.
Hij is een meester van niets.
Ik ben mijn eigen meester.

(S21)

In uw diepten is geen diepte

Nacht en Nevel

Meester Tja zegt:

Was het Tja een wezen dan was het ongrijpbaar.
Was het Tja een dier dan was het ontembaar.
Was het Tja een gestalte dan was zij onzichtbaar.
Was het Tja een gedachte dan was ze ondenkbaar.

O nacht! O duisternis!
In uw diepten is geen diepte.
O duisternis! O nacht!
In uw midden louter niets.

Was het Tja een leer dan was hij onverdedigbaar.
Was het Tja een stelling dan was zij onhoudbaar.
Was het Tja een symbool dan was hij onduidbaar.
Was het Tja een boodschap dan was ze onbestelbaar.

O nevel! O mistbank!
In uw flanken heerst verwarring.
O mistbank! O nevel!
In uw midden louter rust.

Op welke wijze ken ik het Grote Tja?
Ik ken het niet!
Ik ben het.

Op welke wijze ben ik het Grote Tja?
Het kent mij niet!
Het zij zo.

(S21)

De wijze heeft niets te onthullen

Meester Tja zegt:

Wie veel heeft zal verkrijgen of verliezen.
Wie weinig heeft zal verliezen of verkrijgen.
Wat stuk is wordt hersteld of gedumpt.
Wat krom is trekt rechter of krommer.
Wat buigt veert terug of barst.
Wat hol is loopt leeg of vol.

Al houdt het Tja zich niet aan hem,
de wijze houdt zich aan het Tja.
Zodoende is hij herder noch schaap,
verdienstelijk noch onverdienstelijk,
aanzienlijk noch onaanzienlijk,
glansrijk noch dof,
goed noch slecht.

De wijze heeft niets te verhullen of te onthullen.
Hij houdt zich aan het vele noch aan het ene.
Hij veinst niet ongeveinsd te zijn.
Hij wedijvert zonder wedijveren
en niemand kan verliezen.

(S22)

Een mateloze maat

Meester Tja zegt:

De hele dag praten is natuurlijk.
Weinig spreken is natuurlijk.
Geen stom woord zeggen is natuurlijk.
Een woordenvloed gevolgd door stilte –
Niets is onnatuurlijk.

Een storm blaast wekenlang of waait snel over.
Stortregen put zich uit of houdt almaar aan.
Als hemel en aarde geen maat weten te houden,
hoeveel minder dan de mens?

Maar wie het Tja belichaamt,
die laat nooit verstek gaan.
Wie alles heeft verloren,
wordt één met zijn verlies.

Wie zelfs het Grote Tja laat gaan,
wordt één met zijn bestaan,
al is het al gedaan.

(S23)

Wie nergens op staat valt vrij

Meester Tja zegt:

Iedereen schept weleens op.
Tegen zichzelf of tegen anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Opscheppen is natuurlijk.
Ook ik schep weleens op.
Al is het maar door niet op te scheppen.

Iedereen loopt weleens te paraderen.
Voor zichzelf of voor anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Paraderen is natuurlijk.
Ook ik loop weleens te paraderen.
Al is het maar door niet te paraderen.

Iedereen wil weleens schitteren.
Voor zichzelf of voor anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Schitteren is natuurlijk.
Ook ik wil weleens schitteren.
Al is het maar door niet meer te schitteren.

Iedereen heeft weleens pretenties.
Voor zichzelf of voor anderen.
Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden –
Pretenderen is natuurlijk.
Ook ik heb weleens pretenties.
Al pretendeer ik bij wijle van niet.

Daarom:

Wie zijn pretenties ontkent, staat zwak.
Wie zijn pretenties erkent, staat sterk.
Wie andermans pretenties herkent, staat nergens op.
Wie nergens op staat valt vrij.
Of is dat weer opschepperij?

(S24)

Nog weet ik niet zijn naam

Meester Tja zegt:

Was de aarde er voor de dingen?
Was de hemel er voor de aarde?
Zo ja of nee, wat was er voor
Die tienduizend en twee?

Heeft de kosmos een moeder?
Heeft de moeder een vader?
Heeft de vader een oorzaak?
Heeft de oorzaak een bron?
Heeft de bron een naam?
Heeft de naam een naamgever?

Als wij de naamgever zijn,
Waar komen wij dan vandaan?
Waar zijn wij op dit moment?
Waar gaan we zo naartoe?

Wie waren wij,
Wie zijn wij en
Zijn wij er straks
Geweest?

Wie ben ik dat ik wij zeg?
Wat zijn wij dat we vragen stellen?
Waarvan zijn vragen een teken?
Zijn er vragen zonder teken?
Zijn er tekens zonder vragen?
Zijn dit wel de juiste vragen?
Zijn er wel juiste vragen?
Zijn vragen echt wel vragen?
Of zijn vragen al het antwoord?
Aan wie kan ik dat vragen?

Groots schijnt de kosmos.
Groter nog de onzekerheid
Die hem verhult.

Of is het de onzekere –
Schepper zonder
Vlees of blaam?

Nog weet ik niet zijn naam.
Alleen zijn bijnaam
Mag er wezen
Als zijn wezen
En zijn vorm:
Het Grote Tja,
(On)aangenaam.

Het grote ja,
Het grote nee,
De boze heks,
De goede fee,
Hoe groot precies
Is een idee?

Is de aarde een idee?
Is de hemel een idee?
Is de kosmos een idee?
Is de moeder een idee?
Is de vader een idee?
Is de oorzaak een idee?
Is de bron maar een idee?

Is het Tja maar een idee?
Wie denkt er zover
Met mij mee?

(S25)

Wie Tja heeft zegt tja

Meester Tja zegt:

Wie de wereld bestuurt verliest zijn lichaam uit het oog.
Wie zijn lichaam verzorgt verliest de wereld uit het oog.

Wie bezorgd is over zijn bagage zal slecht slapen.
Wie goed slaapt zal beroofd worden.

Wie zwak is wordt onder de voet gelopen.
Wie sterk is wordt uitgedaagd.

Wie veel weegt komt moeilijk in beweging.
Wie weinig weegt waait makkelijk om.

Wie niets onderneemt verveelt zich dood.
Wie iets onderneemt ergert zich dood.

Wie arm is heeft weinig te besteden.
Wie rijk is heeft veel te verliezen.

Wie alles hoort zoekt stilte.
Wie stilte zoekt hoort alles.

Wie Tja heeft zegt tja.

(S26)

De meester niet hoogschatten

Ook de wijze weet niet beter

Meester Tja zegt:

Een goede dichter opent.
Een goede leraar leert af.
Een goede leerling spijbelt.
Een goede zoeker vindt niets.
Een goede reiziger blijf thuis.
Een goede bouwer ondermijnt.
Een goede advocaat verdedigt niet.
Een goede verzamelaar neemt niet mee.
Een goede denker laat geen gedachten na.
Een goede zwijger heeft veel woorden nodig.
Een goede spreker neemt zijn woorden terug.
Een goede verstaander heeft genoeg aan stilte.

Ook de wijze weet niet beter.
Daarom hoeft hij niemand te redden
of anderen het redden te beletten.
Door niet naar het licht te streven
geeft hij lucht aan het duistere
en verkleint zo het verschil.

De meester niet hoogschatten,
de leerling niet geringschatten,
daar begint het mee.

Wie kan zeggen waar het eindigt?

(S27)

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van.

Hij ziet de keerzijden van oorlog en van vrede.
Van vasthoudendheid en van gemakzucht.
Van begeerte en van lusteloosheid.
Van kennis en van onwetendheid.
Van hebzucht en van armoede.
Van winnen en van verliezen.

Hij ziet overal de keerzijden van
en van die keerzijden
weer de keerzijden.

Daarom heet het:

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig.

(S46)

Wie vrede sluit met zijn onvrede kan tevreden zijn

Meester Tja zegt:

Geen zonde is groter dan overal zonden zien.
Geen fout geeft meer verdriet dan overal fouten zien.
Geen ramp is erger dan overal rampen zien.

Overal zonden zien is ook geen zonde.
Overal fouten zien is ook geen fout.
Overal rampen zien is ook geen ramp.

Wie vrede sluit met zijn onvrede kan tevreden zijn.

(S46)

Wie over het Tja hoort weet steeds minder

Meester Tja zegt:

Wie leert weet steeds meer.
Wie afleert weet steeds minder.
Minder en minder, net zolang
tot het nietsweten bereikt is.
Door niets te weten blijft niets ongeweten.
Dit heet: het Grote Tja.

Wil je de wereld vatten?
Probeer hem dan niet te vatten.
Zou je hem kunnen vatten,
dan was het de moeite niet waard.

Laat je liever omvatten.
Alleen zo kan je de wereld bevatten.
Voel je wel?

(S48)

De wijze houdt zijn hart niet vast

Meester Tja zegt:

Nooit heeft de wijze een eigen hart. Nooit heeft hij andermans hart.
Hij maakt zich alle harten eigen, en staat ze gauw weer af.

Hij staat ze gauw weer af.

De wijze denkt niet in termen van goed en fout, en zo komt alles goed.
Denkt hij toch in die termen, dan vindt hij dat niet goed of fout, en
zo komt alles goed.

En zo blijft alles goed.

Wie eerlijk is gelooft hij niet.
Wie oneerlijk is evenmin,
dat lijkt hem wel zo eerlijk.
Want eerlijk noch oneerlijk duurt het langst.
Ook dit gelooft hij niet, noch dit,
en zo ontstaat vertrouwen.

En zo ontstaat vertrouwen.

De wijze, in de wereld, neemt niets en verzamelt niets.
Zodoende heeft hij niets te geven of na te leven.
Wie desondanks zijn ogen tot hem richt,
schenkt hij zijn kinderlijke blik.
Hij hoeft hem echt niet terug, dat niet,
maar ziet hem graag weerspiegeld.

Hij ziet hem graag weerspiegeld.

(S49)

Meesterwerk is voor discipelen

Meester Tja zegt:

Ik de allerhoogste mens? Hoe komt u daar nou bij?

Ik weet mij niet te kleden; het zijn mijn handen die het voor me doen.

Ik weet mij niet te voeden; het is mijn mond die het voor me doet.

Ik weet niet hoe te kijken; het zijn mijn ogen die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te luisteren; het zijn mijn oren die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te ademen; het zijn mijn longen die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te minnen; het zijn mijn lendenen die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te strijden; het zijn mijn vuisten die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te rusten; het is mijn lichaam dat het voor me doet.

Ik weet niet hoe te voelen; het is mijn hart dat het voor me doet.

Ik weet niet hoe te denken; het is mijn geest die het voor me doet.

Ik weet niet hoe te spreken; het is mijn tong die het voor me doet.

Ik weet zelfs niet te zwijgen; het is de hemel die het voor me doet.

Ik weet het niet en alles gaat vanzelf. Al gaat het niet vanzelf.

(B3)

Veel spreken put zich uit

Meester Tja zegt: ‘Veel zwijgen put zich uit, het is beter alles uit te spreken.’

Hij zegt: ‘Veel wijsheid put zich uit, het is beter alles af te breken.’

Hij zegt: ‘Veel spreken put zich uit, en valt vanzelf weer stil’, en valt vanzelf weer stil.

(B5)

Meester Tja zegt nee noch ja

Vraagt u me wat ik ben dan zeg ik wederkerend noch eenmalig
Van wederkerend noch eenmalig zeg ik bestaand noch onbestaand
Van bestaand noch onbestaand zeg ik verlicht noch verduisterd
Van verlicht noch verduisterd zeg ik vliedend noch inwonend
Van vliedend noch inwonend zeg ik verdeeld noch verenigd
Van verdeeld noch verenigd zeg ik meester noch gezel
Van meester noch gezel zeg ik levend noch dood
Van levend noch dood zeg ik wijs noch dwaas
Van wijs noch dwaas zeg ik groot noch klein
Van groot noch klein zeg ik ver noch nabij
Van ver noch nabij zeg ik nee noch ja:
Ach, noem mij toch Meester Tja

(B25)

Lees ook: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Niet-uitmunten heeft geen oefening nodig

Meester Tja zegt:

Niet-uitmunten heeft geen oefening nodig en niemand voelt zich minder.
Niet-verwerpen heeft geen vuisten nodig en niemand neemt aanstoot.
Niet-rekenen heeft geen telraam nodig en niemand maakt fouten.
Niet-binden heeft geen banden nodig en niemand kan losknopen.
Niet-helpen heeft geen handen nodig en niemand kan weigeren.
Niet-sluiten heeft geen grendel nodig en niemand kan openen.
Niet-weten heeft geen uitspraak nodig en niemand kan verdedigen.

(B27)

Voor wie geen wortels weet te vormen

Meester Tja zegt:

Ofschoon mijn tijd niet vervuld is, weet ik geen wortels te vormen.
Sommigen noemen dit wijsheid maar wat is er verstandig aan?
Anderen noemen het dwaasheid maar wat is er onverstandig aan?

Tip: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

De gelijkenis van water en tja

Meester Tja zegt:

Als ijs bedekt het zee en land
Als wolk brengt het regen en mist
Als golf brengt het redding en dood
Als stoom drijft het aan en verbrandt
Als vloeistof vult het de diepste spleten
Als sneeuw bedekt het de hoogste toppen
Het is zacht bij lage snelheid, hard bij hoge
Het holt grotten uit en vult ze met druipsteen
Het verdrinkt de mensen en verlucht de vissen
Het doet planten groeien en wortels rotten
Het vormt stranden en vernietigt duinen
Nee, met water weet men maar nooit
Toch treft het blaam noch faam
Hierin komt water het tja nabij

(B8)

Wie zoekt zal vragen vinden

Meester Tja zegt:

Wie zoekt zal vragen vinden. Zijn vragen zullen gepaard gaan met verbazing. Zijn verbazing zal veranderen in verwondering. Zijn verwondering zal overgaan in verbijstering.

Zijn zoeken zal opgaan in verbijstering. Zijn vragen zullen erin opgaan. Zijn wereld zal erin opgaan. Hijzelf zal erin opgaan. Het opgaan zal erin opgaan. Maar zijn verbijstering zal niet overgaan.

Dit heet het Grote Tja.

(B62)

De schat van onwetendheid

Meester Tja zegt:

Een verstandig koopman verbergt zijn schatten en doet zich voor als een armoedzaaier, maar de volmaakte wijze toont vrijelijk zijn onwetendheid, en niemand die het ziet.

(Q)

Onmetelijk het verschil tussen weten en niet-weten

Meester Tja zegt:

Wie ongetwijfeld zegt, wéét.

Wie waarschijnlijk zegt, wéét.

Wie misschien zegt, wéét.

Wie onwaarschijnlijk zegt, wéét.

Wie onmogelijk zegt, wéét.

Hoe gering het verschil tussen ongetwijfeld en onmogelijk.

Hoe onmetelijk het verschil tussen weten en niet-weten.

(B20)

Tja is het wezen van de tienduizend dingen

Als je hem vraagt: ‘Leer ons de moeder aller dingen kennen!’ zal Meester Tja antwoorden: ‘Leer eerst maar eens één ding kennen.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons tenminste één ding kennen!’ zegt Meester Tja: ‘Ik ben je moeder niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons het wezen van de tienduizend dingen kennen!’ zal Meester Tja antwoorden: ‘Hoe zou ik het wezen kunnen doorgronden? Ik begrijp de verschijningsvorm al niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste de verschijningsvorm kennen!’ zegt Meester Tja: ‘De ene verschijningsvorm is de andere niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste één verschijningsvorm kennen!’ zal Meester Tja antwoorden: ‘Hoe zou ik die moeten onderscheiden van het wezen?’

Als je hem vraagt: ‘Is het wezen soms gelijk aan de verschijningsvorm?’ zegt Meester Tja: ‘Vraag dat maar aan een ander wezen.’

Als je hem vraagt: ‘Wat is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen?’ zal meester Tja antwoorden: ‘Tja is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen.’

Als je hem dan vraagt naar de essentie van het Tja, zegt hij alleen maar: ‘Tja.’

(B52)

Maak van twee ogen tienduizend

Als je hem vraagt: ‘Met welk oog kan ik de Waarheid zien?’ zal meester Tja antwoorden:

Kijk met beide ogen en je zult dubbel zien en van waarheid spreken.

Maak van twee ogen één en je zult ondiepte zien en van waarheid spreken.

Maak van één oog geen en je zult duisternis zien en van waarheid spreken.

Maak van je pijnappelklier een derde oog en je zult de leegte van je geest zien en van waarheid spreken.

Maak van twee ogen tienduizend en je zult facetten zien en van waarheid spreken.

Welke waarheid wil je zien?

(B12)

Niet overal het wonder van inzien is een wonder

Als je hem vraagt of er wonderen zijn in het Grote Tja, zingt meester Tja:

Vlees is een wonder!
Geest is een wonder!
Woord is een wonder!
Geest uit vlees is een wonder!
Vlees in geest is een wonder!
Woord uit geest is een wonder!
Geest uit woord is een wonder!
Wonderen zien is een wonder!

Op de vraag wat er voor nodig is om overal het wonder van in te zien, zegt hij: ‘Niet overal het wonder van inzien is een wonder!’

Niet-weten en dat (net niet) vergeten

Als je hem vraagt waar het onderweg op aankomt, antwoordt Meester Tja:

niet weten
en dat
net niet
vergeten

en herhaalt het net zolang tot de woorden hun betekenis verliezen.

Meester Tja is wijs noch dwaas

Hij houdt geen wijsheid achter
Hij spreekt geen wijsheid uit
Hij slaat geen wijsheid op
Hij stoot geen wijsheid af
En nog is hij niet wijs

En toch is hij geen dwaas

Zelfs als hij zwijgt

Meester Tja zegt:

Zelfs als hij spreekt gebruikt de wijze geen woorden en gebruiken de woorden hem niet.

De wegleidweg

Meester Tja zegt:

De weg naar het tja is de weg naar de hemel.
De weg naar de hemel is de weg naar de aarde.
De weg naar de aarde is de weg naar de mensen.
De weg naar de mensen is de weg naar jezelf.
De weg naar jezelf is de weg naar de geest.
De weg naar de geest is de weg naar het weten.
De weg naar het weten is de weg naar niet-weten.
De weg naar niet-weten is de weg naar het tja.
De weg naar het tja leidt overal van weg.
De wegleidweg leidt recht naar de hemel.

Onvergankelijk de hoop

Meester Tja zegt:

Nog vóór de mens wordt geboren is hij ten dode opgeschreven. Hij sterft zacht of stijf, sterk of zwak, afhankelijk van zijn leeftijd.

Nog voor ze geboren worden, de dingen, het gras, de bomen, zijn ze ten dode opgeschreven. Ze sterven zacht en teer, droog en schraal afhankelijk van hun leeftijd.

Stijfheid en sterkte, zachtheid en zwakte, alle zijn volgelingen van het leven. Alle zijn voorboden van de dood.

Want een boom die zwak staat zal zeker omwaaien. Een boom die sterk staat zal zeker verbranden. Een boom die staat als een berg zal zeker van binnenuit wegrotten.

Een leger dat zwak staat zal weggevaagd worden. Een leger dat sterk staat zal door list verslagen worden. Een leger dat onverslaanbaar is zal zich overbodig maken.

Maar onvergankelijk is de hoop op eeuwig leven.

Woord en doodslag

Meester Tja vroeg:

De man die doodt uit naam van de staat noemt men een scherprechter. De man die doodt uit naam van zichzelf noemt men een moordenaar. Wat is de overeenkomst?

Hij vroeg ook:

De man die gedood wordt in naam der wet noemt men een dader. De man die gedood wordt op persoonlijke titel noemt men een slachtoffer. Wat is het verschil?

Zo maakte hij de mensen monddood.

Zo wekte hij de taal weer tot leven.

De wijze weet zich niet wijzer

en de goede weet niet beter

Meester Tja zegt:

De weetniet kent zichzelf niet en alles is hem duister. Soms houdt hij van zichzelf, soms niet, maar meestal geen van beide. Daarom laat hij dit en neemt hij dat en weet zich toch niet wijzer.

Het hoogste niet van het laagste weten

Meester Tja vraagt:

Weten is hoog.
Niet weten is hoger.
Weten van niet weten is het hoogst.
Niet weten van niet weten is nog hoger.
Weten van niet weten van niet weten is hoger nog.
De slotzin van deze oneindige reeks kennen is het allerhoogst.
De hele reeks in één keer doorgronden is het aller-allerhoogst.
Het allerhoogste niet van het allerlaagste weten heet dwijsheid.
Wie kan zeggen hoe hoog dat is?

Lees ook: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Ervaring zegt niets

Een ervaren krijgsman zei: Ik durf niet te beginnen, ik wacht liever af.
Een tweede zei: Ik durf niet af te wachten, ik begin liever.
Een derde zei: Men moet beginnen én afwachten.
Een vierde zei: Men moet afwachten noch beginnen.

Een ervaren krijgsman zei: Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug.
Een tweede zei: Ik durf geen duim terug te gaan, ik ga liever een voet vooruit.
Een derde zei: Men moet achterwaarts vooruit gaan.
Een vierde zei: Men moet naar voren noch naar achteren gaan.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet voorgaan zonder gaan.
Een tweede zei: Men moet gaan zonder voorgaan.
Een derde zei: Men moet gaande voorgaan.
Een vierde zei: Men moet gaan noch voorgaan.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet dreigen zonder de armen te strekken.
Een tweede zei: Men moet de armen strekken zonder dreigen.
Een derde zei: Men moet dreigen en de armen strekken.
Een vierde zei: Men moet dreigen noch de armen strekken.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet opdringen zonder weerstand te wekken.
Een tweede zei: Men moet weerstand wekken zonder op te dringen.
Een derde zei: Men moet weerstand wekken en opdringen.
Een vierde zei: Men moet opdringen noch weerstand wekken.

Een ervaren krijgsman zei: Men moet aangrijpen zonder te wapenen.
Een tweede zei: Men moet wapenen zonder aan te grijpen.
Een derde zei: Men moet wapenen en aangrijpen.
Een vierde zei: Men moet aangrijpen noch wapenen.

Een ervaren krijgsman zei: Goed dat ik ten strijde ben getrokken.
Een tweede zei: Was ik maar thuis gebleven.
Een derde zei: Ik had thuis ten strijde moeten trekken.
Een vierde zei: Was ik maar ten strijde getrokken noch thuisgebleven.

Meester Tja zegt: Ik zeg niets; ik heb geen ervaring.

Het weigeren aanvaarden

Meester Tja zegt:

U vraagt hoe wij tot volledige aanvaarding van de tienduizend dingen komen. Is weigering niet één van die dingen?

De wijze is als een blaasbalg

Meester Tja zegt:

De wijze is als een blaasbalg: hij zwijgt terwijl hij inademt en spreekt terwijl hij uitademt, maar zonder iets te zeggen en zonder niets te zeggen.

Wie heet er nou meester Tja?

Meester Tja zegt:

Wie het zinnelijke op doet gaan in het geestelijke heet een idealist,
wie het geestelijke op doet gaan in het zinnelijke heet een materialist,
wie het zinnelijke naast het geestelijke plaatst heet een dualist,
wie tot veelheid komt en onverenigbaar wordt heet een pluralist,
wie tot eenheid komt en ondeelbaar wordt heet een monist,
maar wie heet er nou Meester Tja?

De wijze aanvaardt zijn dwaasheid

Meester Tja zegt:

Terwijl de poorten des hemels zich openen kan de wijze rondrennen als een kip zonder kop, doodzitten als een broedende hen of piekeren als een kop zonder kip en het zich toch niet euvel duiden.

Allicht

Meester Tja zegt:

Wiens duisternis de vier richtingen doordringt, is daarom nog niet blind.

Het slechts ken ik wel het tja

Het tja ken ik als de beste.
De beste ken ik als de hemel.
De hemel ken ik als de aarde.
De aarde ken ik als mijn lichaam.
Mijn lichaam ken ik als mijn geest.
Mijn geest ken ik als mijn ziel.
Mijn ziel ken ik als mijn hart.
Mijn hart ken ik als mijn wezen.
Mijn wezen ken ik als mezelf.
Mezelf ken ik wel het slechtst.
Het slechtste ken ik wel het tja.

De wijze is volkomen onvolkomen

Meester Tja zegt:

De wijze van ouds, hij was niet dwaas, hij was niet wijs.
Hij wist en wist niet.
Hij was licht en tastbaar, duister en ongrijpbaar als het eeuwige tja.
Zijn diepte was ondiepte, zijn oppervlakkigheid bodemloos.
Daar niets gekend kan worden zal ik een denkbeeld geven.
De dwijze was behoedzaam als wie zijn vrienden vreest en zijn vijanden vertrouwt.
Ingetogen als een gast en opgetogen als een kind.
Wijkend en kruiend als smeltend ijs.
Massief als een berg en leeg als een vallei.
Troebel als modder en helder als smeltwater.
Wie klaart de troebel niet op en verstoort niet de helderheid?
Wie neemt rust in beweging en beweging in rust?
De wijze van ouds.
Vol en leeg, rijk en berooid, in en uit de tijd is hij volkomen onvolkomen.

Zoeken is verloochenen

Meester Tja waarschuwt:

Wie zuiver geluk zoekt verloochent zijn lijden.
Wie opperste leegte zoekt verloochent zijn volheid.
Wie bestendige rust zoekt verloochent zijn onrust.
Wie diepe wijsheid zoekt verloochent zijn dwaasheid.
Wie ongerept niet-weten zoekt verloochent zijn weten.
Wie oneindige eeuwigheid zoekt verloochent zijn vergankelijkheid.
Wie het einde van het loochenen zoekt verloochent zijn loochenen.

Niets is goed in ieder opzicht

Meester Tja zegt:

niets is goed in ieder opzicht
niets is goed zonder opzicht
niets is goed van zichzelf

niets is slecht in ieder opzicht
niets is slecht zonder opzicht
niets is slecht van zichzelf

ook dit is van zichzelf
niet goed en niet slecht

En bij een andere gelegenheid:

Absoluut is het verschil tussen goed en kwaad voor de dwaas.
Relatief is het verschil tussen goed en kwaad voor de wijze.
Onbepaald is het verschil tussen goed en kwaad voor de dwijze.

Het grootste probleem is problemen zien

maar dat is ook geen oplossing

Waarom nieuwe problemen maken als u kunt leven met de oude.
Waarom met oude problemen leven als u nieuwe kunt maken.
De oplossing van vandaag is het probleem van morgen.
Het probleem van vandaag is de oplossing van morgen.
Geen problemen zonder oplossingen.
Geen oplossingen zonder problemen.
Het grootste probleem is problemen zien.
Problemen zien als het grootste probleem zien is ook geen oplossing.

Zeg maar tja tja tja

zeg maar tja tegen het vasthouden
zeg maar tja tegen het loslaten

zeg maar tja tegen het antwoord
zeg maar tja tegen de vraag

zeg maar tja tegen het spreken
zeg maar tja tegen het zwijgen

zeg maar tja tegen het weten
zeg maar tja tegen niet-weten

zeg maar tja tegen de oorlog
zeg maar tja tegen de vrede

zeg maar tja tegen de aarde
zeg maar tja tegen de hemel

zeg maar tja tegen het lijden
zeg maar tja tegen geluk

zeg maar tja tegen het doen
zeg maar tja tegen het laten

zeg maar tja tegen het leven
zeg maar tja tegen de dood

zeg maar tja tegen de ander
zeg maar tja tegen uzelf

zeg maar tja tegen het vele
zeg maar tja tegen het ene

zeg maar tja tegen de weg
zeg maar tja tegen het doel

zeg maar tja tegen de haat
zeg maar tja tegen de liefde

zeg maar tja tegen de tijd
zeg maar tja tegen het heden

zeg maar tja tegen uw ja
zeg maar tja tegen uw nee
zeg maar tja tegen uw tja

zeg maar tja

Die tja heeft leert zijn deugd nooit kennen

Wie kan zonder dienen de wereld dienen? Alleen die tja heeft.
Wie kan zonder wereld de wereld dienen? Alleen die tja heeft.
Wie kan zonder wereld? Alleen die tja heeft.
Wie kan zonder dienen? Alleen die tja heeft.
Wie kan zonder zelf? Alleen die tja heeft.
Wie kan zonder Tja? Alleen die tja heeft.
Wie kan zonder zonder? Alleen die tja heeft.
Daarom: de weetniet doet en laat, verwerft verdienste en raakt haar weer kwijt, verwerft kennis en verliest haar weer en leert zijn deugd nooit kennen.

Zonder weg en immer in den vreemde

Meester Tja zegt:

Niet wetende waarheen te gaan, blijf ik kennelijk toch niet staan.
Gaande blijf ik nochtans op mijn plaats.
Thuis ben ik immer in den vreemde.
Zwervende ben ik nimmer onderweg.

Waarom, dat vraag ik niet

Meester Tja bekent:

Nu eens lig ik stil zonder teken als een baby die niet weet wat lachen is.
Dan weer straal ik van lust als wie zich vergast aan het stierenoffer.
Dan weer keer ik naar binnen als wie in de zomer terrassen bestijgt of zich des winters verwarmt aan een vuur.
Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch dan vraag ik niet
Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch dan vraag ik niet
Waarom…

Verzaak de wijsheid

Meester Tja zegt:

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee van liefde hebben, en toch niet zonder zijn.
Verzaak de wijsheid en u zult geen afkeer van begeerte hebben noch onverschilligheid begeren.
Verzaak de wijsheid en de laatsten zullen de eersten zijn, de eersten weer de laatsten.
Verzaak de wijsheid en het gerepte dat u zozeer veracht zal op zijn eigen wijze maagdelijk blijken.
Verzaak de wijsheid en uw ik-zucht zal de uwe niet zijn, zij zal u niet dienen en aan anderen geen schade berokkenen.
Verzaak de wijsheid en u zult het recht niet meer kennen, niet meer vaardig wezen, rechtvaardig noch onrechtvaardig zijn over anderen of uzelf.
Verzaak de wijsheid en u zult het volk niet meer kennen, geen voordeel kennen, door niemand meer bevoordeeld worden en niemand nog bevoordelen.

De eeuwige schemering

Meester Tja zegt:

De mensen zijn verduisterd, maar weten het niet meer. Zelf weet ik niet eens meer of ik verduisterd ben.

Lees ook: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Heel even dacht ik niets

Ik dacht: Alle mensen hebben over; ik alleen ben leeg.
Ik dacht: Alle mensen zijn leeg; ik alleen heb over.
Ik dacht: Ik alleen heb over; toch ben ik leeg.
Ik dacht: Niets heb ik over; toch ben ik niet leeg.
Ik dacht: Wist ik nou maar hoe het zat.
Ik dacht: Of toch maar liever niet.
Heel even dacht ik niets.
Ook dat was zo.
Ook dat was zo voorbij.

Wie zichzelf in het licht stelt zal een schaduw werpen

Meester Tja zegt:

De wijze stelt zich niet in het licht, maar daarom schittert hij nog niet.
Hij slaat zichzelf niet hoog aan, maar daarom blinkt hij nog niet uit.
Want wie zichzelf in het licht stelt zal een schaduw werpen, maar wie zichzelf in de schaduw stelt werpt daarom nog geen licht.

De dwijze kent zijn vijanden niet

Meester Tja zegt:

De dwijze kent zijn vijanden niet.
Hij kent zijn vrienden niet.
Hij kent zichzelf niet.
Hij weet niet wat strijden is.
Hij weet niet waarvoor te strijden.
Hij weet niet wat terugtrekken is of waar zich terug te trekken.
Daarom kan niets ter wereld met hem strijden of de strijd met hem vermijden.

Wie veel spreekt zegt niet veel

Geen stom woord

Meester Tja zegt:

Wie veel spreekt zegt niet veel, wie weinig spreekt des te meer, maar wie echt wil zwetsen moet zijn mond eens houden.

Het enige menen is menen te menen

De enige mislukking is menen te falen.
Het enige succes is menen te slagen.
Het enige weten is menen te weten.
Het enige niet-weten is menen niet te weten.
Het enige menen is menen te menen

Wie één wil zijn moet op zijn tellen passen

Wie één wil zijn moet op zijn tellen passen, maar wie één wordt met het tja is voorgoed uitgeteld.

Wat zwaar is, is licht

Wat zwaar is voor het kind is licht voor de ouder.
Zwaar kan de wortel van licht niet zijn, licht niet de wortel van zwaar.

Wat rust is vanuit de zon is beweging vanuit de aarde.
Rust kan de wortel van beweging niet zijn, beweging niet de wortel van rust.

Wat koud is voor een warme hand voelt warm aan voor een koude.
Kou kan de wortel van warmte niet zijn, warmte niet de wortel van kou.

Nimmer zonder tja

Ik verloor mijn soevereiniteit en mijn kwetsbaarheid
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn vijanden en mijn vrienden
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn meervoud en mijn enkelvoud
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor de ander en mezelf
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn deugd en mijn ondeugd
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn hel en mijn hemel
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn doen en mijn laten
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn weg en mijn doel
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn dwaasheid en mijn wijsheid
maar ben nimmer zonder tja.

Ik verloor mijn weten en mijn niet-weten
maar ben nimmer zonder tja.

Verdienste kent hij niet, noch rekent hij zich arm

Raadsel

De honderd geslachten richten naar zijn hart hun oor, maar horen het niet kloppen.
De honderd geslachten richten tot zijn verstand hun vragen, maar zien het niet werken.
Verdienste kent hij niet, noch rekent hij zich arm.
Hij slaagt omdat hij faalt en delft het onderspit waar hij zegeviert.
De geringste onder de magistraten doet niet voor hem onder en de grootste onder hen overtreft hem niet.

Woorden zijn wapens, wapens woorden

hoofden zijn wapens
tanden zijn wapens
handen zijn wapens
vingers zijn wapens
ellebogen zijn wapens
schouders zijn wapens
geslachten zijn wapens
knieën zijn wapens
schenen zijn wapens
voeten zijn wapens

hoeven zijn wapens
horens zijn wapens
tentakels zijn wapens
stekels zijn wapens
klauwen zijn wapens
poten zijn wapens
vleugels zijn wapens
angels zijn wapens
tentakels zijn wapens

stenen zijn wapens
kiezels zijn wapens
grit is een wapen
zand is een wapen
kuilen zijn wapens
diepten zijn wapens
hoogten zijn wapens

water is een wapen
ijs is een wapen
gas is een wapen
lucht is een wapen
slijm is een wapen
lijm is een wapen
olie is een wapen
vuur is een wapen

stokken zijn wapens
ploegen zijn wapens
spaden zijn wapens
hamers zijn wapens
sikkels zijn wapens
vijzels zijn wapens
messen zijn wapens
vorken zijn wapens

ziekten zijn wapens
medicijnen zijn wapens
kinderen zijn wapens
dierbaren zijn wapens
rijkdom is een wapen
armoede is een wapen
kracht is een wapen
zwakte is een wapen

hersens zijn wapens
kennis is een wapen
onkunde is een wapen
gedachten zijn wapens
emoties zijn wapens
woorden zijn wapens
zwijgen is een wapen

zonder wapens geen wereld
ook wie tja heeft voert ze
in vrede, bestand en oorlog
links, rechts en in het midden

Bekentenis

Meester Tja zegt:

Het is tot mijn verdriet dat ik in het doden vreugde vindt. Het is tot mijn vreugde dat ik in het doden verdriet vindt. Verschil maakt het niet.

Mensen doden en laten doden, maar ze noemen het geen doden

Mensen doden en laten doden, maar ze noemen het geen doden

Ze noemen het een voorbeeld stellen
Ze noemen het terechtstellen
Ze noemen het gerechtigheid
Ze noemen het euthanasie
Ze noemen het verdedigen
Ze noemen het beveiligen
Ze noemen het Gods Wil
Ze noemen het eerwraak
Ze noemen het zuiveren
Ze noemen het voorkómen
Ze noemen het genezen
Ze noemen het beheersen
Ze noemen het bestrijden
Ze noemen het ontsmetten
Ze noemen het pasteuriseren
Ze noemen het steriliseren
Ze noemen het bestralen
Ze noemen het afmaken
Ze noemen het slachten
Ze noemen het ruimen
Ze noemen het vissen
Ze noemen het jagen
Ze noemen het wieden
Ze noemen het rooien
Ze noemen het onderhouden
Ze noemen het oogsten
Ze noemen het bereiden
Ze noemen het eten
Ze noemen het van alles

Ze noemen het geen doden, maar mensen doden en laten doden

De dienaren des levens zijn de dienaren des doods

dezelfde boom draagt de vrucht
en verstikt de zaailing

hetzelfde mes snijdt het vlees aan
en de hals door

dezelfde mond zoent de vriend
en bijt de vijand

hetzelfde vuur gaart de kool
en verkoolt het brood

hetzelfde water laaft de koe
en verdrinkt het kalf

de dienaren des levens
zijn de dienaren des doods

Tja is eeuwig noch onbenoembaar

Meester Tja zegt:

Tja is eeuwig noch onnoembaar. Hoe gering het in zijn eenvoud ook is, onderwerpt het de ganse wereld, maar weet de ganse wereld het niet te onderwerpen.

Tja is een eeuwige ontlediging van de geest

Tja is als het uitvloeien van beek in rivier,
het uitstromen van rivier in zee,
het opstijgen van zee naar wolk,
het breken van wolk op aarde,
het sijpelen van plas in beek,
het uitvloeien van beek in rivier…

Lees ook: De wolk van niet-weten

De put van het tja is niet te dempen

De put van het tja is bodemloos. Met alle kennis van de wereld is hij niet te dempen.

De smaak van tja is nooit hetzelfde

Komt tja de mond uit:
Hoe laf de ene keer!
Hoe smakelijk de andere!

De dwijze weigert niet

De dwijze slokt alles op,
zowel links als rechts.

De tienduizend wezens
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Verdienste en berekening
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Liefde en haat
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Begeerte en apathie
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Wijsheid en dwaasheid
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Weten en niet-weten
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Weigering en aanvaarding
verschijnen aan hem
en verdwijnen in hem
en hij weigert niet.

Hij zou niet weten hoe.

Het net van niet-weten

Het net van niet-weten wordt vergeefs uitgeworpen. De mazen zijn ontzaglijk en elkeen ontsnapt.

Hoe je dwaasheid en wijsheid vermijdt

De dwijze wijst geen kennis af.
Zo vermijdt hij dwaasheid.
De dwijze stapelt geen kennis op.
Zo vermijdt hij wijsheid.

Onafgebroken offer ik

af

onaf

gebroken

ongebroken

onafgebroken

onafgebroken offer

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer ik
mijn bezittingen op

onafgebroken offer ik
mijn gezondheid op

onafgebroken offer ik
mijn veiligheid op

onafgebroken offer ik
mijn wereld op

onafgebroken offer ik
mijn familie op

onafgebroken offer ik
mijn kennis op

onafgebroken offer ik
mijn liefde op

onafgebroken offer ik
mezelf op

onafgebroken offer ik
mijn tja op

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer

onafgebroken

ongebroken

gebroken

onaf

af

De kracht van het tja, weinigen zijn eraan toe

Wat ontmaskert zonder moeite

de oorzaken zonder aanleiding
de woorden zonder betekenis
de autoriteiten zonder gezag
de stellingen zonder bewijs
de zinnen zonder verband
de logica zonder rede
de redenen zonder motief
de doelen zonder oogmerk
de waarden zonder belang
de dingen zonder substantie
de gedachten zonder grond?

De kracht van het tja:
Weinigen onder de hemel zijn eraan toe.

Houdt u liever van de domme

Waarom trachten te doorgronden?
Houdt u liever van de domme.
Houdt u liever van de domme tot u niet meer hoeft.
Houdt u liever van de domme tot u niet meer hoeft te doen.
Houdt u liever van de domme tot u niet meer hoeft te doen alsof.

Wie weet zonder weten is weg van de weg

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie strijdt
zonder strijden
weerstaat
noch berust

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie gaat
zonder gaan
is wég
van de weg

wie weet
zonder weten
is weg
van de wég

Het doden van het tja

De tienduizend dingen dragen het lichtbeginsel buiten, het duister beginsel binnen.
Ze tonen zich, maar laten zich niet kennen.
Het tja keert ze binnenstebuiten.
Binnenstebuiten tonen ze hun duister beginsel.
Dit heet: het doden van de tienduizend dingen.
De tienduizend dingen keren het tja binnenstebuiten en openbaren zijn lichtbeginsel.
Dit heet: het doden van het tja.

Ach ja, ik zeg maar wat

Ik houd mij aan de kern noch aan de schors.
Ik houd mij aan de bloem én aan de vrucht.
Ik doe eens dit, ik doe eens dat,
ach ja, ik doe maar wat.

Ik ken de geest niet van de stof.
Ik ken de jade niet van de kiezel.
Ik zeg eens dit, ik zeg eens dat,
ach ja, ik zeg maar wat.

Brullen om illusie en werkelijkheid

Horen zuigelingen van het tja, ze reageren niet.
Horen ongeschoolden van het tja, ze grinniken erom.
Horen laaggeschoolden van het tja, ze lachen erom.
Horen hooggeschoolden van het tja, ze gieren erom.
Horen dwijzen van het tja, ze brullen erom.
Ze brullen om illusie en werkelijkheid.
Ze brullen om weten en niet-weten.
Ze brullen om veelheid en eenheid.
Ze brullen om leugen en waarheid.
Ze brullen om ondeugd en deugd.
Ze brullen om duisternis en licht.
Ze brullen om vorm en essentie.
Ze brullen om zijn en niet zijn.
Ze brullen om aarde en hemel.
Ze brullen om tja en om tjee.
Ze brullen om ja en om nee.
Ze brullen om tao en tê.
Wie brult er eens
met ons mee?

Heeft men niets dan heeft men het rijk

Als het rijk tja heeft ziet het zonden als een kans op vergeving, vergeving als een oorzaak van zonde.

Als het rijk tja heeft ziet het rampspoed als tijding van voorspoed, voorspoed als tijding van rampspoed.

Als het rijk tja heeft bemesten renpaarden de akker en bevuilen ze het erf.

Als het rijk tja heeft kan niemand de grenzen vinden waar de hengsten strijden.

Daarom: heeft men tja dan heeft men niets.

Heeft men niets dan heeft men het rijk.

De weetniet denkt, maar niet na

de weetniet loopt maar
arriveert niet

hij spreekt maar
zegt niet

hij doet maar
volbrengt niet

hij denkt maar
niet na

Nooit heb ik gehoord van wie het leven beheerst

Nooit heb ik gehoord van wie het leven beheerst.
Het land doortrekkend mijdt u neushoorn en tijger, maar neushoorn en tijger mijden u niet.
Ingaand in legers mijdt u pantser en wapen, maar pantser en wapen mijden u niet.
De neushoorn vindt altijd een plaats om zijn hoorn in te stoten.
De tijger vindt altijd een plaats om zijn klauw in te slaan.
Het wapen vindt altijd een plaats om het scherp in te steken.
Is het niet een wapen dan is het wel uw familie.
Is het niet uw familie dan is het wel een buurman.
Is het niet een buurman dan bent u het wel zelf.
Bent u het niet zelf dan is het wel een ziekte.
Is het niet een ziekte dan is het wel een gedachte zoals:
Nooit heb ik gehoord van wie het leven beheerst.

Zeg vooral niet hoe het moet

reken niet als eigen, niet als oneigen
wees niet als meester, niet als leerling
zoek niet de uitersten, niet het midden
houd niet vast, laat niet los
spreek niet, zwijg niet

en zeg vooral niet
hoe het moet

en zeg vooral niet
hoe het niet moet

Wezensvreemd is mijn wezen

Nooit heb ik de tienduizend wezens gezien.
Nooit heb ik ook maar één wezen gezien.
Nooit heb ik meer dan een stukje van zijn buitenkant gezien.
Kan dat het wezen van een wezen wezen?

Nooit heb ik mijn achterkant gezien.
Nooit heb ik mijn binnenkant gezien.
Nooit heb ik meer dan een stukje van mijn buitenkant gezien.
Zou dat het wezen van mijn wezen zijn?

Het wezen van het Grote Tja

Indien ik een weinig kennis had en daarmee door het Grote Tja wandelde, zo zou ik de openbaring ervan vrezen. Maar nu ik alle kennis ontbeer herken ik dát als het wezen van het Grote Tja.

Ik herken het
in velden met gras
en met onkruid.

Ik herken het
in volle graanschuren
en in lege.

Ik herken het
in renpaarden
en in karkassen.

Ik herken het
in klederen rijk van kleur
en verschoten.

Ik herken het
in wandelstokken
en in knuppels.

Ik herken het
in teleurstelling
en in hoop.

Ik herken het
in gierigheid
en in gulheid.

Ik herken het
in soberheid
en in zwelgen.

Ik herken het
in bescheidenheid
en in praalzucht.

Ik herken het
in zorgzaamheid
en in roof.

Ik herken het
in geboorte
en in dood.

Ik herken het
in de duivel
en in god.

Ik herken het
in vrede
en in oorlog.

Ik herken het
in goederen
en in afval.

Ik herken het
in opbouw
en verval.

Ik herken het
en ik vrees het
niet.

Wie overvloed aan tja heeft

wie overvloed aan tja heeft
lijkt op een pasgeboren kindje

het kindje wordt gestoken
en het snapt niet waardoor

wilde beesten bespringen het
en het weet niet waarvandaan

roofvogels pikken het
en het weet niet waarmee

zijn beenderen geven steun
maar het vermoedt ze niet

het grijpt al stevig
maar het weet niet waarnaar

zijn ogen zijn scherp
maar het kan ze niet zien

het is altijd moe
maar het weet niet waarvan

zijn plasser wordt stijf
maar het weet niet waarvoor

het brabbelt maar door
en het weet niet waarvoor

het schreeuwt en het schreeuwt
en het weet niet naar wie en
het weet niet waarmee en
het weet niet waarom
maar dan komt de borst
en de melk vloeit
vanzelf

Kennen kunnen wij het lichaam niet

Ons treft het grote leven via het lichaam,
ons treffen grote gedachten via het lichaam,
ons treffen grote geneugten via het lichaam,
ons treffen grote rampen via het lichaam,
ons treft de grote dood via het lichaam,
ons treft het hele lichaam via het lichaam,
maar kennen kunnen wij het lichaam niet.

Daarom:

Wie zijn geest kent als zijn lichaam
kan men het grote tja toevertrouwen.

Gelukkig mijn ongeluk

volkomen is mijn onvolkomenheid
harmonieus mijn disharmonie
verheffend mijn ondergang
vredig mijn onrust en
weteloos mijn weten

Tja lust alles rauw

tja lust begeerte
tja lust onthouding

tja lust de aarde
tja lust de hemel

tja lust ondeugd
tja lust deugd

tja lust onrust
tja lust rust

tja lust oorlog
tja lust vrede

tja lust lijden
tja lust vreugde

tja lust meedogenloosheid
tja lust mededogen

tja lust de leugen
tja lust de waarheid

tja lust het relatieve
tja lust het absolute

tja lust het antwoord
tja lust de vraag

tja lust de illusie
tja lust de realiteit

tja lust het weten
tja lust niet-weten

tja lust het zoeken
tja lust het vinden

tja lust het hoofd
tja lust het hart

tja lust mij
tja lust jou

tja lust alles
rauw

Ingewikkeld is het niet

Meester Tja zegt:

De wijze ontwart zijn verwikkeling.
De dwijze ontwikkelt zijn verwarring.

De ganse wereld ziet hem (over het hoofd)

Hem treft geen voorspoed zelfs als hem voorspoed treft.
Hem treft geen rampspoed zelfs als hem rampspoed treft.

Hem treft geen liefde zelfs als hem liefde treft.
Hem treft geen haat zelfs als hem haat treft.

Hem treft geen blaam zelfs als hem blaam treft.
Hem treft geen eer zelfs als hem eer treft.

De ganse wereld ziet hij
door de vingers.

De ganse wereld ziet hem
over het hoofd.

Als een berg zonder hoogte

als een groot vierkant zonder hoeken
als een groot geluid zonder volume
als een grote cirkel zonder straal
als een groot beeld zonder vorm
is het grote weten zonder weten

Waarmee overwint men de wijsheid?

Met redelijkheid regeert men de staat
maar waarmee regeert men de redelijkheid?

Met wijsheid overwint men dwaasheid
maar waarmee overwint men wijsheid?

Met wetten beheerst men de misdaad
maar waarmee beheerst men de wet?

Met wapens bestrijdt men de vijand
maar waarmee bestrijdt men de wapens?

Met niet doen wint men het rijk
maar waarmee wint men het niet doen?

Met woorden voert men het debat
maar waarmee voert men de woorden?

Met listen voert men oorlog
maar waarmee voert men de listen?

Gebrek is waarin welvaart ontluikt

Meester Tja zegt:

Bestuur is waardoor wanorde zich handhaaft. Wanorde is waarmee bestuur zich billijkt.

Welvaart is waarin het gebrek zich toont. Gebrek is waarin welvaart ontluikt.

Kent niemand zijn grenzen dan is er geen rijk

Meester Tja zegt:

Kent niemand zijn grenzen dan is er geen rijk om te regeren. Die het tja van geen-rijk heeft, kan lang aanblijven.

Verduisteren ter verlichting

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt recht door krom te spreken en mee in tegenspraken.
Hij vermenigvuldigt ter deling en verdeelt ter meerdering.
Hij is zacht in zijn hardheid en eenduidig in zijn ambiguïteit.
Hij vertroebelt ter opheldering en vangt ter bevrijding.

De wijze verzwaart en verduistert, maar steevast ter verlichting.

Een doolhof voor zoekers naar inzicht

Meester Tja zegt:

Er is geen weg voor een lang leven en durend inzicht, er is alleen een doolhof voor een onbestemd leven en wisselend uitzicht.

Toen men hem vroeg naar de plaats van het doolhof voor een onbestemd leven en wisselend uitzicht, zei Meester Tja:

Er is geen doolhof voor een onbestemd leven en wisselend uitzicht, behalve voor zoekers naar een lang leven en durend inzicht.

Zoals men ter wereld komt

Meester Tja zegt:

Men bestuurt een staat zoals men een provincie bestuurt.
Men bestuurt een provincie zoals men een stad bestuurt.
Men bestuurt een stad zoals men een dorp bestuurt.
Men bestuurt een dorp zoals men een wijk bestuurt.
Men bestuurt een wijk zoals men een straat bestuurt.
Men bestuurt een straat zoals men zijn gezin bestuurt.
Men bestuurt zijn gezin zoals men zijn leven bestuurt.
Men bestuurt zijn leven zoals men zijn lichaam bestuurt.
Men bestuurt zijn lichaam zoals men zijn geest bestuurt.
Men bestuurt zijn geest zoals men zijn hart bestuurt.
Men bestuurt zijn hart zoals men kleine visjes braadt.
Men braadt kleine visjes zoals men ter wereld komt.

Wie weet hoe men ter wereld komt?

Zoals men ter wereld komt zo braadt men kleine visjes.
Zoals men kleine visjes braadt zo bestuurt men zijn hart.
Zoals mijn zijn hart bestuurt zo bestuurt men zijn geest.
Zoals men zijn geest bestuurt zo bestuurt men zijn lichaam.
Zoals men zijn lichaam bestuurt zo bestuurt men zijn leven
Zoals men zijn leven bestuurt zo bestuurt men zijn gezin.
Zoals men zijn gezin bestuurt zo bestuurt men een straat.
Zoals men zijn straat bestuurt zo bestuurt men een wijk.
Zoals men zijn wijk bestuurt zo bestuurt men een dorp.
Zoals men zijn dorp bestuurt zo bestuurt men een stad.
Zoals men een stad bestuurt zo bestuurt men een provincie.
Zoals men een provincie bestuurt zo bestuurt men een staat.

De toeverlaat die nergens toe verleidt

Meester Tja zegt:

Wat is de schat die geen schat is?
Wat is de steun die geen steun is?
Wat is het weten dat nergens van weet?
Wat is de toevlucht die geen toevlucht is?
Wie is de toeverlaat die nergens toe verleidt?

Wie is het die wortelt zonder grond?

Meester Tja zegt:

Wie is het die sterft zonder gedenken?
Wie is het die gedenkt zonder doden?
Wie is het die doodt zonder schieten?
Wie is het die schiet zonder wortel?
Wie is het die wortelt zonder grond?

Spreken over het tja

Meester Tja zegt:

Spreekt het tja over zichzelf dan spreekt het in alle toonaarden.

Noemt het zich diep dan noemt het zich oppervlakkig.
Noemt het zich waarheid dan noemt het zich leugen.
Noemt het zich vrij dan noemt het zich gedwongen.
Noemt het zich eeuwig dan noemt het zich tijdelijk.
Noemt het zich geest dan noemt het zich lichaam.
Noemt het zich vrede dan noemt het zich oorlog.
Noemt het zich hemel dan noemt het zich aarde.
Noemt het zich licht dan noemt het zich duister.
Noemt het zich goed dan noemt het zich kwaad.
Noemt het zich poort dan noemt het zich muur.
Noemt het zich leegte dan noemt het zich vorm.
Noemt het zich wijs dan noemt het zich dwaas.
Noemt het zich leven dan noemt het zich dood.
Noemt het zich één dan noemt het zich twee.
Noemt het zich piek dan noemt het zich dal.

Zwijgt het tja over zichzelf dan zwijgt het in alle toonaarden.

Licht is wie het duister kent

Meester Tja zegt:

Stand houdt wie zijn plaats niet kent.
Sterk is wie zijn kracht niet kent.
Groot is wie zijn kleinheid kent.
Hoog is wie zijn laagheid kent.
Wijs is wie de mens niet kent.
Thuis is wie de weg niet kent.
Zacht is wie zijn woede kent.
Vrij is wie zichzelf niet kent.
Licht is wie het duister kent.

Nooit vindt men reden voor zijn reden

Meester Tja zegt:

Laat er een kleine staat met weinig volk zijn of een grote staat met veel volk. Laat er hoofden zijn over tien- en honderdtallen of over duizend- en tienduizendtallen:

Volk dat de dood vreest zal daarom of ergens anders om of zonder duidelijke reden tijdelijk of voorgoed thuis blijven, in de buurt blijven of wegtrekken.

Als er schepen en wagens zijn zal men reden vinden erin te gaan en reden eruit te blijven.

Zijn er geen schepen of wagens dan zal men reden vinden ze te vervaardigen en reden dat te verbieden.

Als er kurassen zijn zal men reden vinden ze aan te doen en reden ze uit te laten.

Als er wapenen zijn zal men reden vinden ze te hanteren en reden ze te laten liggen.

Zijn er geen kurassen of wapenen dan zal men reden vinden ze te maken en reden dat te verbieden.

Keert het volk terug tot het gebruik der geknoopte koorden dan zal men reden vinden voor het schrift en reden om het schrift voorgoed te verbieden.

Houdt het volk het bij het schrift dan zal het reden vinden terug te keren tot geknoopte koorden en reden die voorgoed af te danken.

Vind het volk smaak in zijn voedsel, is het trots op zijn klederen, vindt het vrede in zijn woning en verblijdt het zich in zijn zeden dan zal het reden vinden iets anders te proberen.

Doet het dan iets anders dan zal het reden vinden terug te keren tot het oude.

Al ligt een naburige staat ver weg, zodat de hanen en honden van weerskanten elkanders geluid niet kunnen horen, het volk zal reden vinden er gemeenschap mee te hebben.

Heeft het volk gemeenschap met een naburige staat dan zal het reden vinden de banden te verbreken.

Want het volk vindt overal reden voor; maar nooit vindt het reden voor zijn reden, of daar weer reden voor.

Daarom houdt de wijze overal rekening mee en rekent nergens op.

Tip: Het regressieprobleem

Tja is een eindeloze vlakte

Meester Tja zegt:

Dragen, neerzetten, laten vallen –

Gevuld houden, opdrinken, leeggieten –

Wetten om te scherpen, wetten tot men zich snijdt, wetten tot het lemmet weg is, wetten tot men het kan laten, meteen het wetten laten –

Een zaal vullen met juwelen en goud, die zaal inrichten als gevangenis, die zaal aan de vijand schenken, die zaal inrichten als restaurant, die zaal aan het volk schenken, die zaal onder water zetten, die zaal in brand steken, die zaal dichtmetselen –

Aardig zijn bij rijkdom of eer, waardig zijn bij rijkdom of eer, onaardig zijn bij rijkdom of eer, hovaardig zijn bij rijkdom of eer, boosaardig zijn bij rijkdom of eer, boetvaardig zijn bij rijkdom of eer, strijdvaardig zijn bij rijkdom of eer, nietswaardig zijn bij rijkdom of eer –

Tja is geen weg, tja is geen wegennet, tja is een eindeloze vlakte!

De schepper is de vraag

Iemand vroeg: Wat schept Tao en Tê?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept deugd en ondeugd?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept doen en niet-doen?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept wezen en verschijningsvorm?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept licht en duisternis?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept hemel en aarde?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept hoog en laag?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept heerser en onderdaan?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept relatief en absoluut?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept werkelijkheid en illusie?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept leven en dood?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept vrijheid en gebondenheid?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept oost en west?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept rust en onrust?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept eenheid en veelheid?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept meester en discipel?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept waarheid en leugen?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept wijsheid en dwaasheid?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Iemand vroeg: Wat schept weten en niet-weten?
Meester Tja zegt: Deze vraag.

Lees ook: Wat is non-dualiteit?

Ook hun niet-doen deden ze niet

Meester Tja zegt:

Van de grote heersers wisten de onderdanen nagenoeg niet dat ze bestonden.
De grote heersers zelf wisten nauwelijks dat ze bestonden. Noch wisten ze of hun onderdanen wel bestonden. Noch wisten ze wie heerste over wie.

Nooit meenden ze enige verdienste verworven, enig werk volvoerd te hebben. Nooit waren ze bedachtzaam of onbedachtzaam. Nooit waren hun woorden of daden kostbaar.

Wat ze ook deden, ze deden maar wat, en dat zeiden ze ook, en ook hun niet doen deden ze niet. Wat ze ook zeiden, ze zeiden maar wat, en dat zeiden ze ook, en ook hun zwijgen zei ze niets.

Meester Tja en de Melkweg

Verder, verder!

Meester Tja beschermt iedere weg
In hem loopt geen enkele weg
Dood

Iedere weg beschermt Meester Tja
In hem loopt geen enkele weg
Verder

Wie tja heeft

Meester Tja zegt:

Wie tja heeft is als een boom geplant aan stromend water.

Vanzelf loopt hij uit.
Vanzelf draagt hij bloesem.
Vanzelf draagt hij vrucht.
Vanzelf verdorren zijn bladeren.
Vanzelf breken zijn takken.
Vanzelf rotten zijn wortels.
Vanzelf valt hij om.

Niets wordt hem onthouden. Niets blijft hem bespaard. Zijn wijsheid is als blad dat verwaait in de wind

Zuiver als een onbekende taal

Meester Tja zegt:

Zuiver zijn de woorden van het grote tja
Als het snateren van eidereenden
Het borrelen van ingewanden
Het klateren van wateren en
Het balken van de brij

Gelukkig de mens die niet weet (wat geluk is)

Meester Tja zegt:

Gelukkig de mens
die niet weet
wat goed is.

Gelukkig de mens
die niet weet
wat waar is.

Gelukkig de mens
die niet weet
wat werkelijk is.

Gelukkig de mens
die niet weet
wat wijs is.

Gelukkig de mens
die niet weet
wat de mens is.

Gelukkig de mens
die niet weet
wat geluk is.

Gelukkig de mens
die niet weet
van niet-weten.

Gelukkig de mens
die niet weet.

Zeg maar tja

Meester Tja heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.

Niet-weten is vereenzelviging met het tja, dat wil zeggen, het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

Het einde van vereenzelviging is het einde van het ik, het einde van niet-ik, het einde van de illusie, het einde van de werkelijkheid, het einde van het ja, het einde van het nee, het einde van het tja en het einde van het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn. Maar waarvan?