Meester Tja en de Tao van Tja

dwaalgids > mystiek

‘Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?’ Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja geïnspireerd op de Tao Te Tjing.

Naakte verbaasde chinees met opgetrokken schouders en handpalmen omhoog
Meester Tja en de Tao van Tja

‘Meester Tja en de Tao van Tja’ wordt op dit moment als serie gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad. Deze week: 38-43.

Inhoudsopgave

Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

De Grote Tao als het Grote Tja

De Daodejing (Tao-tê-tjing, Laozi) is het oudste werk van de taoïstische canon en een van de meest vertaalde werken uit de Chinese literatuur. Hij bestaat uit 81 hoofdstukjes die met zo min mogelijk woorden de grondprincipes van het taoïsme uiteenzetten.

Velen hebben er hun tanden en hun hersenen op stukgebeten en lopen nu met een kunstgebit en een kunstkop rond. Mocht dat de bedoeling zijn van dit boekje, dan is de Daodejing wellicht de oudste en meest succesvolle koan uit de geschiedenis van de mensheid.

Hoewel er veel niet-weten zit in het taoïsme, en veel taoïsme in niet-weten, zijn er ook verschillen. Met name het kosmologisch idee van de Tao als een onkenbaar, absoluut, eeuwigdurend, onveranderlijk, vormloos, sturend principe, vindt in een radicaal niet-weten geen weerklank – maar ook geen weerwoord.

Een opvallende overeenkomst tussen het taoïsme en niet-weten is het idee, of liever de praktijk, van niet-doen, van doen zonder doen, zonder opzet, spontaan, ongeforceerd, als vanzelf: wuwei.

Het niet-doen van een agnost is echter niet geworteld in de Grote Tao maar in niet-weten, wuzhi – in het Grote Tja. Niet-doen is een natuurlijk uitvloeisel van niet-weten. Niet-weten is de rationale, of liever de irrationale, van niet-doen.

Vele wegen leiden naar niet-doen, niet-spreken, niet-geloven, niet-denken, niet-willen et cetera, maar bij niet-weten krijg je het allemaal gratis en voor niks. Of je wilt of niet. Niet-weten krijg je ook gratis en voor niks, maar waar?

Niet bij mij. Ik kan het je niet geven. Ik heb het zelf nooit gekregen. Ineens was het er, of had ik het, of had ik het niet meer, of was ik het, of was ik het niet meer, of was ik niet meer, of ben ik er nooit geweest, of heb ik het nooit gehad, of hoe zeg je dat, zó niet.

Maar ik kan het wel onder woorden brengen, enigszins. Ik kan het ook zonder woorden brengen, geenszins zogezegd. Non-verbale communicatie, verbale non-communicatie, paraverbale pericommunicatie – schiet mij maar lek. Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek, behalve een enkele gek?

Afbeelding van binnenkant oog, blinde vlek, met de tekst: Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?
Wie heeft er oog voor zijn blinde vlek?

Of zoals Meester Tja het zou zeggen: Wiens duisternis de vier richtingen doordringt, is daarom nog niet blind.

Wie is Meester Tja?

De Tao-tê-tjing en de Lao Zi

De eerste keer dat ik mij liet inspireren door de Tao Te Tjing was in 2010. Ik baseerde me toen op de vertaling van Ir. Blok uit 1910, Tao-tê-tjing, een van de oudste Nederlandse vertalingen, waar ik al veel plezier van heb gehad.

In 2018 kreeg ik opnieuw de geest. Ditmaal baseerde ik me op de vertaling van Kristofer Schipper uit 2010, Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, op het moment van schrijven de nieuwste Nederlandse vertaling rechtstreeks uit het Chinees. Nuchterder, minder hoogdravend en ietsje toegankelijker dan Ir. Blok, voor zover je bij de Daodejing tenminste van toegankelijkheid kunt spreken.

Ik las hem voor aan mijn lief of zij aan mij, we spraken erover, soms uren per hoofdstuk of zelfs per zin, meanderend als een rivier door het lage landschap, en dan probeerde ik mijn pen, zoals dat vroeger heette. ‘Betrachtte ik mijn toetsenbord’, zou Ir. Blok misschien gezegd hebben als hij het eeuwige leven had gehad, maar zo taoïstisch was hij kennelijk ook weer niet.

Toen de tweede serie klaar was, heb ik hem gecombineerd met de eerste en alle doublures verwijderd*, met als resultaat deze pagina over het Grote Tja.

Meester Tja en het Grote Tja

De woordvoerder van het Grote Tja (m/v/o) is Meester Tja (m/v/o). Beide zijn fictief, en ik hecht eraan daarover geen misverstand te laten bestaan. Op essentialisme zal niemand mij betrappen. Op deïficatie evenmin. Ook anti-essentialistisch, atheïstisch of nihilistisch ben ik niet.

Het meesterschap van Meester Tja is geen meesterschap in de klassieke zin van het woord – een superieur vakmanschap waarvan we wat kunnen opsteken of waaraan we een voorbeeld kunnen nemen of waaraan we ons kunnen vergapen en overgeven.

Meester Tja is een dwaalmeester, zijn specialiteit is onwetendheid en hij is hooguit een voorbeeld van iemand die zichzelf niet ten voorbeeld stelt, ook niet als iemand die zichzelf niet ten voorbeeld stelt. Al kan hij het natuurlijk niet helpen wanneer iemand ter meerdere eer en glorie van zijn onvermogen toch een voorbeeld aan hem neemt.

Toen ik hem een keer aansprak als meester, zei hij:

‘U mag mij best meester noemen, maar bedenk wel: mijn lering heeft geen woorden, mijn woorden hebben geen wil, mijn wil heeft geen baas, mijn baas heeft geen opdracht en niemand om te knechten, niets om voor te vluchten en niets om voor te vechten.’

Meester Tja heeft het zegel gekregen van Meester Mwah. Meester Mwah ontving het weer van Meester Baibai. De wijsheid zonder wijsheid van Meester Baibai gaat in vierenveertig gecertificeerde stappen terug op de legendarische Meester Blanco zelf, de Lege Mens die ons de Lege Leer heeft nagelaten die door Meester Tja het Grote Tja wordt genoemd. Het zou te ver voeren om al deze stappen hier uit te schrijven.

Meester Tja heeft het zegel doorgegeven aan de tweekoppige eenling Meester Hè? en Meester Eh. Laatstgenoemde heeft op zijn beurt transmissie verleend aan Meester Boei’en, Meester Foe-tsie en Meester Zuetsu. Schematisch:

Blanco > … > Baibai > Mwah > Tja > Hè/Eh > Boei’en, Foe-tsie, Zuetsu.

Meester Tja wordt in sommige delen van het land Meester Tsja genoemd. Dat vindt hij geen probleem. Hij wordt ook weleens meester Tia genoemd. Dat vindt hij minder leuk.

* TIA: Transient Ischemic Attack, voorbijgaande doorbloedingsstoornis van het centrale zenuwstelsel waarvan de symptomen binnen een etmaal verdwenen zijn

Bronnen en links

Onder de titel van iedere tekst van Meester Tja staat het nummer van het Daodejing-hoofdstuk dat ertoe inspireerde. Als je het je boeit kun je de teksten met elkaar vergelijken. Noodzakelijk is dat niet, maar het helpt om te begrijpen waarom Meester Tja af en toe zulke rare dingen zegt. Zijn monologen zijn immers ontstaan in dialoog met de Daodejing.

De vertaling van Ir. Blok kun je terugvinden op niet-weten.nl via de link Tao-tê-tjing. Op de vertaling van Schipper berust auteursrecht, die mag ik niet zomaar beschikbaar stellen. Zonde, maar het is niet anders. De eeuwige geest is geen andere dan de handelsgeest, amen.

Wel beschikbaar is mijn Daodejing in vraagvorm. Die heb ik gemaakt door de circa duizend beweringen in de vertaling van Schippers om te zetten in evenzoveel vragen. Het is een koud kunstje om uit de vragen de oorspronkelijke beweringen te reconstrueren, al blijft het schipperen. Je kunt natuurlijk ook proberen antwoord te geven, afijn, zie maar.

Dan geef ik nu het woord aan Meester Tja.

* De doublures heb ik na lang aandringen overgedragen aan de illustere en vooralsnog illusoire Meester Maya, voor wie niet alleen de werkelijkheid een illusie is, maar ook de illusie, om nog maar de zwijgen over de Werkelijkheid. De serie met Meester Maya gaat waarschijnlijk ‘De Mayamonologen’ heten.

Toespraken en dwaalspreuken van Meester Tja

1. De schat van niet-weten

Meester Tja zegt:

Een berekenend koopman verbergt zijn schatten en doet zich voor als een armoedzaaier, maar de wijze toont vrijmoedig zijn onwetendheid.

Meer heeft zijn wijsheid niet om het lijf.

Afbeelding van een naakte, geslachtsloze chinees die zijn schouders ophaalt tegen de achtergrond van een tangram in de vorm van het woord Tja
Meer heeft zijn wijsheid niet om het lijf

2. In den blinde kom je thuis

Geïnspireerd door hoofdstuk 1 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja kan eenvoudig in woorden worden uitgedrukt. Hoe je het ook zegt, hoeveel namen je er ook aan geeft, het stelt niets voor.

Het Grote Tja is niet iets. Het is niet het niets. Het is niet de naam van de oorsprong van de tienduizend dingen. Het is niet de naam van de bestemming van de tienduizend dingen.

Het Grote Tja is er voor iedereen. Het is er voor degene die gebonden is door verlangens en voor degene die vrij is van verlangens. Het is er voor degene met een blinde vlek in zijn oog en voor degene met oog voor zijn blinde vlek.

Het Grote Tja is duister. Zelfs de toegangspoort tot het Grote Tja is gehuld in diepe duisternis. Je ziet er geen hand voor ogen. Er valt niets te onderscheiden.

Waar niets te onderscheiden is, valt niets te verenigen. Daar is geen veelheid en geen eenheid. Er is geen Tao en geen Tja. Er is geen zoeken, geen vinden en geen kwijtraken.

In den blinde kom je thuis.

3. De wijze houdt het bij niet-weten en niet-doen

Geïnspireerd door hoofdstuk 2 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wat in het maanlicht mooi schijnt, lijkt lelijk in de zon. Is het nou mooi of lelijk?

Wat voor een kind makkelijk schijnt, lijkt moeilijk voor een volwassene. Is het nou makkelijk of moeilijk?

Wat hoog schijnt voor een dwerg, lijkt laag voor een reus. Is het nou hoog of laag?

Wat veraf schijnt voor een schildpad, lijkt dichtbij voor een haas. Is het nou veraf of dichtbij?

Wat in het ene opzicht goed schijnt, lijkt in een ander opzicht slecht. Is het nou goed of slecht?

Wat vrij lijkt voor het gevoel, schijnt onvrij voor het verstand. Ben je nou vrij of onvrij?

De wijze houdt het in zijn oordelen bij niet-weten, in zijn handelingen bij niet-doen. Zo leeft hij zijn leer zonder lering. Zo drukt hij wel uit maar niet dood.

4. Alleen zuchten geeft enige verlichting

Geïnspireerd door hoofdstuk 3 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Betrokkenheid geeft bemoeizucht, onverschilligheid geeft zelfzucht.

Idealisme geeft veranderzucht, eigenbelang geeft behoudzucht.

Hoop geeft bouwzucht, wanhoop geeft vernielzucht.

Macht geeft heerszucht, onmacht geeft wraakzucht.

Rijkdom geeft praalzucht, armoede geeft hebzucht.

Alleen zuchten geeft enige verlichting.

5. Tja is geen wijze, maar een wijze van spreken

Geïnspireerd door hoofdstuk 4 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja is leeg, bodemloos leeg. Wat je er ook in stopt, je vindt het nooit meer terug.

Het maakt bot wat scherp is, het woelt los wat vastzit. Het versterkt wat zwak is, het dimt wat verblindt.

Het vermindert de verschillen zonder eenheid te scheppen. Het verheldert het troebele zonder duidelijkheid te geven.

Tja is geen wijze, maar een wijze van spreken. Het komt nergens uit voort en mondt nergens in uit, behalve de mond.

6. De wijze is zonder natuur

Geïnspireerd door hoofdstuk 5 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De natuur is niet barmhartig. De natuur is niet onbarmhartig. De natuur is de natuur.

De wijze is niet barmhartig. De wijze is niet onbarmhartig. De wijze is niet wijs.

Wat zich in de natuur afspeelt, lijkt nergens op. Het is goed noch slecht, juist noch onjuist, slim noch dom, zinvol noch zinloos. Daarin komt het de wijze nabij.

Grote geleerdheid leert met harde stelligheid. Het Grote Tja ontstelt door hardleersheid. De wijze is zonder natuur. Hij lijkt nergens op.

Groen fantasiefiguur opgebouwd uit kleine figuurtjes en sierlijke lijnen
De wijze is zonder natuur. Hij lijkt nergens op.

7. Als een priester zonder mond

Geïnspireerd door hoofdstuk 6 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als een kip zonder kop
Als een berg zonder top
Als een dal zonder bodem
Als een vrouw zonder poort
Als een wezen zonder wezen
Als een opschrift zonder woord
Als een priester zonder mond
Als een reus zonder grootte
Als een hemel zonder rijk
Als een erf zonder grond
Als een dode zonder lijk
Zo is het Grote Tja

Klein onmogelijke vraagteken
Als een vraagteken zonder vraag

8. Waarom de wijze er geen strategie op nahoudt

Geïnspireerd door hoofdstuk 7 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De hemel bestaat al heel lang, de aarde is al op leeftijd, de mensheid komt pas net kijken en het individu is hoe dan ook geen lang leven beschoren.

Wat mensen ook claimen, er lijkt geen formule te zijn die een goede gezondheid en een hoge leeftijd garandeert.

Iemand die op de achtergrond blijft wordt niet per se ouder dan iemand die op de voorgrond treedt.

Iemand die alleen voor anderen leeft wordt niet per se ouder dan iemand die alleen voor zichzelf leeft.

Iemand die zijn lichaam cultiveert wordt niet per se ouder dan iemand die zijn lichaam negeert of misbruikt.

Iemand die zijn eigenbelang nastreeft door niet zijn eigenbelang na te streven wordt niet per se ouder dan iemand die dat wel doet.

Vandaar dat de wijze er geen bepaalde strategie op nahoudt voor een goede gezondheid en een hoge leeftijd.

Ook dat is geen formule voor een goede gezondheid en een hoge leeftijd.

9. In het antwoorden gaat er niets boven vragen

Geïnspireerd door hoofdstuk 8 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Water stroomt, ijs kraakt, stoom doodt. Vast, vloeibaar, gasvormig – nooit bepaalt water zijn eigen toestand. Onbedoeld oefent het invloed uit, ten goede of ten kwade, maar meestal allebei. Daarin komt het de wijze nabij.

Gierzwaluwen wonen in de lucht, struisvogels op het zand, vissen onder water. Ze kunnen niet anders en ze willen niet anders. Mensen gedijen op de grond, maar hunkeren naar de hemel. Dat is hun lot. Ze kunnen wel anders maar ze willen niet anders. Vol zijn van de grond waarop je gedijt is voor weinigen weggelegd.

Voor het denken is veelzijdigheid het best, voor diepzinnigheid oppervlakkigheid. In het antwoorden gaat er niets boven vragen. In het vragen gaat er niets boven lachen. Lachen tot het je vergaat, en er niets meer boven staat.

10. Blaam is geen blamage

Geïnspireerd door hoofdstuk 8 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Blaam is geen blamage. Je kunt het niet bestrijden door faam te vermijden.

Zolang je het onderscheid tussen blaam en faam doorziet, ben je verlost van beide. Kun je dat niet, dan is dat geen blamage.

11. Wanneer maak je er een eind aan?

Geïnspireerd door hoofdstuk 9 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Om te snijden kan een koksmes niet scherp genoeg zijn, om je vingers te sparen niet bot genoeg. Hoe lang moet je slijpen?

Om een hersentumor te verwijderen snij je zoveel mogelijk weefsel weg, om de hersenen te ontzien zo min mogelijk. Hoeveel snij je weg?

Om later te genieten moet je voor het zingen de kerk uit, om nu te genieten erna. Hoe lang blijf je binnen?

Voor een bloeiende beschaving zijn veel mensen nodig, voor een bloeiende natuur weinig. Hoeveel is genoeg?

Om ziektekiemen te bestrijden moet je lang antibiotica slikken, om je darmflora te behouden kort. Hoe lang ga je door?

Om euthanasie te plegen moet je wilsbekwaam zijn, wie nog wilsbekwaam is stelt het vaak uit. Wanneer maak je er een eind aan?

Om niet-weten te vinden moet je vragen stellen, maar van vragen komen antwoorden. Hoe ver vraag je door?

Om je van je gedachten te bevrijden moet je nadenken, maar wie nadenkt wordt bevangen door gedachten. Hoe diep moet je gaan?

12. Van je onwetendheid geen verlichting maken, kun je dat?

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Je op je adem concentreren en hem zacht maken, kun je dat? Je op je adem concentreren zonder hem te veranderen, kun je dat? Gewoon doorademen zonder op te letten, kun je dat?

Iets goed doen, kun je dat? Iets doen zonder goed, kun je dat? Iets doen zonder doen, kun je dat?

Zitten en je hoofd leegmaken, kun je dat? Zitten zonder je hoofd leeg te maken, kun je dat? Zitten tot je opstaat, kun je dat?

Je onzichtbare spiegel rein houden, kun je dat? Je onzichtbare spiegel onrein laten worden, kun je dat? Je onzichtbare spiegel breken, kun je dat?

Van je wijsheid geen verlichting maken, kun je dat? Van je niet-weten geen wijsheid maken, kun je dat? Van je onwetendheid geen niet-weten maken, kun je dat?

13. De wijze blijft rustig onder zijn onrust

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze blijft rustig onder zijn onrust. Bij wijze van wijsheid aanvaardt hij zijn dwaasheid. Hij surft op elk getij en weet van kip noch ei.

Terwijl de poorten van de hemel zich openen, doet de wijze wat hij doet zonder schaamte. Rondrennen als een kip zonder kop, piekeren als een kop zonder kip, doodzitten als een broedende hen – net wat er komt. Schaamt hij zich toch, dan schaamt hij zich daar niet voor. Schaamt hij zich er toch voor, dan schaamt hij zich niet.

14. Waarom je de weg niet kunt kwijtraken

Geïnspireerd door hoofdstuk 10 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is geen weg, het is geen wegennet – het is een eindeloze vlakte. Vooruit, achteruit, linksom, rechtsom, de weg is overal.

Vandaar dat je de weg nooit zult vinden, wat je ook doet of nalaat.

Vandaar ook dat je de weg nooit zult kwijtraken, in geen tienduizend jaar.

15. Een vrije geest is een lege geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 11 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie zijn beweeglijkheid wil verliezen moet zijn huis volproppen. Wie verstopt wil raken moet zijn buik volproppen. Wie gek wil worden moet zijn hoofd volproppen.

Een vrije geest is een lege geest. Een lege geest heeft een lege leer. Hij heeft er geen omkijken naar. Daarom kan hij overal vrij rondkijken.

16. Grote Gedachten, Grote Dwaasheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 12 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Zie je het dan niet?

Grote Prikkels verblinden de geest.
Grote Passies verblinden de geest.
Grote Ambities verblinden de geest.

Grote Woorden verblinden de geest.
Grote Idealen verblinden de geest.
Grote Goden verblinden de geest.

Groot Geloof verblindt de geest.
Grote Wijsheid verblindt de geest.
Grote Waarheid verblindt de geest.

Groot Gezag verblindt de geest.
Grote Wetenschap verblindt de geest.
Grote Verlichting verblindt de geest.

Daarom zegt Meester Tja: Grote Gedachten, Grote Dwaasheid; kleine gedachten, kleine wijsheid.*

Of is dat weer een Grote Gedachte?

* In zen heet het: kleine twijfel, kleine verlichting, grote twijfel, grote verlichting.

17. Het wel en wee van ja en nee

Geïnspireerd door hoofdstuk 13 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

In de gunst staan is plezierig, omdat het voordelen biedt, aanzien geeft en het ego streelt. In de gunst staan is vervelend, omdat het verplichtingen met zich meebrengt, vleierij uitlokt en ieder moment afgelopen kan zijn. Wie kunnen we het best belasten met het bestuur, iemand die in de gunst wil staan of iemand die onafhankelijk is? Wat is beter voor je, wel of niet in de gunst staan?

Een hoge positie is plezierig omdat je dan invloed hebt, vrienden krijgt en beloond wordt. Een hoge positie is vervelend omdat je dan verantwoordelijkheid draagt, vijanden krijgt en je gezondheid schaadt. Wie kunnen we het best belasten met het bestuur, iemand die een hoge positie ambieert of iemand zonder ambities? Wat is beter voor je, wel of geen hoge positie?

Wie zijn gezondheid verspeelt kan het rijk niet besturen, wie het rijk verspeelt kan nog wel voor zijn lichaam zorgen. Wat is belangrijker, en voor wie?

18. Kennen kunnen wij ons lichaam niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 13 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Grote geneugten voltrekken zich aan ons lichaam,
grote rampen voltrekken zich aan ons lichaam,
grote gevoelens voltrekken zich aan ons lichaam,
grote gedachten voltrekken zich aan ons lichaam,
ziekte en dood voltrekken zich aan ons lichaam,
maar kennen kunnen wij ons lichaam niet.

Daarom:

Wie de wereld kent als zijn lichaam, die kan men het Tja wel toevertrouwen.

19. Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

We kijken wel, maar we snappen het niet.
We luisteren wel, maar we snappen het niet.
We proeven wel, maar we snappen het niet.
We ruiken wel, maar we snappen het niet.
We voelen wel, maar we snappen het niet.
We denken wel, maar we snappen het niet.

Dit zijn de zes facetten van het Tja.

Hoeveel ogen heeft een rollende dobbelsteen?

20. De leidraad van Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja komt nooit op en gaat nooit onder. Ze geeft licht noch duisternis, raad noch onraad. Ze schept eenheid noch veelheid, orde noch chaos, zin noch onzin.

Nooit geeft ze nee ofte ja. Dat is de leidraad van Tja.

21. Houdt u liever van de domme

Geïnspireerd door hoofdstuk 14 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Waarom trachten te doorgronden?
Houdt u liever van de domme.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft te doen.

Houdt u liever van de domme
tot u niet meer hoeft te doen alsof.

22. Het Grote Mysterie en het Grote Alsof

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nooit is iemand doorgedrongen in de duisternis van de subtielste mysteriën. Noch in het grijze verleden, noch in het kleurrijke heden. Nooit zal iemand erin doordringen. Waarom niet?

Omdat alles en iedereen reeds doordrongen is van de duisternis van de subtielste mysteriën. Wijzelf zijn een en al duisternis en mysterie. Te duister, te mysterieus zelfs om duisternis of mysterie te noemen, subtiel of grof, god of kosmos, ik of gij, zelf of wij, dit of dat.

De duisternis is in je en om je heen – je bent het zelf, maar je ziet het niet. Je bent er al van doordrongen, maar doordringen wil het niet. Je kunt het niet zien, want je wilt het niet zien. Je wilt het niet zien, want het onbekende jaagt je angst aan. Het onbekende jaagt je angst aan, ook al ben je het zelf.

Onophoudelijk vertellen we elkaar verhalen om aan de duisternis te ontsnappen. Onophoudelijk luisteren we naar elkaars duistere verhalen over een of ander Licht. Met zijn allen spelen we dat alles helder en klaar is.

Maar we spelen het niet klaar, we doen alleen alsof. Ook dat spelen we niet klaar, we doen alleen alsof we niet doen alsof. Waarom, vraag ik u? Ook dat maakt deel uit van het mysterie.

Dit was het Verhaal van de Duisternis van de Subtielste Mysteriën. Meester Tja deed even alsof.

23. Gelukkig is mijn ongeluk

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Onvolkomen is mijn volkomenheid,
harmonieus mijn disharmonie en
eindeloos mijn ondergang.

Gelaten is mijn doen,
rustig mijn onrust,
vredig mijn onvrede en
weteloos mijn weten.

24. De dwijze is dwaas noch wijs

Geïnspireerd door hoofdstuk 15 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De dwijze is dwaas noch wijs. Hij weet en weet niet. Hij is zo licht en tastbaar als zijn nee en zijn ja, zo duister en ongrijpbaar als zijn eeuwige Tja. Zijn diepte is ondiepte, zijn oppervlakkigheid bodemloos.

Daar niemand gekend kan worden, zelfs niet als onkenbaar, zal ik een denkbeeld geven.

De dwijze is behoedzaam als wie zijn vrienden vreest en zijn vijanden vertrouwt. Ingetogen als een gast en opgetogen als een kind. Wijkend en kruiend als smeltend ijs. Massief als een berg en leeg als een vallei. Troebel als modder en helder als smeltwater.

Wie is het die zijn helderheid behoudt zonder de troebelen te klaren? Wie is het die rust neemt in beweging en beweging in rust?

De dwijze: vol en leeg, rijk en berooid, in en uit de tijd, is hij volkomen onvolkomen.

25. Waarom de wijze zich nooit laat kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 16 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze houdt niets achter.
Toch laat hij zich nooit kennen.

Hij neemt niet aan, je weet maar nooit.
Hij wijst niet af, je weet maar nooit.

Hij keurt niet goed, je weet maar nooit.
Hij keurt niet af, je weet maar nooit.

Hij werkt niet tegen, je weet maar nooit.
Hij werkt niet mee, je weet maar nooit.

Hij blijft niet thuis, je weet maar nooit.
Hij gaat niet weg, je weet maar nooit.

Hij raadt niet aan, je weet maar nooit.
Hij raadt niet af, je weet maar nooit.

Hij juicht niet mee, je weet maar nooit.
Hij klaagt niet mee, je weet maar nooit.

Soms weet hij wél, je weet maar nooit.
Maar meestal niet, hij weet het nooit.

Daarom laat de wijze zich nooit kennen,
ook niet door hemzelf.

Toch houdt hij niets achter.

26. Geen ruimte zo groot, geen stilte zo diep

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Geen ruimte zo groot als de ruimte van de lege geest. De tienduizend gedachten, ik zie ze verschijnen, ik zie ze verdwijnen. Ook die over hun verschijnen en verdwijnen. Ook die over de ruimte van de lege geest.

Hebben de tienduizend gedachten een oorsprong? Hebben ze een bestemming? Is de oorsprong de bestemming? Is de oorsprong onveranderlijk?

Geen stilte zo diep als de stilte van het lege woord.

27. Tja maakt ongewild mild

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja maakt ongewild mild. Wie ongewild mild is, sluit niets uit, wat hij ook uitsluit. Hij bevestigt niet wat hij nú niet kan bevestigen, hij ontkent niet wat hij nú niet kan ontkennen. Daarom bevestigt hij niet en ontkent hij niet. Dat is alles – het is niets.

Wie Tja heeft, vertegenwoordigt alles of niets. Hij vertegenwoordigt hemel én aarde. Hij vertegenwoordigt jou noch mij. Hij vertegenwoordigt nee én ja.

Wie Tja heeft, is geen vertegenwoordiger, maar geenszins tegen woorden. Groot schijnt hem zijn tegenwoordigheid van geest, maar alleen vergeleken met vroeger.

Soeverein noch onaanraakbaar lijkt hij, alwetend noch onwetend, hemels noch aards, levend noch dood. Een raadsel dat geen oplossing behoeft.

28. Grote heersers heersen niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 17 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Van grote heersers weten de onderdanen nauwelijks dat ze bestaan.
Grote heersers weten zelf nauwelijks dat ze bestaan, noch weten ze of hun onderdanen wel bestaan, noch weten ze wie heerst over wie.

Nooit menen ze enige verdienste verworven, enig werk volvoerd te hebben. Nooit zijn ze bedachtzaam of onnadenkend. Nooit zijn hun woorden of daden kostbaar.

Wat ze ook doen, ze doen maar wat, en ook hun niet-doen doen ze niet. Wat ze ook zeggen, ze zeggen maar wat en dat zeggen ze ook. Al blijft het teveel gezegd.

29. Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

Geïnspireerd door hoofdstuk 18 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wanneer het Grote Tja uit beeld raakt, krijgen we…

Juist en onjuist
Goed en kwaad
Gehecht en onthecht
Vaardig en onvaardig

Welles en nietes
Samsara en nirwana
Werkelijkheid en illusie
Kennis en onwetendheid

Dan komen er…

Goden en mensen
Monniken en leken
Heiligen en zondaars
Boeddha’s en bodhisattva’s

Dualisten en non-dualisten
Inquisiteurs en ketters
Wijzen en dwazen
Meesters en leerlingen

Als het Tja van huis is dansen de denkers op tafel

30. Geen enkele richtlijn maakt vrij

dus luister vooral niet naar mij

Geïnspireerd door hoofdstuk 19 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Vergeet het weten en vergeet het vergeten. Stop met het vereren van kennis en onwetendheid. Hou op met onderscheiden en verenigen. Laat al je denkbeelden gaan, ook deze, en luister vooral niet naar mij.

Leer je eigen sluwheid kennen, je hebzucht. Zolang wij er zijn zullen er rovers en dieven zijn.

Leer je eigen praatzucht en praalzucht kennen. Zolang wij er zijn zullen er uitslovers zijn.

Leer je eigen pretenties kennen, je dromen. Zolang wij er zijn zullen er radicalen zijn.

Leer je eigen liefde kennen, je mededogen. Zolang wij er zijn zullen er verlossers zijn.

Niet willen begeren is begeerte. Echt willen zijn is nep. Streven naar eenvoud is ingewikkeld. Niets is van nature onnatuurlijk. Geen enkele richtlijn maakt vrij – dus luister vooral niet naar mij.

31. Verzaak de wijsheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 19 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Verzaak de wijsheid.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee van liefde hebben.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee van liefde hebben, en toch niet zonder zijn.

Verzaak de wijsheid en u zult geen afkeer van begeerte hebben, noch onverschilligheid begeren.

Verzaak de wijsheid en het onzuivere dat u zozeer veracht zal op zijn eigen wijze maagdelijk blijken.

Verzaak de wijsheid en uw ik-zucht zal de uwe niet zijn, zij zal u niet dienen en aan anderen geen schade berokkenen.

Verzaak de wijsheid en u zult het recht niet meer kennen, niet meer vaardig wezen, rechtvaardig noch onrechtvaardig zijn over anderen of uzelf.

Verzaak de wijsheid en u zult het volk niet meer kennen, geen voordeel kennen, door niemand meer bevoordeeld worden en niemand bevoordelen.

Verzaak de wijsheid en de laatsten zullen de eersten zijn, de eersten weer de laatsten.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee hebben van hemel of hel, hoger of lager, absoluut of relatief.

Verzaak de wijsheid en u zult geen idee hebben.

Verzaak de wijsheid.

32. Wijsheid is van alle markten, maar nooit thuis

Niets is waar of onwaar, dat maakt het denken ervan. Ook dit is niet waar of onwaar, dat maakt het denken ervan.

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Over bevestigen en ontkennen zegt men:

  1. Ja is ja en nee is nee.
  2. Ja is nee en nee is ja.
  3. Het is altijd ja én nee.
  4. Het is altijd ja noch nee.

Over leren zegt men:

  1. Hou op met leren, dan leef je onbezorgd.
  2. Hoe meer je leert, hoe minder zorgen.
  3. Geleerd of ongeleerd, zorgen zijn zorgen.
  4. Onbezorgd leven kun je leren.

Over vrees zegt men:

  1. Wie vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  2. Wie vrees inboezemt heeft zelf niets meer te vrezen.
  3. Wie geen vrees inboezemt moet voor zijn leven vrezen.
  4. Wie geen vrees inboezemt heeft niets te vrezen.

Over schoonheid zegt men:

  1. Iets is altijd mooi óf lelijk.
  2. Iets is altijd mooi én lelijk.
  3. iets is nooit mooi of lelijk.
  4. Mooi is lelijk, lelijk is mooi.
  5. Iets is nu eens mooi dan weer lelijk.
  6. Iets kan mooi zijn in het ene opzicht, lelijk in het andere.
  7. Wat mooi is voor de een, is lelijk voor de ander.
  8. Niets is mooi of lelijk van zichzelf, dat maakt het denken ervan.

Wijsheid is van alle markten – maar nooit thuis.

33. Waarom, dat vraag ik niet

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nu eens lig ik stil zonder teken als een baby die niet weet wat lachen is, dan weer straal ik van lust als wie zich vergast aan het stierenoffer.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch, dan vraag ik niet waarom.

Dikwijls keer ik naar binnen als wie in de zomer terrassen bestijgt of zich ’s winters verwarmt aan een vuur. Dan weer klamp ik vreemden aan als wie jaren verstoken is geweest van gezelschap.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch, dan vraag ik niet waarom.

Soms ben ik deze, soms ben ik gene. Soms ben ik zus, soms ben ik zo.

Waarom, dat vraag ik niet. Vraag ik het toch, dan vraag ik niet waarom.

34. De grenzeloze ruimte tussen weten en niet-weten

Geïnspireerd door hoofdstuk 20 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie ongetwijfeld zegt, wéét. Wie waarschijnlijk zegt, wéét. Wie misschien zegt, wéét. Wie onwaarschijnlijk zegt, wéét. Wie onmogelijk zegt, wéét.

Zo gering als het verschil tussen ongetwijfeld en onmogelijk, zo onmetelijk is het verschil tussen weten en niet-weten.

35. Mijn meester heeft geen leerlingen

Boeddha en God, Zelf en ik – allen zijn volgelingen van het Grote Tja. Maar het Grote Tja is niet te volgen. Het is een meester van niets.

Geïnspireerd door hoofdstuk 21 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Mijn zien is zonder zien.
Mijn horen is zonder horen.
Mijn ruiken is zonder ruiken.
Mijn voelen is zonder voelen.

Zien, horen, ruiken, voelen –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn denken is zonder denken.
Mijn weten is zonder weten.
Mijn menen is zonder menen.
Mijn oordelen is zonder oordelen.

Denken, weten, menen, oordelen –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn doen is zonder doen.
Mijn laten is zonder laten.
Mijn komen is zonder komen.
Mijn gaan is zonder gaan.

Doen, laten, komen, gaan –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn geven is zonder geven.
Mijn nemen is zonder nemen.
Mijn hebben is zonder hebben.
Mijn zijn is zonder zijn.

Geven, nemen, hebben, zijn –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn spreken is zonder spreken.
Mijn zwijgen is zonder zwijgen.
Mijn leven is zonder leven.
Mijn sterven is zonder sterven.

Spreken, zwijgen, leven, sterven –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn geest is zonder geest.
Mijn lichaam is zonder lichaam.
Mijn liefde is zonder liefde.
Mijn haat is zonder haat.

Geest, lichaam, liefde, haat –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn lust is zonder lust.
Mijn onlust is zonder onlust.
Mijn wil is zonder wil.
Mijn onwil is zonder onwil.

Lust, onlust, wil, onwil –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn gehechtheid is zonder gehechtheid.
Mijn onthechting is zonder onthechting.
Mijn onderscheid is zonder onderscheid.
Mijn eenheid is zonder eenheid.

Gehechtheid, onthechting, onderscheid, eenheid –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn deugd is zonder deugd.
Mijn zonde is zonder zonde.
Mijn vreugde is zonder vreugde.
Mijn verdriet is zonder verdriet.

Deugd, zonde, vreugde, verdriet –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn waarheid is zonder waarheid.
Mijn wijsheid is zonder wijsheid.
Mijn kennis is zonder kennis.
Mijn filosofie is zonder filosofie.

Waarheid, wijsheid, kennis, filosofie –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn moraal is zonder moraal.
Mijn realiteit is zonder realiteit.
Mijn religie is zonder religie.
Mijn verlichting is zonder verlichting.

Moraal, realiteit, religie, verlichting –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn eenvoud is zonder eenvoud.
Mijn woord is zonder woord.
Mijn bede is zonder bede.
Mijn vaart is zonder vaart.

Eenvoud, woord, bede, vaart –
Alle volgen het Grote Tja.

Mijn Boeddha is zonder Boeddha.
Mijn God is zonder God.
Mijn Zelf is zonder Zelf.
Mijn ik is zonder ik.

Boeddha en God, Zelf en ik –
Alle volgen het Grote Tja.

Het Grote Tja is geen volgeling.
Mijn meester heeft geen meester.
Hij is een leerling van niets.
Ik ben mijn eigen leerling.

Het Grote Tja is niet te volgen.
Mijn meester heeft geen leerlingen.
Hij is een meester van niets.
Ik ben mijn eigen meester.

36. De wijze heeft niets te verhullen of onthullen

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie veel heeft, zal verkrijgen of verliezen. Wie weinig heeft vergaat het niet anders.

Wat stuk is wordt hersteld of gedumpt. Wat krom is trekt rechter of krommer. Wat buigt veert terug of barst. Wat hol is loopt leeg of vol.

Al houdt het Tja zich niet aan hem, de wijze houdt zich aan het Tja. Zodoende is hij herder noch schaap, verdienstelijk noch onverdienstelijk, aanzienlijk noch onaanzienlijk, edel noch onedel.

De wijze heeft niets te verhullen, daarom spreekt hij vrijuit. Hij heeft niets te onthullen, daarom zwijgt hij voluit. Hij houdt zich aan het vele noch aan het ene, en veinst nimmer ongeveinsd te zijn.

37. Wie zichzelf in de schaduw stelt werpt geen licht

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing

Meester Tja kan het niet vaak genoeg zeggen:

Wie zichzelf in het licht stelt zal een schaduw werpen, maar wie zichzelf in de schaduw stelt werpt daarom nog geen licht. De wijze stelt zichzelf niet in het licht, maar daarom schittert hij nog niet. Hij slaat zichzelf niet hoog aan, maar daarom blinkt hij nog niet uit.

Wijs is wie zijn dwaasheid erkent. Ook dat is geen verdienste.

38. Heel even dacht ik niets

Geïnspireerd door hoofdstuk 22 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Eerst dacht ik: Alle mensen hebben over, ik alleen ben leeg
Toen dacht ik: Alle mensen zijn leeg, ik alleen heb over
Daarna: Ik alleen heb over, en toch ben ik leeg
Toen: Niets heb ik over, toch ben ik niet leeg
En: Wist ik nou maar hoe het zat
En: Of toch maar liever niet
Heel even dacht ik niets
Ook dat was zo –
Voorbij

39. Waarom de wijze niet van ophouden weet

Geïnspireerd door hoofdstuk 23 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De hele dag praten is natuurlijk. Nu eens spreken, dan weer zwijgen is natuurlijk. Weinig spreken is natuurlijk. Geen stom woord zeggen – niets is onnatuurlijk. Als de mens al geen maat weet te houden, hoeveel minder dan de natuur.

Een storm blaast wekenlang of waait snel over. Stortregen, droogte, hitte of koude put zich uit of houdt aan. Als hemel en aarde al geen maat weten te houden, hoeveel minder dan de dwaas.

Ook wie Tja heeft is mateloos. Hij weet niet van ophouden omdat hij nergens aan begint. Hij weet niet van beginnen, omdat hij overal klaar mee is. Daarom kan niemand iets met hem beginnen.

Hij weet niet van winnen omdat hij alles al heeft. Hij weet niet van verliezen omdat hij alles al kwijt is. Daarom kan niets of niemand van hem winnen of verliezen. Zelfs niet de natuur.

40. Wie nergens op staat valt vrij

Geïnspireerd door hoofdstuk 24 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Iedereen schept weleens op, tegen zichzelf of tegen anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – opscheppen doen we allemaal. Ook ik wil weleens opscheppen, al is het maar door niet op te scheppen.

Iedereen loopt weleens te paraderen, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – paraderen doen we allemaal. Ook ik wil weleens paraderen, al is het maar door niet te paraderen.

Iedereen wil weleens schitteren, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – schitteren doen we allemaal. Ook ik wil weleens schitteren, al is het maar door niet te schitteren.

Iedereen doet weleens alsof, voor zichzelf of voor anderen. Dieren, kinderen, dwazen, wijzen en goden – pretenderen doen we allemaal. Ook ik wil weleens doen alsof, al is het maar door niet te doen alsof.

Daarom:

Wie zijn pretenties ontkent, staat zwak. Wie zijn pretenties erkent, staat sterk. Wie andermans pretenties herkent, staat nergens op. Wie nergens op staat valt vrij. Of is dat weer opschepperij?

41. Wie denkt er zo ver met mij mee

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Was de aarde er vóór de dingen?
Was de hemel er vóór de aarde?
Zo ja of nee, wat was er dan vóór
die tienduizend twee?
Wie denkt er zo ver
met mij mee?

Heeft de kosmos een moeder?
Heeft de moeder een vader?
Heeft de vader een oorzaak?
Heeft de oorzaak een bron?
Heeft de bron een naam?
Heeft de naam een naamgever?

Als wij de naamgever zijn,
waar komen wij dan vandaan?
Waar zijn wij op dit moment?
Waar gaan we zo naartoe?
Wie waren wij, wie zijn wij en
zijn wij er straks
geweest?

Zijn dit de juiste vragen?
Zijn er juiste vragen?
Zijn vragen echt
wel vragen
of zijn ze al
het antwoord?

Groots schijnt de kosmos.
Grootser de onzekerheid
die hem verhult.

Of is het de onzekere – schepper
zonder vlees of braam?
Nog weet ik niet zijn naam,
alleen zijn bijnaam
mag er wezen
als zijn wezen
noch zijn vorm –
het Grote Tja
(on)aangenaam.

Het grote ja!
Het grote nee!
De boze heks!
De goede fee!
Het grote tja!
Gedachtenwee:
Hoe groot precies
is een idee?

Is de aarde een idee?
Is de hemel een idee?
Is nirwana een idee?
Is het zelf maar een idee?
Is de weg maar een idee?
Is de Boeddha een idee?
Is de kosmos een idee?
Is de moeder een idee?
Is de vader een idee?
Is de oorzaak een idee?
Is de bron maar een idee?
Of is dat ook maar een idee?

Wie denkt er zo ver
met mij mee?

42. Verlicht noch verduisterd

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Vraagt u mij wat ik ben dan zeg ik:

Wederkerend noch eenmalig
Bestaand noch onbestaand
Verlicht noch verduisterd
Vliedend noch inwonend
Verdeeld noch verenigd
Meester noch gezel
Levend noch dood
Wijs noch dwaas
Groot noch klein
Veraf noch nabij

Vraagt u mij hoe ik heet, dan zeg ik: Tja.

43. De wegleidweg naar de hemel

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De weg naar het Tja is de weg naar de hemel
De weg naar de hemel is de weg naar de aarde
De weg naar de aarde is de weg naar de mensen
De weg naar de mensen is de weg naar jezelf
De weg naar jezelf is de weg naar je lijf
De weg naar je lijf is de weg naar je geest
De weg naar je geest is de weg naar het weten
De weg naar het weten is de weg naar niet-weten
De weg naar niet-weten is de weg naar het Tja
De weg naar het Tja leidt overal van weg
Overal van weg is de weg naar de hemel

Bis

44. Mezelf ken ik wel het slechtst

Geïnspireerd door hoofdstuk 25 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Tja ken ik als wijsheid.
Wijsheid ken ik als niet-weten.
Niet-weten ken ik als de beste.
De beste ken ik als de hemel.
De hemel ken ik als de aarde.
De aarde ken ik als mijn lichaam.
Mijn lichaam ken ik als mijn geest.
Mijn geest ken ik als mijn ziel.
Mijn ziel ken ik als mijn hart.
Mijn hart ken ik als mijn wezen.
Mijn wezen ken ik als mezelf.
Mezelf ken ik wel het slechtst.
Het slechtst ken ik wel het Tja.

45. Wie stilte zoekt hoort alles

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie de wereld bestuurt verliest zijn lichaam uit het oog.
Wie zijn lichaam verzorgt verliest de wereld uit het oog.

Wie bezorgd is over zijn bagage zal slecht slapen.
Wie goed slaapt zal beroofd worden.

Wie zwak is wordt onder de voet gelopen.
Wie sterk is wordt uitgedaagd.

Wie veel weegt komt moeilijk in beweging.
Wie weinig weegt waait makkelijk om.

Wie niets onderneemt verveelt zich dood.
Wie iets onderneemt ergert zich dood.

Wie arm is heeft weinig te besteden.
Wie rijk is heeft veel te verliezen.

Wie alles hoort zoekt stilte.
Wie stilte zoekt hoort alles.

Wie Tja heeft…

46. De wortel van wijsheid en dwaasheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wat zwaar lijkt voor het kind lijkt licht voor de ouder. Zwaar kan de wortel van licht niet zijn, licht niet de wortel van zwaar.

Wat rust lijkt vanuit de zon lijkt beweging vanuit de aarde. Rust kan de wortel van beweging niet zijn, beweging niet de wortel van rust.

Wat koud lijkt voor een warme hand lijkt warm voor een koude. Koude kan de wortel van warmte niet zijn, warmte niet de wortel van koude.

Wat wijsheid lijkt voor een dwaas, lijkt dwaasheid voor een wijze. Wijsheid kan de wortel van dwaasheid niet zijn, dwaasheid niet de wortel van wijsheid.

47. Waarom voor de wijze alles eenvoudig is

Geïnspireerd door hoofdstuk 26 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze ziet –

de zwakte van kracht
de kracht van zwakte

het lage van het hoge
het hoge van het lage

het geven in het nemen
het nemen in het geven

het kleine van het grote
het grote van het kleine

het goede van het slechte
het slechte van het goede

de wijsheid van dwaasheid
de dwaasheid van wijsheid

de schoonheid van het lelijke
de lelijkheid van het schone

De wijze ziet steeds het hele plaatje.
Daarom is alles voor hem eenvoudig.

48. Een goede denker laat geen gedachten na

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een goede dichter opent.
Een goede leraar leert af.
Een goede leerling spijbelt.
Een goede zoeker vindt niets.
Een goede reiziger blijf thuis.
Een goede bouwer ondermijnt.
Een goede advocaat verdedigt niet.
Een goede verzamelaar neemt niet mee.
Een goede denker laat geen gedachten na.
Een goede zwijger heeft veel woorden nodig.
Een goede spreker neemt zijn woorden terug.
Een goede verstaander heeft genoeg aan stilte.

Ook de wijze weet niet beter. Daarom hoeft hij niemand te redden of anderen het redden te beletten.

Door niet naar het licht te streven geeft hij ruimte aan het duistere. Zo verkleint hij het verschil.

De meester niet hoogschatten, de leerling niet geringschatten, daar begint het mee. Wie kan zeggen waarmee het eindigt?

49. De beste luisteraar ligt op één oor

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een goede luisteraar laat zich niet gek maken.
Een betere luisteraar laat zich niets wijsmaken.
De beste luisteraar ligt op één oor
en luistert naar de stilte.

Een goede spreker laat niets ongezegd.
Een betere spreker laat niets gezegd.
De beste spreker zegt maar wat
en zegt dat ook – bij dezen.

50. De wijze aanvaardt zijn weigering

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

U vraagt hoe wij tot volledige aanvaarding van de tienduizend dingen komen. Is weigering niet één van die dingen?

Nu vraagt u weer hoe wij tot volledige aanvaarding van onze weigering komen. Is weigering niet één van die dingen?

51. Niet-gaan behoeft geen voertuig

Geïnspireerd door hoofdstuk 27 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Niet-uitmunten behoeft geen oefening
en niemand voelt zich minder

Niet-verwerpen behoeft geen vuisten
en niemand neemt aanstoot

Niet-weten behoeft geen uitspraak
en niemand kan verdedigen

Niet-rekenen behoeft geen telraam
en niemand maakt fouten

Niet-binden behoeft geen banden
en niemand kan losknopen

Niet-helpen behoeft geen handen
en niemand kan weigeren

Niet-sluiten behoeft geen grendel
en niemand kan openen

52. Zo word je ’s werelds schilder

Geïnspireerd door hoofdstuk 28 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Doorzie het mannelijke en het vrouwelijke, dan word je ’s werelds fallus. De honderd seksen zul je welkom heten als je eigen geslacht.

Doorzie je eergevoel en je schaamte, dan word je ’s werelds vlakte. De duizend dalen zul je welkom heten als je eigen piek.

Doorzie het witte en het zwarte, dan word je ’s werelds schilder. De tienduizend tinten zul je welkom heten als je eigen palet.

53. Ik verloor mijn hemel en mijn hel

Geïnspireerd door hoofdstuk 28 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Ik verloor mijn soevereiniteit en mijn kwetsbaarheid, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn vrienden en mijn vijanden, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn deugd en mijn ondeugd, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn hemel en mijn hel, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn doen en mijn laten, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn weg en mijn doel, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn wijsheid en mijn dwaasheid, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Ik verloor mijn weten en mijn niet-weten, maar ik ben nimmer zonder Tja.

Mijn Tja ben ik nooit verloren – ik heb het nooit gehad.

54. Een denkbeeld voorbij alle denkbeelden

Geïnspireerd door hoofdstuk 29 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Boeren maken hokken op hun erf om dieren in op te sluiten. Dit heet: slimheid.

Mensen maken hokjes in hun hoofd om gedachten in op te sluiten. Dit heet: geleerdheid.

Geleerdheid is een ander woord voor hoop. Hoe kleiner de hokjes, hoe groter de geleerdheid. Hoe groter de geleerdheid, hoe ijdeler de hoop.

Nooit krijg je jezelf in een hokje gepropt. Jij bent groter dan alle zelfbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je de mens in een hokje gepropt. Wij zijn groter dan alle mensbeelden bij elkaar.

Nooit krijg je de wereld in een hokje gepropt. Die is groter dan alle wereldbeelden bij elkaar.

De wereld die groter is dan alle wereldbeelden bij elkaar, de mens die groter is dan alle mensbeelden bij elkaar, jijzelf die groter is dan alle zelfbeelden bij elkaar – het zijn op hun beurt hokjes in je hoofd, denkbeelden, beperkt en beperkend. Net als ‘hokje’, ‘hoofd’, ‘denkbeelden’, ‘beperkt’ en ‘beperkend’.

Wat valt er zonder nog te zeggen?

55. Dwazen zoeken wijsheid, wijzen gaan er voorbij

Geïnspireerd door hoofdstuk 29 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Sommigen vechten zich moeizaam omhoog, anderen zitten gauw bij de pakken neer. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen kunnen wel tegen een stootje, anderen zijn snel van slag. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen moeten voorgaan, anderen moeten volgen. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen verdragen geen hitte, anderen geen koude. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen richten beelden op, anderen halen ze neer. Wie kan zeggen waarom?

Sommigen gedijen bij actie, anderen bij rust. Wie kan zeggen waarom?

Dwazen zoeken wijsheid, wijzen gaan er voorbij. U snapt nu wel waarom.

56. Niet-weten is een weldaad voor de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 30 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoor ze toch tekeer gaan: ‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar vrede!’ ‘Iedereen verlangt diep in zijn hart naar oorlog!” Tijdens vrede verlangt iedereen naar oorlog en omgekeerd!’ ‘Iedereen verlangt zowel naar vrede als naar oorlog!’

‘Wapens veroorzaken geweld!’ ‘Wapens voorkomen geweld!’ ‘Wapens kunnen zowel geweld veroorzaken als voorkomen!’ ‘Geweld vindt ook zonder wapens zijn weg!’ ‘Wapens moeten een staatsmonopolie zijn!’ ‘Iedereen heeft recht op wapens! Wapens moeten verboden worden!’

‘Alleen geweld kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen geweldloosheid kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen innerlijke vrede kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen politieke hervorming kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen economische hervorming kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen religie kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen technologie kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen eugenetica kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen geboortebeperking kan een eind maken aan geweld!’ ‘Alleen een combinatie van maatregelen kan een eind maken aan geweld!’ ‘Niets kan een eind maken aan geweld!’

Wie tegen het Tja ingaat is er gauw geweest. Niet-weten is een weldaad voor de geest.

57. Als zelfs niet-weten is vergeten

Geïnspireerd door hoofdstuk 30 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De enige mislukking is menen te falen. Het enige succes is menen te slagen. Het enige weten is menen te weten. Als zelfs niet-weten is vergeten, mag dat dan wijsheid heten?

Zelf zeg ik liever ‘tja’.

58. Zonder wapens geen wereld

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoofden zijn wapens
Tanden zijn wapens
Handen zijn wapens
Vingers zijn wapens
Ellebogen zijn wapens
Schouders zijn wapens
Geslachten zijn wapens
Knieën zijn wapens
Schenen zijn wapens
Voeten zijn wapens

Hoeven zijn wapens
Horens zijn wapens
Tentakels zijn wapens
Stekels zijn wapens
Klauwen zijn wapens
Poten zijn wapens
Vleugels zijn wapens
Angels zijn wapens
Tentakels zijn wapens

Stenen zijn wapens
Kiezels zijn wapens
Grit is een wapen
Zand is een wapen
Kuilen zijn wapens
Diepten zijn wapens
Hoogten zijn wapens

Water is een wapen
IJs is een wapen
Gas is een wapen
Lucht is een wapen
Slijm is een wapen
Lijm is een wapen
Olie is een wapen
Vuur is een wapen

Stokken zijn wapens
Ploegen zijn wapens
Spaden zijn wapens
Hamers zijn wapens
Sikkels zijn wapens
Vijzels zijn wapens
Messen zijn wapens
Vorken zijn wapens

Ziekten zijn wapens
Medicijnen zijn wapens
Kinderen zijn wapens
Dierbaren zijn wapens
Rijkdom is een wapen
Armoede is een wapen
Kracht is een wapen
Zwakte is een wapen

Hersens zijn wapens
Kennis is een wapen
Onkunde is een wapen
Gedachten zijn wapens
Emoties zijn wapens
Woorden zijn wapens
Zwijgen is een wapen

Zonder wapens geen wereld
Ook wie Tja heeft voert ze
In vrede, oorlog en afzijdigheid
Links, rechts en in het midden

59. Mensen doden en laten doden

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Mensen doden en laten doden, maar ze noemen het geen doden.

Ze noemen het een voorbeeld stellen.
Ze noemen het terechtstellen.
Ze noemen het gerechtigheid.
Ze noemen het euthanasie.
Ze noemen het verdedigen.
Ze noemen het beveiligen.
Ze noemen het Gods Wil.
Ze noemen het eerwraak.
Ze noemen het zuiveren.
Ze noemen het voorkómen.
Ze noemen het genezen.
Ze noemen het beheersen.
Ze noemen het bestrijden.
Ze noemen het ontsmetten.
Ze noemen het pasteuriseren.
Ze noemen het steriliseren.
Ze noemen het bestralen.
Ze noemen het afmaken.
Ze noemen het slachten.
Ze noemen het ruimen.
Ze noemen het vissen.
Ze noemen het jagen.
Ze noemen het wieden.
Ze noemen het rooien.
Ze noemen het onderhouden.
Ze noemen het oogsten.
Ze noemen het bereiden.
Ze noemen het eten.

Ze noemen het van alles, behalve doden. Maar mensen doden en laten doden.

60. Gezegend zijn de doden

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het is tot mijn verdriet dat ik in het doden vreugde vindt.

Het is tot mijn vreugde dat ik van het doden verdriet heb.

Gezegend zijn de doden. Hen maakt het niets meer uit.

61. De dienaren des levens zijn de dienaren des doods

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Dezelfde boom draagt de vrucht
en verstikt de zaailing

Hetzelfde mes snijdt het vlees aan
en de hals door

Dezelfde mond zoent de vriend
en bijt de vijand

Hetzelfde vuur gaart de kool
en verkoolt het brood

Hetzelfde water laaft de koe
en verdrinkt het kalf

De dienaren des levens
zijn de dienaren des doods

62. Mensen zijn onmensen, ik zeker

Geïnspireerd door hoofdstuk 31 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Mensen juichen, ik niet.
Mensen janken, ik niet.

Mensen hopen, ik niet.
Mensen wanhopen, ik niet.

Mensen scheiden, ik niet.
Mensen verenigen, ik niet.

Mensen doen, ik niet.
Mensen laten, ik niet.

Mensen hechten, ik niet.
Mensen onthechten, ik niet.

Mensen zoeken, ik niet.
Mensen vinden, ik niet.

Mensen spreken, ik niet.
Mensen zwijgen, ik niet.

Mensen zijn verlicht, ik niet.
Mensen zijn verduisterd, ik niet.

Mensen hebben een ego, ik niet.
Mensen hebben een zelf, ik niet.

Mensen willen hetzelfde zijn, ik niet.
Mensen willen anders zijn, ik niet.

Mensen hebben vragen, ik niet.
Mensen hebben antwoorden, ik niet.

Mensen zijn thuis, ik niet.
Mensen zijn onderweg, ik niet.
Mensen zijn aangekomen, ik niet.

Mensen ontkennen het Grote Tja, ik niet.
Mensen erkennen het Grote Tja, ik niet.

Mensen zijn mensen, ik ook.
Mensen zijn onmensen, ik zeker.

63. Hoe groot is een idee?

Geïnspireerd door hoofdstuk 32 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoe groot is een idee? Kleiner dan het allerkleinste omvat het Tja de hele wereld. Groter dan het allergrootste past het overal in.

Het Tja wil niets aan zich onderwerpen, hoe sterk het door zijn eenvoud ook is. Niets kan het Tja aan zich onderwerpen, hoe gering het in zijn eenvoud ook is.

Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren, dan keren alle gedachten zich spontaan tot hem. Ja en nee, hemel en aarde, deugd en ondeugd – alle tegenstellingen vermengen zich vrijelijk. Ze vloeien samen, lossen op en maken plaats voor nieuwe.

De geest schept werkelijkheden en vernietigt ze. Hij schept luchtkastelen en vernietigt ze. Hij schept waarden en vernietigt ze. Hij schept idealen en vernietigt ze. Hij schept ideeën en vernietigt ze. Hij schept namen en vernietigt ze.

De geest schept zonder terughoudendheid en vernietigd zonder uitzondering. Ook het idee van de geest als schepper en vernietiger. Ook het idee van het Grote Tja.

Dit heet: het Grote Tja.

64. Een eeuwige ontlediging van de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 32 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja is als het uitvloeien van beek in rivier
het uitstromen van rivier in zee
het opstijgen van zee naar wolk
het breken van wolk op aarde
het sijpelen van plas in beek
het uitvloeien van beek in rivier –
een eeuwige ontlediging van de geest.

65. Wie er een doel van maakt, zal het nooit bereiken

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie de ander meent te kennen, kent zijn eigen geest niet. Wie zijn eigen geest meent te kennen is onwetend. Wie zichzelf kent weet niet.

Wie anderen overwint verliest. Wie van anderen verliest wint niet. Wie niet van winnen weet verliest niet.

Een doel hebben betekent krachtig streven. Krachtig streven vraagt standvastigheid. Wie standvastig is gaat nergens heen.

Een standvastig leven is een onvoltooid leven. Een voltooid leven bestaat erin te verdwijnen voor je sterft. Wie daar een doel van maakt, zal het nooit bereiken.

66. Zacht is wie zijn woede kent

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Stand houdt wie zijn plaats niet kent.
Sterk is wie zijn kracht niet kent.
Groot is wie zijn kleinheid kent.
Hoog is wie zijn laagheid kent.
Wijs is wie de mens niet kent.
Thuis is wie de weg niet kent.
Zacht is wie zijn woede kent.
Vrij is wie zichzelf niet kent.

67. De wijze is groot in zijn kleinheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze spreekt recht door krom te spreken en mee in tegenspraken.

Hij vermenigvuldigt ter deling en verdeelt ter meerdering.

Hij is zacht in zijn hardheid en eenduidig in zijn dubbelheid.

Hij vertroebelt ter opheldering en vangt ter bevrijding.

Hij verzwaart, hij verduistert, maar steevast ter verlichting.

68. Wie Tja heeft is overal en nergens

Geïnspireerd door hoofdstuk 33 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie door niet-kennen het Tja heeft leren kennen, weet geen onderscheid meer te maken.

Hij kent het Tja niet van zijn geest. Hij kent zijn geest niet van zijn lichaam. Hij kent zijn lichaam niet van zichzelf. Hij kent zichzelf niet van de wereld. Hij kent de wereld niet van het Tja.

Wie geen onderscheid weet te maken, is nergens wel of niet. Waar hij ook heen gaat, hij was er al. Waar hij ook is, hij is er niet.

Wie Tja heeft is overal en nergens.

69. Nooit is een woord het laatste

Geïnspireerd door hoofdstuk 34 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weids is de blik van het Grote Tja. Links, rechts, voor, achter, boven, onder, binnen, buiten – alles neemt het in ogenschouw. Nooit is een woord het hoogste of het laatste, zelfs het laagste woord is een begin.

Het Tja doet zijn werk, maar vraagt er geen aandacht voor. Het ziet alles onder ogen, ook dat het dat niet kan. Het laat zich nergens op voorstaan zonder zich daarop voor te laten staan.

Het Tja heet iedereen welkom, ook degenen die het niet verwelkomen. De toegang is gratis, de uitgang is er voor niets.

Ruim is de geest die alle gedachten toelaat. Ruimer nog de geest die alle gedachten uitlaat. Hoe ruim is de geest die ook deze gedachten loslaat?

70. Waarom de wijze niet weigert

Geïnspireerd door hoofdstuk 34 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De tienduizend wezens
verschijnen vanzelf
en de wijze weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Verdienste en berekening
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Liefde en haat
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Begeerte en apathie
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Wijsheid en dwaasheid
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Weten en niet-weten
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Weigering en aanvaarding
verschijnen vanzelf
en hij weigert niet.
Ze verdwijnen vanzelf
en hij weigert niet.

Hij zou niet weten hoe.

71. De Grote Vrede zal je leren

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Neem het Grote Tja
Ga je geest door
Ga!

Niets kan je!
Deren

De Grote Vrede zal je!
Leren

72. Kleurloos als water – eeuwig fris

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Muziek en lekker eten, daar stoppen reizigers voor. Maar de woorden uit de mond van het Tja? Die zijn zouteloos en smakeloos.

Kijk naar het Tja. Niets dat het bekijken waard is!

Luister naar het Tja. Niets dat het horen waard is!

Denk over het Tja. Niets dat het overdenken waard is!

Leeg is de leer van de lege mens. Kleurloos als water – eeuwig fris.

73. Geen poort zonder muur

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Spreekt Tja over zichzelf, dan spreekt ze in alle toonaarden.

Noemt ze zich diep dan noemt ze zich oppervlakkig.
Noemt ze zich waarheid dan noemt ze zich leugen.
Noemt ze zich vrij dan noemt ze zich gedwongen.
Noemt ze zich eeuwig dan noemt ze zich tijdelijk.
Noemt ze zich geest dan noemt ze zich lichaam.
Noemt ze zich vrede dan noemt ze zich oorlog.
Noemt ze zich hemel dan noemt ze zich aarde.
Noemt ze zich licht dan noemt ze zich duister.
Noemt ze zich goed dan noemt ze zich kwaad.
Noemt ze zich poort dan noemt ze zich muur.
Noemt ze zich wijs dan noemt ze zich dwaas.
Noemt ze zich leven dan noemt ze zich dood.
Noemt ze zich één dan noemt ze zich veel.
Noemt ze zich piek dan noemt ze zich dal.

Zwijgt Tja over zichzelf, dan zwijgt ze in alle toonaarden.

74. De wijze ziet de wereld door de vingers

Geïnspireerd door hoofdstuk 35 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze kent geen voorspoed,
ook al gaat het hem goed.

Hij kent geen rampspoed,
ook al zit alles tegen.

Hij kent geen liefde,
ook al loopt hij ervan over.

Hij kent geen woede,
al komt de rook uit zijn oren.

Hem strekt niets tot eer,
hoeveel eer hem ook te beurt valt.

De hele wereld ziet hij
door de vingers.

De hele wereld ziet hem
over het hoofd.

75. Soms moet je dalen om te stijgen

Geïnspireerd door hoofdstuk 36 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms moet je versterken om te verzwakken.
Soms moet je verzwakken om te versterken.
Soms moet je versterken om te versterken.
Soms moet je verzwakken om te verzwakken.

Soms moet je vergroten om te verkleinen.
Soms moet je verkleinen om te vergroten.
Soms moet je vergroten om te vergroten.
Soms moet je verkleinen om te verkleinen.

Soms moet je verenigen om te scheiden.
Soms moet je scheiden om te verenigen.
Soms moet je verenigen om te verenigen.
Soms moet je scheiden om te scheiden.

Soms moet je moet je stijgen om te dalen.
Soms moet je dalen om te stijgen.
Soms moet je stijgen om te stijgen.
Soms moet je dalen om te dalen.

Wie kan zeggen wanneer?

76. Soms is je ondergang je redding

Geïnspireerd door hoofdstuk 36 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms zijn wapens je redding, dan weer je ondergang.
Soms moet je ze tonen, dan weer verbergen.

Soms zijn woorden een hulpmiddel, dan weer een hinderpaal.
Soms moet je ze uitspreken, dan weer verzwijgen.

Wat gisteren mislukte gaat vandaag goed.
Wat vandaag lukt gaat morgen mis.

Wie kan zeggen waarom?

77. In een onzeker heden komt de geest tot rust

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Tja bestaat erin niets te weten en dat te vergeten. Niets te doen en dat te laten. Alles te doorzien, ook het doorzien. Is een geest in staat het Grote Tja te bewaren, dan verliezen gedachten hun magie.

Ren je achter ideeën aan als een hond achter zijn staart? Brengen ze je onweerstaanbaar in beweging? Kun je hun betovering niet weerstaan?

Wie Tja heeft bestookt ze met vragen, ontwapent ze met alternatieven, ontnuchtert ze met stilte, brengt ze tot vrede met de de eenvoud van niet-weten.

In een onzeker heden komt de geest tot rust. Zonder schijnzekerheden uit toekomst en verleden. Zonder illusies, vrij van de illusie vrij van illusies te zijn, valt er niets meer te doen of te laten.

Ook deze gedachten verliezen dan hun magie.

78. Soms ben ik spontaan gemaakt

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms ben ik echt echt.
Soms ben ik echt nep.
Ik ben altijd echt.

Soms ben ik oprecht oprecht.
Soms ben ik oprecht onoprecht.
Ik ben altijd oprecht.

Soms ben ik waarachtig waarachtig.
Soms ben ik waarachtig onwaarachtig.
Ik ben altijd waarachtig.

Soms ben ik spontaan gemaakt.
Soms ben ik spontaan natuurlijk.
Ik ben altijd spontaan.

Wie niet?

79. De wijze doet naar behoefte zijn behoefte

Geïnspireerd door hoofdstuk 37 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze vult bijtijds zijn buik, doet naar behoefte zijn behoefte en ledigt onophoudelijk zijn geest.

Dit verzwakt zijn verlangens en verdiept zijn rust. Het ondermijnt zijn kennis
sneller dan hij bij kan leren.

Het ondermijnt zijn doelen sneller dan hij ze bij kan stellen. Het ondermijnt zijn plannen voor hij zeuit kan voeren. Wat zou hij moeten doen?

Het ondermijnt zijn bezwaren voor ze hem bezwaren. Het ondermijnt zijn gemakzucht voor hij van gemak zucht. Wat zou hij moeten laten?

80. Grote geestkracht berust nergens op

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing

De hoogste vorm van geestkracht berust niet op kracht. Geestkracht op basis van kracht forceert. Dat is dwang. Wie over grote geestkracht beschikt, baseert zich op niets. Wie zich op niets baseert heeft geen reden tot forceren. Ook het niet-forceren dwingt hij niet af. Zelfs zijn dwang is ongedwongen.

Menswaardigheid die zich menswaardig weet is niet zo menswaardig. Rechtvaardigheid die zich rechtvaardig weet is niet zo rechtvaardig. Deugd die zich deugdzaam weet is niet zo deugdzaam. Beleefdheid opleggen is onbeleefd. Beschaving afdwingen is onbeschaafd. Wijsheid vastleggen is dwaasheid.

Daarom is de wijze menswaardig zonder waarden. Rechtvaardig zonder rechten. Deugdzaam zonder deugden. Beleefd zonder beleefdheden. Beschaafd zonder beschaafdheid. Wijs zonder wijsheid.

Wie Tja heeft veinst niet te weten wat hij niet weet. Hij ontkent niet wat hij weet, maar erkent wat hij niet weet. Hij voelt zich thuis in den vreemde voor zover het hem bekend voorkomt. Hij voelt zich thuis in het bekende voor zover het hem vreemd voorkomt. Zijn eigen vreemdheid maakt hem zacht.

De hoogste vorm van geestkracht kent geen hoogte, geen geest en geen macht.

81. Wie zoekt zal vragen vinden

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie zoekt zal vragen vinden. Zijn vragen zullen gepaard gaan met verbazing. Zijn verbazing zal veranderen in verwondering. Zijn verwondering zal overgaan in verbijstering.

Zijn zoeken zal opgaan in verbijstering. Zijn antwoorden zullen erin opgaan. Zijn onderscheidingen zullen erin opgaan. Zijn vragen zullen erin opgaan. Zijn wereld zal erin opgaan. Hijzelf zal erin opgaan. Het opgaan zal erin opgaan. Maar zijn verbijstering zal niet overgaan.

Dit heet het Grote Tja.

82. De Schepper is de Vraag

Geïnspireerd door hoofdstuk 38 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie is de schepper van Ja en Nee?

Deze vraag.

Wie is de schepper van deugd en ondeugd?

Deze vraag.

Wie is de schepper van doen en niet-doen?

Deze vraag.

Wie is de schepper van wezen en verschijningsvorm?

Deze vraag.

Wie is de schepper van licht en duisternis?

Deze vraag.

Wie is de schepper van hemel en aarde?

Deze vraag.

Wie is de schepper van hoog en laag?

Deze vraag.

Wie is de schepper van heerser en onderdaan?

Deze vraag.

Wie is de schepper van relatief en absoluut?

Deze vraag.

Wie is de schepper van werkelijkheid en illusie?

Deze vraag.

Wie is de schepper van leven en dood?

Deze vraag.

Wie is de schepper van vrijheid en gebondenheid?

Deze vraag.

Wie is de schepper van oost en west?

Deze vraag.

Wie is de schepper van rust en onrust?

Deze vraag.

Wie is de schepper van eenheid en veelheid?

Deze vraag.

Wie is de schepper van meester en discipel?

Deze vraag.

Wie is de schepper van waarheid en leugen?

Deze vraag.

Wie is de schepper van wijsheid en dwaasheid?

Deze vraag.

Wie is de schepper van weten en niet-weten?

Deze vraag.

Wie is de schepper van schepsel en schepper?

Deze vraag.

Wat zou er zijn zonder vraag?

Niet deze vraag.

83. Waarom de wijze zich nergens aan houdt

Geïnspireerd door hoofdstuk 39 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze kent de geest niet van de stof, de jade niet van de kiezel.

Hij kent de hemel niet van de aarde, de goden niet van de mensen.

Hij kent de vorsten niet van de onderdanen, de rijken niet van de armen.

Hij kent het edele niet van het vulgaire, reinheid niet van verdorvenheid.

Hij kent de geest niet van het vlees, het bot niet van de stof.

Hij kent wijsheid niet van dwaasheid, volheid niet van leegte.

Hij kent het hier niet van het daar, het binnenste niet van buiten.

Hij kent vroeger niet van later, toen niet van nu.

Daarom houdt de wijze zich aan de kern noch de schors. Hij houdt zich aan de bloem noch de vrucht. Hij doet eens dit, hij doet eens dat, ach ja, hij doet maar wat.

84. Teruggaan is de dynamiek van het Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 40 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Teruggaan is de dynamiek van het Tja.

Uit het antwoord in de vraag,
uit de vraag in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de oplossing in het probleem,
uit het probleem in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de conclusie in de premissen,
uit de premissen in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de zekerheid in de twijfel,
uit de twijfel in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het worden in het zijn,
uit het zijn in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de tijd in het heden,
uit het heden in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit het nemen in het geven,
uit het geven in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit gehechtheid in onthechting,
uit onthechting in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit de wereld in de geest,
uit de geest in het Tja,
en ten slotte uit het Tja.

Uit mijn praatjes in mijn zinnen,
Uit mijn zinnen in mijn woorden,
Uit mijn woorden in de letters,
Uit de letters in de streepjes,
Uit de streepjes in het wit
dat allicht vol kleuren zit.

85. Het Ja van Tja lijkt Nee

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als een domoor van het Grote Tja hoort, verbaast het hem niet. Als een normaal mens van het Grote Tja hoort, schiet hij in de lach. Als een professor van het Grote Tja hoort, komt hij niet meer bij. Kwam hij toch bij, dan was het niet het Grote Tja. Hoe dat kan?

De weg van het Tja lijkt een doolhof.
Het vinden van het Tja lijkt verliezen.
De vrede van het Tja lijkt strijd.
De triomf van het Tja lijkt een fiasco.

De zekerheid van het Tja lijkt twijfel.
De grond van het Tja lijkt drijfzand.
De werkelijkheid van het Tja lijkt een illusie.
Het licht van het Tja lijkt duister.

De helderheid van het Tja lijkt troebel.
Het hart van het Tja lijkt een hoofd.
Het mededogen van het Tja lijkt meedogenloos.
De deemoed van het Tja lijkt hoogmoed.

De deugd van het Tja lijkt ondeugd.
De rijkdom van het Tja lijkt armoede.
De volheid van het Tja lijkt leegte.
De verrukking van het Tja lijkt vlak.

Het spel van het Tja lijkt menens.
Het wonder van het Tja lijkt gewoon.
De eenvoud van het Tja lijkt ingewikkeld.
De echtheid van het Tja lijkt gemaakt.

De wijsheid van het Tja lijkt dwaasheid.
De kracht van het Tja lijkt zwakte.
De diepte van het Tja lijkt oppervlakkig.
Het denken van het Tja lijkt dwalen.

Het doen van het Tja lijkt laten.
Het spreken van het Tja lijkt zwijgen.
Het zwijgen van het Tja lijkt zwetsen.
Een meester van het Tja lijkt een leerling.

Vandaar dat alleen domoren er niet om lachen.

86. Brullen om illusie en werkelijkheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie onverwacht in het Grote Tja verzeild raakt, is er ontdaan van. Alles staat op zijn kop. Pas na maanden of jaren begint hij er eindelijk de grap van in te zien. Eer het volledig is ingedaald, brult hij inwendig van het lachen.

Hij brult om illusie en werkelijkheid!
Hij brult om weten en niet-weten!
Hij brult om veelheid en eenheid!
Hij brult om leugen en waarheid!
Hij brult om ondeugd en deugd!
Hij brult om duisternis en licht!
Hij brult om vorm en essentie!
Hij brult om zijn en niet zijn!
Hij brult om aarde en hemel!
Hij brult om onjuist en juist!
Hij brult om tja en om tjee!
Hij brult om ja en om nee!
Hij brult om tao en tê!

Wie brult er eens
met ons mee?

87. Als een grote truc zonder truc

Geïnspireerd door hoofdstuk 41 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als een groot vierkant zonder hoeken
Als een groot geluid zonder volume
Als een grote cirkel zonder straal
Als een groot beeld zonder vorm
Is het grote weten zonder weten

88. De geest is een idee

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De geest bedenkt de leegte
en noemt zich boeddhist.

De geest bedenkt het ene
en noemt zich monist.

De geest bedenkt de twee
en noemt zich dualist.

De geest bedenkt het niet-twee
en noemt zich non-dualist.

De geest bedenkt de drie
en noemt zich christen.

De geest bedenkt de vier
en noemt zich hindoe.

De geest bedenkt de tienduizend
en noemt zich pluralist.

De geest brengt alle ideeën voort, ook het idee van de geest die alle ideeën voortbrengt. Wie weet waarvandaan?

De schepselen torsen op hun ene schouder het ja, op hun andere het nee. Alleen door het verbinden van ja en nee ontstaan evenwicht en harmonie.

De geest noemt dit het Tja – het zoveelste idee. Het is nog steeds een juk – het juk van ja-en-nee.

Meester Tja doet niet meer mee.

89. Het binnenste buiten

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De tienduizend dingen dragen het lichtbeginsel buiten, het duister beginsel binnen. Ze tonen zich, maar laten zich niet kennen.

Het Tja keert ze binnenstebuiten. Binnenstebuiten tonen ze hun duister beginsel. Dit heet: het doden van de tienduizend dingen.

De tienduizend dingen keren het Tja op zijn beurt binnenstebuiten en openbaren zijn lichtbeginsel. Dit heet: het doden van het Tja.

90. Wezensvreemd mijn wezen

Geïnspireerd door hoofdstuk 42 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nooit heb ik de tienduizend wezens gezien.
Nooit heb ik ook maar één wezen gezien.
Nooit heb ik meer dan een stukje
van zijn buitenkant gezien.

Kan dat het wezen van een wezen wezen?

Nooit heb ik mijn achterkant gezien.
Nooit heb ik mijn binnenkant gezien.
Nooit heb ik meer dan een stukje
van mijn buitenkant gezien.

Zou dat het wezen van mijn wezen zijn?

91. De geest zonder geest is leer noch meester

Geïnspireerd door hoofdstuk 43 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms moet je iets doen, soms moet je iets laten
Soms overheerst de vorm, soms de leegte
Soms wint het harde, soms het zachte

Soms heb je een voorkeur, soms niet
Het Grote Tja heeft geen voorkeur
voor een leven zonder voorkeur

De geest zonder geest
is leer noch meester –
Een lege heer

92. Weinigen zijn eraan toe

Geïnspireerd door hoofdstuk 43 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wat ontmaskert zonder moeite…

De oorzaken zonder aanleiding?
De woorden zonder betekenis?
De autoriteiten zonder gezag?
De stellingen zonder bewijs?
De zinnen zonder verband?
De logica zonder rede?
De redenen zonder motief?
De doelen zonder oogmerk?
De waarden zonder belang?
De dingen zonder substantie?
De gedachten zonder grond?

De kracht van het Tja – weinigen onder de hemel zijn eraan toe.

93. Zonder Tja is het geen doen

Geïnspireerd door hoofdstuk 44 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Zonder succes kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder weten kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder macht kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder liefde kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder geluk kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder faam kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder bezit kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder hoop kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder doel kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder weg kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder God kun je leven, zonder lichaam niet.
Zonder Tao kun je leven, zonder lichaam niet.

Zonder lijf is er geen leven.

Zonder Tja is het geen doen.

94. Een lege heer

Geïnspireerd door hoofdstuk 45 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Tja heeft niets om het lijf, maar zijn trouw is hartverwarmend.

Het spreekt zichzelf tegen, maar zijn logica is onweerlegbaar.

Het bekeert niet, maar zijn wendbaarheid is ongeëvenaard.

Het zegt geen woord, maar zijn stilte spreekt boekdelen.

Het gaat nergens heen, maar zijn bereik is onbeperkt.

Het stelt niets voor, maar kan zich alles voorstellen.

Het strijdt niet, maar slaat zich overal doorheen.

Het gaat nooit voor, maar houdt niets achter.

95. Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als de wereld geen Tja heeft, fokt men oorlogspaarden tot in de buitenwijken, vleespaarden tot in het centrum en mestpaarden tot in de tempel.

Wie Tja heeft ziet overal de keerzijden van, en daarvan weer de keerzijden.

Van vasthoudendheid en van gemakzucht
Van begeerte en van lusteloosheid
Van kennis en van onwetendheid
Van hebzucht en van armoede
Van winnen en van verliezen
Van vechten en van vluchten
Van akkerbouw en veeteelt
Van jagen en verzamelen
Van groenten en granen
Van vlees en van vis
Van mest en van pis

Daarom:

Wie Tja heeft ziet veel en doet weinig.

96. Heb je niets dan heb je het rijk

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Heeft het rijk Tja, dan ziet het zonden als een kans op vergeving, vergeving als een oorzaak van zonde.

Heeft het rijk Tja, dan ziet het rampspoed als tijding van voorspoed, voorspoed als tijding van rampspoed.

Heeft het rijk Tja, dan bemesten renpaarden de akker en bevuilen ze het erf.

Heeft het rijk Tja, dan kan niemand de grenzen vinden waar de hengsten strijden.

Daarom:

Heb je Tja dan heb je niets.

Heb je niets dan heb je het rijk.

97. Wie vrede sluit met zijn onvrede kan tevreden zijn

Geïnspireerd door hoofdstuk 46 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Geen zonde is groter dan overal zonden zien.
Geen fout geeft meer verdriet dan overal fouten zien.
Geen ramp is erger dan overal rampen zien.

Sterker nog:

Overal zonden zien is ook geen zonde.
Overal fouten zien is ook geen fout.
Overal rampen zien is ook geen ramp.

Wie vrede sluit met zijn onvrede kan tevreden zijn.

98. Kennen door niet-kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 47 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Om de wereld te kennen moet je jezelf kennen. Om jezelf te kennen moet je je lichaam kennen. Om je lichaam te kennen moet je je geest kennen. Om je geest te kennen moet je het Tja kennen.

Het Tja laat zich kennen door niet-kennen. Het laat zich kennen als niet-kennen.

Daarom:

Wie zijn geest kent als het Tja, kent zijn geest niet. Wie zijn lichaam kent als zijn geest, kent zijn lichaam niet. Wie zichzelf kent als zijn lichaam, kent zichzelf niet. Wie de wereld kent als zichzelf, kent de wereld niet.

Wie het Tja niet kent, en zijn geest niet kent, en zijn lichaam niet kent, en de wereld niet kent, die kent het leven als zijn broekzak.

99. De wijze denkt, maar niet na

Geïnspireerd door hoofdstuk 47 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze loopt maar

arriveert niet

Hij spreekt maar

zegt niet

Hij doet maar

volbrengt niet

Hij denkt maar

niet na

100. Laat je bij wijze van vatten omvatten

Geïnspireerd door hoofdstuk 48 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie leert weet steeds meer. Wie afleert weet steeds minder. Minder en minder, net zolang tot het niet weten bereikt is. Door niets te weten blijft niets ongeweten.

Dit heet het Grote Tja.

Wil je de wereld vatten? Probeer haar dan niet te vatten. Liet ze zich zomaar vatten, dan was ze de moeite niet waard. Laat je bij wijze van vatten maar door haar omvatten.

Voel je wel?

101. Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar

Geïnspireerd door hoofdstuk 49 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nooit eigent de wijze zich andermans hart toe. Nooit eigent hij zich zijn eigen hart toe. Maakt hij zich toch een hart eigen, dan staat hij het gauw weer af.

De wijze denkt niet in termen van goed en fout, en zo komt alles goed. Denkt hij toch in die termen, dan vindt hij dat niet goed of fout, en zo blijft alles goed.

Hij denkt niet in termen van wijs of dwaas. Denkt hij toch eens in die termen dan vindt hij dat niet wijs of dwaas.

Wie eerlijk is gelooft hij niet. Wie oneerlijk is evenmin, dat lijkt hem wel zo eerlijk. Ook dit gelooft hij niet, noch dit, en zo ontstaat vertrouwen. Vertrouwen zonder basis.

Vertrouwen zonder basis is onwankelbaar. Dit heet: Groot Vertrouwen. Sommigen noemen het Groot Wantrouwen of Grote Twijfel. Alleen de naam verschilt.

De wijze verzamelt niets, wat hij ook verzamelt. Hij neemt niets, wat hij ook neemt. Hij heeft niets, wat hij ook heeft. Daarom heeft hij niets weg te geven en heeft niemand iets bij hem te zoeken.

Wie toch zijn ogen tot hem richt, schenkt hij zijn kinderlijke blik. Hij hoeft hem echt niet terug, dat niet, maar ziet hem graag weerspiegeld. Ja, hij ziet hem graag terug.

102. Een verstand dat niet werkt

Geïnspireerd door hoofdstuk 49 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De geringste onder de magistraten doet niet voor haar onder en de grootste onder hen overtreft haar niet.

De honderd geslachten richten naar haar hart hun oor, maar horen het niet kloppen.

Ze richten tot haar verstand hun vragen, maar zien het niet werken.

Zij delft het onderspit waar ze zegeviert en slaagt terwijl ze faalt.

Verdienste kent ze niet, noch rekent zij zich arm.

Wie is zij?

103. Een waan tussen ontstaan en vergaan

Geïnspireerd door hoofdstuk 50 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tienduizend dingen maken het verschil tussen bestaan en vergaan. Mensen hopen verschil te maken door er tien te beheersen.

Ze laten hun hart controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun borsten controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun baarmoeder controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun darmen controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Ze laten hun bloed controleren
maar niet de rest van hun lichaam
en wanen zich gezond.

Dit heet: kokervisie.

Ze laten het vliegtuig staan
maar niet de auto
en wanen zich veilig.

Ze laten de auto staan
maar niet de motor
en wanen zich veilig.

Ze laten de motor staan
maar niet de scooter
en wanen zich veilig.

Ze laten de scooter staan
maar niet de fiets
en wanen zich veilig.

Ze laten de fiets staan
maar niet de benenwagen
en wanen zich veilig.

Dit heet: zelfbedrog.

Tienduizend dingen maken het verschil tussen bestaan en vergaan. Er is geen beginnen aan.

Begin ik er toch weer aan, dan laat ik dat begaan, maar waan mij nimmer veilig.

Dit heet: het Grote Tja.

104. Velen menen het leven te beheersen

Geïnspireerd door hoofdstuk 50 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Goden en mensen, koningen en onderdanen – nooit heb ik iemand ontmoet die het leven beheerst.

Het land doortrekkend mijdt u neushoorn en tijger, maar neushoorn en tijger mijden u niet. Ingaand in legers mijdt u pantser en wapen, maar pantser en wapen mijden u niet.

De neushoorn vindt altijd een plaats om zijn hoorn in te stoten. De tijger vindt altijd een plaats om zijn klauw in te slaan. Het wapen vindt altijd een plaats om het harnas binnen te dringen.

Is het niet een wapen dan is het wel uw familie. Is het niet uw familie dan is het wel een buurman. Is het niet een buurman dan bent u het wel zelf. Bent u het niet zelf dan is het wel een ziekte. Is het niet een ziekte dan is het wel de gedachte dat u het leven beheerst.

Goden en mensen, koningen en onderdanen – velen menen het leven te beheersen.

105. Een lege geest is geestig

Geïnspireerd door hoofdstuk 51 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weetzucht leidt tot vetzucht. Vetzucht van de geest.

Een vette geest is een zware geest.
Een vette geest is een trage geest.
Een vette geest is een moede geest.
Een vette geest is vettig.

Tja hongert de geest uit tot hij helemaal leeg is.

Een lege geest is een lichte geest.
Een lege geest is een snelle geest.
Een lege geest is een fitte geest.
Een lege geest is geestig.

Alle schepsels vereren voedsel. Wie verheerlijkt de honger?

106. Zeg vooral niet hoe het moet

Geïnspireerd door hoofdstuk 51 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Reken niet als eigen, niet als oneigen
Wees niet als meester, niet als leerling
Zoek niet de uitersten, niet het midden
Houd niet vast, laat niet los
Spreek niet, zwijg niet
En zeg vooral niet
Hoe het niet moet
En zeg vooral niet
Hoe het niet moet

107. Midden tussen nee en ja

Geïnspireerd door hoofdstuk 52 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Heeft de wereld een begin? Heeft de wereld een einde? Wie zal het zeggen – ik niet. Laten we dit hier zolang het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft de geest een begin? Heeft de geest een einde? Wie zal het zeggen – ik niet. Laten we dit hier het midden noemen. Zo houden we het in het midden.

Heeft het Tja een begin? Heeft het Tja een einde? Ik zal het u zeggen.

Ooit wist ik van niets. Ook dat wist ik niet. Dat was het begin, het kleine tja. Geen idee!

Voor ik het wist, wist ik van alles. Dat was het einde van het kleine tja. Het ja of nee, zeker weten! Het was het begin van het einde.

Nu weet ik weer van niets. Had dat een begin? Heeft het een einde? Wie zal het zeggen – ik niet. Laten we dit hier zolang het midden noemen, het ja noch nee, het Grote Tja.

Zo houden we het in het midden.

108. Leer eerst maar eens één ding kennen

Geïnspireerd door hoofdstuk 52 van de Daodejing

Als je hem vraagt: ‘Leer ons de moeder aller dingen kennen’, zegt Meester Tja: ‘Leer eerst maar eens één ding kennen.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste één ding kennen’, zegt hij: ‘Ik ben je moeder niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons het wezen van de tienduizend dingen kennen’, zegt Meester Tja: ‘Hoe zou ik het wezen kunnen doorgronden? Ik begrijp de verschijningsvorm al niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste de verschijningsvorm kennen’, zegt hij: ‘De ene verschijningsvorm is de andere niet.’

Als je hem vraagt: ‘Leer ons dan tenminste één verschijningsvorm kennen’, zegt hij: ‘Waar zou dat een verschijningsvorm van moeten wezen?’

Als je hem vraagt: ‘Is het wezen gelijk aan de verschijningsvorm?’ zegt Meester Tja: ‘Vraag dat maar aan een ander wezen.’

Als je hem vraagt: ‘Wat is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen?’ zegt hij: ‘Tja is waarlijk de essentie van de tienduizend verschijnselen.’

Als je hem dan vraagt naar de essentie van het Tja, zegt hij alleen maar: ‘Tja.’

Die Meester Tja.

109. Moordenaars en minnaars

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld, onvoorspelbaar als de mens, ondoordringbaar als het lichaam, onbegrijpelijk als de geest. Groot verstand, klein verstand – niemand kan het vatten.

Mensen houden van rechte wegen met mijlpalen en verkeersborden, wegrestaurants en toiletten, rijstroken en vluchtstroken, middenberm en vangrails – veilig en overzichtelijk.

Het Grote Tja is als een dicht woud met tienduizend wildpaadjes kronkelend van hot naar her. De weggetjes zijn overwoekerd, de natuur is wild, onzegbaar – vol leven en vol dood.

Je komt er reuzen tegen en dwergen, simpele zielen en ingewikkelde, moordenaars en minnaars, goedzakken en rotzakken, engelen en spoken – net als in jezelf.

Het Grote Tja is onnavolgbaar als de wereld, onvoorspelbaar als de mens, ondoordringbaar als het lichaam, onbegrijpelijk als de geest. Groot verstand, klein verstand – niemand kan ze vatten.

110. Denk je erover dan denk je het dood

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Begeer je het dan verstopt het zich,
negeer je het dan mis je het.

Doe je er iets mee dan doe je te veel,
doe je er niets mee dan doe je te weinig.

Hou je eraan vast dan rukt het zich los,
laat je het los dan lost het op.

Spreek je erover dan spreek je het weg,
zwijg je erover dan zwijg je het dood.

Weet je het niet dan weet je het wel,
doe je het niet dan doe je het juist,
dus wat is het probleem?

111. De openbaring van het Grote Tja

Geïnspireerd door hoofdstuk 53 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als ik weinig wetende door het Grote Tja wandelde, zo zou ik de openbaring ervan vrezen, maar nu ik alle kennis ontbeer herken ik dát als zijn wezen.

Ik herken het
in velden met gras
en met onkruid.

Ik herken het
in volle graanschuren
en in lege.

Ik herken het
in renpaarden
en in karkassen.

Ik herken het
in klederen rijk van kleur
en verschoten.

Ik herken het
in wandelstokken
en in knuppels.

Ik herken het
in teleurstelling
en in hoop.

Ik herken het
in gierigheid
en in gulheid.

Ik herken het
in soberheid
en in zwelgen.

Ik herken het
in bescheidenheid
en in praalzucht.

Ik herken het
in zorgzaamheid
en in roof.

Ik herken het
in geboorte
en in dood.

Ik herken het
in de duivel
en in god.

Ik herken het
in vrede
en in oorlog.

Ik herken het
in goederen
en in afval.

Ik herken het
in opbouw
en verval.

Ik herken het
en ik vrees het
niet.

112. In je zwakte gaan staan

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie al ontworteld is, kan niet meer ontworteld raken.
Wie al opgegeven heeft, kan niet meer opgeven.
Wie al losgelaten heeft, kan niet meer loslaten.
Wie al ontglipt is, kan niet meer ontglippen.
Wie al verloren is, kan niet meer verliezen.
Wie al gevallen is, kan niet meer vallen.

Daarom:

Alleen wie in zijn zwakte gaat staan, kan de volle kracht van het Tja ervaren. Alleen wie zijn kleinheid volledig realiseert, belichaamt het Grote Tja. Alleen wie Tja heeft, staat zonder fundering toch als een huis.

113. Hoe weet ik dat de wereld is zoals ik hem zie?

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Ik beschouw het Tja als mijn ziel, mijn ziel als mijn lief, mijn lief als mijn thuis, mijn thuis als mijn wijk en mijn wijk als de wijde wereld.

Hoe weet ik dat de wereld, mijn wijk, mijn thuis, mijn lief en mijn ziel zijn zoals ik ze zie?

Ik zie ze niet! Ik weet het niet!

114. Wie is het die wortelt zonder grond?

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Wie is het die sterft zonder gedenken?
Wie is het die gedenkt zonder doden?
Wie is het die doodt zonder schieten?
Wie is het die schiet zonder wortel?
Wie is het die wortelt zonder grond?

Was getekend,

Meester Tja

115. Onafgebroken offer ik mijn denkbeelden op

Geïnspireerd door hoofdstuk 54 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

af

onaf

gebroken

ongebroken

onafgebroken

onafgebroken offer

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer ik
mijn bezittingen op

onafgebroken offer ik
mijn gezondheid op

onafgebroken offer ik
mijn veiligheid op

onafgebroken offer ik
mijn wereld op

onafgebroken offer ik
mijn vrienden op

onafgebroken offer ik
mijn kennis op

onafgebroken offer ik
mijn liefde op

onafgebroken offer ik
mezelf op

onafgebroken offer ik
mijn denkbeelden op

onafgebroken offer ik
mijn zekerheden op

onafgebroken offer ik
mijn illusies op

onafgebroken offer ik
mijn werkelijkheid op

onafgebroken offer ik

onafgebroken offer

onafgebroken

ongebroken

gebroken

onaf

af

116. Wie Tja heeft lijkt op een baby

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft lijkt op een baby.

Een baby kent nog geen binnen en buiten,
nog geen onderscheid en eenheid,
nog geen wijsheid en dwaasheid,
nog geen waarheid en illusie,
nog geen schuld en onschuld,
nog geen hoop en wanhoop,
nog geen gelijk en ongelijk,
nog geen goed en kwaad,
nog geen hoger en lager,
nog geen hier en daar,
nog geen mijn en dijn,
nog geen zelf en Zelf,
nog geen ik en jij.

Zijn doen is nog zonder doen.
Zijn wil is nog zonder wil.
Hij dringt nog niet op of aan
en alles gaat nog spontaan.

Maar wie Tja heeft is geen baby.

Hij heeft geen binnen en buiten meer,
geen onderscheid en eenheid meer,
geen wijsheid en dwaasheid meer,
geen waarheid en illusie meer,
geen schuld en onschuld meer,
geen hoop en wanhoop meer,
geen gelijk en ongelijk meer,
geen goed en kwaad meer,
geen hoger en lager meer,
geen hier en daar meer,
geen mijn en dijn meer,
geen zelf en Zelf meer,
geen ik en jij meer.

Zijn denken is weer zonder denken.
Zijn weten is weer zonder weten.
Hij dringt niet meer op of aan
en alles gaat weer spontaan.

117. Maar dan komt de borst en de melk vloeit vanzelf

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie overvloed aan Tja heeft
lijkt op een pasgeboren kindje.

Het kindje wordt gestoken
en het snapt niet waardoor.

Wilde beesten bespringen het
en het weet niet waarvandaan.

Roofvogels pikken het
en het weet niet waarmee.

Zijn beenderen geven steun
maar het vermoedt ze niet.

Het kindje grijpt stevig
maar het weet niet waarnaar.

Zijn ogen zijn scherp
maar het kan ze niet zien.

Het is altijd maar moe
en het weet niet waarvan.

Zijn plasser wordt stijf
maar het weet niet waartoe.

Het brabbelt maar door
en het weet niet waarvoor.

Het schreeuwt en het schreeuwt
en het weet niet naar wie en
het weet niet waarmee en
het weet niet waarom.

Maar dan komt de borst en de melk vloeit vanzelf.

118. Het Grote Tja heeft een klein kind van mij gemaakt

Ik weet niet meer, ik kan niet meer, ik doe niet meer, en alles gaat vanzelf.

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja heeft een klein kind van mij gemaakt.

Ik weet mij niet te kleden, het zijn mijn handen die het voor me doen.

Ik weet mij niet te voeden, het is mijn mond die het voor me doet.

Ik weet niet hoe te kijken, het zijn mijn ogen die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te luisteren, het zijn mijn oren die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te ademen, het zijn mijn longen die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te minnen, het zijn mijn lendenen die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te strijden, het zijn mijn vuisten die het voor me doen.

Ik weet niet hoe te rusten, het is mijn lichaam dat het voor me doet.

Ik weet niet hoe te voelen, het is mijn hart dat het voor me doet.

Ik weet niet hoe te denken, het is mijn geest die het voor me doet.

Ik weet niet hoe te spreken, het is mijn tong die het voor me doet.

Ik weet niet meer.

Ik kan niet meer.

Ik doe niet meer.

En alles gaat.

Vanzelf.

119. Net als iedereen, alleen

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft is net als iedereen.

Wespen kunnen hem steken.
Slangen kunnen hem bijten.
Dieren kunnen hem grijpen.
Vogels kunnen hem aanvallen.

Zijn beenderen zijn taai of breekbaar.
Zijn spieren zijn sterk of zwak.
Zijn hand balt zich en ontspant.
Zijn lid wordt stijf en slap.

Hij is nu eens rustig, dan weer onrustig.
Vandaag zorgeloos, morgen bedrukt.
’s Morgen sereen, ’s avonds prikkelbaar.
Bij de een spontaan, bij de ander gemaakt.

Wie Tja heeft is net als iedereen, alleen,
hij heeft zich erbij neergelegd
en dat is het verschil.

120. Slijp de lachspiegels

Geïnspireerd door hoofdstuk 55 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja opent de sluizen,
dempt de loopgraven,
slijpt de lachspiegels,
verbreedt de blik,
ontzekert de geest,
dimt wat verblindt,
licht bij in het duister,
vermenigvuldigt visies,
ontsluit heilige huisjes,
vermindert onderscheid
en verbreekt eenheid.

Ze zegt waar het op staat, maar staat niet op wat ze zegt.

121. Wie niet-weet die niet-spreekt

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie spreekt die weet. Wie niet-weet die niet-spreekt.

Dan is er geen intimiteit of afstandelijkheid meer,
geen spontaniteit of gemaaktheid,
geen eenvoud of complexiteit,
geen spreken of niet-spreken,
geen weten of niet-weten,
geen voordeel of nadeel,
geen deugd of ondeugd,
geen juist of onjuist,
geen hoog of laag,
geen Tao of Tja,
geen nee of ja.

Wie zijn hoofd in de wolk van niet-weten heeft, staat met beide benen op de grond.

122. Zwervende ben ik nimmer onderweg

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Niet wetende waarheen te gaan,
blijf ik kennelijk toch niet staan.
Gaande blijf ik nochtans op mijn plaats.
Thuis ben ik immer in den vreemde.
Zwervende ben ik nimmer onderweg.

123. De wijze ontwikkelt zijn verwarring

Geïnspireerd door hoofdstuk 56 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De dwaas ontwikkelt zijn verwikkeling
tot alles hem helder is.

Dit heet dualiteit.

De wijze ontwikkelt zijn verwarring
tot alles hem duister is.

Wat heet.

124. Weet niet, en je geest vindt zijn eigen weg

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie rent, dwingt zijn lichaam.
Wie weet, dwingt zijn geest.
Wie streeft, dwingt zijn hart.
Wie eist, dwingt de ander.
Wie doet, dwingt de wereld.

Ren niet, en je lichaam vindt zijn eigen weg.
Weet niet, en je geest vindt zijn eigen weg.
Streef niet, en je hart vindt zijn eigen weg.
Eis niet, en de ander vindt zijn eigen weg.
Doe niet, en de wereld vindt zijn eigen weg.

125. Waarmee overwint men wijsheid?

Geïnspireerd door hoofdstuk 57 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Met redelijkheid regeert men de staat,
maar waarmee regeert men redelijkheid?

Met wetten beheerst men de misdaad,
maar waarmee beheerst men de wet?

Met wapens bestrijdt men de vijand,
maar waarmee bestrijdt men de wapens?

Met niet doen wint men het rijk,
maar waarmee wint men het niet doen?

Met woorden voert men het debat,
maar waarmee voert men de woorden?

Met listen voert men oorlog,
maar waarmee voert men de listen?

Met mededogen bestrijdt men hardvochtigheid,
maar waarmee bestrijdt men mededogen?

Met kennis vernietigt men onwetendheid,
maar waarmee vernietigt men kennis?

Met wijsheid overwint men dwaasheid,
maar waarmee overwint men wijsheid?

126. De weetnietgeest is zelfontspannend

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hoe meer geboden en verboden je erop nahoudt, hoe ingewikkelder je leven. Hoe meer afweermechanismen je ontwikkelt, hoe meer je er in stelling moet brengen. Hoe meer spullen je verzamelt, hoe meer je er moet beheren.

Wie het goede verdedigt en het kwade bestrijdt, bevindt zich tussen twee vuren die hij zelf heeft aangestoken. Wie het geluk zoekt en het ongeluk mijdt, rent gillend van hot naar her. Wie fanatiek recht wil zijn in een of andere leer, zal kromtrekken door de hitte van zijn hartstocht.

Is de geest gespannen, dan is hij hard en ernstig. Is de geest ontspannen, dan is hij zacht en speels. De weetnietgeest is zelfontspannend. Hoe dat kan?

De weetnietgeest kent het goede niet van het kwade, het geluk niet van het ongeluk, het rechte niet van het kromme.

De weetnietgeest is niet zo bezig met geboden en verboden, met aanvallen en verdedigen, met verzamelen en beheren.

De weetnietgeest streeft er niet naar dit of dat bereiken, te zijn of te lijken. Hij is wat hij is, maar weet niet wat of waarom.

De weetnietgeest is niet duister en niet licht. Dat is zijn enige luister.

127. Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Bestuur is waardoor wanorde zich handhaaft
Wanorde is waarmee bestuur zich billijkt

Welvaart is waarin het gebrek zich toont
Gebrek is waarin welvaart ontluikt

Dwaasheid is waarvan wijsheid bevrijdt
Wijsheid is waarin dwaasheid gedijt

128. Gelukkig de mens die niet weet

Geïnspireerd door hoofdstuk 58 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Gelukkig de mens
die niet weet

Gelukkig de mens
die niet weet
wat goed is

Gelukkig de mens
die niet weet
wat waar is

Gelukkig de mens
die niet weet
wat werkelijk is

Gelukkig de mens
die niet weet
wat wijs is

Gelukkig de mens
die niet weet
wat de mens is

Gelukkig de mens
die niet weet
te verdelen

Gelukkig de mens
die niet weet
te verenigen

Gelukkig de mens
die niet weet
van niet-weten

Gelukkig de mens
die niet weet
wat geluk is

Gelukkig de mens
die niet weet

129. Grote tradities zijn niet vrij

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Grote legers zijn niet beweeglijk.
Grote organisaties zijn niet flexibel.
Grote tradities zijn niet vrij.

Veel voorraad is niet beheersbaar.
Veel eten ligt zwaar op de maag.
Veel weten belast de geest.

Daarom legt de wijze geen voorraden aan.
Heeft hij ze toch, dan rekent hij er niet op.
Hij verzamelt noch kennis noch wijsheid.
Doet hij het toch, dan rekent hij er niet op.

Zo schept hij ruimte voor zijn gedachten,
zijn gevoelens, zichzelf en zijn medemens.
Met ruimte vult hij zijn hoofd en zijn hart.
Met leegte vult hij zijn bestaan.

Ruimte maakt beweeglijk.
Ruimte maakt flexibel.
Ruimte maakt vrij.

Leegte vraagt geen beheersing.
Leegte is licht verteerbaar.
Leegte verruimt de geest.

130. Een doolhof voor zoekers naar inzicht

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Er is geen weg voor een lang leven en durend inzicht. Er is alleen een doolhof voor een onbestemd leven met wisselend uitzicht.

Hij zegt ook:

Er is geen doolhof voor een onbestemd leven met wisselend uitzicht. Behalve voor zoekers naar een lang leven en durend inzicht.

131. Rijk zonder grenzen

Geïnspireerd door hoofdstuk 59 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Kent niemand zijn grenzen, dan is er geen rijk om te regeren. Kent niemand het rijk, dan zijn er geen grenzen om te bewaken.

Wie Tja heeft, kan lang aanblijven.

132. Woorden tegen woorden

Geïnspireerd door hoofdstuk 60 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie Tja heeft, vereert geen woorden.

Niet die van de goden.
Niet die van de tradities.
Niet die van de priesters.
Niet die van de exegeten.
Niet die van de meesters.
Niet die van de sjamanen.
Niet die van de goeroes.
Niet die van de coaches.
Niet die van de voorouders.
Niet die van de wijsgeren.
Niet die van de wetenschappers.
Niet die van de moralisten.
Niet die van de nihilisten.
Niet die van de politici.
Niet die van de psychologen.
Niet die van de therapeuten.
Niet die van de artsen.
Niet die van de mensen.
Niet die van hemzelf.

Wie Tja heeft gebruikt de macht van de woorden om hun macht te breken. Hij gebruikt hun bevrijdende werking om zich ervan te bevrijden.

Ook deze woorden vereert hij niet.

133. Wie weet hoe hij ter wereld komt?

Geïnspireerd door hoofdstuk 60 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Je bestuurt een staat zoals je een provincie bestuurt.
Je bestuurt een provincie zoals je een stad bestuurt.
Je bestuurt een stad zoals je een dorp bestuurt.
Je bestuurt een dorp zoals je een wijk bestuurt.
Je bestuurt een wijk zoals je een straat bestuurt.
Je bestuurt een straat zoals je je gezin bestuurt.
Je bestuurt je gezin zoals je je leven bestuurt.
Je bestuurt je leven zoals je je lichaam bestuurt.
Je bestuurt je lichaam zoals je je geest bestuurt.
Je bestuurt je geest zoals je je hart bestuurt.
Je bestuurt je hart zoals je kleine visjes braadt.
Je braadt kleine visjes zoals je ter wereld komt.

Wie weet hoe hij ter wereld komt?

134. Hoe het vrouwelijke het mannelijke overwint

Geïnspireerd door hoofdstuk 61 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Noemen we Ja en Nee mannelijk, dan mag Tja vrouwelijk heten.

Ja neemt, Nee weert. Tja ontvangt en geeft weg.

Ja en Nee zoeken de uitersten. Tja houdt het midden.

Ja en Nee bedienen zich van woorden, Tja bedient zich van stilte. Bedient ze zich toch van woorden, dan neemt ze die steeds terug.

Zwakte is de kracht van Tja, kleinheid haar grootte. Ze wijkt ter toenadering, aarzelt ter bevestiging. Ze antwoordt met vragen, leidt door te volgen, doet door te laten en weet te vergeten.

Terwijl Ja de wereld schaakt en Nee het fort bewaakt, bewaart Tja haar kalmte.

Zo overwint het vrouwelijke het mannelijke.

135. Een grote schat zonder waarde

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Tja is niets waard, toch is zij een grote schat. Ze laat zich niet nemen, maar ze is er voor iedereen. Ze werkt nooit, maar haar werking is onvoorstelbaar.

Waarom ziet zij nooit iets in? Omdat ze overal doorheen kijkt.

Waarom prijst ze niemand? Omdat ze geen deugden kent.

Waarom vergeeft ze niemand? Omdat ze geen zonden kent.

Waarom laat ze zich nooit kennen? Omdat ze niet-kennen is.

Waarom laat ze zich niet vinden? Omdat ze niet-zoeken is.

Waarom laat ze zich niet kleineren? Omdat ze geen grootte heeft.

Waarom laat ze zich niet op een voetstuk zetten? Omdat ze hoogten vreest.

Waarom heeft ze geen gladde woorden nodig? Omdat ze niets te zeggen heeft.

136. Zoeken is loochenen

Geïnspireerd door hoofdstuk 62 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie zuiver geluk zoekt
loochent zijn lijden

Wie opperste leegte zoekt
loochent zijn volheid

Wie bestendige rust zoekt
loochent zijn onrust

Wie diepe wijsheid zoekt
loochent zijn dwaasheid

Wie ongerept niet-weten zoekt
loochent zijn weten

Wie oneindige eeuwigheid zoekt
loochent zijn vergankelijkheid

Wie het einde van het zoeken zoekt
loochent zijn loochenen

137. Wie Tja heeft, weet niet hoe het moet

Geïnspireerd door hoofdstuk 63 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Weet door niet te weten.
Wees door niet te wezen.
Denk door niet te denken.
Wil door niet te willen.
Stuur door niet te sturen.
Geef door niet te geven.
Neem door niet te nemen.
Heb door niet te hebben.
Doe door niet te doen.
Ga door niet te gaan.
Sta door niet te staan.
Zeg door niet te zeggen.
Zwijg door niet te zwijgen.

Meer heeft het Tja niet om het lijf.
Hoe ik dat weet? Ik weet het niet!
Hoe dat dan moet? Je moet het niet!

Wie Tja heeft, weet niet hoe het moet.
Dat is alles wat hij doet.

138. Wie kan zeggen wanneer?

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Soms moet je voorbereiden treffen, soms moet je impulsief zijn. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je vroeg ingrijpen, soms moet je lang afwachten. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je voorraden aanleggen, soms moet je ze opmaken. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je onderzoek doen, soms moet je handelen. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je dreigen, soms moet je toeslaan. Wie kan zeggen wanneer?

Soms moet je opereren, soms moet je ervan afzien. Wie kan zeggen wanneer?

Ook de wijze doet maar wat, alleen verhult hij het niet meer. Hij kan er wel om lachen, nu, noem dat desnoods zijn leer.

139. Een leven begint met een val en eindigt met een val

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een boom van honderd meter
begint met een hoop molm
en eindigt met een hoop molm

Een toren van honderd verdiepingen
begint met een hoop zand
en eindigt met een hoop zand

Een tocht van duizend mijlen
begint met een verblijf
en eindigt met een verblijf

Een rijk van duizend jaren
begint met chaos
en eindigt met chaos

Een leven lang of kort
begint met een val
en eindigt met een val

Een woord lang of kort
begint met stilte
en eindigt met stilte

140. Stilte begint met een woord en eindigt met een woord

Geïnspireerd door hoofdstuk 64 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een hoop molm
begint met een boom
en eindigt met een boom

Een hoop zand
begint met een gebouw
en eindigt met een gebouw

Een verblijf
begint met een tocht
en eindigt met een tocht

Chaos
begint met een rijk
en eindigt met een rijk

Een val
begint met een leven
en eindigt met een leven

Stilte
begint met een woord
en eindigt met een woord

141. Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit

Geïnspireerd door hoofdstuk 65 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie bedreven is in het Tja gebruikt het nergens voor.

Niet om slimmer te worden.
Niet om dommer te worden.

Niet om groter te lijken.
Niet om kleiner te lijken.

Niet om zijn leven te regelen.
Niet om zijn leven te ontregelen.

Niet om mensen te vangen.
Niet om mensen te bevrijden.

Wie thuis is in het Tja neemt het niet mee uit.

142. De wolk van niet-weten

Nacht en Nevel

Geïnspireerd door hoofdstuk 65 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Was het Tja een wezen dan was het ongrijpbaar.
Was het een dier dan was het ontembaar.
Was het een gestalte dan was zij onzichtbaar.
Was het een gedachte dan was ze ondenkbaar.

O nacht! O duisternis!
In uw diepten is geen diepte.
O duisternis! O nacht!
In uw midden louter niets.

Was het Tja een leer dan was hij onverdedigbaar.
Was het een stelling dan was zij onhoudbaar.
Was het een symbool dan was hij onduidbaar.
Was het een boodschap dan was ze onbestelbaar.

O nevel! O mistbank!
In uw flanken heerst verwarring.
O mistbank! O nevel!
In uw midden louter rust.

143. De weg van de minste

Geïnspireerd door hoofdstuk 66 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Alle stromen vinden vanzelf de zee, die van alle wateren het laagst gelegen is. De laagste zal de grootste zijn.

Ieder Ja en Nee mondt uit in het Tja, waaraan niets gelegen is. De leegste zal de laagste zijn.

De weg van het Tja is de weg van de zee. Daarom plaatst de wijze zich onderaan.

Hij leidt niet en lijdt er niet onder.
Hij volgt niet en wordt niet vervolgd.
Hij wijst niet en wordt niet gevolgd.
Hij bezit niet en wordt niet bezeten.
Hij twist niet en wordt niet betwist.
Hij weet niet, dus hij weet niet beter.

De weg van de wijze is de weg van het licht. Licht vindt vanzelf het gat dat het duisterst is.

Dit heet: de weg van de minste.

144. Een onbekende grootheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 67 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Klein ben ik, noch groot, maar onvergelijkbaar als het onbekende.

Er zijn geen regels die ik volg, geen principes die ik hanteer, geen schatten die ik koester.

Ik doe niet aan terughoudendheid.
Ik doe niet aan vasthoudendheid.
Ik doe niet aan rechtvaardigheid.
Ik doe niet aan barmhartigheid.
Ik doe niet aan deugdzaamheid.
Ik doe niet aan vriendelijkheid.
Ik doe niet aan goedgeefsheid.
Ik doe niet aan spontaniteit.
Ik doe niet aan dapperheid.
Ik doe niet aan eerlijkheid.
Ik doe niet aan soberheid.
Ik doe niet aan eenvoud.
Ik doe niet aan geduld.
Ik doe niet aan liefde.
Ik doe niet aan Tao.
Ik doe niet aan Tê.

Klein ben ik, noch groot. Onvergelijkbaar zelfs met het onbekende.

Mijn naam is Meester Tja.

145. Een wijze krijger is geen hebber

Geïnspireerd door hoofdstuk 68 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een gewone krijger heerst over zijn wapens.
Een goede krijger heerst over zijn gevoelens.
Een wijze krijger heerst niet.

Hij heerst niet over zijn wapens.
Hij heerst niet over zijn emoties.
Hij heerst niet over zijn bezittingen.
Hij heerst niet over zijn lichaam.
Hij heerst niet over zijn geest.
Hij heerst niet over zijn tong.
Hij heerst niet over het leven.
Hij heerst niet over de dood.

Wie nergens over heerst, heeft niets. Wie niets heeft, heeft niets om voor te strijden.

Een wijze krijger is geen hebber.

146. Er is geen geest, behalve in je geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 69 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Er zijn geen vijanden, behalve in je geest
Er zijn geen vrienden, behalve in je geest

Er is geen haat, behalve in je geest
Er is geen liefde, behalve in je geest

Er is geen oorlog, behalve in je geest
Er is geen vrede, behalve in je geest

Er zijn geen helden, behalve in je geest
Er zijn geen lafaards, behalve in je geest

Er zijn geen winnaars, behalve in je geest
Er zijn geen verliezers, behalve in je geest

Er zijn geen landen, behalve in je geest
Er zijn geen grenzen, behalve in je geest

Er is geen daar, behalve in je geest
Er is geen hier, behalve in je geest

Er is geen ander, behalve in je geest
Er is geen zelf, behalve in je geest

Er is geen onderscheid, behalve in je geest
Er is geen eenheid, behalve in je geest

Er is geen doel, behalve in je geest
Er is geen weg, behalve in je geest

Er is geen Tao, behalve in je geest
Er is geen Tja, behalve in je geest

Er is geen geest, behalve in je geest
En ook niet-weten is er nooit geweest

147. Ervaring zegt niets

Geïnspireerd door hoofdstuk 69 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Eens heb ik een ervaren krijgsman horen zeggen: ‘Ik durf niet te beginnen, ik wacht liever af.’ Een tweede zei: ‘Ik durf niet af te wachten, ik begin liever.’ Een derde zei: ‘Men moet beginnen én afwachten.’ Een vierde zei: ‘Men moet afwachten noch beginnen.’

Een vijfde zei: ‘Ik durf geen duim vooruit te gaan, ik ga liever een voet terug.’ Een zesde zei: ‘Ik durf geen duim terug te gaan, ik ga liever een voet vooruit.’ Een zevende zei: ‘Men moet achterwaarts vooruit gaan.’ Een achtste zei: ‘Men moet naar voren noch naar achteren gaan.’

Een negende zei: ‘Men moet voorgaan zonder gaan.’ Een tiende zei: ‘Men moet gaan zonder voorgaan.’ Een elfde zei: ‘Men moet gaande voorgaan.’ Een twaalfde zei: ‘Men moet gaan noch voorgaan.’

Een dertiende zei: ‘Men moet dreigen zonder de armen te strekken.’ Een veertiende zei: ‘Men moet de armen strekken zonder dreigen.’ Een vijftiende zei: ‘Men moet dreigen en de armen strekken.’ Een zestiende zei: ‘Men moet dreigen noch de armen strekken.’

Een zeventiende zei: ‘Men moet opdringen zonder weerstand te wekken.’ Een achttiende zei: ‘Men moet weerstand wekken zonder op te dringen.’ Een negentiende zei: ‘Men moet weerstand wekken en opdringen.’ Een twintigste zei: ‘Men moet opdringen noch weerstand wekken.’

Een eenentwintigste: ‘Men moet aangrijpen zonder te wapenen.’ Een tweeëntwintigste zei: ‘Men moet wapenen zonder aan te grijpen.’ Een drieëntwintigste zei: ‘Men moet wapenen en aangrijpen.’ Een vierentwintigste zei: ‘Men moet aangrijpen noch wapenen.’

Een vijfentwintigste zei: ‘Goed dat ik ten strijde ben getrokken.’ Een zesentwintigste zei: ‘Was ik maar thuis gebleven.’ Een zevenentwintigste zei: ‘Ik had thuis ten strijde moeten trekken.’ Een achtentwintigste zei: ‘Was ik maar ten strijde getrokken noch thuisgebleven.’

Meester Tja zei niets. Hij had geen ervaring.

148. Woorden zijn geen heiligen

Geïnspireerd door hoofdstuk 70 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Woorden zijn maar woorden. Wie er heilig in gelooft, zal het Grote Tja nooit kennen.

Principes zijn maar woorden.
Dogma’s zijn maar woorden.
Normen zijn maar woorden.
Waarden zijn maar woorden.
Geschriften zijn maar woorden.
Voorschriften zijn maar woorden.
Openbaringen zijn maar woorden.
Exegeses zijn maar woorden.
Soetra’s zijn maar woorden.
Koans zijn maar woorden.
Geloften zijn maar woorden.
Beloften zijn maar woorden.
Wensen zijn maar woorden.
Meningen zijn maar woorden.
Kritieken zijn maar woorden.
Beledigingen zijn maar woorden.
Bedreigingen zijn maar woorden.
Fatwa’s zijn maar woorden.
Vloeken zijn maar woorden.
Vervloekingen zijn maar woorden.
Uitdagingen zijn maar woorden.
Kranten zijn maar woorden.
Boeken zijn maar woorden.
Pamfletten zijn maar woorden.
Diagnoses zijn maar woorden.
Contracten zijn maar woorden.
Wetten zijn maar woorden.
Oordelen zijn maar woorden.
Vonnissen zijn maar woorden.

Woorden, woorden, woorden. Ook het Grote Tja is maar een woord. Wie er heilig in gelooft, zal het Grote Tja nooit kennen.

149. Weten is geen kwaal, niet-weten geen remedie

Geïnspireerd door hoofdstuk 71 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

1.

Weten is hoog. Niet-weten is hoger. Weten van niet-weten is het hoogst. Niet weten van niet-weten – wie kan zeggen hoe hoog dat is?

Wie zelfs niet weet van niet-weten, kent het hoge niet van het lage, het weten niet van niet-weten. Hij ziet het ene niet als kwaal, het andere niet als remedie.

2.

Weten is hoog.

Niet weten is hoger.

Weten van niet weten is het hoogst.

Niet weten van niet weten is nog hoger.

Weten van niet weten van niet weten is hoger nog.

De slotzin van deze oneindige reeks kennen is het allerhoogst.

De hele reeks in één keer doorgronden is het allerallerhoogst.

Het allerallerhoogste niet van het allerallerlaagste weten heet Tja.

Wie kan zeggen hoe hoog dat is?

150. De wijze gaat overal voorbij

Geïnspireerd door hoofdstuk 71 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Kennis is geen wijsheid. Kennis van niet-weten is geen niet-weten.

Ontzag is geen wijsheid. Ontzag voor niet-weten is geen niet-weten.

Geloof is geen wijsheid. Geloven in niet-weten is geen niet-weten.

De wijsheid voorbij alle wijsheid gaat overal voorbij, zelfs aan het voorbijgaan. Dit heet het Grote Tja.

151. De wijze heeft geen idee

Geïnspireerd door hoofdstuk 72 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Sommige heersers menen hun onderdanen vrees aan te moeten jagen, andere menen hen gerust te moeten stellen.

Sommige heersers menen hun onderdanen te moeten onderdrukken, andere menen het hen naar de zin te moeten maken.

Sommige heersers menen hun onderdanen voor te moeten schrijven waar ze mogen wonen, andere menen dat ze zich vrij moeten kunnen vestigen.

Sommige heersers menen hoge belastingen te moeten heffen, andere menen de belastingen laag te moeten houden.

Wat hebben al deze heersers met elkaar gemeen? Ze menen de mens te kennen, en de manier om over hem te heersen.

De wijze kent de mens niet en geeft het gewoon toe. Hij kent zichzelf niet en laat het gerust zien. Hij weet niet wat van buiten komt en niet wat binnen is.

Heerst een mens over zijn zelfbeheersing? Heerst een heerser over zijn heerszucht? Is een meester meester over zijn meesterschap?

De wijze heeft geen idee.

152. De wijze weet van toeten noch blazen

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Hij kent zijn vijanden niet van zijn vrienden,
zijn vrienden niet van zijn vijanden.

Hij kent zichzelf niet van de ander,
de ander niet van zichzelf.

Hij weet niet wat strijden is.
Hij weet niet waarvoor te strijden.
Hij weet niet wat terugtrekken is
of waarheen zich terug te trekken.

De wijze weet van toeten noch blazen.
Daarom kan niemand met hem strijden
of de strijd met hem vermijden.

153. Niet-weten is geen kunst

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Niet-weten heeft vele facetten:

Niet weten te onderbouwen.

Niet weten te onderscheiden.

Niet weten te verenigen.

Niet weten uit te sluiten.

Niet weten te oordelen.

Niet weten te kiezen.

Niet weten te vatten.

Niet weten te doen.

Niet weten te laten.

Niet weten te zeggen.

Niet weten te zwijgen.

Niet-weten heeft vele facetten, en toch is het geen diamant. Het heeft vele kanten en toch is het geen kunst. Niet-weten is een onvermogen. Niemand kan het niet.

154. Wie gaat zonder gaan is weg van de weg

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

wie doet
zonder doen
die slaagt
noch faalt

wie laat
zonder laten
laat toch
niet na

wie strijdt
zonder strijden
weerstaat
noch berust

wie zegt
zonder zeggen
die spreekt
noch zwijgt

wie gaat
zonder gaan
is weg
van de weg

155. Het net van niet-weten

Geïnspireerd door hoofdstuk 73 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het net van niet-weten wordt vergeefs uitgeworpen. De mazen zijn ontzaglijk en iedereen ontsnapt.

156. Woord en doodslag

Geïnspireerd door hoofdstuk 74 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De man die doodt uit naam van de staat noemt men een scherprechter. De man die doodt uit naam van zichzelf noemt men een moordenaar. Wat is de overeenkomst?

De man die gedood wordt op persoonlijke titel noemt men een slachtoffer. De man die gedood wordt in naam der wet noemt men een dader. Wat is het verschil?

De man die beroepsmatig doodt, noemt men een vakman. De man die zelden doodt noemt men een amateur. Wie heeft u liever?

De man die woorden vermoordt heet een weetniet. De man die moorden verwoordt een schrijver. Wie leest u liever?

Tja, ik was er al bang voor.

157. Tien denkbeelden over de geest

Geïnspireerd door hoofdstuk 75 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

1. Kennis maakt de geest traag.

2. Idealen maken de geest fanatiek.

3. Overtuigingen maken de geest onhebbelijk.

4. Speculaties maken de geest zweverig.

5. Wijsheid maakt de geest pedant.

6. Doelen maken de geest jachtig.

7. Tradities maken de geest star.

8. Ambities maken de geest hard.

9. Argumenten maken de geest twistziek.

10. Denkbeelden maken de geest blind.

Dit waren tien denkbeelden over de geest.

Wie Tja heeft, heeft niets.

Wie niets heeft, heeft niets teveel.

158. Onvergankelijk is alleen de hoop op eeuwig leven

Geïnspireerd door hoofdstuk 76 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Nog vóór mens en dier geboren worden zijn ze ten dode opgeschreven. Ze sterven soepel en sterk of stijf en zwak, afhankelijk van hun leeftijd.

Nog voor dieren en planten geboren worden zijn ze ten dode opgeschreven. Ze sterven zacht en teer of dor en droog, afhankelijk van hun leeftijd.

Stijfheid en sterkte, soepelheid en zwakte – alle zijn volgelingen van het leven. Alle zijn voorboden van de dood.

Want een boom die zwak staat zal omwaaien. Een boom die sterk staat zal verbranden. Een boom die staat als een berg zal van binnenuit wegrotten.

Een leger dat zwak staat zal weggevaagd worden. Een leger dat sterk staat zal door list verslagen worden. Een leger dat onverslaanbaar is zal zichzelf overbodig maken.

Onvergankelijk is alleen de hoop op eeuwig leven.

159. Wijsheid in de wind

Geïnspireerd door hoofdstuk 76 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Een wijze is als een boom
geplant aan stromend water

Vanzelf loopt hij uit
Vanzelf draagt hij bloesem
Vanzelf draagt hij vrucht
Vanzelf verdorren zijn bladeren
Vanzelf breken zijn takken
Vanzelf rotten zijn wortels
Vanzelf valt hij om

Niets wordt hem onthouden
Niets blijft hem bespaard
Zijn wijsheid is als blad
dat verwaait in de wind

160. De wijze heeft al zijn pijlen verschoten

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja lijkt op het afschieten van een pijl. Zodra de pijl wegvliegt, kan de boog ontspannen. Zodra een gedachte is doorzien, kan de geest ontspannen.

De weg van de mens bestaat erin al zijn pijlen op zijn boog te houden en de wereld te bezien door zijn koker.

De wijze heeft zijn pijlen verschoten en houdt het voor gezien.

161. Geen enkele weg loopt verder

Geïnspireerd door hoofdstuk 77 van de Daodejing

in niet-weten loopt geen enkele weg

dood

geen enkele weg

loopt verder

162. Met water weet je het maar nooit

Geïnspireerd door hoofdstuk 78 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Als ijs bedekt het zee en land.
Als wolk brengt het regen en mist.
Als golf brengt het redding en dood.
Als stoom drijft het aan en verbrandt.
Als vloeistof vult het de diepste spleten.
Als sneeuw bedekt het de hoogste toppen.
Het is zacht bij lage snelheid, hard bij hoge.
Het holt grotten uit en vult ze met druipsteen.
Het verdrinkt de mensen en verlucht de vissen.
Het doet planten groeien en wortels rotten.
Het vormt stranden en vernietigt duinen.
Waarlijk, met water weet je maar nooit.
Toch treft het faam noch blaam.

Hierin komt water het Tja nabij.

163. Ware vrijheid kent geen vrijheid

Geïnspireerd door hoofdstuk 79 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Wie overal vrede zoekt
zal overal oorlog zien
en erover oordelen

Ware vrede kent geen vrede
Geen ware en geen valse

Wie overal liefde zoekt
zal overal haat zien
en erover oordelen

Ware liefde kent geen liefde
Geen ware en geen valse

Wie overal deugd zoekt
zal overal ondeugd zien
en erover oordelen.

Ware deugd kent geen deugd
Geen ware en geen valse

Wie overal echtheid zoekt
zal overal valsheid zien
en erover oordelen

Ware echtheid kent geen echtheid
Geen ware en geen valse

Wie overal zachtheid zoekt
zal overal hardheid zien
en erover oordelen

Ware zachtheid kent geen zachtheid
Geen ware en geen valse

Wie overal eenvoud zoekt
zal overal complexiteit zien
en erover oordelen

Ware eenvoud kent geen eenvoud
Geen ware en geen valse

Wie overal wijsheid zoekt
zal overal dwaasheid zien
en erover oordelen

Ware wijsheid kent geen wijsheid
Geen ware en geen valse

Wie overal vrijheid zoekt
zal overal gebondenheid zien
en erover oordelen

Ware vrijheid kent geen vrijheid
Geen ware en geen valse

164. Waarom de wijze nergens op rekent

Geïnspireerd door hoofdstuk 80 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Laat er een klein land zijn met weinig inwoners of een groot land met veel inwoners.

Volk dat de dood vreest, zal daarom of ergens anders om of zonder duidelijke reden tijdelijk of voorgoed thuis blijven, in de buurt blijven of wegtrekken.

Zijn er boten en wagens, dan zal men reden vinden erin plaats te nemen en reden eruit te blijven. Zijn er geen boten of wagens, dan zal men reden vinden ze te vervaardigen en reden dat te verbieden.

Zijn er kurassen, dan zal men reden vinden ze om te gorden en reden ze af te leggen. Zijn er wapens, dan zal men reden vinden ze te tonen en reden ze te verbergen. Zijn er geen kurassen of wapens, dan zal men reden vinden ze te maken en reden dat te verbieden.

Keert men terug tot het gebruik van geknoopte touwtjes, dan zal men reden vinden zich toch weer van het schrift te bedienen en reden om het voorgoed te af te schaffen. Houdt men het bij het schrift, dan zal men reden vinden terug te keren tot geknoopte touwtjes en reden die voorgoed te verbieden.

Vind men zijn eten lekker, zijn kleren mooi, zijn woning vredig en zijn gebruiken prettig, dan zal men toch reden vinden iets anders te proberen. Zodra het nieuwe aanslaat, zal men reden vinden terug te keren tot het oude.

Ligt een buurland zo ver weg dat de hanen en honden van weerskanten elkaar niet kunnen horen, dan zal men reden vinden de banden aan te halen. Zoekt het volk van buurlanden elkaar op, dan zal het reden vinden de banden te verbreken.

Want het volk vindt overal reden voor. Maar nooit vindt het reden voor zijn reden, of daar weer reden voor.

Daarom houdt de wijze overal rekening mee, maar rekent nergens op.

165. Bij wijze van zwijgen

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Het Grote Tja brengt geen kennis en geen onwetendheid, maar kennis-noch-onwetendheid.

Het brengt geen goedheid en geen slechtheid, maar goedheid-noch-slechtheid.

Het brengt geen voordeel en geen nadeel, maar voordeel-noch-nadeel.

Het brengt geen geluk en geen ongeluk, maar geluk-noch-ongeluk. Het brengt geen hemel en geen hel, maar hemel-noch-hel.

Het brengt geen doen en geen laten, maar doen-noch-laten.

Dit alles bij wijze van zwijgen.

166. Hoe de wijze dwaasheid en wijsheid vermijdt

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

De wijze wijst geen kennis af.
Zo vermijdt hij dwaasheid.

De wijze stapelt geen kennis op.
Zo vermijdt hij wijsheid.

167. Ware woorden ontwoorden

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing

Meester Tja zegt:

Dwaze woorden ontwarren, wijze woorden verwarren.

Oppervlakkige woorden zijn logisch, diepe woorden zijn tegenstrijdig.

Onware woorden antwoorden, ware woorden ontwoorden.

Lege woorden vullen niet, volle woorden legen.

Wie Tja heeft, pot niet op
Zijn leer is eeuwig
leeg

168. Niet tellen, niet noemen

Geïnspireerd door hoofdstuk 81 van de Daodejing

Meester Tja is een ongebroken breuk.

Hij heeft geen teller.
Hij heeft geen noemer.

Hij telt niet tot nul.
Hij telt niet tot een.
Hij telt niet tot twee.
Hij telt niet tot niet-twee.
Hij telt niet tot drie.
Hij telt niet tot veel.

Hij noemt het geen alles.
Hij noemt het geen niets.
Hij noemt het geen god.
Hij noemt het geen boeddha.
Hij noemt het geen tao.
Hij noemt het geen tja.
Hij noemt het geen zelf.
Hij noemt het geen bron.
Hij noemt het geen waarheid.
Hij noemt het geen wijsheid.
Hij noemt het geen bewustzijn.
Hij noemt het geen non-dualiteit.
Hij noemt het geen werkelijkheid.
Hij noemt het geen illusie.
Hij noemt het geen het.

Hij heeft niets te vertellen.
Hij heeft niets te benoemen.

Meester Tja is een ongebroken breuk.

169. Wie is er blind voor zijn derde oog?

Met welk oog kun je de Waarheid zien?

Meester Tja zegt:

Kijk met beide ogen en je zult dubbel zien en van Waarheid spreken.

Maak van twee ogen één en je zult ondiepte zien en van Waarheid spreken.

Maak van één oog geen en je zult duisternis zien en van Waarheid spreken.

Maak van je pijnappelklier een derde oog en je zult de leegte van je geest zien en van Waarheid spreken.

Maak van twee ogen tienduizend en je zult facetten zien en van Waarheid spreken.

Welke Waarheid wilt u zien?

170. De meester is dood, leve de ‘meester’

Meester Tja zegt:

Ik ‘denk’ nog wel maar ik denk niet meer.
Ik ‘weet’ nog wel maar ik weet niet meer.
Ik ‘meen’ nog wel maar ik meen niet meer.
Ik ‘geloof’ nog wel maar ik geloof niet meer.
Ik ‘veronderstel’ nog wel maar ik veronderstel niet meer.
Ik ‘verklaar’ nog wel maar ik verklaar niet meer.
Ik ‘duid’ nog wel maar ik duid niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Ik ‘onderscheid’ nog wel maar ik onderscheid niet meer.
Ik ‘weeg’ nog wel maar ik weeg niet meer.
Ik ‘oordeel’ nog wel maar ik oordeel niet meer.
Ik ‘aanvaard’ nog wel maar ik aanvaard niet meer.
Ik ‘verwerp’ nog wel maar ik verwerp niet meer.
Ik ‘bewonder’ nog wel maar ik bewonder niet meer.
Ik ‘minacht’ nog wel maar ik minacht niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Ik ‘spreek’ nog wel maar ik spreek niet meer.
Ik ‘vloek’ nog wel maar ik vloek niet meer.
Ik ‘schreeuw’ nog wel maar ik schreeuw niet meer.
Ik ‘antwoord’ nog wel maar ik antwoord niet meer.
Ik ‘vraag’ nog wel maar ik vraag niet meer.
Ik ‘luister’ nog wel maar ik luister niet meer.
Ik ‘zwijg’ nog wel maar ik zwijg niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Ik ‘pieker’ nog wel maar ik pieker niet meer.
Ik ‘verheug me’ nog wel maar ik verheug me niet meer.
Ik ‘schaam me’ nog wel maar ik schaam me niet meer.
Ik ‘koester’ nog wel maar ik koester niet meer.
Ik ‘haat ‘ nog wel maar ik haat niet meer.
Ik ‘vier’ nog wel maar ik vier niet meer.
Ik ‘rouw’ nog wel maar ik rouw niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Ik ‘heb’ nog wel maar ik heb niet meer.
Ik ‘hecht’ nog wel maar ik hecht niet meer.
Ik ‘begeer’ nog wel maar ik begeer niet meer.
Ik ‘neem’ nog wel maar ik neem niet meer.
Ik ‘geef’ nog wel maar ik geef niet meer.
Ik ‘win’ nog wel maar ik win niet meer.
Ik ‘verlies’ nog wel maar ik verlies niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Ik ‘wil’ nog wel maar ik wil niet meer.
Ik ‘streef’ nog wel maar ik streef niet meer.
Ik ‘plan’ nog wel maar ik plan niet meer.
Ik ‘pleit’ nog wel maar ik pleit niet meer.
Ik ‘bid’ nog wel maar ik bid niet meer.
Ik ‘hoop’ nog wel maar ik hoop niet meer.
Ik ‘wanhoop’ nog wel maar ik wanhoop niet meer.

Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Ik ‘doe’ nog wel maar ik doe niet meer.
Ik ‘laat’ nog wel maar ik laat niet meer.
Ik ‘werk’ nog wel maar ik werk niet meer.
Ik ‘speel’ nog wel maar ik speel niet meer.
Ik ‘leef’ nog wel maar ik leef niet meer.
Ik ‘sterf’ nog wel maar ik sterf niet meer.

Want ik ‘ben’ nog wel maar ik ben niet meer.
Ja, ‘ik’ nog wel maar ik niet meer.

Zeg maar tja

Meester Tja heeft vele namen en gezichten, vele kaften en titels, vele maten en gewichten, maar slechts één boodschap: geen boodschap.

Niet-weten is vereenzelviging met het tja, dat wil zeggen, het einde van iedere vereenzelviging, ook met niet-vereenzelvigen.

Het einde van vereenzelviging is het einde van het ik, het einde van niet-ik, het einde van de illusie, het einde van de werkelijkheid, het einde van het ja, het einde van het nee, het einde van het tja en het einde van het einde.

Wat dan wel een nieuw begin zal zijn. Maar waarvan?

Zeg maar Tja

 

Lees ook: Zeg maar Tja tegen het leven

De Tao van Tja

WERK IN UITVOERING; DE REST VAN DE PAGINA BETREDEN OP EIGEN RISICO

‘Wie alles in het midden laat, blijft feilloos in balans.’ Tussen nee en ja – de Tao van Tja. Dwaalteksten over taoïsme en niet-weten.

Niet-weten is de weg van het Tja. Noemen we de weg de Tao dan krijgen we de Tao van Tja. De Tao van Tja is de essentie van taoïsme zonder essentie.

De Tao als kunst(je)

Deze pagina heet ‘De Tao van Tja’. Dat allitereert wel, maar origineel is anders. Er zijn tegenwoordig heel wat boeken, tijdschriftartikelen en websites waarvan de titel begint met ‘de Tao van’, en het worden er steeds meer.

De Tao van leiderschap, de Tao van de liefde, de Tao van het boogschieten.

De Tao van de wijsheid, de Tao van de fysica, de Tao van Poeh.

De Tao van Toonder, de Tao van zen, de Tao van de landbouw.

De Tao van het dirigeren, de Tao van de man, de Tao van de vrouw.

De Tao van seksualiteit, de Tao van topsport, de Tao van het coachen, de Tao van het struinen.

Het gaat maar door. Ik verzin het niet, kijk maar op internet.

Afgaand op de beschrijvingen is het verband met de Chinese taoïstische leer en praktijk vaak ver te zoeken. Het gaat eerder over ‘de flow’ of ‘the zone’, je geest leegmaken, zonder ego zijn, dat soort zaken.

Het gaat erom één worden met je doel of je tegenstander, meer te genieten, gelukkiger te worden.

Het gaat erom je prestaties te verbeteren, je productiviteit te verhogen, efficiënter en effectiever te worden, meer winst te maken.

Het gaat erom de concurrentie de loef af te steken, je macht te vergroten, je angsten te overwinnen.

Het gaat erom successen te behalen, lof te oogsten, je vitaliteit te verhogen.

Het gaat erom vrienden te verwerven, vriendschappen te verdiepen, je ambities te realiseren.

Al die doelstellingen, het gaat maar door. Ik verzin het niet, kijk maar op internet.

Met ‘de Tao van’ wordt kennelijk ‘het geheim van’ of ‘de kunst van’ bedoeld. Het geheim van leiderschap, de kunst van de liefde. De Tao als geheim voor ingewijden. De Tao als kunst die je kunt aanleren en beheersen, liefst op een verloren zondagmiddag, waarna je kunt excelleren en iedereen versteld doen staan. Wie wil dat nou niet?

De Tao van marketing

Er zit wel een addertje onder het gras. De maakbare mens is money. Het gaat in bovenstaande voorbeelden niet om vrijblijvende geschenken van gulle gevers die alleen maar het beste met je voorhebben, maar om producten, boeken en cursussen die duur betaald moeten worden.

Hoe verkoop ik mijn spulletjes en mijn diensten? Met een exotisch woord. Tao in dit geval. Kunst is dat niet, maar een kunstje toch wel. Een oud kunstje en een koud kunstje.

De Tao van Marketing – ik zou er een boek over schrijven, als het al niet bestond. Tieten zijn uit, mystiek is in, orakel ik daarin. Wijs maken ze ons niet, maar ze maken ons toch maar mooi van alles wijs, de naamloze reclamemakers en talloze andere beoefenaars van het oudste beroep ter wereld.

Ik weet niet hoe het met de jouwe gesteld is, maar mijn kop gonst ervan na zestig jaar, ik lijk wel dement. Op de markt is mijn gulden ondanks de euro nog altijd een daalder waard en Popla blijft mijn graal, al word ik admiraal.

Hoezeer ik er ook van baal, ik doe het de hooggeëerde adverteerders niet na. Zo oreer ik er als weetniet nu al tien jaar op los, maar nog steeds heb ik niemand iets wijs of wijzer gemaakt, mezelf ook niet. Ik zou niet anders willen. Maar de Tao van Tja ga ik erin rammen, al kost het me mijn hele erfenis.

Ach ja. Christendom, jodendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme – overal valt wel een slaatje uit te slaan. Waarom dan niet uit het taoïsme? Er is zelfs een uitdrukking voor de vermarkting van de geest: spiritueel materialisme. Het woord is zowel van toepassing op de kooplui die er materieel beter van (hopen te) worden als op de kopers die er spiritueel beter van (hopen te) worden.

De term ‘spiritueel materialisme’ is bedacht of gepopulariseerd door de Tibetaanse boeddhist, drinkebroer en seksverslaafde Chögyam Trungpa. Hij heeft er begin jaren zeventig lezingen over gegeven en daar een boek van gemaakt, Cutting through spiritual materialisme (Spiritueel materialisme doorsnijden), dat nog steeds lekker verkoopt.

Noch het boek noch het boeddhisme heeft kunnen voorkomen dat deze elfde incarnatie van een verlichte lama, dharmahouder in de traditie van zowel de kagyu- als de nyingmalijn en grondlegger van de internationale shambala-organisatie, op achtenveertigjarige leeftijd overleed. Niet aan wijsheid, niet aan juistheid, niet aan perfectie, niet aan onthechting en niet aan onthouding, maar aan levercirrose. Op naar de volgende incarnatie.

Persoonlijk heb ik niets tegen materialisme, niets tegen spiritualiteit, niets tegen spiritueel materialisme en niets tegen mensen die daar wel iets op tegen hebben, dus daar hoeven we verder geen woorden aan vuil te maken. Maar hoe heeft het in Tao’s naam zover kunnen komen?

Lees ook: Idolen van de zoeker

De Tao als naam

Het taoïsme blinkt niet bepaald uit door eenduidigheid. Neem alleen al de naam. Is het nou tauïsme, taoïsme of daoïsme? Tau, Tao of Dao? Tao tê tjing, Tao Te Ching, Tao Te King of Daodejing? Het ligt er maar aan welk transcriptiesysteem je volgt.

Een transcriptiesysteem is een methode om, in dit geval, Chinese tekens om te zetten in de letters van het alfabet. Dat is nog niet eenvoudig. Vroeger deden vertalers maar wat en lieten ze zich leiden door de fonetische eigenschappen van de doeltaal. Wil je een Engelsman ‘woe’ laten zeggen, dan moet je ‘wu’ schrijven. Wil je een Nederlander ‘zi’ laten zeggen, dan moet je ‘tse’ schrijven, of beter nog, tsù.

‘Maar wat doen’, omzetten op het gehoor zonder systeem, is goed voor de uitspraak, die dan allicht wat dichter bij het Chinees staat, maar slecht voor de herkenbaarheid. Tussen en binnen individuele taalgebieden ontstonden er al snel meerdere schrijfwijzen voor hetzelfde woord of dezelfde naam, zoals uit bovenstaande voorbeelden blijkt.

Voor leken is het met al die varianten moeilijk vast te stellen of het over hetzelfde gaat en welk woord je moet gebruiken als je er met medelanders over wilt praten. Academici zoeken zich rot in de catalogi om die ene naam of dat ene werk of trefwoord terug te vinden waarnaar ze op zoek zijn.

De Chinese regering maakt zich sinds 1958 sterk voor een uniform systeem, het pinyin, dat daoïsme, Dao en Daodejing voorschrijft. Steeds meer landen stappen erop over, maar Nederland houdt stand. Je maintiendrai. Wij zijn gehecht aan de t. Anno 2018 zijn Tao en taoïsme volgens de Woordenlijst Nederlandse Taal nog steeds de officiële schrijfwijze.

Vandaar dat ik op deze pagina Tao braaf met een hoofdletter t schrijf en zo een achterhaalde gewoonte help bestendigen. Mea culpa.

Hoe het heet: de bodemloze bucket van Samuel Beckett

De Tao als droom

De naamgeving is niet het enige of het grootste probleem. Zeker de katholieken onder ons zijn op dat vlak heus wel wat gewend, met al die Johannes Petrus Nicolazen en Godefridus Jacobus Antonius Maria’s. Maar of we het nou taoïsme of daoïsme noemen, niemand weet wat het is, niet precies en niet ongeveer. Dat is het grootste probleem.

Of we nou van de Tao of de Dao spreken, niemand weet waar het naar verwijst, niet precies en niet ongeveer. Dat is het grootste probleem. Sterker nog, het is een taoïstisch dogma, waarmee we meteen in de eerste regels van het eerste hoofdstuk van het eerste boek van de taoïstische canon worden geconfronteerd:

De eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt.
De eeuwige naam kan niet worden genoemd.

Geen dogma maar gewoon een feit: hét taoïsme bestaat helemaal niet. Het taoïsme is in de loop van de eeuwen onophoudelijk veranderd, en het verandert nog steeds – zowel de woordbetekenis als de traditie. Geheel in overeenstemming met een ander tijdloos taoïstisch dogma, dat van de eeuwige transformatie. Fysici noemen het entropie. Boeddhisten kennen het als anicca, veranderlijkheid of vergankelijkheid, een van de drie karakteristieken van het bestaan.

Hét boeddhisme bestaat ook niet. De boeddhistische traditie is zelf onderhevig aan anicca. Er bestaan talloze varianten, zoveel als er sangha’s zijn, zoveel als er boeddhisten zijn, en er komen steeds nieuwe bij terwijl er oude wegvallen.

Hét christendom bestaat ook niet. Het is van lieverlee in talloze onderscheiden soorten en ondersoorten gemuteerd, die zich niet of nauwelijks met elkaar verstaan, alle oecumenische inspanningen ten spijt.

Dé islam bestaat ook niet. Hét hindoeïsme ook niet. Religies en woorden veranderen onophoudelijk en worden, althans in de tijd gezien, steeds diverser. Mensen zoeken er houvast tegen de tand des tijds, maar het houvast zelf verandert onophoudelijk.

Het meest bestendige aan een traditie, instituut of organisatie is nog de naam en het is de bestendigheid van de naam die de illusie van continuïteit wekt.

De naam, én de idee-fixe van een absolute, onveranderlijke, eeuwige waarheid of werkelijkheid of kracht of god die ten grondslag zou liggen aan het relatieve, het veranderlijke, het tijdelijke. In het taoïsme heet dit absolute de Tao, in zen het ware zelf of de boeddhanatuur, in het christendom de heilige drie-eenheid.

U hoort het goed. Kennelijk is toch niet alles vergankelijk. Er is iets dat zich aan de eeuwige vergankelijkheidswet onttrekt, dat is wat religies zeggen te hebben ontdekt. Het onveranderlijke brengt het veranderlijke voort, heet het. Het enige ware is het onveranderlijke en het onveranderlijke is enig. Voor duurzame innerlijke vrede zouden wij ons moeten vestigen in de bron.

Of er iets ten grondslag ligt aan het idee-fixe van een onveranderlijke waarheid of werkelijkheid weet ik niet, maar als er íets bestendig is, dan is het wel een idee-fixe, dus voor de geest is het om het even. Die maakt vanaf een bepaalde leeftijd geen onderscheid meer tussen fopspeen en speen – als hij maar kan zuigen.

Het kan ook zijn dat de geest zelf een idee-fixe is. Mij is het om het even.

De Tao als cultus

In Azië is het taoïsme een mysteriereligie voor ingewijden – een cultus, net als het hermetisme, het mandeïsme en de vrijmetselarij, om maar een paar voorbeelden te noemen.

Onder een cultus versta ik hier simpelweg een accumulatie van beeldjes, iconen, liturgie, alchemie, mirakelverhalen, rituelen, feesten, praktijken, voorschriften, geschriften, principes, essenties, leerstellingen, zielen, heiligen, halfgoden en goden, als de vloedlijn na een duizendjarige storm.

Als je denkt dat ik overdrijf, moet je Tao, de levende religie van China van Kristofer Schipper er maar eens op naslaan. Omdat ik niet met het taoïsme ben opgegroeid en niet in de wieg gelegd ben voor professor, was ik al na drie bladzijden de draad kwijt. Na dertig bladzijden wist ik niet eens meer wat ik kwijt was en het onbestemde gevoel van zwalken over een vreemde planeet is het hele boek gebleven.

Het taoïsme doet qua complexiteit niet onder voor het het Tibetaanse hooglandboeddhisme, dat nog barokker is dan de gotiek.

Dat is precies de bedoeling van een cultus, denk ik weleens, en zo niet de bedoeling dan toch het effect: afstand scheppen tussen een elite van ingewijden en oningewijde buitenstaanders. In Tibet woonde de Dalai Lama in een paleis, de leek in een joert.

Bij degenen die er gevoelig voor zijn, ontstaat er door stelselmatig kennis achter te houden en steeds grotere privileges in het vooruitzicht te stellen een ongebreideld verlangen naar ik-weet-niet-wat.

Gelovigen worden high van hun eigen vage verwachtingen en hebberig genoeg om zich aan een strikt regime te onderwerpen, zelfs wanneer dat regime er nominaal op gericht is, zoals het taoïsme en het boeddhisme, hun hebberigheid te ondermijnen.

Dat klinkt een beetje als spiritueel materialisme, maar het juiste woord is hier esoterie.

De Tao als filosofie

Waar kennis niet wordt achterhouden maar voor iedereen toegankelijk is, spreken we van exoterie. Volgens sommigen is het boeddhisme exoterisch, maar dat is algemeen gesteld onjuist, al zijn de meeste soetra’s vandaag de dag door iedere bemiddelde alfabeet in te zien en zijn er aanzienlijke verschillen in de mate van esoterie.

Behoorlijk exoterisch is het seculiere boeddhisme van een Stephen Bachelor, dat de ontologie, de kosmologie, de karma- en reïncarnatieleer terzijde schuift als achterhaald en irrelevant. Wat overblijft is een heilsleer of soteriologie, een transparante boeddhistische therapie voor alleman die het geestelijk lijden in dit leven zou helpen verlichten.

Een schoolvoorbeeld van esoterisch boeddhisme is zen, dat ontstaan is in China en diepe wortels heeft in zowel het taoïsme als het confucianisme. Zen maakt aanspraak op een geheime transmissie van een transcendente waarheid van hart tot hart, buiten de geschriften om en voorbij de woorden.

Wie een zendo bezoekt of als leek een sessie of sesshin bijwoont, voelt onmiddellijk: hier hoor ik niet bij. En inderdaad, het zal als regel heel wat jaartjes of levens duren voordat hij tot de binnencirkel doordringt, als hij dat punt al ooit bereikt.

In zen hebben alleen degenen die zelf transmissie hebben gekregen en opgenomen zijn in de ketchimyaku, de stamboom of ‘lineage’, het recht om anderen eraan toe te voegen. Het zijn de zenmeesters die zenmeesters aanstellen, en niemand anders.

Dankzij deze protectionistische praktijk, die aan de middeleeuwse gilden herinnert, blijft de priesterlijke macht van generatie op generatie in handen van de eigen spirituele familie.

De ketchimyaku gaat altijd helemaal terug tot de historische Boeddha, wat ik vreemd vind omdat er in de oudste geschriften bij mijn weten geen sprake is van een transcendente waarheid – juist niet. De preoccupatie met de voorouderlijn is sowieso eerder Chinees (en dus Japans en Tibetaans) dan Indiaas, en karakteristiek voor het mahayanaboeddhisme dat pas tot ontwikkeling kwam in het eerste millennium. Maar dit terzijde.

In China is het taoïsme net als zen een esoterisch praktijk met ingewikkelde rituelen die ingrijpt op alle aspecten van het dagelijks leven.

Voor westerlingen daarentegen is het taoïsme een exoterische filosofie, een relativerende, sceptische levensbeschouwing waarvan je kennis kunt nemen door er boeken over te lezen en erover na te denken.

Wij hebben geen Stephen Batchelor nodig om het taoïsme te seculariseren want het taoïsme is hier van meet af aan seculier geweest. Dat er een groot, zeg maar gerust onoverbrugbaar verschil bestaat tussen het Chinese taoïsme en wat wij daarvan gemaakt hebben, het westerse taoïsme, begint nu pas tot het grote publiek door te dringen.

De Tao als privelege

Nog even terug naar de gildepraktijken. Pogingen om zen minder esoterisch te maken door het zenmeesterschap te democratiseren zijn zeldzaam.

In Nederland biedt Rients Ranzen Ritskes van zen.nl een reguliere (en prijzige) opleiding aan waarin iemand die de juiste cursussen heeft gedaan automatisch de bijbehorende titel en lesbevoegdheid verwerft. Deze poging is deels uit nood geboren omdat Ritskes zelf betrapt is op titelfraude.

In 2013 kwam uit dat Ritskes nooit transmissie had gekregen, al presenteerde hij zichzelf jarenlang ongestraft als ‘Dai Osho’ in de lijn van Sokun Tsushimoto. Volgens Ritskes was er geen sprake van titelfraude maar ging het om een misverstand tussen hem en zijn leraar, iets wat Tsushimoto herhaaldelijk en nadrukkelijk heeft ontkend.

Nadat hij publiekelijk door de mand was gevallen, maakte Ritskes van de nood een deugd en verklaarde zich met opmerkelijk aplomb autonoom. In een interview uit die tijd vergelijkt hij zichzelf met de beroemde achttiende-eeuwse Japanse zenmeester Hakuin, die ook nooit geautoriseerd zou zijn: “Ik bevind mij in goed gezelschap.”

Gesteggel over titels en onderwijsrechten is kenmerkend voor feodale cultussen waarin kennis en macht door inwijding onder uitverkorenen wordt verdeeld.

Toch is zen nog niet zo exclusief als het Aziatische taoïsme, waarin het meesterschap is voorbehouden aan bepaalde families. Net als adellijke titels is de taoïstische meestertitel erfbaar, niet verwerfbaar. Zoals een burger alleen in de adel kan worden verheven door met een edele te trouwen, zo mocht Kristofer Schipper pas geïnitieerd worden nadat hij eerst als zoon was geadopteerd door zijn Thaise meester.

In ons taalgebied zijn mij geen gevallen bekend van taoïstische titelfraude of andere schandalen. Daarvoor zijn er simpelweg te weinig taoïstische meesters en leerlingen.

De Tao als ratjetoe

Wat taoïsme is voor een taoïst weet ik niet, maar mijn belangstelling als non-taoïst gaat net als die van de meeste westerlingen uit naar het taoïsme als filosofie, en dan vooral naar het wijsgerige stelsel in de drie oudste canonieke werken, Laozi, Zhuangzi en Liezi, en in een later werk dat sterk aan deze drie doet denken, Wunengzi.


[Wunengzi p18,19: “In de tweede helft van de Tang (tot medio achtste eeuw) was er veel kruisbestuiving tussen het taoïsme en het boeddhisme. Die toon zich vooral in de zogenaamde chongxuanxue, de ‘studie van het tweevoudig mysterie’, die zich op het snijvlak van de taoïstisch mystiek en de boeddhistisch logica situeert.” Voetnoot bij het tweevoudig mysterie: “Het overstijgen van het denken in dualiteiten, dat zo belangrijk is in Zhuangzi, is het eerste mysterie. Het nogmaals overstijgen van dat overstijgen – de boeddhistische inbreng – is het tweede mysterie.”

p36: “Even fictief is de naam van Wungenzi’s boezemvriend Yuzhongzi (‘meester in onwetendheid’).”

p42 “wu bei wu: ‘en er is niets dat niet wordt gedaan'”

p43 “wuxin, letterlijk vertaald ‘het niet hebben van hart’ of ‘het niet hebben van geest’.”

p78 “Welnu, als dingen die vrij zijn van intenties onpartijdig zijn en een helder beeld geven, pas dan het volgende toe op wie wel intenties heeft: Wrijf hem fijn door middel van het Niets, maak hem transparant door middel van de Leegte, dompel hem onder in het Onhoorbare en het Onzichtbare, zodat hij niet weet waarheen hij zich begeeft.” ]


Om het taoïsme als wijsgerig stelsel te onderscheiden van het taoïsme als esoterische praktijk, noem ik het taoïstische filosofie (wijsbegeerte, levensbeschouwing) of filosofisch (wijsgerig, levensbeschouwelijk) taoïsme of westers taoïsme of exoterisch taoïsme, net zo het uitkomt. De rest van deze pagina gaat over taoïstische wijsbegeerte.

Niet dat het daardoor zoveel overzichtelijker wordt. Al vroeg waren de taoïsten filosofisch verdeeld. In een van de oudste overgeleverde werken, Zhuangzi, is al sprake van ‘honderd’ scholen, wijsgerige in het algemeen of taoïstische in het bijzonder, daarover is de tekst niet duidelijk, maar van de taoïstische scholen worden er in de slothoofdstukken een stuk of tien besproken. Ik kom er zo op terug.

Zhuangzi en Liezi zijn overlappende bloemlezingen van overwegend korte teksten. Deze taoïstische klassiekers, die tijdens hun ontstaansperiode van honderden jaren nogal eens van samenstelling wisselden, kregen naar verluid hun definitieve vorm aan het eind van de derde eeuw na Christus.

In beide werken heeft het taoïsme al zoveel gezichten dat je de kop niet meer van de kont kunt onderscheiden. Zoveel koekoeken hebben hun eieren erin gelegd dat de bodem uit het nest valt. Interpolatie, heet dat met een net woord, of assimilatie, of eclecticisme. Dat betekent dat niemand weet welke teksten tot de oorspronkelijke passagiers behoren en welke tot de verstekelingen.

Er zijn er ook die menen dat Zhuangzi tot de laatste letter authentiek taoïstisch is, en er hun levenswerk van maken dat door middel van tekstanalyse en bronnenonderzoek te bewijzen. Een onmogelijke missie zolang de tijdmachine nog tot het rijk van de sciencefiction behoort.

Authentiek of corrupt, de taoïstische canon is een amalgaam dat alle gaatjes vult. Iedereen vindt er wel een praatje van zijn gading. Wie bevestiging zoekt grijpt zelden mis, ik ook niet. Hoe dat kan?

Sommige stukjes in Zhuangzi en Liezi zijn ronduit anarchistisch, andere ronduit legalistisch.

(citaten erbij?)

Sommige stukjes zijn ronduit sceptisch, andere ronduit dogmatisch.

Sommige stukjes zijn ronduit non-conformistisch, andere ronduit reactionair.

Sommige stukjes zijn ronduit socialistisch, andere ronduit kapitalistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit nihilistisch, andere ronduit confucianistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit fatalistisch, andere ronduit activistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit hedonistisch, andere ronduit ascetisch.

Sommige stukjes zijn ronduit intellectualistisch, andere ronduit obscurantistisch.

Sommige stukjes zijn ronduit sofistisch, andere ronduit absurdistisch.

Een en ander geldt in mindere mate voor het oudste taoïstische werkje, de Laozi oftewel de Daodejing. Dat kleine boekje van 81 bladzijden is echter zo cryptisch dat de duizenden vertalingen, commentaren en interpretaties ervan nog wijder uiteenlopen dan de meest tegengestelde stukjes van Zhuangzi en Liezi.

Zelfs over de stelling dat de Tao voorbij de woorden is, waren de taoïsten van weleer het onderling en met zichzelf oneens. Ze schreven er tenminste op los, eerst op latjes, aan elkaar geknoopt tot matjes, toen op papieren rollen gebundeld tot boeken, sneller dan de confucianisten en de mohisten en de entropie hun werken konden hacken, of zij de hunne, en dat zegt wel wat, maar wat?

Veel spreken put zich uit,
het is beter alles in te houden.

(uit Tao Tê Tjing hoofdstuk 5. Over het staan buiten de tegenstellingen, Ir. Blok, 1910/1918)

De Tao als principe

Het hoofdbegrip Tao wordt dikwijls onvertaald gelaten. In plaats daarvan wordt het opgevoerd als nieuw Nederlands woord, een zogeheten barbarisme. Dat voorkomt misverstanden, maar je moet het woord nog wel even definiëren, en daar zit hem de kneep. Kristofer Schipper kiest voor deze optie in zijn bezorging van de klassieker Zhuang Zi en de nog klassiekere Lao Zi.

De Tao mag niet gedefinieerd worden. Volgens Schipper is de afwezigheid van definities het meest fundamentele kenmerk van de Chinese religie. De Tao is zelfs per definitie ondefinieerbaar. Desondanks doet ook Schipper regelmatig een poging. Zo spreekt hij in Zhuangzi van ‘de ultieme ratio en schrijft hij in Tao, De levende religie van China, 1988:

Als transcendentaal en tegelijk immanent principe van het heelal is de Tao onnoembaar, ongrijpbaar en toch in alles aanwezig. Het gaat echter om veel meer dan een principe. De eerste betekenis van het teken voor Tao is weg: de onderstroming in de mutatie en de transformatie van alle dingen, het spontane proces dat de natuurlijke cyclus van het heelal bepaalt.

(p13)

Weg, principe, onderstroom, spontaan proces, natuurlijk cyclus, bepaalt, immanent, transcendent. Ik ken die woorden wel, maar bij de beschrijving kan ik me niks voorstellen, behalve het onvoorstelbare misschien. Het zegt me gewoon niets, wat eens te meer bewijst dat de Tao ondefinieerbaar is.

Maar wacht eens even, gaat het hier soms om het ‘ene’? Nou, nee:

Maar laten we niet de fout begaan dit begrip van eenheid ook op de Tao zelf toe te passen. De Tao kan één maken, maar hij is niet zelf het Ene. Hij schept het Ene, maar vervolgens kan hij deze eenheid versnipperen en verdelen: “De Tao bracht het Ene voort, het Ene de Twee; de Twee brachten de Drie voort en de Drie de Tienduizend Dingen,” zegt de Daode jing.

De leegte dan? Het niets? Ook niet:

[238]

Laten we het erop houden dat de Tao ten grondslag ligt aan de tienduizend verschijnselen en aan hun onophoudelijke cyclische transformaties, net zoals er, volgens de vitalisten tenminste, een ‘levensprincipe’ (élan vital) is dat het onbegrijpelijke verschil tussen levend en dood kan verklaren. Zonder zelf ook maar een jota te veranderen regelt de alomtegenwoordige Tao hun ontstaan, transformatie en vergaan tot in de puntjes en de uitroeptekentjes.

En wij? Wij moeten ons gewoon nergens mee bemoeien. Wu wei, niet-doen, niet-ingrijpen. Wij moeten ook niets proberen te begrijpen. Voor het verstand zal de Tao altijd een groot vraagteken blijven. Maar het leven is een kat en komt vanzelf op zijn pootjes terecht, zolang wij maar ruim baan maken. En de dood is een kat met negen levens, ook daar hebben we geen omkijken naar, dus wat is het probleem?

De Tao als weg

Niet iedereen is vol van metafysica. Jan de Meyer gaat zijn eigen weg en vertaalt Tao in Liezi consequent als de Weg – de rivier van het leven.

Met zijn ondertitel ‘de taoïstische kunst van het relativeren’ en in zijn inleiding wekt De Meyer de indruk meer geïnteresseerd te zijn in het relatieve van de tienduizend verschijnselen dan in het absolute waarvan ze een manifestatie heten te zijn.

Volgens hem gaat het in Liezi en in de navolger Wunengzi “in essentie […] om het relativeren en afbreken van alle conventionele kennis en inzichten” (tweede druk, pagina 48). Als een auteur ‘in essentie’ of ‘eigenlijk’ of zo schrijft, dan weet je het wel: daar komt weer een constructie aan.

En meteen rijst de vraag: is het taoïsme nu een leer of een weg? Is het een kosmologie of een kunst?

Als het taoïsme een kunst is, is het dan de kunst van het verabsoluteren of de kunst van het relativeren? De kunst van het weten of de kunst van niet-weten? Kunst of ongekunsteldheid? Beide tegelijk? Geen van beide?

De Tao als identiteit

Wat mij betreft, ik heb absoluut geen belangstelling voor de metafysica van het absolute, maar des te meer voor de verregaande relativeringen, op het absurdistische af, in de taoïstische overlevering. En dan denk ik vooral aan de drie oudste geschriften, Daodejing, Zhuangzi en Liezi.

Wijzen wiens wijsheid eruit bestaat hun eigen wijsheid onderuit te halen – kom er maar eens om. Toch zijn ze er, voor zover een constructie werkelijkheid is. Want om ze te ontmoeten moet je wel selectief te lezen. Alles weglaten wat duidt op starheid, eenzijdigheid, dogmatisme en hoogmoed. Dat de essentie noemen.

Hoogmoed? Nou en óf. Wist je dat taoïsten zichzelf en elkaar om de haverklap de hemelse, de goddelijke mens, de hoogste mens noemen? Sla Meester Zhuang er maar eens op na. Wist je dat Oude Langoor, de onbekende schrijver en/of samensteller van Lao Zi, sinds de derde eeuw na Christus als een god wordt vereerd?

In essentie is religie zelfverheffing. De volgende constructie, ik weet het. Maar toch. Jezus werd ruim na zijn kruisdood per decreet vergoddelijkt en maakt sindsdien deel uit van de Heilige Drie-Eenheid, die stomtoevallig rond dezelfde tijd uit het niets in de theologische literatuur opduikt. Sindsdien is Jezus in de ogen van christenmensen de hoogste en enige ware godmens en is hun eigen religie de hoogste en enige ware religie.

Persoonlijk heb ik nooit maar dan ook nooit een religieus mens ontmoet die zijn eigen religie lager aansloeg dan een andere. Jij? Ben je religieus? Is jouw religie volgens jou de hoogste religie?

In onze eigen verlichte tijd laat een Tenzin Gyatso zich zonder blozen Uwe Heiligheid noemen en op handen dragen. Hij is de geestelijk leider van de Tibetaanse Geelhoeden en volgens hen de veertiende reïncarnatie van de dalai lama. Volgens slecht geïnformeerde westerlingen is hij zelfs de paus van het wereldwijde boeddhisme.

De Tao als methode

Waar was ik? O ja. De taoïstische kunst van het relativeren. Inderdaad zeg, als de oude taoïstische meesters iets konden, al was het maar in essentie, dan was het wel relativeren. Net als de oude Grieken (Protagoras, Pyrrho, Socrates), maar daar hebben we het nu niet over.

Iemand was zijn bijl kwijtgeraakt, en hij verdacht de buurjongen. Hij observeerde hoe de jongen liep: typisch iemand die een bijl heeft gestolen. Zijn gelaatsuitdrukking: typisch die van een bijlendief. Zijn woorden: typisch die van een bijlendief. Wat de jongen ook deed, zijn hele houding, alles wees erop dat hij de bijl had gestolen. Niet veel later was de man in de vallei aan het graven en vond hij zijn bijl. De volgende dag zag hij de buurjongen opnieuw: zijn gedragingen en zijn houding deden hoegenaamd niet meer denken aan die van een bijlendief.

(Liezi hoofdstuk 8, XXXIV, Jan De Meyer, 2008, Uitgeverij Augustus)

Relativeren, dat is je zekerheden tegen het licht houden. Je aannames onderzoeken. Niets voor lief nemen. Onder ogen zien dat alle kennis, ieder oordeel, elke waarde betrekkelijk is, beperkt geldig, afhankelijk van standpunt en zichtlijn, tijd en plaats, individu en omstandigheden, leeftijd en geslacht, soort en familie, opleiding en ervaring, natuur en cultuur.

Yang Zhu zei: ‘Dingen die in het verre verleden zijn gebeurd zijn vergaan. De dingen die de Drie Doorluchtigen hebben gedaan zweven tussen bestaan en vergaan. De dingen die de Vijf Keizers hebben gedaan zweven tussen bewustzijn en droom. De dingen die de Drie Koningen hebben gedaan zweven tussen verborgen en zichtbaar.

Van alle honderdduizend dingen is er geen enkel dat we met zekerheid kennen. Van de dingen die zijn gebeurd tijdens ons leven hebben we over sommige gehoord, terwijl we er andere hebben gezien, maar van alle tienduizend is er geen een die we met zekerheid kennen. Van de tienduizend dingen die voor onze ogen gebeuren, onthouden we sommige en vergeten we andere, maar van elke duizend is er geen een die we met zekerheid weten.’

(Liezi Hoofdstuk 7, XV)

De methode van de Tao van de oudheid bestond deels uit relativeren, en als we de rest wegdenken, dan is taoïsme niets anders. Door deze constructie meteen weer te relativeren bevestigen we de essentie, geen speld tussen te krijgen.

Taoïsme is deconstructie avant la lettre. Zeg maar gerust protopostmodernisme. En postmodernisme is taoïsme après la lettre. Of is dat een reconstructie achteraf? Hoe dan ook, inlijven van wat dan ook in wat dan ook is helemaal niet zo moeilijk. Daar hoef je echt geen Chinees voor te zijn. Of is het de Chinees die in mij rondkaatst en die ik abusievelijk voor mezelf aanzie – Huangsu Fuandangu.

De wijze als onnozelaar

Al dat relativeren gaat je niet in je koude kleren zitten. Het beeld dat van de taoïstische wijze wordt geschetst in hoofdstuk 20 van de Daodejing liegt er in elk geval niet om. In de woorden van Ir. Blok:

O die verduistering, er is geen einde aan!
De mensen stralen van lust,
als wie zich vergast aan het stieroffer,
als wie in de lente terrassen bestijgt.
Ik alleen lig stil en heb nog geen teken gegeven,
als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft.
Ik ben altijd zwervende, als niet wetende waarheen te gaan.
Alle mensen hebben over; ik alleen ben leeg.
O, ik heb het hart van een dwaas!
Ik ben zo verward!
De mensen zijn helder; ik alleen lijk duister.

(uit Tao Tê Tjing hoofdstuk 20, Over de onwetendheid van de wijzen)

In de woorden van Schipper:

Wat een onnozele ziel! Chaotisch en verward!
De gemene lieden zijn steeds helder van geest.
Ik alleen tast in het duister.
De gemene lieden onderzoeken en scheiden.
Ik alleen ben me nergens van bewust.
Ja, wild ben ik, als was ik de wijde zee!
Chaotisch! Alsof ik nergens houvast heb.

(uit Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, hoofdstuk 20, Kristofer Schipper, 2010)

Dat is weer eens wat anders dan het gebruikelijke beeld van de minzaam glimlachende, onverstoorbare bovenmeester die het/ze allemaal op een rijtje heeft en iedereen onvermoeibaar met raad en daad bijstaat. De wijze als onnozelaar, je leest het maar zelden. Ik kan me er helemaal in vinden.

Lees ook: Zalig zijn de armen van geest

De Tao als spook

Relativeren is ontdekken dat alles duister is. Of mooi gezegd dat alles een wonder is. Een mysterie. Zelfs kennis is een wonder en maakt deel uit van het mysterie.

Maar is dat wel zo? Is alles werkelijk duister of is dat ook maar een gedachte? Is alles werkelijk een mysterie of een wonder, of zijn dat ook maar woorden? Is er eigenlijk wel zoiets als alles, of is dat ook maar een woord? Of is dit ook maar een gedachte?

Alles is een illusie, zegt de non-dualist, maya. O ja? En de illusie dan? En het non-dualisme dan?

Schort al je oordelen op, zegt de scepticus. O ja? En dit oordeel dan?

Schrap je woorden, zegt de nominalist. O ja? En het nominalisme dan?

Kill your darlings zegt William Faulkner. O ja? En deze dan?

Dood de boeddha zegt de boeddhist. O ja? En de boeddhadoder dan?

Alles is leeg, zegt de zenboeddhist. O ja? En de leegte dan?

If you’re seeing things
Running through your head
Who can you call?
Ghostbusters!

zingen de ghostbusters in Ghostbusters. O ja? En als je ghostbusters ziet?

De Tao als middenstip

Relativeren – begin er niet aan want het einde is zoek. Het enige wat je aan het eind overhoudt, en het enige dat je overeind houdt, is het midden. Het midden van het midden, en daar dan weer het midden van.

Dit midden is dan meteen het begin en het einde, het alfa en omega, het eerste en het laatste, het laagste en het hoogste, het verst weg en het meest nabij. Stel je dat toch eens voor! O, moet ik het voorstellen.

Verbeeld je: een denkbeeldenstorm. Al je ideeën aan gort. Al je meningen naar God. Al je kennis naar z’n grootje. Je persona in zijn blootje. Alle spoken zijn gevlogen.

Leeg is je hoofd, leeg je hart, leeg je koffer, leeg je agenda. Leeg is je leer – zelfs van leegte ontdaan.

Niets kaatst er in je rond of het kaatst naar buiten. Niets koekt er aan je hersenpan of je lust het rauw. Alles waait naar buiten of je blaast het weg.

Kijk, de keizer heeft geen kleren!
Juichend zweeft hij op de wind!
Zonder Rijk en zonder Heere!
Dartel als een hemels kind!

Het Grote Tja

Ha ha

Al die oefeningen in betrekkelijkheid en in de betrekkelijkheid van de betrekkelijkheid hebben onvermijdelijk tot gevolg dat je je gedachten niet meer zo serieus neemt, deze ook niet. Of je gedachten jou niet. Jij jezelf niet. Neem mij nou, als je kunt.

In plaats van Ja! of Nee! zeg ik ronduit Tja tegen mijn gedachten. Telkens weer. Dat mag gerust het Kleine Tja heten.

Zeg ik toch nog eens Ja! of Nee! dan zeg ik daar wel Tja tegen. Ha ha, niks aan de hand, hoort erbij, niet van mij. Dat mag gerust het Middelste Tja heten.

Ook tegen deze gedachten zeg ik Tja, en ook tegen het Kleine Tja, en tegen het Middelste Tja, en op voorhand al tegen het Grote Tja, het Grootste Tja, et cetera. Dat mag gerust het Grote Tja heten, of Tien Pond Scheten, hè bah.

Het Grote Tja, alla, maar mag het ook de Grote Tao heten? De Meyer ziet het taoïsme dan misschien als de kunst van het relativeren, er zijn in de klassieke werken maar weinig uitspraken te vinden die de Tao zelf relativeren. Toch?

Dat had je gedacht. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Je ziet ze wel, maar je kijkt eroverheen. Ze zitten verstopt, als bomen in een bos. Als relikwieën in een sint. Sanctum sanctorium, het heilige der heiligen, is vrij toegankelijk verboden gebied. Niemand mag er komen want er is niets te zien. Daarom mag iedereen er komen tot hij het eindelijk ziet…

De Tao als de grote onzekerheid

‘Is het mogelijk de Weg te verkrijgen?’
‘Je bezit niet eens je eigen lichaam, hoe zou je dan de Weg kunnen verkrijgen?’
‘Als mijn eigen lichaam niet van mezelf is, van wie is het dan wel?’
‘Het lichaam is je toegevallen. Ook het leven is niet van jezelf: het is je toegevallen. Je kinderen en kleinkinderen zijn niet van jou. Ze zijn je toegevallen. Daarom ben je op reis zonder te weten waar je heen gaat, verblijf je zonder te weten waar je je aan vastklampt en eet je zonder te weten waar het vandaan komt.’

(vrij naar Liezi hoofdstuk 1, XIV)

De Weg is niet te verkrijgen. Alles valt je toe. De Weg gaan betekent op reis zijn zonder te weten waar je bent en waar je heen gaat of zelfs maar of je op reis bent.

En de Tao?

De tienduizend dingen: ze leven, maar niemand ziet hun oorsprong; ze komen te voorschijn, maar niemand ziet waarvandaan. Alle mensen hechten waarde aan wat hun verstand kan bevatten, en niemand heeft de kennis die berust op wat het verstand niet kan bevatten, en die we wel de grote onzekerheid mogen noemen! Genoeg! Genoeg! In feite kun je daar niet aan ontsnappen, en komt het erop neer te zeggen: ‘Zo is het! – Is het zo?’

(Zhuangzi hoofdstuk 25, VIII)

De Tao als de Grote Onzekerheid. Wat kan dat anders zijn dan het Grote Tja? In essentie bedoel ik natuurlijk. Als een van de essenties. Als bijkomstigheid dan, jij je zin.

De Tao als het sanatorium der sanatoria. Een lege geest in een leeg lichaam:

Weten dat je niet weet, dat is het hoogste. Dit niet weten, dat is een kwaal. De Wijze, door deze kwaal als een kwaal te beschouwen, is hiervan gevrijwaard. Want alleen op deze manier kun je aan die kwaal ontkomen.

(Lao Zi hoofdstuk 71, Schipper 2010)

Dan zijn we weer terug bij de wijze als onnozelaar. Maar is er überhaupt wel iemand die een wijze genoemd mag worden, binnen of buiten het taoïsme?

De eerste minister van Shang had een ontmoeting met Confucius en vroeg hem: ‘Ben jij een wijze?’ ‘Een wijze?’ antwoordde Confucius. ‘Hoe zou ik durven? Ik ben wel iemand die heel belezen is en veel weet.’

De eerste minister van Shang vroeg: ‘Waren de Drie Koningen wijzen?’ Confucius zei: ‘De Drie Koningen maakten op uitstekende wijze gebruik van kennis en moed, maar of ze wijzen waren weet ik niet.

‘Waren de Vijf Keizers wijzen?’ Confucius zei: ‘De Vijf Keizers maakten op uitstekende wijze gebruik van medemenselijkheid en plichtsbesef, maar of ze wijzen waren weet ik niet.’

‘Waren de Drie Doorluchtigen wijzen?’ Confucius zei: ‘De Drie Doorluchtigen blonken uit in het zich aanpassen aan het moment, maar of ze wijzen waren weet ik niet.’

De eerste minister van Shang was erg verbaasd en zei: ‘Maar wie is dan een wijze?’ Even veranderde Confucius’ gelaatsuitdrukking, en hij zei: ‘Onder de mensen van het westen is er een wijze. Hij regeert niet, en er is geen chaos. Hij spreekt niet, en hij wordt spontaan geloofd. Hij voert geen veranderingen door, en zijn invloed verspreidt zich spontaan. Hij is zo ongrijpbaar dat niemand van zijn volk in staat is hem een naam te geven. Ik vermoed dat hij een wijze is, maar of hij nu echt een wijze is of niet weet ik niet.’

De eerste minister van Shang bewaarde het stilzwijgen, en hij dacht bij zichzelf: Confucius houdt me voor de gek!

(Liezi hoofdstuk 4, III)

Meester Lie houdt ons op zijn beurt voor de gek. Want Confucius, het boegbeeld van het zeergeleerde confucianisme, krijgt hier woorden in de mond gelegd die alleen een taoïst zou durven uitspreken. Ik parafraseer:

Is er wel zoiets als wijsheid? Weet jij het? Is er wel zo iemand als een wijze? Ken jij zo iemand? Ben jij zo iemand?

Je dit serieus afvragen, is dát soms wijsheid?

Taoïsme zonder Tja

Het taoïsme relativeren is het taoïsme uithollen. Zoals we net hebben gezien geven de taoïsten, tenminste enkele, zelf het goede voorbeeld, hier en daar. Wat krijg je als je die lijn helemaal doortrekt?

Taoïsme zonder Tao. Taoïsme zonder deugd. Taoïsme zonder moraal. Taoïsme zonder innerlijke kracht. Taoïsme zonder qi. Taoïsme zonder weg. Taoïsme zonder doel. Taoïsme zonder principes. Taoïsme zonder metafysica. Taoïsme zonder kosmologie. Taoïsme zonder mensbeeld. Taoïsme zonder wereldbeeld. Taoïsme zonder ideaalbeeld. Taoïsme zonder esoterie. Taoïsme zonder onsterfelijkheid.

Taoïsme zonder filosofie. Taoïsme zonder anarchisme. Taoïsme zonder legalisme. Taoïsme zonder scepticisme. Taoïsme zonder dogmatisme. Taoïsme zonder conformisme. Taoïsme zonder non-conformisme. Taoïsme zonder nihilisme. Taoïsme zonder cynisme. Taoïsme zonder fatalisme. Taoïsme zonder activisme. Taoïsme zonder hedonisme. Taoïsme zonder ascese.

Taoïsme zonder scholen, zonder schoolsheid en zonder schoolmeesters. Taoïsme zonder goden, halfgoden, heiligen of zielen. Taoïsme zonder hoge en lage mensen en lage mensen.

Taoïsme zonder taoïsme – antitaoïsme of non-taoïsme.

Taoïsme zónder.

Taoïsme mét is gewoon een van de tienduizend dingen. Alle tienduizend dingen zijn even onbestendig, zegt taoïsme mét. Geen enkele voldoet als toeverlaat:

Chaotisch! Zonder vorm!
Transformaties, nooit bestendig.
Zijn we dood? Zijn we levend?
Zijn we evenredig met de hemel en de aarde?
Trekken wij samen op met de goden?
Hoe duister! Waar zijn we?
Hoe onduidelijk! Waar gaan we naartoe?
De tienduizend dingen omringen ons totaal,
Geen enkel voldoet als toeverlaat.

(Zhuangzi hoofdstuk 33, paragraaf 9, pagina 426)

Ook het taoïsme als inhoudelijke leer niet voldoet niet.

Taoïsme als lege leer

Wie moeite heeft met het uithollen van het taoïsme kan het ook zo bekijken: de Tao zelf is volgens het taoïsme alomvattend, duister, mysterieus en onkenbaar. Alles wat je erover zegt is de Tao niet. ‘Wie spreekt, weet niet en wie weet, spreekt niet.’

Uit hoofde van zijn taoïsme is de taoïst daarom verplicht al zijn uitspraken over de Tao terug te nemen. Zonder uitzondering. Alle uitspraken over de Tao terugnemen is niets anders dan het taoïsme uithollen. Een andere benadering, hetzelfde resultaat.

Taoïsme zónder is niets anders dan de lege leer. De leer zonder woorden, de leer zonder inhoud. Ook daar weer tja tegen zeggen – ik kan er lyrisch van worden.

De leer zonder woorden,
De kracht van het niet-doen.
Weinigen onder de hemel zijn er aan toe.

(uit Tao Tê Tjing hoofdstuk 43, Over de kracht van het zachte)

Lyriek bewijst natuurlijk niks. Zelfs al bewees het wat, ‘weinigen onder de hemel zijn eraan toe’. Niet aan de leegte, laat staan de leegte van de leegte, en dan kun je die lyriek verder wel op je buik schrijven.

Wil je het zelf voelen, die lyriek bedoel ik, dan moet je juist niets op je buik schrijven, en ook niet op een ander lichaamsdeel, en al helemaal niet op je cortex. Wil je het zelf voelen dan moet je alles maar dan ook alles wissen. Telkens weer, keer op keer – zelfs het wissen.

Het taoïsme leeg noemen betekent natuurlijk niet dat de Tao in metafysische zin, dat wil zeggen, het Ene, het Absolute, niet zou bestaan. Hoe stel je zoiets vast? Ik zou het echt niet weten. Ik verwijs alleen maar naar een taoïsme dat in overeenstemming met zijn beste voornemens geen uitspraken doet over de al dan niet vermeende Tao.

De taoïsten uit de oudheid kwamen zo ver dat ze niets meer beaamden en niets meer negeerden, en dat was genoeg. Hun tradities waren dermate verstild: wat valt er nog over te zeggen?’

(uit Zhuang Zi, Kristofer Schipper, hoofdstuk 33.VII, pagina 425)

De lege mens zegt niet wat de Tao is, hij zegt niet dat de Tao is, hij zegt niet dat de Tao niet is, hij zegt niet dat de Tao niets is. Geen woord maakt hij eraan vuil, anders was hij geen lege mens, zijn Tao geen Tao en zijn taoïsme geen taoïsme.

Lees ook: Agnosticisme is een stapsteen naar agnose

Niet-weten, niet-doen, niet-zijn

Maar wie is nou toch die lege mens?

De lege mens, hij weet niets, dit ook niet. Hij heeft geen vaste denkbeelden, geen vaste mensbeelden, geen vaste wensbeelden. Geen wereldbeeld, geen godsbeeld, geen boeddhabeeld.

Daarom is zijn doen zonder doen en zijn denken zonder denken. Zijn zijn is zonder zijn, en zijn spreken zonder spreken. Zijn geloof is zonder geloof en zijn wil is zonder wil. Zijn hebben is zonder hebben, zijn geven zonder geven, zijn nemen zonder nemen.*

1. Niet-weten

De lege mens weet niets. Hij weet zelfs niet niets, ook aan niet-weten doet hij niet. Maar wat hij ook weet, hij weet het niet, hij weet het zelfs niet niet.

Noem dat desnoods niet-weten. Zelf zegt hij liever niets.

2. Niet-doen

De lege mens doet niets. Hij doet zelfs niet niets, ook aan niet-doen doet hij niet. Maar wat hij ook doet, hij doet maar wat, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-doen. Zelf zegt hij liever niets.

3. Niet-denken

De lege mens denkt niets. Hij denkt zelfs niet niets, ook aan niet-denken doet hij niet. Maar wat hij ook denkt, hij denkt maar wat, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-denken. Zelf zegt hij liever niets.

4. Niet-geloven

De lege mens gelooft niets. Hij gelooft zelfs niet niets, ook aan niet-geloven doet hij niet. Maar wat hij ook gelooft, hij gelooft het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-geloven. Zelf zegt hij liever niets.

5. Niet-willen

De lege mens wil niets. Hij wil zelfs niet niets, ook aan niet-willen doet hij niet. Maar wat hij ook wil, hij wil het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-willen. Zelfs zegt hij liever niets.

6. Niet-nemen

De lege mens neemt niets. Hij neemt zelfs niet niets, ook aan niet-nemen doet hij niet. Maar wat hij ook neemt, hij neemt het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-nemen. Zelfs zegt hij liever niets.

7. Niet-geven

De lege mens geeft niets. Hij geeft zelfs niet niets, ook aan niet-geven doet hij niet. Maar wat hij ook geeft, hij geeft het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-geven. Zelfs zegt hij liever niets.

8. Niet-hebben

De lege mens heeft niets. Hij heeft zelfs niet niets, ook aan niet-hebben doet hij niet. Maar wat hij ook heeft, hij heeft het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-hebben. Zelfs zegt hij liever niets.

9. Niet-zijn

De lege mens is niets en niemand. Hij is zelfs niet niets of niemand, ook aan niet-zijn doet hij niet. Maar wie of wat hij ook lijkt, hij is het niet, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-zijn. Zelf zegt hij liever niets.

10. Niet-zeggen

De lege mens zegt niets. Hij zegt zelfs niet niets, ook aan niet-zeggen doet hij niet. Maar wat hij ook zegt, hij zegt maar wat, en weet nog steeds van niets.

Noem dat desnoods niet-zeggen. Zelf zegt hij liever niets.

De lege mens, hij weet zelfs niet niets, hij doet zelfs niet niets, hij denkt zelfs niet niets, hij gelooft zelfs niet niets, hij wil zelfs niet niets, hij neemt zelfs niet niets, hij geeft zelfs niet niets, hij heeft zelfs niet niets, hij is zelfs niet niets en hij zegt zelfs niet niets, anders zou hij dit niet zeggen.

Al zijn denkbeelden zijn ingestort. Zijn denken is een gat waarin alle gedachten verdwijnen.

* En zo verder langs alle werkwoorden uit het woordenboek.

De Tao als keerpunt

Wie de betekenis heeft gevat, maakt geen gebruik van woorden; wie iets helemaal heeft begrepen, maakt ook geen gebruik van woorden. Spreken door niets te zeggen is ook een vorm van spraak; weten door niet te weten is ook een vorm van weten. Het gaat niet om “spreken” en “niet-spreken”, het gaat niet om “weten” en “niet-weten”, want dat blijft in alle gevallen “spreken” en “weten”. Er is niets wat hij niet zegt, er is niets wat hij niet weet, en tegelijk zegt hij niets en weet hij niets. Zo, meer valt er echt niet over te zeggen!

(uit Liezi hoofdstuk 4, V)

Wat hij ook zegt, de lege mens zegt niets en wat hij ook niet-zegt, dat zegt hij. Eens gezegd, ongezegd. Incognito verblijft hij in het niemandsland tussen ja en nee. Daar houdt hij moeiteloos het midden van het midden. Statenloos verkeert hij in alle staten. Of hij nou wil of niet-wil of niet.

Het middelste midden is de spil waar alles om draait, zegt Meester Zhuang. De spil waar alles om draait, maar die zelf niet meedraait.

Dat kun je ontologisch opvatten of psychologisch. Metafysisch of epistemologisch. Ik verkies het laatste, of het verkiest mij.

De Tao is dan niet het eeuwige zwaartepunt van het zijn, maar het eeuwige keerpunt van het denken. Het vluchtpunt. Het verdwijnpunt. Het nulpunt. Het rustpunt. Het oog van de orkaan – de orkaan van stilte, de wolk van niet-weten. Een epistemologisch en ethisch vacuüm. Waar geen wijsheid is en geen dwaasheid, geen goed en geen kwaad, geen juist en geen onjuist, geen Tao en geen Tê – maar eh en hè?

Het blijft teveel gezegd. De Tao is immers voorbij de woorden en mag niet heten, geen middelpunt, geen keerpunt en geen nulpunt, epistemologisch noch psychologisch, ethisch noch metafysisch.

Ook dit gaat alweer te ver. Zeggen dat iets voorbij de woorden is, riekt naar essentialisme. Vanwege dat ‘iets’, ja. Een bedenkelijk denklijk met de weezoete geur van cadeverine.

Natuurlijk, de neus wil ook wat, maar voor je het weet zit je tot over je oren* in de stront van het absolute. En anders wel in de beerput van het relatieve. Alle woorden zijn te lang en ieder zwijgen schiet tekort, dus daar sta je dan met je eeuwige wijsheid.

Niet-weten is geen absolutisme en geen relativisme. Het is een praktijk van relativeren zonder het relativeren te verabsoluteren. Niet-weten is geen filosofie maar een spontane praktijk – praktiseren zonder prakkiseren.

* Oude Langoor is de bijnaam van de al dan niet vermeende schrijver van de Daodejing, Laozi.

De Tao van Tja

Niet-weten is de weg van het tja. Niet de kunst van het tja, want niet-weten is in mijn beleving geen kunst. Het is niet iets wat je goed of fout kunt doen. Het is niet iets wat je beoefent, maar iets wat je niet-beoefent, iets wat je, weg met de koppeltekens, niet kunt laten, ik in elk geval niet. Niet-weten is iets waarin je je zelf verliest. Iets wat je steeds weer kwijtraakt. Kortom, de weg.

Niet-weten is de weg van het tja. Pas als het tja helemaal zijn gang mag gaan komt het echt op gang. Het komt vanzelf en het gaat vanzelf en zo gaat het maar door. De passagier van dit lege voertuig zit intussen uit zijn nek te kletsen en uit zijn neus te eten, want de tong wil ook wat.

Niet-weten is de weg van het tja. Noemen we de weg de tao dan krijgen we de tao van tja. De tao van tja is de titel van deze pagina en de essentie van taoïsme zonder essentie.

Hou op met leren, dan leef je onbezorgd!
Ja en nee, hoe ver liggen die eigenlijk van elkaar?

(uit Lao Zi hoofdstuk 20, Schipper 2010)

Misschien zou ik als pinyinpromotor de dao van tja moeten schrijven, maar dat allitereert niet. Het oor wil ook wat. Ik schaam me niks. Het Chinese restaurant op de hoek, pleisterplaats voor bejaarden en kinderen met en zonder kapotte knieën, serveert principieel geen pinyin.

Niet alles verandert onophoudelijk, niet alles transformeert, in weerwil van de leer. Het menu, ik heb het net nog even voor u gecontroleerd, vermeldt als altijd pekingeend in plaats van beijingeend.

Noem het wat je wilt, ik vreet het niet. Beter één vogel in de lucht dan tien op je bord, zei de pinguin en waagde de sprong. Beter tien tao’s in de kosmos dan één in je kop, dacht de dodo en gaf de geest. Genoeg gezwetst, zei Majoor Klets en hield een toespraak waar geen eind aan kwam uit naam van Meester Tja – God hebbe zijn gat.