Meester Schaap en Broeder Ezel

‘Een goede leraar maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.’ Dwaalteksten over meesterschap, leerlingschap, schapen, ezels, vroedvrouwen en putjesscheppers.

Tip: Elf plaatjes van de ezel, Goeroes, goeroelopers en ouwehoeroes, Idolen van de zoeker, Meester Hans.

Onverschillig

‘Een goede leraar maakt het onbegrijpelijke begrijpelijk.’
‘Een goede leraar maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.’
‘Ga nou gauw.’
‘Dan niet.’
‘Komt daar ooit een einde aan?’
‘Dat merk je vanzelf.’
‘Wat zal ik dan merken?’
‘Dat je het verschil niet meer weet.’
‘Waartussen?’
‘Wat maakt dat nou uit.’
‘Ik snap er niets meer van.’
‘Zie je wel?’
‘Wat?’
‘Een goede leraar maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.’

Snap shots

‘Wanneer ben je leerling?’
‘Als je eventjes iets weet.’
‘Wanneer ben je leraar?’
‘Als je eventjes niets weet.’
‘En als je eventjes iets noch niets weet?’
‘Dan ben je eventjes leraar noch leerling.’
‘Eindelijk snap ik het.’
‘Dan ben je weer eventjes leerling.’

Het hoogste woord

‘Ik zal blij zijn als ik geen leerling meer ben.’
‘Er woont een leerling in ieder van ons.’
‘Ook in jou?’
‘Ook in mij.’
‘Maar jij bent hier toch de leraar?’
‘Er woont een leraar in ieder van ons.’
‘Ook in mij?’
‘Ook in jou.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Bij jou voert de leerling het hoogste woord.’
‘En bij jou?’
‘Bij mij praten ze om de beurt.’

Onbegrijpelijk

‘Wat wilt u eigenlijk van mij?’
‘Niets…’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’
‘U heeft mij onvoorwaardelijk lief.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U staat helemaal voor mij open.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U bent mij keuzeloos gewaar.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Ik laat u helemaal koud.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U wilt dat ik mezelf kan zijn.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U wilt dat ik mezelf ben.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U wilt dat ik bén.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Wat wilt u dan van mij?’
‘Niets.’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’

‘Wat wilt u van eigenlijk mij?’
‘Niets…’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’
‘Moet ik ook niets van anderen willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik niets van u willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik niets van mezelf willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik niets willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik dan helemaal niets?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Zolang het maar van harte gaat.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Wat wilt u dan van mij?’
‘Niets.’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’

Gelijke monniken

Leerling: Zal ik u vousvoyeren of wenst u als een gelijke behandeld te worden?
Meester: Ik heb geen behandeling meer nodig.

Houdt het dan nooit op?

De hoogste wijsheid

Monnik: Ik zoek de…

Meester: Nou dat weer.

Monnik: Nou wat weer?

Meester: Houdt het dan nooit op?

Monnik: Wie steeds ‘Nou dat weer’ zegt, moet nodig met pensioen.

Meester: Nou dat weer.

Monnik: En dan dat toontje.

Meester: Dat hoort er nou eenmaal bij.

Monnik: Niemand zo voorspelbaar als u.

Meester: Niets zo effectief als ‘Nou dat weer’.

Monnik: Om wat te bereiken?

Meester: Nou dat weer.

Lees ook: De Linji lu, De Poortloze Poort

Goed, beter, best

‘Wat is een goede leerling?’
‘Iemand die niets aanneemt.’
‘Wat is een betere leerling?’
‘Iemand die niets afwijst.’
‘Wat is de beste leerling?’
‘Geen leerling.’

‘Wat is een goede leraar?’
‘Een levende leraar.’
‘Wat is een betere leraar?’
‘Een dode leraar.’
‘Wat is de beste leraar?’
‘Een leerling.’

Schijnzwanger

‘Wat is een leraar?’
‘Een putjesschepper.’
‘Socrates noemde zichzelf tenminste nog een vroedvrouw.’
‘Een vroedvrouw met een baard.’
‘Hij hielp de mensen bij het baren van de waarheid.’
‘Zelf ben ik meer een verloskundige.’
‘Waarvan verlost u de mensen?’
‘Van het idee van de waarheid.’

Doorslaand

‘Wanneer is een leraar succesvol?’
‘Als hij geen leerlingen meer heeft.’
‘Wanneer is een leerling succesvol?’
‘Als hij geen notie van succes meer heeft.’

Wannabees

Meester Schaap zei altijd: ‘Wie een kuil graaft voor zijn weten valt er zelf in.’
En voegde er dan aan toe: ‘Wie een kuil graaft voor zichzelf loopt er steeds omheen.’

Valkuilen

‘Wat is de grootste valkuil op weg naar niet weten?’
‘Denken dat er zoiets is als niet weten.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat er niet zoiets is als niet weten.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je ergens heen moet.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je nergens heen moet.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je ergens heen kunt.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je nergens heen kunt.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat er valkuilen zijn.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat er geen valkuilen zijn.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je iemand bent.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je niemand bent.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je niet moet denken.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je anders moet denken.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Niet denken.’

‘Hoeveel valkuilen zijn er wel niet op de weg naar niet-weten?’
‘Net zoveel als er gedachten zijn.’
‘Dat is toch geen doen!’
‘Niet weten is geen doen.’
‘Niet weten is maar laten?’
‘Laten is de grootste valkuil op de weg naar niet weten.’
‘Valkuilen omzeilen is de weg.’
‘Valkuilen omzeilen is…’
‘… de grootste valkuil op de weg naar niet weten, wou je zeggen.’
‘Welnee.’
‘Wat wou jij zeggen?’
‘Valkuilen omzeilen is niet de weg.’
‘Wat is wel de weg?’
‘Vallen is de weg.’

Een omweg

‘Wat is de weg?’
‘Het weten doden.’
‘En dan?’
‘Is alles weg.’
‘En dan?’
‘Het niet-weten doden.’
‘En dan?’
‘Is alles terug.’
‘En dat is de weg?’
‘En dat was de weg.’

Over het nut van instructies

Een leerling komt aangerend met een bord aan een paal.’
‘Waar heb je dat vandaan?’
‘Uit een veldje narcissen in het park!’
‘Laat eens zien.’
Triomfantelijk steekt de leerling het bord omhoog.’
De meester leest: ‘Pluk mij.’

Klare taal

‘Hoe noemt men hem die pertinente vragen stelt?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die impertinente vragen stelt?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die geen vragen meer stelt?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die weet?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zich het ene weet?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zich het bewustzijn weet?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die de waarheid kent?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die de vrijheid gevonden heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zich van de vrijheid bevrijd heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zijn gedachten de baas is?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zijn gedachten niet meer als de zijne beschouwd?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zichzelf in god gevonden heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die god in zichzelf gevonden heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die mededogen heeft met alle voelende wezens?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die niet meer noemt?’
‘Leerling.’
‘Wie noemt men dan in hemelsnaam een leraar?’
‘Wie zich dat niet meer afvraagt.’

Goede raad

Opvolger: Wat moet ik doen als iemand conclusies begint te trekken?
Meester: Terugtrekken.

Aanschouwelijk onderricht

Op een dag neemt de meester plaats op het spreekgestoelte en zakt er prompt doorheen.
Hij staat op, verliest zijn evenwicht, valt opnieuw, krabbelt weer overeind en slaat het stof van zijn pij.
Niemand verroert zich.
De meester zegt schor: ‘Beter had ik het niet kunnen zeggen.’
Hinkend verlaat hij de zaal.

Caput mortuum

‘Mag ik bij u in de leer?’
‘Bij mij gaat men uit de leer.’
‘Ik wil leren leven.’
‘Bij mij leert men sterven.’
‘Men heeft mij verzekerd dat ik bij u de hoogste wijsheid…’
‘Als je in de leer wilt zoek je maar een levende leraar.’
‘Bent u dan geen levende leraar?’
‘Ik ben een dode leraar.’
‘Wie noemt zichzelf nou een dode leraar.’
‘Iemand die niets meer te zeggen heeft, zelfs dit niet.’
‘Minder kan haast niet.’
‘Net als de doden.’

Een brug te ver

‘Wat heeft u toch met mij voor?’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Wat heb ik daar nou aan.’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Maar wat doe ik dan hier?’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Maar wat doet u dan hier?’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Ik geloof u niet.’
‘Ik ook niet.’
‘En toch geloof ik u.’
‘Ik ook.’
‘Ik snap er niets meer van.’
‘Ik ook niet.’
‘En toch snap ik het.’
‘Ik ook.’
‘Ik geloof werkelijk dat ik het vat.’
‘Dan ben je het alweer kwijt.’

Chinese wijsheid

‘Bent u Ping of bent u Pong?’
‘Tegen Ping ben ik Pong, tegen Pong ben ik Ping.’
‘En tegen Pingpong?’
‘Die speelt wel met zichzelf.’

Op dood spoor

Monnik: Wanneer mag ik in uw voetsporen treden?
Meester: Zodra je ze hebt uitgewist.

Alsof

‘Wat is de overeenkomst tussen de leerling en de leraar?’
‘Beiden doen alsof.’
‘En het verschil?’
‘De leerling doet alsof hij weet, de leraar doet alsof hij niet weet.’

Sola fide

‘Hoe onderscheid je bonafide leraren van malafide?’
‘Ze zijn allemaal malafide.’
‘Hoe bedoel je?’
‘De leraar kan erop schijten maar de leerling moet zijn eigen ramen lappen.’
‘Er zijn toch zeker oplichters onder de leraren?’
‘Maakt niet uit.’
‘Waarom niet?’
‘Stront is stront.’
‘Dus?’
‘Betaal er niet te veel voor.’

Uitzuiger

‘Volgens mij speel jij een spelletje met mij.’
‘Welk spelletje speel ik volgens jou?’
‘Pak me dan.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Om mij te slim af te zijn.’
‘Volgens mij speel jij een spelletje met mij.’
‘Welk spelletje dan?’
‘Ik zal je pakken.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Om mij in woorden te vangen.’
‘En dan?’
‘De waarheid uit mij te zuigen.’
‘En die waarheid luidt?’
‘Zie je wel.’

Dwarskop

‘Wat is de beste leermeester?’
‘Een ezel.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij blijft staan zolang je nog wilt vertrekken en blijft lopen zolang je nog wilt afstijgen.’

Aan gene zijde

‘Wat is de beste leermeester?’
‘Een ezel.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij altijd de andere kant op gaat.’
‘Altijd?’
‘Tot je voorgoed de weg kwijt bent.’
‘Dan wordt hij eindelijk gezeglijk?’
‘Dan is er geen andere kant meer.’

Ken jEZELf

Het temmen van de ezel

‘Ik wil hebben wat u hebt.’
‘Je veronderstelt dat ik iets heb.’
‘Dan wil ik kwijtraken wat u kwijt bent.’
‘Je veronderstelt dat ik iets kwijt ben.’
‘Ik wil ervoor doen wat u ervoor gedaan hebt.’
‘Je veronderstelt dat ik er iets voor gedaan heb.’
‘Dan wil ik laten wat u ervoor gelaten hebt.’
‘Je veronderstelt dat ik er iets voor gelaten heb.’
‘Maar ik wil weten wat…’
‘Je veronderstelt dat het een kwestie van weten is.’
‘Dan wil ik afleren wat…’
‘Je veronderstelt dat het een kwestie van niet weten is.’
‘Waarvan is het dan wel een kwestie?’
‘Je veronderstelt dat het een kwestie is.’
‘Maar wilt u me dan tenminste zeggen…’
‘Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.’
‘Maar u kunt toch wel…’
‘Je veronderstelt dat ik iets kan.’
‘Maar u hebt toch…’
‘Je veronderstelt dat je iemand voor je hebt.’
‘Maar…’
‘Of dacht je soms dat je niemand voor je had?’
‘Ik…’
‘Je veronderstelt dat je iemand bent.’

‘En denk nou maar niet dat je niemand bent.

Diep in de nacht

‘Wat is de taak van de leraar?’
‘Abyssus abyssum invocat.’
‘Wat betekent dat?’
‘De ene afgrond roept tot de andere.’