Metafysica in een wezenloze wereld

Werkelijkheid of illusie? Materialisme of idealisme? Realisme of nominalisme? Causaliteit of afhankelijk ontstaan? Vorm of leegte? Zien of zijn? Wal noch Kant; de categorieën van het onverstand – metafysica in een wezenloze wereld.

Verder lezen: De illusie van de illusie, Waarnemen of waargeven, Zen, leegte en nihilisme (over afhankelijk ontstaan en essentialisme), De wolk van niet-weten (over immanentie, transcendentie en neo-platonisme), De diamantsoetra (met name het nawoord over de leegte van de leegte).

Meer filosofie: Doodgaan voor dummy’s, De Intergalactische Waarheidsconferentie, De lege leer, Liefde voor dummy’s, Metafysica in een wezenloze wereld, De non-dualist en de non-filosoof, Het regressieprobleem, Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken, Voorbij goed en kwaad, de ethiek van niet-weten, Vrije wil, onvrije wil en vrije onwil, Waarnemen of waargeven, Weetnietkunde, Wie ben je? Zingeving voor zotten.

Een dijk van een metafysicus

‘Wat weet jij eigenlijk van metafysica, Hans?

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

Rondo ostinato

Titel geïnspireerd door de Canto Ostinato van Simeon ten Holt.

rondo: muziekvorm waarin het hoofdthema steeds terugkeert

ostinato (Latijn): koppig, hardnekkig

1. De realist

‘De wereld is mijn grondslag.’

‘Hoezo?’

‘Zonder wereld ben ik ondenkbaar.’

‘Wat weet je zoal van de wereld?’

‘Ik ken haar vormen en haar kleuren, haar klanken en haar geuren, haar smaken en haar temperaturen, haar gewicht en haar weerstand, haar charmes en haar kuren, haar ruimte en haar tijd. Ik heb haar bewandeld en bewerkt, gegeten en gedronken, gereinigd en bevuild, bevochten en omhelsd, gezien, gehoord, geroken, geproefd en gevoeld.’

‘Kun de wereld kennen zonder lichaam? Kun je haar bewandelen zonder benen? Kun je haar omhelzen zonder armen? Kun je haar bewerken zonder handen? Kun je haar eten en drinken zonder mond, reinigen zonder ruggengraat, bevuilen zonder kont? Kun je haar waarnemen zonder zintuigen?’

‘Ik zou niet weten hoe.’

‘Dan is je lichaam fundamenteler dan de wereld.’

2. De materialist

‘Mijn lichaam is mijn grondslag.’

‘Hoezo?’

‘Zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.’

‘Wat weet je van je lichaam?’

‘Ik ken zijn vormen en zijn strekken. Ik ken zijn lengte en gewicht. Ik ken zijn rimpels en zijn vlekken. Ik ken zijn zenuwen en gevoeligheden. Ik ken zijn warmte en zijn koude. Ik ken zijn pijn en zijn littekens. Ik ken zijn houdingen en zijn bewegingen. Ik ken zijn souplesse en zijn stijfheid. Ik ken zijn bouw en zijn functie. Ik ken zijn energie en zijn vermoeidheid. Ik ken zijn honger en zijn verzadiging. Ik ken zijn lust en zijn onlust.’

‘Hoe komt het dat je je lichaam zo goed kent?’

‘Ik neem het waar met al mijn zintuigen. Ik zie het met mijn ogen. Ik hoor het met mijn oren. Ik proef het met mijn tong. Ik ruik het met mijn neus. Ik voel het met mijn huid.’

‘Zou je zonder waarnemingen ook maar iets van je lichaam weten?’

‘Ik zou niet weten hoe.’

‘Dan zijn je waarnemingen fundamenteler dan je lichaam.’

3. De empirist

‘Waarnemingen zijn mijn grondslag.’

‘Hoezo?’

‘Zonder waarnemingen is mijn lichaam ondenkbaar, zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.’

‘Hoe weet je dat je waarnemingen doet?’

‘Ik neem beelden waar, ik neem geluiden waar, ik neem geuren waar, ik neem smaken waar, ik neem warmte waar, ik neem koude waar, ik neem textuur waar, ik neem druk waar, ik neem pijn waar, ik neem emoties waar en ik neem gedachten waar.’

‘Wat is het dat al die waarnemingen mogelijk maakt?’

‘Mijn bewustzijn, zou ik zeggen.’

‘Zou je zonder bewustzijn ook maar enige waarneming kunnen doen?’

‘Ik zou niet weten hoe.’

‘Dan is je bewustzijn fundamenteler dan je waarnemingen.’

4. De idealist

‘Bewustzijn is mijn grondslag.’

‘Hoezo?’

‘Zonder bewustzijn zijn waarnemingen ondenkbaar, zonder waarnemingen is mijn lichaam ondenkbaar, zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.’

‘Wat is bewustzijn zonder wereld?’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Denk er maar even rustig over na.’

‘Ik kan me er niets bij voorstellen.’

‘Zou je zonder wereld ooit op het spoor van je bewustzijn komen?’

‘Ik zou niet weten hoe.’

‘Dan is de wereld fundamenteler dan je bewustzijn.’

tip: het regressieprobleem

Anders stort het hele gebouw van mijn denken in

Waar de vogels wonen

‘Ik verschijn in de wereld, dus de wereld is mijn grondslag. De wereld verschijnt aan mijn lichaam, dus mijn lichaam is mijn grondslag. Mijn lichaam verschijnt in mijn waarnemingen, dus mijn waarnemingen zijn mijn grondslag. Mijn waarnemingen verschijnen in mijn bewustzijn, dus mijn bewustzijn is mijn grondslag. Mijn bewustzijn verschijnt als de wereld, dus de wereld is mijn grondslag.’

‘Merry-go-round.’

‘Maar wat is nou mijn grondslag?’

‘Jij met je grondslag.’

‘Anders stort het hele gebouw van mijn denken in.’

‘Dan heb je er ook geen omkijken meer naar.’

‘Waar moet ik dan wonen?’

‘Waar de vogels wonen.’

‘Misschien kan ik geen grondslag vinden omdat alles één is.

‘Wou jij het dualistische denken meteen weer inruilen voor het monisme?’

‘Bedoel je dat alles niet één is maar niet-twee? Dan is non-dualiteit mijn grondslag.’

‘Wou jij het monisme meteen weer inruilen voor het non-dualisme?’

‘Bedoel je dat alles niet één is, niet niet-twee maar veel? Dan is pluraliteit mijn grondslag.’

‘Wou jij het non-dualisme meteen weer inruilen voor het postmodernisme?’

‘Misschien ontstaat alles wel afhankelijk. Dan is interdependentie mijn grondslag.’

‘Wou jij het postmoderne denken meteen weer inruilen voor het conditionalisme?’

‘Misschien laat het goddelijke zich gewoon niet in een hokje stoppen.’

‘Wou jij het conditionalisme meteen weer inruilen voor de mystiek?’

‘Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?’

‘En maar concluderen.’

‘Bedoel je dat er niets te concluderen valt?’

‘Dat zou nog steeds een conclusie zijn.’

‘Bedoel je dat alles een illusie1 is?’

‘Dan ook de illusie2.’

‘Dat alles leeg3 is, bedoel ik?’

‘Dan ook de leegte4.’

‘Of wil je alleen maar aantonen dat er geen grondslagen zijn?’

‘Ik zou niet weten hoe.’

‘Nergens is houvast.’

‘Nihilist.’

‘Misschien kunnen we niet weten wat onze grondslag is omdat het ons eindige verstand te boven gaat.’

‘Wou jij het nihilisme meteen weer inruilen voor het scepticisme?’

‘Sterker nog, misschien kunnen we zelfs niet weten dat we het niet kunnen weten.’

‘Wou jij het scepticisme meteen weer inruilen voor het pyrronisme?’

‘Ik geef het op.’

‘Fatalist.’

1. maya
2. maya-maya
3. sunyata
4. sunyata-sunyata

Zien of zijn, wat komt het eerst?

Kan de kenner van het gekende het zijn der zijnden doorgronden? Sein und Sehen; Shankara en Heidegger

Beste Hans,
Wat komt het eerst: zien of zijn? Gaat het zijn vooraf aan het kennen of gaat het kennen vooraf aan het zijn? Of staan ze wellicht op hetzelfde plan? Of zijn ze misschien zelfs identiek? Of zijn beide gebaseerd op iets fundamentelers? En analoog aan deze vraagstelling: ligt de epistemologie ten grondslag aan de ontologie of de ontologie aan de epistemologie? Ik kom er niet uit.

Beste Ananda,
Ik ook niet.

Ananda: Volgens mij is zijn de ingrond van het kennen. Wat denk jij?

Hans: Wat ik denk? Wat een bizarre zin is wat ik denk. ‘Zijn is de ingrond van het kennen.’ Wat een bizar woordgebruik, is wat ik denk. Zijn?

Van oorsprong is ‘zijn’ een werkwoord dat je in staat stelt zinnetjes te vormen. In het dagelijks taalgebruik zeg je bijvoorbeeld: ‘Hier is de deur’, ‘Daar is de brievenbus’; en dat werkt best. Maar mensen die een beetje filosofisch zijn aangelegd, gaan zich dan afvragen wat die deur en die brievenbus gemeen hebben. Nou, ze hebben een andere vorm en een andere functie, dus dat kan het niet zijn. Maar alle twee zijn ze, constateer je nadat je de zinnetjes woord voor woord vergeleken hebt. Hier is de deur. Daar is de brievenbus. En zo wordt het begrip ‘zijn’ geboren.

Werkwoorden roepen geen vragen op. Begrippen roepen wel vragen op. De eerste vraag is natuurlijk: wat is ‘zijn’? Vragen roepen antwoorden op. Dus sla je aan het denken, je kletst eens met deze, je zwetst eens met gene, je leest een paar boekjes, je filosofeert nog een beetje verder en voor je het weet heb je het over de ‘isheid der zijnden’, over ‘zijnsgronden’ en ‘zijnsoordelen’, over het ‘zelfzijn’ en het ‘alzijn’, over het ‘hierzijn’ en het ‘daarzijn’, over het ‘Dasein’ en de ‘zijnsgesteldheid’ en de ‘zijnsvergetelheid’ en het ‘in-de-wereld-zijn’ en het ‘niet-zijn’ als een bijzondere vorm van ‘er-zijn’ en het ‘zo-zijn’ versus het ‘anders-zijn’. Steeds dieper worden je gedachten, steeds gekker je uitspraken, bijvoorbeeld ‘Ik-ben-heid is mijn wezensgrond’ of ‘Het gedifferentieerde zijn ontstaat via een mysterieus wordingsproces uit het ongedifferentieerde zijn en keert er aan het einde van zijn zijn door ontwording moeiteloos in terug’ of ‘Alle dingen zijn ér maar niet alle dingen zijn zó, dus het zo-zijn gaat vooraf aan het er-zijn.’

Wat eerst ballonnetjes in je hoofd waren – ‘zijn’ en ‘er-zijn’ en ‘zo-zijn’ en ‘daarzijn’ – wordt steeds reëler voor je. De ballonnetjes in je hoofd worden dingen in de werkelijkheid of aspecten van die werkelijkheid. Sommige van die ballonnetjes hebben het kennelijk in zich om door bepaalde geesten te worden aangezien voor de werkelijkheid zelf, of voor de essentie daarvan, of voor de hoogste vorm of de bron en bestemming ervan. Hoor ze eens jubelen over

  • Het Goede!
  • Het Zelf!
  • Perfectie!
  • Schoonheid!
  • Waarheid!
  • Non-dualiteit!
  • Eenheid!
  • Leegte!
  • Verscheidenheid!
  • God!
  • Zijn!

De wereld in één woord; dat is pas (be)grip.

Ananda: En ‘kennen’ dan?

Hans: ‘Kennen’ is ook al zo’n raar, abstract woord. In het dagelijks taalgebruik zeg je bijvoorbeeld: ‘Ik weet waar een brievenbus voor is’, ‘Ik weet hoe ik een deur moet gebruiken’, en dat werkt best. Maar mensen die een beetje filosofisch zijn aangelegd, gaan zich dan afvragen wat die beide vormen van weten met elkaar gemeen hebben. Voor je het weet hebben ze het over ‘de kennis’ en ‘het kennen’ van ‘het gekende’ door ‘de kenner’, en over ‘kennendheid’. ‘De hoogste kennis heeft geen object’, zeggen ze, of ‘Ik ben de kenner, niet het gekende’ of ‘Ik ben de kenner én het gekende’ of ‘Ik ben de kennis zonder leraar’ of ‘Kennendheid is mijn ware aard en het hoogste zijn’ of ‘Het gekende wordt gekend door het onkenbare kennen’. En nóg worden ze niet uitgelachen. Dus waarom zouden ze zich nog inhouden?

Ze definiëren ‘het kennen’ als een ‘functie’ van de ‘geest’ gebaseerd op het ‘aspectloze bewustzijn’ waarin zich ‘verschijnselen’ voordoen die door het ‘richten’ van de ‘aandacht’ via de ‘intentionele boog’ tot ‘evidente’ ‘inzichten’ leiden. Ze onderscheiden het onbewuste van het onderbewustzijn, het individuele van het collectieve onderbewustzijn, het onderbewustzijn van het bovenbewustzijn, het zelfbewustzijn van het albewustzijn, het ik-bewustzijn van het godsbewustzijn; ze vergeten intussen niet ze alle onder te brengen in het Universele Bewustzijn dat dat ze zijn; en ze inventariseren, interpreteren, verabsoluteren en relativeren onvermoeibaar de overeenkomsten, verschillen en verbanden tussen de verschillende vormen van bewustzijn onderling en het brein, het hart, de ziel, de geest, het zelf, de boeddhanatuur, de godheid en wie en wat al niet.

Zo ontstaat een waterhoofd dat zelfs de sterkste benen niet meer kunnen dragen.

Ananda: Wou jij mij een waterhoofd noemen?

Hans: ‘Waterhoofd’ is ook al zo’n raar, abstract woord.

Ananda: Je hebt mijn vraag over epistemologie en ontologie nog niet beantwoord.

Hans: Als je niet eens weet waar ‘zijn’ en ‘kennen’ precies voor staan, en of ze wel ergens voor staan, laat staan wat hun onderlinge relatie is, waarom zou je je dan nog druk maken over de vraag of de zijnsleer vooraf gaat aan de kenleer of omgekeerd?

Ananda: In je antwoorden zie ik echo’s van het middeleeuwse debat tussen de realisten, die volhielden dat taal een afspiegeling is van de werkelijkheid en dat ieder woord derhalve correspondeert met iets werkelijks; en de nominalisten, die stelden dat alle woorden loze abstracties zijn – zelfs schijnbaar concrete woorden als ‘deur’ en ‘brievenbus’.

Hans: Hadden ze toen al brievenbussen?

Ananda: Volgens mijn postbode wel.

Hans: Tegen de realist zou ik zeggen: met welke realiteit correspondeert de illusie en tot welke categorie behoort u? Tegen de nominalist zou ik zeggen: nominalisme is ook maar een woord; wat maakt dat u? Tegen jou zou ik zeggen: wat bedoel je precies met ‘taal’ en ‘afspiegeling’ en ‘woord’ en ‘iets werkelijks’ en ‘loos’ en ‘abstractie’ en ‘schijnbaar’ en ‘concreet’?

En let eens op, terwijl je dat uitvogelt, hoe ballonnetjes betonblokken worden. En let eens op, terwijl je daarop let, hoe de gedachte dat ballonnetjes betonblokken worden, een betonblok wordt. Een blok aan je been. Een molensteen. Die je aanziet voor een mijlpaal. En let eens op, terwijl je daarop let, hoe het opletten zélf een betonblok wordt.

En let dan eens niet op.

Ananda: Ik zie ook echo’s van de analytische wijsbegeerte van onder meer Gilbert Ryle en Ludwig Wittgenstein, die zich fanatiek verzetten tegen de correspondentietheorie dat taal een afspiegeling is van de werkelijkheid en betoogden dat het (taal bedoel ik) alleen maar een instrument is.

Hans: Als ‘Ryle’ en ‘Wittgenstein’ niet met iets werkelijks correspondeerden, wie heeft dan hun boeken geschreven? Als hun boeken niet met iets werkelijks correspondeerden, wat heb jij dan gelezen? En als jij niet met iets werkelijks correspondeert…

Zelfs als Ryle en Wittgenstein er waren dan zijn ze er nu niet meer dus kennen ze ook niet meer, neem ik hier maar even aan; wat ons evengoed niet verhindert om hun (of ‘hun’) namen (of ‘namen’) te gebruiken. Of kennen ze niet meer omdat ze niet meer zijn? Of is niet-zijn hetzelfde als niet-kennen, en zo ja, volgt dan uit deze identiteit dat kennen inderdaad hetzelfde is als zijn? Of zijn kennen en zijn inderdaad manifestaties van een gemeenschappelijke (on)grond, laten we zeggen, het numineuze of de menigvuldigheid of niet-weten of de liefde of de vermoorde onschuld of groene energie of het al of het dan niet? Hoe stel je zoiets vast, en vooral, hoe laat je het weer los?

Ik weet zeker dat deze diepzinnige vragen bij jou in goede handen zijn.

Ananda: Volgens mij was dit geen compliment.

Hans: Parallellen zijn parallellen, maar niet weten is geen filosofie.

Ananda: Filosofie is ook scepticisme.

Hans: Niet weten is geen scepticisme.

Ananda: Wat is niet-weten dan wel?

Hans: Een raar, abstract woord?

Ananda: Water in een waterhoofd.

Hans: Laat maar lekker over Gods akker vloeien.

Niet het kennen, niet het zijn

Ongekend

Niet het kennen, niet het zijn
Niet het kennen én het zijn
Niet het kennen noch het zijn
Niet het kennen van het zijn
Niet het zijn van het kennen
Niet het kennen in het zijn
Niet het zijn in het kennen
Niet het kennen van het kennen
Niet het zijn van het zijn
Niet het kennen zonder kennen
Niet het zijn zonder zijn
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

25 Eeuwen metafysica

Neopoulos: Het zijnde is.

Hans: Parmenides van Elea, zesde eeuw voor Christus.

Neopoulos: Martin Buber, twintigste eeuw na Christus.

Hans: Houdt het dan nooit op?

Neopoulos: De Waarheid is tijdloos.

Hans: Ik heb de tijd.

Wat is de oorzaak van dit alles?

‘Wat is de oorzaak van dit alles?’

‘Waaruit ontstaat een eik?’

‘Uit een eikel natuurlijk.’

‘En een eikenbos?’

‘Nergens uit.’

‘Waarom niet?’

‘Een bos is geen boom.’

‘Nou dan.’

‘Bedoel je dat dit alles geen oorzaak heeft?’

‘Ik zaai alleen maar twijfel.’

Wat is de oorzaak van God?

‘God is de oorzaak van het universum.’

‘Maar wat is de oorzaak van god?’

‘God heeft geen oorzaak nodig.’

‘Waarom het universum dan wel?’

‘Bedoel je dat god niet bestaat?’

‘Vraag dat maar aan god.’

‘Bedoel je dat het universum zelfscheppend is?’

‘Moet er dan per se een schepper zijn?’

‘Bedoel je dat het universum ongeschapen is?’

‘Wie zegt dat ik iets bedoel?’

‘Waarom anders al die vragen?’

‘Omdat jij al antwoord gaf.’

Wat is de Eerste Oorzaak?

De Eerste Oorzaak is het laatste houvast voor iedereen die niet gek genoeg is om los te lopen.

Hoofdvraag van de westerse metafysica

Leerling: Waarom is er iets in plaats van niets?

Meester: Waarom niet?

Tip: De mystiek van alledag, of het wonder van het water

Hoofdvraag van de oosterse metafysica

Leerling: Waarom is er niets in plaats van iets?

Meester: Waarom niet?

Tweede hoofdvraag van de westerse metafysica

Leerling: Waarom is er dit in plaats van dat?

Meester: Had je maar eerder moeten komen.

Leerling: Tja.

Meester: Of later natuurlijk.

Leerling: Waarom is er eerder en later?

Meester: Wanneer precies?

Leerling: Eh… nu?

Meester: Waarom er nu eerder en later is?

Leerling: Tja.

Eerste hoofdvraag van de epistemologie

Leerling: Waarom weet ik iets in plaats van niets?

Meester: Zeker weten?

Tweede hoofdvraag van de epistemologie

Leerling: Waarom weet ik iets in plaats van niets?

Meester: Waarom niet?

Leerling: U neemt me al mijn vragen af.

Meester: Ik geef je er juist vragen bij.

Leerling: Waarom?

Meester: Waarom niet?

Leerling: Waar wilt u heen?

Meester: Wie zegt dat ik ergens heen wil?

Leerling: Bedoelt u dat we er al zijn?

Meester: Wie zegt dat ik iets bedoel?

Leerling: Doelt u op niet-bedoelen?

Meester: Wie zegt dat ik niets bedoel?

Leerling: Ik snap er niks meer van.

Meester: Toch weer iets begrepen?

Leerling: Waarom weet ik niets in plaats van iets?

Hier komt geen eind aan hè?

Leerling: Waarom is er iets en niet niets?

Meester: Door dit.

Leerling: Waarom is er dit en niet niets?

Meester: Door dat.

Leerling: Waarom is er dat en niet niets?

Meester: Door zus.

Leerling: Waarom is er zus en niet niets?

Meester: Door zo.

Leerling: Waarom is er zo en niet niets?

Meester: Door dinges.

Leerling: Waarom is er dinges en niet niets?

Meester: Door je-weet-wel.

Leerling: Hier komt geen eind aan hè?

Meester: We zijn nog maar net begonnen.

Leerling: Ik wil weten hoe het zit.

Meester: Ook als je inziet dat er geen eind aan komt?

Leerling: Ik zie het wel maar ik voel het niet.

Meester: Dan gaan we vrolijk verder.

Leerling: Waarom is er je-weet-wel en niet niets?

Meester: Door hoe-heet-het.

Leerling: Waarom is er hoe-heet-het en niet niets?

Meester: Door huppeldepup.

Leerling: Ik word gek van mij.

Meester: Het gaat vanzelf een keer vervelen.

Leerling: Waarom is er huppeldepup en niet niets?

Meester: Door iets.

Leerling: Krijg de pip.

Meester: Kop zoekt kip.

Leerling: Waarom weet ik niets en niet iets?

Meester: Door dit.

het regressieprobleem

Maar wat zijn nou de bouwstenen van de wereld? 33 opties

Over de bouwstenen van de wereld is heel wat gefilosofeerd. Een kleine greep:

  1. Alles bestaat uit de vier elementen, aarde, water, lucht en vuur
  2. Alles is lucht. Vuur is verdunde lucht, water vloeibare lucht, aarde vaste lucht
  3. Alles is aarde
  4. Alles is water
  5. Alles is vuur
  6. De vier elementen zijn alleen maar bepaalde verschijningsvormen van een onbepaalde oerstof
  7. Het universum is opgebouwd uit de 108 elementen van het periodieke systeem
  8. Niet de elementen maar de moleculen waarvan ze deel uitmaken bepalen de stof
  9. Dat wil zeggen, niet de moleculen als zodanig maar hun stereometrie
  10. Zoals Democritus al wist is het hele universum uit atomen opgebouwd
  11. Atomen bestaan niet, dat zijn kluitjes protonen, neutronen en elektronen
  12. Protonen, neutronen en elektronen bestaan niet, dat zijn kluitjes quarks
  13. Die in werkelijkheid uit oscillerende snaren bestaan
  14. Uit snaarloze oscillaties om precies te zijn, want die snaren zijn natuurlijk zuiver mathematische constructies
  15. Maar eigenlijk bestaat het hele universum uit kwanten
  16. Die op hun beurt alleen maar transitieve manifestaties van het kwantumveld zijn
  17. Leegte is de ware bouwsteen van het universum
  18. Alles is informatie
  19. Alles is energie
  20. Energie is een voorbijgaande toestand van massa
  21. Massa is de tegenhanger van antimassa, net als deeltjes van tegendeeltjes
  22. Krachten zijn de bouwstenen van het universum
  23. Er is uiteindelijk maar één kracht
  24. Alle krachten zijn te herleiden tot krachtdeeltjes: gravitonen, gluonen en allerlei bosonen
  25. Deeltjes zijn eigenlijk higgsvelden
  26. Materie is eigenlijk geest
  27. Geest is eigenlijk geen-geest
  28. Er zijn geen recombinante deeltjes; alles is uniek en eenmalig
  29. De wereld is een singulariteit, haar bouwstenen unieke gebeurtenissen
  30. Bouwstenen bestaan alleen maar in je hoofd
  31. Bouwstenen zijn een projectie van het bewustzijn
  32. Bewustzijn is een projectie van zijn bouwstenen
  33. Alles is een projectie van god

Aan jou de vraag: Wat zijn de echte bouwstenen van de wereld?

Ingrond, ongrond, allemaal denkstront

Beste Hans,
Volgens sommigen is bewustzijn de ongedefinieerde ingrond van het zijnde, volgens anderen leegte of het niets. Volgens weer anderen is het brahman of juist parabrahman; atman of juist anatman. Er zijn er die zeggen: dat wat is, is de grond van dat wat is, maar dat lijkt mij een tautologie. Ik heb ook weleens gelezen dat zijn en niet-zijn de keerzijden van het ene zijn, en dat het gekende in de kenner verschijnt, dualiteit in non-dualiteit.

Komt dit volgens jou allemaal op hetzelfde neer, een soort universele waarheid of eeuwige wijsheid die schuilgaat onder een Babylonische spraakverwarring, of zijn het allemaal afzonderlijke theorieën? Wat is nog kosmologie, wat mythologie? Wat is precies de relatie tussen het duale en het non-duale, tussen het gekende en het ongekende, tussen bewustzijn en zijn? Wat is het verband tussen het zijnde en mijn gedachten daarover? Ben ik de schepper of alleen maar de spiegel van de schepping? Ben ik een mens of ben ik God?

Zelf weet ik het zo langzamerhand niet meer. Genesis of Big Bang? Liefde of Openheid? Wat denk jij? Is niet-weten soms onze zijnsgrond (ratio essendi)?

Beste Jana,
Wie spreekt over de grond van het zijnde bedrijft ontologie. Ontologie is een heerlijke hobby, al is het toevallig niet de mijne. Het aantal ontologen in dit universum is inmiddels groter dan het aantal sterren, hun collectieve licht oogverblindend, hun Babylonische gekrakeel oorverdovend. Wie zelf nog wat wil zien of horen, wendt zich noodgedwongen af. Waarom zijn er zoveel ontologen, is wat ik weleens zou willen weten. Wat is de ingrond van de zijnsleer?

Zelf heb ik altijd een voorkeur gehad voor epistemologie boven ontologie, totdat zoveel jaar geleden tijdens mijn dust bowl ook die grond werd weggevaagd. Sindsdien loop ik op lucht.
Zijn versus niet-zijn is voor mij geen issue meer.
Vorm versus leegte ook niet.
Brahman versus parabrahman ook niet.
Atman versus anatman ook niet.
Eenheid versus veelheid ook niet.
Kenner versus gekende ook niet.
Dualiteit versus non-dualiteit ook niet.
Universele wijsheid versus individuele domheid ook niet.
Kosmologie versus mythologie ook niet.
Schepper versus spiegel ook niet.
Mens versus God ook niet.
Genesis versus Big Bang ook niet.
Liefde versus Openheid ook niet.
Weten versus niet-weten ook niet.
Issue versus non-issue ook niet.

Voor mij zijn het allemaal broodjes aap. Ze vullen je hoofd maar niet je maag. Het zijn allemaal maar verhaaltjes. Dit is ook weer zo’n verhaaltje. Verhalen zijn de ongedefinieerde ingrond van ons bestaan, zou ik haast zeggen, maar van welk bestaan? Verhalen zijn er om weggegooid te worden, moet ik misschien zeggen, maar waarom en door wie en hoe?

Jana: Jouw ingrond is een ongrond geworden, je zijnsgrond een zijnsongrond.

Hans:

Ingrond, ongrond
Allemaal denkstront
Dichtkont, dichtmond
Allemaal rotsgrond

Ziedaar mijn ratio essendi of ratio inessendi of irratio essendi of irratio inessendi. Ontdaan van iedere (on)grond hoef ik ook geen gedachten meer vuil te maken aan, hoe kóm je erop, de relatie tussen het duale en het non-duale of tussen de kenner en het gekende of tussen bewustzijn en zijn. Of aan welke hypo- of hyper- of metastasen van het verstand ook.

Dus ook niet aan ‘mijzelf’ of ‘mijn verstand’ of ‘mijn gedachten’ of ‘het zijnde’, et cetera. Dus ook niet aan de relatie tussen ‘mijn gedachten’ en ‘mijn verstand’ of tussen ‘mijzelf’ en ‘mijn verstand’ of tussen ‘mijzelf’ en ‘mijn gedachten’ of tussen ‘mijzelf’ en ‘het zijnde’ of tussen ‘mijn gedachten’ en ‘het zijnde’ of tussen ‘mijn verstand’ en ‘het zijnde’, et cetera. God zij dank (naar believen aanhalingstekens plaatsen).

Ik heb inzake de schepper, de schepping, het wezen van het zijn en andere fundamentele kwesties niets te verkondigen, niets te verklaren, niets te verdedigen en niets te verzwijgen. Ook niet dat er inzake de schepper, de schepping, het wezen van het zijn en andere fundamentele kwesties niets te verkondigen, niets te verklaren, niets te verdedigen en niets te verzwijgen valt. Ik heb daarom ook niets weg te vagen. Al is dat laatste een heerlijke hobby en toevallig wél de mijne. Eens een dust bowl, altijd een dust bowl. Dus maak je grond maar nat…

Niet de vorm, niet de leegte

Niet de ingrond, niet de ongrond
Niet de ingrond én de ongrond
Niet de ingrond noch de ongrond
Niet de ingrond van de ongrond
Niet de ongrond van de ingrond
Niet de ingrond in de ongrond
Niet de ongrond in de ingrond
Niet de ingrond van de ingrond
Niet de ongrond van de ongrond
Niet de ingrond zonder ingrond
Niet de ongrond zonder ongrond
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de vorm, niet de leegte
Niet de vorm en de leegte
Niet de vorm noch de leegte
Niet de vorm van de leegte
Niet de leegte van de vorm
Niet de vorm in de leegte
Niet de leegte in de vorm
Niet de vorm van de vorm
Niet de leegte van de leegte
Niet de vorm zonder vorm
Niet de leegte zonder leegte
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de schepper, niet de spiegel
Niet de schepper en de spiegel
Niet de schepper noch de spiegel
Niet de schepper van de spiegel
Niet de spiegel van de schepper
Niet de schepper in de spiegel
Niet de spiegel in de schepper
Niet de schepper van de schepper
Niet de spiegel van de spiegel
Niet de schepper zonder schepper
Niet de spiegel zonder spiegel
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Niet de dans, niet het ontspringen…

De groeten van Ad Vaita

De halve waarheid

‘Dit is hét, Hans.’

‘Wat?’

‘Dit hier.’

‘Hét?’

‘De Waarheid.’

‘Waar?’

‘Hier.’

‘Dit hier is de waarheid?

‘Precies.’

‘Waar is dan de leugen?’

Dooddoeners

‘Alleen maar dit, Hans.’

‘En dat dan?’

‘Meer is er niet.’

‘Meer dan wat?’

‘Wat je ziet is wat je krijgt.’

‘Wat je krijgt is wat je ziet.’

‘Verdraaid.’

‘Je ziet alleen maar wat je niet krijgt.’

‘Da’s ook een goeie.’

‘Je krijgt het wel maar je ziet het niet.’

‘Niet te geloven.’

‘Je krijgt het niet, je hebt het al.’

‘Jij bent een goudmijn.’

‘En al jaren uitgeput.’

De zodanigheid van de dingen

‘Waarom spreek je mij altijd tegen?’

‘Dat doe ik helemaal niet.’

‘Is dat om het denken te doorbreken?’

‘Waarom zou ik?’

‘Om mij de zodanigheid van de dingen te tonen?’

‘De wát?’

‘Hun zo-zijn.’

‘Dat snap ik wel, maar wat wil je daarmee zeggen?’

‘Dat ze zijn zoals ze zijn.’

‘Probeer jij soms niks te zeggen?’

‘De werkelijkheid achter de concepten…’

‘Alsof zodanigheid geen concept is.’

‘Dat weet ik wel maar…’

‘Je denkt nog steeds dat er iets achter zit.’

‘Bedoel je dat dit alles is?’

‘Wat bedoel je nou weer met dit?’

‘Dat er niks achter zit?’

‘Waarachter?’

‘Hierachter?’

‘Geen idee.’

‘Dus jij hebt niets tegen concepten?’

‘Waarom zou ik iets tegen concepten hebben?’

‘Wat bedoel je dan?’

‘Waarom zou ik iets bedoelen?’

‘Waarom zou je anders spreken?’

‘Misschien wel omdat ik het niet kan laten.’

‘Kún je het niet laten?’

‘Ik heb geen idee.’

‘Nee.’

‘Of geen idee heeft mij.’

‘Dat is heel wat anders.’

‘Weg ermee dan.’

‘Ik snap er niks meer van.’

‘Ik ook niet.’

‘Jij weet het ook niet meer?’

‘Dat weet ik ook al niet.’

‘Waarom spreek je mij altijd tegen?’

Het ding-an-sich als gat op zich

Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant is een Ding-an-sich een object zoals het is voordat het menselijk kenvermogen zich er meester van maakt. Dat wil zeggen, een lege huls of een kaal raamwerk waaraan het verstand (Vernunft) zelf bepaalde kwaliteiten toekent, zoals ruimtelijkheid, tijdelijkheid, vorm, substantie, kleur, textuur, geur en smaak.

Hoewel iedere beeldspraak tekortschiet, of te ver gaat, kun je je het ding-op-zich voorstellen als een soort negatief, een ongemanifesteerd gat waarvan wij mensen
zelf een positief maken door het op te vullen met kwaliteiten. Deze kwaliteiten zijn in Kant’s visie niet eigen aan het ding als zodanig maar aan het ding zoals het zich voordoet aan het kennende subject. Een ding is geen ding in en op zichzelf maar een ding voor mij.

Als we Kant mogen geloven is de wereld an sich onkenbaar. Object en subject zijn onlosmakelijk met elkaar verknoopt. Wat het gezonde verstand ook zegt, onze voorstelling van de wereld is geen getrouwe afspiegeling van de objectieve werkelijkheid maar een constructie, een projectie van datzelfde verstand, dat zich niet alleen ex nihilo een fantoombeen en een regenboog weet te scheppen maar met evenveel gemak een heel lichaam en een wereld om in rond te lopen: für mich.

Zelf neem ik niet aan dat dingen op zichzelf genomen onkenbaar zijn, of dat ze dat niet zijn. Ik neem niet aan dat dingen bestaan, of dat ze niet bestaan, of dat ze bestaan en niet bestaan of dat ze bestaan noch niet bestaan. Ik neem niet aan dat dingen alleen maar zijn wat ze zijn voor het subject, of dat dat niet het geval is.
Ik neem niet aan dat er zoiets is als een subject, of dat die er niet is of dat subject en object één ondeelbaar veld van wederkerigheden vormen of dat ze in essentie leeg zijn of wat dan ook.

Voor mij zijn dingen geen gaten die worden opgevuld door het menselijk verstand. Voor mij is het menselijk verstand ook geen gat dat wordt opgevuld door de dingen. Het gat, dat ben ik zelf. Daarin verdwijnen niet alleen de Dinge an sich maar ook de Dinge für mich, de filosoof Immanuel Kant, de Kritik der reinen Vernunft, het kenvermogen, de kwaliteiten, het subject, de wereld, het weten, het niet-weten – de hele rataplan, met inbegrip van het gat dat ik zogenaamd zou zijn en het zogenaamde verdwijnen daarin van alle denkbare en ondenkbare zaken. Waarna het hele liedje weer van voren af aan begint.

Maar of dat nog hetzelfde liedje is?

Wal noch Kant

De categorieën van het onverstand

niet de stof, niet de geest
niet de stof en de geest
niet de stof noch de geest
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet het vele, niet het ene
niet het vele en het ene
niet het vele noch het ene
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet de tijd, niet het heden
niet de tijd en het heden
niet de tijd noch het heden
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet de vorm, niet de leegte
niet de vorm en de leegte
niet de vorm noch de leegte
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet het deel, niet het geheel
niet het deel en het geheel
niet het deel noch het geheel
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet het worden, niet het zijn
niet het worden en het zijn
niet het worden noch het zijn
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet het object, niet het subject
niet het object en het subject
niet het object noch het subject
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet het duale, niet het non-duale
niet het duale en het non-duale
niet het duale noch het non-duale
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet het tijdelijke, niet het eeuwige
niet het tijdelijke en het eeuwige
niet het tijdelijke noch het eeuwige
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

niet de illusie, niet de werkelijkheid
niet de illusie en de werkelijkheid
niet de illusie noch de werkelijkheid
niet iets hogers, niet iets diepers
niet iets anders, niet het niets
maar de dans ontsprongen

Maar wat betekenen de dingen nou echt? 35 visies

Over de betekenis van de dingen is heel wat gefilosofeerd. Een willekeurige greep:

  1. Dingen hebben een beperkt aantal betekenissen die wij thuis en op school leren
  2. Dingen hebben steeds nieuwe betekenissen die door beschouwing en wetenschappelijk onderzoek worden blootgelegd
  3. De betekenis van de dingen ligt in de handelingen waartoe zij ons verleiden en die wij door oefening vervolmaken
  4. Dingen hebben maar één ware betekenis, die wij door meditatie en contemplatie ontdekken
  5. Dingen hebben oneindig veel betekenissen die niemand kan overzien
  6. Dingen hebben helemaal geen betekenis en er valt niets over te weten
  7. Wie de dingen echt wil leren kennen moet zichzelf leren kennen
  8. Er zijn helemaal geen dingen, laat staan dat ze wat betekenen
  9. Wie de dingen echt wil leren kennen moet achter de betekenissen kijken
  10. Een ding is niets anders dan zijn betekenissen
  11. Niet weten wat ze betekenen is wat de dingen betekenen
  12. Ding is zelf al een betekenis
  13. Ding is maar een woord
  14. Betekenis is ook maar een woord
  15. Betekenis drukt een verlangen uit
  16. Betekenis is een uitdrukking van het verstand
  17. Betekenis ken je toe
  18. Betekenis tref je aan
  19. Betekenis overkomt je
  20. Betekenis is een illusie
  21. Illusie is een betekenis
  22. Alle betekenis is tijdelijk
  23. Betekenis is van alle tijden
  24. Alle betekenis is plaatselijk
  25. Betekenis is van alle plaatsen
  26. Betekenis is een persoonlijke zaak
  27. Betekenis is een kwestie van consensus
  28. De betekenis ligt in het gebruik
  29. Het gebruik wordt bepaald door de betekenis
  30. De betekenis – dat ben ik
  31. Betekenis is betekenis
  32. Betekenis is dit alles tegelijk
  33. Betekenis is alles.’
  34. Betekenis is niets van dit alles
  35. Betekenis is niets

Aan jou de vraag: wat betekenen de dingen nou echt?

De metafysicus en de mysticus

Wat had ik dan moeten zeggen

Beste Hans,
Het uiteindelijk object van de metafysica is hetzelfde als dat van de mystiek: de ingrond, de boeddhanatuur, het ware zelf, je oorspronkelijke gezicht, het ongeborene, het absolute, het zijn, de non-dualiteit, het ene, de leegte – de ultieme werkelijkheid. Alleen de weg is anders. De metafysicus gaat de weg van de rede of de weg van het hoofd (jnana), de mysticus gaat de weg van niet-weten of de weg van het hart (bhakti). Hoe kijkt een dwijze hier tegenaan?

Beste Meindert,
Misschien ben ik niet de uitgelezen persoon om deze vraag aan te stellen. Of misschien ben ik wel uitgelezen, maar zijn de antwoorden uitgebleven. Of misschien zijn de antwoorden niet uitgebleven, maar heb ik ze niet als zodanig herkend.

Sowieso is het object van niet-weten niet de ultieme werkelijkheid, want niet-weten heeft geen object. Niet-weten is gewoon niet weten. Je weet wel: dat je het niet weet.

Over de ultieme werkelijkheid weet ik dan ook niets te zeggen, niet dat er zoiets is, niet dat er niet zoiets is, niet dat je dat niet kunt weten. Ook over de gewone werkelijkheid weet ik trouwens niets te zeggen, niet dat er zoiets is, niet dat er niet zoiets is, niet dat je dat niet kunt weten. Ook over mezelf weet ik niets te zeggen, niet dat er zo iemand of zoiets is, niet dat er niet zo iemand of zoiets is, niet dat je dat niet kunt weten. Ook over de relaties tussen mezelf en de gewone werkelijkheid, tussen mezelf en de ultieme werkelijkheid en tussen de gewone werkelijkheid en de ultieme werkelijkheid weet ik niets te zeggen, niet dat ze er zijn, niet hoe ze zijn, niet dat ze er niet zijn en niet dat je dat niet kunt weten.

Misschien denk je nu: ‘Wat een nitwit’, en gelijk heb je. Toch zou het best eens kunnen dat een radicaal niet-weten dichterbij komt dan de meest doorwrochte metafysica en de meest intense mystieke ervaring. Dichter bij wat? Die vraag schept afstand. Voor je het weet heb je het over de ultieme werkelijkheid en ben je nog verder van huis. Mijn schuld natuurlijk. Had ik maar niet moeten zeggen dat niet-weten dichterbij komt.

Maar wat had ik dan moeten zeggen. Dat niet-weten het al is? Wat al is? Die vraag schept afstand. Voor je het weet heb je het over de ultieme werkelijkheid en ben je nog verder van huis. Mijn schuld natuurlijk. Had ik maar niet moeten zeggen dat niet-weten het al is.

Maar wat had ik dan moeten zeggen. Dat ik geen woorden heb? Dan vraag jij meteen of de ultieme werkelijkheid voorbij de woorden is en ben je nog verder van huis. Mijn schuld natuurlijk. Had ik maar niet moeten zeggen dat ik geen woorden heb.

Maar wat had ik dan moeten zeggen. Aha, ik heb het. Sst. Maar dan vraag jij meteen waarover we moeten zwijgen, en waartoe. En dan zijn we nog verder van huis.

De paradox van singulariteit

Beste Hans,
Niet-weten is een ander woord voor singulariteit. Singulariteit is een ander woord voor uniekheid. Elke situatie is volstrekt uniek. Iedere gebeurtenis is volstrekt uniek. Elk levend wezen is volstrekt uniek. Ieder ding is volstrekt uniek. Singulariteit is het laatste woord.

Beste Antoon,
Toch weer iets gemeenschappelijks gevonden?

Antoon: Categorieën zijn een illusie van het verstand, dat vind jij toch ook?

Hans: Als alle categorieën een illusie van het verstand zijn, dan ook de categorieën ‘categorie’, ‘illusie’ en ‘verstand’.

Antoon: Wat zou jij dan zeggen?

Hans: Dat zou ik dan zeggen.

Nominalisme en de strijd om de realiteit

De universaliënstrijd is het langdurige middeleeuwse debat tussen de realisten en de nominalisten over de vraag of algemene begrippen (universalia) naar iets werkelijks verwijzen of alleen in de geest bestaan.

Nominalisme is de sceptische opvatting dat universalia zoals ‘woord’, ‘ruimte’, ‘hoofd’, ‘wolk’, ‘voet’ en ‘grond’ geen werkelijkheidsgehalte hebben. Alleen het singuliere zou echt bestaan. Voor zover onze kennis vervat is in universalia die volledig losstaan van particularia, weten we volgens de nominalistische zienswijze eigenlijk niets. Het nominalisme verzet zich met name tegen de ideeënleer van Plato, die concrete objecten als armzalige aftreksels van zuivere ideeën beschouwt.

Hoewel de universaliënstrijd is doodgebloed, is het vraagstuk in de twintigste eeuw in een postmodern jasje opnieuw aan de orde gesteld, onder andere in de filosofie van de verwondering van Cornelis Verhoeven en het (sociaal) constructivisme dat verschijnselen in de werkelijkheid voor sociale constructies houdt.

Problematisch aan het nominalisme is in de eerste plaats de status van het nominalisme zelf. Is het slechts een loze naam of een reële entiteit? ‘Werkelijkheidsgehalte’, heeft dat wel enig werkelijkheidsgehalte of is het ook maar een woord? ‘Universalia’, bestaan die eigenlijk wel, of zwetst het universalium ‘nominalist’ hier in het universalium ‘ruimte’? Want Plato mag zijn hoofd dan wel in de wolken hebben gehad, daarom heeft de nominalist nog geen voet aan de grond.

Alles is toeval

‘Alles is toeval.’

‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld?’

‘Hoe kan dat nou.’

‘Wat dan?’

‘Beredeneerd natuurlijk.’

‘Uit eerste principes?’

‘Waaruit anders.’

‘Dan is toeval noodzaak.’

Niets is toeval

‘Niets is toeval.’

‘Heb je dat gecontroleerd?’

‘Hoe kan dat nou.’

‘Steekproefsgewijs.’

‘Zelfs de grootste steekproef zou nog niet representatief zijn.’

‘Hoe weet het dan?’

‘Beredeneerd.’

‘Uit eerste principes?’

‘Waaruit anders.’

‘En die eerste principes?’

‘Wat is daarmee?’

‘Zijn die toevallig of noodzakelijk?’

‘Hm.’

‘Nou?’

‘Wat als de eerste principes toevallig zijn?’

‘Dan is alles wat eruit volgt noodzakelijk, maar niet de eerste principes zelf.’

‘En als de eerste principes wel noodzakelijk zijn?’

‘Dan volgen ze noodzakelijk uit nog eerdere principes.’

‘Enzovoort.’

‘Ik ben bang van wel.’

‘Wou jij beweren dat de allereerste principes nooit noodzakelijk zijn?’

‘Per definitie.’

‘Dus niet alles is noodzakelijk?’

‘Toevallig niet.’

Je gaat me toch niet vertellen dat alles één is?

De hoogste oven

Tessa: Wat heb ik hier?

Hans: Een paperclip.

Tessa: De wereld.

Hans: Daar gaan we weer.

Tessa: Er waren hoogovens nodig om deze paperclip te maken.

Hans: Hoogovens zijn geen wereld.

Tessa: Er was een wereld nodig om die hoogovens te maken.

Hans: Je gaat me toch niet vertellen dat alles één is?

Tessa: Toch wel.

Hans: Monist.

Tessa: Pluralist.

Hans: Holist.

Tessa: Dualist.

Hans: Non-dualist.

Tessa: Nihilist.

Hans: Wat is één?

Tessa: Nou?

Hans: Een gedachte.

Tessa: Hè?

Hans: Waar is het ene als je het niet denkt?

Tessa: En die hoogovens dan?

Hans: Ook maar een gedachte.

Tessa: En de wereld dan?

Hans: Ook.

Tessa: En deze paperclip?

Hans: Ook.

Tessa: Idealist.

Hans: Ook.

Tessa: Idealist is ook maar een gedachte?

Hans: Wat zou het anders moeten zijn?

Tessa: En nihilist en dualist en pluralist?

Hans: En non-dualist en holist en monist.

Tessa: Allemaal gedachten?

Hans: Deze ook.

Tessa: En dat het allemaal maar gedachten zijn?

Hans: Ook.

Tessa: Verdraaid.

Hans: Wat?

Tessa: Nou weet ik nog niks.

Hans: Dat had je gedacht.

Dat eeuwige heden

‘Nou Hans, jij bent ook niet van gisteren.’

‘Maar ook niet van vandaag.’

Na eeuwigheid komt komkommertijd

‘Jij bent niet meer van deze tijd, Hans.’

‘Maar ook niet van een andere.’

‘Bedoel je dat je de Eeuwigheid hebt gerealiseerd?’

‘Ook die tijd is voorbij.’

‘Bedoel je dat je voorgoed in het Heden verblijft?’

‘Ook die tijd is voorbij.’

‘Bedoel je dat je niets bedoelt?’

‘Ook die tijd is voorbij.’

‘Wat bedoel je dan?’

‘Ook voorbij.’

Hoop doet streven

‘Kan ik mij van mijn zorgen bevrijden door in het hier en nu te verblijven?’

‘Zorgen heb je hier en nu.’

‘Kan ik mij van het verleden bevrijden door in het hier en nu te verblijven?’

‘Herinneringen heb je hier en nu.’

‘Wat heb ik er dan aan om in het hier en nu te verblijven?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Hoe kom ik in het hier en nu?’

‘Zie er eerst maar eens uit te komen.’

‘Hoe kom ik uit het hier en nu?’

‘Zie er eerst maar eens in te komen.’

‘Bent jij voorgoed in het hier en nu?’

‘Voorgoed moet nog komen.’

‘Bent jij ontsnapt aan het hier en nu?’

‘Ook die tijd is voorbij.’

Niets komt te vroeg of te laat of op tijd

‘Waarom komt alles altijd te vroeg of te laat?’

‘Niets komt van zichzelf te vroeg of te laat.’

‘Bedoel je dat alles precies op tijd komt?’

‘Niets komt van zichzelf precies op tijd.’

‘Als niets te vroeg, te laat of op tijd komt, wanneer komt het dan wel?’

‘Op zijn eigen tijd.’

‘Waarom lijkt het dan toch alsof alles altijd te vroeg, te laat of op tijd komt?’

‘Omdat jij dat vindt.’

Als je nergens meer iets van vindt

‘Als je nergens meer iets van vindt, komt alles op zijn eigen tijd.’

‘En?’

‘Dat is wel zo rustig.’

‘Niet als je nergens meer iets van vindt.’

Ken jij iemand die nergens meer iets van vindt?

‘Als je nergens meer iets van vindt…’

‘Kun jij dat?’

‘Wat?’

‘Nergens meer iets van vinden?’

‘Dat is te zeggen…’

‘Nou?’

‘Nog niet.’

‘Ken je iemand die nergens meer iets van vindt?’

‘Volgens mij ben jij zo iemand, Hans.’

‘Dan moet ik je toch teleurstellen.’

‘O?’

‘Ik vind overal iets van.’

‘Wat is dan het verschil tussen ons?’

‘Dat jij je vereenzelvigt met wat je vindt.’

‘En jij?’

‘Ik zie het alleen maar aan.’

‘En als je je toch vereenzelvigt met wat je vindt?’

‘Dan zie ik dat maar aan.’

Duizend-en-één-nu

Stel dat je op het strand ligt en de gedachte komt op ‘Hè, wat ben ik toch heerlijk in het hier en nu!’ Ben je dan nog heerlijk in het hier en nu? Volgens sommigen niet, omdat je aandacht dan niet op het hier en nu van het strand is gericht, maar op een gedachte over het genoegen helemaal in hier en nu te zijn. Aan de andere kant is je aandacht wel helemaal gericht op een gedachte hier en nu over het hier en nu. Of mag dat soms niet?

Wat betekent het eigenlijk om in het hier en nu te zijn? Welk hier en nu hebben we het precies over?

  • Het hier en nu van hoe je daar zit?
  • Het hier en nu van de spanning in je opgetrokken nekspieren?
  • Het hier en nu van de druk op je voetzolen?
  • Het hier en nu van het schurende zand in je liezen?
  • Het hier en nu van de vorm van je tong in je mond?
  • Het hier en nu van je ademhaling?
  • Het hier en nu van de lucht om je heen?
  • Het hier en nu van de brandende zon?
  • Het hier en nu van je volle blaas?
  • Het hier en nu van je tinnitus?
  • Het hier en nu van de krassende kraai op de vuilnisbak?
  • Het hier en nu van de jeep die net voorbijrijdt?
  • Het hier en nu van de geur van aftershave en zonnebrandolie en gebakken vis?
  • Het hier en nu van de gedachte ‘Ik moet steeds in het hier en nu zijn’?
  • Het hier en nu van de diepere betekenis van de woorden die voortdurend in je opkomen?
  • Het hier en nu van het badlaken onder je gat?
  • Het hier en nu van het strand onder je badlaken?
  • Het hier en nu van de meeuwen in de lucht?
  • Het hier en nu van de aanrollende golven?
  • Het hier en nu van je sluimerende verveling?
  • Het hier en nu van de schaduw van je zonnehoed op je gezicht?
  • Het hier en nu van de duinen?
  • Het hier en nu van de wolken aan de hemel?
  • Het hier en nu van…

Is het wel mogelijk om helemaal in het hier en nu te zijn? Of zelfs maar enigszins? Is het wel mogelijk om helemaal aan het hier en nu te ontsnappen? Of zelfs maar enigszins? Wat denk jij?

Hoe ontsnap je aan de tijd?

Door niets van tijd te snappen.

Maar wat is tijd nou echt? 50 visies

Over het wezen van de tijd is heel wat gefilosofeerd. Een kleine greep:

  1. Tijd is één van de vier dimensies van tijdruimte
  2. Tijd is de grondslag die verandering mogelijk maakt
  3. Tijd is een maat voor die verandering
  4. Tijd is de ervaring van verandering
  5. Tijd is die verandering zelf
  6. Tijd is een ander woord voor vergankelijkheid
  7. Tijd is een conventie
  8. Tijd is wat gemeten wordt door een klok
  9. Tijd is wat geproduceerd wordt door een klok
  10. Tijd is een schepping van God
  11. Tijd is emergent, net als bewustzijn
  12. Tijd is een absolute grootheid, voor iedereen hetzelfde
  13. Tijd is relatief en verschilt per waarnemer
  14. Tijd en waarnemer zijn één
  15. Tijd is de beleving van duur
  16. Duur is de beleving van tijd
  17. Tijd is een illusie
  18. Tijd is een abstractie
  19. Tijd is een gevoel
  20. Tijd is een gemoedstoestand
  21. Tijd is geld
  22. Geld is tijd
  23. Astronomisch gezien is tijd de beweging van de planeten
  24. Praktisch gezien is tijd de beweging van het cesium-atoom
  25. Tijd het wezen van ritme
  26. Tijd is het kloppen van het hart
  27. Tijd is het bewegen van het lichaam
  28. Tijd is een beweging van de geest
  29. Tijd is een categorie van het verstand
  30. Tijd is wat nooit stilstaat
  31. Tijd is wat soms stilstaat
  32. De tijd zelf staat altijd stil, wij zijn het die door de tijd bewegen
  33. Tijd is de stroom van het bewustzijn
  34. Bewustzijn is de stroom van de tijd
  35. Wij denken de tijd
  36. De tijd denkt ons
  37. Wij leven de tijd
  38. Wij worden geleefd door de tijd
  39. Tijd is een manifestatie van het tijdloze
  40. Het tijdloze is een limietvorm van de tijd
  41. Tijd is een denkbeeldig punt tussen een groeiend verleden en een krimpende toekomst
  42. Tijd is de realiteit tussen een denkbeeldig verleden en een dito toekomst
  43. Verleden en toekomst zijn altijd nu
  44. Zonder toekomst en verleden geen heden
  45. Tijd is in wezen lineair
  46. Tijd is in wezen cyclisch
  47. Tijd is in wezen homogeen
  48. Tijd is in wezen heterogeen
  49. Tijd is in wezen continu
  50. Tijd is in wezen quantinu

Aan jou de vraag: wat is tijd nou echt?

Als tijd ‘tijd’ is

Walter: Wat is tijd voor jou?

Hans: ‘Tijd’.

Walter: Wat wil je daarmee zeggen?

Hans: Dat ik eigenlijk niet weet wat tijd is.

Walter: Leg eens uit.

Hans: Gisteren is voor mij alleen maar ‘gisteren’. Herinneringen zijn daarom ‘herinneringen’. Ervaringen zijn ‘ervaringen’. Verklaringen zijn ‘verklaringen’. Conclusies zijn ‘conclusies’. Triomfen zijn ‘triomfen’. Blunders zijn ‘blunders’. Schaamte is ‘schaamte’. Schuld is ‘schuld’.

Walter: En morgen?

Hans: Morgen is alleen maar ‘morgen’. Zorgen zijn daarom ‘zorgen’. Angsten zijn ‘angsten’. Geruststellingen zijn ‘geruststellingen’. Verheugenissen zijn ‘verheugenissen’. Verwachtingen zijn ‘verwachtingen’. Zekerheden zijn ‘zekerheden’. Plannen zijn ‘plannen’. Vooruitzichten zijn ‘vooruitzichten’. Voorspellingen zijn ‘voorspellingen’.

Walter: Jij houdt steeds een slag om de arm.

Hans: Nou, ik.

Walter: ‘Jij’ dan.

Hans: ‘Goed’ dan.

Walter: En nu?

Hans: Nu in de zin van op dit moment?

Walter: Nou?

Hans: Tussen gisteren en morgen zit vandaag. Maar wat zit er tussen ‘gisteren’ en ‘morgen’?

Walter: Het eeuwige heden volgens mij.

Hans: Het ‘eeuwige heden’ dan toch.

Walter: Is het niet zo dat een herinnering alleen maar een gedachte nu aan een verondersteld verleden is, en een verwachting alleen maar een gedachte nu aan een veronderstelde toekomst?

Hans: Maar wat is een gedachte nu?

Walter: Gewoon, iets wat je op dit moment denkt.

Hans: Maar wat is dit moment bij gebrek aan een vorig of volgend?

Walter: Als je er niet bij nadenkt weet je het best.

Hans: Maar als je erbij stilstaat?

Walter: Tja.

Hans: Wat is er?

Walter: Ik vind het zo… onbestemd allemaal.

Hans: Tja.

Walter: Onbestemdheid is geen leven.

Hans: Zou best kunnen.

Walter: Maar?

Hans: ‘Onbestemdheid’ is best te doen.

Walter: ‘Onbestemdheid’ is helemáál geen leven volgens mij.

Hans: Dat lijkt me ook niet, nee.

Walter: Wat is het dan wel?

Hans: ‘Leven’?