Wat is non-dualiteit?

‘Dat je grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er zijn.’ Dubbelhartige dwaalteksten over de dualiteit van non-dualiteit en de non-dualiteit van niet-weten. Voor telgangers.

Dwaalgids > Advaita > Wat is non-dualiteit?

Non-dualiteit is: geen onderscheid weten te maken

Lees ook: Wat is non-dualisme?

Een aanbeveling

Leerling: Wat weet u eigenlijk van non-dualiteit?

Meester: Minder dan wie ook.

Leerling: Dat lijkt me geen aanbeveling.

Meester: Integendeel.

Non-dualiteit is: geen onderscheid weten te maken

Een ander woord voor non-dualiteit is: niet-weten

Non-dualiteit wordt soms gedefinieerd als de eenheid van de realiteit, maar dat zou van advaita een filosofie maken, van vedanta wijsheid en van non-dualisme een monisme, wat het allemaal niet is.

A-dvaita, niet-twee, is een apofatische term, een vorm van ontkennend spreken, van negatieve theologie of althans van negatieve spiritualiteit, een weigering om te bevestigen dat er met zekerheid onderscheidingen zijn aan te brengen.

Vedanta, de anta van de veda is eveneens een apofatische term, die advaita kwalificeert als het einde van de wijsheid, dat wil zeggen, als wijsheid noch dwaasheid, als niet-wijsheid.

Ook non-dualisme is een apofatische term voor de niet-leer die niet bevestigt dat alles één is, maar geen enkel onderscheid erkent of ontkent.

Non-dualiteit ten slotte is net als advaita, vedanta en non-dualisme een apofatische term. Het is uitdrukkelijk geen verwijzing naar of bevestiging van de veronderstelde en/of ervaren eenheid van de realiteit, want dan zouden we gewoon van eenheid moeten spreken in plaats van non-dualiteit. Discursieve eenheidsfilosofieën en mystieke eenheidservaringen1 hebben we meer dan genoeg in het westen, daar hebben we echt geen Indiase advaita vedanta voor nodig. Non-dualiteit is een unieke term, het zou zonde zijn om die te degraderen tot een synoniem van monisme.

Non-dualiteit betekent: geen onderscheid. Het is niet dat we geen onderscheid mogen maken; de uitdrukking verwijst naar ons onvermogen om de onderscheidingen die zich onophoudelijk en onvermijdelijk aan ons voordoen hard te maken. Bij nader inzien houden ze geen stand. Geen van alle. Noch in onze geest, noch in de realiteit. Geest en realiteit zijn non-duaal.

Een andere manier om te zeggen dat onderscheidingen bij nader inzien geen stand houden, is deze: ieder onderscheid is een illusie, maya, die je moet leren doorzien. De illusie doorzien, ontwaken uit de droom, heet verlichting.

Maar ook het onderscheid tussen illusie of droom en werkelijkheid behoort tot maya, evenals het onderscheid tussen verlicht en onverlicht, het onderscheid tussen eenheid, tweeheid, niet-tweeheid en veelheid, het onderscheid tussen geest en realiteit, het onderscheid tussen dualiteit en non-dualiteit, het onderscheid tussen wel en niet onderscheiden enzovoort. Daar is niets aan te doen. Ieder spreken over non-dualiteit is per definitie dualistisch, ook dit spreken.

Spreken is scheiden, maar door van de onderscheidingen die je aanbrengt de relativiteit, de grondeloosheid, de onhoudbaarheid aan te tonen, door ze zoveel mogelijk terug te nemen, door het herroepen onderdeel te maken van het spreken, kun je de ‘non-dualiteit’ die zich niet in woorden laat vangen voor goede verstaanders wellicht demonstreren. Dat is in ieder geval de inzet van mijn dwaalteksten. Of is dat ook maar een illusie?

Een ander woord voor geen onderscheid weten te maken is niet-weten.

Een ander woord voor niet-weten is non-dualiteit.2

Allemaal bij wijze van spreken.

  1. Naar deze eenheidservaringen verwijzen mystici met woorden als versmelting, collectus, henosis, de unio mystica, unitus, en godgelijkheid.
  2. In het boeddhisme spreekt men eerder van leegte (Sanskriet: sunyata, Pali: sunnata), niet-zelf (anatman, anatta) en afhankelijk ontstaan (Pratītya-samutpāda, Paticca samuppada).

Verder lezen: Wat is non-dualisme? Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Meister Ecksit, een uitgang zonder ingang

Tegenvallers voor meelopers

Leerling: U leidt me van de illusie naar de werkelijkheid.
Meester: Ik leid je uit de illusie en de werkelijkheid.

Leerling: U leidt me van de duisternis naar het licht.
Meester: Ik leid je uit de duisternis en het licht.

Leerling: U leidt me uit het verleden naar het heden.
Meester: Ik leid je uit het verleden en het heden.

Leerling: U leidt me uit de toekomst naar het heden.
Meester: Ik leid je uit de toekomst en het heden.

Leerling: U leidt me van sterfelijkheid naar onsterfelijkheid.
Meester: Ik leid je uit sterfelijkheid en onsterfelijkheid.

Leerling: U leidt me van het tijdelijke naar het eeuwige.
Meester: Ik leid je uit het tijdelijke en het eeuwige.

Leerling: U leidt me van het aardse naar het bovenaardse.
Meester: Ik leid je uit het aardse en het bovenaardse.

Leerling: U leidt me van samsara naar nirwana.
Meester: Ik leid je uit samsara en nirwana.

Leerling: U leidt me van karma naar dharma.
Meester: Ik leid je uit karma en dharma.

Leerling: U leidt me van daar naar hier.
Meester: Ik leid je uit daar en hier.

Leerling: U leidt me van het menselijke naar het goddelijke.
Meester: Ik leid je uit het menselijke en het goddelijke.

Leerling: U leidt me van het lagere naar het hogere.
Meester: Ik leid je uit het lagere en het hogere.

Leerling: U leidt me van het relatieve naar het absolute.
Meester: Ik leid je uit het relatieve en het absolute.

Leerling: U leidt me van de vorm naar de leegte.
Meester: Ik leid je uit de vorm en de leegte.

Leerling: U leidt me van afwijzen naar aanvaarden.
Meester: Ik leid je uit afwijzen en aanvaarden.

Leerling: U leidt me van oordelen naar niet-oordelen.
Meester: Ik leid je uit oordelen en niet-oordelen.

Leerling: U leidt me van de leugen naar de waarheid.
Meester: Ik leid je uit de leugen en de waarheid.

Leerling: U leidt me van het kwade naar het goede.
Meester: Ik leid je uit het kwade en het goede.

Leerling: U leidt me van onverschilligheid naar mededogen.
Meester: Ik leid je uit onverschilligheid en mededogen.

Leerling: U leidt me van reactiviteit naar dialoog.
Meester: Ik leid je uit reactiviteit en dialoog.

Leerling: U leidt me van het hoofd naar het hart.
Meester: Ik leid je uit het hoofd en het hart.

Leerling: U leidt me van haat naar liefde.
Meester: Ik leid je uit haat en liefde.

Leerling: U leidt me van het valse naar het ware.
Meester: Ik leid je uit het valse en het ware.

Leerling: U leidt me van gemaaktheid naar echtheid.
Meester: Ik leid je uit gemaaktheid en echtheid.

Leerling: U leidt me van verdeeldheid naar eenheid.
Meester: Ik leid je uit verdeeldheid en eenheid.

Leerling: U leidt me van vasthouden naar loslaten.
Meester: Ik leid je uit vasthouden en loslaten.

Leerling: U leidt me van schuld naar onschuld.
Meester: Ik leid je uit schuld en onschuld.

Leerling: U leidt me van praktiseren naar overgave.
Meester: Ik leid je uit praktiseren en overgave.

Leerling: U leidt me van worden naar zijn.
Meester: Ik leid je uit worden en zijn.

Leerling: U leidt me van de stroom naar de bron.
Meester: Ik leid je uit de stroom en de bron.

Leerling: U leidt me van verdeeldheid naar eenheid.
Meester: Ik leid je uit verdeeldheid en eenheid.

Leerling: U leidt me van het vele naar het ene.
Meester: Ik leid je uit het vele en het ene.

Leerling: U leidt me van dualiteit naar non-dualiteit.
Meester: Ik leid je uit dualiteit en non-dualiteit.

Leerling: U leidt me van het ego naar het zelf.
Meester: Ik leid je uit het ego en het zelf.

Leerling: U leidt me van eigenmacht naar anderkracht.
Meester: Ik leid je uit eigenmacht en anderkracht.

Leerling: U leidt me van doen naar niet-doen.
Meester: Ik leid je uit doen en niet-doen.

Leerling: U leidt me van gebondenheid naar vrijheid.
Meester: Ik leid je uit gebondenheid en vrijheid.

Leerling: U leidt me van gehechtheid naar onthechting.
Meester: Ik leid je uit gehechtheid en onthechting.

Leerling: U leidt me van leerlingschap naar meesterschap.
Meester: Ik leid je uit leerlingschap en meesterschap.

Leerling: U leidt me van dwaasheid naar wijsheid.
Meester: Ik leid je uit dwaasheid en wijsheid.

Leerling: U leidt me van weten naar niet weten.
Meester: Ik leid je uit weten en niet weten.

Leerling: U leidt me van spreken naar zwijgen.
Meester: Ik leid je uit spreken en zwijgen.

Leerling: U leidt me…
Meester: Uit leiden en volgen.

Leerling: U leidt me…
Meester: Uit u en ik.

Leerling: U leidt me…
Meester: Uit ingaan en uitgaan.

Leerling: U…
Meester: Is een uitgang die nergens toe leidt.


Wie is Meister Ecksit?

Volgens Japan is Meister Ecksit het westerse pseudoniem van de beroemde Japanse zenmeester Masuta Ekisuto.

Volgens Duitsland is Masuta Ekisuto het Japanse pseudoniem van de beroemde Duitse mysticus Meister Eckhart.

Volgens China is Meister Eckhart het Duitse pseudoniem van de beroemde ch’anconfucianist Masu Baibai.

Volgens India is Masu Baibai het Chinese pseudoniem van de beroemde advaitavadin Mala Baba.

Volgens ondergetekende is Mala Baba het pseudoniem van Malle Babbel, een pseudoniem van ondergetekende of omgekeerd.

Malle Babbel kan er wel om lachen. Die hoeft nergens meer heen.

Deze tekst is samen met de volgende ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Ben jij een appel of ben je een peer?

Soldaat: Als je niet voor ons bent dan ben je tegen ons.

Burger: Als je geen appel bent dan ben je een peer.

Soldaat: Je moet nu kleur bekennen.

Burger: Wit.

Soldaat: Kies je voor neutraliteit?

Burger: Dan had ik wel grijs gezegd.

Soldaat: Wat bedoel je dan met wit?

Burger: Alle kleuren van de regenboog.

Soldaat: Maar wat betekent wit?

Burger: Dat ik me overgeef natuurlijk.

Soldaat: Aan wie?

Burger: Aan iedereen.

Soldaat: Aan ons of aan de vijand?

Burger: Onvoorwaardelijk.

Soldaat: Je blijft erbij?

Burger: Bij hoog en bij laag.

Soldaat: Bij ons of bij de vijand, bedoel ik.

Burger: Net zo makkelijk.

Soldaat: Ik vraag het voor de laatste keer…

Burger: Ben je een appel of ben je een peer?

Tip: Meester Spoorloos en agent Speurneus

Hokjesfeest of bijltjesdag?

Soldaat: Vriend of vijand?
Meester: U eerst.

Soldaat: Vriend of vijand?
Meester: Waar dan?

Soldaat: Vriend of vijand?
Meester: Vrijhand.

Soldaat: Vriend of vijand?
Meester: Lichaam of geest?
Soldaat: Een gezonde geest in een gezond lichaam.
Meester: Nou dan.

Meester Eh: ‘Dat alles niet-twee is betekent niet dat alles één is’

Twaalf wijsheden, dertien ongelukken

Meester Eh heeft gezegd:

Dat je grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er zijn. (1)

Hij heeft ook gezegd:

Dat je geen grenzen weet te trekken betekent nog niet dat ze er niet zijn. (2)

Toen iemand hem vroeg wat het dan wel betekent, zei hij:

Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent. (3)

En bij een soortgelijke gelegenheid:

Dat je niet weet wat het betekent betekent nog niet dat het niets betekent. (4)

En bij een soortgelijke gelegenheid:

Dat je weet wat het betekent betekent nog niet dat het iets betekent. (5)

Meester Eh heeft tevens gezegd:

Dat grenzen wegvallen betekent niet dat er grenzeloosheid voor in de plaats komt. (6)

En ook:

Dat grenzeloosheid wegvalt betekent niet dat er grenzen voor in de plaats komen. (7)

En:

Dat grenzen wegvallen betekent niet dat alles één is. (8)

En:

Dat alles niet een is betekent niet dat alles twee, niet-twee, veel of oneindig is. (9)

Over dit laatste heeft hij tevens gezegd:

Eenheid is nog steeds een bepaling. (10)

En:

Onbepaaldheid is nog steeds geen eenheid. (11)

En:

Onbepaaldheid is nog steeds een bepaling. (12)

Toen iemand hem vroeg hoe het dan wel zit, zei hij alleen maar:

Eh… (13)

en dat is hoe hij aan zijn bijnaam kwam.

Lees ook: Wat is taoïsme? Meester Tja en de tao van tja

De derde keus; de dans ontsprongen

Leerling: Heb ik herinneringen of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt herinneringen of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een geweten of heeft het mij?
Meester: Jij hebt een geweten of het heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik voorkeuren of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt voorkeuren of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik gedachten of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt gedachten of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik gevoelens of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt gevoelens of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik verlangens of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt verlangens of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een geloof of heeft het mij?
Meester: Jij hebt een geloof of het heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik principes of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt principes of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik plannen of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt plannen of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik dingen of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt dingen of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik werk of heeft het mij?
Meester: Jij hebt werk of het heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een wil of heeft hij mij?
Meester: Jij hebt een wil of hij heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een ik of heeft het mij?
Meester: Jij hebt een ik of het heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een geest of heeft hij mij?
Meester: Jij hebt een geest of hij heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een lichaam of heeft het mij?
Meester: Jij hebt een lichaam of het heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik een bewustzijn of heeft het mij?
Meester: Jij hebt een bewustzijn of het heeft jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik antwoorden of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt antwoorden of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Leerling: Heb ik vragen of hebben ze mij?
Meester: Jij hebt vragen of zij hebben jou.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord.

Tip: De dans ontsprongen

De vijfde keus

Leerling: Leid ik mijn leven of leidt het mij of beide of geen van beide?
Meester: Jij leidt jouw leven of het leidt jou of beide of geen van beide.
Leerling: Is dit nog de vraag of al het antwoord of beide of geen van beide?
Meester: Dit is nog de vraag of al het antwoord of beide of geen van beide.

Woon jij in iemandsland of niemandsland?

Grensoverschrijdend

Leerling: Waar woont de dualist?

Meester: In iemandsland.

Leerling: Waar woont de non-dualist?

Meester: In niemandsland.

Leerling: Waar woont u?

Meester: Overal en nergens.

Tip: Ben je jezelf of het Zelf?

Woon jij binnen de lijntjes of buiten de lijntjes?

Zoomganger

Leerling: Waar woont de dualist?

Meester: Binnen de lijntjes.

Leerling: Waar woont de non-dualist?

Meester: Buiten de lijntjes.

Leerling: Waar woont u?

Meester: Op het randje.

Tip: Hokjes, hekjes en haakjes

Ben jij iemand met lijntjes of iemand zonder lijntjes?

Puntje puntje puntje

Leerling: Wat is een dualist?1

Meester: Iemand met lijntjes.

Leerling: Wat is een non-dualist?2

Meester: Iemand zonder lijntjes.

Leerling: Wat bent u?

Meester: Iemand met stippellijntjes.

Leerling: Een dualistisch non-dualist.3

Meester: Hou toch op.

Leerling: Een non-dualistisch dualistisch non-dualist?4

Meester: Schei toch uit.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Iemand met stippellijntjes.

Leerling: Waarvoor staan die?

Meester: …

1. dvaetavada
2. advaetavada
3. dvaetadvaetavada
4. advaetadvaetadvaetavada

Lees ook: Wat is advaita?

Iets onnatuurlijk noemen is onnatuurlijk

Wijze lessen uit de natuur

Leerling: Elektriciteit is onnatuurlijk.
Meester: En bliksem dan?

Leerling: Stroomwapens zijn onnatuurlijk.
Meester: En sidderalen dan?

Leerling: Kernenergie is onnatuurlijk.
Meester: En de zon dan?

Leerling: Gentechnologie is onnatuurlijk.
Meester: En biodiversiteit dan?

Leerling: Stuwdammen zijn onnatuurlijk.
Meester: En bevers dan?

Leerling: Chemische wapens zijn onnatuurlijk.
Meester: En slangen dan?

Leerling: Kleding is onnatuurlijk.
Meester: En pelzen dan?

Leerling: Vliegen is onnatuurlijk.
Meester: En vogels dan?

Leerling: Geweld is onnatuurlijk.
Meester: En orkas dan?

Leerling: Stedenbouw is onnatuurlijk.
Meester: En termietenheuvels dan?

Leerling: Veelwijverij is onnatuurlijk.
Meester: En stieren dan?

Leerling: Zelfmoord is onnatuurlijk.
Meester: En lemmingen dan?

Leerling: Homoseksualiteit is onnatuurlijk.
Meester: En koeien dan?

Leerling: Hebzucht is onnatuurlijk.
Meester: En eekhoorns dan?

Leerling: Iets onnatuurlijk noemen is onnatuurlijk.
Meester: En jij dan?

Tip: Voorbij goed en kwaad

De obscurantist

Leerling: De menselijke beschaving is onnatuurlijk.

Meester: Hoezo?

Leerling: Cultuur is een uitvinding van de mens.

Meester: De mens is een uitvinding van de natuur.

Leerling: Dus?

Meester: Is beschaving een uitvinding van de natuur.

Leerling: Pardon?

Meester: Als je tenminste in de sluitrede gelooft.

Leerling: Zo kan je alles wel natuurlijk noemen.

Meester: Inderdaad.

Leerling: Dan kan je net zo goed niks meer zeggen.

Meester: Misschien niet…

Leerling: Maar?

Meester: Zwijgen is onnatuurlijk.

Tip: Dwaaltaal: de kunst van welsprekend niet-spreken

Ligt non-dualiteit ten grondslag aan niet-weten of andersom?

Het onbegrensde andere

Leerling: Wat is non-dualiteit?

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Leerling: Ik vraag het nu aan u.

Meester: Niet weten te onderscheiden.

Leerling: Ik dacht dat non-dualiteit stond voor het onbegrensde ene dat wij zijn.

Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.

Leerling: Maar volgens u is non-dualiteit een bijzonder geval van niet-weten?

Meester: Als het al niet andersom is.

Leerling: Ja, ligt niet-weten nou ten grondslag aan non-dualiteit of non-dualiteit aan niet-weten?

Meester: Misschien wel beide.

Leerling: Niet-weten en non-dualiteit liggen ten grondslag aan elkaar?

Meester: Of geen van beide.

Leerling: U maakt me helemaal gek.

Meester: Ik bedoel, wat is eigenlijk non-dualiteit?

Leerling: Als ik dat eens wist.

Meester: En wat is toch niet-weten?

Tip: Niet-weten als passe-partout

Non-dualiteit is: niet weten wat je zegt

Ideomantie

Leerling: Wat betekent non-dualiteit voor u?

Meester: In concreto?

Leerling: Hier en nu.

Meester: Niet weten wat ik zeg.

Leerling: Geef eens een voorbeeld.

Meester: Dat was al een voorbeeld.

Leerling: Hè?

Meester: Wel opletten, hè.

Leerling: Geef nog eens een voorbeeld.

Meester: Iets goed of kwaad noemen.

Leerling: Wat is daarmee?

Meester: Als ik dat doe dan weet ik niet wat ik zeg.

Leerling: Hoe komt dat?

Meester: Doordat ik niet weet wat goed of kwaad is.

Leerling: Met welke begrippen hebt u nog meer moeite?

Meester: Eigenlijk met alle begrippen.

Leerling: Zoals?

Meester: Betekenen, non-dualiteit, hier en nu, niet weten, zeggen, geven, voorbeeld, zijn, opletten, goed, kwaad, noemen, doen, weten, komen, begrippen, moeite, uitzondering, allemaal, onbegrepen, jemineetje, onbegrippen, zwijgen, u, uitmaken…

Leerling: Zonder uitzondering?

Meester: Allemaal onbegrepen.

Leerling: Jemineetje.

Meester: Allemaal onbegrippen.

Leerling: Maar waarom zwijgt u dan niet gewoon?

Meester: Wat maakt het uit?

Non-dualiteit bestaat noch bestaat niet

Uitgesproken

Leerling: Bestaat non-dualiteit eigenlijk wel?

Meester: In plaats van?

Leerling: Niet te bestaan natuurlijk.

Meester: Dat is een dualiteit.

Leerling: Zelfs dat het bestaat kan je van non-dualiteit niet zeggen?

Meester: En zelfs niet dat het niet bestaat.

Leerling: Ik vind het zo… nietszeggend allemaal.

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Leerling: Maar op een vreemde manier ook heel veelzeggend.

Meester: Meer kun je eigenlijk niet zeggen.

Leerling: Maar wat het nou wil zeggen?

Meester: Ik durf het niet te zeggen.

Tip: De nodeloze angst voor een grondeloos bestaan

Is schijn versus werkelijkheid schijn of werkelijkheid?

Leerling: Wat betekent non-dualiteit?

Meester: Als ik dat eens wist.

Leerling: Volgens mij betekent het dat onderscheidingen zoals goed en kwaad, mannelijk en vrouwelijk, rijk en arm, schijnbaar zijn.

Meester: In tegenstelling tot?

Tip: Wat is niet-weten?

Als non-dualiteit iets betekent, dan betekent het iets anders niet

Alles of niets

Leerling: Wat betekent non-dualiteit?

Meester: Wie zegt dat het iets betekent?

Leerling: Hè?

Meester: Stel dat het inderdaad iets betekent…

Leerling: Nou?

Meester: Dan betekent het iets anders niet.

Leerling: En?

Meester: Dat zou toch weer een onderscheid zijn.

Leerling: Dus non-dualiteit betekent niets?

Meester: In tegenstelling tot?

Tip: Zalig zijn de armen van geest

Zijn dit de woorden van iemand die in non-dualiteit verblijft?

De hoogste onderscheiding

Leerling: Hoe kom ik tot volledig inzicht inzake non-dualiteit?

Meester: Denk je dat zij zich laat kennen?

Leerling: Hoe bevrijd ik mij van alle inzichten inzake non-dualiteit?

Meester: Denk je dat zij zich niet laat kennen?

Leerling: Welke oefeningen kan ik doen om tot non-dualiteit te komen?

Meester: Denk je dat zij zich laat praktiseren?

Leerling: Is het beter om helemaal geen oefeningen te doen?

Meester: Denk je dat zij zich zomaar prijsgeeft?

Leerling: Bestaat non-dualiteit eigenlijk wel?

Meester: Bestaan, niet bestaan…

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Spreken, zwijgen…

Leerling: Zijn dit de woorden van iemand die in non-dualiteit verblijft?

Meester: Iemand, niemand…

Leerling: Wat verstaat u onder non-dualiteit?

Meester: Ach…

Leerling: Ach, wat?

Meester: Op een gegeven moment lukt het je gewoon niet meer.

Leerling: Wat niet?

Meester: Onderscheid maken niet.

Leerling: Echt niet?

Meester: Niet echt.

Leerling: En dat is alles?

Meester: Alles, niets…

Leerling: Wou u beweren dat non-dualiteit een onvermogen is?

Meester: Vermogen, onvermogen…

Leerling: Want daarop kan men zich onmogelijk laten voorstaan.

Meester: Wou jij je onderscheiden met niet-onderscheiden?

Lees ook: Mediteren zonder mediteren

Denk niet dualiteit, denk niet non-dualiteit

Hebbefrenie

Leerling: Ik wil hebben wat u hebt.

Meester: Het is geen kwestie van hebben.

Leerling: Is het dan een kwestie van kwijtraken?

Meester: Denk niet hebben, denk niet kwijtraken.

Leerling: Ik wil dat de mensen tegen me opkijken.

Meester: Het is geen kwestie van opkijken.

Leerling: Dan wil ik op de mensen neerkijken.

Meester: Denk niet opkijken, denk niet neerkijken.

Leerling: Verwijst u naar het grenzeloze?

Meester: Denk niet dualiteit, denk niet non-dualiteit.

Leerling: Ik ben het spoor helemaal bijster.

Meester: Denk niet zoeken, denk niet vinden.

Leerling: Ik weet gewoon niet meer wat ik moet denken.

Meester: Denk niet zwart, denk niet wit.

Leerling: Bedoelt u dat ik de nuance moet zoeken?

Meester: Denk niet grijs, denk niet kleur.

Leerling: Bedoelt u dat ik helemaal niet meer moet denken?

Meester: Denk niet wel, denk niet niet.

Leerling: In hemelsnaam, wat is mijn Oorspronkelijke Gezicht?

Meester: Denk niet oorspronkelijk, denk niet afgeleid.

Leerling: Omdat…

Meester: Denk niet masker, denk niet gezicht.

Leerling: Wat is mijn Hoogste Zelf?

Meester: Denk niet hoog, denk niet laag.

Leerling: Maar…

Meester: Denk niet zelf, denk niet geen-zelf.

Leerling: U laat zich niets in de mond leggen, hè?

Meester: Denk niet doorslikken, denk niet uitspugen.

Leerling: Voor mij bent u waarlijk verlicht.

Meester: Denk niet waarlijk, denk niet valselijk.

Leerling: Want…

Meester: Denk niet verlicht, denk niet onverlicht.

Leerling: Evengoed wil ik u feliciteren met uw…

Meester: Denk niet evengoed, denk niet beter.

Leerling: Als…

Meester: Denk niet jij, denk niet ik.

Leerling: Aangezien…

Meester: Denk niet feliciteren, denk niet condoleren.

Leerling: Wat moet ik dan zeggen?

Meester: Denk niet spreken, denk niet zwijgen.

Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Denk niet weten, denk niet niet-weten.

Leerling: Ik wil hebben wat u hebt.

Meester: Het is geen kwestie van hebben.

Tip: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien, Grote Twijfel, Grote Verlichting

Verwijst non-dualiteit naar een hogere werkelijkheid?

Reikhals

Leerling: Verwijst non-dualiteit naar een hogere werkelijkheid?

Meester: Hoger dan wat?

Leerling: De alledaagse werkelijkheid natuurlijk.

Meester: Toch weer een verschil gevonden?

Leerling: Bedoelt u dat de hogere werkelijkheid dezelfde is als de alledaagse?

Meester: Toch weer een overeenkomst gevonden?

Leerling: Wat wilt u daarmee zeggen?

Meester: Ik stel alleen maar vragen.

Leerling: Ik ook.

Meester: Toch weer een overeenkomst gevonden?

Leerling: Maar ik wil antwoorden.

Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.

Tip: Zoeken naar het einde van het zoeken

Wat schept het onderscheid?

Dwijsheid uit alle windstreken

Leerling: Wat schept deugd en ondeugd?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept doen en niet-doen?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept wezen en verschijningsvorm?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept licht en duisternis?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept hemel en aarde?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept hoog en laag?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept heerser en onderdaan?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept relatief en absoluut?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept werkelijkheid en illusie?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept leven en dood?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept vrijheid en gebondenheid?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept Tao en Tê?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept oost en west?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept rust en onrust?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept eenheid en veelheid?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept leerling en meester?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept waarheid en leugen?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept wijsheid en dwaasheid?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Wat schept weten en niet-weten?
Meester: Deze vraag.

Leerling: Het is de vraag die onderscheid schept.
Meester: Om over het antwoord maar te zwijgen.

Tip: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Iemand noch niemand

Tussen theorie en praktijk

Leerling: Wat is een boeddhist?

Meester: Iemand die onderscheid maakt tussen samsara en nirwana.

Leerling: Wat is een taoïst?

Meester: Iemand die onderscheid maakt tussen doen en niet doen.

Leerling: Wat is een mysticus?

Meester: Iemand die onderscheid maakt tussen onder en boven.

Leerling: Wat is een non-dualist?

Meester: Iemand die onderscheid maakt tussen dit en Dat.

Leerling: Hoe noem je degene die geen onderscheid maakt?

Meester: Kan jou het schelen.

Leerling: Toe nou.

Meester: Iemand noch niemand dan maar.

Leerling: Bent u zo iemand noch niemand?

Meester: Ja noch nee.

Leerling: Nou weet ik nog niets.

Meester: Dan weet je toch nog iets.

Tip: Zeg maar tja tegen het leven

Ben jij een duellist of een non-duellist?

Tweestrijd

Leerling: Wat is een dualist?

Meester: Een duellist.

Leerling: Tegen wie duelleert hij?

Meester: Tegen zichzelf, maar dat weet hij niet.

Leerling: Wat is een non-dualist?

Meester: Een non-duellist.

Leerling: Waarom duelleert hij niet?

Meester: Hij kan maar geen tegenstander vinden.

Leerling: Bent u een duellist of een non-duellist?

Meester: Kan je geen tegenstander vinden?

Tip: Meester Schaap en Broeder Ezel

‘Verschil’

Leerling: Wat is het verschil tussen u en mij?

Meester: Dat jij overal verschil ziet.

Leerling: En u?

Meester: Ik zie overal verschil’.

Leerling: Ik dacht dat u zou zeggen ‘Ik zie overal eenheid’.

Meester: Och…

Leerling: Bedoelt u dat u overal ‘eenheid’ ziet?

Meester: Nou, overal…

‘Eenheid’

Leerling: Wat is het verschil tussen u en mij?

Meester: Dat jij overal eenheid ziet.

Leerling: En u?

Meester: Ik zie hoogstens ‘eenheid’.

Leerling: Maar wat betekent dat dan nog?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Leerling: Dan kun je net zo goed niks zeggen.

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Eenheid is niet het geheel

Leerling: Wat is eenheid?

Meester: Een woord.

Leerling: Is het dan niet het geheel?

Meester: Waarvan?

Leerling: Van alles.

Meester: Dat is een tautologie.

Leerling: Van tegendelen dan.

Meester: Dat is een contradictie.

Leerling: Nergens van dan.

Meester: Dat is een kop zonder kip.

Leerling: Hoezo?

Meester: De uitdrukking ‘X is het geheel van’ wordt altijd gevolgd door de samenstellende delen.

Leerling: Bijvoorbeeld?

Meester: Ruwbouw is het geheel van fundering, muren en dak. God is het geheel van natuurwetten. Een ecosysteem is het geheel van interacties in een natuurlijk milieu.

Leerling: En?

Meester: Waarvan is eenheid het geheel?

Leerling: Nou, gewoon.

Meester: Gewoon wat?

Leerling: Eenheid is het hoogste geheel.

Meester: Waarvan?

Leerling: Nergens van.

Meester: Die hebben we al gehad.

Leerling: Van zichzelf dan?

Meester: Maar wat zeg je dan nog?

Leerling: Ik zou het ook niet weten.

Meester: Nou, ik ook niet

Ben ik één met jou?

Concreet

Leerling: Bent u één met de wereld?

Meester: Wie?

Leerling: Wie wie zegt.

Meester: Met de wat?

Leerling: Wat wat zegt.

Meester: Mij te abstract allemaal.

Leerling: Bent u één met mij?

Meester: Zo voelt het niet, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.

Leerling: Zijn wij gescheiden?

Meester: Zo voelt het wel, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.

Leerling: Maar dat weet u dan weer wel?

Meester: Wat?

Leerling: Dat je dat niet kunt weten.

Meester: Zo voelt het wel, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.

Leerling: Bent u gerealiseerd?

Meester: Zo voelt het niet, maar eigenlijk kan ik dat niet weten.

Leerling: Nou weet ik weer niks.

Meester: Zo voelt het wel, maar eigenlijk kun je dat niet weten.

Tip: Hoera, verlicht?

De tel kwijtraken om tot eenheid te geraken

Telganger

Leerling: Wat moet ik doen om tot eenheid te geraken?

Meester: Het is geen kwestie van doen, het is een kwestie van laten.

Leerling: Wat moet ik laten om tot eenheid te geraken?

Meester: Het is geen kwestie van laten, het is een kwestie van kwijtraken.

Leerling: Wat moet ik kwijtraken om tot eenheid te geraken?

Meester: De tel.

Tip: Waarnemen of waargeven? De illusie van subject en object

Lijden doet scheiden

1.

Leerling: Scheiden doet lijden.

Meester: Verenigen net zo goed.

2.

Leerling: Scheiden doet lijden.

Meester: Lijden doet net zo goed scheiden.

3.

Leerling: Scheiden doet lijden.

Meester: Scheiden doet net zo goed verenigen.

Leerling: Scheiden doet verenigen?

Meester: En omgekeerd.

Leerling: Verenigen doet scheiden?

Meester: Zeg nou zelf.

Leerling: En wat doet lijden?

Meester: Tja, wat niet.

Lees ook: Lijden, is er een einde aan?

Een arm is geen been, al was alles één

Tel uit je winst

1.

Leerling: Alles is één.

Meester: Alles wel, maar verder?

2.

Leerling: Alles is één.

Meester: Een arm is geen been.

3.

Leerling: Alles is één.

Meester: Niets ook.

4.

Leerling: Alles is één.

Meester: En wat is één?

Leerling: Eh…

Meester: Nou dan.

Lees ook: Het regressieprobleem

De tafel van nul

De boeddhist zegt: Alles is geen.

De monist zegt: Alles is een.

De non-dualist zegt: Alles is niet-twee.

De dualist zegt: Alles is twee.

De pluralist zegt: Alles is veel.

Wie praat jij na?

Tip: Metafysica in een wezenloze wereld

Satsang: bijeenkomst in Waarheid

Maandag

Meester: Wat betekent advaita?

Leerling: Eén.

Leerling: Niet-één.

Leerling: Niet-twee.

Meester: Niet veel.

Dinsdag

Meester: Wat betekent advaita?

Leerling: Eén.

Leerling: Niet-één.

Leerling: Niet-twee.

Meester: Niet tellen.

Woensdag

Meester: Wat betekent advaita?

Leerling: Niet tellen.

Meester: Niet voorschrijven.

Donderdag

Meester: Wat betekent advaita?

Leerling: Niet voorschrijven.

Meester: Niet napraten.

Vrijdag

Meester: Wat betekent advaita?

Leerling: Niet napraten.

Meester: Je veronderstelt een vrije wil.

Leerling: Kan ik het helpen.

Meester: Je veronderstelt een onvrije wil.

Tip: Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid

Patati patata en de tao van tja

Nondualisme in de praktijk

Leerling: Ego of zelf?
Meester: Tja.

Leerling: Zelf of geen-zelf?
Meester: Tja.

Leerling: Lichaam of geest?
Meester: Tja.

Leerling: Geest of geen-geest?
Meester: Tja.

Leerling: Kleine geest of grote geest?
Meester: Tja.

Leerling: Oorspronkelijke geest of weetnietgeest?
Meester: Tja.

Leerling: Mind of hart?
Meester: Tja.

Leerling: Hart of ziel?
Meester: Tja.

Leerling: Iemand of niemand?
Meester: Tja.

Leerling: Zijn of bewustzijn?
Meester: Tja.

Leerling: Vasthouden of loslaten?
Meester: Tja.

Leerling: Doen of niet-doen?
Meester: Tja.

Leerling: Zijn of niet zijn?
Meester: Tja.

Leerling: Zijn of worden?
Meester: Tja.

Leerling: Sterfelijk of onsterfelijk?
Meester: Tja.

Leerling: Goed of slecht?
Meester: Tja.

Leerling: Begeren of negeren?
Meester: Tja.

Leerling: Doen of gewaarzijn?
Meester: Tja.

Leerling: Alles of niets?
Meester: Tja.

Leerling: Vorm of leegte?
Meester: Tja.

Leerling: Twee of één?
Meester: Tja.

Leerling: God of mens?
Meester: Tja.

Leerling: Immanent of transcendent?
Meester: Tja.

Leerling: Film of doek?
Meester: Tja.

Leerling: Stof of geest?
Meester: Tja.

Leerling: Object of subject?
Meester: Tja.

Leerling: Duisternis of licht?
Meester: Tja.

Leerling: West of oost?
Meester: Tja.

Leerling: Uitsprekelijk of onuitsprekelijk?
Meester: Tja.

Leerling: Meditatie of contemplatie?
Meester: Tja.

Leerling: Geluk of gelijk?
Meester: Tja.

Leerling: Weten of niet-weten?
Meester: Tja.

Leerling: Illusie of werkelijkheid?
Meester: Tja.

Leerling: Soto of rinzai?
Meester: Tja.

Leerling: Geelhoed of roodhoed?
Meester: Tja.

Leerling: Samsara of nirwana?
Meester: Tja.

Leerling: Hinayana of mahayana?
Meester: Tja.

Leerling: Atman of anatman?
Meester: Tja.

Leerling: Atman of brahman?
Meester: Tja.

Leerling: Brahman of parabrahman?
Meester: Tja.

Leerling: Prapattivada of viprapattivada?
Meester: Tja.

Leerling: Viprapattivada of aprapattivada?
Meester: Tja.

Leerling: Dvaetavada of advaetavada?
Meester: Tja.

Leerling: Advaetavada of dvaetadvaetavada?
Meester: Tja.

Leerling: Dvaetadvaetavada of advaetadvaetadvaetavada?
Meester: Tja.

Leerling: Vishishtadvaetavada of vishuddha Advaetavada?
Meester: Patati patata.
Leerling: Ha ha ha.
Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Lees ook: Wat is taoïsme? Meester Tja en de tao van tja

Koning Eenoog en keizer Langoor

Hoeveel hersenen heeft de dwaas?

Leerling: Hoeveel ogen heeft de wijze?

Meester: Nou?

Leerling: Volgens mij drie.

Meester: Wat ziet het eerste oog?

Leerling: Alleen het relatieve, dat wil zeggen, verschilligheid, dualiteit.

Meester: Wat ziet het tweede oog?

Leerling: Alleen het absolute, dat wil zeggen, on-verschilligheid, non-dualiteit.

Meester: Wat ziet het derde oog?

Leerling: Het relatieve en het absolute tegelijk, dat wil zeggen, verschilligheid én on-verschilligheid, dualiteit én non-dualiteit.

Meester: Ingewikkeld hoor.

Leerling: Hoeveel ogen heeft de wijze volgens u?

Meester: Vraag dat maar aan een wijze.

Leerling: Bent u dan geen wijze?

Meester: Dwaas.

Leerling: Wat bent u dan wel?

Meester: Gewoon.

Leerling: Gewoon wat?

Meester: Als ik dat eens wist.

Leerling: Hoeveel ogen hebt u?

Meester: Misschien maar één.

Leerling: Het derde oog zeker?

Meester: Het eerste, per definitie.

Leerling: Wat zie je daarmee?

Meester: Gewoon.

Leerling: Gewoon wat?

Meester: Als ik dat eens wist.

Leerling: En het absolute dan?

Meester: Dat heeft zich nog niet aan mij geopenbaard.

Leerling: Hè?

Meester: Of anders heb ik het niet als zodanig herkend.

Leerling: En het relatieve dan?

Meester: Dat heeft zich nog niet aan mij geopenbaard.

Leerling: Hoe kan dat nou?

Meester: Of anders heb ik het niet als zodanig herkend.

Leerling: Laat staan dat u beide tegelijk zou kunnen zien.

Meester: Zalig zijn de schelen.

Leerling: Simpel hoor.

Meester: Tja.

Leerling: Er is alleen maar dit, wou u zeggen.

Meester: Alsof ik iets wou zeggen.

Leerling: Is er alleen maar dit?

Meester: Zou best kunnen.

Leerling: Dat zeggen ze tenminste.

Meester: Ze zeggen zoveel.

Leerling: U denkt van niet?

Meester: Hoe stel je zoiets vast?

Leerling: Volgens mij is het een verwijzing naar het eeuwige heden.

Meester: Het wat?

Leerling: Het tijdloze nu.

Meester: Ja, is het nou eeuwig of is het tijdloos?

Leerling: De waarheid is voorbij de woorden.

Meester: Waarom hou je dan je mond niet?

Leerling: Maar wel onmiddellijk gegeven in de mystieke ervaring.

Meester: Mensen ervaren zoveel.

Leerling: Het Ene is uniek.

Meester: Het heeft zich nog niet aan mij geopenbaard.

Leerling: Hè?

Meester: Of anders heb ik het niet als zodanig herkend.

Leerling: Het Ene openbaart zich niet, dat bén je.

Meester: Hoe weet je dat als het zich niet openbaart?

Leerling: Dat… zeggen ze.

Meester: Je hebt het alleen maar van horen zeggen?

Leerling: Dat zeg ik.

Meester: Hoeveel oren heeft de wijze volgens jou?

Tip: De Mont Fou: geen inzicht, maar wat een uitzicht

Brokjesgeest

Leerling: Ziet u uzelf als non-dualist?

Meester: Wie? O. Ja. Nee. Kwenie.

Leerling: Ik bedoel, denkt u dat anderen u zien als non-dualist?

Meester: Wie? O. Nee. Ja. Kwenie.

Leerling: Ik bedoel, bent u weleens bang om door de mand te vallen?

Meester: Wie? O. Nou. Eh… Als wat?

Leerling: Ik bedoel, wat is volgens u een non-dualist?

Meester: Een wat? O. Eh… Tja. Nou?

Leerling: De waarheid is voorbij de woorden, wou u zeggen.

Meester: De wát? O. Nou. Eh… Hè?

Hokjesfeest

Leerling: Ik vind u een echte non-dualist.

Meester: Stop jezelf in een hokje.

Leerling: Onder een non-dualist versta ik iemand zonder hokjes.

Meester: Dat bedoel ik.

Leerling: Iemand die weigert in een hokje plaats te nemen.

Meester: Ik ga zitten waar ik wil.

Leerling: Iemand die weigert anderen in een hokje te stoppen.

Meester: In je hok, hokjesgeest.

Leerling: Iemand die zijn hokjes stuk voor stuk gesloopt heeft.

Meester: Wie er aan mijn hokjes komt die krijgt een schop.

Leerling: Al deze uitspraken bevestigen slechts mijn overtuiging.

Meester: Sofist.

Leerling: Ik vind u een ware non-dualist.

Meester: Stop jezelf in een hokje.

Tip: Idolen voor de zoeker, Goeroes, goeroelopers en ouwehoeroes