Piekeren over piekervaringen

‘Het is met piekervaringen al net als met alle ervaringen. Ze zijn zo voorbij en dan sta je weer met lege handen.’ Piekeren over piekervaringen; valkuilen op de weg.

Dwaalgids > Advaita > Piekeren over piekervaringen

Piekeren over piekervaringen

Lees ook: Brieven advaita; het bewustzijn voorbij, Brieven verlichting; de vrijheid voorbij, Piekervaringen zijn zo voorbij, Lege mystiek op de hoogste piek, De Mont Fou

Weg van jezelf

Beste Hans,

Als kind van een jaar of tien heb ik eens een heel bijzondere ervaring gehad die me nooit meer heeft losgelaten. Ik was ziek maar ik denk niet dat het er iets mee te maken heeft. Ik noemde die ervaring destijds, en nu nog steeds, mijn buikgevoel. Gevoel is niet het goede woord maar ik weet niet hoe ik het anders moet noemen. Het voelde alsof alles licht en donker tegelijk was, zacht en hard, dicht en ijl, dik en dun. Alle extremen vertegenwoordigd en duidelijk aanwezig en toch niet van elkaar gescheiden. Het zinderde als elektriciteit, zacht als dons en toch intens als de bliksem. Het was in mij en ik was daarin. Vrede, volledige helderheid, het lichaam in rust maar helemaal levend en aanwezig ondanks mijn ziekte. Het klopte precies, vraag me niet waarom of waarmee, en ook al wist ik niet wat het was, het voelde… thuis. Iets heerlijkers bestond er niet. Later is dat gevoel nog vaak teruggekomen, vanzelf, zonder dat ik er iets voor hoefde te doen.

Ik heb het jarenlang voor me gehouden omdat ik niet wist hoe ik het onder woorden moest brengen. Hoe zeg je zoiets? Op een dag zei ik tegen mijn ouders: ‘Wat ik ben, zijn jullie in essentie ook, toch?’ Het was als vraag bedoeld en hun bevestiging was heel belangrijk voor mij, maar ze lachten erom. Mede door die ervaring begon ik mij lichamelijk en geestelijk af te sluiten, met alle gevolgen van dien. Een verhaal op zich maar dat doet er nu niet toe.

Als twintiger ben ik op onderzoek gegaan om erachter te komen wat dat buikgevoel nou precies was, en vooral wat ik moest doen om het terug te krijgen. Tien jaar lang deed ik niets anders dan lezen, schrijven, leraren bezoeken en nadenken. Uiteindelijk heb ik ontdekt dat ‘ik’ daar helemaal niets voor kan doen. Integendeel, ieder doen staat het in de weg, maar hoe moest ik dat weten? Wat ik wel wist, puur intuïtief, was dat ik uiteindelijk tot één punt zou komen, dat ik alles tot één punt zou kunnen herleiden. Alleen was dat punt natuurlijk geen punt, maar de leegte.

Toen ik bij die leegte was uitgekomen, heb ik dezelfde weg nog eens afgelegd, maar nu in omgekeerde richting. Vanuit de leegte zag ik dat alles diezelfde nietsheid was. Om dat te kunnen bevatten heb ik er een draai aangegeven, aan die leegte, zodat het een negatief werd van de volheid, een antiding, een onsubstantie, enfin, een hoop geredeneer en gedoe om het allemaal kloppend te krijgen en vanuit de leegte terug te kunnen keren naar de wereld.

Natuurlijk kon ik er toen helemaal niets meer mee. Ik zat te weinig in mijn lijf, te veel in mijn hoofd en ik raakte steeds verder van huis. Ik kon niets meer voelen, alleen nog maar denken, en mijn buikgevoel was compleet onbereikbaar. Tot ik hoorde, las en uiteindelijk ook inzag dat het denken zelf gezien wordt door iets achter dat denken. Ik moest achter dat denken zien te geraken, het denken passeren door niet meer te denken, dat wil zeggen, door niets meer te weten.

Mijn laatste leraar (ik heb er al heel wat versleten!), een non-dualist in hart en nieren, heeft mij helpen inzien dat mijn lichaam geen object is. Ik besta, ik leef, ik ben er gewoon, hier en nu, er is gewoon Bestaan, Zijn, Leven, alleen maar Dit. Een Zelf maar geen zelf, niet een ‘ik’ die er is, mijn hart slaat vanzelf, ik haal vanzelf adem, het regelt zichzelf, het doet zichzelf, daar ben ik niet voor nodig. Maar ja. Ondertussen schuilt er in dit Leven dat zichzelf schijnt te leven gewoon een heel bang meisje dat als kind werd uitgelachen vanwege haar ideeën over wie ze echt was.

Mijn buikgevoel klopt, dat weet ik heel zeker. Maar ook al heb ik het gevoel dat het echt niet anders kan zijn, toch wilde en wil ik het van iemand anders horen. Zo’n paradox: ik weet dat de ander eigenlijk alleen in mij bestaat. En dan toch van ‘hem’ of ‘haar’ willen horen… Nog zo’n paradox: hoe kan ik nou zeker weten dat mijn buikgevoel klopt als ik al sinds vele jaren weet dat er niets te weten valt? Bovendien, hoe helder het ook is, dat gevoel komt en gaat. Volgens advaita is alles wat komt en gaat niet echt. Maar juist vanuit het kennen, als alles echt stil is in mij, als ik mijn lichaam even niet zie als een object, als het ego zich er even niet mee bemoeit of ermee aan de haal probeert te gaan, dan komt het buikgevoel vanzelf weer op. Soms blijft het zelfs even hangen maar dan begint al gauw het gedoe met het ego weer, dat het veroordeelt of claimt.

Al die tegenstrijdigheid. Wat klopt hier nou wel of niet? Ik weet niet of ik mij duidelijk heb uitgedrukt. Snap je mijn probleem? Mijn leraar geloof ik niet. Die heeft het steeds over ‘Intimiteit’ in de zin van ‘de smaak van het Zijn dat wij delen’. Ik probeer er al jaren achter te komen of zijn Intimiteit gewoon een ander woord is voor mijn buikgevoel, maar daar komen we blijkbaar niet uit. Vandaar dat ik nu mijn pijlen op jou richt.

Weg van de levensverhalen

Beste Elisabeth,

Dank je wel dat je deze versie van je levensverhaal met me hebt willen delen. Ik zeg ‘deze versie’ omdat je je levensverhaal wel voortdurend zult herschrijven. Pakweg tien jaar geleden zal het een heel ander verhaal geweest zijn dan nu, en over tien jaar zal het wel weer compleet veranderd zijn. Of niet soms?

Als alle eerdere versies van je levensverhaal bij nader inzien onwaar blijken te zijn en gereviseerd moeten worden in het licht van de nieuwste ontwikkelingen, hoe groot is dan de kans dat het huidige verhaal standhoudt? Of welke versie dan ook? Als alle verhalen op den duur onhoudbaar zijn, waarom dan al die moeite om ze op te schrijven? Kun je ze niet net zo goed meteen weggooien? Wie hou je voor de gek?

En je allerlaatste levensverhaal, geschreven vlak voor je dood – zou dat standhouden als je nog wat langer te leven zou hebben, laten we zeggen tien jaar, honderd jaar, duizend jaar, eeuwig? Als je eeuwig zou leven, zou je levensverhaal dan ook eeuwig duren? Aan wie zou je het dan ooit kunnen vertellen, wie zou er nog naar willen luisteren? Zou je het zelf nog willen horen?

Hoeveel tijd ben je inmiddels al kwijtgeraakt aan het schrijven en herschrijven van je levensverhaal? Wat heeft het je tot nog toe gebracht? Aan hoeveel mensen heb je het al verteld? Hoeveel mensen lopen er rond met eerdere versies van je levensverhaal, die je ze met veel moeite op de mouw hebt gespeld en nu met nog meer moeite zult moeten corrigeren of herroepen?

Net als jij schijnen veel mensen te denken dat hun leven, het leven, een legpuzzel is. Als ze de stukjes aan elkaar weten te krijgen zullen ze op een dag vanzelf het grote plaatje zien. Maar is dat wel zo? Is er wel een groter plaatje? Is er maar één groter plaatje? Wat als er wel duizend grotere plaatjes zijn?

Dit zijn de eerste vragen die in me opkwamen bij het lezen van je brief. Nu de inhoud.

Weg van de logica

Of ik jouw probleem snap? Volgens mij zit jij met twee paradoxen in je eh… maag.

Ten eerste vraag je je af hoe je je ‘buikgevoel’ moet rijmen met niet-weten. Je meent enerzijds dat je buikgevoel klopt, dat het waar is, dat het iets over de werkelijkheid zegt, misschien wel over de hoogste werkelijkheid. Anderzijds ben je van mening dat je niets kunt weten, dus ook niet over de waarheid of de hoogste werkelijkheid.

Ten tweede vraag je je af hoe je je buikgevoel moet rijmen met advaita. Je gevoel zit volgens de advaita vedanta immers aan de ‘gekende kant’, die vergankelijk en daarom illusoir is, terwijl het ware zelf juist het onvergankelijke, onkenbare kennen (of de onvergankelijke, onkenbare kenner) van het gekende zou zijn, dat zich op geen enkele wijze manifesteert, dus ook niet als een piekervaring.

In beide gevallen – niet-weten en advaita – is je buikgevoel een waardeloze illusie, terwijl het nou net het heerlijkste, mooiste en meest authentieke is dat je ooit hebt ervaren. Ergens klopt er dus iets niet, maar wat?

Is je buikgevoel vals? Heb je het wel juist geïnterpreteerd? Is niet-weten onzin? Heb je het wel goed begrepen? Is advaita een dwaalleer? Heb je je wel goed geïnformeerd? Begrijp jij je leraren verkeerd, of zij hun leer?

De eenvoudigste manier om aan een paradox te ontsnappen is hem laten bestaan. Ik bedoel, waarom moet je buikgevoel in overeenstemming worden gebracht met niet-weten en advaita? Waarom moet je logisch zijn?

Als ik je buikgevoel goed begrijp, heeft het iets weg van een eenheid van tegendelen, waarin licht en donker, zacht en hard, dicht en ijl, dik en dun, rustig naast elkaar bestaan. Is er in die buik misschien ook ruimte voor de dualiteiten, de tegenstellingen waarmee je worstelt: weten en niet-weten, buikgevoel en niet-weten, buikgevoel en advaita, niet-weten en advaita, de gekende kant en de kennende kant? Zo ja, wat is dan nog het probleem?

Geen probleem. In ieder geval niet in je buik. Vanuit je buik. Als buik. Daarbuiten is natuurlijk een andere zaak. En als ik het goed begrijp ga je veelvuldig uit je buik.

Weg van advaita

Hoe valt je buikgevoel te rijmen met advaita? Door de ijzeren logica van de advaita vedanta tegen zichzelf in te zetten.

Advaita stelt dat alle ervaringen, dus ook je buikgevoel, aan de ‘gekende’ kant zitten. Volgens de leer is alles aan de gekende kant vergankelijk en dus, vanuit het perspectief van de eeuwigheid bezien, van nul en generlei waarde. Als dat waar is dan geldt het natuurlijk ook voor de advaitavada zelf, die immers net zo goed tot de gekende kant behoort. Dat je het doek bent, niet de film, is gewoon de volgende film. Weg ermee, probleem opgelost.

Je kunt ook vraagtekens zetten bij het merkwaardige uitgangspunt dat het ware onveranderlijk moet zijn. Waarom eigenlijk? Wie zegt dat op wiens gezag? Waarom zou het tijdelijke onecht zijn in plaats van echt maar tijdelijk?

Of je zet vraagtekens bij het onderscheid tussen het kennen en het gekende, tussen het bewustzijn en zijn inhouden, waarop de advaita vedanta patent meent te hebben. Waarom zou het gekende niet zelfkennend zijn? Is er wel zoiets als een bewustzijn los van zijn inhouden? Hoe stel je zoiets vast, als het vermeende bewustzijn helemaal geen eigenschappen heeft?

Natuurkundigen uit de negentiende eeuw redeneerden dat lichtgolven net als geluidsgolven en watergolven een medium nodig hebben om zich in te kunnen verplaatsen, en noemden dat medium ether. Die ether is nooit gevonden. Waarom bewustzijn dan wel? Heb jij het al gevonden? Zeker weten dat het geen illusie is?

Weg van niet-weten

Wat betreft de vraag hoe je buikgevoel valt te rijmen met niet-weten: een radicaal niet-weten is op zichzelf al paradoxaal. Als je niets weet, dan ook niet dat je niets weet. Net als met de beroemde leugenaarsparadox: ‘Deze zin is gelogen’. Als hij waar is, is hij onwaar en als hij onwaar is, is hij waar. Een radicaal niet-weten gaat onmiddellijk aan zichzelf ten gronde.

Dat kun je zien als het einde van niet-weten of als het toppunt ervan of beide of geen van beide. Hoe je het ook ziet, het resultaat is dat je niet langer iets weet en niet langer niets weet. In die zin is ieder (niet) weten een wetend niet weten. Zowel het weten als het niet-weten staan voorgoed tussen aanhalingstekens.

Niet-weten is inderdaad niet te verenigen met een buikgevoel dat klopt. Maar ‘niet-weten’ is probleemloos te verenigen met ‘een buikgevoel dat klopt’. De aanhalingstekens duiden op een onvoorwaardelijk voorbehoud, of liever, een ‘onvoorwaardelijk voorbehoud’. Je gelooft in geen van beide heilig. Noch in niet-weten, noch in je buikgevoel. De aanhalingstekens staan voor een schouderophalen. Voor een wegwerpgebaar. Voor een hartgrondig tja.

Daar zit geen paradox meer in.

Weg van de woorden

Net zoals een consequent doorgeredeneerd niet-weten zichzelf vernietigt, waarna je weer met lege handen staat, maakt een consequent doorgeredeneerd advaita korte metten met zichzelf, waarna je weer met lege handen staat. Onderweg ziet de wereld er vanuit agnose misschien anders uit dan vanuit advaita, maar in de limiet komen ze op hetzelfde neer. Waarop? Nergens op.

Hoe moeten we dit ‘nergens op’ noemen zonder meteen teveel te zeggen?

  • Het weten voorbij?
  • Niet-weten voorbij?
  • De dualiteit voorbij?
  • De non-dualiteit voorbij?
  • Het zijn voorbij?
  • De eenheid voorbij?
  • De essentie voorbij?
  • Advaita voorbij?
  • De Boeddha voorbij?
  • Zen voorbij?
  • Dao voorbij?
  • Het voorbijzijn voorbij?

Je kunt van verlichting spreken of van verduistering of toch maar weer van niet-weten. Je kunt het een debacle noemen of een triomf of beide of geen van beide. Je kunt ‘tja’ zeggen, je schouders ophalen of je mond houden. Wat maakt het allemaal uit?

Tips: Wat is advaita? Wat is non-dualisme? Wat is non-dualiteit?

Weg van de piekervaringen

De gemeenschappelijke term van je paradoxen is je buikgevoel. Uit je brief krijg ik de indruk dat dit buikgevoel voor jou niet alleen een heerlijke, voorbijgaande ervaring is maar ook, en misschien wel vooral, een manifestatie van de Waarheid of de hoogste Werkelijkheid of het Leven of het Zijn dat je ten diepste zou zijn. Maar is het dat wel? Hoe stel je zoiets vast?

Zelf heb ik ook allerlei mooie en rare ervaringen. Ik spreek er niet graag over want dan gaan de mensen alleen maar denken dat het bij agnose om ervaringen gaat. Piekervaringen, mystieke ervaringen, eenheidservaringen, heelheidsbeleving, kensho, satori, ananda, jhana, moksha, samadhi, of hoe het ook allemaal mag heten. Niets is minder waar. Maar omdat je buikgevoel in jouw brief centraal staat, ontkom ik er niet aan. Wat ervaar ik zoal? Een greep.

Soms voel ik grote dankbaarheid, soms voel ik mij gedragen door de wereld, soms voel ik een overweldigende, zalige nietigheid, soms voel ik mij uitstromen naar en opgaan in de wereld, soms voel ik mij het water waar ik naar kijk of een blaadje dat erin drijft, dikwijls vervloeit mijn lichaam en verliest het zijn vaste vormen en contouren, soms hebben alle vormen en kleuren een verhevigde intensiteit, soms zindert en trilt alles alsof ik de atomen of de energie zelf kan zien, soms hou ik van alles en iedereen, vaak vind ik alles mysterieus en majestueus, vaak heb ik onder een oppervlakkige rusteloosheid een gevoel van diepe vrede, vaak zie ik in de spiegel tot mijn verbazing weer niet de glimlach op mijn gezicht die mijn hart verwarmt.

Sommige van deze ‘ervaringen’ had ik vroeger ook al, andere pas sinds ik ‘niet meer weet’. Ze duren seconden, minuten, uren of vormen dagenlang de achtergrond waartegen allerlei andere ervaringen/verschijnselen optreden, die ermee in overeenstemming of eraan tegengesteld zijn.

Voor veel mensen zijn ervaringen het hart en de ziel van hun spiritualiteit. Voor mij heeft het een niets met het andere te maken. Integendeel, wat mij betreft stellen ervaringen niks voor. Ik onderga ze. Verder kunnen ze me gestolen worden.

Eerlijk gezegd heb ik tegenwoordig geen idee meer welke van mijn ervaringen ik tot de spirituele moet rekenen en welke tot de normale. Zijn ervaringen zoals zien, proeven, ruiken, niesen, ademhalen, plassen, klaarkomen, zwemmen, dansen, dromen of hallucineren soms minder, of minder transcendentaal, dan de unio mystica, de extase, innerlijke vrede, een godsvisioen? Waarom zou ik de ene ervaring hoger aanslaan dan de andere?

In mijn beleving zijn alle ervaringen precies even gewoon of precies even transcendentaal.

Tip: De mystiek van alledag

Weg van de duidingen

Ervaringen zijn ervaringen, en wat doe je eraan. Belangrijker is wat je ermee doet. Hoe ga je ermee om? Laat je je erop voorstaan? Vervult een ervaring je met trots? Moet de hele wereld het weten? Welke betekenis hecht je eraan? Welke conclusie trek je eruit?

Moet ik uit mijn diepe dankbaarheid concluderen dat het bestaan een cadeau is?

Moet ik uit mijn zalige nietigheid concluderen dat ik eigenlijk niets ben?

Moet ik uit mijn uitstromen naar de wereld concluderen dat ik eigenlijk alles ben?

Moet ik uit het zinderen van de dingen concluderen dat alles eigenlijk energie is?

Moet ik uit de verhevigde intensiteit van de dingen concluderen dat er een onbemiddelde werkelijkheid is waarmee ik op dat moment in contact sta?

Moet ik uit mijn aanvallen van liefde voor alles en iedereen concluderen dat ik liefde ben of dat alles liefde is?

Moet ik uit mijn aanvallen van be- en vervreemding concluderen dat het leven een mysterie is?

Moet ik uit mijn innerlijk vrede concluderen dat alles goed is zoals het is?

Moet ik uit mijn ‘piekervaringen’ concluderen dat ik de hoogste piek heb bereikt, een bijzonder mens ben, misschien wel ontwaakt, gerealiseerd, verlicht?

Zo ja, moet ik dan bij het uitblijven van deze ervaringen, dus tussen deze ervaringen in, mijn conclusies herroepen?

Moet ik bij tegengestelde ervaringen, bijvoorbeeld van ondankbaarheid, weerzin, hoogmoed, eenzaamheid, matheid en innerlijke onrust, tot tegenovergestelde conclusies komen?

Ik moet er niet aan denken. Zo blijf ik aan het concluderen, voortdurend van het ene zelfbeeld in het andere schietend, van het ene wereldbeeld in het andere, van de ene werkelijkheid in de andere, van de ene waarheid in de andere, van de ene wijsheid in de andere, van de ene gemoedstoestand in de andere.

Voor mij is een mooie ervaring een mooie ervaring en niet meer dan dat. Ik zal niet zeggen dat ik er nooit conclusies uit trek, daar ga ik niet over. Maar als het al eens gebeurt, vallen ze subiet ten prooi aan agnose, ook daar ga ik niet over. Ervaring weg, conclusies weg, volgende patiënt. Idem dito voor negatieve ervaringen.

Daarom is het voor mij geen enkel probleem dat mooie ervaringen voorbijgaan. Ik hang er immers niets aan op. Geen diepste waarheid, geen hoogste werkelijkheid, geen egoloosheid of superego. Ik vind mezelf geen bijzonder mens omdat ik iets wel of niet ervaar. Ik vind mezelf geen verliezer omdat ik iets niet of wel ervaar.

Ik denk nooit: o jee, mijn mooie ervaring is voorbij, dan ben ik mijn lichaam zeker weer als object gaan zien of dan heeft mijn ego zeker weer de kop opgestoken. Het voorbijgaan van mijn ervaringen betekent niet dat ik iets verkeerd doe, niet dat ik moet stoppen met iets te doen, niet dat ik moet niet-doen of moet loslaten.

Het voorbijgaan van mijn ervaringen betekent alleen maar het voorbijgaan van mijn ervaringen. Het betekent niets. Betekent het toch iets dan heeft dát niets te betekenen. Heeft het dat toch dan heeft dát niets te betekenen, enzovoort. Kortom, laat maar gaan.

Ik heb er niks aan, aan die ervaringen niet, ze brengen me niets anders dan zichzelf, dus kan ik ook niets kwijtraken als ze, zoals alle ervaringen altijd, de geest geven.

Mijn geest is een vrije radicaal. Die bindt zich nergens aan. Ook niet aan mij. Ook niet aan het idee van het ware zelf. Ook niet aan het idee van de geest als vrije radicaal. Ook niet aan het idee van de geest. Ook niet aan het idee van de niet-geest.

Agnose is geen ervaring. Het heeft geen ervaringen nodig. Het heeft er ook geen last van. Niet-weten is immuun voor ervaringen.

Weg van de bevestigingen

Wanneer je ervaringen alleen maar ziet als ervaringen en niet als vingers die naar de maan wijzen dan dondert het niet wat anderen ervan vinden. Jij hebt je buikgevoel, dat is een fijn gevoel, het fijnste dat je kent, een thuiskomen, wat maakt het uit of anderen het herkennen of erkennen?

Waarom moeten je ouders het bevestigen? Waarom moeten de boekjes het bevestigen? Waarom moeten je leraren het bevestigen? Waarom moet ik het bevestigen? Wat maakt het uit of de intimiteit van leraar A of de universele liefde van leraar B of de eenheidservaring van leraar C of de smaak van zijn van leraar D of de innerlijke glimlach van Hans van Dam in wezen of in grote lijnen identiek zijn aan of verschillend van jouw buikgevoel? Wat bewijst dat? Wat moet je met bewijzen?

Nu we het er toch over hebben: Waarom is het zo erg dat je ouders jou niet begrijpen? Jij kunt of wilt hun toch ook niet begrijpen? Jij deed en doet toch ook niet echt je best om hun te begrijpen in hun onbegrip voor jou, in hun gezond verstand, in hun overtuiging, neem ik nu maar even aan, dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen menselijke individuen onderling en tussen de mens en zijn wereld?

Probeer eerst zelf maar eens wat begrip op te brengen voor je ouders, zou ik zeggen, voor je aanspraak maakt op het hunne. Of zie het wederzijdse onbegrip rustig onder ogen zonder je meteen in verwijten te verliezen aan wiens adres dan ook. Of verlies je in verwijten zonder jezelf daarvoor verantwoordelijk te stellen. Of hou jezelf ervoor verantwoordelijk zonder jezelf dáár voor verantwoordelijk te stellen. Al was het maar voor de verandering.

Ook het onbegrip tussen jou en je leraren schijnt wederzijds te zijn. Ikzelf zou jouw buikgevoel kunnen gaan duiden in termen van niet-weten, maar wat schiet je ermee op? Het enige dat het oplevert is wéér een analogie, met de onvermijdelijke overeenkomsten en de al even onvermijdelijke verschillen. Zo blijf je aan de gang. Om over je arme leraren nog maar te zwijgen…

Weg van de gedachten

Als je het per se allemaal onder woorden moet brengen dan zijn er waarschijnlijk geen betere termen te vinden dan je eigen termen. Alleen wie geen eigen woorden kan vinden moet genoegen nemen met die van anderen. Die zijn net als alle confectiekleding ofwel te groot ofwel te klein. Meestal te groot, vrees ik. Extra extra large. Bewustzijn! Boeddha! Brahman! Essentie! Dao! God! Liefde! Mededogen! Eeuwigheid!

Ga toch lekker in die buik van je zitten, laat die buik lekker in jou zitten, jullie passen elkaar als een handschoen, iets passenders zul je misschien nooit vinden.

Kun je leven met de gedachte dat nooit iemand je buikgevoel onvoorwaardelijk zal bevestigen of dat een onverhoopte bevestiging niets zal veranderen? Nee?

Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch steeds naar bevestiging zult blijven zoeken? Nee?

Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte? Nee?

Kun je leven met de gedachte dat je buikgevoel komt en gaat, wat je ook doet of laat? Nee?

Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch blijft doen en laten? Nee?

Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte? Nee?

Kun je leven met de gedachte dat je misschien nooit zult weten wat je buikgevoel precies betekent en of het wel iets betekent? Nee?

Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je daar niet mee kunt leven en toch blijft interpreteren en verklaren? Nee?

Kun je dan misschien leven met de gedachte dat je niet kunt leven met die gedachte? Nee?

Maakt niet uit, het zijn allemaal maar gedachten. Ook dit is maar een gedachte. En het is met gedachten al net als met ervaringen: hoe bijzonder of gewoon ook, ze komen en gaan, en dan sta je als altijd met lege handen. Let maar eens op. Kan niet missen.

Weg van niet-denken

Dat het denken gepasseerd kan worden door niets meer te denken, zoals jij stelt, is mij niet bekend. Zelf ben ik het denken niet voorbij. Ik heb weleens gelezen van mensen die urenlang niks denken, sommige aspergers bijvoorbeeld, Socrates, en wie weet de doden.

Van de spirituele leraar en dwarskont U.G. Krishnamurti herinner ik me een passage waarin hij verklaart dat zijn denken sinds zijn realisatie van nature stilstaat, dat de tijd voor hem verstrijkt zonder te verstrijken totdat iets, of iemand, of zijn lichaam, wat roept of vraagt en het denken weer op gang helpt. Zodra het zijn taak volbracht heeft, valt het weer stil.

Zelf heb ik dat nooit meegemaakt. Behalve misschien tijdens de zogenaamde droomloze slaap, maar daar heb ik geen concrete herinneringen aan. Had ik ze wel dan zou ik ze niet vertrouwen. Verder is het altijd bal in mijn bovenkamer. Voor getuigenissen over gedachteloosheid moet je niet bij mij zijn.

Voor mij is niet-denken dus geen niet-weten, zoals jij suggereert. Niet-weten is een radicaal andere vorm van denken. Een zelfbewust en zelfvernietigend denken. Een denken dat spontaan tegenwicht biedt, of lijkt te bieden, aan het wetende denken wanneer en voor zolang dat nodig is. En dan zelf in rook opgaat. Of zo nodig op zijn beurt weersproken wordt door een volgende gedachte, enzovoort.

Tip: Wat is de mind?

Weg van de filosofie

Dat de ander van wie je bevestiging zoekt alleen in jou zou bestaan, zoals jij stelt, is een solipsistische gedachte. De filosofie van het solipsisme, nauw verwant met die van de advaita vedanta, is bij mijn weten noch te bewijzen noch te ontkrachten. Sommigen nemen het voor waar aan en putten er troost en kracht uit. Anderen nemen het voor waar aan en worden er eenzaam en verdrietig van. Weer anderen houden het voor onwaar. Ikzelf houd het alleen maar voor mogelijk, wat het onmogelijk maakt er conclusies uit te trekken. Dat is wel zo rustig.

Zelf ben ik weliswaar een liefhebber van de filosofie en kan ik enorm genieten van al die wonderlijke ideeën, maar alleen nog als verschijnsel, niet meer als waarheid. Theorieën zijn bloemen van de geest. Kijken, niet plukken. Ook dit is zo’n bloem.

Wat mij betreft is er in de spiritualiteit geen plaats voor welke theorie dan ook. Spiritualiteit is geen idee, maar een vrijplaats, een asiel, een terp, ademruimte, een lege ark doelloos ronddrijvend in een onafzienbare zee van wetendheid. Ook dit is maar een idee – weg ermee.

Tip: Wat is de Waarheid?

Weg van de leegte

Jouw gedachte dat alles leegte is, ken ik onder meer uit het boeddhisme. Zelf kan ik dat bevestigen noch ontkennen. Van alles weet ik niets. Van niets ook niet. Heb je er weleens bij stilgestaan dat het concept ‘leegte’ zelf ook leeg zou kunnen zijn?

Tips: De diamantsoetra, Dood de Boeddha! Zen, leegte en nihilisme

Weg van de zekerheid

Net als in jou schuilt er in mij ook een bang meisje. Jongetje. Diertje. Of Angsthaas en ik ooit van elkaar verlost zullen worden, betwijfel ik.

Of ik ooit verlost zal worden van mijn incidentele verlangen ervan verlost te worden betwijfel ik ook.

Of ik dat incidentele verlangen moet opvatten als een betrouwbaar signaal vanuit een of andere onderliggende (semi)permanente structuur, Hans van Dam genaamd, betwijfel ik ook.

Dat die structuur niet meer is dan een gedachte, betwijfel ik ook.

Enzovoort, enzovoort.

Conclusie?

Weg van de weg

Beste Hans,

Diep in mijn hart heb ik altijd gehoopt dat iemand mij nog eens schaakmat zou zetten, helemaal. Alle ruimte krijgen en tegelijk geen kant meer op kunnen. Gewoon perplex staan. Niet vanwege één idee of ervaring of gebeurtenis of toestand maar totaal. En wat er dan overblijft, of niet overblijft…

Is er nu iets verandert? Misschien alles. Misschien niets. Moet er iets veranderen? Moet er iets hetzelfde blijven? Ik kan eigenlijk niets anders zeggen dan ‘bedankt’. En ik weet niet eens waarvoor!

Elisabeth