De Poortloze Poort voor dummy’s, koans 13-24

‘Niet om door te komen!’ De zenklassieker De Poortloze Poort voor dummy’s. Lachen en huilen om het raadsel van het leven. Deel 2: koans 13-24.

dummy: 1. iemand die nog niet weet; 2. iemand die niet meer weet

Dwaalgids > Meesterschap, Zen > De Poortloze Poort voor dummy’s, koans 13-24

Koans 1-12, Koans 25-36, Koans 37-48

Inleiding: Op leven en dood

De Poortloze Poort voor dummy’s verschijnt op dit moment onder de titel Niet om door te komen! De Poortloze Poort als serie in het Boeddhistisch Dagblad.

Lees ook: De Linji lu voor dummy’s, De Diamantsoetra voor dummy’s, De Hartsoetra voor dummy’sPasse-partout voor poortloze poorten

Op deze pagina:

13. Klokkenluiders

Meester Deshan liep met zijn kommetjes naar de eetzaal toen de dienstdoende monnik, Xuefeng, hem aansprak. ‘De klok voor het eten is nog niet geluid en de trom is nog niet geslagen. Waar gaat u met uw kommetjes naartoe?’ De meester draaide zich zonder iets te zeggen om en slofte terug naar zijn kamer.

De dienstdoende monnik vertelde het aan Yantou, de hoofdmonnik, die zei: ‘Deshan is niet gek, maar het laatste woord heeft hij nog niet gehoord.’

De meester riep de hoofdmonnik bij zich en zei: ‘Begrijp ik het goed dat u aan mijn meesterschap twijfelt?’ Daarop fluisterde Yantou hem iets in het oor.

De volgende dag betrad de meester het spreekgestoelte, en hield een vlammende toespraak. De hoofdmonnik lachte in zijn vuistje en riep: ‘Hoor die brandklok eens luiden. Vanaf nu zal de meester iedereen overstemmen.’

13 beste lezing

Uitgekookt

De meester zat al in de eetzaal vóór de klok was geluid. De kok zei: ‘Wat krijgen we nou?’ ‘Vraag maar aan de kok’, zei de meester. ‘Ben ik soms niet de kok?’ ‘Soep? Rijst? Ingelegde pruimen?’ zei de meester. ‘Beginnen we het een beetje kwijt te raken?’ ‘Ik heb het nooit gehad.’ ‘Wat doe ik dan hier?’ ‘Vragen stellen.’ ‘Wat?’ ‘Hoe wou je dit anders noemen.’ ‘Ik bedoel hier in dit klooster.’ ‘Koken, natuurlijk.’ ‘Kom nou gauw.’ ‘Daar ben ik al’, zei de meester opgewekt. ‘Koken’, zei de kok schamper. ‘Wat dacht jij dan dat je aan het doen was?’ ‘Wachten op het licht in mijn derde oog.’ ‘Kan je lang wachten.’ ‘Waar bent u in Boeddha’s naam mee bezig!’ riep de kok. ‘Wachten op het eten.’ ‘Kunt u lang wachten’, schreeuwde de kok met rood aangelopen hoofd. ‘Wedden?’ zei de meester, en luidde de klok.

Bij verstek

De klok voor het eten was nog niet geluid, maar de meester zat al met zijn kommetjes om zich heen in de eetzaal. De hoofdmonnik zei hoofdschuddend: ‘Volgens mij hebt u het laatste woord van zen nog niet gehoord.’ De meester schoot in de lach en de hoofdmonnik verschoot van kleur.

De volgende dag stonden er allemaal lege kommetjes op het spreekgestoelte in de meditatiezaal. Een dag later was het hele spreekgestoelte verdwenen. Niemand wist wie het gedaan had en niemand wist waar de meester was gebleven.

Na een week werd de hoofdmonnik zolang aangesteld als abt, een jaar later voorgoed. De rest van zijn leven vroeg hij zich af of hij zelf wel het laatste woord van zen had gehoord.

Twee dwazen

Monnik: De klok voor het eten is nog niet geluid, waar gaat u heen?

Meester: Mijn kommetjes naar de eetzaal brengen.

Monnik: Wat heeft dat voor zin?

Meester: Zin is een woord van drie letters.

Monnik: Wat?

Meester: Zin is zelf geen zin.

Monnik: U bent geen dwaas, maar het laatste woord van zen hebt u nog niet gehoord.

Meester: Wie het laatste woord van zen heeft gehoord, is nog niet eens begonnen.

Monnik: Wat is volgens u het laatste woord van zen?

Meester: Dwaas.

De tja-tja-tja

Monnik: Wat is het laatste woord van zen?

Meester: Tja.

Monnik: Wat is het middelste woord van zen?

Meester: Tja.

Monnik: Wat is het eerste woord van zen?

Meester: Tja.

Monnik: Tja.

Meester: Hoe kom je daar nou weer bij.

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven.

Balkenbrij

De meester lag op sterven. Een monnik zei: ‘Hebt u misschien nog een laatste woord voor mij?’ De meester zei: ‘Wie… als… ezel… wordt… geboren… zal… als… ezel… sterven…’ De monnik barstte in huilen uit. De meester barstte in lachen uit. ‘Ia’, zei hij. Het was zijn laatste woord.

Een laatste boodschap

De meester lag op sterven.

Monnik, schor: Hebt u misschien nog een laatste boodschap voor ons?

Meester, schor: Een… liter… melk… en… een… half… gesneden… wit…

Monnik, schor: Ik zou zo graag uw laatste woorden optekenen.

Meester, schor: Dit…zijn…mijn…laatste…woorden…

Het waren zijn laatste woorden.

Doorbraak

De meester lag op sterven.

Meester, benauwd: Begrijp ik het goed dat je aan mijn meesterschap twijfelt?

Monnik, benauwd: De laatste dagen…

Meester, opgelucht: Ik had de hoop al opgegeven.

Samoerai zen

De meester lag op sterven

Monnik: Laat me niet met lege handen achter!

Meester: Hier ermee!

Meester Lijk

De meester lag op sterven.

Monnik: Laat me niet met lege handen achter.

Meester: Ik laat je mijn lijk.

Monnik: Dat zal alleen maar ontbinden.

Meester: Ontbinding is het toppunt van meesterschap.

Mu gestreden

De meester lag op sterven.

Monnik: Mag ik uw laatste woorden optekenen?

Meester: Dat spreekt vanzelf.

Monnik: Even mijn opschrijfboekje pakken.

Meester: Opschieten hoor.

Monnik: Daar ben ik weer.

Meester: Ben je er klaar voor?

Monnik: Ik ben er klaar voor.

Meester: Hè hè.

Verlost

De meester lag op sterven.

Een monnik vroeg: ‘Wilt u ons nog iets meegeven?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat er geen boodschap is?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat de boodschap onuitsprekelijk is?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat u geen bedoeling met ons heeft?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat we het helemaal zelf moeten uitvinden?’

De meester zweeg.

‘Bedoelt u dat wij moeten zwijgen?’

De meester zweeg.

‘Kunt u ons dan helemaal niets meegeven?’

De meester zweeg.

‘Het niets, is dat waar het om draait?’

De meester zweeg.

‘De leegte?’

De meester zweeg.

‘Het zelf?’

De meester zweeg.

‘Het ongeborene?’

De meester zweeg.

‘Het doodloze?’

De meester zweeg.

‘De dood?’

De meester schreeuwde hees: ‘Is het nou uit!’

Het waren zijn laatste woorden.

Het allerlaatste woord

Monnik: Zen heeft helemaal geen laatste woord!

Meester: Toch weer een laatste woord gevonden?

14. Kattenkwaad

De monniken van de oostelijke zaal hadden ruzie met die van de westelijke om een kat. Meester Nanquan greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’ Niemand wist iets te zeggen. De meester sloeg de kat doormidden.

Die avond keerde Zhaozhou terug naar de tempel en Nanquan vertelde wat er gebeurd was. Zhaozhou trok zijn sandalen uit, legde ze op zijn hoofd en liep weg. De meester zei: ‘Jij had de kat kunnen redden.’

14 kattenkwaad

Kat in het nauw

Twee monniken vochten om een kat.

De meester greep met zijn linkerhand de kat in zijn nekvel en legde de rechter- op zijn gevest.

Hij keek de monniken om de beurt aan.

De ene monnik zei niets.

De andere monnik zei niets.

De ene monnik deed niets.

De andere monnik deed niets.

Met grote ogen keken ze naar de kat.

De meester trok zijn zwaard.

De meester hief zijn zwaard.

De kat zei gauw: ‘Miauw?’

Kat uit de boom

Twee monniken maakten ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’ De monniken zwegen. De meester zweeg. De spanning was om te snijden.

Ten slotte begon de meester te knikken. Hij zei: ‘Stilte – waarom ook niet?’ en liet de kat vrij.

Kat in het bakkie

Twee groepen monniken hadden ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’

Iemand begon te spinnen. Iemand vroeg of een kat de boeddhanatuur heeft. Iemand vroeg of de verlichte één is met zijn zwaard. Iemand vroeg of de verlichte één is met zijn kat. Iemand haalde zijn nagels over de wang van de meester. Iemand sneed zijn snorharen af met het scherp van het zwaard. Iemand zette zijn tanden in het zwaard en ging er met zijn hele gewicht aan hangen. Iemand begon te janken als een krolse kat. Iemand luidde de bel voor het eten. Iemand rekte zich eens lekker uit. Iemand hield een bosje kattengras omhoog. Iemand likte zijn schaaltjes uit. Iemand streelde de meester, iemand besloop hem, iemand hing hem zijn slabbetje om, iemand blies in zijn oor en zo ging het maar door.

Hoe verzin je het, dacht de meester, en liet de kat lopen.

Bakkie zonder kat

Twee groepen monniken hadden ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’

Een van de monniken blafte niet. Een van hen vroeg niet of de verlichte onderhevig is aan de wet van oorzaak en gevolg. Een van hen sneed geen vinger af. Een van hen schoor niet zijn baard af. Een van hen klom niet in een boom. Een van hen hield geen bloem omhoog. Een van hen waste niet zijn schaaltjes af. Een van hen haalde geen kar uit elkaar. Een van hen ging niet onbeweeglijk zitten. Een van hen sloeg geen bekers wijn achterover. Een van hen stak geen vuist op. Een van hen praatte niet in zichzelf. Een van hen sprak niet het laatste woord van zen.

Origineel, dacht de meester en liet de kat lopen.

Niet voor de poes

Twee monniken maakten ruzie om een kat. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’

Plotseling dook de kok op achter de meester. ‘Wat dacht u hiervan?’ riep hij, en sloeg met één hauw van zijn hakmes de pols van de meester doormidden. De hand met de kat viel op de grond. De meester schreeuwde: ‘Aargh!’ De kok zei: ‘Dat kan ik niet goed rekenen.’

De kat rook aan de afgehakte hand en liep met opgeheven staart weg zonder de meester nog een blik waardig te keuren.

De kattenbak in

Twee monniken maakten ruzie om een kat of deden alsof. Alle andere monniken trokken partij of deden alsof. De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’ De hoofdmonnik zei: ‘Ik ben benieuwd hoe hij zich hieruit gaat redden.’

Op dat moment zag de meester het licht of deed alsof.

Halve zolen

Twee monniken maakten weer eens ruzie om een paar sandalen. De meester had er al zoveel doormidden geslagen dat zijn zwaard bot was geworden en hijzelf moedeloos.

‘Spreek slechts één zenwoord en we houden op met ruziën’, riep een van de monniken brutaal. De meester wist niets uit te brengen. Met slepende voeten keerde hij terug naar zijn kamer.

Toen hij die avond zijn beklag deed bij de voorraadmeester, haalde deze een fles en een glas tevoorschijn. De volgende dag had de meester een geweldige kater.

Cheshire katzu

Uit het dagboek van de Gele Keizer, zesde eeuw na Christus

Toen hij twee halve meesters zag, zei Bodhidharma: ‘Waarom heeft die kat geen zwaard?’

Toen hij een glimlach zonder kat zag, zei Bodhidharma: ‘Daarom heeft een hond geen boeddhanatuur.’

15. Zestig stokslagen

Dongshan ging bij meester Yunmen in de leer. De meester zei: ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Uit Chadu.’ ‘Waar heb je de zomer doorgebracht?’ ‘In Baoci, een klooster in Hunan.’ ‘Wanneer ben je daar vertrokken?’ ‘Vijfentwintig augustus.’ ‘Ik zou je zestig stokslagen moeten geven maar ik zal ze je besparen.’

De volgende dag vroeg Dongshan: ‘Gisteren hebt u mij zestig stokslagen bespaard, wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ ‘Trekvogel,’ riep meester Yunmen, ‘dat vliegt maar heen en weer.’ Eindelijk ging Dongshan een lichtje op.

15 stokslagen

Honkvast

Er was eens een monnik die nooit iets ondernam en altijd precies deed wat er van hem verwacht werd. De meester vroeg: ‘Heb je ooit een andere leraar gehad?’ ‘Nooit’, zei de monnik. ‘Ben je ooit elders op retraite geweest?’ ‘Nooit.’ ‘Hoe lang zit je nou al hier?’ ‘Zestig jaar.’ ‘Ik zou je zestig stokslagen moeten geven maar ik zal ze je besparen.’

De volgende dag vroeg de monnik: ‘Gisteren hebt u mij zestig stokslagen bespaard, wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ ‘Nestblijver,’ riep de meester, ‘dat zit maar op zijn eieren.’ Eindelijk ging de monnik een lichtje op.

Overal en altijd

Een monnik klaagde: ‘Leerlingen van tegenwoordig blijven jaar in jaar uit in hetzelfde klooster hangen. Waarom zegt u daar nooit iets van?’ De meester antwoordde: ‘Niet weten is overal nabij.’

Een andere monnik klaagde: ‘Leerlingen van tegenwoordig trekken maar van klooster naar klooster. Waarom zegt u daar nooit iets van?’ De meester antwoordde: ‘Niet weten is altijd nabij.’


Geïnspireerd door koan 20 van het Boek van Sereniteit:

Dizang: Waar ga je heen?

Fayan: Op bedevaart.

Dizang: Waar is dat goed voor?

Fayan: Dat weet ik eigenlijk niet.

Dizang: Niet-weten is het meest nabij.

Dharmahonger

‘Waar komt u vandaan?’ vroeg de kok. ‘Ik heb nog onderricht gehad van Linji Yixuan’, zei de meester. ‘Ik bedoel, met welke keuken bent u grootgebracht?’ ‘Oost, west, zuid, noord, de leer is overal.’ ‘Maar wat is uw lievelingsgerecht?’ ‘Voor de dharma kan je me altijd wakker maken.’

Vanaf die dag werd de meester bij iedere maaltijd overgeslagen. Na een week hield hij het niet meer uit en ging naar de keuken om zijn beklag te doen.

‘Waarom krijg ik niets meer te eten?’ ‘Ach, krijgt u niets meer te eten?’ vroeg de kok. ‘Mijn schaaltjes worden schoon opgediend.’ ‘En?’ ‘Ik sterf van de honger’, riep de meester uit. ‘Vorm is leegte, leegte is vorm’, verklaarde de kok. De maag van de meester knorde instemmend. ‘Aldus heb ik vernomen’, voegde de kok eraan toe.

Eindelijk ging de meester een lichtje op. ‘Eieren’, riep hij watertandend. De kok ging meteen aan de slag.

Schrappen

Kennismakingsgesprek

Monnik: Waar liggen uw wortels?

Meester: In de keuken.

Monnik: Ik bedoel, aan wie bent u schatplichtig?

Meester: Lenen is voor behoeftigen.

Monnik: Wat kunt u mij aanbevelen?

Meester: Wortels schrappen.

Monnik: Waarvoor?

Meester: Hutspot.

Miskleunen

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Wat heb ik dan verkeerd gedaan?

Meester: Denken dat je iets verkeerd kan doen.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Alsof je iets verkeerd kan doen.

Meester: Nou denk je weer van niet.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Ik denk niet dat je iets of niets verkeerd kan doen.

Meester: Wat denk je allemaal niet.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Maar ik dacht helemaal niets.

Meester: Nou denk je weer dat je niet moet denken.

Jaren later

Meester: Ik zou je zestig stokslagen moeten geven.

Monnik: Denkt u dat nou nog steeds?

Meester: Nou je het zegt.

Monnik: Wat?

Meester: Ik kan mezelf wel slaan.

Monnik: Denkt u nou nog steeds dat u iemand moet slaan?

Alle wijsheid op een stokje

Een monnik die zojuist was gearriveerd, meldde zich bij de meester. ‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg deze. De monnik klopte het stof van zijn pij en zei: ‘Ik ben op veertien heilige plaatsen geweest en dit is nummer vijftien.’ De meester zei: ‘Ik zou je achtenveertig stokslagen moeten geven maar ik zal ze je besparen.’ ‘Hoe bedoelt u?’ ‘Kilometervreter,’ riep de meester, ‘dat trekt maar rond, dat zeult maar mee.’ De monnik zei kalm: ‘Ik kan het iedereen aanraden.’

‘Wat heb je zoal geleerd?’ vroeg de meester nieuwsgierig. ‘Dat geen hond de boeddhanatuur heeft. Dat je een vos wordt als je het verkeerde antwoord geeft. Dat een meester wel zijn vinger mag opsteken maar een leerling niet. Dat ikzelf wel een baard heb maar mijn ware zelf niet. Dat je nooit met je tanden aan een tak moet gaan hangen. Dat ook een bloem de boeddhanatuur heeft. Dat je je kommetjes schoon moet houden. Dat een kar zonder wielen niet rijdt. Dat je niet lang genoeg kan zitten. Dat je in armoede moet leven, maar af en toe best een glaasje mag. Dat je een meester altijd begroet met een opgestoken vuist zodat hij je vingers niet kan afhakken. Dat je iedere ochtend iets aardigs tegen jezelf moet zeggen. Dat je nooit te vroeg naar de eetzaal moet gaan. Dat je beter als vos herboren kan worden dan als kat… Dat is het wel zo’n beetje.’

De meester zei: ‘Wat heb je van mij geleerd?’ ‘Dat u stokslagen spaart.’ De meester schoot in de lach en zei: ‘Wil je hier niet blijven? Ik zoek nog een jongste bediende.’ ‘Ik zou best willen,’ antwoordde de monnik, ‘maar ik heb nog drieëndertig heilige plaatsen te gaan.’

16. Een verkleedpartij

Yunmen zei: ‘De wereld is onmetelijk. Waarom rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?’

16 heilig gewaad

Het luiden van de geest

De tempelklok luidde. Een monnik zei: ‘Wat is dat nou?’

Iemand zei: ‘Een tempelklok.’ Iemand zei: ‘Het luiden van een tempelklok.’ ‘Het geluid van het luiden van een tempelklok.’ ‘Een geluid als van een tempelklok die geluid wordt.’ ‘Het geluid dat het gehoor produceert wanneer het door luchttrillingen geprikkeld wordt.’ ‘Het geluid dat het subject waarneemt wanneer zijn gehoor door luchttrillingen geprikkeld wordt.’ ‘Een illusie van het brein.’ ‘Een fenomeen in het bewustzijn zonder tegenhanger in de materiële werkelijkheid.’ ‘Een tijdelijke vorm in de eeuwige leegte.’ ‘Een signaal dat er iets staat te gebeuren.’ ‘Van wie en aan wie?’ ‘Van de meester aan de monniken.’ ‘Van de meester aan de geest, zal je bedoelen.’ ‘Van de geest aan de geest.’ ‘Zijn we al in bad geweest?’ ‘Misschien moeten we onze rituele gewaden wel aantrekken.’ ‘Ook dat is maar een gok.’ ‘Een sik is nog geen bok.’ ‘Een schoen is ook een sok.’

En zo ging het maar door.

Onze ware aard

De tempelklok luidde. Een monnik riep: ‘Eten!’ Een andere riep: ‘Bezoek!’ Een derde riep: ‘Speelkwartier!’ Iedereen begon door elkaar te schreeuwen. ‘Middagdutje!’ ‘Studeren!’ ‘Zitmeditatie!’ ‘Loopmeditatie!’ ‘Reciteren!’ ‘Spreekverbod!’ ‘Moord!’ ‘Brand!’ ‘Meester!’ ‘Boeddha!’ ‘Mara!’ ‘Karaoke!’ ‘Karma!’, ‘Seks!’ ‘Kippendijen!’ ‘Drank!’

De monniken rolden over de grond van het lachen. De tempelklok zweeg.

Uitgedrukt

Monnik: Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?

Meester: Als alles een uitdrukking is van het ene, dan ook het aantrekken van rituele gewaden zodra de tempelklok luidt.

Monnik: Verdraaid.

Meester: Maar wie zegt dat alles een uitdrukking is van het ene?

Het ene gat met het andere

Monnik: Als alles een uitdrukking is van het ene, dan ook het aantrekken van rituele gewaden zodra de tempelklok luidt.

Meester: Dan ook de vraag waarom je nog rituele gewaden zou aantrekken zodra de tempelklok luidt.

Monnik: Dan ook het negeren van het luiden van de tempelklok of het aantrekken van rituele gewaden zonder dat de tempelklok luidt.

Meester: Maar wie zegt dat alles een uitdrukking van het ene is?

Monnik: Waar zou het anders een uitdrukking van zijn?

Meester: Wie zegt dat alles ergens een uitdrukking van is?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: En wie zegt dat er zoiets is als het ene?

Monnik: Wou u beweren van niet?

Meester: En dat dan weer een uitdrukking van het ene noemen, zeker.

Monnik: Betrapt.

Meester: Ik denk dat ik de tempelklok maar eens ga luiden.

Monnik: Dan trek ik vast mijn rituele gewaden aan.

De nieuwe kleren van de meester

Nadat de tempelklok had geluid, trokken de monniken zo snel mogelijk hun rituele gewaden aan en verzamelden zich in de meditatiehal. Tot hun verbazing was de meester nog niet aanwezig, terwijl deze gewoonlijk als een van de eersten de hal betrad.

Tien minuten nadat de laatste monnik was verschenen, arriveerde eindelijk de meester. In plaats van rituele gewaden of een alledaagse pij droeg hij zijn adamskostuum.

De hoofdmonnik improviseerde: ‘Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?’

De monniken keken hem verbaasd aan, maar toen de hoofdmonnik zich begon uit te kleden, volgden ze blozend zijn voorbeeld. Ongemerkt sloop de meester weg.

Niet veel later luidde de tempelklok opnieuw en maakte de meester voor de tweede keer zijn opwachting, ditmaal in vol ornaat onder de spiernaakte, bibberende monniken.

Dubbelblind

Monnik: Is alles nou een uitdrukking van het ene of niet?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Waarom worden mensen toch zo blij van het idee dat alles een uitdrukking van het ene zou zijn?

Meester: Waarom wordt jij zo onrustig van het idee dat zij daar blij van worden?

Monnik: U niet dan?

Meester: Ik word er niet warm of koud van.

Monnik: Wat maakt het tenslotte uit, wou u zeggen.

Meester: Wat maakt het uit of het wat uitmaakt, zou ik zeggen.

Monnik: Ik bedoel, of je nou rituele gewaden aantrekt of naaktloopt.

Meester: Pardon?

Monnik: Ik zie het verschil niet.

Meester: Arme jongen.

Monnik: Bedoelt u dat er toch verschil is?

Meester: Arme jongen.

Kloostermoppen

Monnik: Als de leer overal is, waarom zitten we dan in een klooster?

Meester: Als de leer overal is, waarom niet?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Maar wie zegt dat de leer overal is.

Monnik: In plaats van?

Meester: Nergens bijvoorbeeld.

Monnik: Als de leer nergens is, waarom zitten we dan in een klooster?

Meester: Als de leer nergens is, waarom niet?

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Maar wie zegt dat de leer nergens is.

Monnik: In plaats van?

Meester: Overal bijvoorbeeld.

Monnik: Als de leer overal en nergens is, wat dan?

Meester: Wat niet.

Monnik: En als de leer overal noch nergens is?

Meester: Wat dan?

Monnikenwerk

Maandag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Men?

Dinsdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Wereld?

Woensdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Terugtrekken?

Donderdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Realisatie?

Vrijdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Zie er maar eens uit te komen.

Zaterdag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Zie er eerst maar eens in te komen.

Zondag

Monnik: Men moet zich uit de wereld terugtrekken om tot realisatie te komen.

Meester: Realisatie maakt deel uit van de wereld.

Doodvragen

Monnik: Waarom rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?

Meester: Omdat X.

Monnik: Waarvoor staat X?

Meester: Wat maakt het uit.

Monnik: Want dat was de vraag.

Meester: Want dat was de eerste vraag.

Monnik: Wat is de tweede vraag?

Meester: Waarom X?

Monnik: Waarom zou je dat willen weten?

Meester: Anders weet je nog niks.

Monnik: Wel, waarom X?

Meester: Omdat Y.

Monnik: Waarom Y?

Meester: Omdat Z.

Monnik: Dit noem ik nou dooddoen.

Meester: Dit noem ik nou doodvragen.

Monnik: Waarom doodvragen?

Meester: Omdat X.

het regressieprobleem

17. Wie roept daar?

Driemaal riep de staatsleraar zijn bediende en driemaal gaf deze antwoord. De staatsleraar zei: ‘Ik dacht dat ik jou liet zwemmen maar jij liet mij zwemmen.’

17 driemaal is scheepsrecht

Baantjes trekken

Schoolslag

Driemaal riep de staatsleraar zijn bediende en driemaal gaf deze antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Borstslag

Driemaal riep de staatsleraar zijn bediende en driemaal gaf deze geen antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Rugslag

Driemaal riep de staatsleraar zijn bediende niet en driemaal gaf deze antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Vlinderslag

Driemaal riep de staatsleraar zijn bediende niet en driemaal gaf deze geen antwoord. Wie liet wie zwemmen?

Terugslag

Viermaal stel ik een vraag en viermaal geef jij geen antwoord. Wie laat wie zwemmen?

Uitstel en afstel

Soetra’s

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwemmen!

Boeddha: Ze laten ons liever zwammen.

Shastra’s

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwemmen!

Boeddha: We laten ze liever zwammen.

Sangha’s

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwammen!

Boeddha: Ze laten ons liever zitten.

Zazen

Bodhisattva: Wij laten de mensen niet zwammen!

Boeddha: We laten ze liever zitten.

Lees ook: Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand.

Binnen

Bodhisattva: U hebt uw schaapjes tenminste op het droge.

Boeddha: Die is gek.

Bodhisattva: Wat dan?

Boeddha: Ik heb ze leren zwemmen.

Een een twee

Driemaal riep de staatsleraar zijn bediende en driemaal gaf deze antwoord. Niet veel later begon Wu, de kloosterhond, te blaffen. Wel driehonderd keer maar niemand reageerde. Pas toen hij hartverscheurend begon te janken ging de bediende maar eens poolshoogte nemen.

Wu zat aan de voeten van de staatsleraar, die op zijn zij lag met zijn vuisten op zijn borst, zijn hals gestrekt, zijn gezicht blauw, zijn mond en ogen wijd opengesperd.

Driemaal krijste de bediende en driemaal gaf de staatsleraar geen antwoord.

Wiegeliedje

Driemaal zei de staatsleraar tegen zichzelf: ‘Wel wakker blijven, hè’, en tweemaal antwoordde hij gapend: ‘We doen ons best.’

De derde keer gaf de staatsleraar geen antwoord meer – waren ze toch in slaap gevallen.

Selfies

‘Bediende?’

‘Meester?’

‘Bediende?’

‘Meester?’

‘Bediende?’

‘Meester?’

‘Hoorde jij ook iemand roepen?’

‘Hoorde u ook iemand roepen?’

‘Ik hoopte dat jij het was.’

‘Ik hoopte dat u het was.’

‘Wie zou het anders zijn?’

‘Ik denk dat wij het zijn.’

‘Nou hoor ik het weer.’

‘Dan was ik het inderdaad zelf.’

‘Dan was het toch iemand anders.’

Eénzaam

Zachtjes, zodat niemand hem kon horen, zong de monnik:

‘Ik wou dat ik twee zelfjes was,
dan kon ik met mij spelen.’

Vrij naar Friedrich Torberg:

ich möchte alles, was ich fühl, nicht fühlen
und ganz allein sein … Nein, nicht ganz allein:
ich möchte gern zwei kleine Hunde sein
und miteinander spielen

18. Drie pond vlas

Toen een monnik weer eens vroeg: ‘Wat is Boeddha?’ antwoordde meester Dongshan: ‘Drie pond vlas.’

18 3 pond vlas 2

Groen als gras

Monnik: Een boeddha is drie pond vlas.

Meester: En wat is dat meer dan gras?

Monnik: Gewas van een mensenras.

Meester: De kosmos als stromatras?

Monnik: De mens is een spiegelglas.

Meester: Een zwever van edelgas.

Monnik: Een leer en een messias.

Meester: Een wonder dat nimmer was.

Gebroken glas

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Een oud karkas.

Monnik: Van mensenvlees?

Meester: Een soort van as.

Monnik: Wat is zijn geest?

Meester: Jouw vuile was.

Monnik: En wat ben ik?

Meester: Geen drie pond vlas.

Geen kompas

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Obesitas.

Monnik: Wat is dharma?

Meester: Een gasmoeras.

Monnik: Wat bent u?

Meester: Een lege tas.

Monnik: Wat maakt dat mij?

Meester: Een droge plas.

Geen goeie vraag

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Wat maakt het uit.

Monnik: Daar vraagt u me wat.

Meester: Wat maakt jou uit?

Monnik: Wie ben ik zelf?

Meester: Een goeie vraag.

Monnik: En ’t antwoord luidt?

Meester: Een goeie vraag.

Monnik: En wie bent u?

Meester: Jouw nederlaag.

Geen goed antwoord

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Iemand die zich dat niet meer afvraagt.

Dharma

Wat weegt meer, een kilo lucht of een kilo leer?

Tot in het oneindige

Monnik: Hoe zou u uw leer samenvatten?

Meester: Mijn leer is gelijk aan de samenvatting ervan.

Monnik: En waaraan is die gelijk?

Meester: Aan de samenvatting daar weer van.

Monnik: Enzovoort?

Meester: Tot in het oneindige.

Monnik: Dat moet dan wel een hele korte samenvatting zijn.

Meester: Tja.

Monnik: Nou?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Monnik: Hoe?

Meester: …

Monnik: Op die manier.

Lees ook: Meester Tja en de tao van tja.

Serendipiteit

Monnik: Hoe zou u uw leer samenvatten?

Meester: Zeg jij het maar.

Monnik: Alle gedachten zijn grondeloos.

Meester: Deze gedachte dan ook.

Monnik: Alle verstaan is misverstaan.

Meester: Dit verstaan dan ook.

Monnik: Geloof niets.

Meester: Dit dan ook niet.

Monnik: De Waarheid is voorbij de woorden.

Meester: Waarheid is een woord.

Monnik: De Wijsheid voorbij alle Wijsheid…

Meester: Is voorbij? Is niet wijs?

Monnik: De kennis zonder leraar…

Meester: Is als een leraar zonder kennis?

Monnik: Ik geef het op.

Meester: Niet slecht.

19. De gewone geest is de weg

Zhaozhou zei: ‘Wat is de weg?’ Nanquan antwoordde: ‘De gewone geest is de weg.’ ‘Dan zal ik me daaraan vasthouden.’ ‘Als je je eraan vasthoudt raak je ervan gescheiden.’ ‘Dat snap ik niet.’ ‘De weg is geen kwestie van begrijpen of niet-begrijpen. Begrip is maar een tekening, onbegrip is maar een vel papier. De weg is als de ruimte zelf: helder en leeg, goed noch slecht.’

Ruimtevaarders

Monnik: Wat is de weg?

Meester: Waarheen?

Monnik: Bedoelt u dat we er al zijn?

Meester: Waar?

Monnik: Bedoelt u dat we niet zijn?

Meester: Wat?

Monnik: Is vragen de weg?

Meester: Waarheen?

Monnik: Of zijn we al onderweg?

Meester: Wie?

Monnik: Wat is de weg?

Geestig

Monnik: De gewone geest is de weg.

Meester: Reactionaire opvatting.

Monnik: Wat zou u zeggen?

Meester: De gewone geest is weg.

Monnik: Wat is ervoor in de plaats gekomen?

Meester: Is hij er ooit geweest?

Monnik: De oorspronkelijke geest? De grote geest? De universele geest? De weetnietgeest? De algeest? De lege geest?

Meester: Die zijn er allemaal geweest.

Monnik: Geen-geest is de weg?

Meester: Ook weg.

Monnik: En dat zou de weg zijn?

Meester: Weg is weg.

Monnik: Wonderlijk zeg.

Meester: En zo gewoon.

Verder nabij

Aan allen die de gewone geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de oorspronkelijke geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de grote geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de universele geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de weetnietgeest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de algeest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die de lege geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan allen die geen-geest hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan alleen die het verder gaan hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij!

Aan alleen die het voorbijgaan hebben gerealiseerd:
Verder, verder, almaar verder, zelfs het voorbijgaan voorbij!

Verder, verder! Reistips voor spirituele zoekers

Gewoonweg

Meester: Wat is de weg?

Monnik: De gewone geest is de weg.

Meester: Moet je je eraan vasthouden?

Monnik: Als je eraan vasthoudt raak je ervan gescheiden.

Meester: Is vasthouden soms niet de weg?

Monnik: Raak je er dan niet van gescheiden?

Meester: Is dat soms niet de weg?

Monnik: Hoe kun je er dan nog van gescheiden raken?

Meester: Waarvan?

Monnik: Van de gewone geest.

Meester: Wat is de gewone geest?

Schijnwaan

Monnik: De weg is geen kwestie van weten of niet-weten.

Meester: Jij kan het weten of niet-weten.

Monnik: Weten is een illusie…

Meester: Weet je dat of is het een illusie?

Monnik: En niet-weten is domheid.

Meester: Is dit domheid of niet-weten?

Monnik: Wat denkt u?

Meester: Misschien is weten wel domheid en niet-weten een illusie.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien is weten domheid en niet-weten wijsheid.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien is weten wijsheid en niet-weten wijsheid zonder wijsheid.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien getuigt het van domheid om weten of niet-weten domheid te noemen.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien maakt het doorzien van de illusie wel deel uit van de illusie.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien getuigt het van domheid om onderscheid te willen maken tussen illusie en werkelijkheid, domheid en wijsheid, weten en niet-weten.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Misschien getuigt het van domheid om ieder onderscheid steeds maar ter discussie te stellen.

Monnik: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien getuigt het allemaal wel nergens van.

Monnik: Of overal van.

Meester: Of alleen maar van zichzelf.

Monnik: Of alleen maar van het zelf.

Meester: Of alleen maar van jezelf.

Monnik: Of is dat ook maar een gedachte?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Monnik: Of is dat ook maar een gedachte?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Monnik: Zullen we het ooit weten?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Monnik: Maar om dat nou domheid te noemen?

Meester: Maar om dat nou niet-weten te noemen?

Nooit gedacht, nooit gezwegen

Monnik: Niet-denken is de weg.

Meester: Zou je denken?

Monnik: De weg is als de ruimte zelf.

Meester: Was dat niet een categorie van het verstand?*

Monnik: De ruimte is helder en leeg.

Meester: Dan weer troebel en vol.

Monnik: De ruimte is goed noch slecht.

Meester: Maar heeft ruimte voor beiden.

Monnik: Waar niet gedacht wordt is alles weg.

Meester: Waar laten we dan zo gauw de weg?

Monnik: Waar niet gedacht wordt, heerst de gewone geest.

Meester: Waar de gewone geest heerst, wordt gedacht.

Monnik: Waar wordt er eigenlijk niet gedacht?

Meester: Niet-denken is zo weer weg.

* Bij Immanuel Kant

lees ook De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

Vrije oefening

Monnik: Wat is de weg?

Meester: Daar gaan we weer.

Monnik: Het leven van alledag is de weg.

Meester: Wat doe je dan hier?

Monnik: Oefenen natuurlijk.

Meester: Voor het leven van alledag?

Monnik: Klinkt belachelijk.

Meester: Ik wou het niet zeggen.

Monnik: Wat moet ik anders oefenen?

Meester: Wie zegt dat je moet oefenen?

Monnik: Wat doe ik hier anders?

Meester: Vragen stellen?

Monnik: Wat is dan de weg?

Meester: Jij met je weg.

Monnik: Ik wil wat doen.

Meester: Je doet niet anders.

Monnik: Dan wil ik wat laten.

Meester: Je kan niet anders.

Monnik: Wat laat ik dan?

Meester: Alles wat je niet doet.

Monnik: Dat is zowat alles.

Meester: En alles wat je doet.

Monnik: Ik laat alles wat ik doe?

Meester: Je laat het doen zijn gang gaan.

Monnik: Ik wil zelf wat doen.

Meester: Wat doe je eraan.

Monnik: Ik wil wat leren.

Meester: Leer dat dan maar af.

Monnik: Ik wil ergens heen.

Meester: Je bent al ergens.

Monnik: Ik wil hier weg.

Meester: Wat is de weg?

Monnik: Daar gaan we weer.

Dwaalgids

Maandag

Monnik: U bent de rijksweg naar…

Meester: Niemandsland.

Dinsdag

Monnik: U bent de koningsweg naar…

Meester: Troonsafstand.

Woensdag

Monnik: U bent de spoorweg naar de…

Meester: Dwarsligger.

Donderdag

Monnik: U bent de levensweg naar het…

Meester: Graf.

Vrijdag

Monnik: U bent de snelweg naar de…

Meester: File.

Zaterdag

Monnik: U bent de weg die…

Meester: Doodloopt.

Zondag

Monnik: U bent…

Meester: Jij bent…

Weg van de waarheid

Monnik: U bent de weg naar de waarheid.

Meester: Jij bent weg van de waarheid.

Monnik: U toch ook?

Meester: Ik leid weg van de waarheid.

Monnik: Naar de leugen zeker.

Meester: Ik leid weg van de leugen.

Monnik: U leidt weg van de waarheid en van de leugen?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Waar leidt dat heen?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de wijsheid zonder wijsheid?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de wijsheid voorbij alle wijsheid?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de eeuwigheid?

Meester: Ik leid overal van weg.

Monnik: Naar de stilte?

Meester: …

Monnik: U kunt toch wel íets zeggen?

Meester: Jij bent wég van de waarheid.

Monnik: Ik ben op weg naar de waarheid.

Meester: Het houd je weg van de waarheid.

20. Een sterke man

Meester Songyuan vroeg: ‘Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?’ Hij zei ook: ‘Het is niet de tong waarmee de sterke man spreekt.’

20 spreken zonder tong

De vrije hand

Maandag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij eraan vastzit.

Dinsdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij dan omvalt.

Woensdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat ze hém optillen.

Donderdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat het vanzelf gaat.

Vrijdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat ze niet van hem zijn.

Zaterdag

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Waarom stelt een zwakke man andermans vragen?

Zondag

Monnik: Hè hè.

Meester: Poe poe.

Monnik: Effe de benen strekken.

Meester: Effe zitten.

Hoofdbrekens

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Omdat hij nergens zijn hand voor omdraait.

Monnik: Waarom draait hij nergens zijn hand voor om?

Meester: Omdat hij zich nergens het hoofd over breekt.

Monnik: Waarom breekt hij zich nergens het hoofd over?

Meester: Omdat hij het al overal over gebroken heeft.

Monnik: Wat als je overal het hoofd over gebroken hebt?

Meester: Dan hoef je je benen niet meer op te tillen.

Topzwaar

Monnik: Waarom tilt een sterke man zijn benen niet op?

Meester: Hoezo tilt een sterke man zijn benen niet op?

Monnik: Dat staat in koan twintig van de Poortloze Poort.

Meester: Dat maakt het nog niet waar.

Monnik: Is het waar dat een sterke man zijn benen niet optilt?

Meester: Waarom vraag je dat aan mij?

Monnik: Waarom vraag ik het aan u?

Meester: Omdat je niet op eigen benen kan staan.

Monnik: Waarom kan ik niet op eigen benen staan?

Meester: Laat staan dat je ze optilt.

Etalagebenen

Monnik: Waarom tilt de verlichte zijn benen niet op?

Meester: Omdat het niet uitmaakt.

Monnik: Waarom maakt het niet uit?

Meester: Omdat hij toch niet bij de grond kan.

Monnik: Waarom kan hij toch niet bij de grond?

Meester: Omdat hij erboven zweeft.

Monnik: Waarom zweeft hij erboven?

Meester: Omdat hij denkt dat hij verlicht is.

Monnik: Zelf denk ik niet dat ik verlicht ben.

Meester: Zwever.

Monnik: Ik denk ook niet dat ik niet verlicht ben.

Meester: Zwever.

Monnik: Wat had ik dan moeten zeggen?

Meester: Zie je wel?

Monnik: Had ik zeker moeten zwijgen.

Meester: Zwever.

Beentje lichten

Monnik: Waarom tilt een hond bij het plassen zijn poot niet op?

Meester: Zo gaat dat in de boeddhanatuur.

Monnik: Ik dacht dat u ‘Wu’ zou zeggen.

Meester: Wat ben ik, een aap?

Monnik: Ik dacht dat u ‘Wat ben ik, een hond?’ zou zeggen.

Meester: Wat ben ik, een leraar?

Monnik: Maar waarom tilt een hond bij het plassen zijn poot niet op?

Meester: Omdat hij een zij is.

Monnik: Waarom zei u niet ‘Zo gaat dat in de boeddhanatuur’?

Meester: Zo gaat dat in de boeddhanatuur.

De lege

Monnik: Geef me alstublieft een hint.

Meester: Welke leer laat zich zelfs met een knoop in je tong nog uitdrukken?

Monnik: Tja.

Meester: O, kende je hem al.

21. Poep op een stokje

Een monnik zei: ‘Wat is boeddha?’ Meester Yunmen antwoordde: ‘Een schijtstok.’

21 poep boeddha

Steile vlaktes

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Poep op een stokje.

Monnik: Bedoelt u dat zelfs het geríngste deel uitmaakt van het alomvattende?

Meester: Wat heet het geringste.

Monnik: Bedoelt u dat het geringste niet onderdoet voor het allerhoogste?

Meester: Wat heet het allerhoogste.

Monnik: Het ene. Het oneindige. De geest. De leegte. Het ware zelf.

Meester: Poep op een stokje.

Lijkenprikker

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Alle wijsheid op een stokje.

Monnik: Meent u dat nou?

Meester: Alle ernst op een stokje.

Monnik: Alle gekheid op een stokje, was het toch?

Meester: Gekheid kan wel zonder stokje.

Nirwana

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Job op de mestvaalt.

Monnik: Omdat hij niets meer over heeft?

Meester: Zelfs dat is hij kwijt.

Monnik: En dat zou boeddha zijn?

Meester: Zelfs dat is hij kwijt.

Monnik: Wat is boeddha zonder boeddha?

Koningkeizerprinsentaal

Monnik: Wat is boeddha?

Meester: Is boeddha?

Monnik: Is boeddha…

Meester: Boeddha?

Monnik: U weet wel.

Meester: Wie?

Monnik: U.

Meester: Wat?

Monnik: Shit.

Meester: Ik?

Monnik: Stik.

Meester: Shitstick.

Monnik: Wat bent u nou voor leraar.

Meester: Ben ik een leraar?

Monnik: Daar ben ik steeds van uitgegaan.

Meester: Ben ik?

Monnik: Hoe onderscheid je bonafide leraren van malafide?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Pardon?

Meester: Stront is stront.

Monnik: Maar de Gezegende dan?

Meester: Het blijft een kont.

Monnik: Wát?

Meester: Een gát.

Monnik: Een mond, zult u bedoelen.

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Uit een verheven mond komen verheven woorden.

Meester: Lucht is lucht.

Monnik: De hoogste waarheid…

Meester: Een loos gerucht.

Monnik: Verwijst u naar de leegte?

Meester: Ik zie het verschil niet.

Monnik: Wat als je het verschil niet ziet?

Meester: Boeddha.

Hoelang wat

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Wat is een boeddha.

Monnik: Wat?

Meester: Hoelang is een Chinees.

Monnik: Een mop met een baard.

Meester: Beter dan een mop in je baard.

Monnik: Wat is een mop in je baard?

Meester: Boeddhisme is een mop in je baard.

Monnik: Wát?

Meester: Wat is een boeddha.

Een gouden scepter

Monnik: Wat is een schijtstok?

Meester: Een houtje om de poep van je kont te schrapen.

Monnik: Wat is een boeddhastok?

Meester: Een houtje om de leer uit je kop te schrapen.

Monnik: Welke leer?

Meester: Elke leer.

Monnik: Behalve de lege leer zeker.

Meester: Weg ermee.

Monnik: Wat is een boeddha?

Meester: Iemand met een schone kop en een schone kont.

Monnik: En zijn mond?

Meester: Is er vol van.

Monnik: En zijn hart?

Meester: Stroomt ervan over.

Tip: De lege leer.

22. Vlag zonder lading

Ananda zei: ‘Boeddha liet u een goudbrokaten gewaad na, maar verder?’ Mahakashyapa antwoordde: ‘Ananda.’ ‘Ja.’ ‘Haal mijn vlaggenstok bij de poort ook maar weg.’

22 vlaggenmast

Een poortloos oord

Ananda: Boeddha liet u een goudbrokaten gewaad na, maar verder?

Mahakashyapa: Boeddha liet u een naam na, maar verder?

Ananda: Noem me dan maar Jan.

Mahakashyapa: Jan en alleman.

Jan: Hoe komt u eigenlijk aan uw naam?

Mahakasyapa: Noem me dan maar Jaap.

Jan: Jaap Aap.

Jaap: Nood Miesj.

Jan: Van wie kreeg Boeddha eigenlijk zijn naam?

Jaap: Ik noem hem altijd Bob.

Jan: Wie is de Bob?

Jaap: We zijn allemaal de Bob.

Jan: En dat goudbrokaten gewaad?

Jaap: Heb je het weleens van dichtbij bekeken?

Jan: Nou?

Jaap: Allemaal mottengaten.

Jan: Sunyata.

Jaap: Vorm is leegte, leegte is vorm.

Jan: We mogen nou eenmaal geen motten doden.

Jaap: Misschien geeft de lompenboer er nog wat voor.

Jan: Maken ze papier van.

Jaap: Schrijven ze soetra’s op.

Jan: Leven papiervisjes van.

Jaap: We mogen nou eenmaal geen papiervisjes doden.

Jan: Jammer voor de exegeten.

Jaap: Wie wil er nou woorden eten.

Jan: Zal ik je vlaggenmast bij de poort ook maar weghalen?

Jaap: Haal de poort ook maar weg.

Slapstick

Monnik: Wat heeft het boeddhisme u gebracht?

Meester: Een goudbrokaten rakusu.

Monnik: Een slabbetje.

De meester haalde zijn schouders op.

Monnik: En verder?

De meester sloeg zijn ogen neer.

Monnik: Wat een giller.

Meester: Hier heb je mijn goudbrokaten rakusu.

Monnik: Ik loop nog liever in mijn blote kont.

Meester: Wat heeft het boeddhisme jou gebracht?

Monnik: Een meester die mij zijn slabbetje probeert te slijten.

Meester: En verder?

Monnik: Hij maakt geen schijn van kans.

Meester: Dan was het niet voor niks.

Poppenkast

Monnik: Wat heeft het boeddhisme u gebracht?

Meester: Een goudbrokaten rakusu.

Monnik: Wat een giller.

Meester: Wil jij hem?

Monnik: Geen schijn van kans.

Meester: Dan was het niet voor niks.

Monnik: Allemaal poppenkast.

Meester: Dan kun je die rakusu net zo goed aannemen.

Monnik: Hoezo?

Meester: Is weigeren soms geen poppenkast?

Monnik: Ik trap er echt niet in.

Meester: Dan was het toch voor niks.

Non

Monnik: Ziet u uzelf als een boeddha?

Meester: Beslist niet.

Monnik: Waarom niet?

Meester: Omdat ik dan geen boeddha meer zou zijn.

Monnik: Ziet u uzelf als een non-boeddha?

Meester: Non, monnik, mij is het om het even.

Monnik: Waarom?

Meester: Alleen zo kan ik een boeddha zijn.

Sint en Zent

Monnik: Wie is Sinterklaas?

Meester: Een goeroe voor kinderen.

Monnik: Wie is Zenterklaas?

Meester: Een goeroe voor volwassenen.

Monnik: Waarvoor staat de eerste?

Meester: Waardering voor de vorm.

Monnik: Waarvoor staat de tweede?

Meester: Waardering voor de leegte.

Monnik: Waarvoor staat u zelf?

Meester: Ik sta gewoon voor niets.

Monnik: Bedoelt u soms het niets?

Meester: Het niets, dat zegt me niets.

Monnik: Dan ben ik hier voor niets.

Meester: Dat staat nog te bezien.

Beeldenstorm

Want alles is maar een denkbeeld

Monnik: De Boeddha is maar een boeddhabeeld.

Meester: Of is dat ook maar een boeddhabeeld.

Monnik: De wereld is maar een wereldbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een wereldbeeld.

Monnik: De mens is maar een mensbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een mensbeeld.

Monnik: Het lichaam is maar een lichaamsbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een lichaamsbeeld.

Monnik: De hersens zijn maar een hersenbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een hersenbeeld.

Monnik: De ziel is maar een zielenbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een zielenbeeld.

Monnik: Ikzelf ben maar een zelfbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een zelfbeeld.

Monnik: Want alles is maar een denkbeeld.

Meester: Of is dat ook maar een denkbeeld.

Monnik: Of is dat ook maar een denkbeeld.

Meester: Boeddha mag het weten.

Boeddhabeelden

Of is dat ook maar een denkbeeld?

Monnik: Een boeddhabeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een boeddhabeeld.

Monnik: Een wereldbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een wereldbeeld.

Monnik: Een mensbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een mensbeeld.

Monnik: Een lichaamsbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een lichaamsbeeld.

Monnik: Een hersenbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een hersenbeeld.

Monnik: Een zielenbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een zielenbeeld.

Monnik: Een zelfbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een zelfbeeld.

Monnik: Een denkbeeld is ook Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een denkbeeld.

Monnik: Want alles is Boeddha.

Meester: Of is dat ook maar een boeddhabeeld.

Verder lezen: Denkbeeldenstorm!

23. Klopjacht

Eens, lang geleden, werd de zesde zenpatriarch Dajiang Huineng achternagezeten door de monnik Datong Shenxiu, helemaal tot op de berg Zhiru.

Toen de toekomstige patriarch de monnik aan zag komen, legde hij het kleed en de bedelnap die Hongren, de vijfde zenpatriarch, aan hem had overgedragen op een steen en zei: ‘Dit gewaad staat voor vertrouwen, niet voor strijd. Als u het per se wilt hebben, neem het dan maar.’

De monnik probeerde het op te tillen maar kreeg er geen beweging in, het was zo zwaar als een berg. Beschaamd riep hij uit: ‘Ik kom voor de leer, niet voor het kleed. Geef mij onderricht alstublieft.’

De toekomstige patriarch vroeg: ‘Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment het ware gezicht van de monnik Shenxiu?’

Bij deze woorden ging de monnik een lichtje op. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en boog. Hij vroeg: ‘Is er behalve de geheime woorden en betekenissen die u mij zojuist hebt onthuld nog iets anders, iets diepers wellicht?’

De toekomstige patriarch antwoordde: ‘Wat ik je heb verteld is geen geheim. Er is niets diepers dan je ware zelf.’

De monnik zei: ‘Jarenlang heb ik bij onze meester Hongren gezeten zonder mijn ware zelf te realiseren. Door uw onderricht weet ik nu dat een man die zich laaft aan de bron zelf ogenblikkelijk voelt of het water koud of warm is. Lekenbroeder, hierbij verklaar ik u tot mijn meester.’

De toekomstige patriarch antwoordde: ‘Zo u wilt, maar laten we Hongren onze meester blijven noemen en koester alleen hetgeen u zelf hebt gerealiseerd.’

23 fout goed berg

Windjammer

De meester werd weer eens achternagezeten door een monnik. ‘Hier die pij!’ riep de monnik toen hij hem bijna had ingehaald. De meester liet zijn pij op de grond vallen zonder zijn pas in te houden en vervolgde piemelnaakt zijn weg.

De monnik sloeg gauw het goudbrokaten gewaad van de meester om en holde hem weer achterna. ‘Uw leer of uw leven!’ schreeuwde hij. ‘Mijn leer dan maar’, antwoordde de meester, boog voorover en liet een wind.

Als de monnik op dat moment het licht had gezien, was dit misschien de openingskoan geworden van de tijdloze collectie ‘De nieuwe kleren van de keizer’, maar de eloquentie van de meester was aan deze monnik niet besteed. ‘Uw leven!’ juichte hij en trok zijn zwaard.

‘Je kan mijn leven nemen maar ik kan het je niet geven’, redeneerde de meester tussen zijn benen door. De monnik slaakte een kreet, stak zijn zwaard terug in zijn gevest en maakte rechtsomkeert.

De meester slaakte een zucht, kwam hand over hand omhoog en vervolgde aangeslagen zijn weg. De gedachte dat het nog lang zou duren eer de monnik zelf achternagezeten zou worden, troostte hem niet.

Het zware zelf

De meester dacht weer eens dat hij achtervolgd werd. Toen hij een monnik aan zag komen legde hij zijn kleed op een steen en zei: ‘Dit gewaad staat voor het ware zelf, niet voor strijd. Als je het per se wil hebben, neem het dan maar.’

De monnik zei: ‘Het ware zelf is mij te zwaar en met strijd heb ik geen affiniteit, maar het is een mooi kleed, daar zeg ik geen nee tegen.’ Welgemoed propte hij het gewaad in zijn ransel.

De meester keek hem met open mond aan. ‘Het tocht hier,’ zei de monnik, ‘vat maar geen kou’, en gaf zijn ezel de sporen.

Bergrede

De meester dacht weer eens dat hij achtervolgd werd. Toen hij een monnik aan zag komen, riep hij: ‘Kom je voor de leer of voor het kleed?’ ‘Ik zie het verschil niet’, riep de monnik. ‘Omdat ze één zijn’, riep de meester. ‘Ik zie de overeenkomst niet’, riep de monnik en liep de meester straal voorbij. ‘Leegte kun je niet zien’, riep de meester hem na. ‘Jodelahiti’, deed de monnik, en de bergen jodelden mee.

Streefgewicht

De meester legde zijn kleed op een steen en zei: ‘Als je het op kan tillen is het van jou.’ De monnik zei: ‘Alles is van mij, wat moet ik met een pij?’

Leeggewicht

De meester legde zijn kleed op een steen en zei: ‘Als je het op kan tillen is het van jou.’ De monnik zei: ‘Niets is van mij, laat staan zo’n vieze pij.’

Tegenwicht

De meester legde zijn gewaad op een steen en zei: ‘Als je het op kan tillen is het van jou.’ De monnik wees naar een berg en zei: ‘Als u hem op kan tillen is hij van u.’

Transpiratie en transcendentie

De meester zei: ‘Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment je ware gezicht?’

Bij deze woorden ging de monnik een lichtje op. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en zei met opgetrokken schouders: ‘Is er behalve de geheime woorden en betekenissen die u mij zojuist hebt onthuld nog iets anders, iets diepers wellicht?’

De meester zweette over heel zijn lichaam, weende en haalde zijn schouders op.

Eeuwige beginnersfout

1.

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment uw ware gezicht?

Meester: In tegenstelling tot?

Monnik: Uw onware gezicht zou ik zeggen.

Meester: Fout.

2.

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout of waar en onwaar, wat is op dit moment uw ware gezicht?

Meester: Waarom niet in termen van goed en fout?

Monnik: Dat zou niet juist zijn.

Meester: Onjuist.

3.

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout of waar en onwaar of juist en onjuist, wat is op dit moment uw ware gezicht?

Meester: Mis.

Met zonder

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van waar of vals, wat is op dit moment je ware gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van zonder en met, wat is op dit moment je ware gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken, wat is op dit moment je ware gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen, wat is er op dit moment?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen, wat is dit moment?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen, wat is een gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van jouw en mijn, wat is wiens gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Zonder te denken in termen van waar of wanneer, waar is op dit moment je gezicht?

Jaren later

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Ik geef het op.

Bij deze woorden werd de monnik verlicht.

Gezichtsbedrog

Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?

Meester: Waarom zou je niet denken in termen van goed en fout?

Monnik: Wat als ik op dit moment denk in termen van goed en fout?

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: En als ik op dit moment niet denk in termen van goed en fout?

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: Is je ware gezicht dan niet steeds hetzelfde?

Meester: Zou je denken?

Monnik: Wis en zeker.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: En als ik had gezegd van niet?

Meester: Dan was dat op dat moment je ware gezicht.

Monnik: Is je ware gezicht wat zich op dit moment voordoet?

Meester: Zou je denken?

Monnik: Anders zou ik het niet zeggen.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: Maar wat is je ware gezicht nou echt?

Meester: In plaats van?

Monnik: Ik móet het weten.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Monnik: Als het steeds verandert, waarom zou ik het dan nog mijn ware gezicht noemen?

Meester: Waar mensen zich al niet druk over maken.

Monnik: Hoe zou u het noemen?

Meester: Wat noemen?

Monnik: Ik kan me niet voorstellen dat dit mijn ware gezicht is.

Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.

Symbologica

Monnik: Ik kom voor de leer, niet voor een kleed.

Meester: Mij is het om het even.

Monnik: De leer heeft geen kleed nodig.

Meester: Een kleed ook geen leer.

Monnik: Maar een kleed is slechts een symbool.

Meester: De leer zeker niet.

Monnik: Waarvoor staat de leer symbool?

Meester: Symbolisch denken.

Monnik: Wat is niet-symbolisch denken?

Meester: Een kleed.

Monnik: Wat is een kleed?

Meester: Geen leer.

Monnik: Dit is dus niet uw leer?

Meester: Wat heet.

24. Lente

Een monnik vroeg: ‘Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?’ Meester Fengxue antwoordde: ‘Vaak denk ik terug aan de lente in Jiangnan. Er zongen patrijzen en de bloemen roken heerlijk.’

24 lente

Appelhappen

Monnik: Spreken is verdelen…

Meester: Spreek dan maar een appel in stukjes.

Monnik: En zwijgen is verenigen…

Meester: Zwijg ze dan maar weer aan elkaar.

Monnik: Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Vaak denk ik terug aan mijn jeugd in Appelscha. Mijn moesje maakte moes en de kaneel rook heerlijk.

Lees ook: Wat is non-dualiteit.

Tempelcomplexen

1.

De meester maakte met wat monniken een wandeling door de natuur. Bij een open plek in het bos riep een monnik: ‘Wat een schitterende locatie om een tempel te bouwen.’ De meester zei: ‘Al klaar.’

2.

De meester maakte met wat monniken een wandeling door de natuur. Bij een open plek in het bos riep een monnik: ‘Wat een schitterende locatie om een tempel te bouwen.’ De meester hurkte en deed zijn gevoeg. Beschaamd wendden de monniken hun blik af. De meester stond op en zei: ‘Al klaar’.

Ontsnappingskunstjes

1.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Al klaar.

2.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Mislukt.

3.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Stel eerst je vraag maar eens op die manier.

4.

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen. Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Door ze mogelijkheden te noemen.

Lees ook: De dans ontsprongen

Aas boven aas

Monnik: Spreken is verdelen en zwijgen is verenigen.

Meester: Je kan me nog meer vertellen.

Monnik: Hoe kunnen we aan deze beperkingen ontsnappen?

Meester: Door niet in dit soort aas te happen.

Monnik: Wat dacht u van veelzeggend zwijgen?

Meester: De geest zwijgt nooit.

Monnik: Wat is uw oplossing?

Meester: Nietszeggend spreken?

Monnik: Is dat verdelen of verenigen?

Meester: Je kan me nog meer vertellen.

Woorden in de wind

1.

Monnik: Spreken is relatief, zwijgen is absoluut; hoe kunnen we beide recht doen?

Meester: Relatief is spreken, absoluut is spreken.

Monnik: En zwijgen?

Meester: Ook.

Monnik: Hoe kunnen we alle drie recht doen?

Meester: Ook.

2.

Monnik: Spreken is vorm, zwijgen is leegte; hoe realiseren we de identiteit van vorm en leegte?

Meester: Vorm is spreken, leegte is spreken.

Monnik: En zwijgen?

Meester: Ook.

Monnik: Hoe realiseren we hun identiteit?

Meester: Ook.

3.

Monnik: Onderscheiden is illusie, niet onderscheiden is onwetendheid; wat nu?

Meester: Illusie is onderscheiden, onwetendheid is onderscheiden.

Monnik: En onderscheiden?

Meester: Ook.

Monnik: En verenigen?

Meester: Ook.

Monnik: Wat nu?

Meester: Ook.

Lees ook: Voorbij goed en kwaad.

Dus

1.

Monnik: Moeten wij over de grote zaak spreken of zwijgen?

Meester: Spreek erover en je zegt te veel, zwijg erover en je zegt te weinig.

Monnik: Dus?

Meester: Dus.

2.

Monnik: Moeten wij over de grote zaak spreken of zwijgen?

Meester: Spreek erover en je zegt te veel, zwijg erover en je zegt veel te veel.

Monnik: Dus?

Meester: Dus.

3.

Monnik: Moeten wij over de grote zaak spreken of zwijgen?

Meester: Spreken is afval, zwijgen is schroot.

Monnik: Dus?

Meester: Dus.

Zegen

Monnik: Spreken of zwijgen?

Meester: Sprijgen.

Monnik: Pardon?

Meester: Zweken dan maar.

Monnik: Hè?

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Tip: Dwaaltaal: de kunst van welsprekend niet-spreken.

Hero of Zero?

Wijsheid van een onderduiker

Leerling: Spreken of zwijgen?

Maezumi: Kampai.

Leerling: Soto of Rinzai?

Maezumi: Suntory.

Leerling: Zazen of Kinhin?

Maezumi: Johnny Walker.

Leerling: Vorm of leegte?

Maezumi: Hik.

Leerling: Douche of bad?

Maezumi: Blub.

Leerling: Sterfelijk of doodloos?

Maezumi: …


Hero: held

Zero: Japans vliegtuigtype bekend van zelfmoordmissies in de tweede wereldoorlog

kampai: Japans voor ‘proost’

Soto, rinzai: zenscholen

Suntory, Johnny Walker: whiskeymerken

Maezumi Roshi (Hakuyū Taizan Maezumi, 1931-1995) was dharmahouder in zowel de rinzailijn als de sotolijn en zenleraar van onder meer Bernard Tetsugen Glassman, John Daido Loori en Dennis Genpo Merzel™. Hij is beschonken in bad verdronken.

Lees ook: Voorbij goed en kwaad, Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand, Idolen van de zoeker.


Dit waren koans 13-24.

Koans 1-12, Koans 25-36, Koans 37-48