Het regressieprobleem

Wie schiep de schepper? Wie autoriseert de autoriteit? Wie controleert de controleur? Wat is de zin van de zin van het leven? Wat is de gedachte achter de achterliggende gedachte? Het regressieprobleem in de wijsbegeerte, de wetenschap en de wiskunde.

Lees ook: Brieven niet-weten, Denken, denken, denken, De lege leer, Metaforen voor niet-weten, Niet-weten als passe-partout, Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken, Verder, verder, reistips voor spirituele zoekers, Wat is niet-weten, Weetnietkunde, Zalig zijn de armen van geest, .

Zoek de poppenspeler

Meer niet-weten: Dwaalspreuken, Dwaaltaal, Dwijsheid, Eeuwige dwaasheid, Eufemismen voor niet-weten, Hans van Dam, De Intergalactische Waarheidsconferentie, Het lege geheim, Loflied op niet-weten, De Mont Fou, Pleinvrees, Wat is niet-weten.nl, Wat is spiritualiteit, Wegen naar de onbekende vraag, Zeg maar tja tegen het leven, Zoeken naar het einde van het zoeken.

Leve de regressie

Op deze pagina maak je kennis met het zogenaamde regressieprobleem. Wat is het precies, hoe manifesteert het zich in de wijsbegeerte, in de godsdiensten, in de wiskunde, in de wetenschappen, in de psychologie, in het leven van alledag?

Wat is regressieleer, wat is het verschil tussen eindige regressies, circulaire regressies (vicieuze cirkels) en oneindige regressies, wat is een regressor, een regressievraag, de regressieparadox? Hoe luidt het trilemma van Agrippa, wat is het verband tussen het regressieprobleem en het scepticisme?

Wat is definiëren, wat is het verschil tussen denotatie en annotatie, wat is eigenlijk een oorzaak, wat betekenen de Latijnse uitdrukkingen ignotium per ignotius en obscurium per obscurius?

Hoe logisch is de logica, hoe wetmatig zijn de wetten van ontoereikende grond, van de uitgesloten derde, van non-contradictie? Leiden deductie en inductie altijd tot geldige kennis? Wat is de waarde van het syllogisme als je daarmee kunt bewijzen dat je in je eigen broekzak past?

Als woorden woordenboeken zijn en gedachten gedachtewerelden, kan je dan nog wel communiceren? Kan je dan nog wel wetenschap bedrijven, wiskunde, logica, filosofie, theologie? Natuurlijk wel. Maar zonder inquisitie graag, wat speelser, wat lichtvoetiger en met een open geest.

Lees verder en al je vragen over het regressieprobleem zullen beantwoord worden, al je antwoorden bevraagd tot in het oneindige.
Leve de regressie!

Wat is het regressieprobleem?

Wie op zoek gaat naar filosofische, wetenschappelijke, religieuze of spirituele waarheid loopt vroeger of later vanzelf tegen het zogeheten regressieprobleem op. Dit probleem is in de westerse filosofie al bekend sinds Aristoteles (384-322 v. Chr.) onderzoek deed naar oorzakelijkheid.

Stel dat je wilt weten wat de oorzaak is van een zaak (gebeurtenis, verschijnsel, toestand), A, en je vindt een andere zaak, B, die A heeft veroorzaakt, dan dient zich al gauw de vraag aan naar de oorzaak C van B, gevolgd door de oorzaak D van C et cetera. Ziedaar in een notendop wat bekend is geworden als het regressieprobleem. Komt er een eind aan deze keten van oorzaken – is er een eerste oorzaak – dan spreken we van een eindige regressie, anders van een oneindige.

In de godsdiensten doet zich ook zo’n probleem voor. God heeft alles gemaakt, maar wie heeft God gemaakt? God heeft alles in beweging gezet, maar wie heeft God in beweging gezet? God heeft alles veroorzaakt, maar wat heeft God veroorzaakt? Het antwoord luidt gewoonlijk dat God de ongeschapen Schepper is, de onbewogen Beweger, de eerste Oorzaak. Dankzij deze gedachtesprong voorkomt de theoloog een oneindige regressie van steeds machtiger goden die geen begin heeft en dus geen benoembare of aanwijsbare almachtige kent. Dat is voor iedereen behalve misschien een mysticus-mathematicus als Pythagoras (572-500 v. Chr.) onverteerbaar, want wie van deze reeks moeten we in godsnaam aanbidden?

Een variatie op het antwoord dat God zelf de eerste oorzaak en ongeschapen schepper is, vinden we bij de filosoof-mysticus Spinoza (1632-1677). Die stelde dat God het geheel is, niets uitgezonderd, en dat het geheel zijn eigen oorzaak is en wel moet zijn ook, want als er iets buiten het geheel was dat het schiep, in beweging zette of veroorzaakte (of dat nog steeds doet) dan was het geheel niet het geheel. Dat lost meteen een tweede, voorwaartse regressie op, of moet ik zeggen progressie, namelijk de teleologische: wat is het doel van dit alles (het bestaan, het leven, de wereld, de kosmos), wat is het doel van dat doel enzovoort? Welnu, net zoals het geheel alleen zichzelf als oorzaak heeft en kan hebben, kan het geheel alleen zichzelf ten doel hebben, wat dat ook moge betekenen. Zou het iets anders ten doel hebben, iets buiten zichzelf, dan was het geheel immers niet langer het geheel. Zo is de leer van Spinoza oorzakelijkheidsleer en bestemmingsleer ineen, alfa en omega, geboorte en dood, begin en einde.

Veel volwassenen nemen genoegen met dit soort antwoorden, anderen niet. Ik behoor tot de laatsten. Nooit ben ik een oplossing van het regressieprobleem tegengekomen die mij bevredigde, en ik heb er zelf ook geen kunnen verzinnen. Is er eigenlijk wel een probleem of is het een artefact van de dualistische termen waarin het probleem zelf is gesteld? Ik heb geen idee, en dat is voor mij de oplossing. Wat is voor mij de oplossing? Geen idee meer hebben, alle ideeën loslaten, of moet ik zeggen kwijtraken, ophouden met de verklaringspraktijk, toegeven dat je het niet weet, ontdekken dat je het niet hoeft te weten als er al iets te weten valt, uitkomen voor je onwetendheid en vrolijk, zo veel vrolijker, lichter, luchtiger verder gaan. Verder naar ik weet niet waar geen verder of terug is. Of de verklaringspraktijk vrolijk voortzetten, maar dan met een kilootje zout; dat komt op hetzelfde neer.

Geen idee

‘Waarom deed ik dat?’

Zoeken naar de reden van de reden

In zijn godsdienstige en filosofische oervorm maakt het regressieprobleem misschien weinig indruk op je. Als je niet religieus of wijsgerig bent aangelegd, als je praktisch bent ingesteld, lijkt het een abstracte vraagstelling die maar beter in het mausoleum kan worden bijgezet. Maar het regressieprobleem heeft veel gezichten die je diepste overtuigingen op de proef stellen.

Wie alles gemaakt heeft, kan je misschien niet schelen, maar waarom jijzelf doet wat je doet waarschijnlijk wel. Waarom koos je juist deze partner, waarom stem je juist op deze politicus van deze partij, waarom ging je die opleiding doen, waarom schreeuwde je gisteren zo, wat beweegt je buurman om midden in de nacht te gaan jodelen, wat waren toch de motieven van de schurk, de terrorist, de held, de zelfmoordenaar?

Er zijn maar weinig mensen die niet de hele dag dit soort vragen stellen en erover speculeren. Ook hier ligt het regressieprobleem op de loer. Want welke reden je ook bedenkt, laten we zeggen, A, de vervolgvraag is meteen: Waarom A? En als het antwoord B luidt dan is de vervolgvraag: Waarom B, et cetera. En omdat je nou eenmaal niet aan de gang kunt blijven hou je een keer op, waarschijnlijk al bij A, B of C en blijft de laatste letter in je verhaal volledig onverklaard.

Als je verklaring toch doodloopt in het ongewisse, wat heb je dan helemaal gewonnen?

Een hopeloze zaak

Je kent de oorzaak niet, en mocht je die al weten te achterhalen dan ken je de oorzaak van de oorzaak niet.

Je kent het motief niet, en mocht je dat al weten te achterhalen dan ken je het motief achter het motief niet.

Je kent de betekenis niet, en mocht je die al weten te achterhalen dan ken je de betekenis van de betekenis niet.

Je kent de reden niet, en mocht je die al weten te achterhalen dan ken je de reden van de reden niet.

Je kent de functie niet, en mocht je die al weten te achterhalen dan ken je de functie van de functie niet.

Je kent de zin niet, en mocht je die al weten te achterhalen dan ken je de zin van de zin niet.

Je kent het probleem niet, en mocht je dat al weten te achterhalen dan ken je het probleem van het probleem niet.

Je kent de achterliggende gedachte niet, en mocht je die al weten te achterhalen dan ken je de gedachte achter de achterliggende gedachte niet.

De vele gezichten van het regressieprobleem

Op allerlei vlakken doen zich vicieuze cirkels en oneindige regressies voor.

Om een gedachte te rechtvaardigen moet je je beroepen op andere gedachten die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een filosofische stelling of een wiskundig theorema te rechtvaardigen moet je je beroepen op andere stellingen en theorema’s die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een wetenschappelijke wet of theorie te rechtvaardigen moet je je beroepen op algemenere wetten en theorieën die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een gebeurtenis te verklaren moet je je beroepen op oorzaken die op hun beurt verklaring behoeven.

Om een daad of handeling te verklaren moet je je beroepen op redenen en motieven die op hun beurt verklaring behoeven.

Om een algemeenheid1 te verklaren moet je je beroepen op doelen en functies die op hun beurt verklaring behoeven.

Om een opvatting of overtuiging te rechtvaardigen moet je je beroepen op fundamentelere opvattingen en overtuigingen die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een geloof of ongeloof te rechtvaardigen moet je je beroepen op een dieper geloof of ongeloof dat op zijn beurt rechtvaardiging behoeft.

Om een norm, waarde of ideaal te rechtvaardigen moet je je beroepen op algemenere normen, waarden en idealen die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een motto of principe te rechtvaardigen moet je je beroepen op hogere motto’s en principes die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een voorschrift of verbod te rechtvaardigen moet je je beroepen op algemenere voorschriften en verboden die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om een begrip te verklaren moet je het definiëren in termen die op hun beurt definitie behoeven.

Om een redenering te rechtvaardigen moet je je beroepen op een logica2 die op zijn beurt rechtvaardiging behoeft.

Om een hypothese te toetsen moet je je beroepen op een toetsingscriterium3 dat op zijn beurt toetsing behoeft.

Om een autoriteit4 te rechtvaardigen moet je je beroepen op hogere autoriteiten die op hun beurt rechtvaardiging behoeven.

Om het gebruik van natuurlijke taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je gebruik maken van natuurlijke taal.

Om het gebruik van symbolische taal voor het uitdrukken van kennis te rechtvaardigen moet je gebruik maken van een hogere symbolische taal of natuurlijke taal.

Om je kenvermogen5 te rechtvaardigen moet je gebruik maken van datzelfde kenvermogen.

  1. ‘de wereld’, ‘het leven’, ‘de mens’, ‘het denken’, ‘een organisatie’, ‘een organisme’, ‘een orgaan’, ‘een organel’ enzovoort (om nog maar te zwijgen over ‘een doel’, ‘een functie’ en ‘een verklaring’)
  2. tweewaardig, driewaardig, meerwaardig, discreet, fuzzy, intuïtionistisch, modaal, dialogisch, paraconsistent
  3. verifieerbaarheid, falsifieerbaarheid, meetbaarheid, nut, consistentie, coherentie, consensus
  4. staat, kerk, bijbel, god, ratio, gezond verstand, empirie, wetenschap, opleiding, ervaring, hoofd, hart, buik, onderbuik, gevoel, intuïtie, instinct
  5. verstand, geheugen, zintuigen
Atlas draagt de aarde, maar wie draagt Atlas?

Drijfzand van elementaire deeltjes

Zoeken naar

  • elementaire gedachten
  • grondbegrippen
  • archetypen
  • vaststaande feiten
  • fundamentele stellingen
  • eeuwige wetten
  • absolute waarden
  • universele rechten
  • oerprincipes
  • een laatste instantie
  • een steen der wijzen
  • een onweerlegbare logica
  • een archimedisch punt
  • een eerste oorzaak
  • de echte reden
  • de ware toedracht
  • de uiteindelijke betekenis
  • het hoogste doel
  • de diepste zin

is net zoiets als zoeken naar elementaire deeltjes.
Fysici vinden weliswaar steeds meer deeltjes, maar elementaire, ho maar.
En is het nog wel vinden?
En zijn het nog wel deeltjes, die rare dingetjes die

  • geen massa hebben
  • geen ruimte innemen
  • op meerdere plaatsen tegelijk verschijnen
  • elkaar sneller dan het licht beïnvloeden
  • zich eerder gedragen als golven
  • zich alleen laten beschrijven als waarschijnlijkheidsfuncties
  • zich uitsluitend vertonen aan geschoolde waarnemers
  • zomaar verschijnen en verdwijnen in het ziedende niets dat kwantumvacuüm heet?

Wat is regressieleer?

Onder regressie versta ik het stapsgewijs herleiden van een doorgaans bijzondere zaak, de regressor (bijvoorbeeld een begrip, bewering, bewijs, interpretatie, oorzaak of verklaring) tot een gelijksoortige en doorgaans algemenere zaak.

Wanneer een regressie na een of meer achterwaartse stappen doodloopt in een beginpunt – een eerste oorzaak, een laatste zin, een hoogste doel, een diepste betekenis, een universele wet, een theorie van alles, een absolute autoriteit, een hoogste werkelijkheid, een ultieme waarheid, een basiswaarde – dan spreken we van een eindige regressie, anders van een oneindige regressie.

Datgene waarin een eindige regressie ten einde loopt, heet de grond van de regressor. Datgene waarin een oneindige regressie doorloopt, heet de ongrond van de regressor.

Zodra je vaste grond onder je voeten hebt, is het probleem waarvoor je je gesteld zag, bijvoorbeeld het funderen van kennis, opgelost. Tot die tijd schuif je het probleem alleen maar voor je uit en ben je grondeloos.

Prijsvraag: Hoe noem je iemand die geen gronden (nodig) heeft en zich toch niet grondeloos waant?

Onder een regressievraag versta ik een vraag die zo is geformuleerd dat het regressieve karakter ervan duidelijk wordt. Voorbeelden van regressievragen:

  • Wat is het doel van het doel?
  • Wat is de reden van de reden?
  • Wat is de functie van de functie?
  • Wat is het nut van het nut?
  • Wat is de waarde van de waarde?
  • Wat is de betekenis van de betekenis?
  • Wat is de oorzaak van de oorzaak?
  • Wat is de verklaring van de verklaring?
  • Wat is de zin van de zin?
  • Wie autoriseert de autoriteit?
  • Welke wet verklaart de wet?
  • Waaraan toetsen we de toetsingscriteria?
  • Welke premissen rechtvaardigen de premissen?
  • Wat is de logica van de logica?

Onder regressieleer versta ik het kentheoretisch dogma dat ieder gezag – god, paus, kerk, bijbel, wetenschap, empirie, verstand, opleiding, intuïtie, ervaring – waarop je je beroept om iets (een daad, een maatregel, een stelling) te rechtvaardigen, op zijn beurt autorisatie behoeft, zonder eind, zodat je nooit ook maar de geringste zekerheid kunt verkrijgen. Iedere verklaring vraagt immers om een onderliggende verklaring, iedere interpretatie om een hogere interpretatie, ieder principe om een achterliggend principe, et cetera.

Wat je ook opvoert, god, de wetenschap, intuïtie, ervaring, ratio, instinct – de vraag vanuit de regressieleer zal altijd zijn: hoe weet je dat die grond onbetwijfelbaar is? Dit obstinate doorvragen, waartegen geen kruid gewassen is, maakt van elke regressie een oneindige regressie die verloren loopt in het ongewisse – tenzij je net als de wiskunde je toevlucht neemt tot postulaten. Daardoor krijgt kennis echter hetzij een hypothetisch hetzij een fundament(al)istisch karakter en schiet je het doel, het onderbouwen van die kennis, alsnog voorbij.

Het probleem van het funderen van kennis noem ik het regressieprobleem.
Het argument dat je vanwege het regressieprobleem niets (zeker) kunt weten, noem ik het regressie-argument.

De regressieparadox

Regressieleer is zelf regressief

Als het in algemene zin waar is dat iedere poging tot onderbouwing uitloopt op een oneindige regressie dan geldt dit uiteraard ook voor de regressieleer zelf. Als het daarentegen niet voor de regressieleer zelf geldt dan is het in algemene zin niet waar. Dat de regressieleer zichzelf kan onderbouwen is daarom al op voorhand uitgesloten. Tenzij we de logica overboord zetten natuurlijk, maar dan kan het helemaal niet meer.

Regressieleer is dus zelf onontkoombaar dogmatisch. Dit in tegenstelling tot niet-weten, dat immers geen enkele uitspraak doet over wat dan ook, dus ook niet over de grondeloosheid van alle kennis. Uit de lege leer volgt niets, ook geen regressieleer. Omgekeerd volgt de lege leer nergens uit, ook niet uit de regressieleer.

Meer heb ik hier over een eventuele via regressiva naar (of uit) niet-weten niet te zeggen.

Op mijn startpagina (Wat is niet-weten?) ga ik dieper in op deze kwestie.

Wat is definiëren?

Eén onbekend woord vervangen door tien.

Wat is ik?

Frits: Ik ben van mezelf heel precies.

Hans: Hoe bedoel je?

Frits: Ik weet altijd precies wat ik wil zeggen en dat zeg ik dan.

Hans: Maak dat de kat wijs.

Frits: Als ik al eens twijfel dan pak ik het woordenboek erbij zodat er geen enkel misverstand kan ontstaan.

Hans: Hier heb je de Dikke van Dale. Wat is een woordenboek?

Frits: Momentje, woordenboek, boek waarin woorden (met opgave van bepaalde grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen.

Hans: Wist je dat?

Frits: Niet met zoveel woorden, maar…

Hans: Het eerste woord van de definitie van woordenboek is boek. Wat is een boek?

Frits: Boek, 1. (als voorwerp) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, met name zulk een uit gevouwen en samengenaaide vellen, bedrukt papier bestaand geheel, al of niet in een band gebonden; 2. letterkundig werk, verhandeling, beschrijving enzovoort, in zulk een samenstel van bladen neergelegd en gepubliceerd; 3. een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen; 4. hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk, m.n. in de bijbel; 5. een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven; 6. naam voor een bepaalde hoeveelheid; 7. portefeuille; 8. (als verkorting van) boekpens.

Hans: Wist je dat?

Frits: Niet al die betekenissen, maar…

Hans: Het wordt een lange dag. Terug naar de definitie van woordenboek, derde woord, woord. Wat is een woord?

Frits: Woord, 1. het kleinste geheel van spraakgeluiden dat op zichzelf een betekenis heeft en als zelfstandig taalelement gebruikt wordt; 2. de tekst van een lied; 3. de zichtbare (geschreven, gedrukte) voorstelling van het genoemde taalelement als samenstel van letters; 4. wat gezegd, meegedeeld, verteld wordt (ook in collectieve zin); 5. boos woord; 6. het uiten van woorden, het spreken (meestal in een bepaald verband); 7. erewoord; 8. wachtwoord.

Hans: Wist je dat?

Frits: Nou…

Hans: Terug naar de definitie van woordenboek. Vijfde woord, opgave. Wat is een opgave?

Frits: Ik geef het op.

Hans: Nou al?

Frits: Ja.

Hans: Waarom?

Frits: Ik begrijp wat je bedoelt.

Hans: O ja?

Frits: Ik weet niet precies wat ik zeg.

Hans: Wat zeg je me daar?

Frits: Waar?

Hans: Eerste woord, ik. Wat is ik?

Woorden zijn woordenboeken

Begrippen staan nooit op zichzelf. Ze veronderstellen andere begrippen en die weer andere. Woorden in woorden in woorden, matroesjka’s van woorden, zonder eind. Woorden zijn woordenboeken. Ook deze.

Structuralisten stellen dat ieder begrip alle andere bevat. Wie meent dat dit aperte onzin is, daag ik uit een (eentalig) betekeniswoordenboek in een voor hem volkomen vreemde taal te nemen en alleen met behulp van dit woordenboek de betekenis van één willekeurig trefwoord te achterhalen. Niet bij de hand? Ik ook niet. Met een Nederlands woordenboek kan het ook. Ik geef je één definitie uit onze eigen Van Dale. Om het simpel te houden (meende ik) het elementaire woord boom:

‘houtachtig gewas met een zeer groot wortelgestel en een enkele, stevige, houtige en zich secundair verdikkende, overblijvende stam, die zich eerst op zekere hoogte boven de grond vertakt’

Nemen we deze definitie als indicatie dan moeten we vaststellen dat een zogenaamd eenvoudig begrip als boom zeker vijftien begrippen veronderstelt. Zoeken we deze op dan blijken ze zelf ook weer vol begrippen te zitten, enzovoort. Je moet me maar op mijn woord geloven of zelf het woordenboek ter hand nemen, anders moet ik de hele Van Dale plagiëren.

Naarmate je op jacht naar de exacte betekenis dieper doordringt in het woordenboek, neemt het aantal woorden steeds verder maar steeds langzamer toe terwijl steeds meer definities een vicieus karakter krijgen, tot
alle woorden aan bod zijn geweest en we moeten vaststellen, zoals we van het begin af aan eigenlijk al wisten, dat een woordenboek een gesloten systeem van circulaire definities is.

Leidt elk begrip regressief naar alle andere begrippen? Heb ik dat voor alle woorden gecontroleerd? Welnee. Ik heb het voor geen enkel woord gecontroleerd. Ik moet er niet aan denken. Maar of we vanuit elk willekeurig woord uiteindelijk op alle woorden uit het woordenboek stuiten of slechts op clusters van enkele tientallen, honderden, duizenden of tienduizenden, doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat je voor ieder begrip waarvan je achteloos gebruikmaakt, er pakweg tien voor lief neemt, en voor elk daarvan weer tien, et cetera. Waardoor iedere poging om vast te stellen wat je nou ‘eigenlijk’ bedoelt als je iets zegt of denkt, al na twee of drie ronden tot een complete semantische knock-out leidt.

Begrijpen is als schaatsen op dun ijs: je moet hard doorrijden om er niet doorheen te zakken. En nooit naar beneden kijken. Dus weet wat je zegt als je zegt dat je weet wat je zegt. Weet ook wat je zegt als je zegt dat je niet weet wat je zegt.

Gedachten zijn gedachtewerelden

Net als begrippen zitten gedachten vol gedachten en die weer vol andere gedachten. Gedachten in gedachten in gedachten, matroesjka’s van gedachten, zonder eind. Gedachten zijn gedachtewerelden. Ook deze.

Een voorbeeld. De zin ‘ik zoek de waarheid’ veronderstelt dat er een waarheid is, dat er maar één is, dat zij bekend is maar nog niet aan de zoeker, dat de zoeker haar zal vinden, dat hij haar zal kunnen begrijpen, dat hij haar zal kunnen vasthouden, dat hij dan beter af is, dat er een bestendige ik is, namelijk de zoeker, een zoektocht die al enige tijd gaande is, een verleden waarin die zoektocht tot op heden plaatsvond, een toekomst waarin de zoektocht zich zal voortzetten en tot een bevredigend besluit gebracht zal worden, en niet te vergeten een bestendige wereld waarbinnen de zoektocht zich voltrekt. Tegen de achtergrond van deze latente gedachten lijkt de manifeste gedachte ‘ik zoek de waarheid’ vanzelfsprekend en onbetwistbaar. Omgekeerd lijken alle latente gedachten in het licht van de manifeste gedachte op hun beurt vanzelfsprekend en onbetwistbaar. De ene hand wast de andere.

Nog een voorbeeld. De vraag ‘Waarom heeft u uw echtgenote doodgeschoten?’, heeft als ondergedachten (onder meer) ‘deze vrouw is uw echtgenote’, ‘deze vrouw is dood’, ‘zij is door een schot om het leven gekomen’, ‘het dodelijke schot is door u gelost’, ‘men schiet om redenen’, ‘ook u had uw redenen’, ‘uw redenen waren duidelijk voor u’, ‘u kunt zich die redenen op dit moment correct herinneren’, ‘u kunt ze duidelijk aan ons overbrengen’ en ‘u bent daartoe bereid’.

In de argumentatieleer wordt een vraag die op een onbevestigde veronderstelling berust een strikvraag genoemd. Een goede rechter zou bovenstaande vraag pas toestaan nadat eerst was vastgesteld dat de aangesprokene inderdaad zijn echtgenote doodgeschoten had. Naar analogie van het woord ‘strikvraag’ zou je een impliciete gedachte een strikgedachte kunnen noemen. Een onuitgesproken en niet onderzochte aanname. Een instinker. Iedere expliciete gedachte berust op een ongrond van instinkers. Deze ook.

Iedere gedachte leidt regressief tot andere. Hoe meer je er onder woorden brengt hoe meer er opduiken. Daarom is het onmogelijk om de inhoud van een gedachte compleet bloot te leggen. Wat je ook denkt, je weet niet wat je denkt. Niet precies en niet bij benadering. Ook nu niet.

Tot slot twee (strik)vragen:

Zijn de impliciete gedachten die bij analyse van een expliciete gedachte aan het licht komen daadwerkelijk daarin aanwezig of is het de analyse zelf die ze produceert?

Wat betekent het dat verschillende mensen in dezelfde expliciete gedachte totaal andere impliciete gedachten lezen?

Dit onbegrensde enzovoort

Volgens de betekenisleer bestaat de betekenis van een gedachte uit een kleine bewuste bovenbouw, de zogeheten denotatie of sensus superficialis, gedragen door een reusachtige latente onderbouw, de zogenaamde annotatie of sensus subliminalis, waarvan je je slechts vagelijk bewust bent.

De annotatie van een gedachte vormt als het ware de infrastructuur ervan. De tijdelijke ongrond waarin de gedachte wortelt, groeit en afsterft. De wegwerpwereld waarin de gedachte vanzelfsprekend lijkt. Ik bedoel daarmee het geheel van onderscheidingen en onuitgesproken aannames dat aan de gedachte in kwestie ten grondslag ligt, en alle onderscheidingen en aannames daar weer onder, et cetera, die de context verschaffen waarbinnen de gedachte eerst betekenisvol kan zijn en zonder welke de denotatie letterlijk in de lucht zou hangen.

Bij een bewering is de denotatie het gestelde, de annotatie het veronderstelde. Neem bijvoorbeeld de uitroep ‘Heet hier.’ Zodra je deze zin van slechts twee woorden leest, weet je wat er staat. Je weet wat ‘heet’ betekent en je weet wat ‘hier’ betekent en je weet wat ‘heet hier’ betekent zonder dat iemand het je uit moet leggen. Aan de oppervlakte, denotatief, is er geen vuiltje aan de lucht. Annotatief wel. Want wat is heet? En wat is hier?

Om een en ander uit te leggen, ontkom je er niet aan het lichaam te introduceren. Je moet het over zweten hebben, hijgen, blossen op de wangen, kleding en het verlangen deze uit te trekken, een raam openzetten, een ventilator aanzetten; over warm, lauw, koud en ijskoud, thermometers, het weer, verwarming, temperatuurverschillen en warmteregulatie. En waar is hier? Niet daar. Nu begint je over ruimte, dimensionaliteit, punt, lijn, vlak, lichaam, afstand, richting, boven, onder, links, rechts, achter, voor, relatief, absoluut, stilstand, beweging, spierkracht, arbeid, massa en energie.

En dat is nog maar het begin. Want alle woorden die je hebt gebruikt in je uitleg hebben hun eigen annotatie. Wat is zweten? Nu volgt een verhaal over de huid, over zweetklieren en warmtesensoren en doorbloeding en haarvaten en lichaamsvocht en nieren en vochthuishouding en zoutconcentraties en electrolytenbalans en lichaamstemperatuur en homeostatische regelsystemen. Wat zijn zweetklieren? Wat zijn warmtesensoren? Wat is doorbloeding? Wat zijn haarvaten? Wat is lichaamsvocht? Wat zijn nieren? Enzovoort, enzovoort.

Hoe meer je uitlegt, hoe meer je uit te leggen hebt. Alleen legt niemand ooit wat uit. Niet echt. De annotatie blijft eeuwig impliciet, net zoals de lege ruimte waar we doorheen moeten kijken om verderop iets te kunnen zien.

Dit onbegrensde enzovoort vormt volgens de betekenisleer het impliciete wereldbeeld, het semantische en episodische netwerk, de annotatie die ogenblikkelijk door de denotatie wordt opgeroepen, deze legitimeert en er op haar beurt door gelegitimeerd wordt, waardoor beide vanzelfsprekend schijnen. Zoals een weg direct de auto’s verklaart en de auto’s onmiddellijk de weg.
Maar wat verklaart de weg met de auto’s?

Herleiden in last

Punt en lijn
Een punt is een lijn zonder lengte, dus een punt is in wezen een lijn.
Een lijn kun je trekken met een punt, dus een lijn is in wezen een punt.

Lijn en vlak
Een lijn is een vlak zonder breedte, dus een lijn is in beginsel een vlak.
Een vlak kun je trekken met een lijn, dus een vlak is in beginsel een lijn.

Vlak en ruimte
Een vlak is een ruimte zonder hoogte, dus een vlak is in de grond een ruimte.
Een ruimte kun je trekken met een vlak, dus een ruimte is in de grond een vlak.

Punt en vlak
Een punt is een vlak zonder lengte of breedte, dus een punt is in essentie een vlak.
Een vlak kun je trekken met een lijn getrokken met een punt, dus een vlak is in essentie een punt.

Lijn en ruimte
Een lijn is een ruimte zonder breedte of hoogte, dus een lijn is in principe een ruimte.
Een ruimte kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn, dus een ruimte is in principe een lijn.

Punt en ruimte
Een punt is een ruimte zonder lengte, breedte of hoogte, dus een punt is in wezen een ruimte.
Een ruimte kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn getrokken met een punt, dus een ruimte is in wezen een punt.

Wat is verklaren?

Een onbegrijpelijk feit vervangen door een onbegrijpelijke theorie.

Wat is een oorzaak?

Iets dat je wél zonder meer aanvaardt.

Trechterdenken: ‘Alles is bewustzijn’

X is eigenlijk Y, maar wat is eigenlijk Y?

Het herleiden van meerdere onbegrepen verschijnselen tot één onbegrepen principe, concept, hypothese of verklaring, zou je trechterdenken kunnen noemen.
De evolutieleer is een schoolvoorbeeld van trechterdenken.

Iedere keer als iemand zegt dat iets eigenlijk iets anders is, hanteert hij de denktrechter.
Volgens het materialisme is alles eigenlijk stof.
Volgens het idealisme is alles eigenlijk bewustzijn.
Volgens het boeddhisme is alles eigenlijk leeg.
Volgens zen is alles eigenlijk geest.
Volgens het monisme is alles eigenlijk een.
Volgens de mystiek is alles eigenlijk god.
Volgens de psychoanalyse is god eigenlijk een sublimatie van de oerdrift.
Afhankelijk van de vakgroep is filosofie eigenlijk psychologie, psychologie eigenlijk biologie, biologie eigenlijk fysiologie, fysiologie eigenlijk scheikunde, scheikunde eigenlijk natuurkunde, natuurkunde eigenlijk theologie en theologie eigenlijk antropologie.

De mond van de trechter afzagen en de wereld door het overgebleven buisje bekijken, leidt tot kokervisie.
De mond van de trechter aan de mond van het lichaam zetten en luidkeels aan vriend en vijand meedelen hoe het nou eigenlijk zit, leidt tot megafonie.
Wie nu meent dat wat volgt op het woord ‘eigenlijk’ eigenlijk het eigen lijk van de voorafgaande gedachte is, kijkt naar zijn eigen lijk.

Ignotum per ignotius

De Latijnse uitdrukking ignotum per ignotius betekent: ‘het onbekende herleiden tot het onbekendere’. Zij is gewoonlijk bedoeld als ironisch commentaar op de verklarende waarde van al te duistere theorieën, maar kan ook opgevat worden als een generaliserend commentaar op de hele verklaringspraktijk.

Wanneer een kind vraagt waarom alles naar beneden valt en je antwoordt dat het door de zwaartekracht komt, heb je dan iets verklaard? Zeg ja en ik vraag je: wat is zwaartekracht? Daarvoor moet je bij de natuurkundige wezen, zeg jij dan. Ik naar een natuurkundige, komt hij met een volstrekt onbegrijpelijk relativistisch verhaal over massa en tijdruimte of een ander volstrekt onbegrijpelijk quantumfysisch verhaal over gravitonen, die op hun beurt verklaart worden in termen van kwantumvelden, die op hun beurt verklaart worden in termen van snaren, die voor iedereen iets anders lijken te betekenen.
Dit heet: van kwaad tot erger.
Ignotum per ignotius.

Weliswaar heeft de natuurkunde voorspellende waarde, maar daarom maakt ze de wereld nog niet begrijpelijk. Integendeel. De natuurkunde voegt alleen maar raadsels toe. Raadsels als zwaartekracht, relativiteit, massa, tijdruimte, quanta, gravitonen en higgs-velden. Wat is de ontologische status van dit soort begrippen? Daarvoor moet je bij de metafysicus wezen, zeg je. Ik op zoek naar zo’n wezen, nergens te vinden. Blijkt de hele metafysica op zijn gat te liggen. En wat voor gat. Zo zwart als wat. Om nog maar te zwijgen over het feit dat zowel de doorijlende fysica zelf als wijlen de na-ijlende metafysica ongeacht hun resultaten, als ver schijnsel, als bezigheid, als bedrijf, volstrekt onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn. Zeker in termen van hun eigen verklaringsmodellen.

Obscurum per obscurius

De Latijnse uitdrukking obscurum per obscurius betekent ‘het herleiden van het duistere tot het meer duistere.’ Net zoiets als ignotum per ignotius dus. Kennelijk was één term niet genoeg.

Ignoramus et ignorabimus

De Latijnse uitdrukking ignoramus et ignorabimus betekent zoveel als ‘wij weten niet en zullen nooit weten’. Hoewel hier geen sprake is van regressie, zoals in ignotum per ignotius en obscurum per obscurius, wou ik hem toch maar even genoemd hebben. Het klinkt heel wat beter dan ‘niet-weten’, zeg nou zelf, ook al komt het op hetzelfde neer.

Het trilemma van Agrippa

Volgens aanhangers van het scepticisme kun je een stelling, zeg S, maar op twee manieren rechtvaardigen:

  1. Door botweg te stellen dat het nou eenmaal zo is: S want S.
  2. Door een beroep te doen op een onderliggende stelling, S’, waaruit S langs logische weg wordt afgeleid.

S want S

Te zeggen dat het nou eenmaal zo is heet dogmatisme. Een bewering in de vorm ‘S want S’ heet een tautologie. Bij gebrek aan beter doet de dogmaticus graag een beroep op het gezond verstand. S heet dan vanzelfsprekend of zelf-evident te zijn.

S want S’

Wie een beroep doet op een onderliggende stelling S’ verschuift het probleem. Gevraagd naar een rechtvaardiging van S’ zal hij zich opnieuw moeten beroepen op een onderliggende stelling S”, en zo voort. Deze terugtrekkende beweging heet regressie. Hiervan bestaan drie soorten:

  1. Eindige regressie
  2. Circulaire regressie
  3. Oneindige regressie

Eindige regressie

Een eindige regressie bestaat uit een beperkt aantal unieke stellingen, waarvan de laatste alle andere draagt terwijl ze zelf ongerechtvaardigd blijft. Iemand die gelooft dat de stapsgewijze herleiding van een stelling tot een onbetwijfelbare vanzelfsprekendheid voldoende rechtvaardiging biedt, heet een fundamentist – een aanhanger van het fundamentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kortst denkbare eindige regressie, met een lengte van 1.

Circulaire regressie

Het kan ook zijn dat je achteruit redenerend na een of meer stappen op een stelling stuit waarop je je eerder ook al hebt moeten beroepen, zodat er een cirkelredenering ontstaat. Iemand die gelooft dat de hechte, vicieuze samenhang van een groep uitspraken voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak afzonderlijk, heet een coherentist – een aanhanger van het coherentisme.

Zelfevidentie – S want S – kun je opvatten als de kleinst mogelijke cirkelredenering, met een lengte van 1.

Oneindige regressie

Het kan ook zijn dat je almaar achteruit blijft redeneren. Hierdoor ontstaat – in theorie – een oneindige regressie. Iemand die gelooft dat een in principe oneindige regressie voldoende rechtvaardiging biedt voor iedere uitspraak in de reeks, heet een infinitist – een aanhanger van het infinitisme.

Iemand die gelooft dat dogmatisme, fundamentisme, coherentisme en infinitisme onvoldoende rechtvaardiging bieden voor welke stelling dan ook, heet een scepticus – een aanhanger van het scepticisme.

Trilemma van Agrippa

Het trilemma van Agrippa vat het probleem van het rechtvaardigen van een uitspraak puntig samen. Volgens dit trilemma moet je kiezen uit drie kwaden: dogmatisme, een cirkelredenering of een oneindige regressie. De enige uitweg uit dit trilemma zou de leer van het scepticisme zijn.

Dit laatste is aperte onzin. Wie niet weet, zoals ik, voelt zich niet gehouden aan welke logica ook. Wie zich niet gehouden voelt aan welke logica ook, kan niet gevangen raken in welk dilemma, trilemma, polylemma of monolemma ook. Wie nergens in gevangen zit hoeft zich nergens van te bevrijden en heeft niets te rechtvaardigen, bewijzen of ontkrachten.

Hoe makkelijk kan het zijn.

Epoche

Aangezien volgens de Griekse wijsgeer Pyrrho ieder bewijs* op onbewezen premissen berust, zou opschorting van ieder oordeel voor onbepaalde tijd de enige juiste wijsgerige houding zijn. Deze consequent doorgevoerde opschorting heet in het Grieks epoche.

Helaas en/of/noch gelukkig berust de redenering waaruit volgt dat epoche de enige juiste houding is, zelf op onbewezen premissen, waaronder de aanname dat je pas een oordeel mag vellen als er een sluitend bewijs voor is, de aanname dat je moet doen wat logisch is, de aanname dat je vrij kunt kiezen om je oordeel al dan niet op te schorten en de aanname dat je bij opschorting beter af bent, of althans het juiste doet. Is dat allemaal wel waar?

Eerst bewijzen zou ik zeggen, het liefst zonder nieuwe premissen, anders blijven we aan de gang. Tot die tijd moeten we het oordeel dat we alle oordelen voor onbepaalde tijd moeten opschorten voor onbepaalde tijd opschorten.
En dit oordeel?

Voorwaardelijkheid

Onder voorwaardelijkheid versta ik het voorbehoud dat een bewering, nog los van de vraag of zij waar is, pas waar kan zijn wanneer de onderliggende onderscheidingen geldig en de onderliggende aannames waar zijn. Vanwege het regressieve karakter van dit voorbehoud is nooit met zekerheid vast te stellen of een bewering waar is. Het voorbehoud is principieel, eeuwig.

Voorbeelden van voorwaardelijkheid:

  • Wie de waarheid zoekt, neemt aan dat de waarheid bestaat, gevonden kan worden, begrijpelijk is en de moeite van het weten waard.
  • Wie meent dat de wereld een illusie is, veronderstelt dat de illusie zelf geen illusie is.
  • Wie meent dat hij werkelijk bestaat, veronderstelt dat hij op dat moment niet droomt.
  • Wie meent dat niets toeval is, veronderstelt een universele orde.
  • Wie meent dat alles toeval is, veronderstelt een universele chaos.
  • Wie meent dat ware premissen tot ware conclusies leiden, veronderstelt de logica.
  • Wie meent dat de som van de hoeken van een driehoek altijd honderdtachtig
    graden is, veronderstelt een vlakke ondergrond.
  • Wie claimt iets waars te kunnen zeggen veronderstelt dat taal daarvoor een geschikt medium is.
  • Wie meent dat bladeren groen zijn, veronderstelt dat kleuren buiten de hersenen om bestaan.
  • Wie meent dat tijd absoluut is (Newton) veronderstelt dat tijd onafhankelijk is van beweging.
  • Wie schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een vrije wil.
  • Wie veronderstelt dat iemand zonder vrije wil geen schuldgevoelens heeft, kritiek uit of complimentjes geeft, veronderstelt een oorzakelijk verband.
  • Wie meent dat hij gelijk heeft omdat wat hij zegt in de bijbel staat, veronderstelt dat de bijbel waar is.
  • Wie meent dat de bijbel waar is omdat hij het woord van god bevat,
    veronderstelt dat de schrijvers geen fouten hebben gemaakt, dat god
    bestaat en dat hij niet liegt.
  • Wie (met Descartes) meent dat god niet liegt omdat hij anders niet volmaakt zou zijn, veronderstelt dat volmaaktheid liegen uitsluit.
  • Wie meent dat het leven zin heeft (of juist niet) veronderstelt dat er zoiets is als ‘het leven’.
  • Wie meent dat er niet zoiets is als ‘het leven’, veronderstelt (bijvoorbeeld) dat algemene woorden (universalia) geen tegenhanger hebben in de wereld.

Ook in het boeddhisme komen we het begrip voorwaardelijkheid tegen. Hier heet het sunyata (leegte), een term uit het Sanskriet, die staat voor het het idee dat dingen niet op zichzelf bestaan maar het gevolg zijn van ontelbare oorzaken en omstandigheden, die op hun beurt niet op zichzelf bestaan, enzovoort.

Om de eerste (filosofische) voorwaardelijkheid te onderscheiden van de laatste (boeddhistische), zou je kunnen spreken van epistemologische voorwaardelijkheid versus ontologische voorwaardelijkheid.

Mooie woorden weer, fraaie onderscheidingen, maar wat schiet je ermee op? Als alle beweringen voorwaardelijk zijn, dan ook de bewering dat alle beweringen voorwaardelijk zijn. Als alles leeg is dan ook de leegte. In beide gevallen sta je weer met lege handen.

Geloof jij je gedachten? Pixel mania

Loen: Als ik op televisie iemand een mening hoor ventileren, denk ik weleens: die gelooft nog steeds in zijn gedachten.

Hans: Net als jij nu.

Loen: Wat?

Hans: Jij gelooft in de gedachte dat je naar iemand zit te kijken die zijn mening ventileert en nog steeds in zijn gedachten gelooft.

Loen: Waar zit ik anders naar te kijken?

Hans: Pixels op een beeldscherm?

Loen: Verdraaid.

Hans: Geeft niks.

Loen: Dus eigenlijk ben ik iemand die naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Hans: Nou doe je het weer.

Loen: Wat?

Hans: Nou geloof je weer in de gedachte dat je eigenlijk iemand bent die naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Loen: Waar zit ik anders naar te kijken?

Hans: Beelden in je bewustzijn.

Loen: Verdraaid.

Hans: Geeft niks.

Loen: Dus eigenlijk ben ik iemand die naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Hans: Nou doe je het weer.

Loen: Wat?

Hans: Nou geloof je weer in de gedachte dat je eigenlijk iemand bent die naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Loen: Waar zit ik anders naar te kijken?

Hans: Wie zegt dat je een bewustzijn hebt?

Loen: Verdraaid.

Hans: Geeft niks.

Loen: Dus eigenlijk ben ik iemand die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Hans: Nou doe je het weer.

Loen: Wat?

Hans: Nou geloof je weer in de gedachte dat je iemand bent die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Loen: Wat is daar mis mee?

Hans: Dat je niet eens weet of je bent, bijvoorbeeld.

Loen: Verdraaid.

Hans: Geeft niks.

Loen: Dus eigenlijk weet ik niet eens of ik iemand ben die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.

Hans: Nou doe je het weer.

Loen: Waarom maak je het mij zo moeilijk?

Hans: Om het regressieve karakter van het wetende denken te demonstreren?

Loen: Nou doe je het zelf!

Hans: Vandaar dat vraagteken.

Loen: Verdraaid.

Hans: Geeft niks.

Quod erat demonstrandum?

Bewijzen betekent in de wiskunde: afleiden uit onbewezen axioma’s volgens afleidingsregels die niet uit het systeem zelf zijn af te leiden. Hieruit volgt:

1. Wiskunde berust volledig op onbewezen axioma’s

2. Axioma’s berusten volledig op onbewezen wiskunde

Q.E.D.

De logica van de logica

De logica rechtvaardigt de redenering, maar wat rechtvaardigt de logica?

Wat is logica?

Hans: Wat is logica?

Stein: Een denkmethode.

Hans: Wat voor een?

Stein: Een die uit ware premissen ware conclusies afleidt.

Hans: O jee.

Stein: O jee?

Hans: Waar halen we zo gauw ware premissen vandaan?

Stein: Geen probleem.

Hans: Hoezo?

Stein: Ware premissen zijn ware conclusies uit eerdere afleidingen.

Hans: Goed gevonden…

Stein: Maar?

Hans: Waar halen die hun ware premissen vandaan?

Stein: Uit eerdere afleidingen natuurlijk.

Hans: Enzovoort?

Stein: Waarom niet?

Hans: Eén afleiding moet toch de eerste zijn.

Stein: Dan zullen we de premissen daarvan zonder bewijs aannemen.

Hans: Kun je dan niet net zo goed meteen de slotconclusie aannemen?

Wat is inductie?

Hans: Wat is inductie?

Stein: Redeneren van het bijzondere naar het algemene.

Hans: Bijvoorbeeld?

Stein: Gisteren kwam de zon op, vanmorgen kwam de zon op, iedere dag komt de zon op.

Hans: Op die manier.

Stein: Zo zeker als wat.

Hans: Deze zwaan is wit, die zwaan is wit, alle zwanen zijn wit.

Stein: Precies.

Hans: Maar er zijn ook zwarte zwanen.

Stein: Ai.

Hans: Gisteren was ik niet zwanger, vandaag ben ik niet zwanger dus morgen zal ik ook niet zwanger zijn.

Stein: Oei.

Hans: Inductie is niet te rechtvaardigen.

Stein: Toch wel.

Hans: Hoe dan?

Stein: Doordat het werkt.

Hans: Je verwijst naar het pragmatisme van de Amerikaanse filosoof Peirce?

Stein: Precies.

Hans: En hoe rechtvaardig je dat?

Stein: Gisteren werkte het, vandaag werkt het, dus morgen werkt het ook.

Hans: Ik was er al bang voor.

De ‘wet’ van ontoereikende grond

Hans: Zou jij in een chaotisch universum inductief durven redeneren?

Stein: Natuurlijk niet.

Hans: Waarom niet?

Stein: Omdat iedere schijn van orde toeval zou zijn.

Hans: In ons universum niet?

Stein: Ken jij de wet van toereikende grond?

Hans: De wat?

Stein: Nee, de wet.

Hans: Hoe luidt die?

Stein: Alles heeft een oorzaak, dus alles is verklaarbaar.

Hans: Met andere woorden, het universum is geordend.

Stein: Als dat geen basis voor inductie is…

Hans: Maar hoe weet je dat de wet van toereikende grond geldig is?

Stein: Dat merk je iedere minuut.

Hans: Gisteren kwam de zon op, vandaag kwam de zon op, dus morgen zal de zon ook opkomen?

Stein: Precies.

Hans: Dat is een cirkelredenering.

Stein: Hoezo?

Hans: Eerst doe je een beroep op de wet van toereikende grond om inductie te rechtvaardigen, dan doe je een beroep op inductie om de wet van toereikende grond te rechtvaardigen.

Stein: Dus jij wilt zeggen…

Hans: Dat er geen toereikende grond is…

Stein: Voor het principe van toereikende grond.

Hans: Of zelfs maar voor de ontkenning ervan.

De ‘wet’ van de uitgesloten derde

Stein: Iets is altijd hetzij waar, hetzij onwaar.

Hans: Alleen maar in een tweewaardige logica, zou ik zeggen.

Stein: Dat wil zeggen, altijd.

Hans: Pardon?

Stein: Wat is het alternatief?

Hans: Een driewaardige logica. Een vierwaardige logica. Een veelwaardige logica. Fuzzy logica. Modale logica. Preferentiële logica. Paraconsistente logica. Spreektaallogica.

Stein: Op die manier

Hans: Waarom zou iets niet half waar kunnen zijn? Min of meer waar? Nu eens waar en dan weer onwaar? Waar voor mij en onwaar voor jou? Onbepaald? Onbepaalbaar? Waar noch onwaar? Waar en onwaar in verschillende opzichten? Waar en onwaar in hetzelfde opzicht? Voorbij waarheid en onwaarheid?

Stein: Nou…

Hans: Met behulp van welke logica moeten we vaststellen welke logica van toepassing is?

Stein: Dat is te zeggen…

Hans: Of is dat geen kwestie van logica?

Stein: Ik weet het eerlijk gezegd niet.

Hans: Ik weet het eerlijk gezegd ook niet.

De ‘wet’ van non-contradictie

Stein: Ken jij de wet van non-contradictie?

Hans: Een stelling kan niet tegelijk waar en onwaar zijn.

Stein: Precies.

Hans: Geef eens een voorbeeld.

Stein: De zon kan niet tegelijk op en onder zijn.

Hans: En dat zou een wet zijn?

Stein: Volgens mijn logicaboek wel.

Hans: Staat er ook een bewijs bij?

Stein: Nee.

Hans: Dat komt doordat het geen wet is, maar een postulaat.

Stein: Een wat?

Hans: Een vertrekpunt voor een logische redenering.

Stein: O.

Hans: Bedenk eens een redenering op grond van de wet van non-contradictie.

Stein: De zon kan niet tegelijk op en onder zijn, de zon is op, daarom is de zon niet onder.

Hans: Op voorwaarde dat de wet van non-contradictie van toepassing is.

Stein: Die is altijd van toepassing.

Hans: Spruitjes zijn lekker én vies.

Stein: Dat is een kwestie van smaak.

Hans: Landbouwgif is nuttig én schadelijk.

Stein: Meningen verschillen.

Hans: Een zakdoek voor een mens is een laken voor een kabouter.

Stein: Grootte is een relatief begrip.

Hans: Kanker is slecht voor de patiënt maar goed voor het ziekenhuis.

Stein: Dat is appels met peren.

Hans: Als de zon halverwege de kim staat is hij op noch onder.

Stein: Dat is een kwestie van definitie.

Hans: Als de zon achter de horizon is verdwenen, zien we hem door het lenseffect van de atmosfeer toch nog aan de horizon staan.

Stein: Dat is een optische illusie.

Hans: Geef dan eens een ondubbelzinnig voorbeeld.

Stein: Iets kan niet tegelijk hier en daar zijn.

Hans: Je hoofd is hier, je hand is daar dus je lichaam is hier en daar.

Stein: Ik kom heus wel op een goed voorbeeld.

Hans: Neem de tijd de tijd.

Stein: Hm.

Hans: Blijf je erbij dat de wet van non-contradictie altijd van toepassing is?

Stein: Niet altijd misschien.

Hans: Wat heb je er dan aan?

Stein: Als hij van toepassing is…

Hans: Maar hoe weet je dat?

Stein: Maar wat is het alternatief?

Hans: Geen idee, de wet van contradictie?

Pas jij in je broekzak? Syllogismen

Stein: Wat is een syllogisme?

Hans: Een redeneervorm.

Stein: Kan je een voorbeeld geven?

Hans: Alle mensen hebben hersenen, Aristoteles is een mens, dus Aristoteles heeft hersenen.

Stein: Geen speld tussen te krijgen.

Hans: Gesteld dat alle mensen hersenen hebben.

Stein: Daar zeg je me wat.

Hans: Het was eerder een vraag.

Stein: Daar vraag je me wat.

Hans: Zuiver retorisch natuurlijk.

Stein: Wie heeft het syllogisme uitgevonden?

Hans: Aristoteles.

Stein: Wat had hij ermee voor?

Hans: De geldigheid van redeneringen waarborgen.

Stein: Knap werk.

Hans: Ik pas in mijn poncho, mijn poncho past in mijn broekzak, dus ik pas in mijn broekzak.

Wat is een antwoord?

Aanleiding tot nieuwe vragen.

Variologie

Regressie of digressie?

Onder variologie versta ik de inventarisatie van alle mogelijke vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te beantwoorden, van alle mogelijke antwoorden zonder het oogmerk het juiste vast te stellen, en van alle verborgen aannames zonder het oogmerk ze te onderbouwen. Variologie is niet gericht op de werkelijkheid maar op de mogelijkheid, niet op de details maar op de grote lijn, niet op het ene maar op het menigvuldige.

Liever dan een standpunt te bepalen inventariseert de varioloog alle mogelijke standpunten en alle mogelijke argumenten voor en tegen onder het motto: Beter tien perspectieven aan de horizon dan één door mijn hart.
Zo bedrijft men natuurlijk geen politiek, maar wat dan wel?

Liever dan de werkelijkheid te doorgronden brengt de varioloog alle denkbare gronden en ongronden in kaart onder het motto: Beter tien kuub beton in de molen dan één om mijn voeten.
Zo bedrijft men natuurlijk geen filosofie, maar wat dan wel?

Liever dan een hypothese te toetsen zet de varioloog alle mogelijke hypothesen op een rij onder het motto: Beter tien verklaringen op papier dan één in mijn hoofd.
Zo bedrijft men natuurlijk geen wetenschap, maar wat dan wel?

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto ‘Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg.’
Zo bedrijft men natuurlijk geen variologie, maar wat dan nog?

Wat is legitimeren?

Hans: Wat is legitimeren?

Stein: Een stelling bewijzen door je op een autoriteit te beroepen.

Hans: Zoals?

Stein: De bijbel, god, een expert, een beroemdheid, de wetenschap.

Hans: Hoe legitimeert de autoriteit zichzelf?

Stein: Met een beroep op een hogere autoriteit.

Hans: En die?

Stein: Met een beroep op een nog hogere autoriteit.

Hans: En de hoogste autoriteit?

Stein: Die hoeft zich niet te legitimeren.

Hans: Waarom niet?

Stein: Omdat zij de hoogste autoriteit is.

Hans: Wie zegt dat?

Stein: Dat moeten we aannemen.

Hans: Waarom?

Stein: Omdat er nou eenmaal geen hogere is.

Hans: Zonder enig bewijs?

Stein: Zonder enig bewijs.

Hans: Kunnen we dan niet net zo goed meteen de oorspronkelijke stelling aannemen?

Stein: Goeie vraag.

Hans: Wat is een vraag?

Wat is het wezen van niet weten?

Zelfs niet weten van niet weten.

Wat is spiritualiteit?

Het is maar net aan wie je het vraagt. Voor mij is spiritualiteit fundamentele vragen stellen, je vragen bevragen, de woorden in je vragen bevragen, de veronderstellingen in je vragen bevragen, het vragen zelf bevragen tot je eindelijk antwoord hebt gekregen of voorgoed bent uitgevraagd – in mijn geval dat laatste.

Wat is spiritualiteit?

Kan een weetniet wetenschap bedrijven?

vliegend-tapijtje

Kan een weetniet wetenschap bedrijven? Een wiskunstenaar wiskunde ? Een dwijsgeer wijsbegeerte? Gewetensvragen aan een weteloze.

Een bewijs kun je zien als een taalspel waarin je vanuit bepaalde premissen (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) in een bepaalde taal (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) volgens de afleidingsregels van een bepaalde logica (waarvan de geldigheid niet ter discussie staat) tot ware uitspraken probeert te komen.

Bewijsvoering is in die zin een taalspel dat het pas gespeeld kan worden wanneer de spelers het eens zijn over de spelregels die oneindige ruzies over oneindige regressies moeten voorkomen. Zodra iemand de geldigheid van de premissen aanvecht is het spel uit. Zodra iemand wil overschakelen op een andere logica is het spel uit. Zodra iemand de taal ter discussie stelt waarvan de bewijsvoering zich bedient (natuurlijke taal, formele taal, procedurele taal) is het spel uit.

‘Waar’ is een gegeven uitspraak alleen voor degenen die het eens zijn over de spelregels en die alle aannames onderschrijven, dat wil zeggen voor degenen die bereid zijn het spel ten volle te spelen – en alleen voor hen. Zo bezien is waarheid een kwestie van conventie, van consensus, van sportiviteit. Waarheid is voor teamspelers en supporters. De rest staat buitenspel.

Het ‘hoogste’ spel wordt gespeeld in de wiskunde en in de exacte wetenschappen. Daarin wordt relatief de meeste aandacht besteed aan het uitschrijven van de primitieven, postulaten en premissen, de gebruikte woorden en symbolen en de logische afleidingsregels. In de alfa-wetenschappen, in de filosofie en in de theologie is eerder sprake van redeneren dan bewijzen, in het openbare debat, in de religieuze praktijk en in het dagelijks leven eerder van overreden dan redeneren. Ook de rede en de retoriek kun je zien als taalspelen, met geheel eigen spelregels.

Wat voor spel is niet-weten? Een spel van niet beweren of althans niet geloven wat je zo nodig schijnt te moeten denken en roepen – dit ook niet. Waar niets beweerd, geloofd of nagestreefd wordt, dit ook niet, valt niets te bewijzen, beredeneren of overreden, ook niet met betrekking tot het bewijzen, beredeneren of overreden zelf.

Niet weten kent geen vaststellingen, geen doelstellingen, geen winnaars en geen verliezers. Het werpt balletjes op en het slaat balletjes weg. Het ene na het andere, nu dit balletje weer. Een minichoreografie, een ballètje. Meer heeft het niet om het lijf, zei de keizer zonder rijk of kijk. Niet weten, dat is kinderspel.

Wat natuurlijk niet betekent dat de weetniet geen wiskunde, wetenschap, filosofie enzovoort kan bedrijven. Hoe had ik anders dit lemma kunnen schrijven? Het betekent alleen maar dat hij de resultaten daarvan niet ziet als onomstotelijk bewezen, niet als relatief waar binnen het taalspel dat bewijsvoering, rede of retoriek heet en ook niet op een andere onveranderlijke, vooringenomen wijze.

Integendeel, hij bekijkt de resultaten vanuit steeds wisselende standpunten, zeg maar gerust verdwijnpunten – monistische, dualistische, non-dualistische, pluralistische, nihilistische en noem maar op, net hoe de wind waait, de steen rolt, de pet staat, de vlag erbij hangt, of de onderjurk. Geen van de ontelbare gezichtspunten in de eindeloze ruimte houdt hij voor absoluut waar of onwaar, geldig of ongeldig, canoniek of aprocrief, subjectief of objectief, palliatief of curatief, exclusief of inclusief, tentatief, definitief of aperitief.
Dit gezichtspunt ook niet.

weetniet, weteloze, dwijsgeer, wiskunstenaar: iemand die niet weet

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

de mystiek van alledag