De derwisj en de dwaas

‘Voor hem die weet, zijn duizend verklaringen niet voldoende; voor hem die niet weet is ieder teken teveel.’ De derwisj en de dwaas; wervelende dwaalgesprekken over het soefisme.

Dwaalgids > Interviews, Mystiek > De derwisj en de dwaas

Draaien als een derwisj

De citaten waarmee ieder dwaalgesprekje hieronder opent, komen uit het boek Het pad van de Soefi, Idries Shah, uitgeverij Ten Have, Kampen 2009. Alleen de laatste vier niet; die komen uit Het pad van de Soefi van Javad Nurkbakhsh. De cijfers tussen haakjes zijn paginanummers.

Op deze pagina:

Vallen kunnen we allemaal

Een kind bezit geen ware kennis van de verworvenheden van een volwassene. Een gewone volwassene kan de verworvenheden van een geleerde niet bevatten. Op dezelfde wijze kan een geleerde de ervaringen van verlichte heiligen of soefi’s niet bevatten. (El-Ghazali, 33)

Hans: Een ongeschoolde volwassene kan de verworvenheden van een geschoolde volwassene niet bevatten. Een geschoolde volwassene kan de verworvenheden van een geleerde niet bevatten. Maar vallen kunnen ze allemaal.

Fatima: En een kind?

Hans: Dat zit nog te laag bij de grond.

Fatima: En die verlichte heiligen en soefi’s?

Hans: Die zijn al gevallen.

Nog voor de schepping van de illusie

We dronken ter ere van de Vriend, bedwelmden onszelf nog voor de schepping van de wingerd. (Ibn el-Farid, 37)

Hans: We dronken zonder drank, smeerden hem nog voor de schepping van de Vriend.

Fatima: Bedoel je dat ook de Vriend een illusie is?

Hans: We dronken zonder drank, smeerden hem nog voor de vernietiging van de Vriend.

Fatima: Heb jij de illusie doorzien?

Hans: We dronken zonder drank, smeerden hem nog voor de vernietiging van de illusie.

Fatima: Bedoel je dat álles een illusie is?

Hans: We dronken zonder drank, smeerden hem nog voor de schepping van de illusie.

Wanneer niet-weten komt, wordt de Waarheid verdreven

Wanneer de Waarheid komt, wordt de extase verdreven. (56)

Hans: Wanneer niet-weten komt, wordt de Waarheid verdreven.

Fatima: Ook de Waarheid heeft niet het laatste woord?

Hans: Bij mij in ieder geval niet. Of je moet met de Waarheid niet-weten bedoelen.

Fatima: Wanneer wordt niet-weten verdreven?

Hans: Wanneer niet-weten komt.

Fatima: Hè?

Hans: Ik kan het ook niet helpen.

Fatima: Wanneer niet-weten komt, wordt niet-weten verdreven?

Hans: Dat is precies het verschil met de Waarheid.

Fatima: Wat is precies het verschil?

Hans: Dat niet-weten zelfvernietigend is.

Fatima: In welke zin?

Hans: Als je niets weet, dan ook niet dat je niets weet.

Fatima: Heeft niet-weten altijd het laatste woord?

Hans: Niet-weten heeft nooit het laatste woord.

Fatima: Maar je zei net zelf…

Hans: Omdat het niets te zeggen heeft.

Fatima: Omdat er niets te zeggen is?

Hans: Dat zou toch weer zeggen zijn.

Fatima: Wanneer niet-weten komt, wordt niet-weten verdreven.

Hans: Jij zegt het.

Fatima: Wat blijft er dan nog over?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Lees ook: De Intergalactische Waarheidsconferentie

Wat blijft er over zonder formulering?

Het soefisme is de waarheid zonder formulering. (Ibn el-Lali, 59)

Hans: Waarheid zonder formulering is een formulering.

Fatima: Misschien had hij gewoon “Het soefisme is de waarheid” moeten zeggen?

Hans: Waarheid’ is een formulering.

Fatima: Wat blijft er over zonder formulering?

Hans: Zeg jij het maar.

Fatima: Stilte?

Hans: Stilte is een formulering.

Fatima: Niet als woord maar als daad, bedoel ik.

Hans: Allemaal woorden.

Fatima: …

Hans: …

Fatima: Zo beter?

Hans: Mij te veelzeggend.

Fatima: Wat zou jij zeggen?

Hans: Tja.

Fatima: Tja?

Hans: Dat zou nog beter zijn.

Fatima: Tja met een vraagteken zou nog beter zijn dan Tja zonder vraagteken?

Hans: Maar om dat nou soefisme te noemen…

Lees ook: Meester Tja en de tao van tja.

In het zicht van de haven

Je bezit alleen maar wat niet bij een schipbreuk verloren kan gaan. (El Ghazali, 74)

Hans: Gevaarlijke uitspraak.

Fatima: Hoezo?

Hans: Omdat mensen dan meteen weer iets gaan verzinnen dat bij een schipbreuk niet verloren kan gaan.

Fatima: Wat kan er bij een schipbreuk niet verloren gaan?

Hans: Zie je wel?

Fatima: Nou?

Hans: Nou?

Fatima: Dat wat onvergankelijk, eeuwig en absoluut is.

Hans: Namelijk?

Fatima: Het Zien. De Kenner. De Geest. Het Zelf. Het Ene. Essentie. Bewustzijn. Liefde. Boeddhanatuur. Brahman. Tao. God.

Hans: Zie je wel?

Fatima: Wat?

Hans: Dat je meteen weer iets gaat verzinnen dat bij een schipbreuk niet verloren kan gaan.

Fatima: Bedoel je dat God een illusie is?

Hans: En dan krijg je dit soort discussies.

Fatima: Bedoel je dat alles tijdelijk en relatief is?

Hans: Zie je wel?

Ik zaai alleen maar twijfel

In cel en kloostergang, in klooster en synagoge: Sommigen vrezen de hel en anderen dromen van het paradijs. Maar niemand die werkelijk de geheimen van zijn God kent, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant. (Omar Khayyam, 76)

Hans: In cel en kloostergang, in klooster en synagoge: Sommigen vrezen geheimen, anderen verlangen naar God. Maar niemand die werkelijk het zoeken voorbij is, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Fatima: Blijft er dan helemaal niets over?

Hans: Iets, niets; niemand die het zoeken werkelijk voorbij is, heeft zaadjes als deze in zijn hart geplant.

Fatima: Verwijs je naar non-dualiteit?

Hans: Dualiteit, non-dualiteit…

Fatima: Gaat het erom niet meer te zoeken?

Hans: Zoeken, niet-zoeken…

Fatima: Gaat het erom niet te vinden?

Hans: Vinden, niet-vinden…

Fatima: Nou weet ik weer niks.

Hans: Weten, niet-weten…

Fatima: Wat voor zaadjes heb jij in je hart geplant?

Hans: Ik zaai alleen maar twijfel.

Wat is een mysterie?

Het geheim moet aan alle niet-mensen onthouden worden. Het mysterie moet aan alle idioten verborgen blijven. Zie wat je de mensen aandoet. Het Oog moet aan alle mensen verborgen blijven. (Omar Khayyam, 76)

Hans: Zeg Omar maar dat hij zich niet ongerust hoeft te maken.

Fatima: Waarom niet?

Hans: Niet-mensen kunnen het geheim toch niet onthouden, en mensen kun je er onmogelijk iets mee aandoen.

Fatima: Waarom niet?

Hans: Omdat de idioten zich voor het mysterie verborgen houden en alle mensen wegkijken van het Oog.

Fatima: Ze willen er niets van weten.

Hans: Ze willen niets weten van niet weten.

Fatima: En jij?

Hans: Ik weet zelfs niet van niet weten.

Fatima: En dat zou het mysterie zijn?

Hans: Vraag maar aan Omar Khayyam.

Fatima: Die is al eeuwen dood.

Hans: Daarom heeft hij het geheim nog niet meegenomen in zijn graf.

Fatima: Wat heeft hij er dan mee gedaan?

Hans: Alsof je er iets mee kunt doen.

Fatima: Wat is volgens jou het mysterie?

Hans: Ik ben het mysterie. Jij bent het mysterie. Omar Khayyam is het mysterie. De idioten zijn het mysterie. Alle mensen zijn het mysterie. Niet-mensen zijn het mysterie.

Fatima: De hele wereld is het mysterie?

Hans: De hele wat?

Fatima: Is God een ander woord voor mysterie?

Hans: God, daar vraag je me wat.

Fatima: Wat is geen mysterie?

Hans: Wat is een mysterie?

Fatima: Nou?

Hans: Een woord? Een voorbijgaande gedachte? Een manier van kijken? De volgende waan?

Fatima: De hoogste werkelijkheid, zou ik zeggen.

Hans: Idioot.

Doorlopende voorstelling

Weet je wat een mens van de aarde kan zijn, Khayyam? Een lantaren van fantasieën en daarbinnen een lamp. (Omar Khayyam, 78)

Hans: Mooie fantasie.

Fatima: Wat?

Hans: Of wou je dit soms een lamp noemen?

Fatima: Volgens mij bedoelt Khayyam dat je niet de voorstellingen in je bewustzijn bent maar het bewustzijn zelf.

Hans: Is dit een voorstelling in je bewustzijn of het bewustzijn zelf?

Fatima: Eh… een voorstelling in mijn bewustzijn?

Hans: Nou dan.

Fatima: Maar die voorstelling kan toch alleen vertoond worden aan het bewustzijn dat ik ben?

Hans: Is dit een voorstelling in je bewustzijn of het bewustzijn zelf?

Fatima: Eh… een voorstelling in mijn bewustzijn?

Hans: Nou dan.

Fatima: Wou jij beweren dat alles een voorstelling in het bewustzijn is?

Hans: Tenzij bewustzijn ook maar een voorstelling is.

Fatima: Waarin?

Hans: Waarin wat?

Fatima: Waarin verschijnt de voorstelling van bewustzijn?

Hans: Wie zegt dat een voorstelling ergens in moet verschijnen?

Fatima: Dat lijkt me nogal logisch.

Hans: Misschien is dat ook maar een voorstelling.

Fatima: Waarvan?

Hans: Ergens van of nergens van.

Fatima: Waarin?

Hans: Ergens in of nergens in.

Fatima: In mij?

Hans: Misschien is dat ook maar een voorstelling.

Fatima: Maar waarvan?

Hans: Dat bedoel ik.

Fatima: En waarin?

Hans: Precies.

Fatima: Ik begin te vermoeden waar je op doelt.

Hans: Mooie fantasie.

Fatima: Pardon?

Hans: Of wou je dit soms een lamp noemen?

Ben ik?

Iedereen heeft een theorie over mij. Ik ben mezelf; wat ik ben, ben ik. (Omar Khayyam, 78)

Hans: Iedereen heeft een theorie over mij. Ik ook. Maar wat ik nou ben?

Fatima: Volgens mij bedoelt Khayyam dat ook.

Hans: Iedereen heeft een theorie over hem. Jij ook.

Fatima: Welke theorie heb jij over jezelf?

Hans: De ene na de andere.

Fatima: Misschien is dat wel wat je bent.

Hans: Wat?

Fatima: Iemand die de ene theorie na de andere over zichzelf heeft.

Hans: Iedereen heeft een theorie over mij. Jij ook.

Maar je ogen glansden

Verneem over de tijd toen er zielen waren en geen lichamen.
Dit was een periode van enkele jaren, maar elk van die jaren was er een van onze millennia.
De zielen waren alle in slagorde geschaard. De wereld werd hun getoond. Negen van de tien zielen renden eropaf.
Daarop werd de overblijvende zielen de hel getoond. Negen van de tien zielen renden er vol afschuw van weg.
Toen waren er nog maar enkele zielen, zij die door niets werden geraakt. Ze voelden zich niet aangetrokken door de aarde of door het paradijs, maar evenmin hadden ze de hel gevreesd. De Hemelse Stem sprak tot de overblijvenden en zei: ‘Idiote zielen, wat willen jullie dan?’
De zielen antwoordden in koor: ‘Gij die alles weet, weet ook dat Gij het zij die we begeren en dat we Uw Aanwezigheid niet wensen te verlaten.’
De stem zei tot hen: ‘De begeerte naar Ons is gevaarlijk, veroorzaakt ontbering en talloze gevaren.’
De zielen antwoordden hem: ‘Gaarne willen we alles meemaken als we maar bij U kunnen zijn, en alles verliezen teneinde alles te verwerven.’ (Ilahi-Nama, 86)

Hans: Waarom houdt het nou op?

Fatima: Meer staat er niet.

Hans: We zijn nog niet eens halverwege.

Fatima: Hoe ging het dan verder?

Hans:

Negen van de tien zielen renden op de Hemelse Stem af.
De rest vroeg: Is de begeerte naar Ons inderdaad gevaarlijk; veroorzaakt deze werkelijk ontbering en talloze gevaren?
Er kwam geen antwoord.

Negen van de tien zielen renden vol afschuw weg voor de stilte.
De rest vroeg: Moeten wij inderdaad alles verliezen teneinde alles te verwerven?
Er kwam geen antwoord.

Negen van de tien zielen renden vol afschuw weg voor de stilte.
De rest vroeg honderduit.
Er kwam geen antwoord.

Negen van de tien zielen renden vol afschuw weg voor de stilte.
De rest vroeg of er dan helemaal geen antwoorden waren.
Er kwam geen antwoord.

Negen van de tien zielen renden vol afschuw weg voor de stilte.
De rest vroeg of stilte soms het antwoord was.
Er kwam geen antwoord.

Negen van de tien zielen renden vol afschuw weg voor de stilte.
De rest bewaarde tot het einde der tijden een hoopvol stilzwijgen.
Er kwam geen antwoord.

De laatste zielen renden vol afschuw weg voor de stilte.
Alleen jij verloor de moed niet.
Je hield de moed er niet in.
Je rende niet weg en je bleef niet.
Je sprak niet, je zweeg niet en je wist niet.
Maar je ogen glansden en om je mond speelde een flauwe glimlach.

Fatima: En toen?

Hans: Zag je alle zielen voor je in slagorde geschaard.

Opgebrand

De ware minnaar vindt alleen dan het licht wanneer hij, zoals de kaars, zijn eigen brandstof is en zichzelf verteert. (Attar, 89)

Hans: Of een kaars nou zichzelf verteert of uitgeblazen wordt, de ware minnaar vindt uiteindelijk net als de kaars alleen duisternis.

Verwarring is het meest nabij

De waarheid heeft alle geleerden van de islam in verwarring gebracht. Iedereen die de psalmen bestudeerd heeft. Elke joodse rabbi. Elke christelijke priester. (Ibn el-Arabi, 97)

Hans: Verwarring is het meest nabij.

Fatima: Volgens koan twintig van het Boek van Sereniteit is niet weten het meest nabij.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Fatima: Volgens mij wil el-Arabi alleen maar zeggen dat geleerdheid niet de weg naar wijsheid is.

Hans: Wijsheid ook niet.

Fatima: Maar wat is nou de Waarheid?

Hans: Dat is nou de Waarheid.

Fatima: Dan ligt hij voor het grijpen.

Hans: Lekker laten liggen.

Fatima: Verdraaid nog aan toe.

Hans: Wat is er?

Fatima: Waarom snap ik het nou niet?

Hans: Wat niet?

Fatima: Ik begrijp gewoon niet wat je wilt zeggen.

Hans: Misschien omdat ik niks wil zeggen.

Fatima: En die Ibn el-Arabi is me ook een raadsel.

Hans: Verwarring is het meest nabij.

Over het nut van spreekwoorden

Als de strijd losbarst is het het slanke paard, niet de logge os, dat zijn nut bewijst. (Saadi van Shiraz, 102)

Hans: En als de oogst begint?

De alchemist sterft, en de dwaas ook

De alchemist sterft in pijn en frustratie terwijl de dwaas in een ruïne een schat ontdekt. (Saadi, 102)

Hans: Wat voor schat?

Fatima: Als ik dat wist zat ik nu niet met jou te praten.

Hans: Alchemist.

Fatima: Wat zou jij zeggen?

Hans: De alchemist sterft in pijn en frustratie terwijl de dwaas in oud ijzer een schat herkent.

Fatima: Mooi.

Hans: De alchemist sterft in pijn en frustratie terwijl de dwaas in pijn en frustratie een schat herkent.

Fatima: Diep.

Hans: De alchemist leeft in blijde verwachting en de dwaas zonder.

Fatima: Dat kan ook nog.

Hans: De alchemist sterft in frustratie en de dwaas sterft in pijn.

Fatima: Hm.

Hans: De alchemist sterft en de dwaas ook.

Fatima: Keuze genoeg, zou ik zeggen.

Hans: Welke uitspraak komt volgens jou het dichtst bij de Waarheid?

Fatima: Als ik dat wist zat ik nu niet met jou te praten.

Wie ingenomen is met zichzelf beseft niet

Wie ingenomen is met zichzelf beseft niet dat hij ooit de waarheid te horen krijgt. (Saadi, 104)

Hans: Wie ingenomen is met zichzelf beseft niet dat hij nooit de waarheid te horen krijgt.

Sterf zacht

Het toevluchtsoord is vóór u en de dief achter u. Als u verdergaat, wint u; als u slaapt, sterft u. (Saadi, 105)

Hans: De moordenaar is in u.

Zo ge veiligheid zoekt, die is nergens

Diep in de zee is onvergelijkelijke rijkdom, maar zo ge veiligheid zoekt, die is aan wal. (Saadi, 107)

Hans: Diep in de zee is onvergelijkelijk, maar zo ge rijkdom zoekt, die is aan wal.

Fatima: En zo ge armoede zoekt?

Hans: Die is ook aan wal.

Fatima: En die veiligheid dan?

Hans: Die is nergens.

Geen middel en geen doel

Als een derwisj in een toestand van zielsverrukking bleef verkeren, zou hij in beide werelden tot brokstukken uiteenvallen. (Saadi, 109)

Hans: Dat gebeurt toch wel.

Fatima: Niettemin schijnt het belangrijk te zijn dat de derwisj niet in een toestand van zielsverrukking blijft hangen.

Hans: Dat gebeurt toch niet.

Fatima: Bedoelt Saadi hier niet dat zielsverrukking een middel is en geen doel?

Hans: Als een derwisj in een toestand van doelgerichtheid blijft verkeren, zal hij in beide werelden tot brokstukken uiteenvallen.

Fatima: Of hij nou in een toestand van middelgerichtheid of in een toestand van doelgerichtheid blijft hangen, in beide werelden zal hij tot brokstukken uiteenvallen?

Hans: Alsof hij oorspronkelijk een eenheid was.

Fatima: Over welke twee werelden heeft Saadi het eigenlijk?

Hans: Precies.

Vergeet de pointe

Noch belast ik een kameel
Noch draag ik de last van een kameel;
Noch regeer ik, noch word ik geregeerd.
Noch heb ik zorgen om het Verleden,
Het Heden of de Toekomst.
Volledig adem ik, volledig leef ik.
(Saadi, 109)

Hans:

Al belast ik een kameel
Al draag ik de last van een kameel
Al draag ik een kameel
Al regeer ik en word ik geregeerd
Al heb ik zorgen om het Verleden,
Het Heden of de Toekomst.

Fatima: Ga door.

Hans: Waarmee?

Fatima: Je vergeet de pointe.

Hans: Dat is de pointe.

Geneuzel over wijsheid

Ik zag een man die zich in gebed ter aarde wierp en riep uit: ‘Je legt de last van je neus op de grond met de uitvlucht dat dit een vereiste van het bidden is.’ (Hakim Jami, 113)

Hans: Hakim steekt zijn neus in de wind met de uitvlucht dat dit een vereiste van de wijsheid is.

Fatima: En jij dan?

Hans: Ik loop gewoon mijn neus achterna.

Bekijk het eens van alle kanten

Is de herder er voor de kudde of de kudde voor de herder? (Jami, 114)

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Fatima: Is dat alles wat je te zeggen hebt?

Hans: Om over de eigenaar, de veearts, de parasiet, de slager, de consument, het gras, de mest, de regen, de lucht, de aarde en de zon nog maar te zwijgen.

Fatima: Volgens mij stelt Jami hier een retorische vraag over goed leiderschap.

Hans: Is de vraag er voor het antwoord of het antwoord voor de vraag?

Fatima: Volgens Jami…

Hans: Is de wijze er voor de wijsheid of de wijsheid voor de wijze?

Fatima: Stelt een goed herder zich in dienst van de kudde.

Hans: Is A er voor B of is B er voor A of zijn A en B er voor elkaar of zijn A en B er voor zichzelf of zijn A en B er voor C of staat alles op zichzelf of is alles een of is alles een illusie of wat?

Fatima: Wat?

Hans: Iedere mogelijkheid vertegenwoordigt slechts één manier van kijken.

Fatima: Iedere mogelijkheid vertegenwoordigt slechts één manier van kijken?

Hans: Deze ook.

Fatima: Maar wat is nou de Waarheid?

Hans: Dat is nou de waarheid.

Fatima: Bedoel je dat er geen Waarheid is?

Hans: Dat is gewoon weer een manier van kijken.

Waar geen heiligheid kan bestaan en niets te praktiseren valt

Wat is eerlijkheid iets prachtigs en wat is schijnheiligheid iets vreemds!
Ik ben naar Mekka en Bagdad getrokken en ik heb het gedrag van de mensen op de proef gesteld.
Als ik ze vroeg om eerlijk te zijn, behandelden ze me altijd vol eerbied, omdat men hun geleerd had dat goede mensen altijd zo spreken en ze geleerd hadden dat ze hun ogen neer moeten slaan wanneer de mensen het over eerlijkheid hebben.
Toen ik ze zei de schijnheiligheid te schuwen, waren ze het allen met me eens.
Maar ze wisten niet dat ik, als ik ‘waarheid’ zei, wist dat zij niet wisten wat waarheid is en dat daarom zij en ik dan schijnheiligen waren.
Ze wisten niet dat ze, als ik ze zei geen schijnheiligen te zijn, schijnheiligen waren om me niet naar de methode te vragen. Ze wisten niet dat ik een schijnheilige was door alleen maar te zeggen ‘Wees geen schijnheilige’, omdat woorden de boodschap niet uit zichzelf overbrengen.
Ze hadden daarom eerbied voor mij als ik schijnheilig handelde. Dit had men hun zo geleerd. Ze respecteerden zichzelf terwijl ze schijnheilig dachten; want het is schijnheilig te denken dat men beter wordt door alleen maar te denken dat het slecht is om schijnheilig te zijn.
Het Pad leidt verder: naar de praktijk waar geen schijnheiligheid kan bestaan, waar eerlijkheid niet iets is dat het doel van de mens is.
(Jami, 115)

Hans: En dan nog verder.

Fatima: Waarheen?

Hans: Naar de praktijk waar geen heiligheid kan bestaan en niets te praktiseren valt.

Fatima: En dan?

Hans: Dan?

Fatima: Leidt het Pad dan nog verder?

Hans: Welk pad?

Om mijn Geliefde niet tekort te doen

Wat kan ik doen, moslims? Ik ken mijzelf niet eens.
Ik ben geen christen, geen jood, geen magiër, geen musulman.
Niet uit het oosten, niet uit het westen.
Niet van het land, niet van de zee.
Niet van de mijn der natuur, niet van de cirkelende hemelen.
Niet van de aarde, niet van het water, niet van de lucht, niet van het vuur.
Niet uit India, China, Bulgarije, Saqseen.
Niet van het koninkrijk der Irakezen of van Khorasan.
Niet van deze wereld of de volgende, niet van hemel of hel.
Niet van Adam, Eva, de tuinen van het paradijs of Eden.
Mijn plaats plaatsloos, mijn spoor spoorloos.
Noch lichaam, noch ziel:
Alles is het leven van mijn Geliefde.
(Jalaludin Rumi, 121)

Hans: Jammer van die laatste zin.

Fatima: Wat zou jij zeggen?

Hans: Wat kan ik doen, moslims? Ik ken mijzelf niet eens.

Fatima: Dat staat ook al aan het begin.

Hans: Rumi valt met de deur in huis.

Fatima: Wat voor misverstanden denk je te kunnen vermijden door de zin ‘Alles is het leven van mijn Geliefde’ weg te laten?

Hans: Personificatie. Reïficatie. Deïficatie. Alsof er niet alleen in overdrachtelijke zin maar ook letterlijk een geliefde zou zijn in de vorm van een persoon, ding of opperwezen.

Fatima: Want die is er niet?

Hans: Wat weet ik daarvan?

Fatima: Is niet-weten jouw geliefde?

Hans: Alleen maar bij wijze van spreken.

Fatima: Maar jij houdt toch van niet weten?

Hans: Alleen maar bij wijze van spreken.

Fatima: Niet weten is niet iets.

Hans: En ook niet niets.

Fatima: Wat is het dan wel?

Hans: Niet weten is gewoon niet weten. Dat je het niet weet.

Fatima: Meer wil je er niet over zeggen?

Hans: Minder wel.

Fatima: Vanwaar die obstinate terughoudendheid?

Hans: Om mijn Geliefde niet tekort te doen.

Ik zie hem nu ik niet langer zoek

Kruis en christenen, begin tot einde, heb ik onderzocht. Hij was niet aan het kruis. Ik ben naar de hindoetempel gegaan, naar de oude pagoda. In geen daarvan was ook maar enig teken. Naar de hooglanden van Herat ben ik gegaan, en naar Kandahr. Ik zocht. Hij was niet in de hooglanden of in de laaglanden. Vastberaden ben ik naar de top van de berg Kaf gegaan. Daar was slechts de woonstee van de Anqua-vogel. Ik ben naar de Kaaba van Mekka geweest. Hij was er niet. Ik heb naar hem gevraagd bij Avicenna de denker. Hij was buiten het bereik van Avicenna. Ik zocht in mijn eigen hart. Op die, zijn plaats, zag ik hem. Hij was nergens anders. (Rumi, 123)

Hans: Jammer van die laatste zin.

Fatima: Dat zei je net ook al.

Hans: Jammer dan.

Fatima: Wat zou jij zeggen?

Hans: Ik zocht in mijn eigen hart. Hij was er niet. Hij was nergens anders. Ik zocht niet langer. Op die, zijn plaats, zag ik hem.

Fatima: Prachtig.

Hans: Jammer van die laatste zin.

Fatima: ‘Op die, zijn plaats, zag ik hem’?

Hans: Was dat nou nodig?

Fatima: Het zijn nota bene je eigen woorden.

Hans: Zo zie je maar weer.

Fatima: Wat is er mis mee?

Hans: Weer die personificatie, hè.

Fatima: ‘Hem’?

Hans: En ‘zijn’ plaats.

Fatima: Niet weten is geen ‘hem’.

Hans: En ook geen haar of het en ook niets anders en ook niet niets.

Fatima: Laat staan dat geen-hem, geen-haar of geen-het een plaats zou hebben.

Hans: Of zelfs maar geen-plaats.

Fatima: Allemaal misleiding.

Hans: Net als ‘niet weten’.

Fatima: Hè?

Hans: Weg ermee.

Fatima: Weg met niet-weten?

Hans: En weg ook met het weg ermee.

Tip: Zoeken naar het einde van het zoeken

Wat zou je zeggen als je lippen waren dichtgenaaid?

Steeds wanneer men iemand de Geheimen van de Waarneming leert, zijn zijn lippen dichtgenaaid om niet van het Bewustzijn te spreken. (Rumi, 124)

Hans: En dat zou Rumi gezegd hebben?

Fatima: Tenzij de vertaler er een potje van gemaakt heeft.

Hans: Dan waren Rumi’s lippen niet dichtgenaaid.

Fatima: Hoe bedoel je?

Hans: Anders zou hij nooit van het Bewustzijn gesproken hebben.

Fatima: Op die manier.

Hans: En nooit van de Geheimen van de Waarneming.

Fatima: Nee.

Hans: En hij zou nooit hebben gezegd dat zijn lippen waren dichtgenaaid.

Fatima: Want zijn lippen waren dichtgenaaid.

Hans: Precies.

Fatima: Wat zou hij wel gezegd hebben?

Hans: Hmmm hmm hmmm hmmmmmmm hm.

Fatima: Hè?

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Fatima: Hoe zou jij het zeggen?

Hans: Als mijn lippen waren dichtgenaaid?

Fatima: Als je nog steeds kon spreken. Of opnieuw had leren spreken.

Hans: Ik kan nog steeds spreken. En ik heb opnieuw leren spreken.

Fatima: Nou?

Hans: Hmmm hmm hmmm hmmmmmmm hm.

Fatima: Op die manier.

Wou jij het opnemen tegen de zonneschijn?

Het verstand is de schaduw van de objectieve Waarheid. Hoe kan de schaduw het tegen de zonneschijn opnemen? (Rumi, 124)

Hans: De objectieve Waarheid is een projectie van het verstand.

Fatima: En als Rumi dat had gezegd?

Hans: Dan had ik gezegd: ‘Het verstand ook.’

Fatima: En als hij dan had gezegd, ‘Hoe kan dat nou!’

Hans: Dan had ik gezegd, ‘Projectie ook.’

Fatima: Hoe kan dat nou!

Hans: Wou jij het opnemen tegen de zonneschijn?

Is gras al niet compleet onvoorstelbaar?

Telkens weer ben ik als gras gegroeid.
Ik heb zevenhonderdzeventig vormen meegemaakt.
Ik ben aan het minerale gestorven en plantaardig geworden.
Ik ben aan het plantaardige gestorven en dierlijk geworden.
Ik ben aan het dierlijke gestorven en een mens geworden.
Waarom dan bang zijn door de dood te verdwijnen?
De volgende keer sterf ik en breng vleugels en veren als de engelen voort.
Daarna, hoger opvliegend dan de engelen;
Wat u zich niet kunt voorstellen: dat word ik.
(Rumi, 125)

Hans: Wat u zich niet kunt voorstellen: dat bén ik.

Fatima: Dat bén ik?

Hans: Wat ben ik?

Fatima: Wat?

Hans: Ben ik?

Fatima: Wat bedoel je?

Hans: Dat je voor het onvoorstelbare echt niet dood hoeft te gaan.

Fatima: Niet?

Hans: Is gras al niet compleet onvoorstelbaar?

Fatima: Nou je het zegt.

Hans: Om over mineralen, dieren, vleugels, veren, engelen, vliegen en de dood nog maar te zwijgen.

Fatima: Dus?

Hans: Telkens weer ben ik als gras gegroeid. Onvoorstelbaar!
Ik heb zevenhonderdzeventig vormen meegemaakt. Onvoorstelbaar!
Ik ben aan het minerale gestorven en plantaardig geworden. Onvoorstelbaar!
Ik ben aan het plantaardige gestorven en dierlijk geworden. Onvoorstelbaar!
Ik ben aan het dierlijke gestorven en een mens geworden. Onvoorstelbaar!
De volgende keer sterf ik en breng vleugels en veren als de engelen voort. Onvoorstelbaar!
Daarna, hoger opvliegend dan de engelen;
Wat ik mij niet kan voorstellen: dat ben ik.
Waarom dan bang zijn door de dood te verdwijnen?

Fatima: Ja, waarom eigenlijk.

Hans: Ja, waarom eigenlijk niet.

Tip: De mystiek van alledag

De derwisj is wijs zonder waarheid; dwaas zonder gekheid

De Man Gods is dronken zonder wijn:
De Man Gods is verzadigd zonder voedsel.
De Man Gods is verrukt, verbaasd:
De Man Gods kent voedsel noch slaap.
De Man Gods is een koning onder een nederige mantel:
De Man Gods is een schat in een bouwval.
De Man Gods is niet van wind en aarde:
De Man Gods is niet van vuur en water.
De Man Gods is een zee zonder kust:
De Man Gods regent parels zonder een wolk.
De Man Gods heeft honderd manen en hemelen:
De Man Gods heeft honderdvoudig zonneschijn.
De Man Gods is wijs door de Waarheid:
De Man Gods is geen geleerde uit een boek.
De Man Gods gaat zowel geloof als ongeloof te boven:
Wat bestaat er voor ‘zonde’ of ‘verdienste’ voor de Man Gods?
(Rumi, 126)

Hans: Ik hou van paradoxen, maar al die grote woorden kunnen me gestolen worden.

Fatima: Vooral die Man Gods zeker?

Hans: God heeft zich bij mijn weten niet aan mij geopenbaard; niet als mijzelf, niet als het totaal andere, niet als het alomvattende ene en ook niet op andere wijze. Hij houdt zich bij mijn weten ook niet voor mij verborgen. Hoe zou ik mezelf dan een Man Gods kunnen noemen? Ik durf mezelf niet eens een man te noemen. En een wijze ben ik evenmin. Ik heb de Waarheid niet in pacht.

Fatima: Een dwaas dan maar?

Hans: Ach.

Fatima: Een dwijze?

Hans: Och.

Fatima: Of toch maar een derwisj?

Hans: Wat zegt een naam…

Fatima: De derwisj is dronken zonder wijn…

Hans:

De derwisj is dronken zonder wijn; hij is leeg zonder honger.
De derwisj is verrukt en verbaasd; hij is verrückt en verdwaasd.
De derwisj is een koning zonder rijk; hij is een rijk zonder koning.
De derwisj is niet van wind en aarde; hij is niet van gisteren of vandaag.
De derwisj is een zee zonder kust; hij regent zonder wolk.
De derwisj is wijs zonder waarheid; dwaas zonder gekheid.
De derwisj is niet goed of slecht; hij gelooft zelfs niet in ongeloof.
De derwisj ziet tienduizend werelden; de werelden zien hem niet.

Fatima: Omdat hij in wezen onzichtbaar is?

Hans: Heb jij soms gedronken?

Tip: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten

Zo ge me zoekt, zult gij mij missen, maar verborgen ben ik niet

De Profeet zei dat de Waarheid verklaard heeft:
Ik ben niet verborgen in wat hoog of laag is
Niet in aarde, lucht of troon.
Dit is zekerheid, o geliefde:
Ik ben verborgen in het hart van de gelovige.
Zo ge me zoekt, zoek in deze harten.
(Rumi, 126)

Hans: Ik ben niet verborgen in wat hoog of laag is
Niet in aarde, lucht of troon.
Niet in zekerheid, niet in twijfel.
Niet in geloof of ongeloof.
Niet in de ziel, niet in het hart.
Zo ge me zoekt, zult gij mij missen.
Maar verborgen ben ik niet.

Fatima: Heb je het nou over God?

Hans: Wat ben ik, een Profeet?

Fatima: Over de Waarheid dan?

Hans: Wat ben ik, een Leugenaar?

Fatima: Over de Liefde?

Hans: Wat ben ik, blind?

Fatima: Waar heb je het dan over?

Hans: Wat ben ik, een oud wijf?

Fatima: Is dit een toespeling op niet weten?

Hans: Wat ben ik, een dwaas?

De Waarheid lost op in de soefi

De Wetenschap der Waarheid lost op in de kennis van de soefi. Wanneer zal het mensdom dit gezegde gaan begrijpen? (Rumi, 127)

Hans: Wanneer de mens dom genoeg is.

Fatima: Wat maak jij ervan?

Hans: De Waarheid lost op in de soefi.

Fatima: En die Wetenschap der Waarheid dan?

Hans: Ook opgelost.

Fatima: En de kennis van de soefi?

Hans: Ook.

Fatima: Alles lost op in de soefi.

Hans: Ook de soefi.

Fatima: Alles lost op.

Hans: Bij wijze van spreken dan.

Fatima: Wanneer zal het mensdom dit gezegde gaan begrijpen?

Hans: Nooit zal het mensdom dit gezegde gaan begrijpen.

Fatima: Waarom niet?

Hans: Omdat het geen kwestie van begrijpen is.

Erger dan zelfrechtvaardiging

Zelfrechtvaardiging is erger dan het oorspronkelijke vergrijp. (Sjeik Ziaudin, 169)

Hans: En oordelen?

Wat is uw leer? Tja

Ik kwam in een stad, waar de mensen om me heen dromden.
Ze zeiden: ‘Waar komt u vandaan?’
Ze zeiden: ‘Waar gaat u heen?’
Ze zeiden: ‘In wat voor gezelschap reist u?’
Ze zeiden: ‘Wat is uw stamboom?’
Ze zeiden: ‘Wat is uw erfenis?’
Ze zeiden: ‘Wie kunt u begrijpen?’
Ze zeiden: ‘Wie begrijpt u?’
Ze zeiden: ‘Wat is uw leer?’
Ze zeiden: ‘Wie heeft de hele leer?’
Ze zeiden: ‘Wie heeft er helemaal geen leer?’
Ik zei tegen hen:
‘Wat u als veel voorkomt is één;
Wat u eenvoudig voorkomt is het niet;
Wat u samengesteld voorkomt is eenvoudig.
Het antwoord aan u allen is: “De soefi’s”.’
(Bahaudin, 179)

Hans: Ik wil niet moeilijk doen maar grammaticaal klopt hier geen hout van.

Fatima: O?

Hans: De soefi’s is een naam voor een groep personen. Hoe kan een groep personen nou een oorsprong, bestemming, stamboom, erfenis of leer zijn? Alleen op wie-vragen kun je zo’n antwoord geven. Maar misschien is dit probleem in de vertaling ontstaan.

Fatima: Ja, wie weet.

Hans: Nog een probleem, ik ben geen soefi en ik ken geen soefi. Jij?

Fatima: Eerlijk gezegd niet, nee.

Hans: Dan kan “de soefi’s” voor ons onmogelijk het ene antwoord zijn.

Fatima: Maar wat dan wel.

Hans: Tja.

Fatima: Is dat het ene antwoord of weet je het niet?

Hans:

Waar komt u vandaan? Tja.
Waar gaat u heen? Tja.
In wat voor gezelschap reist u? Tja.
Wat is uw stamboom? Tja.
Wat is uw erfenis? Tja.
Wie kunt u begrijpen? Tja.
Wie begrijpt u? Tja.
Wat is uw leer? Tja.
Wie heeft de hele leer? Tja.
Wie heeft er helemaal geen leer? Tja.

Fatima: Grammaticaal valt er niks op af te dingen…

Hans: Maar?

Fatima: Of dit is wat Bahaudin bedoelde?

Hans: Tja.

Fatima: Ik bedoel, je kunt wel zoveel zeggen.

Hans: Bahaudin ook.

Fatima: Maar dat is tenminste een erkende soefi.

Hans: Je kunt wel zoveel zeggen.

Fatima: We kunnen allemaal wel zoveel zeggen.

Hans: Zoveel zeg ik anders niet.

Fatima: Zeg dat wel.

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven.

Niemand heeft gelijk, zegt iemand

Maar dit is een oud verhaal dat je vertelt – zeggen ze.
Maar dit is toch een nieuw verhaal dat je vertelt – zeggen sommigen.
Vertel het nog eens – zeggen ze;
Of, niet nog een keer vertellen – zeggen sommigen;
Of, maar zo werd het vroeger niet verteld – zegt de rest.
En dit, dit is ons volk, Derwisj Baba, dit is de mens.
(Naqshband, 180)

Hans: Zegt Derwish Naqshband.

Fatima: Wat?

Hans:

Dit is niet ons volk, zeggen anderen.
Dit is niet de mens, zegt de rest.
Dit is niet de soefi, zegt de soefi.
Maar de soefi is ook een mens, zegt de mens.
Ieder mens is een soefi, zegt de derwisj.

Fatima: Maar wie heeft er nou gelijk?

Hans:

Niemand heeft gelijk, zegt iemand.
Ik heb gelijk, zegt een ander.
Ik niet, zeggen sommigen.
Wij ook, zegt de rest.
Iedereen heeft gelijk, zegt een enkeling.
Maar niet tegelijk, zegt de meerderheid.
Maar alleen tegelijk, zegt niemand.
Ik zeg niets, zegt iemand.
Iemand anders zegt niets.

De Gulden Uitweg

We wonen niet in het Oosten of Westen; we studeren niet in het Noorden, evenmin onderwijzen we in het Zuiden. (Al-Lahi, 183)

Hans: Noch houden wij het Midden.

Fatima: Verwijst Al-Lahi hier dan niet naar de Gulden Middenweg?

Hans: Ik hou het op de Gulden Uitweg.

Fatima: Wat is de Gulden Uitweg?

Hans: Dat hangt ervan af.

Fatima: Waarvan af?

Hans: Van waar je bent.

Fatima: Waar je ook bent, dat is je vertrekpunt?

Hans: Daar zou ik maar niet van uitgaan.

Fatima: Want we wonen niet in het Oosten of Westen; we studeren niet in het Noorden, evenmin onderwijzen we in het Zuiden.

Hans: Noch houden wij het Midden.

Het onvoorstelbare behoort tot het domein van het voorstelbare

Ga over van tijd en plaats tot tijdloosheid en plaatsloosheid, tot andere werelden. Daar ligt onze oorsprong. (Samarqandi Amini, 183)

Hans: ‘Overgaan’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Andere werelden’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Oorsprong’ behoort tot het domein van tijd en plaats.

Fatima: Waar kunnen wij tijdloosheid en plaatsloosheid vinden?

Hans: ‘Waar’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Vinden’ behoort tot het domein van tijd en plaats.

Fatima: Verwijs je met deze opmerkingen indirect naar het domein van tijdloosheid en plaatsloosheid?

Hans: ‘Verwijzen’ behoort tot het domein van tijd en plaats.

Fatima: Wat moet ik me volgens jou voorstellen bij tijdloosheid en plaatsloosheid?

Hans: ‘Voorstellen’ behoort tot het domein van tijd en plaats. ‘Tijdloosheid’ en ‘plaatsloosheid’ behoren tot het domein van het voorstellen.

Fatima: Verwijs je hiermee naar het domein van het onvoorstelbare?

Hans: ‘Het onvoorstelbare’ behoort tot het domein van het voorstelbare.

Fatima: Bedoel je dat we nooit uit de domeinen van ons verstand kunnen breken?

Hans: Wie ben ik, Immanuel Kant?

Fatima: Ik krijg hier een heel unheimisch gevoel van.

Hans: Miesj?

Fatima: Unheimisch.

Hans: Unheimlich, zei de Duitser pedant.

Fatima: Maar waar ligt nou onze oorsprong?

Hans: Daar ligt nou onze oorsprong.

Als je maar doorloopt

Het Pad kan door een druppel water lopen, maar ook door een gecompliceerd voorschrift. (Al-Bokhari, 183)

Hans: Als je maar doorloopt.

Fatima: Is ‘als je maar doorloopt’ een druppel water of een gecompliceerd voorschrift?

Hans: Als je maar doorloopt.

Komt tijd, komt wat ook

Als het tijd voor stilte is, dan stilte; is het tijd voor gezelligheid, dan het gezellige; op de plaats van het streven, streef. In de tijd van en op de plaats van wat ook, wat ook. (Derwisj, 183)

Hans: Ook een manier om niks te zeggen.

Fatima: Nou zeg.

Hans: Ik bedoel dat niet neerbuigend. Niets zeggen is het moeilijkste wat er bestaat.

Fatima: Volgens mij bedoelt Derwisj dat je altijd met de stroom mee moet gaan.

Hans: Als het tijd is voor meegaan, dan meegaan; is het tijd voor tegenstreven, dan tegenstreven.

Fatima: Ik begin zo langzamerhand mijn geduld met je te verliezen.

Hans: Als het tijd is voor geduld, dan geduld; is het tijd voor geduld verliezen, dan geduld verliezen.

Fatima: Stik.

Hans: Is het tijd voor schelden, dan schelden.

Fatima: Sorry, dat had ik niet mogen zeggen.

Hans: Is het tijd voor verontschuldigen, dan verontschuldigen.

Fatima: Tja.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Fatima: Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Fatima: Is dit werkelijk wat Derwisj bedoelde?

Hans: Is het tijd voor interpreteren, dan interpreteren.

Fatima: Heel teleurstellend weer.

Hans: Is het tijd voor…

Hans: Het volgende citaat, dan het volgende citaat.

Spreek niet over bereiken en niet-bereiken

Spreek niet alleen van de Vier Wegen, of van de Tweeënzeventig Paden, of van de ‘Paden talloos als de zielen van de Mensen’. Heb het in plaats daarvan over het Pad en het bereiken. Alles is daaraan ondergeschikt. (Sirhindi, 184)

Hans: Spreek niet over het Pad en het bereiken.

Fatima: Want er is geen pad en er valt niets te bereiken?

Hans: Spreek niet over geen-pad en niet-bereiken.

Fatima: Waarom niet?

Hans: Dat is allemaal ondergeschikt.

Fatima: Waaraan?

Hans: Dat is allemaal ondergeschikt.

Wie zichzelf wil vernietigen die zal ik helpen

Ge kunt ons niet vernietigen als ge tegen ons bent. Maar ge kunt het ons moeilijk maken zelfs als ge denkt dat ge ons helpt. (Baudani, 184)

Hans: Wie mij wil helpen zal ik vernietigen. Maar wie mij wil vernietigen helpt zichzelf.

Fatima: En wie zichzelf wil vernietigen?

Hans: Die zal ik helpen.

Fatima: En wie zichzelf heeft vernietigd?

Hans: Die staat vanzelf weer op.

Een bord voor je kop

We brengen een tijd op een plek door. Richt geen bord op om die plek aan te duiden. Neem liever van de dingen die aan de plek vastzitten, zolang ze er nog zijn. (Dehlavi, 184)

Hans: Als het tijd is om te nemen van de dingen die aan een plek vastzitten, dan ervan nemen. Is het tijd om een bord op te richten om die plek aan te duiden, dan een bord oprichten.

Fatima: Volgens mij doelt Dehlavi op onthechting als de uiteindelijke bestemming van de soefi.

Hans: Richt geen bord op om die plek aan te duiden.

Soefisme is in de boeken en soefi’s zijn in het graf

Toen men hem vroeg: ‘Wat is islam en wie zijn de moslims?’ antwoordde Hasan van Basra: ‘Islam is in de boeken en moslims zijn in het graf. (197)

Hans: Soefisme is in de boeken en soefi’s zijn in het graf.

Fatima: En jij dan?

Hans: Ik ben een dummy en op sterven na dood.

Zoek je niet weten, waarom kom je dan bij mij? Zo niet, wat doe je dan hier?

Uwais el-Qarni zei tegen enkele bezoekers, ‘Zoekt gij God? Zo ja, waarom zijt gij dan bij mij gekomen?’ De bezoekers méénden alleen dat ze God zochten. Hun aanwezigheid en uitstralingen verrieden hen. ‘Zo niet,’ vervolgde Uwais, ‘wat hebt ge dan met mij uitstaande?’ Omdat het mannen van het verstand en van het gevoel waren, konden ze hem niet begrijpen.
(197)

Hans: Zoek je niet weten? Waarom kom je dan bij mij? Zo niet, wat doe je dan hier?

Fatima: Begrijp ik het goed dat mijn aanwezigheid en uitstraling verraden dat ik alleen maar méén dat ik niet-weten zoek?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Fatima: Wat bedoel je dan?

Hans: Dat niet weten niet is voorbehouden aan mijn persoon?

Fatima: Komt het inderdaad doordat ik een man van het verstand en van het gevoel ben dat ik je vraag ‘Wat doe je dan hier?’ niet begrijp?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Fatima: Wat bedoel je dan?

Hans: Waarover zou je mij anders willen spreken?

Fatima: Als niet weten niet is voorbehouden aan jouw persoon, waar moet ik het dan vinden?

Hans: In jezelf?

Fatima: Hoe dan, bijvoorbeeld?

Hans: Door je bij alles wat je zegt af te vragen of je dat wel kunt weten, bijvoorbeeld?

Fatima: En hoe krijg ik mezelf zo gek?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

De schone schijn van grootmoedigheid

Toen de sjeiks van Bagdad hem vroegen hun de betekenis van grootmoedigheid te vertellen, zei Abu Hafs: ‘Dat wil ik eerst door een ander horen bepalen.’ Meester Junaid zei toen: ‘Grootmoedigheid is grootmoedigheid niet op jezelf betrekken en er geen overweging van maken.’ Het commentaar van Abu Hafs luidde: ‘De sjeik heeft goed gesproken. Maar ik meen dat grootmoedigheid wil zeggen recht doen wedervaren zonder recht nodig te hebben.’ (200)

Hans: Grootmoedig lijkt iemand die niet meer weet vast te stellen wat tot zijn eigen voordeel strekt.

Fatima: En als je je neiging tot cynisme een ogenblik onderdrukt?

Hans: Grootmoedig lijkt iemand die zich voor de schijn van grootmoedigheid niet meer op zijn borst slaat.

Fatima: En rechtvaardigheid dan?

Hans: Rechtvaardig lijkt iemand die niet meer weet vast te stellen wat wie tot voordeel strekt.

Fatima: Je bent in ieder geval eerlijk.

Hans: Eerlijk lijkt iemand die zich voor de schijn van eerlijkheid niet meer op zijn borst slaat.

Fatima: Begrijp ik het goed dat ware grootmoedigheid, ware rechtvaardigheid en ware eerlijkheid op natuurlijke wijze voortkomen uit niet weten?

Hans: Grootmoedigheid, rechtvaardigheid en eerlijkheid behoren tot het domein van het weten.

Fatima: Volgens de Daodejing is ware deugd…

Hans: Waar en vals behoren tot het domein van het weten.

Fatima: Zou je kunnen zeggen dat weten het kwaad vertegenwoordigt en…

Hans: Goed en kwaad behoren tot het domein van het weten.

Fatima: En niet-weten het goede, wou ik zeggen.

Hans: Weten en niet weten behoren tot het domein van het weten.

Fatima: Wat zeg je me nou?

Hans: Dus maak jezelf maar niets wijs.

Fatima: Maar dan behoort jouw uitspraak ‘Grootmoedig lijkt iemand die niet meer weet vast te stellen wat tot zijn eigen voordeel strekt’ ook tot het weten.

Hans: Als je dat maar weet.

Het land rust en de ploeg komt vanzelf

Ik heb het werk opgegeven en ben er daarna weer toe teruggekeerd. Toen heeft het mij opgegeven en ik ben er nooit meer toe teruggekeerd. (Abu Hafs, 200)

Hans: Kijk eens aan. Welk werk eigenlijk?

Fatima: Dat staat er niet bij.

Hans: Zou Byron Katie inspiratie opgedaan hebben bij Abu Hafs?

Fatima: Kan best wezen…

Hans: Maar?

Fatima: Byron Katie heeft Het Werk nooit opgegeven.

Hans: En Het Werk Byron Katie niet.

Fatima: En jij?

Hans: Ik heb het helemaal opgegeven.

Fatima: Wat precies?

Hans: Wat niet.

Fatima: Nou?

Hans: Zowel het werk als het opgeven.

Fatima: Dat snap ik niet.

Hans: Het land rust en de ploeg komt vanzelf.

Tip: Byron Katie voor Workaholics

Oefeningen in nederigheid

Shibli, een trotse hoveling, ging naar Junaid om de ware kennis te zoeken. Hij zei: ‘Ik hoor dat u de goddelijke kennis bezit. Geef, of verkoop die mij.’
Junaid zei: ‘Ik kan u die niet geven, omdat u die anders te goedkoop zou hebben. U moet zich, zoals ik gedaan heb, in het water onderdompelen, teneinde de parel te verkrijgen.’
‘Wat zal ik doen?’ vroeg Shibli.
‘Ga heen en wordt zwavelverkoper.’
Toen er een jaar voorbij was, zei Junaid tegen hem: ‘U maakt het goed als koopman. Word nu derwisj en doe niets dan bedelen.’ Shibli bracht een jaar door met bedelen in de straten van Baghdad, maar zonder succes.
Hij ging terug naar Junaid. De meester zei hem:
‘Voor de mensheid bent u nu niets. Laat die niets voor u worden. In het verleden was u gouverneur. Ga nu terug naar die provincie en zoek iedere persoon op die u onderdrukt hebt. Vraag elk van hen om vergiffenis.’ Hij ging weg, vond ze allen op een na en werd door hen vergiffenis geschonken.
Bij zijn terugkeer zei Junaid dat hij nog altijd een zekere eigendunk bezat. Hij moest nog een jaar gaan bedelen. Het geld dat hij op die manier verkreeg werd elke avond aan de meester gebracht, die het aan de armen schonk. Shibli zelf kreeg pas de volgende ochtend te eten.
Hij werd als discipel aangenomen. Toen er een jaar voorbij was, doorgebracht als dienaar van andere leerlingen, voelde hij zich als de nederigste mens in heel de schepping.
Hij illustreerde altijd het verschil tussen de soefi’s en de niet wedergeborenen door onbegrijpelijke dingen tegen het grote publiek te zeggen.
Op een dag werd hij door lieden die hem wilden kleineren in het openbaar als krankzinnige bespot vanwege zijn geheimzinnige taal. Hij zei:
‘Naar uw mening ben ik gek.
Naar mijn mening bent u gezond van geest.
Ik bid dus om mijn waanzin te versterken
En uw gezonde geest te versterken.
Mijn “waanzin” komt voort uit de macht der liefde.’
Uw gezonde geest komt voort uit de kracht van uw onbewustheid.’
(200-202)

Hans: Heel herkenbaar. Op de laatste twee regels na.

Fatima: Wat zou jij zeggen?

Hans: Uw gezonde geest komt voort uit de kracht van uw weten.
Mijn ‘waanzin’ komt voort uit de macht van niet weten.

Fatima: Waarom niet uit de macht der liefde?

Hans: Liefde zegt me niks. Tenminste niet in spiritueel verband.

Fatima: Wou jij beweren dat Shibli…

Hans: Ik wou niks beweren over Shibli. Dat hij het liefde noemt, moet hij zelf weten. Waarom hij het liefde noemt, weet ik niet. Ik spreek van niet weten omdat het bij me past. Niet omdat Shibli ongelijk heeft en ik gelijk. Spiritualiteit heeft niets met gelijk of ongelijk te maken. De mijne in elk geval niet.

Fatima: Jij spreekt alleen maar voor jezelf.

Hans: Dat mogen anderen uitmaken.

Fatima: Heb jij ook oefeningen in nederigheid gekregen?

Hans: Niemand heeft mij opgedragen om bordenwasser of putjesschepper te worden, als je dat bedoelt. Ik sta niet in een bepaalde traditie en ik heb nooit het genoegen van een leraar mogen smaken. Mijn oefeningen in nederigheid waren en zijn de gewone vernederingen van het leven. Zonder hoger doel om de pil te vergulden. Dezelfde vernederingen die iedereen met enige eigendunk, hoe gering ook, te slikken krijgt. Ik ben hardleers, dus mijn vernederingen duren al meer dan een halve eeuw. Daarbij vergeleken zijn die drie jaar van Shibli een bagatel.

Fatima: Wat voor vernederingen?

Hans: Probeer je mij te vernederen?

Fatima: Is goed voor je.

Hans: Verneder de wereld, begin bij jezelf.

Fatima: Ik word steeds nieuwsgieriger.

Hans: Mijn vernederingen kunnen jou niet helpen.

Fatima: Ieder krijgt zijn eigen vernederingen.

Hans: Ieder heeft zijn eigen hoogmoed.

Fatima: Vernedering is de weg.

Hans: Zolang je nog denkt dat je ergens heen moet.

Fatima: En als je denkt dat er je er al bent?

Hans: Dan helemaal.

Fatima: En als je niet meer denkt?

Hans: Vraag dat maar aan iemand die niet meer denkt.

Tip: Liefde is puntje puntje puntje

De duivel in de derwisj in de duivel

Er was eens een derwisj. Toen hij in contemplatie zat, bemerkte hij dat er een duivel naast hem zat. De derwisj zei: Waarom zit u daar zo zonder kwade streken uit te halen? De demon hief vermoeid het hoofd op en zei: Sinds de theoretici en aanstaande leraren van het Pad in zulke getale zijn verschenen, is er voor mij niets meer te doen. (205)

Hans: Toen hij weer eens zat te peinzen, bemerkte een derwisj dat er een duivel in hem zat. De derwisj zei: Waarom zit u hier zo zonder kwade streken uit te halen? De demon zei: Of ik het nou doe of u.

Fatima: En die theoretici en aanstaande leraren dan?

Hans: Toen hij weer eens zat te peinzen, bemerkte een derwisj dat er een theoreticus in hem zat.

Fatima: Ai.

Hans: Toen hij weer eens zat te peinzen, bemerkte een derwisj dat er een aanstaande leraar in hem zat.

Fatima: Jij heb inderdaad de duivel in je!

Hans: En zijn advocaat.

Fatima: Eenzijdig hoor.

Hans: Toen hij weer eens zat te peinzen, bemerkte een demon dat er een derwisj in hem zat.

Zodra ik merk dat ik geen onderricht geef, hou ik ermee op

Bishr, zoon van Harith, werd eens gevraagd waarom hij geen onderricht gaf. ‘Ik ben met onderwijzen opgehouden omdat ik bemerk dat ik een drang tot onderwijzen heb. Zodra deze drang voorbij is, ga ik uit eigen vrije wil onderricht geven.’ (216)

Hans: Iemand vroeg mij eens waarom ik geen onderricht geef. ‘Zodra ik merk dat ik geen onderricht geef, hou ik ermee op.’ Iemand anders vroeg waarom ik onderricht geef. ‘Zodra ik merk dat ik onderricht geef, kap ik ermee.’

Fatima: Doe je dat uit drang of uit vrije wil?

Hans: Wat?

Fatima: Onderricht geven.

Hans: Zodra ik merk dat ik onderricht geef, hou ik ermee op.

Fatima: Eh… geen onderricht geven?

Hans: Zodra ik merk dat ik geen onderricht geef, kap ik ermee.

Fatima: Ik bedoel natuurlijk onderricht geven noch geen onderricht geven.

Hans: Zodra ik merk dat ik onderricht noch geen onderricht geef, zie ik ervan af.

Fatima: Maar doe je dat uit drang of uit vrije wil?

Hans: Zodra ik merk dat ik het uit drang doe, hou ik ermee op. Zodra ik merk dat ik het uit vrije wil doe, kap ik ermee.

Fatima: Dat is allemaal leuk en aardig, maar zeg je hier eigenlijk niet hetzelfde als Bishr?

Hans: Zodra ik merk dat ik hetzelfde zeg, hou ik mijn mond. Zodra ik merk dat ik iets anders zeg, neem ik het terug.

Je moet aan me denken als een die niks gezegd heeft

Een discipel kwam bij Maruf Karkhi en zei: ‘Ik heb met de mensen over u gesproken. Joden beweren dat u een jood bent; christenen vereren u als een van hun eigen heiligen; moslims houden vol dat u de grootste van alle moslims bent.’ Maruf antwoordde: ‘Dit is wat de mensheid in Baghdad zegt. Toen ik in Jeruzalem was, zeiden joden dat ik een christen was, moslims dat ik een jood was en christenen dat ik een moslim was.’ ‘Wat moeten we dan van u denken?’ zei de man. ‘Sommigen begrijpen me niet en vereren me. Anderen begrijpen me niet en schelden op me. Dat ben ik komen vertellen. Je moet aan me denken als een die dit gezegd heeft.’ (217)

Hans: Sommigen begrijpen me niet en negeren me. Anderen begrijpen me wel en negeren me.

Fatima: Hoe moet ik aan je denken?

Hans: Hoe je maar wilt.

Fatima: Is dat alles wat je te zeggen hebt?

Hans: Is dat alles wat je te vragen hebt?

Fatima: Moet ik aan je denken als een die dit gezegd heeft?

Hans: Je moet aan me denken als een die niks gezegd heeft.

Fatima: Omdat er niks te zeggen is?

Hans: Dan had ik dat wel gezegd.

Wees je eigen inquisiteur

Rumi’s zoon vroeg hem eens: ‘Hoe en waarom heeft de derwisj zich verstopt? Gebeurt dit middels een oppervlakkige vermomming? Is er iets binnen in hemzelf dat hij verbergt?’
De meester zei: ‘Dit kan op alle mogelijke manieren gebeuren. Sommigen schrijven liefdesgedichten en de mensen denken dat ze gewone liefde bedoelen. De derwisj kan zijn ware positie in het Pad verbergen door een roeping te aanvaarden. Er zijn schrijvers; en sommigen, zoals Baba Farid, zijn handelaar. Weer anderen beoefenen ettelijke andere uiterlijke bezigheden.
Dit kan zijn om een verdediging te hebben tegen het oppervlakkige. Sommige handelen opzettelijk op een manier die de maatschappij zou kunnen afkeuren. De Profeet heeft daarom gezegd: “God heeft de mannen van de grootste kennis verborgen.”
De volgelingen van het Pad kunnen iets bedenken dat hen vrede schenkt, wanneer ze anders hinder zouden ondervinden.’
De meester declameerde toen:
‘Immer wetend – zich verschuilend, zoeken zij.
Anders lijkend dan ze zijn – voor de gewone mens;
In een innerlijk licht zwerven ze – brengen wonderen tot stand.
Toch worden ze werkelijk gekend – door niemand.’
(219-220)

Hans: Tegenwoordig hoeft niemand zich meer te verbergen. In ieder geval niet in het democratische westen. We zitten massaal op internet.

Fatima: De Inquisitie is dood.

Hans: Leve de Inquisitie.

Fatima: Hoezo?

Hans: Iedereen kan zichzelf tegenwoordig ongestraft uitroepen tot God. Niemand die je nog een spiegel voorhoudt.

Fatima: Behalve jij zeker.

Hans: Ik ben God niet.

Fatima: Wat ben je wel?

Hans: Weet ik veel. Zijn hofnar?

Fatima: Pardon?

Hans: Ik heb uitsluitend amusementswaarde.

Fatima: De Inquisitie was anders geen pretje.

Hans: Inquisitie door anderen leidt vooral tot huichelarij. Maar wie is in staat zichzelf de maat de nemen? De duimschroeven aan te draaien? De heksenproef af te nemen? Op de brandstapel te gooien?

Fatima: Want dat moet?

Hans: Want dat kan.

Fatima: Want dat heb jij gedaan?

Hans: Want dat doe ik nog steeds.

Fatima: Jij bent je eigen inquisiteur.

Hans: Grootinquisiteur.

Fatima: Toe maar.

Hans: Alles om mij klein te houden.

Fatima: Even over die laatste vier regels van meester Rumi… door wie word jij werkelijk gekend?

Hans: Door niemand.

Fatima: Behalve door jezelf.

Hans: Ook niet door mezelf.

Fatima: Behalve door de Vrienden.

Hans: Hooguit als Vriend.

Fatima: Breng jij wonderen tot stand?

Hans: Wonderen hebben mij niet nodig.

Fatima: Welke wonderen, bijvoorbeeld?

Hans: Jij en ik bijvoorbeeld. Dit gesprek bijvoorbeeld. De nagel op mijn pink bijvoorbeeld. Een zandkorrel op het strand bijvoorbeeld.

Fatima: Zwerf jij in een innerlijk licht?

Hans: Ik zwerf in een innerlijke duisternis.

Fatima: Lijk jij voor de gewone mens anders dan je bent?

Hans: Die gewone mens ben ik.

Fatima: Volgens mij niet.

Hans: Daar heb je je antwoord al.

Fatima: Aangenomen dat ik wél een gewoon mens ben.

Hans: Ik weet niet hoe ik ben en ik weet niet hoe ik voor anderen lijk te zijn.

Fatima: Echt niet?

Hans: Nu eens zus en dan weer zo.

Fatima: Verschuil je je nu achter niet weten?

Hans: Er valt niets te verschuilen.

Fatima: Omdat de inquisitie dood is?

Hans: Omdat ik al verborgen ben.

Fatima: Ben jij nog zoekende?

Hans: Ik zwerf in een innerlijke duisternis.

Fatima: Zoekende?

Hans: Als een zandkorrel op het strand.

Fatima: Immer wetend?

Hans: Laat me niet lachen.

Fatima: Jij bent hier de nar.

Hans: Dan mag jij Rumi zijn.

Fatima: Rumi’s zoon is ook goed.

Hans: Ik zie het verschil niet.

Fatima: Tussen Rumi en zijn zoon niet of tussen Rumi en de nar niet?

Hans: Met mij kun je alle kanten op.

Fatima: Laat Rumi het maar niet horen.

Hans: Voor een Vriend hoef je niets te verzwijgen.

Wijzen als er wijzen is

Betreur het verleden niet en maak u geen zorgen over de toekomst. (Dhun-Nun, 225)

Hans: Treuren als er treuren is, zorgen als er zorgen zijn.

Fatima: Daar heb je Derwisj weer.

Hans: Parafraseren als er parafraseren is.

Fatima: Volgens mij bedoelt Dhun-Nun dat verleden en toekomst alleen maar gedachten zijn in het eeuwige heden.

Hans: Relativeren als er relativeren is.

Fatima: In alle bescheidenheid, dat is geen relativering, het is de hoogste Waarheid.

Hans: Claimen als er claimen is.

Fatima: Heb je het nou over bescheidenheid of over de hoogste Waarheid?

Hans: Mij best.

Fatima: Dus jij vindt de vingerwijzing van Dhun-Nun maar flauwekul?

Hans: Wijzen als er wijzen is.

Omdat ik de waarheid niet ken

Een geleerd mens die vele vrienden heeft kan best een bedrieger zijn, omdat ze als hij ze de waarheid zou vertellen niet langer zijn vrienden zouden zijn. (Sufian Thauri, 225)

Hans: Dat zal mij niet overkomen.

Fatima: Omdat je geen vrienden hebt?

Hans: Omdat ik ze de waarheid niet kan vertellen.

Fatima: Omdat de waarheid voorbij de woorden is?

Hans: Omdat ik de waarheid niet ken.

Fatima: Omdat er geen waarheid is?

Hans: Dat zou toch weer een waarheid zijn.

Ophouden met praten

Junaid sprak meestal tot een gehoor van ongeveer tien mensen. Hij hield altijd op met praten als het gehoor dit aantal sterk overschreed, zodat zijn gehoor nooit uit meer dan twintig mensen bestond. (225)

Hans: Ik spreek meestal tot een gehoor van één of geen mensen.

Fatima: Wanneer hou jij op met praten?

Hans: Zodra ik mijn gehoor niet meer kan horen.

Fatima: Wat?

Hans: Zodra ik mezelf niet meer kan horen.

Ik ben niet verrukt van verrukkelijke verhalen

Men zegt: ‘Dit is een verrukkelijk dorp.’ Maar nog verrukkelijker is het hart van de mens die kan zeggen: ‘Ik ben niet verrukt van verrukkelijke dorpen.’ (Yahya Razi, 225)

Hans: Een verrukkelijk verhaal…

Fatima: Maar?

Hans: Nog verrukkelijker is het hart van de mens die kan zeggen…

Fatima: Ik ben niet verrukt van verrukkelijke verhalen!

Hans: Jij zegt het.

Mot om een kaars

De kaars is er niet om zichzelf te verlichten. (Nawab Jan-Fishan Khan, 225)

Hans: Probeer het maar eens te voorkomen.

Fatima: Mij lijkt dit een soefiverwijzing naar de bodhisattvagedachte uit het mahayanaboeddhisme; de kaars is er om zijn omgeving te verlichten.

Hans: Probeer het maar eens te voorkomen.

Fatima: We moeten…

Hans: Spreek voor jezelf.

Fatima: … alle levende wezens bevrijden.

Hans: Een kaars is nog geen zon.

Fatima: Wat zou jij tegen Nawab Jan-Fishan Khan willen zeggen?

Hans: Jezus, Jan, hoe kom je aan die naam.

Fatima: Maar serieus.

Hans: Een kaars is een kaars.

Fatima: Wat bedoel je daarmee?

Hans: Hij brandt omdat hij brandt.

Fatima: En jij bent zo’n kaars.

Hans: En ik was zo’n mot.

Tip: Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand

Soefi of suffie?

Het is veel gezegd zichzelf soefi te noemen. Maar bedenk wel dat ik me er niet een noem. (Hadrat Abul-Hasan Khirqani, 226)

Hans: Dan kun je nog beter Nawab Jan-Fishan Khan heten.

Fatima: Wat?

Hans: Als ik Hadrat Abul-Hasan Khirqani heette, zou ik mezelf ook soefi noemen.

Fatima: Noemt jij jezelf weleens een soefi?

Hans: Ik noem mezelf weleens een suffie.

Fatima: Kom nou.

Hans: Ik ben er al.

Fatima: Jij noemt jezelf toch een dwijze?

Hans: Dwaas.

Reistips voor spirituele zoekers

Als ge de hemelse wetenschap niet hebt bestudeerd,
Terwijl ge geen voet in een Taveerne hebt gezet,
Aangezien ge eigen verlies en winst niet kent;
Hoe bereik ge dan de Vrienden?
Verder, verder! Verder, verder!
(Baba Tahir Uryan, 226)

Hans: En als je de Vrienden hebt bereikt?

Fatima: Nou?

Hans: Verder, verder. Verder, verder!

Fatima: Doet me denken aan de mantra ‘Gate gate paragate parasamgate’ uit de hartsoetra.

Hans: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.

Fatima: Maar waarheen?

Hans: Dat is de vraag niet.

Fatima: Wat is de vraag wel?

Hans: Maar waarvandaan?

Fatima: Nou?

Hans: Van je laatste gedachte natuurlijk.

Fatima: Bedoel je dat je iedere gedachte achter je moet laten?

Hans: Deze ook.

Fatima: En dan?

Hans: Trek je maar weer verder.

Fatima: Wat is de Taveerne?

Hans: Een virtuele hangplek voor virtuele vrienden.

Fatima: Wie zijn die virtuele vrienden?

Hans: Dat moet ieder voor zich vaststellen.

Fatima: Voor jou?

Hans: Voor mij zijn het de mensen uit heden, verleden en toekomst die ‘Verder, verder!’ zeggen.

Fatima: En wat is de Hemelse Wetenschap?

Hans: En dat is de hemelse wetenschap.

Fatima: Wat is er Hemels aan?

Hans: Verder, verder!

Fatima: Bedoel je dat het ‘verder, verder’ op zichzelf al Hemels is?

Hans: Verder, verder!

Fatima: Bedoel je dat ik ook het idee van een Hemel achter me moet laten?

Hans: Verder, verder!

Fatima: Bedoel je dat ik ook het achterlaten moet achterlaten?

Hans: Verder, verder!

Fatima: Hoe lang gaat dit nog door?

Hans: Totdat je eigen winst en verlies niet meer kent?

Fatima: En dan?

Hans: Verder, verder!

Tip: Verder, verder! Reistips voor spirituele zoekers

Waarom ik het gebed van Maruf Karkhi verbeter

Toen men Maruf Karkhi vroeg waarom hij het gebed van een ander niet verbeterde, zei hij: ‘Het staat een derwisj pas vrij te onderrichten nadat hij zijn eigen dienst heeft voltooid.’ (227)

Hans: Waarom doet hij het dan toch?

Wat er komt na de kennis die na de ascese komt

Eerst is er kennis. Daarna is er ascese. Daarna is er de kennis die na de ascese komt. (Rumi, 229)

Hans: Ja, het is een lange weg.

Fatima: Hoe bedoel je?

Hans: Er komt maar geen einde aan die kennis.

Fatima: Nee.

Hans: Zelfs ascese helpt niet.

Fatima: Wat helpt wel?

Hans: Waartegen?

Fatima: Ja, waar hebben we het nou over.

Hans: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Fatima: Kennis toch?

Hans: Wat is daar mis mee?

Fatima: Ik begreep uit jouw woorden dat we van al onze kennis af moeten.

Hans: Begrijpen hoort tot het domein van de kennis.

Fatima: Je zei toch: ‘Zelfs ascese helpt niet’?

Hans: Probeer het anders zelf eens.

Fatima: Wat komt er volgens jou na de kennis die na de ascese komt?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Als je teveel leest

Iemand ging naar de deur van de Beminde en klopte aan. Een stem vroeg: ‘Wie is daar?’ Hij antwoordde: ‘Ik ben het.’ De stem zei: ‘Er is hier geen plaats voor mij en jou.’ De deur ging dicht. Na een jaar van eenzaamheid en onthouding keerde deze man terug naar de deur van de Beminde. Hij klopte aan. Een stem van binnen vroeg: ‘Wie is daar?’ De man zei: ‘Jij bent het.’ De deur werd voor hem geopend. (Rumi, 229)

Hans: De deur werd helemaal niet voor hem geopend.

Fatima: Wat gebeurde er dan wel?

Hans: De stem vanbinnen zei: ‘Je leest teveel’.

Fatima: Wie was dan de man die zei: ‘Jij bent het’?

Hans: Die stem vanbinnen natuurlijk.

Fatima: En die deur dan?

Hans: Je leest teveel.

Geen mens begrijpt het wezen dat men mens noemt

Geen menselijke geest kan de vorm begrijpen van het wezen dat men God noemt. (Sanai, 230)

Hans: Laat staan zijn wezen.

Fatima: Touché.

Hans: Of zelfs maar zijn naam.

Fatima: Ai.

Hans: Geen menselijk geest kan de vorm begrijpen van het wezen dat men mens noemt.

Fatima: Nou je het zegt.

Hans: Laat staan zijn wezen.

Fatima: Breek me de bek niet open.

Hans: Geen menselijk geest kan de vorm of het wezen begrijpen van de menselijke geest.

Fatima: Inderdaad zeg.

Hans: Wie kan het bestaan bevestigen van datgene waarvan hij vorm noch wezen begrijpt?

Fatima: Daar vraag je me wat.

Hans: Of zelfs maar ontkennen?

Fatima: Ook dat nog.

Hans: Dus waar hebben we het nog over.

Bidden voor het einde van het bidden

Het doel waarvoor koningen bidden, is een glimp op te vangen van het wezen van de derwisj. (Hafiz, 233)

Hans: Dan kunnen ze lang bidden.

Fatima: Het is niet te hopen.

Hans: Tenzij dat hun doel is.

Fatima: Wat is volgens jou het wezen van de derwisj?

Hans: Doelloosheid?

Fatima: Schei toch uit.

Hans: Nergens meer voor hoeven bidden?

Fatima: Omdat hun wensen zijn verdwenen of omdat ze zijn vervuld?

Hans: Wezenloosheid?

Fatima: Dan kunnen ze lang bidden.

Hans: Dat zeg ik.

Fatima: Het is niet te hopen.

Hans: Tenzij dat hun doel is.

Tip: Zoeken naar het einde van het zoeken

Vooroordelen over vooroordeling

Soefi zijn wil zeggen zich losmaken van dwangvoorstellingen en vooroordelen; en niet proberen te ontlopen wat je lot is. (Abu-Said, zoon van Abi-Khair, 265)

Hans: En als dwangvoorstellingen en vooroordelen nou je lot zijn?

Fatima: Het belangrijkste lijkt mij wel om van je dwangvoorstellingen af te komen.

Hans: En als dit nou een van die dwangvoorstellingen is?

Fatima: Van je vooroordelen dan?

Hans: En als dit nou een van die vooroordelen is?

Fatima: Dan moet ‘niet proberen te ontlopen wat je lot is’ wel het belangrijkste zijn.

Hans: En als proberen te ontlopen wat je lot is nou je lot is?

Fatima: Verdraaid.

Hans: Hou je niet van tegenstrijdigheden?

Fatima: Wat kan ik doen om ervan af te komen?

Hans: Je losmaken van dwangvoorstellingen en vooroordelen; en niet proberen te ontlopen wat je lot is.

Tot het geloof in verwerping verwerping wordt

Aan hen die in de conventionele godsdienst waarheid zoeken:
Totdat seminarium en minaret tot puin zijn vervallen
Wordt dit heilige werk van ons niet gedaan.
Tot het geloof verwerping wordt
En verwerping geloof
Zal er geen ware gelovige bestaan.
(Abu-Said, 265)

Hans: Geloof je dat?

Fatima: Eerlijk gezegd wel, ja.

Hans: Abu-said zou zich in zijn graf omdraaien.

Fatima: Wat had ik dan moeten zeggen?

Hans: Tja.

Fatima: Eerlijk gezegd niet, nee?

Hans: Abu-said zou zich in zijn graf omdraaien.

Fatima: Maar hij had het toch over conventionele godsdienst?

Hans: Je moet ergens beginnen.

Fatima: Hij had het niet over zijn eigen woorden.

Hans: Ik zie het verschil niet.

Fatima: Dus jij denkt…

Hans: Dat had je gedacht.

Fatima: Nou, ik geloof er niks van.

Hans: Niet slecht.

Zo ik u aanbid, ontzeg mij uw wezen

O Heer! Zo ik u aanbid uit vrees voor de hel, werp mij in de hel. Zo ik u aanbid uit begeerte naar het paradijs, ontzeg mij het paradijs. (Rabia, 265)

Hans: O Heer! Zo ik u aanbid, ontzeg mij uw wezen. Zo ik u verzoek, ontzeg mij uw naam.

Ik weet wat ik niet zie

Toen de filosoof en de soefi elkaar ontmoetten, zei Avicenna, Wat ik weet, ziet hij. Abu Said merkte op: Wat ik zie, weet hij. (266)

Hans: Ik weet niet wat ik zie.

Fatima: Een puntige filosofische uitspraak, maar ik mis de religieuze dimensie.

Hans: Ik weet wat ik niet zie.

Een van u ben ik

Voor de zondigen en boosaardigen ben ik het kwade; maar voor de goeden – weldadig ben ik. (Mirza Khan, 267)

Hans: Voor de zondigen en boosaardigen: ik ben een van u; voor de goedaardigen en braven: een van u ben ik.

Leermeesters hebben niets

Leermeesters spreken over leerstellingen. Ware leermeesters bestuderen ook hun leerlingen. Bovenal, leermeesters dienen bestudeerd te worden. (Musa Khan, 267)

Hans: Leerstellingen hebben leerlingen. Leerlingen hebben leermeesters. Leermeesters hebben niets.

Fatima: Zou jij mijn leermeester kunnen zijn?

Hans: Jazeker…

Fatima: Maar?

Hans: Jij niet mijn leerling.

Fatima: Want jij hebt niets.

Hans: Ach.

Fatima: Of heeft niets jou?

Hans: Och.

Fatima: Hoe zou jij het zeggen?

Hans: Ik heb niets met leerstellingen.

Fatima: Want leermeesters hebben niets.

Hans: Laat staan een titel.

Voor hem die niet weet is ieder teken teveel

Voor hem die waarnemingsvermogen bezit is alleen al een teken voldoende. Voor hem die niet werkelijk ergens acht op slaat zijn duizend verklaringen niet voldoende. (Hadji Bektash, 268)

Hans: Voor hem die weet, zijn duizend verklaringen niet voldoende. Voor hem die niet weet is ieder teken teveel.

Niet grijpen naar niet grijpen

Soefisme is waarheid zonder vorm. (Ibn el-Jalali, 268)

Hans: Dan moet dit wel vorm zonder waarheid zijn.

Fatima: Die zit.

Hans: Zen is zitten zonder doel.

Fatima: Goal.

Hans: Geluk is scoren zonder goal.

Fatima: Ik zie het patroon.

Hans: De mystieke literatuur staat bol van dit soort uitdrukkingen. Waarheid zonder vorm, waarheid zonder inhoud, waarheid zonder waarheid, inzicht zonder kennis, kennis zonder leraar, kennis zonder kennis, weten zonder woorden, weten zonder weten, wijsheid zonder weten, wijsheid zonder kennis, wijsheid zonder wijsheid, enzovoort. Ik vind ze prachtig, echt waar. Ik gebruik ze zelf ook graag. Maar ze bakken allemaal de peren.

Fatima: Wat?

Hans: Ze grijpen allemaal naar niet grijpen.

Fatima: Prachtig.

Hans: Deze ook.

Fatima: Grijpen naar niet grijpen?

Hans: Weg ermee.

Fatima: Wat zou jij zeggen?

Hans: Tja.

Fatima: Is dat wat je zou zeggen of weet je het niet?

Hans: …

Fatima: Waarom zeg je nou niks?

Hans: …

Fatima: Niet grijpen naar niet grijpen, wou je zeggen.

Hans: Jij bent hier degene die iets wil zeggen.

Fatima: Bedoel je dat we niets moeten willen zeggen?

Hans: Zie je wel?

Fatima: Ik zie je wel.

Hans: Zien zonder zien.

Fatima: Ja ja.

Hans: Horen zonder oren, doen zonder doen, spreken zonder spreken, zwijgen zonder zwijgen, leren zonder leren…

Fatima: Zweren zonder zweren…

Hans: Ze bakken allemaal de peren.

Fatima: Maar wat is nou soefisme?

Hans: Dat is nou soefisme.

Zelf blijf ik liever wezenloos

Shabistari heeft gezegd, ‘De wereld bezit geen wezen behalve als verschijningsvorm. Van eind tot eind is haar toestand een tijdverdrijf en een spel. (270)

Hans: Die Shabistari.

Fatima: Wat is daarmee?

Hans: Toch weer een wezen van de wereld gevonden.

Fatima: Haar verschijningsvorm, bedoel je?

Hans: En haar toestand.

Fatima: Van eind tot eind een tijdverdrijf en een spel?

Hans: Dus pas maar op.

Fatima: Waarop?

Hans: Misschien speelt Shabistari wel een spelletje met jou.

Fatima: Bedoel je dat de wereld in werkelijkheid toch geen wezen heeft?

Hans: Of speel jij soms een spelletje met mij?

Fatima: Welk spelletje?

Hans: Monopoly? Verstoppertje? Filosoofje? Papegaaitje-leef-je-nog?

Fatima: Jij denkt dat de wereld helemaal geen tijdverdrijf of spel is?

Hans: Wie?

Fatima: Hè?

Hans: De wat?

Fatima: Nou moe.

Hans: En?

Fatima: Wat?

Hans: Vermaak je je een beetje?

Fatima: Nee!

Hans: Nou dan.

Fatima: Doe mij maar Shabistari.

Hans: Zelf blijf ik liever wezenloos.

Het beste of het mooiste

Er zijn drie manieren om iets over te brengen. De eerste is alles te tonen. De tweede is te tonen wat de mensen willen. De derde is te tonen wat ze het beste dient. (Ajmal van Badakhshan, 271)

Hans: Ik weet niet wat de mensen het beste dient. Ik weet niet wat de mensen willen. Dus toon ik ze maar alles. Dat is wat ik het mooiste vindt.

Vergeet het maar

Slaap met de herinnering aan de dood en sta op met de gedachte dat je niet lang te leven hebt. (Uwais el-Qarni, 272)

Hans: En als dat eindelijk lukt?

Fatima: Dan ben je een wijze?

Hans: Dan dient zich meteen de volgende wijze aan, die zegt: ‘Slaap met de herinnering aan het leven en sta op met de gedachte dat je misschien nog lang te leven hebt.’

Fatima: Nee toch.

Hans: Je kunt er vergif op innemen.

Fatima: Je zou er gek van worden.

Hans: Daar is het wijsheid voor.

Fatima: Hou luidt jouw memento?

Hans: Vergeet het maar.

Fatima: Nee, serieus.

Hans: Serieus.

Fatima: Vergeet het maar?

Hans: Vergeet dat ook maar.

Fatima: Alsjeblieft.

Hans: Slaap met de herinnering aan het leven en de dood en sta op met de gedachte dat je misschien nog kort of lang te leven hebt?

Fatima: Waarom laat je dat vraagteken niet weg?

Hans: Laat liever de rest weg.

Fatima: Laat ook maar zitten.

Hans: Dat komt op hetzelfde neer.

Fatima: Wees op alles voorbereid, is dat wat je bedoelt?

Hans: Vooral op het onvoorbereide.

Fatima: Wees op alles voorbereid, vooral op het onvoorbereide?

Hans: Je doet je best maar.

Fatima: En als dat dan eindelijk lukt?

Hans: Wie zegt dat dat ooit gebeurt?

Fatima: En als het toch gebeurt?

Hans: Dan komt er vanzelf wel weer een wijze.

Als je voorgoed verloren bent heeft hij je pas gevonden

Met gids kunt ge waarlijk mens worden. Zonder gids blijft ge voornamelijk dier. Zo ge nog altijd kunt zeggen: ‘Ik zou me aan niemand kunnen onderwerpen’ – dan zijt ge nog waardeloos voor de weg. Maar als ge zegt: ‘Ik wil me onderwerpen’, op de verkeerde manier – dan zal de weg u nimmer vinden en zijt ge verloren. (Zulkifar, zoon van Jangi, 274)

Hans: Een waarlijk mens is voornamelijk dier.

Fatima: Maar niet helemaal?

Hans: Ik zou me aan niemand kunnen onderwerpen. Ook niet aan mezelf. Ik kan niemand meer aan mij onderwerpen. Ook mezelf niet.

Fatima: Dan ben je dus waardeloos voor de weg…

Hans: Of omgekeerd.

Fatima: En ben je voorgoed verloren.

Hans: Dan heeft hij mij toch gevonden.

Kennis leidt tot ‘ik zeg niets’

Kennis leidt van: Wat ben ik?
Tot: Ik weet niet wat ik ben
En via: Misschien ben ik niet en ik wil mezelf vinden
Tot: Ik wil mezelf vinden en ik ben
Tot: Ik ben wat ik weet dat ik ben
Tot: Ik ben.
(Abu-Hasan el-Shadhili, 274)

Hans: Vreemd.

Fatima: Wat is er vreemd aan?

Hans: Bij mij ging het net omgekeerd.

Fatima: Hoe bedoel je?

Hans:

Kennis leidt van:
Ik ben dit!
En: Ik ben dat!
Via: Wat ben ik?
Tot: Ik weet niet wat ik ben
En van: Ik ben!
En: Ben ik?
Via: Wat is zijn?
Tot: Ik weet niet dat ik ben
En van: Ik weet niets
Via: Dit ook niet
En: Dat ook niet
Tot: Ik zeg niets.

Fatima: Maar wie heeft er nou gelijk?

Hans: Ik in elk geval niet.

Fatima: Waarom niet?

Hans: Omdat ik niets zeg.

Fatima: Hè?

Hans: Zelfs niet dat ik niets te zeggen heb.

Fatima: Aha.

Hans: Wie niks zegt kan ook geen gelijk hebben.

Fatima: Maar ook geen ongelijk.

Hans: Jij zegt het.

Fatima: En Abu-Hasan el-Shadhili?

Hans: Ik zeg niets.

Als je alles achter je laat

De waarheid zoeken is de eerste etappe van het vinden ervan. Na het zoeken komt het besef dat de waarheid ook naar de zoeker zelf zoekt. De derde etappe, waarin de soefi leert van het Pad, is bereikt als het leren in een bepaald stadium verkeert: als de Zoeker beseft dat hij kennis verwerft die ‘zoeken’ en ‘vinden’ of ‘gezocht worden’ te boven gaat. (276)

Hans: En als hij dan ook nog ‘de waarheid’, ‘de soefi’, ‘het Pad’, ‘kennis’ en ‘te boven gaan’ achter zich laat?

Fatima: Dan blijven we zitten met een nihilist.

Hans: En als hij dan ook nog het nihilisme achter zich laat?

Hans: Tja.

Waarom al mijn antwoorden vragen zijn

Niemand bereikt de Graad van Waarheid eer een duizendtal eerlijke mensen getuigd heeft dat hij een ketter is. (Junaid van Baghdad, 297)

Hans: Eerst maar eens een eerlijk mens zien te vinden.

Fatima: Wat is een eerlijk mens voor jou?

Hans: Iemand die nergens van getuigt?

Fatima: Wat?

Hans: Iemand die toegeeft dat hij het verschil tussen een ketter en een ware gelovige niet kent?

Fatima: Omdat hij onwetend is of omdat er in wezen geen verschil is?

Hans: Of het verschil tussen hemel en aarde? Tussen goed en kwaad? Tussen God en mens? Tussen Waarheid en leugen?

Fatima: Omdat hij onwetend is of omdat er in wezen geen verschil is?

Hans: Waarom niet allebei of geen van beide?

Fatima: Heb jij de Graad van Waarheid bereikt?

Hans: Wou jij tegen mij getuigen?

Fatima: Waarom zijn al jouw antwoorden vragen?

Hans: Waarom zijn al jouw vragen antwoorden?

Fatima: Wou jij mij oneerlijk noemen?

Hans: Omdat ik een eerlijk mens ben?

Fatima: Wat is een eerlijk mens voor jou?

Ik heb al mijn voorbereidingen teniet gedaan

De dood brengt niet meer dan één bezoek. Wees daarom voorbereid op zijn komst. (Abu Shafiq van Balkh, 297)

Hans: De dood brengt niet meer dan één bezoek. Hoe zou ik dan op zijn komst voorbereid kunnen zijn?

Fatima: Ja, daar vraag je me wat.

Hans: En brengt de dood wel één bezoek?

Fatima: In plaats van?

Hans: Vele natuurlijk.

Fatima: Reïncarnatie.

Hans: Of géén.

Fatima: Onsterfelijkheid.

Hans: Ja, weet ik veel.

Fatima: Ben jij op de dood voorbereid? Euthanasiepapieren, nalatenschap, voogdijschap, afscheidsvideo, adressenlijst, begrafenismuziek en zo?

Hans: Ik heb al mijn voorbereidingen teniet gedaan.

Fatima: Waarom?

Hans: Omdat ik het nut er niet meer van inzag?

Fatima: Waarom niet?

Hans: Omdat ik er de willekeur van inzag?

Fatima: Echt?

Hans: Ik zou het anders ook niet weten.

Fatima: Bedoel je dat je het beter aan de nabestaanden kunt overlaten?

Hans: Dat is al net zo willekeurig.

Fatima: Bedoel je dat je beter totaal onvoorbereid kunt zijn?

Hans: Dat is al net zo willekeurig.

Fatima: Is willekeur een ander woord voor niet weten?

Hans: Het zijn allebei maar woorden.

Fatima: Geef nou voor één keer eens een duidelijk antwoord!

Hans: Wat jij wil.

Ik ben helemaal uitgezocht

Toen iemand bij hem aanklopte, riep Bayazid: Wie zoekt u? De bezoeker antwoordde: Bayazid. Bayazid zei: Ik zoek hem al drie decennia en nog heb ik hem niet gevonden. (302)

Hans: Wat een volhouder, hè.

Fatima: Hoe lang zoek jij al?

Hans: Ik ben helemaal uitgezocht.

Fatima: Omdat je jezelf hebt gevonden?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Fatima: Omdat je het Zelf hebt gevonden?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Fatima: Omdat je Geen-zelf hebt gevonden?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Fatima: Omdat je niets of niemand hebt gevonden?

Hans: Zo ver zou ik niet willen gaan.

Fatima: Hoe ver zou jij wel willen gaan?

Hans: Ben jij soms op zoek naar mij?

Fatima: Nee, ik ben op zoek naar mezelf.

Hans: Waarom klop je dan bij mij aan?

Ik sterf onophoudelijk

Mens, ge komt schoorvoetend op de wereld, huilend als een verlaten baby;
Mens, ge verlaat dit leven, weer beroofd, weer huilend, met spijt.
Leef daarom dit leven zo dat niets daarvan werkelijk weggegooid is.
Ge moet er gewend aan raken na er niet gewend aan te zijn geweest.
Als ge er gewend aan bent geraakt, moet ge eraan wennen het zonder te doen.
Mediteer over deze beweging.
Sterf daarom ‘voor ge sterft’ in de woorden van de Gereinigde. Voltooi de kringloop alvorens die voor u voltooid wordt.
Tot ge dit doet, tenzij u het hebt gedaan, verwacht bitterheid aan het eind zoals er aan het begin was; in het midden als er aan het eind zal zijn.
Ge zag het patroon niet terwijl ge kwam; en toen ge er was, zag ge een ander patroon.
Toen ge dit duidelijke patroon zag, verhinderde men u de draden van het komende patroon te zien.
Tot ge beide ziet, zult ge zonder tevredenheid zijn. Wie geeft ge de schuld? En waarom geeft ge de schuld?
(Hashim de Sidqi, 323)

Hans: Sterf vóór je sterft is als imperatief natuurlijk onzin. Alsof je daar zelf voor kunt kiezen. Alsof je daar beter van wordt. Maar ik moet toegeven dat de val in niet weten wel iets van sterven weg heeft. Figuurlijk gesproken natuurlijk.

Fatima: Wie of wat sterft er als je in niet weten valt?

Hans: Het heilige geloof in de persoon die je meende te zijn, bijvoorbeeld.

Fatima: En dan?

Hans: Dan sterf je nog een keer.

Fatima: Wie of wat sterft er de tweede keer?

Hans: Het heilige geloof in het sterven van de persoon die je meende te zijn.

Fatima: Maar bestaat de persoon nou wel of niet?

Hans: Het zijn gedachten die sterven en het zijn gedachten die weer opstaan.

Fatima: Want sterven aan het geloof in het sterven van de persoon die je meende te zijn leidt volgens de logica van de dubbele ontkenning onvermijdelijk tot zijn wederopstanding.

Hans: Figuurlijk gesproken uiteraard.

Fatima: Wie is er nou precies gestorven en wie is er weder opgestaan?

Hans: Hans van Dam is dood; leve ‘Hans van Dam’.

Fatima: Tussen aanhalingstekens.

Hans: Tussen aanhalingstekens.

Fatima: Wat betekent dat precies?

Hans: Precies.

Fatima: Hoeveel tijd verstrijkt er tussen de dood en de wederopstanding?

Hans: In het algemeen?

Fatima: Nou?

Hans: Geen flauw idee.

Fatima: Hoeveel tijd verstreek er in jouw geval?

Hans: Geen.

Fatima: Hè?

Hans: Het heilige geloof in mijn persoon ging tegelijk met het heilige geloof in de dood van mijn persoon en het heilige geloof in wat dan ook in rook op.

Fatima: Twee vliegen in één klap.

Hans: Alle vliegen in één klap.

Fatima: Wauw.

Hans: Geloof je dat?

Fatima: Eh… oh.

Hans: Zie je het verschil?

Fatima: Denk jij nooit meer in termen van ik en niet-ik?

Hans: Ik denk steeds weer in termen van ik en niet-ik.

Fatima: Hè?

Hans: Of ik nou wil of niet.

Fatima: Vandaar.

Hans: Maar geloof ik het ook?

Fatima: Dat weet ik niet.

Hans: Nou, ik ook niet.

Fatima: Zo te horen ben jij niet slechts tweemaal gestorven…

Hans: Natuurlijk niet.

Fatima: Maar sterf je onophoudelijk.

Hans: Figuurlijk gesproken uiteraard.

Fatima: Maar waaraan?

Hans: Aan mijn gedachten natuurlijk.

Fatima: Blijft er dan niet één overeind?

Hans: Deze ook niet.

Fatima: Zie jij jezelf als een Gereinigde?

Hans: Welnee.

Fatima: Waarom niet?

Hans: Dat kan iedere huisvrouw je vertellen.

Fatima: Het reinigen houdt nooit op.

Hans: Tot nog toe niet, tenminste.

Fatima: Jij blijft op je hoede, hè?

Hans: Of ik nou wil of niet.

Fatima: Wat zou er gebeuren als je je waakzaamheid een ogenblik liet verslappen?

Hans: Misschien zou ik wel gaan denken dat ik mijn waakzaamheid geen ogenblik mocht laten verslappen.

Fatima: Wat?

Hans: Of misschien zou ik mezelf wel als een Gereinigde gaan zien.

Fatima: Bedoel je dat wij principieel Onrein zijn?

Hans: Of als principieel Onrein.

Fatima: Je moet er niet aan denken.

Hans: Je moet overal aan denken.

Fatima: Aha!

Hans: Geloof je dat?

Fatima: Is dit nou de beweging waarover we volgens Hashim de Sidqi moeten mediteren?

Hans: Welnee.

Fatima: Hoezo niet?

Hans: Het is al de meditatie.

mediteren zonder mediteren

Onderduiken in de zee van niet-weten

Voor gewone mensen betekent diep nadenken dat zij onderduiken in een zee van veronderstellingen en illusies. Voor de bijzondere mensen betekent diep nadenken dat zij onderduiken in de oceaan van inzicht. (Ruzbhihan in Het pad van de soefi, Javad Nurbakhsh, 2006, p160)

Hans: Voor mij betekent diep nadenken dat ik onderduik in een zee van niet weten.

Fatima: Wat betekent oppervlakkig nadenken voor jou?

Hans: Watertrappelen in een zee van niet weten.

Fatima: En die oceaan van inzicht dan?

Hans: Daar moet ik eens heel diep over nadenken.

God is niets dan mijn mantel

Onder mijn mantel is niets dan God. (Bayazid, 28).

Hans: Onder mijn mantel is niets.

Fatima: En God dan?

Hans: God is niets dan mijn mantel.

In mij is geen niets meer te vinden

Ik werd aangetrokken tot de Geliefde als een nachtvlinder naar de vlam. Toen ik bij zinne kwam was ik verbrand in Hem. (Ashiq Isfahani, 171)

Hans: En Hij in mij.

Fatima: Wat?

Hans: Toen ik bij zinnen kwam, was Hij verbrandt in mij.

Fatima: Wat bedoel je daarmee?

Hans: In mij is geen Hij meer te vinden.

Fatima: In jou is alleen nog maar een jou te vinden?

Hans: In mij is geen mij meer te vinden.

Fatima: In jou is er alleen nog maar een niet-jou te vinden?

Hans: In mij is geen niet-mij meer te vinden.

Fatima: Er is alleen nog maar het ene?

Hans: In mij is geen eenheid meer te vinden.

Fatima: En geen verscheidenheid ook, zeker?

Hans: In mij is geen zekerheid meer te vinden.

Fatima: En buiten jou?

Hans: In mij is geen buiten meer te vinden.

Fatima: Nee, dat dacht ik wel.

Hans: Wat dacht je wel?

Fatima: In jou is niets meer te vinden.

Hans: In mij is geen niets meer te vinden.

Wie leeft uit liefde voor niet-weten

Wie sterft uit liefde voor de materiële wereld, sterft als een huichelaar. Wie sterft uit liefde voor het hiernamaals, sterft als een gelovige. Maar wie sterft uit liefde voor de Waarheid, sterft als een soefi. (Shibli, 16)

Hans: Wie sterft uit liefde voor niet-weten, sterft als een dwaas.

Fatima: En wie sterft uit liefde voor de Waarheid?

Hans: Ook.

Fatima: En wie sterft uit liefde voor het hiernamaals?

Hans: Ook.

Fatima: En wie sterft uit liefde voor de materiële wereld?

Hans: Ook.

Fatima: Wat is dan het verschil?

Hans: Ik zou het ook niet weten.

Fatima: En wie leeft uit liefde voor niet weten?

Hans: Die ziet wel hoe en of hij sterft.

Fatima: In elk geval niet als een huichelaar.

Hans: Een huichelaar is iemand die doet alsof hij weet hoe je moet sterven.

Fatima: En als hij nou niet huichelt maar oprecht gelooft?

Hans: Dan sterft hij als een gelovige.

Fatima: Wie sterft er dan als een soefi?

Hans: Zie nou eerst maar eens als een soefi te leven.

Fatima: Jij windt er ook geen doekjes om, zeg.

Hans: Daar ga je alleen maar van bloeden.

Fatima: Vanwaar toch steeds die botheid?

Hans: Uit liefde voor de waarheid.