Wat is gemoedsrust? Vrede sluiten met je onvrede

Gemoedsrust is berusten in je onrust, vrede sluiten met je onvrede en niet oordelen over je oordelen. Want onverstoorbaar zijn alleen de doden.

Dwaalgids > Verlichting > Wat is gemoedsrust? Vrede sluiten met je onvrede

Lees ook: Hoera, verlicht, Er is meer in mij dan liefde alleen, Leven is geen kunst, Wat is de zin van het leven?, Van grote vrees naar grote vrede

Op deze pagina:

Een aanbeveling

Leerling: Wat weet u eigenlijk van gemoedsrust?

Meester: Minder dan wie ook.

Leerling: Dat lijkt me geen aanbeveling.

Meester: Integendeel.

Vele wegen naar sereniteit

Leerling: Kent u de weg naar sereniteit?

Meester: Ik ken er maar een.

Leerling: Zeg op.

Meester: Zelfdoding.

Leerling: Wát?

Meester: Maar dat kan wel op veel manieren.

Lees ook: Hoera, verlicht?

Onverstoorbaar zijn alleen de doden

Niet weten brengt je niets

Leerling: Heeft niet weten u onverstoorbaarheid gebracht?

Meester: Niet weten heeft mij niets gebracht.

Leerling: Heeft dat niets het karakter van onverstoorbaarheid?

Meester: Van onverstoorbaarheid weet ik niets.

Leerling: U bent dus niet onverstoorbaar?

Meester: Integendeel, zou ik haast zeggen.

Leerling: Integendeel?

Meester: Ik ben compleet verstoorbaar.

Leerling: Maar u bent toch…

Meester: Zijn is verstoorbaar zijn.

Leerling: Dat snap ik niet.

Meester: Het is heel eenvoudig. Een waarneming is een verstoring van de vorige waarneming of van de stilte tussen twee waarnemingen. Een gedachte is een verstoring van de vorige gedachte of van de stilte tussen twee gedachten. Een gevoel is een verstoring van het vorige gevoel of van de stilte tussen twee gevoelens. Niet weten is een verstoring van het weten dat eraan vooraf ging. Weten is een verstoring van een ander weten of van een niet weten dat eraan vooraf ging. Slaap is een verstoring van de waak, waak weer van de slaap, honger van verzadiging en omgekeerd, rust van inspanning, en zo verder.

Leerling: Niet weten betekent dus niet dat je onverstoorbaar bent?

Meester: Onverstoorbaar zijn alleen de doden.

Leerling: Mag ik aannemen dat de onvermijdelijke verstoringen u sinds u niet meer weet in ieder geval niet meer storen?

Meester: Pardon?

Leerling: Dat u ze aanvaardt of zelfs omarmt, zoals het de verlichte betaamt?

Meester: Wou jij beweren dat ik verlicht ben?

Leerling: Nou…

Meester: Wou jij beweren dat de verlichte iets betaamt?

Leerling: Dus niet weten heeft u geen onverstoorbaarheid gebracht?

Meester: Niet weten heeft mij niets gebracht.

Lees ook: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Niets verwachten van niets verwachten

Leerling: Sereniteit is niets verwachten.

Meester: Je verwacht er nogal wat van.

Leerling: Waarvan?

Meester: Van niets verwachten.

Leerling: Wat dan?

Meester: Sereniteit zei je toch?

Leerling: Verdraaid.

Lees ook: Brieven verlichting; de vrijheid voorbij

De troost van niet-weten: niet goed is ook goed

Omdat je toch niet weet wat goed is, en waar het allemaal nog goed voor is

Leerling: Wat is de troost van niet weten?

Meester: Niet goed is ook goed.

Leerling: Waarom?

Meester: Omdat je toch niet weet wat goed is.

Leerling: Nee.

Meester: En omdat je ook niet weet waar niet goed allemaal nog goed voor is.

Leerling: Ook al niet.

Meester: Vandaar.

Leerling: Maar dan is goed ook niet goed.

Meester: Klopt.

Leerling: Omdat je toch niet weet wat niet goed is.

Meester: Precies.

Leerling: En omdat je ook niet weet waar goed allemaal weer niet goed voor is.

Meester: Kan je nagaan.

Leerling: Noem dat maar troost.

Meester: Noem het dan maar niet weten.

Lees ook: Zalig zijn de armen van geest

Onverstoorbaarheid is nergens voor staan en nergens mee zitten

Als alle hoop en alle wanhoop is vervlogen

Leerling: Wat is onverstoorbaarheid?

Meester: Nergens meer voor staan en nergens meer mee zitten.

Leerling: Wanneer zal ik nergens meer voor staan en nergens meer mee zitten?

Meester: Als alle hoop vervlogen is.

Leerling: Blijf ik zeker met de wanhoop zitten.

Meester: Die vervliegt met de hoop.

Leerling: Zal ik wel antwoorden hebben?

Meester: Je zal alle antwoorden kwijt zijn.

Leerling: Blijf ik zeker met de vragen zitten.

Meester: Die vervliegen met de antwoorden.

Leerling: Blijf ik zeker met niets zitten.

Meester: Met niets kan je niet zitten.

Leerling: Zit u nog ergens mee?

Meester: Gewoonlijk niet, mee.

Leerling: En als u toch ergens mee zit?

Meester: Kan gebeuren.

Leerling: Wat dan?

Meester: Dan zit ik daar niet mee.

Leerling: En als u er toch mee zit?

Meester: Dan zit ik dáár niet mee.

Leerling: Gewoonlijk zit u nergens mee, en als u toch ergens mee zit dan zit u daar niet mee, en als u er toch mee zit dat u ermee zit dan zit u dáár niet mee?

Meester: En gewoonlijk sta ik nergens voor, en als ik toch ergens voor sta dan sta ik daar niet voor, en als ik er toch voor sta dat ik ervoor sta dan sta ik dáár niet voor.

Leerling: En dat wou u onverstoorbaarheid noemen?

Meester: En dat wou jij onverstoorbaarheid noemen.

Lees ook: De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

Gemoedsrust is onder ogen zien dat je niet alles onder ogen kan zien

‘Ik had me er meer van voorgesteld.’

Leerling: Wat is innerlijke vrede?

Meester: Alles onder ogen zien.

Leerling: En als je dat niet kan?

Meester: Niks aan de hand.

Leerling: Maar wat dan?

Meester: Dan zie je dat gewoon onder ogen.

Leerling: En als dat ook niet helpt?

Meester: Jij denkt nog steeds dat iets zal helpen.

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Daar ben ik helemaal niet mee bezig.

Leerling: Ik weet niet of ik dit wel wil weten.

Meester: Dan zie je dat maar onder ogen.

Leerling: Als ik alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?

Meester: Ooit iemand ontmoet die alles onder ogen zag?

Leerling: Persoonlijk?

Meester: Nou?

Leerling: U.

Meester: Dat weet je toch niet?

Leerling: Maar u toch wel?

Meester: Ik zie onder ogen dat ik niet alles onder ogen zie.

Leerling: Wat ziet u bijvoorbeeld niet onder ogen?

Meester: Verwondingen aan mijn eigen lichaam bijvoorbeeld niet. En als er bij mij bloed afgenomen moet worden kijk ik altijd weg. Dan nog val ik meestal flauw.

Leerling: Gaat dat ooit veranderen, denkt u?

Meester: Daar ben ik helemaal niet mee bezig.

Leerling: Als ik onder ogen zie dat ik niet alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?

Meester: Weet ik niet.

Leerling: Tja.

Meester: Wat?

Leerling: Ik had me er meer van voorgesteld.

Meester: Ook dat moet je onder ogen zien.

Lees ook: Lijden, is er een einde aan?

Als het je niet meer uitmaakt dat het je nog wat uitmaakt

Spreek je uit ervaring of heb je het bedacht?

Meester: Wat is niet weten volgens jou?

Leerling: Dat het je niet uitmaakt.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Omdat je niet zou weten waarom.

Meester: En als het je toch uitmaakt?

Leerling: Maakt niet uit.

Meester: En als ook dat je nog uitmaakt?

Leerling: Maakt niet uit.

Meester: Spreek je uit ervaring of heb je het bedacht?

Leerling: Wat maakt dat nou uit.

Meester: Eerlijk zeggen.

Leerling: …

Meester: Nou?

Leerling: Ik heb het bedacht.

Meester: Geen probleem.

Leerling: Maar het werkt niet.

Meester: Dat haal je de koekoek.

Leerling: Je wordt verdomme helemaal niet onverstoorbaar van niet weten.

Meester: Maakt niet uit.

Leerling: Je wordt er verdomme helemaal niks van.

Meester: Dat is niet weten.

Lees ook: Loflied op niet-weten

Gedachten zijn duistere machten

Het viel me zomaar in

Leerling: Wat is bezorgdheid?

Meester: Denken dat je iets kan overkomen.

Leerling: Wat is gemoedsrust?

Meester: Denken dat je niets kan overkomen.

Leerling: Wat denkt u?

Meester: Dat het denken je overkomt.

Leerling: Meent u dat nou?

Meester: Och.

Leerling: Waarom zegt u het dan?

Meester: Het viel me zomaar in.

Lees ook: Wat is de mind?

Morgen is niet nu, maar de angst voor morgen wel

Bij de wortel

Meester: Morgen moet ik naar de tandarts.

Leerling: U gaat me toch niet vertellen dat u bang bent?

Meester: Nou en of.

Leerling: Dat is anders nergens voor nodig.

Meester: Waarom niet?

Leerling: Morgen is alleen maar een gedachte.

Meester: Dat morgen alleen maar een gedachte is ook.

Leerling: Maar morgen is toch niet nu?

Meester: Maar de angst voor morgen is wel nu.

Leerling: Maar angst heeft toch helemaal geen zin?

Meester: Een blindedarm heeft ook helemaal geen zin.

Leerling: En?

Meester: Toch heb ik hem.

Leerling: Een blindedarm?

Meester: Én angst voor de tandarts.

Leerling: Ik eerlijk gezegd ook.

Meester: Wat?

Leerling: Een blindedarm en angst voor de tandarts.

Meester: Nou dan.

Leerling: Maar ik wil het niet weten.

Meester: Ben jij soms bang voor angst?

Leerling: Het is zo irrationeel.

Meester: Ben jij soms bang voor irrationaliteit?

Lees ook: Byron Katie voor Workaholics

Hoe je tot niet-oordelen komt (en eraan voorbij gaat)

Afleren tot je af bent

Leerling: Hoe kom ik tot niet-oordelen?

Meester: Eerst leer je dat je niets fout kan doen.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat je niets goed kan doen.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat je niets kan doen.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat je niets kan laten.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat er geen jij is.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat er geen niet-jij is.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat er niets te leren valt.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat er niets af te leren valt.

Leerling: En dan?

Meester: Leer je dat ook nog af.

Leerling: En dan?

Meester: Ben je af.

Leerling: En dan oordeel je niet meer?

Meester: En dan oordeel je als vanouds.

Leerling: Wat heb je dan gewonnen?

Meester: Misschien dat je er niet meer in gelooft?

Leerling: Misschien?

Meester: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Leerling: En als je er toch in gelooft?

Meester: Misschien dat je daar dan niet meer over oordeelt?

Leerling: Misschien?

Meester: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Leerling: En als je er toch over oordeelt?

Meester: Misschien dat je dáár dan niet meer in gelooft?

Leerling: Misschien?

Meester: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Leerling: En als je er toch in gelooft?

Meester: Misschien dat je dáár dan niet meer over oordeelt?

Leerling: Misschien?

Meester: Ja, dat is altijd maar weer afwachten.

Leerling: En als je er toch over oordeelt?

Meester: Dat zien we dan wel weer.

Leerling: En dat wou u niet-oordelen noemen?

Meester: En dat wou jij niet-oordelen noemen.

Lees ook: Grote Twijfel, Grote Verlichting

Het oordelen onder ogen zien

Als je het niet kan aanzien

Leerling: Hoe kom ik van het oordelen af?

Meester: Waarom zou je er vanaf willen?

Leerling: Omdat het niet goed is.

Meester: Dat is een oordeel.

Leerling: Maar hoe kom ik van het oordelen af?

Meester: Wie zegt dat het van jou is?

Leerling: Wat als het niet van mij is?

Meester: Dan kan je er ook niet vanaf.

Leerling: Maar hoe kom ik er nou vanaf?

Meester: Wie zegt dat je er vanaf kan komen?

Leerling: Wat moet ik er dan mee?

Meester: Dat onder ogen zien?

Leerling: Maar ik kan het gewoon niet aanzien.

Meester: Omdat je erover oordeelt.

Leerling: Hoe kom ik van het oordelen af?

Lees ook: Wie ben je? Zelfbeelden, mensbeelden en drogbeelden

Ben je slecht als je anderen veroordeelt?

Drie oordelen

Leerling: Ik ben een slecht mens.

Meester: Waarom?

Leerling: Omdat ik anderen veroordeel.

Meester: Dat waren twee oordelen.

Leerling: Oordelen is verkeerd.

Meester: En dat is drie.

Lees ook: Groot Ongeloof, Grote God

Niet-weten is dat wat alles in zijn waarde laat

Wou je nog een diploma ook?

Leerling: Wat is de toegevoegde waarde van niet-weten?

Meester: Niet weten voegt geen waarde toe.

Leerling: Is het dan een soort ontwaarding?

Meester: Niet weten neemt geen waarde weg.

Leerling: Wat is niet-weten dan wel?

Meester: Dat wat alles in zijn waarde laat.

Leerling: Om precies te zijn?

Meester: Dat wat nergens de waarde van kent.

Leerling: Ik dacht even dat u op iets moois aanstuurde.

Meester: Zoals?

Leerling: Onvoorwaardelijke liefde, indifferentie, keuzeloos gewaarzijn, niet oordelen.

Meester: O, dat.

Leerling: Nou?

Meester: Daar weet ik allemaal niks van.

Leerling: Niet-weten klinkt meer als een brevet van onvermogen.

Meester: Wou je nog een diploma ook?

Lees ook: Brieven niet-weten, de grootspraak voorbij

Is het jouw schuld dat er voortdurend allerlei oordelen in je opkomen?

Dat had je gedroomd

Leerling: Hoe kom ik van dat oordelen af?

Meester: Je veronderstelt dat je er verantwoordelijk voor bent.

Leerling: Wie anders?

Meester: Is het jouw schuld dat je blauwe ogen hebt?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Is het jouw schuld dat je iedere dag moet eten?

Leerling: Natuurlijk niet.

Meester: Is het jouw schuld dat je je moerstaal spreekt?

Leerling: Nee, maar…

Meester: Is het jouw schuld dat je de normen en waarden van je cultuur met je meezeult?

Leerling: Ik neem aan van niet, maar…

Meester: Is het dan jouw schuld dat er voortdurend allerlei oordelen in je opkomen conform de normen en waarden van je cultuur?

Leerling: Bedoelt u dat ik er niets aan kan doen?

Meester: Wie?

Leerling: Ik.

Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat je iemand bent?

Leerling: U niet soms?

Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat ik iemand ben?

Leerling: Ik kies ervoor…

Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat je een vrije wil hebt?

Leerling: Wou u soms zeggen…

Meester: Is het jouw schuld dat je denkt dat ik niet in de vrije wil geloof?

Leerling: Moet ik hieruit opmaken…

Meester: Is het jouw schuld dat je altijd maar conclusies trekt en goede voornemens maakt?

Leerling: Ik zal het nooit meer doen.

Meester: Dat is opnieuw een voornemen.

Leerling: Ik neem het terug.

Meester: Dat had je gedroomd.

Leerling: Bedoelt u dat ik daar ook niets over te zeggen heb?

Meester: Zie je wel?

Lees ook: Vrije wil, onvrije wil en ongewilde vrijheid, Help ons uit de droom (maar laat ons onze dromen)

Als oordelen verkeerd is, dan ook het oordeel dat oordelen verkeerd is

Het kan verkeren

Leerling: Oordelen is verkeerd.

Meester: Als oordelen verkeerd is, dan ook het oordeel dat oordelen verkeerd is.

Leerling: En als oordelen niet verkeerd is?

Meester: Dan ook niet het oordeel dat oordelen verkeerd is.

Leerling: Nou weet ik nog niks.

Meester: Dat is niet verkeerd.

Lees ook: Wat is de weetnietgeest?

Voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen

Keerzijden

Leerling: Er bestaat geen ongunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.

Meester: Er bestaat geen gunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.

Lees ook: Wat is non-dualiteit?

In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed of verkeerd

Maandag

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.

Meester: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.

Dinsdag

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed.

Meester: In het hele universum ligt nog geen grassprietje verkeerd.

Woensdag

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje…

Meester: Goed of verkeerd.

Donderdag

Leerling: In het hele universum ligt nog geen grassprietje goed of verkeerd.

Meester: Heb je ze allemaal gecontroleerd?

Vrijdag

Leerling: In het hele universum…

Meester: In het wat?

Zaterdag

Leerling: Zelfs over het kleinste grassprietje heb ik niets te melden.

Meester: Waarom doe je het dan toch?

Zondag

Leerling: …

Meester: Had dat dan meteen gezegd

Lees ook: Wat is non-dualisme?

Ik weersta niet mijn weerstand (en anders maar wel)

Ik veroordeel niet mijn oordelen
Of mijn veroordeling daar weer van
Of mijn veroordeling daar weer van
Of mijn veroordeling daar weer van

En anders maar wel

Ik vervloek niet mijn vloeken
Of mijn vervloeking daar weer van
Of mijn vervloeking daar weer van
Of mijn vervloeking daar weer van

En anders maar wel

Ik weersta niet mijn weerstand
Of mijn weerstand daar weer tegen
Of mijn weerstand daar weer tegen
Of mijn weerstand daar weer tegen

En anders maar wel

Lees ook: Denkbeeldenstorm!

Gedachten zijn zo voorbij (deze ook)

1.

Leerling: Vergankelijkheid is eigenlijk een zegen.

Meester: Hoezo?

Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.

Meester: Maar daar is de volgende alweer.

2.

Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.

Meester: Maar daar is ze voor de zoveelste keer.

3.

Leerling: Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.

Meester: De heerlijkste ook.

4.

Leerling: Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.

Meester: Hoezo?

Leerling: Iedere gedachte is zo voorbij.

Meester: Deze ook.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Deze ook.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Deze ook.

Leerling: Wat nu?

Meester: Deze ook.

Leerling: Niet te geloven.

Meester: Die ook.

Leerling: Maar dat is wel precies wat ik bedoel.

Meester: Wat?

Leerling: Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.

Meester: Die ook.

Lees ook: Verder, verder! Reistips voor spirituele zoekers

Hoe je boos kan worden als je niks weet

En jij maar denken

Leerling: Wordt u weleens boos?

Meester: Waarom zou ik niet boos worden?

Leerling: Hoe kan je nou boos worden als je niks weet?

Meester: Wie zegt dat je daar iets voor moet weten?

Leerling: Ik dacht dat u dat wel zou weten.

Meester: Vraag het liever aan iemand die niks weet.

Leerling: Zo iemand bent u toch?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Leerling: En ik maar denken dat u nooit meer boos zou zijn.

Meester: En jij maar denken.

Lees ook: Wat is liefde?

Denk je soms dat ik mijn woede onder controle heb?

Leg mij dan maar eens uit hoe ik ervoor moet zorgen dat ik mij op het juiste moment herinner dat ik niets weet.

Leerling: Wordt u weleens woedend?

Meester: Waarom zou ik niet woedend worden?

Leerling: Maar dan is het zeker zo voorbij?

Meester: Waarom zou het zo voorbij zijn?

Leerling: Zodra u beseft dat uw woede grondeloos is…

Meester: Sinds wanneer heeft woede gronden nodig?

Leerling: Dat weet ik eigenlijk niet.

Meester: Nou, ik ook niet.

Leerling: Maar zodra het tot u doordringt…

Meester: Denk je soms dat ik mijn woede onder controle heb?

Leerling: Daar ging ik wel van uit.

Meester: Nou, ik niet.

Leerling: Maar u hoeft zich toch alleen maar even te herinneren dat u niets weet?

Meester: Wie zegt dat ik niets weet?

Leerling: Maar ik dacht…

Meester: Als je zo goed kan denken, leg mij dan maar eens uit hoe ik ervoor moet zorgen dat ik mij op het juiste moment herinner dat ik niets weet…

Leerling: Maar…

Meester: Terwijl ik GODVERDOMME niet eens weet of ik niets weet.

Leerling: …

Meester: ALS JE DAT MAAR WEET.

Leerling: Sorry.

Meester: Grapje.

Lees ook: Wat is niet-weten?

Dit is waar menigeen blijft hangen

Emoties

Leerling: De verlichte heeft nog steeds emoties maar blijft er niet meer in hangen.

Meester: Dit is waar menigeen blijft hangen.

Meningen

Leerling: De verlichte heeft nog steeds meningen maar blijft er niet meer in hangen.

Meester: Dit is waar menigeen blijft hangen.

Ideeën

Leerling: De verlichte heeft nog steeds ideeën maar blijft er niet meer in hangen.

Meester: En als ie er nou toch in blijft hangen?

Leerling: Dan is hij niet langer verlicht of nooit verlicht geweest.

Meester: Dit is waar menigeen blijft hangen.

Lees ook: 22 Metaforen voor verlichting

Dit is waar iedereen vast komt te zitten

Bedoel je dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?

Leerling: De verlichte heeft nog steeds een ego maar zit er niet meer aan vast.

Meester: Is dit een mening of zit je eraan vast?

Leerling: Je kan niet vastzitten aan je ego; het ego is vastzitten.

Meester: Dit is waar menigeen vast komt te zitten.

Leerling: Bedoelt u dat de verlichte geen ego meer heeft?

Meester: Dit is waar menigeen vast komt te zitten.

Leerling: Help me nou eens een beetje.

Meester: Waarmee?

Leerling: Ik zit helemaal vast.

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Leerling: Bedoelt u dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?

Meester: Of is dat ook maar een gedachte?

Leerling: Bedoelt u dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?

Meester: Dit is waar menigeen vast komt te zitten.

Leerling: Ik wil niet meer vastzitten.

Meester: Dit is waar menigeen…

Leerling: Jezus!

Meester: Dit is waar…

Leerling: Waarom helpt u mij nou niet!

Meester: Dit is waar iedereen vast komt te zitten.

Tip: Doe de verlichtingstest

Niet-weten biedt geen enkele garantie

Leerling: Als je niets meer weet, hoef je nooit meer depressief te zijn.

Meester: Wou jij beweren dat depressiviteit wordt veroorzaakt door negatieve gedachten?

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Misschien worden negatieve gedachten wel veroorzaakt door depressiviteit.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Of misschien worden beide wel veroorzaakt door een onderliggende factor.

Leerling: Zoals?

Meester: Een lage suikerspiegel, een overdosis stresshormoon, slaapgebrek, incest, geen-incest, het weer, auto-immuniteit, een allergie, overprikkeling, een combinatie van factoren, zeg hij het maar.

Leerling: Hm.

Meester: Misschien moet het hele universum wel precies in de huidige constellatie verkeren om precies op dit moment precies deze combinatie van depressiviteit en negatieve gedachten in jou te bewerkstelligen.

Leerling: Dan kan ik het wel schudden.

Meester: Dan moet het zogezegd zo zijn.

Leerling: Moet het zogezegd zo zijn?

Meester: Wat weet ik daarvan?

Leerling: Dus niet-weten biedt geen enkele garantie?

Meester: Dat kan ik niet garanderen.

Leerling: Deprimerend hoor.

Meester: Ik word er zelf wel blij van.

Niet-weten is geen zuivere koffie

Leerling: Gaat niet-weten gepaard met een bepaalde gemoedstoestand?

Meester: Het een heeft met het ander niets uit te staan.

Leerling: Volgens sommigen is niet-weten zuivere liefde.

Meester: Niet-weten is gewoon niet weten.

Leerling: Volgens anderen is het redeloze vreugde.

Meester: Denk je soms dat niet-weten je immuun maakt voor verdriet?

Leerling: Daar reken ik op.

Meester: Niet-weten is nergens op rekenen.

Leerling: Niet-weten is nergens op rekenen?

Meester: Daar zou ik maar niet op rekenen.

Leerling: Voel jij liefde voor al wat is?

Meester: Al wat is omvat heel wat meer dan liefde.

Leerling: Aanvaard jij alles wat er op je pad komt onvoorwaardelijk?

Meester: Ook afwijzing komt op mijn pad.

Leerling: Voorwaardelijk of onvoorwaardelijk?

Meester: Net zo het komt.

Leerling: Maar wat heb je er dan aan?

Meester: Waaraan?

Leerling: Aan niet-weten.

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Niet-weten is geen gemoedstoestand

Een duidend niet duiden

Ik zie in sereniteit – hoe diep en constant ook – geen teken van iets groters, zoals verlichting of vereniging met god. Evenmin zie ik in onrust of onvrede een teken van het tegendeel.

Niet-weten – agnose met een mooi woord – is niet een bepaalde gemoedstoestand, maar een consequent niet duiden van om het even wat, om niet te zeggen (een extra ontkenning kan nooit kwaad) een zelfs niet niet-duiden.

Ik doel op een duiden tussen aanhalingstekens en een niet-duiden tussen aanhalingstekens of, om een typisch taoïstische zinswending te gebruiken, een duidend niet duiden. Welke gemoedstoestand daarvan ook het gevolg mag zijn. Of de oorzaak.

Lees ook: Dwaaltaal, of de kunst van het welsprekend niet-spreken

Wat betekent het dat iemand nooit boos is?

Beketenissen

Leerling: Als iemand nooit boos wordt, betekent dat toch dat hij verlicht is?

Meester: Voor jou misschien.

Leerling: En voor u?

Meester: Waarom zou het iets betekenen?

Leerling: Wou u beweren van niet?

Meester: Waarom zou het niets betekenen?

Leerling: Wou u beweren van wel?

Meester: Misschien betekent het alleen dat hij zijn gevoelens onderdrukt.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien voelt hij ze wel, maar toont hij ze niet.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien toont hij ze wel, maar niet aan jou.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien toont hij ze wel, maar zie jij ze niet.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien is hij nooit boos, maar betekent het niets.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien betekent het iets maar weet niemand wát.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien betekent het iedere keer wat anders.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien betekent het voor iedereen wat anders.

Leerling: Dat kan ook nog.

Meester: Of misschien is de ambiguïteit ervan wel de belangrijkste betekenis.

Leerling: Nou weet ik nog niks.

Meester: Zeker weten?

Leerling: Als iemand niks weet, betekent dat dan dat hij verlicht is?

Meester: Voor jou misschien.

Leerling: En voor u?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Lees ook: Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Waar je moet gaan staan als er geen plek meer is om te staan

Hier is altijd plek

Leerling: Hisamatsu wist het heel treffend te zeggen.

Meester: Dat zal best.

Leerling: Wilt u niet weten wat?

Meester: Wedden dat jij het me nu gaat uitleggen?

Leerling: Hij vroeg waar je moet gaan staan als er geen plek meer is om te staan.

Meester: O, dat…

Leerling: Wat?

Meester: Het probleem is niet dat er geen plek is.

Leerling: Wat is het probleem dan wel?

Meester: Dat er dáár geen plek is.

Leerling: Ik zie het verschil niet.

Meester: Hier is altijd plek.

Leerling: Maar als je nou niet hier wil zijn?

Meester: Dan is dat waar je bent.

Leerling: En als je je tegenzin niet kan aanvaarden?

Meester: Dan is dat waar je bent.

Leerling: Op die manier.

Meester: Hier is altijd plek.

Leerling: U zult wel gelijk hebben…

Meester: Daar nooit.

Leerling: Maar ik wil niet meer hier zijn!

Meester: Ik ook niet.

Leerling: U ook niet?

Meester: Zullen we dan maar een ommetje gaan maken?

Even later

Meester: Wat is er nou?

Leerling: Mijn ouders zijn aan het dementeren.

Meester: Tja.

Leerling: Mijn vrouw is bij me weggelopen.

Meester: Tja.

Leerling: Ik ben uit de ouderlijke macht ontzet.

Meester: Tja.

Leerling: Ik ben ontslagen wegens fraude.

Meester: Tja.

Leerling: Ik heb schulden.

Meester: Tja.

Leerling: Er is prostaatkanker bij me geconstateerd.

Meester: Tja.

Leerling: Ik slaap op straat.

Meester: Tja.

Leerling: De remsporen staan in mijn onderbroek.

Meester: Tja.

Leerling: Ik ruik naar uien en verschaald bier.

Meester: Tja.

Leerling: Ik voel me net Job op de mesthoop.

Meester: Tja.

Leerling: Ik wil niet op een mesthoop zitten.

Meester: Tja.

Leerling: Ik overweeg zelfmoord te plegen.

Meester: Tja.

Leerling: Ik ben bang dat ik zelfs daar nog een potje van zal maken.

Meester: Tja.

Leerling: Ook ben ik bang dat mijn poging zal slagen.

Meester: Tja.

Leerling: Ik wil niet overal zo bang voor zijn.

Meester: Tja.

Leerling: Ik wil niet meer van mijn angst af willen.

Meester: Tja.

Leerling: Ik wil niet meer van alles niet willen.

Meester: Tja.

Leerling: En ik haat onze gesprekken.

Meester: Tja.

Leerling: Ze leiden tot niets.

Meester: Nee.

Leerling: Nooit.

Meester: Maakt niet uit.

Leerling: Wat niet?

Meester: Niks niet.

Leerling: Hoezo niet?

Meester: Hier is altijd plek.

Lees ook: Wat is taoïsme? Meester Tja en de tao van tja

Schijndilemma’s

Voor je staat iemand met een mes, achter je iemand met een pistool…

Leerling: Waar moet je gaan staan als er geen plek meer is om te staan?

Meester: Lekker blijven zitten.

Leerling: Zo kan ik het ook.

Meester: Dat mocht je willen.

Leerling: Voor u staat iemand met een mes, achter u iemand met een pistool, links iemand met een zwaard en rechts iemand met een knots. De man voor u vraagt hoe u wilt sterven. Wat zegt u dan?

Meester: Wie zegt dat ik wil sterven?

Leerling: U moet sterven; u kunt alleen nog kiezen op welke wijze.

Meester: Wie zegt dat ik kan kiezen?

Leerling: Als u weigert te kiezen, zal er voor u worden gekozen.

Meester: Wie zegt dat ik kan weigeren?

Leerling: Omdat u weigert te kiezen, rijt de man met het mes uw buik open. Uw darmen vallen eruit en u sterft een langzame, pijnlijke dood. Hebt u nou uw zin?

Meester: Ik niet, jij?

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven

Niets doen tot je in actie komt en doorgaan tot je ophoudt

Het orakel van-Zelphi

Leerling: Ik weet echt niet meer wat ik doen moet.

Meester: Maar ik kan je precies vertellen wat er gaat gebeuren.

Leerling: Kan u nou ook al waarzeggen?

Meester: Iedereen kan waarzeggen.

Leerling: Wat gaat er dan gebeuren?

Meester: Je zal niets doen totdat je in actie komt.

Leerling: Ja, zo kan ik het ook.

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Wat heb je daar nou aan.

Meester: Ik dacht dat het je misschien gerust zou stellen.

Leerling: Daar is heel wat meer voor nodig.

Meester: Wat dan?

Leerling: Ik wil weten waarom ik nu nog niet in actie kom.

Meester: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Leerling: Ik wil weten wanneer het eindelijk zover zal zijn.

Meester: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Leerling: Ik wil weten wat ik dan ga doen.

Meester: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Leerling: Ik wil weten hoe het afloopt.

Meester: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Leerling: En ik wil weten of ik juist heb gehandeld.

Meester: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Wat is er?

Leerling: Nou weet ik nog niks.

Meester: Je weet alles wat je moet weten.

Leerling: Wat dan?

Meester: Dat je niets zal doen tot je in actie komt.

Leerling: Ja, en dan?

Meester: Dan zul je in actie blijven tot je ophoudt.

Leerling: Schertsfiguur.

Meester: Hela, waar ga je heen?

Leerling: Val dood!

Meester: Kom terug!

Even later

Meester: Zeg eens eerlijk, had je dit voorzien?

Leerling: Nee.

Meester: En toch kwam je in actie.

Leerling: Schei toch uit.

Meester: Ga eerst eens rustig zitten.

Even later

Meester: Zeg eens eerlijk, had je dit voorzien?

Leerling: Nee.

Meester: En toch kwam je tot rust.

Leerling: Toegegeven.

Meester: Wat heb je hiervan opgestoken?

Leerling: Dat alles vanzelf gebeurt.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Dat alles gaat zoals het gaat.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Dat alles op zijn pootjes terechtkomt.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Dat je niet moet gaan zitten gissen.

Meester: Dat heb ik niet gezegd.

Leerling: Wat heb je dan wel gezegd?

Meester: Bij mijn weten niets.

Leerling: Hè?

Meester: Zo kan je het ook zeggen.

Leerling: Waar bent u nou eigenlijk mee bezig?

Meester: Niets zeggen, zou ik zeggen, maar wie ben ik?

Leerling: Wat heeft dat nou voor zin?

Meester: Daar kan je alleen maar naar gissen.

Lees ook: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest

Wat het ook mag kosten

Leerling: Wat moet je doen als je het allemaal niet meer weet?

Meester: Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest.

Leerling: En dan?

Meester: Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest.

Leerling: Enzovoort?

Meester: Dat hangt van de richting af.

Leerling: Want voor hetzelfde geld keer je op je schreden terug, wou u zeggen.

Meester: Of wat het ook mag kosten.

Lees ook: Leven is geen kunst

Niet met de stroom meegaan is meegaan met de tegenstroom

Wijze raad voor elke daad

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan ga ik bij de NSB.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan ga ik bij het verzet.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan zit ik het uit.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan duik ik onder.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan vaar ik naar Engeland.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan spring ik van de brug.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Ik kan niet zwemmen.

Lees ook: Wat is de zin van het leven?

Als je het met niemand (on)eens bent

Dat zien we dan wel weer

Leerling: Stel, iemand betwist u het voogdijschap over uw kind. De rechter dreigt het kind in tweeën te hakken als jullie het onderling niet eens worden. Wat nu?

Meester: Ik ben het met niemand oneens.

Leerling: Maar het is toch zeker uw kind?

Meester: Een kind is van niemand.

Leerling: Bedoelt u dat u het kind zonder strijd zult afstaan?

Meester: Dat zien we dan wel weer.

Leerling: Bedoel u dat u misschien toch de strijd zult aangaan?

Meester: Dat zien we dan wel weer.

Leerling: Hoe kan u strijd verantwoorden als kinderen van niemand zijn?

Meester: Strijd is ook van niemand.

Leerling: Zelfs niet van degene die strijdt?

Meester: Wie zal het zeggen?

Leerling: Wat is er eigenlijk wel van u?

Meester: Wat eigenlijk niet?

Leerling: Dat is heel wat anders.

Meester: Dat komt op hetzelfde neer.

Leerling: Ik snap er niks meer van.

Meester: Daar heb je het al.

Leerling: En als de rechter het kind aan een onafhankelijke partij toewijst?

Meester: Wat is de vraag?

Leerling: Bent u het daar dan wel mee eens?

Meester: Ik ben het met niemand eens.

Leerling: Behalve met uzelf natuurlijk.

Meester: Ken ik niet.

Leerling: Waarom bent u het met niemand eens?

Meester: Ik weet niet of ik het daar wel mee eens ben.

Leerling: Uit principe?

Meester: Of bij gebrek aan principes.

Leerling: Maar eigenlijk?

Meester: In de praktijk.

Lees ook: Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken

Sommige mensen verkeren in de waan dat ze niet in een waan verkeren

Wanenbal

Leerling: Sommige mensen verkeren in de waan dat er iets te doen valt.

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat er niets te doen valt.

Leerling: Bedoelt u dat iedereen in een waan verkeert?

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat iedereen in een waan verkeert.

Leerling: Bedoelt u dat niet iedereen in een waan verkeert?

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat niet iedereen in een waan verkeert.

Leerling: Wat bedoelt u dan?

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat ik iets bedoel.

Leerling: Bedoelt u soms niets?

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat ik niets bedoel.

Leerling: Dan weet ik het ook niet meer.

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat ze het niet meer weten.

Leerling: Bent u niet zo iemand?

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat ze iemand zijn.

Leerling: Bedoelt u dat we niemand zijn?

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat er niemand is.

Leerling: En zo kunnen we maar doorgaan.

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat er geen einde aan komt.

Leerling: Maar alles is vergankelijk, ik snap het al.

Meester: Sommige mensen verkeren in de waan dat alles voorbij gaat.

Leerling: Maar wat is nou de waan, dat er iets te doen valt of dat er niets te doen valt?

Meester: Dat je daartussen moet kiezen?

Lees ook: De illusie van de illusie

Hoe noemen we hem die het leven niet kent?

Nomen nescio

Sereen noemen we hem die het leven aanvaardt.

Rusteloos noemen we hem die het leven afwijst.

Hoe noemen we hem die het leven niet kent?

Die niet weet of er eigenlijk wel zoiets is als ‘het leven’ en die het ook niet meer kan schelen?

Die niet weet of hij iemand is of niemand of iemand en niemand of iemand noch niemand of wat dan ook?

Die zich noch de aanvaarding, noch de afwijzing toe-eigent, zo er al sprake van is?

Die nu eens dit denkt, dan weer dat?

Die zijn gedachten niet gelooft, zelfs niet de gedachte dat hij zijn gedachten niet gelooft?

Hoe noemen we hem op wie de woorden ‘hem’, ‘sereen’ en ‘rusteloos’ helemaal niet meer van toepassing zijn?