Waarnemen of waargeven? De illusie van subject en object

Waar de vogeltjes fluiten? Je binnenste buiten; dwaalgesprekken over waarnemen en waargeven, subject en object, werkelijkheid en illusie.

Dwaalgids > Advaita, Filosofie > Waarnemen of waargeven? De illusie van subject en object

Lees ook: Metafysica in een wezenloze wereld, De illusie van de illusie, Wie ben je?, Help ons uit de droom.

Wat denk jij, is de meloen zoet of de tong?

Nou, dat zullen we nog weleens zien

Deze vraag, of de meloen zoet is of de tong, vond ik in een teisho (toespraak) van Yamada Koun bij koan #29 uit De Poortloze Poort. Meester Sonno kreeg van een leerling een meloen die ze samen oppeuzelden. Daarop vroeg de meester:

‘Wat denk jij, is de meloen zoet of de tong? Als de meloen zoet is, heeft het zoet zijn niets met de tong te maken. Als de tong zoet is, heeft het zoet zijn niets met de meloen te maken. Waar komt eigenlijk het zoet zijn vandaan? Probeer me daarop eens een antwoord te geven!’

De leerling kwam er niet uit, waarop meester Sonno verklaarde:

‘Waar het vandaan komt? Dat kunnen je niet eens de boeddha’s en patriarchen zeggen. Als je naar een ‘waarvandaan’ zoekt, dan ontdek je dat de meloen het hele universum is en dat er geen tong buiten de meloen bestaat. Of je ontdekt dat de tong het hele universum is en dat er geen meloen buiten de tong bestaat.’

Zei meester Sonno. Nou, dat zullen we nog weleens zien.

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van waarneming, Hans?’

‘Minder dan wie ook.’

‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’

‘Integendeel.’

Hersenactiviteit is nog geen waarneming

De pijnappelklier van Descartes

Hans: Wat is zien?

Michal: Dat weet een kind.

Hans: Dan kan jij het me vast wel uitleggen.

Michal: Er valt licht in je ogen en dat veroorzaakt zenuwactiviteit.

Hans: O, zo.

Michal: Simpel.

Hans: Dan kan je me zeker ook wel uitleggen hoe iets stoffelijks als hersenactiviteit tot iets geestelijks als een visuele waarneming kan leiden.

Michal: Ik… Descartes… pijnappelklier… psychofysisch parallellisme… emergentie…

Hans: Nou?

Michal: Ik heb eigenlijk geen idee.

Hans: Dat weet een kind.

Kan jij je zenuwprocessen waarnemen?

Wat zie je allemaal niet?

Hans: Wat is zien volgens jou?

Tosca: Er valt licht in je ogen en dat licht veroorzaakt zenuwactiviteit.

Hans: Hoe weet je dat?

Tosca: Gelezen.

Hans: Je hebt het nooit aan den lijve ondervonden?

Tosca: Hoe kan dat nou.

Hans: Let eens op je hersens terwijl je om je heen kijkt.

Tosca: …

Hans: En?

Tosca: Niets.

Hans: Geen zenuwactiviteit te bespeuren?

Tosca: Ik merk er tenminste niks van.

Hans: Geen elektriciteit in je oogzenuw, geen schimmen in je achterhoofd, geen kleurvelden of trillingen of tintelingen of warmte of een zacht ruisen of tinkelen misschien, een metalige geur in de tussenliggende gebieden?

Tosca: Dood als een pier.

Hans: En je ogen zelf?

Tosca: Wat is daarmee?

Hans: Wat zie je tijdens het kijken in je ogen gebeuren?

Tosca: Ik kijk mét mijn ogen, niet in mijn ogen.

Hans: Geen beelden in je lenzen of op je netvliezen?

Tosca: Ik zie de wereld daarbuiten, niet een film op mijn netvliezen of een voorstelling in mijn brein.

Hans: Vind je het niet vreemd dat de fysiologische processen waaraan je het verschijnen van de wereld toeschrijft, niet aan jou verschijnen maar de wereld waarin ze verondersteld worden zich te voltrekken wel?

Hoe kunnen chemische reacties in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?

Projectie of introjectie?

Hans: Wat is zien?

Winnie: Er valt licht in je ogen dat wordt omgezet in hersenactiviteit die wordt omgezet in bewuste beelden. Maar vraag me niet hoe, want dat weet niemand.

Hans: Dat wou ik net vragen.

Winnie: Vraag liever iets wat ik wel weet.

Hans: Waar vindt een en ander plaats?

Winnie: In de bovenkamer, lijkt mij.

Hans: Dan moet je me toch eens iets uitleggen.

Winnie: Wat?

Hans: Hoe kan een fysiologisch proces in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?

Winnie: Tjemig.

Hans: Kan je iets specifieker zijn?

Winnie: Zou het projectie kunnen zijn?

Hans: Wat is dat?

Winnie: Een fysiologisch proces in je hoofd dat leidt tot beelden buiten je hoofd, zou ik zeggen.

Hans: Dan moet je me toch eens iets uitleggen.

Winnie: Ik was er al bang voor.

Hans: Hoe kan een fysiologisch proces in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?

Winnie: Eh…

Hans: Is dat een ander woord voor ‘Ik weet het niet?’

Winnie: Ik weet het niet.

Hans: Zeg eens, wie of wat projecteert wat of wie op welke wijze?

Winnie: Ik heb werkelijk geen flauw benul.

Hans: Nou, ik ook niet.

Zie je mijn hand of zie je een beeld van mijn hand?

Zeg maar dag met je handje

Hans: Als ik mijn hand opsteek, wat zie je dan?

Diederick: Je hand.

Hans: Zie je mijn hand of zie je een beeld van mijn hand?

Diederick: O, eh… een beeld van je hand, zou ik zeggen.

Hans: Waar is dat beeld?

Diederick: Daar.

Hans: Hier?

Diederick: Waar anders.

Hans: Maar jij bent daar.

Diederick: Beslist.

Hans: Hoe kan je er dan bij?

Diederick: Waarbij?

Hans: Bij dat beeld van mijn hand.

Diederick: Doordat het in mijn hoofd zit natuurlijk.

Hans: Ja, zit het beeld nou hier bij mijn hand of daar in je hoofd?

Diederick: Dat is te zeggen…

Hans: Is er een verschil tussen mijn hand hier en het beeld van mijn hand daar in jouw hoofd?

Diederick: Er is, eh… maar één, eh… hand. Beeld. Origineel.

Hans: Beeld of origineel?

Diederick: Nou…

Hans: En waar bevindt dat beeld of origineel zich precies?

Diederick: Hier… nee, daar…

Hans: Hier en daar?

Diederick: …

Hans: Waar?

Diederick: Eh…

Hans: Is er een verschil tussen mijn hand hier, het beeld van mijn hand hier bij mijn hand en het beeld van mijn hand daar in jouw hoofd?

Diederick: Wel…

Hans: Zo niet, zijn ze dan misschien hetzelfde?

Diederick: Wat een lastige vragen allemaal.

Hans: Als het beeld of origineel tegelijkertijd in je hoofd en in de ruimte zit, dan moet je hoofd haast wel gelijk zijn aan de ruimte.

Diederick: Dat zou het probleem in één klap oplossen.

Hans: Maar ja…

Diederick: Wat?

Hans: Wat is dat nou voor hoofd.

Diederick: Tja.

Hans: En wat is dan nog ik en wat is dan nog wereld?

Diederick: Ik zou het ook niet weten.

Hans: Nou, ik ook niet.

Verschijnen waarnemingen aan je zintuigen of zintuigen in je waarnemingen?

Een kwestie van perspectief

Arjan: Verschijnen waarnemingen nou aan de zintuigen of zintuigen aan de waarneming?

Hans: Draait de maan nou om de aarde of de aarde om de maan?

Arjan: Het hangt ervan af of je op de maan staat of op de aarde, zou ik zeggen.

Hans: En als je in de ruimte zweeft?

Verschijnt je lichaam in je bewustzijn of je bewustzijn in je lichaam?

Geen kwestie van perspectief

Gooske: Verschijnt het bewustzijn nou in het lichaam of het lichaam in het bewustzijn?

Hans: Zitten er veren aan mijn vleugels of vleugels in mijn veren?

Gooske: Jij hebt helemaal geen vleugels.

Hans: Nou dan.

Hoor je een koekoek of hoor je ‘koekoek’?

Ongehoord

Leah: Ik hoorde een koekoek.

Hans: Wat hoorde je dan?

Leah: ‘Koekoek’.

Hans: Dus je hoorde ‘koekoek’?

Leah: Dat zeg ik.

Hans: Nee, je zei dat je een koekoek hoorde.

Leah: En?

Hans: Maar je hoorde alleen ‘koekoek’.

Leah: Waar moet dat geluid anders vandaan komen?

Hans: Een papegaai?

Leah: Papegaaien krijsen.

Hans: Een papegaai die een koekoek nadoet?

Leah: Er zitten hier geen papegaaien.

Hans: Hoe weet je dat?

Leah: Ik heb er nog nooit een gezien.

Hans: Je hebt die koekoek toch ook niet gezien?

Leah: Belachelijk.

Hans: Een kauw dan?

Leah: Die klinkt heel anders.

Hans: Kauwtjes kunnen heel verdienstelijk imiteren.

Leah: Dat zeg jij.

Hans: Een luidspreker?

Leah: Als we zo gaan beginnen.

Hans: Je geest?

Leah: Ik ben niet gek.

Hans: Zei de gek.

Leah: Heb jij het dan niet gehoord?

Hans: Misschien was ik het wel.

Leah: Zo klonk het anders niet.

Hans: Nee, dat is waar.

Leah: Zie je nou wel.

Hans: Wat?

Leah: Jij hebt het ook gehoord.

Hans: Ik kan wel zoveel zeggen.

Leah: Kom nou.

Hans: Misschien hallucineer je mij ook wel.

Leah: Ik ben niet gek.

Hans: Waar is dat geluid nu?

Leah: Weggestorven natuurlijk.

Hans: Als het er niet meer is, hoe weet je dan dat het er was?

Leah: Omdat ik het me herinner.

Hans: Hoe bedoel je?

Leah: Ik hoor het nog van binnen.

Hans: Mag ik even meeluisteren?

Leah: Hoe kan dat nou.

Hans: Hoe weet ik anders dat je het van binnen hoort?

Leah: Je zult me op mijn woord moeten geloven.

Hans: Je kan wel zoveel zeggen.

Leah: Dan zeg ik wel niks meer.

Hans: Hoe weet je dat je herinnering klopt?

Leah: Ik hoor het nog precies.

Hans: ‘Koekoek’.

Leah: Krijg nou wat.

Hans: Is dit wat je hoorde?

Leah: Dus tóch.

Hans: Wie zegt dat ik het hiervoor ook was?

Het kraken van de geest

Wat hoor je nou echt?

1.

Niet het gillen van sirenes
maar het gillen van de lucht
dat alleen maar trillen is

Niet het trillen van de lucht
dat alleen maar gillen is
maar het gillen van sirenes

Niet het krijsen van een baby
maar het krijsen van de lucht
dat alleen maar trillen is

Niet het trillen van de lucht
dat alleen maar krijsen is
maar het krijsen van een baby

Niet het zingen van een vogel
maar het zingen van de lucht
dat alleen maar trillen is

Niet het trillen van de lucht
dat alleen maar zingen is
maar het zingen van een vogel.

2.

Niet het gillen van sirenes maar het trillen van de lucht.
Niet het trillen van de lucht maar het trillen van het trommelvlies.
Niet het trillen van het trommelvlies maar het trillen van de gehoorbeentjes.
Niet het trillen van de gehoorbeentjes maar de actiepotentialen van de gehoorzenuw.
Niet de actiepotentialen van de gehoorzenuw maar de actievelden van de auditieve cortex.
Niet de actievelden van de auditieve cortex maar het gillen van sirenes.

Hoe weet je dat termieten ruiken?

Antropomorfisme onder entomologen

Bobby: Bij lagere diersoorten is geur heel belangrijk. Wetenschappelijk is vastgesteld dat termieten hun hele sociale orde in stand houden op basis van geurmoleculen.

Hans: Hoe weet je dat ze die ruiken?

Bobby: Doordat het geurmoleculen zijn.

Hans: Hoe weet je dat het geurmoleculen zijn?

Bobby: Doordat ze in voldoende hoge concentraties ook door de mens geroken kunnen worden.

Hans: Zijn termieten mensen?

Bobby: De geurreceptoren bij termieten komen anatomisch en fysiologisch voldoende overeen met het reukorgaan van mensen om te kunnen concluderen…

Hans: Zijn geuren reukorganen?

Bobby: Reukorganen zijn de structuren waarmee…

Hans: Zijn geuren fysiologische processen?

Bobby: Nee, maar ze zijn wel gebaseerd op scheikundige…

Hans: Hoe weet je dan wat termieten waarnemen?

Bobby: Het is aannemelijk dat ze net als de mens…

Hans: Kan je op voorhand uitsluiten dat ze jouw geurmoleculen niet ruiken maar bijvoorbeeld zien of horen of ervaren als warmte of angst of druk of op een wijze die wij nog nooit hebben ervaren en ons voorstellingsvermogen te boven gaat?

Bobby: Strikt genomen niet, nee.

Hans: Waarom noem je ze dan geurmoleculen?

Bobby: Misschien had ik ze beter waarnemingsmoleculen kunnen noemen.

Hans: Hoe weet je dat ze waargenomen worden?

Bobby: Ze zullen toch op een andere manier geregistreerd moeten worden, anders zouden termieten…

Hans: Ben jij je je bloeddruk gewaar?

Bobby: Dat niet, maar…

Hans: Toch wordt je bloeddruk voortdurend in de gaten gehouden en aangepast.

Bobby: Dat kan ik niet ontkennen.

Hans: Helemaal buiten je bewustzijn om.

Bobby: Inderdaad.

Hans: Dus vraag ik je nogmaals, hoe weet je dat termieten ruiken?

Bobby: Dat… weet ik niet. Eigenlijk niet.

Hans: Waarom zeg je dan dat geur heel belangrijk is bij lagere diersoorten?

Zie je de boom zelf of het licht dat erdoor wordt weerkaatst?

Is een boom gemaakt van licht?

Hans: Kijk eens naar buiten. Wat zie je daar?

Hester: Een kastanjeboom.

Hans: Zeker weten?

Hester: Geen twijfel mogelijk.

Hans: Wat zie je als de nacht gevallen is?

Hester: Niets natuurlijk.

Hans: Waarom niet?

Hester: Omdat het dan donker is.

Hans: Wat is het verband?

Hester: Zonder licht kan je de boom niet zien.

Hans: Is een boom dan niet gemaakt van licht?

Hester: Doe niet zo raar.

Hans: Hoezo?

Hester: Een boom is gemaakt van hout en bladeren.

Hans: Waar komt het licht vandaan dat de boom overdag zichtbaar maakt?

Hester: Van de zon natuurlijk.

Hans: Maar zonlicht is wit, de boom niet.

Hester: Niet al het licht wordt weerkaatst door de boom.

Hans: Dus zie je nou de boom zelf of het licht dat erdoor wordt weerkaatst?

Hester: Hm.

Zijn de bladeren groen of is het licht dat ze weerkaatsen groen?

Wat is de kleur van de bladeren zelf?

Hans: Kijk eens naar buiten. Wat zie je daar?

Marius: Een kastanjeboom.

Hans: Welke kleuren zie je?

Marius: De schors is bruin, de bladeren zijn groen.

Hans: Zijn de bladeren groen of is het licht dat ze weerkaatsen groen?

Marius: Het licht dat ze weerkaatsen is groen.

Hans: Wat is de kleur van de bladeren zelf?

Marius: Dat weet ik niet.

Hans: Waarom niet?

Marius: Een blad is niet gemaakt van licht.

Hans: Wat is de kleur van de schors?

Marius: De kleur van het licht dat ervan afkomt is bruin.

Hans: Maar de schors zelf, wat is daarvan de kleur?

Marius: Die vraag betekent niets.

Hans: Waarom niet?

Marius: Schors heeft van zichzelf geen kleur.

Hans: Wat is schors?

Marius: De mantel van de stam en de takken, een ruwe, bruine…

Hans: Bruine?

Marius: Oeps.

Hans: Beeld je de kastanjeboom eens in zonder kleur.

Marius: Dan zie ik een soort zwart-wit foto voor me.

Hans: Zwart en wit zijn nog steeds kleuren.

Marius: In zekere zin wel ja.

Hans: Beeld je de boom eens in zonder kleur of zwart-wit.

Marius: …

Hans: Hoe ziet hij er nu uit?

Marius: Hij ziet er niet uit.

Heeft licht van zichzelf wel een kleur?

Kleur bekennen

Hans: Stel dat de evolutie na het sterven van alle levende wezens opnieuw op gang komt en dat licht tussen de 490 en 575 nm voortaan niet meer als groen maar als rood wordt gezien.

Yvon: Dan zijn de meeste bladeren rood.

Hans: De bladeren of het licht dat ze weerkaatsen?

Yvon: Het licht dat ze weerkaatsen.

Hans: Als hetzelfde licht dat vroeger groen was nu ineens rood is, wat is dan de ware kleur van dat licht?

Yvon: De golflengte is nog steeds dezelfde.

Hans: Maar de kleur?

Yvon: Die hangt kennelijk af van de waarnemer.

Hans: Zit de kleur dan niet in het licht?

Yvon: Daar ben ik altijd van uitgegaan.

Hans: En nu?

Yvon: Nu begin ik te twijfelen.

Hans: Wat is de ware kleur van licht van een gegeven golflengte?

Yvon: Dat weet ik niet. Misschien heeft licht geen ware kleur?

Hans: Wel een valse?

Yvon: Eh…

Hans: Als licht geen ware kleur heeft en geen valse, welke kleur heeft het dan wel?

Yvon: Ik weet niet of licht wel een eigen kleur heeft.

Hans: Heeft het wel een oneigen kleur?

Yvon: Ik weet niet of licht wel een kleur heeft.

Hans: Waarom noem je het dan nog licht?

Ben jij een waarnemer of een deelnemer?

Wat is een subject zonder object?

Hans: Als bladeren van zichzelf geen kleur hebben en het licht dat ze weerkaatsen ook niet, waar komt hun kleur dan vandaan?

Willem: In ieder geval niet van het object.

Hans: Van het subject dan?

Willem: Ik zou het anders ook niet weten.

Hans: Dan kunnen we elkaar de hand schudden.

Willem: In dat geval is er dus geen objectieve wereld waarvan ik als waarnemer objectieve plaatjes in mijn hoofd krijg.

Hans: Welke waarnemer?

Willem: Wat?

Hans: Wat moet je met een waarnemer als er geen objectieve wereld is om waar te nemen?

Willem: Daar had ik nog niet bij stilgestaan.

Hans: Wat is een subject zonder object?

Willem: Als er geen wereld is, wat is er dan wel? Ik bedoel, als ik niet de waarnemer ben, wat ben ik dan wel?

Hans: Geen idee. De deelnemer?

Willem: Leuk gevonden.

Hans: Maar waaraan?

Heeft licht van zichzelf wel helderheid?

Tegenlicht

Hans: De grijswaarden die je op een zwart-wit foto ziet, hoe komen die tot stand?

Rick: Hoe meer licht er weerkaatst wordt, hoe lichter de tint.

Hans: Natuurkundig gezegd?

Rick: Helderheid is een functie van lichtintensiteit.

Hans: Hoe stel je de lichtintensiteit vast?

Rick: Met een lichtmeter.

Hans: Stel dat alle levende wezens door een geheimzinnige ziekte blind worden, welke grijswaarden zijn er dan nog over?

Rick: Dezelfde als nu, zou ik zeggen. Maar niemand die ze ziet.

Hans: De lichtmeter zou dezelfde helderheidswaarden registreren als voorheen?

Rick: Vanzelfsprekend.

Hans: En grijstinten blijven grijstinten?

Rick: De boel wordt toch niet ineens overgeschilderd als er even niemand kijkt?

Hans: Stel dat iedereen als door een wonder zijn gezichtsvermogen terug krijgt, met dit verschil dat sterker licht nu als donkerder wordt waargenomen en zwakker licht als lichter.

Rick: Een negatief gezichtsvermogen, zeg maar.

Hans: Wat zal er dan voortaan zwart uitzien?

Rick: Alles wat het licht optimaal weerkaatst.

Hans: Hetzelfde licht dat bij een positief gezichtsvermogen wit is?

Rick: Dat lijkt mij wel.

Hans: En wat zal er voortaan wit uitzien?

Rick: Alles wat het licht volledig absorbeert.

Hans: Alles wat bij een positief gezichtsvermogen zwart is?

Rick: Precies.

Hans: Als hetzelfde licht zich aan de ene waarnemer voor kan doen als zwart en aan de andere als wit, wat is dan de ware helderheid?

Rick: Dat hangt van je gezichtsvermogen af. Wit voor positiefkijkers, zwart voor negatiefkijkers. Maar objectief gezien…

Hans: Ga verder…

Rick: De lichtmeter…

Hans: Ja?

Rick: De ware helderheid…

Hans: Nou?

Rick: …

Hans: Zeg het maar. Zwart? Wit? Beide? Geen van beide? Grijs?

Rick: Er is geen ware helderheid.

Hans: Maar wel een valse?

Rick: Licht heeft van zichzelf geen helderheid.

Hans: Waarom noem je het dan nog licht?

Vraag maar aan een blinde

Eeuwige duisternis

Nora: Waarom is de zon zo helder?

Hans: De zon is helemaal niet helder.

Nora: Hij geeft zoveel licht dat je er niet eens rechtstreeks naar kan kijken.

Hans: De zon zelf is pikkedonker.

Nora: Ben je blind of zo?

Hans: De zon is volkomen onzichtbaar.

Nora: Ik zie hem toch zeker zelf?

Hans: De zon geeft geen licht, de zon geeft elektromagnetische straling, als we de natuurkundigen mogen geloven.

Nora: Dat is precies hetzelfde.

Hans: Elektromagnetische straling heeft een golflengte en een amplitude, meer niet. Met de energie ervan kan je een elektrische reactie opwekken in een zonnecel of een fotochemische reactie op een camerafilm of een fysiologische reactie op een netvlies. Maar een energievorm is nog geen waarnemingsvorm. Een reactie is nog geen ervaring.

Nora: Waarom spreken we dan van lichtstralen en lichtgolven, van de lichtgevoeligheid van een film, van een lichtmeter?

Hans: Oude denkfouten, ingebakken in verouderde begrippen.

Nora: Wat moeten we dan zeggen?

Hans: Lichtgevoeligheid is eigenlijk stralingsgevoeligheid. Een lichtmeter is een stralingsmeter. Lichtstralen zijn golven of deeltjes of golfdeeltjes of deeltjesgolven of wat dan ook. Alles behalve licht.

Nora: Wou jij beweren dat de zon van zichzelf donker is?

Hans: En de sterren ook. En de straatlantaarns. En de stoplichten. En de schemerlampen. En de zaklantaarns. En de kaarsen. Iedere zogenaamde lichtbron en ieder zogenaamd ding dat zogenaamd zichtbaar wordt doordat het zogenaamd licht weerkaatst.

Nora: Zogenaamd, zogenaamd?

Hans: Er is daarbuiten geen licht. Er zijn alleen maar golven, of wat het ook zijn.

Nora: Je houdt vol dat het overal pikkedonker is?

Hans: Nou en of.

Nora: Dat de dingen van zichzelf duister zijn?

Hans: Reken maar.

Nora: De zon is donker, de ruimte tussen de zon en de aarde is donker en de aarde zelf is ook donker?

Hans: Precies.

Nora: Het hele universum, tot in de verste uithoeken?

Hans: Van einder tot einder, hoe ver je ook kijkt.

Nora: Brr.

Hans: Vraag maar aan een blinde. Of sluit gewoon je ogen.

Nora: Als er daarbuiten alleen maar elektromagnetisch golven zijn, of wat het ook zijn, wie of wat geeft er dan in vredesnaam licht?

Hans: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Waar komt het licht in je dromen vandaan?

Bioluminescentie

Perry: Licht komt van buiten, en daarmee uit.

Hans: Jij zegt het.

Perry: Waar moet het anders vandaan komen?

Hans: Als je de visuele cortex met elektroden stimuleert, zie je van alles wat er niet is.

Perry: Daar weet ik niks van.

Hans: Tijdens een psychose doen zich de vreemdste hallucinaties voor.

Perry: Ik ben niet gek.

Hans: Migraine wordt vaak voorafgegaan door prismatische visioenen.

Perry: Nooit last van gehad.

Hans: Sommige mensen ervaren kleur bij het zien van letters of cijfers in zwart-wit.1

Perry: Bij mij zijn letters en cijfers gewoon zwart-wit.

Hans: Anderen zien bij het inslapen allerlei sluimerbeelden.2

Perry: Ik val altijd als een blok in slaap.

Hans: En de beelden uit je herinnering?

Perry: Dat zijn trucjes van het geheugen.

Hans: En de beelden uit je fantasie?

Perry: We hebben het nu over de werkelijkheid.

Hans: Doe je ogen eens dicht… Als ik nu met mijn duimen zachtjes je ogen masseer…

Perry: O!

Hans: Waar komt dit licht vandaan?

Perry: Uit je duimen?

Hans: Zou je denken?

Perry: Uit mijn ogen?

Hans: Zou je denken?

Perry: Uit mijn hersenen?

Hans: Zou je denken?

Perry: Uit mij?

Hans: Zou je denken?

Perry: Heel overtuigend… maar ik geloof er niets van.

Hans: Waar geloof je niets van?

Perry: Dat het licht uit mij zou kunnen komen.

Hans: Dat vraagt ook niemand van je.

Perry: Dat ikzelf het licht zou zijn.

Hans: Ook dat vraagt niemand van je.

Perry: Het idee is mij totaal vreemd.

Hans: Het idee is je volkomen bekend.

Perry: Hoezo?

Hans: Is de wereld van je dromen niet uitstekend verlicht? Zelfs in het holst van de nacht? Zelfs met je ogen dicht?

Perry: Maar een droom is niet echt.

Hans: Wel terwijl je hem droomt.

Perry: Maar niet als je wakker wordt.

Hans: Maar dan is het al te laat om bij te lichten.

1. synesthesie
2. hypnagogie

Wat zie je nou echt?

Kijk!

Hans: Kijk eens naar buiten. Wat zie je daar?

Selima: Een kastanjeboom.

Hans: Zie je de boom zelf of zijn licht?

Selima: Zijn licht.

Hans: Zie je zijn zijn licht of zijn elektromagnetische straling?

Selima: Zijn straling.

Hans: Zie je zijn elektromagnetische straling of een beeld daarvan in jezelf?

Selima: Een beeld daarvan in mijzelf.

Hans: Zie je een beeld daarvan in jezelf of jezelf als beeld daarvan?

Selima: Mezelf als beeld daarvan.

Hans: Zie je jezelf als beeld daarvan of het zien zelf van dat beeld?

Selima: Het zien zelf van dat beeld.

Hans: Zie je het zien zelf van dat beeld of het zien van een beeld van een boom buiten je?

Selima: Het zien van een beeld van een boom buiten mij.

Hans: Zie het het zien van een beeld van een boom buiten je of het zien van een boom?

Selima: Het zien van een boom.

Hans: Zie je het zien van een boom of gewoon een boom?

Selima: Gewoon een boom.

Hans: Zie je de boom zelf of zijn licht?

Selima: Zijn… hier zijn we al geweest.

Hans: Maar wat zie je nou echt?

Selima: Wat zou jij zeggen?

Hans: Kijk.

Selima: Ja, zo kan ik het ook.

Hans: Dus dat kan het probleem niet zijn.

Selima: Tja.

Hans: Zo kan je het ook zeggen.

Maakt je lichaam deel uit van jou of van de wereld?

Neem jezelf uit de maling

Thomas: Zonder mij is er geen jou.

Hans: Hoezo?

Thomas: Jij bent het niet die beelden uitzendt; ik ben het die jou verbeeldt. Jij bent het niet die klanken uitstoot; ik ben het die jou verklankt. Jij bent het niet die geuren verspreidt, ik ben het die jou aromatiseert.

Hans: En de rest van de wereld?

Thomas: Daarvoor geldt hetzelfde. Voor deze ruimte, voor de boom daarbuiten, voor de scooter die precies op dit moment voorbij schijnt te rijden, de hele bliksemse boel.

Hans: Zonder uitzondering?

Thomas: Allemaal mijn werk.

Hans: Knap staaltje.

Thomas: Dank je.

Hans: Maar van wie?

Thomas: Van mij zeg ik toch?

Hans: En wie of wat mag dat dan wel wezen?

Thomas: Deze hele magistrale machinerie hier, vooral mijn zintuigen en mijn hersenen.

Hans: Maar als jij het bent die mijn beeld maakt, ben jij het dan ook niet die jouw beeld maakt?

Thomas: Nou en of.

Hans: Ik bedoel, het beeld van jouw lichaam.

Thomas: Wat?

Hans: En het geluid van jouw lichaam?

Thomas: Ho eens even…

Hans: Jouw geur, jouw smaak, jouw pijn, jouw gevoelens, jouw gedachten?

Thomas: Ik had het over de buitenwereld, hoor.

Hans: Behoort je lichaam met alles erop en eraan daar ook niet toe?

Thomas: Daar vraag je me wat.

Hans: En als je lichaam inderdaad tot de buitenwereld behoort, wie of wat is dan nog de schepper van de hele bliksemse boel?

Ben jij een waarnemer of een waargever?

De wereld laat zich niet nemen

Gijs: Dingen hebben van zichzelf geen kleuren of helderheden. Ze danken hun voorkomen aan het licht dat ze weerkaatsen, maar licht is van zichzelf niet zichtbaar. Als kleur en helderheid geen kenmerken zijn van het ding zelf en ook niet van het licht dat het ding reflecteert, waarvan dan wel? Waar komen ze vandaan?

Hans: Al sla je me dood.

Gijs: Volgens mij komen de dingen uit de toeschouwer zelf. Uit de waarnemer. Iedere waarnemer kleurt zijn eigen wereld in. Iedere waarnemer geeft zijn eigen universum gestalte.

Hans: Noem dat maar waarnemen.

Gijs: Waargeven dan?

Hans: Dat is in ieder geval weer eens wat anders.

Gijs: Dan ben ik de waargever.

Hans: Waarzegger.

Gijs: Wat zou jij zeggen?

Hans: Neem jezelf in de maling.

Gijs: Pardon?

Hans: De wereld laat zich niet nemen.

Gijs: Geven, zeg ik toch?

Hans: De wereld geeft zich aan niemand.

Gijs: Wel als de waarnemer de waargever is.

Hans: Maar niet als de waargever deel uitmaakt van de wereld.

Gijs: Maakt de waargever deel uit van de wereld?

Hans: Welke waargever?

Gijs: Of maakt de wereld deel uit van de waargever?

Hans: Welke wereld?

Gijs: Wát?

Hans: Al sla je me dood.

Tenzij dat ook maar een verhaaltje is

Wou jij beweren dat subject en object fictief zijn?

Edith: Als ik niet de waarnemer van de wereld ben maar de waargever of de vormgever, wat is het dan precies dat ik vorm geef? Wat zijn de dingen voordat ze door mij vormgegeven worden? Wat is de wereld an sich?

Hans: Los van de vormgever?

Edith: Nou?

Hans: Wie zegt dat er een wereld is los van de vormgever?

Edith: Bedoel je misschien dat ik niet alleen de vormgever ben maar zelfs de schepper van een wereld die ik ten onrechte alleen maar meen waar te nemen of vorm te geven?

Hans: Opschepper.

Edith: Afscheper.

Hans: Wie zegt dat er een schepper is los van de wereld?

Edith: Bedoel je dat de wereld en zijn schepper samen een geheel vormen?

Hans: En dat het ene noemen zeker.

Edith: Als je subject en object niet meer weet te scheiden dan moeten ze wel één zijn.

Hans: Kan jij Jansen en Janssens van Kuifje uit elkaar houden?

Edith: Niet echt.

Hans: Komt dat doordat ze één zijn?

Edith: Natuurlijk niet.

Hans: Zou het helpen er een detective op af te sturen?

Edith: Natuurlijk niet.

Hans: Waarom niet?

Edith: Omdat ze fictief zijn.

Hans: Nou dan.

Edith: Wou jij beweren dat subject en object fictief zijn?

Hans: Tenzij dat ook maar een verhaaltje is.

Edith: Er moet toch een schepper zijn van al die verhaaltjes.

Hans: Tenzij dat ook maar een verhaaltje is.

Edith: Dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Dan weet ik het ook niet meer.

Terugschrijdend inzicht

Nergens licht, behalve in jou
Nergens geluid, behalve in jou
Nergens geur, behalve in jou
Nergens smaak, behalve in jou
Nergens vorm, behalve in jou
Nergens warmte, behalve in jou
Nergens kou, behalve in jou
Nergens gevoel, behalve in jou
Nergens zwaarte, behalve in jou
Nergens beweging, behalve in jou
Nergens tijd, behalve in jou
Nergens ruimte, behalve in jou
Nergens dingen, behalve in jou
Nergens oorzaken, behalve in jou
Nergens redenen, behalve in jou
Nergens motieven, behalve in jou
Nergens geloften, behalve in jou
Nergens geboden, behalve in jou
Nergens idealen, behalve in jou
Nergens gedachten, behalve in jou
Nergens woorden, behalve in jou
Nergens ideeën, behalve in jou
Nergens een leer, behalve in jou
Nergens betekenis, behalve in jou
Nergens een ander, behalve in jou
Nergens een zelf, behalve in jou
Nergens een nergens, behalve in jou

Nergens een jou, behalve…

Voortschrijdend uitzicht

Nergens licht, behalve in jou
Nergens duisternis, behalve in jou

Nergens geluid, behalve in jou
Nergens stilte, behalve in jou

Nergens smaak, behalve in jou
Nergens lafheid, behalve in jou

Nergens warmte, behalve in jou
Nergens koude, behalve in jou

Nergens vorm, behalve in jou
Nergens leegte, behalve in jou

Nergens beweging, behalve in jou
Nergens stilstand, behalve in jou

Nergens onrust, behalve in jou
Nergens rust, behalve in jou

Nergens leed, behalve in jou
Nergens vreugde, behalve in jou

Nergens iets goeds, behalve in jou
Nergens iets slechts, behalve in jou

Nergens een duivel, behalve in jou
Nergens een godheid, behalve in jou

Nergens zinloosheid, behalve in jou
Nergens zin, behalve in jou

Nergens een hel, behalve in jou
Nergens een hemel, behalve in jou

Nergens veelheid, behalve in jou
Nergens eenheid, behalve in jou

Nergens stof, behalve in jou
Nergens bewustzijn, behalve in jou

Nergens een leugen, behalve in jou
Nergens een waarheid, behalve in jou

Nergens illusies, behalve in jou
Nergens een werkelijkheid, behalve in jou

Nergens leven, behalve in jou
Nergens dood, behalve in jou

Nergens dualiteit, behalve in jou
Nergens non-dualiteit, behalve in jou

Nergens een weten, behalve in jou
Nergens een niet weten, behalve in jou

Nergens een iemand, behalve in jou
Nergens een niemand, behalve in jou

Nergens een ergens, behalve in jou
Nergens een nergens, behalve in jou

Nergens een jou, behalve…

Nog twee raadsels

Roel, 5 jaar: Het is groen en het hangt aan een boom.

Hans, 58 jaar: Het is bruin en het zit aan een blad.

Wat is kleur nou echt? 25 visies

Over kleur is heel wat gefilosofeerd.
Hieronder een aantal opvattingen over de kleur groen.

  1. Groen is de boom
  2. Groen zijn de bladeren in de boom
  3. Groen zijn de bladgroenkorrels in het blad
  4. Groen is een primaire kleur. Tenminste, in het additieve model
  5. Groen is een mengsel van geel en blauw. Tenminste, in het subtractieve model
  6. Groen is licht met een golflengte van 530 nanometer
  7. Ook andere golflengten worden soms als groen gezien
  8. Licht met een golflengte van 530 nanometer wordt soms als een andere kleur dan groen gezien
  9. Dus groen is wat je ogen zien ongeacht de golflengte
  10. Maar eigenlijk zijn het de m-kegeltjes op het netvlies die het hem doen
  11. Zonder hersenzone V4 is kleur letterlijk ondenkbaar
  12. Zonder visuele cortex ben je ziende blind
  13. Feitelijk draagt het hele zenuwstelsel bij aan de kleurbeleving
  14. Om over de rest van mijn lichaam nog maar te zwijgen
  15. Per saldo ben ik het dus zelf die de boom groen schildert
  16. Groen is een samenwerkingsverband van mij en de boom
  17. En van de zon natuurlijk, die als lichtbron fungeert
  18. En van de aarde natuurlijk, die mij draagt
  19. Groen is iets van het hele universum, ook al is het hele universum niet groen
  20. Gesteld dat er zoiets is als een universum
  21. Groen is wat het is door alle kleuren die het niet is
  22. Zoals kleur is wat het is door alle eigenschappen die het niet is
  23. En eigenschappen zijn wat ze zijn door alles wat ze niet zijn
  24. Dus groen is het complement van de rest van het universum
  25. Groen is een illusie
  26. Kleur is leegte

Aan jou de vraag: wat is groen nou echt?

De man die zijn gedachten voor de werkelijkheid hield

Leestips

Als je meer wilde weten over dit onderwerp moest je vroeger bij het Engelse empirisme wezen, Bacon, Locke, Hume, en de Duitse reactie daarop van Kant, Husserl, Wittgenstein. Sinds het midden van de vorige eeuw hebben de neuropsychologie en de neurofilosofie het stokje overgenomen. Vooral Oliver Sacks kan ik je aanraden, bijvoorbeeld De man die zijn vrouw voor een hoed hield of Een antropoloog op Mars: zeven paradoxale verhalen of Musicofilia: verhalen over muziek en het brein of Hallucinaties.

Ik ken geen auteur die meer heeft gedaan om het idee te ondermijnen dat de mens een passieve waarnemer van een objectieve werkelijkheid zou zijn dan deze Britse wetenschapper. Oliver Sacks: de man die zijn gedachten voor de werkelijkheid hield.