Weetnietkunde

Weetnietkunde is een woordenboekje vol filosofische, religieuze, en spirituele begrippen die getuigen van niet-weten. Aporie, epoche, scepsis? Apeiron, quiëtisme, dissensus? Je vind het hier.

Dwaalgids > Filosofie, Mystiek, Niet-weten > Weetnietkunde

De mest is geen heilige maar doet wonderen waar hij valt (Nederlands spreekwoord)

Verder lezen: Het regressieprobleem, Eufemismen voor niet-weten, Passe-partout voor poortloze poorten

Op deze pagina:

Absurdisme

Lachen om het leven

De absurditeit van het bestaan

Absurdisme is een literaire en theatervorm die tot doel heeft de absurditeit van het bestaan aan de orde en de kaak te stellen.

Hoofdkenmerk van het absurdisme is de negatie: afbraak van plot, karakters, communicatie, orde, logica, ruimte en tijd; en verder een voorkeur voor farce, zwarte humor, paradox en ironie.

Synoniemen van absurdisme zijn antitheater en théâtre de l’absence.

Tip: Dwaaltaal: de kunst van welsprekend niet-spreken

Absurdisme in het daoïsme

Hoewel het absurdisme floreerde in het midden van de vorige eeuw, onder meer in het werk van Beckett, Ionesco, Vian, Albee en Duyns & Armando (Herenleed), vind je het al in de daoïstische geschriften van Liezi en Zhuangzi uit ongeveer de vierde eeuw voor Christus.

De Wolkenaanvoerder reisde eens naar het oosten en passeerde daar de takken van de Fuyao-boom. Daar kwam hij ineens Wijde Weetniet tegen. Die was net bezig zich te vermaken door te huppelen als een musje en zich daarbij op de billen te slaan. De Wolkenaanvoerder stopte onmiddellijk, bleef stokstijf staan, en riep: ‘Oude heer! Wie bent u? Wat doet u?’ Wijde Weetniet ging door met te huppelen als een musje en met zichzelf op de billen te slaan, en antwoordde: ‘Ik amuseer me!’

(uit Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007, 161-164)

Verder lezen: Huppelend als een musje

Absurdisme in zen

Het absurdisme bereikte zijn hoogtepunt misschien al in de tweede helft van het eerste millennium in de Chinese ch’an-literatuur, met name in dat schoolvoorbeeld van absurdisme, de gongan, beter bekend als de zen-koan. Twee voorbeelden van absurdistische koans uit de zenklassieker De Linji lu:

Een monnik vroeg: ‘Waar is de mens die zich nooit laat kennen?’ Meester Linji greep de monnik in zijn kraag en riep: ‘Hebbes!’ De monnik keek hem beteuterd aan.

en

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’ Meester Linji stak zijn vliegenkwast omhoog. De monnik slaakte een kreet. De meester gaf hem een oplawaai.

Een voorbeeld uit De Poortloze Poort:

Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en zei: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester zei: ‘Als het water stil staat, stinkt het.’ Bij de volgende kluizenaar aangekomen zei de meester: ‘Lukt het een beetje?’ De kluizenaar stak zijn vuist in de lucht. De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’

Absurdisme in de advaita vedanta

Ook in de advaita vedanta (zie onder) is het altijd bál masqué, vooral in de hedendaagse variant die neo-advaita wordt genoemd (Harding, Parsons), waarvan de bijeenkomsten (satsangs) geheid een absurdistische wending nemen.

Omdat de persoon volgens advaita een illusie is, meent de illusoire non-dualist af te moeten zien van de eerste persoonsvorm enkelvoud (ik) en de eerste persoon meervoud (wij) en zichzelf, dat wil zeggen Het Zelf, te moeten adresseren als Hét – de verkorte schrijfwijze van Het Zelf dus, of Het Ene of Het Bewustzijn of De Bron of Dít of Dát, dat hoe je het ook noemt de enige realiteit zou zijn.

Waarom dat zo nodig moet en hoe dat eigenlijk kan, wordt nooit duidelijk, aangezien er volgens de leer niemand is om het te bewerkstelligen. Wat maakt het ook uit of Het Ene zichzelf ik, wij, zij of het noemt als er nergens in het hele Ene iemand te bekennen is die iets doet of laat?

Er is in het hele Ene trouwens ook niets meer te bekennen dat iets doet of laat. Alles is één, een en al illusie, een en al allusie op het Ene. Vandaar dat de klok niet langer tikt maar klokt, de stoel stoelt, de beer beert, het boek boekt, de realisatie realiseert en zichzelf trakteert op een schijnresultaat genaamd verlichting.

Maar inderdaad, als de lach vanzelf lacht en vanzelf weer bedaart, als het licht voor altijd uitgaat en de spot voor altijd aan, is het absurdisme op zijn best.

Lees ook: Advaita pedanta

De absurditeit van het absurdisme

Het absurde vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering. Als er iets absurd is in dit leven is het toch wel het absurdisme, wat jij of niet-jij? De pretentie het zogenaamde leven definitief te kunnen duiden als enkel en alleen absurd. Absurd!

Het absurde, en dat is het mooie, vindt zijn voltooiing in zijn eigen ridiculisering, zoals de negatie in haar eigen ontkenning, de leegte in haar eigen leegte en de scepsis in de twijfel aan de scepsis. Het is precies deze zelfvernietiging die ook de kern van niet weten uitmaakt: zelfs niet weten van niet-weten. Voor je het weet ben je het kwijt – het toppunt van absurditeit.

Niet-weten laat zich daarom graag uitdrukken en uit drukken in dwaalteksten, waarin niet-zeggen doelbewust tot in het belachelijke wordt opgevoerd. Niet om te verwijzen naar ‘het absolute voorbij de woorden’, niet om de absurditeit van het bestaan aan de orde of de kaak te stellen, niet om wie dan ook waarvan of waaruit dan ook te bevrijden, maar gewoon omdát. Niet-weten is een gát.

Een eerdere versie van dit lemma is verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Lees ook: Kosmische grappen en De bodemloze bucket van Samuel Beckett


Advaita vedanta

Niet-twee, het einde van de wijsheid

Advaita vedanta als non-dualisme

De Sanskriet term advaita vedanta (a-dvaita, ved’-anta) betekent letterlijk niet-tweeheid, wijsheid-einde en wordt in het westen gewoonlijk vertaald als ‘non-dualisme’. Je kunt advaita opvatten als een ontkenning van de dualistische leer dat

  1. de mens uit twee substanties bestaat, namelijk lichaam en geest
  2. de werkelijkheid uit twee substanties bestaat, namelijk stof en geest
  3. de werkelijkheid uit twee tegenpolen bestaat, namelijk subject en object
  4. de onderscheidingen die zich onophoudelijke aan ons voordoen, welke dan ook, werkelijk zijn.

Etymologisch gezien is non-dualisme niet de bevestiging van een monistische of pluralistische ontologie maar de ontkenning van een dualistische. Het is een onleer.

Advaita vedanta als monisme

De term non-dualistisch kent nog een betekenis, namelijk niet-afgescheiden.

Afgescheidenheid – het idee dat ik een klein radertje ben in het reusachtige mechaniek van een stoffelijke wereld die al bestond lang voordat ik werd geboren en nog zal bestaan lang nadat ik ben overleden – is in deze zienswijze een illusie.

In werkelijkheid bevind ik mij niet in de wereld, maar bevind de wereld zich in mij. Ik ben het universele Bewustzijn (Brahman, de Bron, Openheid, Liefde, God, Geest, Zoheid et cetera) waarin mijn persoon en de wereld als illusie verschijnen, als een film op een doek of een verhaal in een boek.

Non-dualisme in deze zin is geen ontkenning van willekeurig welke vorm van dualisme maar een bevestiging van de absolute eenheid van het schijnbaar menigvuldige. Het is geen onleer maar een ontologie, geen niet-dualisme maar een onvervalst monisme. Een monisme dat verwarrend genoeg de naam non-dualisme draagt.

Advaita vedanta als onvermogen

Deze website is helemaal aan niet-weten gewijd. Onder niet-weten versta ik in dit lemma ‘niet weten te onderscheiden’ of ‘geen onderscheid weten te maken’. Daarmee bedoel ik dat alle onderscheidingen die zich in eerste instantie klip en klaar aan je voordoen bij nader inzien geen stand houden. Hoe langer je nadenkt over de verschillen tussen jezelf en de ander, tussen jezelf en de wereld en tussen de dingen onderling, hoe minder ervan overblijft.

Waar houdt de waarnemer op en begint het waargenomene? Zijn licht, geluid, geur, smaak, warmte, druk en beweging iets van de wereld of iets dat ik toevoeg aan een onkenbaar Ding-an-sich? Bestaat er wel een object zonder subject, een subject zonder object? Bestaat er wel zoiets als stof zonder geest, of geest zonder stof? Is het onderscheid tussen een stoel en een tafel, tussen een bal en een knikker, tussen een man en een vrouw, tussen werkelijkheid en geest iets van de werkelijkheid of iets van de geest?

Tip: Waarnemen of waargeven? De illusie van subject en object

Advaita vedanta als onleer

Hoe ik ook mijn best doe, ik blijk niet in staat om de onderscheidingen die zich onophoudelijk aan mij voordoen, ook maar enigszins te onderbouwen. Bij nader inzien houden ze geen stand. Geen van alle.

Op een dag heb ik het onderbouwen opgegeven. Ik kan er niet meer in geloven, in al die onderscheidingen, ik kan ze niet langer serieus nemen, ook al blijven ze zich voordoen en heb ik er maar mee om te gaan en kan ik me een leven zónder ook niet voorstellen.

Voor mij zijn onderscheidingen zowel werkelijk als onwerkelijk, of moet ik zeggen, werkelijk noch onwerkelijk? Ik (‘ik’) hang er zo’n beetje tussenin. Mijn wereld is daarom dualistisch noch non-dualistisch, pluralistisch noch monistisch.

Herdefiniëren we non-dualisme als het onvermogen om tot definitieve of zelfs maar voorlopige uitspraken te komen inzake welk onderscheid ook, of als het onvermogen om heilig te geloven in welk onderscheid ook, dan mag je mij gerust een non-dualist noemen.

We hebben het hier dan wel over een onleer, een non-theorie, de onleus van een tegenpartij zonder eigenprogramma, die niets onderschrijft en niets voorschrijft, dit ook niet.

Een ander woord voor niet-weten.

Verder lezen: Wat is non-dualisme?


Apatheia en ataraxia

Gemoedsrust en helderheid

Gemoedstoestanden

Het stoïsche woord apatheia [Grieks, a, niet + pathè, emotie] betekent letterlijk emotieloos, zonder gevoel zijn.

Hiermee wordt niet zoals met het Nederlandse apathie een ongewenste staat van onverschilligheid, afstomping of lusteloosheid bedoeld, maar een gewenste staat van onbewogenheid, gelatenheid, zorgeloosheid, berusting, kalmte, harmonie en gemoedsrust.

De intellectuele pendant van apatheia is ataraxia [Grieks, a, niet + tarassoo, verwarren, woelig maken], letterlijk een toestand van onverwardheid, helderheid van geest, maar in het oud-Griekse spraakgebruik eveneens een vorm van a-pathische onverstoorbaarheid.

Filosofie: fatalisme en pyronnisme

Het belangrijkste verschil tussen apatheia en ataraxia is misschien niet de gemoedstoestand die ermee aangeduid wordt, maar de weg ernaartoe.

Apatheia is een term uit het stoïcisme, ataraxia uit het scepticisme, meer in het bijzonder het pyrronisme.

Apatheia bereikt de stoïcijn door het – binnen het volslagen fatalisme van de Stoa – enige juiste oordeel te vellen dat alles op ieder moment precies is zoals het zijn moet, namelijk goed.

Ataraxia bereikt de pyrronist door, als uiterste consequente van zijn onbegrensde scepsis, ieder oordeel voor onbepaalde tijd op te schorten: de zogeheten epoche.

Boeddhisme: nirwana en moksha

Apatheia en ataraxia zijn weliswaar Griekse woorden, maar dat betekent niet dat het streven naar onverstoorbaarheid, als we het zo mogen noemen, typisch Grieks of westers is. Boeddhistische beschrijvingen van nirwana (uitdoving) en moksha (bevrijding van samsara, de cyclus van geboorte, lijden en dood) komen op hetzelfde neer.

Wanneer een boeddhist spreekt van ‘opperste gelukzaligheid’ en ‘volkomen harmonie’ blijkt hij daarmee geen euforie, verrukking, vervoering of extase te bedoelen, die immers van voorbijgaande aard zijn, maar een duurzame staat van aanvaarding, onthechting en innerlijke rust.

Advaita vedanta: de kenner en het gekende

In de advaita vedanta (zie boven) komt het er niet op aan emoties uit te bannen en oordelen op te schorten, zoals in de sceptische, stoïsche en epicuristische filosofieën en in het boeddhisme, maar om ze onaangedaan, als het ware van buitenaf, te ondergaan.

Rustig bezie je zelfs je heftigste emoties, zoals een professioneel acteur zijn toneelspel, want je weet dat jij het onveranderlijke en onvergankelijke Bewustzijn zelf bent, waarin alle verschijnselen maar rimpels zijn, en jijzelf niet een van de verschijnselen daarin.

Het is alsof je je hebt verdubbeld in een waarnemer en een deelnemer, en je in de eerste hebt teruggetrokken; uiterlijke en innerlijke verschijnselen trekken voorbij als wolken aan de hemel zonder deze te verstoren, of als een storm die aan de oppervlakte van de oceaan grote golven opstuwt maar de diepzee onberoerd laat.

Transcendentie of escapisme?

Datgene wat niet verstoord wordt en ook niet verstoorbaar zou zijn – in bovenstaande beeldspraak de hemel, de diepzee – gaat schuil achter vele namen, die afhankelijk van wie je het vraagt al dan niet naar hetzelfde verwijzen, gesteld dat ze ergens naar verwijzen.

Zo spreekt men in het hindoeïsme van atman, brahman of parabrahman, in het non-dualisme van bewustzijn, het kennen, het waarnemen of het beminnen (versus bewustzijnsinhouden, het gekende, het waargenomene en het beminde), in het zenboeddhisme van het ware zelf, de boeddhanatuur, de geest of de zoheid der dingen, in de mystiek van god of de godheid of het ene, in het taoïsme van de tao.

Hierbij gaat het steeds om iets dat het alledaagse transcendeert en principieel niet voor te stellen is, en principieel niet (of slechts incidenteel of slechts onvolkomen of slechts bij toeval of pas na een lange praktijk) te ervaren is, maar van elk ervaren, van elk voorstellen de grond en het wezen zou zijn, ongeveer zoals dingen alleen maar kunnen bestaan in een ruimte die zelf niet als ding aanwezig is.

Transcendentie betekent ontsnappen aan de harde werkelijkheid in een hogere of diepere werkelijkheid. Wie erin gelooft of het ervaren heeft of meent te hebben, spreekt van overstijging, wie er niet in gelooft en het niet ervaren heeft of meent te hebben van escapisme.

Een non-traditie

Het scepticisme, het stoïcisme, het epicurisme, de advaita vedanta, het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme en de mystiek – al deze en andere religieuze, spirituele en filosofische tradities schurken bij wijlen tegen niet-weten aan, en omgekeerd.

Toch moeten we tradities niet proberen te reduceren tot een radicaal niet weten, en een radicaal niet weten niet tot een of andere traditie, want daarmee doen we beide tekort.

Immers, in een radicaal niet weten blijft geen enkel begrip, halfbegrip (zie onder), niet-begrip of onbegrip overeind.

Geen enkel dualisme, non-dualisme, non-dualistisch dualisme, monisme of nihilisme.

Geen enkele leer, antileer of non-leer.

Geen dharma en geen niet-dharma, geen karma en geen niet-karma, geen dharmakaya, sambhogakaya of nirmanakaya.

Geen idealisme of fatalisme, geen moralisme, immoralisme of amoralisme.

Geen weg en geen niet-weg, geen doel en geen niet-doel, geen doen en geen niet-doen, geen bereiken en geen niet-bereiken, geen spreken en geen zwijgen.

Aan een radicaal niet weten gaat alles te gronde, ook het niet weten zelf. Hoe zou het dan ooit een traditie kunnen zijn? Hoe zou het ooit onderdeel van een traditie kunnen zijn? Hoe zou een traditie er ooit onderdeel van kunnen zijn?

Non-transcendentie

Voor wie niet weet blijft het transcendente per definitie in nevelen gehuld, gesteld dat er zoiets is als het transcendente, maar ook dat blijft in nevelen gehuld.

Of het moest zijn dat het transcendente zich niet in nevelen hult, maar nevelen ís. Al dan niet dezelfde nevelen waarin degene die niet weet, zelf is gehuld, gesteld dat hij iemand is.

Of het moest zijn dat hijzelf niet in nevelen is gehuld, maar nevelen ís. Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin de dingen zijn gehuld, gesteld dat er dingen zijn.

Of het moest zijn dat de dingen zelf niet in nevelen zijn gehuld, maar nevelen zíjn. Al dan niet dezelfde nevelen als die waarin het transcendente is gehuld, gesteld dat er zoiets is als het transcendente, anders dan de nevelen waarin het gehuld zou zijn. Enzorond.

Kraakhelder en doodeenvoudig

Nevelen of in nevelen gehuld of nevelen in nevelen gehuld of niet, voor mij is alles kraakhelder en doodeenvoudig.

Niet weten is tja zeggen het scepticisme en tja zeggen tegen het pyrronisme en tja zeggen tegen het stoïcisme en tja zeggen tegen het non-dualisme en tja zeggen tegen het hindoeïsme en tja zeggen tegen het zenboeddhisme en tja zeggen tegen het taoïsme en tja zeggen tegen de mystiek.

Niet weten is tja zeggen tegen het bewustzijn en tja zeggen tegen atman, brahman en parabrahman en tja zeggen tegen het ware zelf, de boeddhanatuur, het absolute, de bron, de zoheid der dingen en tegen iedere andere vorm van transcendentie en intranscendentie en non-transcendentie en ontkenning daarvan.

Niet weten is tja zeggen tegen jezelf en tegen niet-zelf, tegen de alledaagse geest en tegen de algeest, tegen subject en object en hun al dan niet vermeende dualiteit, non-dualiteit of identiteit, tegen weten, niet-weten en wetend niet weten, tegen het ja en het nee en het tja, tja, tja.

Kan het simpeler?

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven en Meester Tja en de tao van tja

De muziek van de stilte

Een saaie bedoening, denk je nu misschien, een triangel is bepaald geen orkest, maar dan vergis je je deerlijk.

Ongelooflijk hoe fijn het is om niet meer te weten, maar dan ook helemaal niet meer. Hoe rustig je ervan wordt, vredig tot in je kern, of vanuit je kern, gesteld dat er zoiets is, en anders maar bij wijze van spreken of zwijgen.

Het hart spint bij iedere streling van het tja.
De ziel golft loom op het ritme van het tja.
Zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven.
De muziek van de stilte – daar kan geen band tegenop.

zwaarteloos zweven, wiegen en wuiven

Wie dit apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet laten. Wie het alles behalve apatheia of ataraxia wil noemen, moet het vooral niet doen.

Ik word er niet warm of koud van.

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Verder lezen: Vrede sluiten met je onvrede


Apeiron

Het onzegbare

Apeiron is Grieks voor het onzegbare

Apeiron is Grieks voor het onzegbare, datgene wat alleen negatief (apofatisch, zie onder) aangeduid kan worden als noch dit noch dat, te weten het onbepaalde en onbepaalbare, het nog niet of niet langer bepaalde of datgene wat al het bepaalde in zich verenigt maar waarvan men desondanks of juist daardoor zelfs niet kan zeggen dat het bestaat of niet bestaat.

In het algemeen lijkt apeiron te verwijzen naar een of andere grondslag van de alledaagse werkelijkheid, de onvergankelijke bron en bestemming van het vergankelijke.

Reductionisme

Reductionisten uit verschillende tradities hebben één ding met elkaar gemeen: zij willen heel de verontrustende veelheid aan verschijnselen terugvoeren op één onderliggende principe dat zelf niet tot de verschijnselen hoort – liefde, tao, atman, god. Een fopspeen voor de geest, zo niet de hoogste waarheid.

Helaas is er op het moment van schrijven nog altijd geen consensus bereikt over het onderliggende principe, maar dat is nog slechts een kwestie van tijd, verzekeren universalisten mij stralend.

Sommige claimen zelfs dat het allang zover is, en spannen ongegeneerd alle wijzen en tradities voor hun eenwieler, van Boeddha tot Blavatsky, van Lou de Palingboer tot Anton Heyboer, kijk ze eens kruien, de dode zielen.

Reductionisme is alvast van alle tijden, dus wie weet.

Principia metabletica

Een kleine greep uit een onbeperkt aanbod.

Bij de presocratische filosoof Anaximander is het apeiron de oer, de onuitputtelijke, onvergankelijke en onbegrensde bron van alle dingen, datgene waaruit alles voortkomt en waarin alles terugkeert – de westerse tegenhanger van het hindoeïstische atman of brahman.

Bij Parmenides is het apeiron het zijn zelf, het plenum.

Bij Aristoteles is het apeiron de stof voordat deze vorm of eigenschappen heeft aangenomen.

Bij Pseudo-Dionysius is het apeiron de transcendente ene, de goede oorzaak van alles.

In de mystiek is het apeiron de immanente godheid, het mysterie, het numineuze.

In de advaita vedanta is het apeiron het bewustzijn, de aandacht, het kennen (tegenover het gekende), dat zelf uiteraard onkenbaar is (of beter: kenbaar noch onkenbaar).

In het zenboeddhisme is het apeiron het ware zelf of de boeddhanatuur, bij Immanuel Kant het Ding-an-sich, bij Heidegger het onverborgen zijn (het aletheia).

Bij Cornelis Verhoeven en T. Norretranders is het apeiron de onuitputtelijke werkelijkheid zelf, die zich nooit door het beperkte bewustzijn, nooit in gedachten of woorden laat vangen en altijd tegenover ons blijft staan als het onherleidbare, de niet-identiteit.

Neoreductionisme

Met Verhoeven zijn we middenin de twintigste eeuw beland, middenin het jargon van het postmodernisme, dat in plaats van het apeiron spreekt van het andere, ook wel het onbeslisbare, het ongrijpbare, het ondefinieerbare, het onzegbare, het onuitsprekelijke, het onherleidbare – tegenover zijn tegendeel, het eendere, het beslisbare, het grijpbare et cetera.

Geen enkele tekst, geen enkel begrip, geen enkele gebeurtenis, geen enkel object is volgens de postmodernist (zie onder) ‘restloost te bepalen’. Steeds zijn er nieuwe interpretaties mogelijk en niemand heeft het laatste woord, niet in de wetenschap, niet in de metafysica, niet in de ethiek, niet in de politiek, niet in de hermeneutiek, niet in de religie.

Niemand heeft het laatste woord, claimt het postmodernisme, bij wijze van laatste woord.

Van een apeiron weet ik niets

Niet weten wordt regelmatig verward met postmodernisme, maar dat is onzin.

Zo neemt de weetniet geen enkel standpunt in over bepaalbaarheid en onbepaalbaarheid of over welke postmoderne kwestie ook.

Hij erkent noch ontkent de werkelijkheid, laat staan dat hij deze probeert te scheiden in een kenbaar deel en een onkenbaar deel, of in een werkelijk deel en een illusoir deel, die vervolgens geacht worden in een bepaalde relatie tot elkaar te staan of integendeel samen een ondeelbare eenheid te vormen, al dan niet met inbegrip van het subject.

Zoals een andere prescocraat, Protagoras, het zei: ‘Van de goden weet ik niets: niet dat ze bestaan en evenmin dat ze niet bestaan.’

Van een apeiron weet ik niets: niet dat het bestaat en evenmin dat het niet bestaat.

Van een enkelvoudig onderliggend principe is in niet weten sprake noch geen sprake.

Is niet weten dan misschien het apeiron zelf? Hooguit per definitie. Voor dzogchenboeddhisten en voor non-dualisten als Philip Renard, Jan van Delden en Jan van den Oever is niet-weten een ander woord voor het onkenbare kennen dat wij zijn. Voor mij niet. Al was het maar omdat het onkenbare kennen zich nog altijd niet aan mij kenbaar gemaakt heeft.

Omdat het zo prachtig kraakt

Voor mij is niet weten niet het onbepaalde, opgevat als substantief, als realiteit of als bron, maar het niet bepalen zelf, de spontane, onophoudelijke mentale deconstructie van de mentale constructies die zich al even spontaan en onophoudelijk aandienen en opdringen.

Niet weten is geen ijsbreker die zich met donderend geweld een weg naar het apeiron baant, maar het breken van het ijs zelf, zonder hoger doel, zonder achterliggend motief, zonder wijsgerige pretentie.

Gewoon, omdat het zo prachtig kraakt.

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Tip: Help ons uit de droom (maar laat ons onze dromen)


Apofase, via negativa, neti neti

Ontkennend spreken

Omschrijven door te zeggen wat het niet is

Het zelfstandig naamwoord ‘apofase’ is afgeleid van het Griekse apophasis, ‘ontkenning’, en wordt in onze taal nauwelijks gebruikt. Het bijvoeglijk naamwoord, apofatisch, wel.

‘Apofatisch’ betekent ontkennend, in tegenstelling tot ‘katafatisch’, bevestigend. Een apofatische manier van spreken of schrijven gebruik je om datgene aan te duiden wat je slechts kunt omschrijven door te zeggen wat het niet is – het onzegbare, het ondenkbare, het onbenoembare, het onuitsprekelijke, het ondefinieerbare, het ongrijpbare.

Apofatische benadering van God

De apofatische benadering van God heet in de mystiek de via negativa (in tegenstelling tot de katafatische benadering of via positiva), en in het hindoeïsme neti neti – niet dit, niet dat. Zo schrijft Pseudo-Dionysius de Areopagiet in een van de beroemdste voorbeelden van de via negativa, het tractaatje Over mystieke theologie, hoofdstuk IV:

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

Apofase in het boeddhisme

In het boeddhisme heeft de apofase de gedaante aangenomen van leegte (Sanskriet: sunyata, Pali: sunnata), niet-zelf (anatman, anatta) en afhankelijk ontstaan (Pratītya-samutpāda, Paticca samuppada). Sommige boeddhisten vatten leegte op als een transcendente werkelijkheid (dé leegte), andere als een eigenschap van de alledaagse werkelijkheid (afhankelijk ontstaan).

Schoolvoorbeelden van apofatische teksten uit het mahayana-boeddhisme zijn de diamantsoetra en zeventig verzen over de leegte van Nagarjuna:

Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen. Derhalve bestaat er geen onwetendheid gebaseerd op onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid ontstaat er geen karma. Zo ook voor de andere tien oorzaken van het lijden.

(verzen 9 en 10)

Apofase in de filosofie

Ook van een methodiek of een filosofie kun je zeggen dat zij apofatisch is.
Denk maar aan de socratische vraagmethode in de Dialogen van Plato, of aan de postmoderne deconstructie.

Apofase in niet-weten

Apofatisch zijn tevens mijn dwaalteksten, die gewoonlijk bestaan uit een reeks of hiërarchie van ontkenningen of tegenwerpingen. De obstinate apofase van een radicaal niet-weten heeft alleen niet tot doel het ongrijpbare, het onzegbare, het onkenbare aan te duiden, maar de aandacht te vestigen op het niet grijpen, niet zeggen, niet kennen, niet duiden zelf. Dwaalteksten zijn daarvan een demonstratie. Niet-weten is een werkwoord.

Als schrijver ben ik niet geïnteresseerd in het ongrijpbare maar in niet-grijpen; niet in het onzegbare maar in niet-zeggen; niet in het onkenbare maar in niet-kennen; niet in het onduidbare maar in niet-duiden. Daarin zit voor mij de bevrijding; de rest is kosmologie.

Niet apofatisch maar afatisch – met stomheid geslagen

Dwaalteksten verwijzen dus niet naar een of andere onkenbare transcendentie en/of immanentie, zoals het ware zelf of je oorspronkelijke gezicht of het eeuwige heden of het absolute of de leegte of de boeddhanatuur of het numineuze of het mysterie of het ene of de non-dualiteit of de oorspronkelijke geest of de godheid of het bewustzijn of het zijn.

Omdat ik het allemaal niet meer weet, maar dan ook helemaal niet meer, dit ook niet, ben ik niet in staat om zelfs maar één zinvolle uitspraak over deze kwestie te doen, apofatisch, katafatisch of anderszins, of over welke filosofische, religieuze of spirituele kwestie ook. Afatisch is wat ik ben – met stomheid geslagen. Al zou je het soms niet zeggen.

Verder, verder!

Waarnaar verwijzen dwaalteksten wel? Naar zichzelf. Naar datgene wat ze doen en waartoe ze uitnodigen: dwalen. Verdwalen. Ver dwalen. Zo ver als je durft. Steeds een stukje verder.

Weg van alle weten, weg ook van niet-weten. Weg van alle hokjes, hekjes en haakjes. Weg van alle woorden en gedachten, ook deze. Weg van alle bevestigingen en ontkenningen, ook deze.

Voor menig lezer een vieze tegenvaller, voor de schrijver een onuitputtelijke bron van vreugde.

Verder lezen: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten, Wat is non-dualiteit? Dood de Boeddha! Zen, leegte en nihilisme, Lege mystiek op de hoogste piek: ‘Nada, nada, nada!’

Een eerdere versie van deze tekst is in het Boeddhistisch Dagblad verschenen als Apofase, via negativa, neti neti en sunyata.


Aporie

Een onbeantwoordbare vraag

Een aporie is een tegenstrijdigheid, een paradox, een onoplosbaar raadsel, meestal van filosofische, mathematische, theologische of spirituele aard.

Een voorbeeld van een theologische aporie is de vraag of God machtig genoeg is om zichzelf van zijn almacht te beroven en dat eventueel weer ongedaan te maken. Een ander voorbeeld is de vraag wie de Schepper heeft geschapen (wie de Eerste Beweger heeft bewogen, wie de Eerste Oorzaak heeft veroorzaakt).

Een voorbeeld van een logische aporie is de zin ‘Deze zin is gelogen.’ Is hij waar dan is hij onwaar, is hij onwaar dan is hij waar.

Een voorbeeld van een mathematische aporie is de set S van alle elementen die geen lid zijn van een verzameling.

Voorbeelden van aporieën met betrekking tot niet-weten:

Ik weet niets, dit ook niet

en

Ik heb niets te zeggen, en dat zeg ik

en

Alles loslaten, ook het loslaten

en

Je gedachten niet geloven, deze ook niet

en

Het denken doorzien door het denken

en

Vrede sluiten met je onvrede

Zoals ik met mijn dwaalteksten duidelijk probeer te maken, is de weg naar verlichting bezaaid met aporieën, waarvan de grootste wel de weg en de verlichting zelf zijn.

Gewoonlijk streeft men ernaar aporieën op te lossen of ze te omzeilen door het paradigma dat er aanleiding toe gaf te verlaten of te overstijgen. In beide gevallen ziet men de aporieën als een tijdelijk, overwinnelijk kwaad.

Ikzelf zie aporieën als tijdelijk noch overwinnelijk noch kwaad (noch eeuwig noch onoverwinnelijk noch goed). Als ik al ergens naar streef, dan is het om ze onder de aandacht te brengen. Vraag me niet waarom; een groter aporie ken ik nie.

Lees ook: Grote Twijfel, Grote Verlichting


Asylum ignorantia

[Latijn asylum, vrijplaats + ignorantia, onkunde]

  1. vlucht uit de wereld in de onnozelheid van niet weten
  2. vlucht uit niet weten in de onnozelheid van de wereld

Tip: Zalig zijn de armen van geest


Athetisch

Ont-stellend

Het woord athetisch [Grieks, a-, niet + thesis, het plaatsen, stelling] betekent letterlijk: niet stellend, nietszeggend.

Postmoderne teksten worden – soms pejoratief – athetisch genoemd wanneer ze geen duidelijke stellingname bevatten.

Stellingen in dwaalteksten worden niet opgevoerd om iets te poneren. Poneren ze toch iets, dan alleen om voorafgaande stellingen tegen te spreken.

Een dwaaltekst is voor mij geslaagd als je na lezing het gevoel hebt dat er niets onweersproken is gebleven, dat wil zeggen, in de mate waarin hij als geheel athetisch is. Niet omdat het ontstellend spreken naar welke maatstaf dan ook bevoorrecht zou zijn, maar omdat het een natuurgetrouwe – zij het gestileerde en verdichte – weergave is van het dwijze denken.

Maken we van het bijvoeglijk naamwoord athetisch een zelfstandig naamwoord, dan ontstaat het woord athese, dat zich misschien nog het beste laat vertalen als de lege stelling; de enige ‘stelling’ van de lege leer.


Categoriefout

Substantialisme

We spreken van een categoriefout als iemand een idee, zoals ‘universiteit’, aanziet voor een ding, zoals een universiteitsgebouw, of vice versa, met alle problemen van dien. Zo kun je je aan een universiteitsgebouw niet inschrijven, aan een universiteit wel, en kun je de universiteit niet schilderen, een universiteitsgebouw wel.

Volgens de Britse filosoof Gilbert Ryle berust het idee van de geest, en daarmee het hele cartesiaanse dualisme, op een simpele categoriefout. De geest is een wijze van spreken, geen wezen, ding of substantie.

Ryle staat in de traditie van de analytische wijsbegeerte uit de vorige eeuw die zich erop heeft toegelegd alle filosofische vraagstukken te herleiden tot categoriefouten. Dat is volgens deze stroming ook de enige taak van de filosofie: laten zien hoe het dagelijks taalgebruik voortdurend ontspoort in eternalistisch denken. De analytische wijsbegeerte is een reïncarnatie van het middeleeuwse nominalisme.

Een kras voorbeeld van een categoriefout waar ik zelf voortdurend mee wordt geconfronteerd, is niet weten, in dit geval meestal geschreven als niet-weten, opgevat als een ding, in het bijzonder als een onkenbare immanentie of transcendentie zoals kracht, energie, ether, bewustzijn, god of liefde, of als een bron, een werkelijkheid, een wet, een principe of de onkenbare kenner van het gekende c.q. het bewustzijn.

Voor mij is niet weten niet de ontkenning van een dergelijke grootheid per se als wel de ontkenning dat het dat zelf zou zijn of er toegang toe zou hebben of geven.

In mijn woordenboek betekent niet weten alleen maar dat je het allemaal niet meer weet. Over immanentie en transcendentie heb ik niets te melden.

Lees ook: Wou jij mij een waterhoofd noemen?


Conditio tacita

Onuitgesproken voorwaarde

Ongedacht en onbesproken

In de argumentatieleer onderscheidt men de noodzakelijke voorwaarde, of conditio sine qua non, van de vanzelfsprekende, impliciete voorwaarde, de conditio tacita.

In het dagelijks leven maken we dit onderscheid niet. Kenmerkend voor het normale denken is nu juist dat zelfs noodzakelijke, non-triviale voorwaarden zich manifesteren als vanzelfsprekende.

Sterker nog, de mogelijkheidsvoorwaarden manifesteren zich doorgaans helemaal niet. Ik geloof mijn gedachten in eerste instantie onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en zonder stil te staan bij de mogelijkheid van enig voorbehoud. Dat is wat het woord vanzelfsprekend betekent: stilzwijgend. Ongedacht en onbesproken blijvend. Tacita.

Een wereld uit het niets

Gedachten en gevoelens hebben de merkwaardige eigenschap hun eigen mogelijkheidsvoorwaarden te realiseren en zichzelf op die manier waar te maken, zo komt het mij soms voor. Mijn schuldgevoel bijvoorbeeld verschijnt altijd en uitsluitend in een wereld waarin mijn wilsvrijheid niet ter discussie staat.

Voor zover ik introspectief kan nagaan is die wereld er niet op voorhand; hij ontstaat – en vergaat – samen met, als context van, het schuldgevoel in kwestie. Ik krijg hem er gratis bij, ex nihilo, niet in de vorm van een uitgesproken vraagteken dat uitnodigt tot nader onderzoek, maar in de vorm van een ongevraagd uitroepteken dat alle twijfel in de kiem smoort.

Zelfrijzend

Ga maar na. Volg een gedachte maar eens op de voet. Lijkt het verdorie niet net of de benodigde werkelijkheid door de gedachte zelf wordt meegeleverd? Alsof hij zijn eigen mise-en-scène schept, uit het niets een wereld tevoorschijn tovert waarin de en het gedachte eventjes kan bestaan?

Die wereld verschijnt en verdwijnt samen met de gedachte zelf en toch lijkt die wereld voor zolang als het duurt – voor zo kort als het duurt – tijdloos, constant, absoluut en onbetwijfelbaar.

Als deze beschrijving klopt, zijn gedachten kosmogeen, wereldwekkend. Ze maken zichzelf waar door stiekempjes een wegwerpwereld op te roepen waarin aan al hun bestaansvoorwaarden voldaan is. Ze zijn als het ware zwanger van de wereld die ze waarmaakt. Ze zijn pregnant of zelfevident. De wereld die de gedachte waarmaakt is zelfrijzend.

Uitgesproken

Het idee van de zelfvoorzienende gedachte doet denken aan het dier dat zijn biotoop niet aantreft maar creëert, zoals de bever de beverdam, de termiet de termietenheuvel, de mens de stad. Het succesvolle dier schept de wereld waarin het zich thuis voelt, en de succesvolle gedachte schept de wereld waarin zij waar is.

Is dit waar? Zijn gedachten inderdaad wereldwekkend en selbstverständlich? Zo ja, dan geldt dat ook voor deze gedachten en weten we nog niets. Zo nee, dan weten we nog steeds niets. In beide gevallen zijn we geen steek opgeschoten, alle moeilijke woorden ten spijt.

Maar in ieder geval heb ik ze uitgesproken.

Lees ook: Waarnemen of waargeven? De illusie van subject en object


Cynisme

Radicaal wantrouwen

Cynisme is de overtuiging dat je niets en niemand kunt vertrouwen, mensen niet en instituten niet. Het mateloze wantrouwen van de cynicus komt tot uitdrukking in spot, sarcasme en negativiteit.

Cynisme is het tegenovergestelde van naïviteit en goedgelovigheid, een onvoorwaardelijk vertrouwen in mensen en instituten.

Een weetniet gelooft niet dat je niets en niemand kunt vertrouwen, ook niet dat je alles en iedereen kan vertrouwen. Niet-weten is geen cynisme en geen naïviteit.

Weliswaar is er ook in niet-weten sprake van Groot Wantrouwen, maar dan jegens de eigen gedachten, welke dan ook, inclusief de cynische en de naïeve.

Verder lezen: Vrijdenkers hebben maling aan de mind


Deconstructie

Verborgen aannames blootleggen in teksten

Tussen de regels doorlezen

Deconstructie betekent zoiets als tussen de regels door lezen. De aandacht van de lezer gaat daarbij niet zoals gewoonlijk uit naar de manifeste inhoud van de tekst, maar naar de vooronderstellingen en de impliciete tegenstrijdigheden ervan. Door deze bloot te leggen verliest de tekst zijn vanzelfsprekendheid en zijn eenduidigheid.

De term deconstructie en de leesmethode die ermee aangeduid wordt, zijn bedacht door de Franse filosoof Jacques Derrida.

Het denken doorzien

Voor mij verwijst de term ‘deconstructie’ niet naar een leesmethode en ook niet naar een denkmethode, maar naar een spontaan, zelfbewust denken dat zich niet meer in de luren laat leggen door de manifeste inhoud van zijn gedachten.

Een deconstructieve geest als de mijne houdt de aandacht voortdurend gericht op wat normaliter impliciet blijft en gedachten hun suggestieve kracht, hun meedogenloze macht verleent. Ik heb het over de talloze aannames en onderscheidingen die aan iedere gedachte ten grondslag liggen, over de zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden en ideaalbeelden die in iedere gedachte vervat liggen, over de innerlijke tegenspraken die in iedere gedachte verstopt zitten – kortom over de hele mentale onderbouw die, zo blijkt telkens weer, het heldere licht van de weetnietgeest niet kan velen. Dat geldt ook voor deze gedachten.

Oneindige regressie

Deconstructie betekent voor mij: het afgraven van de ongrond waarop gedachten berusten; of het begraven van gedachten in hun eigen ongrond.

Omdat onder onderstellingen andere onderstellingen schuil gaan en onder onderscheidingen andere onderscheidingen, is deconstructie nooit volledig. Een eerste aanzet is daarom niet minder compleet dan een ver doorgevoerde analyse.

In de meeste gevallen komt het bij mij helemaal niet meer tot een inhoudelijke deconstructie en haal ik alleen maar mijn schouders op over mijn gedachten – en dan nog alleen maar bij wijze van spreken. Dat geldt ook voor deze gedachten.

Een tekst waarin een bepaalde gedachte stapsgewijs gedeconstrueerd wordt, noem ik een dwaaltekst.

Verder lezen: Het regressieprobleem


Dialectiek

Methodisch denken

These, antithese, synthese

Dialectiek is het denken van these (stelling) via antithese (tegenstelling) naar synthese (samenstelling), waarna de laatste weer als these voor de volgende rondgang dient.

Een opwaartse spiraal naar de absolute waarheid

Dialectiek leidt volgens liefhebbers in een stijgende spiraal van het bijzondere naar het algemene, van het relatieve naar het absolute, van het meervoudige naar het enkelvoudige, van het tegenstrijdige naar het harmonieuze. Het zou een progressieve denkwijze zijn, die alleen maar kan eindigen in de hoogste waarheid.

Dat een en dezelfde methode in de loop der tijd tot steeds andere, dikwijls onverenigbare hoogste waarheden leidde, heeft het vertrouwen erin nauwelijks geschaad. In elk geval niet in filosofische, religieuze en spirituele kringen.

Een neerwaartse spiraal naar niemandsland

In niet weten is het denken eerder regressief of digressief dan progressief.
De weetniet denkt eerder achterwaarts of zijwaarts dan voorwaarts.
Het dwijze denken leidt van het algemene naar het singuliere.
Van stelling naar onderstelling of nevenstelling.
Van het enkelvoudige naar het meervoudige.
Van werkelijkheid naar mogelijkheid.
Van het hogere naar het lagere.
Van conclusie naar premisse.
Van synthese naar paradox.
Van zekerheid naar twijfel.
Van antwoord naar vraag.
Van orde naar chaos.

Lees ook: Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid


Dissensus

Zoeken naar zoveel mogelijk zienswijzen

Kleine verhalen met lokale geldigheid

Dissensus is het tegenovergestelde van consensus: onenigheid, tegenspraak, verschil van mening.

Volgens Lyotard moet het postmoderne weten opgevat worden als een taalspel waarin je niet de waarheid najaagt, zoals de filosofen van weleer, maar slechts het verslaan van de tegenspreker.

Streefde het modernisme naar consensus in de vorm van grote verhalen met een algemene geldigheid, het postmodernisme (zie onder) streeft juist naar dissensus in de vorm van zoveel mogelijk kleine verhalen die alleen maar een lokale geldigheid hebben.

Niet aflatende onenigheid

Dwaalgesprekken – deze website staat er vol mee – zijn taalspelen waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels. De een streeft naar consensus, de ander naar dissensus.

Dwaalgesprekken zijn een bijzonder geval van dwaalteksten, die er ongeacht hun vorm naar streven zichzelf tegen te spreken.

Niet weten is een radicale, niet aflatende dissensus waarin de weetniet ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Dissensus met jezelf

Zelf heb ik overigens geen bijzondere voorkeur voor dissensus. Ik streef er in ieder geval niet naar. Voor zover ik kan nagaan streef ik in mijn denkerij en schrijverij helemaal nergens naar, ook niet naar niet streven, noch weerstreef ik er iets mee.

Hoogstens constateer ik in mijn eigen denken en schrijven een zekere hang naar dissensus. Dissensus met mezelf. Ik ben het er dan ook niet mee eens dat dwaalgesprekken taalspelen zijn waarin de spelers het niet eens zijn over de spelregels.

Ik ben het er ook niet mee eens dat niet-weten een radicale, niet aflatende dissensus is waarin de weetniet ieder weten tegenspreekt, of het nou zijn eigen gedachten betreft of die van anderen.

Weg met die gedachten, en weg ook met deze en de volgende.

Verder lezen: Meester Schaap en Broeder Ezel


Dogma

Doctrine, leerstuk

Een geloofsartikel

Een dogma is een vastomlijnd, aan geen redenering meer onderworpen geloofsartikel.

Dogmatisch betekent geen tegenspraak duldend.

Dogmatisme is het vooropstellen van en vasthouden aan dogma’s.

Aldus Van Dale.

Geloofsartikelen over geloofsartikelen

Verstopt in deze definities van Van Dale zit een typisch westers verlichtingsideaal. Ik doel op het geloofsartikel dat er ook niet-dogmatische kennis mogelijk is, bijvoorbeeld wetenschappelijke. Deze zou zich hierin van dogmatische kennis onderscheiden dat zij voor rede vatbaar is.

Verstopt in dit ideaal – het lijkt wel een matroesjka – zitten nog eens twee dogma’s, namelijk 1. het geloofsartikel dat gefundeerde kennis mogelijk is en 2. het geloofsartikel dat de rede het instrument bij uitstek is om de fundering te leggen.

De weg van het midden

Of dat allemaal waar is laat ik graag in het midden. Niet weten is nou eenmaal de weg van het midden. Niet in de zin van de gulden middenweg, waarbij je de uitersten vermijdt, maar in de zin van in het midden laten: definitieve uitspraken vermijden. Niet uit principe maar uit vermoeidheid, omdat er nog nooit eentje overeind gebleven is.

Deze zal ook wel niet overeind blijven.

De pretentie iets of niets te (kunnen) weten

Zelf gebruik ik het woord dogma in ruimere zin voor iedere pretentie iets of juist niets te (kunnen) weten, in concreto voor iedere uitspraak die niet onmiskenbaar wordt tegengesproken door de geschreven tekst waarvan hij deel uitmaakt of door degene die hem zojuist heeft uitgesproken.

Niet weten is niet dogmatisch, maar ook niet anti-dogmatisch. Dat kan ook helemaal niet want een leerstuk over de onwenselijkheid van dogma’s is opnieuw een dogma. Ik zou niet weten op welke gronden ik dat moest verdedigen.

Als je per se iets wil zeggen over niet-weten, kan je het adogmatisch noemen, dat wil zeggen, zonder dogma’s. Opnieuw niet uit principe maar simpelweg als constatering hier en nu, als iets dat je steeds opnieuw bij jezelf zult moeten vaststellen.

Lees ook: Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken


Epoche

Opschorting van oordeel

Zie de lemma’s Voorwaardelijkheid en Epoche op de pagina Het regressieprobleem.


Eschatologie

De leer van het einde

Eschatologie is de theologie van het laatste oordeel en het einde der tijden.

Eschatologie volgens het non-dualisme

Een modern voorbeeld van eschatologie is gebaseerd op het Evangelie van Thomas en interpreteert de komst van het Rijk Gods niet als het einde van het universum, maar als het einde van de subjectieve werkelijkheid, mijn werkelijkheid, die waarin ik, juist als subject, afgescheiden ben van de rest van de wereld, die mij tot object dient.

Het is deze persoonlijke, dualistische wereld die door de komst van het Rijk Gods vernietigd wordt, en wel precies op het moment dat ik tot inzicht kom omtrent haar ware, non-duale aard. De werkelijkheid is al het rijk der hemelen, maar we zien het niet. We leven de waarheid al maar we weten het niet. De waarheid is onzegbaar en onkenbaar maar zij is.

In deze visie is het dus niet de werkelijkheid als zodanig die vernietigd moet worden, maar de schijnwerkelijkheid in ons, en wij met haar, opdat eindelijk de Ene Werkelijkheid die wij zijn aan de dag kan treden.

Aldus de non-dualistische interpretatie van het Evangelie van Thomas.

Eschatologie volgens de weetniet

In niet-weten vindt het idee van een hogere werkelijkheid geen onderdak, noch het tegengestelde idee dat er geen hogere werkelijkheid zou zijn, noch enig ander idee. Niet weten betekent: geen idee.

Of, als het idee van een hogere werkelijkheid er toch onderdak vindt, dan ook het idee dat er geen hogere werkelijkheid is, en ieder ander idee. Niet weten betekent: elk idee.

Zo raakt de weetniet de werkelijkheid in iedere zin kwijt, en iedere zin voor de werkelijkheid. Hij weet niet eens óf de werkelijkheid is, laat staan hoe zij is, of wát, of uit welke delen zij bestaat, laat staan in welk verband deze delen staan.

In niet weten hoeft de werkelijkheid niet vernietigd te worden want zij wordt niet verondersteld, noch als realiteit, noch als illusie. Haar bestaan wordt ontkend noch bevestigd. Niet weten maakt daarom niet alleen een einde aan de bekende wereld maar ook aan het einde daarvan. Om over de onbekende wereld nog maar te zwijgen. Van een hogere waarheid of een diepere werkelijkheid is in niet weten sprake noch geen sprake.

Verder lezen: Metafysica in een wezenloze wereld


Existentialisme

We zijn er nou eenmaal en moeten er zelf wat van maken

Volgens de existentialistische filosofie, net als het dadaïsme ontstaan in het kielzog van een wereldoorlog, is de mens ongevraagd in een onsamenhangende, betekenisloze wereld geworpen waarin echte communicatie onmogelijk is en de mens in totale vrijheid en eenzaamheid zelf zin aan zijn bestaan moet zien te geven.

Heel wat mensen hebben mij het afgelopen decennium aangezien voor een existentialist. Ten onrechte. Tussen mijzelf en de existentialist gaapt een kloof die met geen worp, sprong of gedachtevlucht te overbruggen is.

Om kort te gaan:

  • De existentialist weet dat er een wereld is, ik niet
  • De existentialist weet dat deze wereld betekenisloos is, ik niet
  • De existentialist weet dat hijzelf als individu bestaat, ik niet
  • De existentialist weet dat hij ongevraagd in deze vooraf bestaande wereld geworpen is (en niet, bijvoorbeeld, de wereld in hem), ik niet
  • De existentialist weet dat er andere geworpenen zijn, ik niet
  • De existentialist weet dat echte communicatie met andere geworpenen onmogelijk is, ik niet
  • De existentialist weet dat hij gedoemd is tot eenzaamheid, ik niet
  • De existentialist weet dat hij veroordeeld is tot vrijheid, ik niet
  • De existentialist weet dat hij en hij alleen zin aan zijn bestaan kan geven en dat hij dat voor niemand anders kan doen, ik niet

Om nieuwe misverstanden te voorkomen:

  • Ik claim niet dat er géén wereld is
  • Ik claim niet dat de wereld toch betekenisvol is
  • Ik claim niet dat ik niet besta
  • Ik claim niet dat ik niet in deze wereld geworpen ben
  • Ik claim niet dat er geen andere geworpenen zijn
  • Ik claim niet dat echte communicatie met andere geworpenen toch mogelijk is
  • Ik claim niet dat ik niet gedoemd ben tot eenzaamheid
  • Ik claim niet dat ik niet tot vrijheid veroordeeld ben
  • Ik claim niet dat iemand of iets anders zin aan mijn bestaan kan geven of dat ik dat voor anderen kan doen
  • Ik claim niet dat je dit allemaal niet kunt weten
  • Ik claim niet dat je niets mag of kan claimen

Existentialisme kan je dit niet noemen. Hoe je het wel moet noemen weet ik niet. Niet claimen komt in de buurt. Of anders toch maar weer niet weten.

Verder lezen: Zingeving voor zotten


Fatalisme

Alles ligt vast

Fatalisme is de neiging alles aan het lot over te laten in de overtuiging dat het leven van begin tot einde vastligt. Voor de fatalist is de vrije wil een illusie.

Filosofisch gezien is het fatalisme verwant met het determinisme en het stoïcisme (zie het lemma Apatheia en ataraxia). De fatalistische houding is ook kenmerkend voor orthodoxe varianten van monotheïstische godsdiensten en voor spirituele tradities die het individu voor een illusie houden, zoals de advaita vedanta en sommige boeddhistische scholen.

Het tegenovergestelde van fatalisme is activisme, de overtuiging dat we zelf ons lot bepalen, en in actie kunnen en moeten komen om het naar onze hand te zetten.

De weetniet is er niet van overtuigd dat alles van te voren vastligt in de onverbiddelijke bewegingen van de kleinste deeltjes, niet dat alles is voorbestemd door een hogere intelligentie of een oppermachtige god, en niet dat de persoon en de vrije wil een illusie zijn.

De weetniet is er ook niet van overtuigd dat we ons lot geheel of mede zelf bepalen, niet dat de persoon en de vrije wil toch reëel zijn, niet dat een hogere intelligentie of een oppermachtige god ons doelbewust de nodige armslag geeft.

De weetniet is er niet van overtuigd dat we dit soort zaken ooit met zekerheid vast zullen stellen, ook niet dat we het nooit zullen weten, ook niet dat het op dit moment onbekend is. Zelfs in niet-weten gelooft hij niet – en geloof dat ook maar niet.

Verder lezen: Vrije wil, onvrije wil en vrije onwil


Fideïsme

Weten is geloven

Fideïsme [Latijn, fides, geloof] is de doctrine dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven is. Van menen te weten. Niet alleen het religieuze weten maar ook het wetenschappelijke weten en zelfs het wiskundige weten.

Ikzelf geloof, meen of weet niets over weten, menen en geloven. Zelfs niet dat ik daarover niets geloof, meen of weet. Laat staan dat ieder weten uiteindelijk een kwestie van geloven zou zijn.

Als het waar is dat ieder weten een kwestie van geloven is, dan is het fideïsme zelf ook niet waar, maar een kwestie van geloven. Is het niet waar dat ieder weten een kwestie van geloven is, dan is het fideïsme al helemaal niet waar. Dus daar sta je dan met je mooie geloof.

Verder lezen: Groot Ongeloof, Grote God


Gezond verstand

De filosofie van alledag

Stoffelijk, verklaarbaar, maakbaar

Onder gezond verstand verstaat men de verzameling van opvattingen, normen en waarden waarover de meeste mensen in een gemeenschap het wel eens zijn. Alle zaken dus die vanzelfsprekend, om niet te zeggen vanzelfschreeuwend zijn.

Het ene gezond verstand is het andere niet, het Japanse niet dat van de Masai of de Eskimo, maar voor het gezond verstand van de gemiddelde westerling, of anders toch van de gemiddelde Hollander, of anders toch van de gemiddelde Amsterdammer, neem ik hier maar even aan, is de wereld stoffelijk, bestendig, geordend, kenbaar, verklaarbaar, maakbaar en beheersbaar.

Common sense philosphy

Een leerstelsel dat na het echec van vijfentwintig eeuwen westerse wijsgekte het gezond verstand, vraag me niet welk, in ere wilde herstellen, was de common sense philosophy van de Engelsman Thomas Reid. Een prof die wordt aangesteld om de overgeleverde klootjesfilosofie van de belastingbetaler te legitimeren, kan het gekker? Nou en of.

Alleen verbijstering vind ik nog vanzelfsprekend

Het gezond verstand waarop velen zich beroepen als was het een openbaring, gaat in niet-weten niet verloren, maar komt wel in de lucht te hangen en verliest daarmee vanzelfsprekend zijn (on)natuurlijke gezag.

Voor mij, wie dat ook moge wezen, is het inmiddels alleen nog maar vanzelfsprekend dat de wereld, wat dat ook moge wezen, verbijstert, als dat al zo is, als ik die wereld zelf al niet ben, als die wereld mij al niet is, als dat al iets betekent.

Omgekeerd is het voor diezelfde mij, zo die al bestaat, al even verbijsterend dat diezelfde wereld, als er al zoiets is, desondanks vanzelf blijft spreken en zijn/mijn/onze/eenieders/niemands verbijstering onophoudelijk overschreeuwt.

Het kortgesloten verstand

Daardoor of desondanks verkeer ik niet langer in de ban van het gezond verstand, maar evengoed wel, en in nog heviger mate, in dat van het ongezond, of laten we zeggen het kortgesloten verstand, dat zichzelf onophoudelijk bevraagt, ook al stelt het geen enkel belang meer in de antwoorden, en zich nog steeds geroepen voelt de antwoorden die desondanks uit allerlei bronnen blijven opborrelen onophoudelijk te herroepen – ook deze.

Klits, klats, klandere, van de ene ban in de andere. Kan het gekker?

Verder lezen over het gezond verstand, het spiritueel verstand en het onverstand van niet-weten: Wat is spiritualiteit?


Kenleer

Wat kunnen we weten?

Misschien ben jij een van die mensen die denkt dat epistemologie – de filosofie van de grenzen van het weten – de beste weg naar niet weten is. Maar is niet weten wel een bestemming, is er wel een weg naartoe – laat staan meerdere waarvan er een de beste is – en zo ja, wil je die wel gaan?

Als weg naar niet weten maakt de epistemoloog sowieso een valse start door van meet af aan van alles te veronderstellen in plaats van alle veronderstellingen van meet af aan aan een grondig onderzoek te onderwerpen.

Zo maakt de epistemoloog zonder enige rechtvaardiging onderscheid tussen een subject dat kent en een object dat gekend wordt, tussen een kenner, het gekende en de act van het kennen dat de eerste verbindt met de tweede.

De epistemoloog neemt zonder meer aan dat natuurlijke taal een geschikt instrument is om kentheoretisch onderzoek mee te verrichten en de grenzen van het weten mee uit te drukken.

De epistemoloog neemt zonder meer aan dat het gebruik van logica de geldigheid van de gebruikte redeneringen garandeert.

De epistemoloog neemt zonder meer aan dat je vanuit onbewezen premissen tot bewezen conclusies kunt komen, dat geldige redeneringen volstaan als het erom gaat epistemologie te bedrijven, omdat de premissen, hoe onbewijsbaar ook, zelf-evident zouden zijn.

Stevige aannames voor een discipline die de grenzen van de kennis tot thema heeft, vind je niet?

Eigenlijk zou de kentheoreticus deze veronderstellingen eerst moeten onderzoeken voordat ze tot uitgangspunt van epistemologisch onderzoek kunnen dienen. Maar hoe pleeg je onderzoek zonder onderscheidingen? Hoe druk je je uit zonder taal? Hoe redeneer je zonder logica? Hoe overtuig je zonder redenen?

Ik zou het echt niet weten.

Lees ook: Het regressieprobleem


Keuzeloos gewaarzijn

De mens als louter getuige

Keuzeloos gewaar zijn

Onthecht getuige zijn

‘Keuzeloos gewaar zijn’, met of zonder spatie tussen ‘gewaar’ en ‘zijn’, is een uitdrukking van de spirituele leraar en antigoeroe Jiddhu Krishnamurti (1895-1986). Hij doelt ermee op de levenshouding van de verlichte die zijn ware aard heeft gerealiseerd.

Keuzeloos gewaar zijn, dat betekent zoveel als onthecht, onaangedaan, niet-oordelend getuige zijn van wat zich maar voordoet. ‘Je ware aard’ verwijst naar het ene, universele bewustzijn dat je bent en waarin alles verschijnt, gekend wordt en verdwijnt.

De natuurlijke staat

In een aantal boeddhistische scholen uit de mahayanahoek, zoals het Chinese ch’an, het Thaise watnou, het Tibetaanse dzogchen en het Sri-Lankaanse sjoksjok, zien we deze antieke, van oorsprong hindoeïstische metafysica weerspiegeld in monistische ankerwoorden als ‘het zelf’, ‘de oorspronkelijke geest’, ‘het ene’, ‘big mind™’ en ‘de natuurlijke staat’.

Soortgelijke woorden kom je tegen in de advaita vedanta, eveneens op hindoeïstische leest geschoeid, en ondanks de geuzennaam ‘non-dualisme’ al net zo monistisch als de zojuist genoemde mahayanascholen.

Van bovengenoemde scholen zijn er trouwens een of meer verzonnen, schijnt het, of nog niet gesticht, maar welke en door wie?

Wie niet weet is uitgeteld

Niet-weten is van zichzelf monistisch noch non-dualistisch, dualistisch noch pluralistisch. Als je wil kan je het simplistisch noemen, of naïef of kinderlijk of bruut, als in ‘art brut’. Er zijn er die het onwetendheid noemen, maar dat zou best eens op onwetendheid kunnen duiden.

Hoe je het ook noemt, een weetniet telt niet meer. Niet tot nul, niet tot één, niet tot twee, niet tot niet-twee, niet tot drie, niet tot vier en niet tot veel. Een weetniet telt niet meer, en daardoor telt hij niet meer mee. Ook niet voor de buitenwereld. Hij is volkomen uitgeteld.

Je ware aard?

Van de ware aard die de verlichte volgens Krishnamurti zou hebben gerealiseerd, is in niet-weten sprake noch geen-sprake. Je ware aard erkennen is het einde van niet-weten. Je ware aard ontkennen is eveneens het einde van niet-weten.

Een en ander geldt ook voor ‘het zelf’, ‘de oorspronkelijke geest’, ‘het universele bewustzijn’, ‘het ene’, ‘de natuurlijke staat’, ‘de verlichte’ en soortgelijke mentale constructies, als dat is wat het zijn. Het geldt trouwens ook voor de pendanten van het zelf: ‘het ikje’, ‘small mind’, ‘de persoon’, ‘het ego’, ‘de overlever’, ‘het id’ en soortgelijke mentale constructies, als dat is wat het zijn.

Niets te realiseren

Een weetniet – over mentale constructies gesproken – heeft daarom niets te realiseren, niets in te zien, niets te bewaken, niets te doen, niets te laten, niets te bevestigen en niets te ontkennen. Dit ook niet. Hij gaat gewoon zijn gang, of het gaat gewoon zijn gang in hem of als hem, of hoe zeg je dat.

Als iemand deze gang als goddelijk omschrijft, noemt de weetniet hem van de weeromstuit menselijk, dierlijk of beestachtig, en als iemand zijn gang als menselijk, dierlijk of beestachtig omschrijft, noemt de weetniet hem van de weeromstuit goddelijk. Maar als iemand gewoon zijn waffel houdt (in het spirituele wereldje een zeldzaamheid, kan ik je verzekeren) dan kan de weetniet eindelijk zijn waffel houden, hè hè.

Spiritueel knock-out

Als je in niet-weten verblijft – over mentale constructies gesproken – ben je spiritueel knock-out. Volkomen uitgeteld, of zei ik dat al. Je ligt erbij en kijkt ernaar. Je ziet het aan en lacht erbij. Of pinkt een traantje weg, kan gebeuren. Je geeft mee of je verzet je of je geeft mee met je verzet of je verzet je tegen het meegeven of je verzet je tegen je verzet, net wat er komt, maakt niet uit, ook niet als het toch uitmaakt.

Eenvoudiger kan volgens mij niet, of niet-mij, met of zonder streepje tussen ‘een’ en ‘voudiger’. Maar om dat nou keuzeloos gewaarzijn te noemen?

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Tips: Brieven advaita; het bewustzijn voorbij


Leegte

Zeven soorten leegte

Om te laten zien wat de leegte van niet-weten, eh, inhoudt, vergelijk ik hem hieronder met zes andere soorten leegte. Ik kan er nog wel meer bedenken, en hele andere indelingen maken ook, maar daar gaat het niet om.

Ik ben geen filosoof of antifilosoof, niet gelovig of ongelovig, niet gnostisch of agnostisch en mijn gezond verstand laat het ook al jaren afweten, dus ik kan je niet zoals de meeste andere mensen vertellen hoe het allemaal zit en moet, of zelfs maar hoe het allemaal niet zit en niet moet.

Ik wil alleen wat misverstanden over de leegte van de lege leer uit de weg ruimen. Tip van de gesluierde: welke lege leer?

1. Een materieel niets: de ruimte

In realistische kringen, zowel filosofische als wetenschappelijke, wordt onder leegte vaak het niets of de ruimte verstaan waarin het iets, de materie, het zijnde, ís.

Sommige denkers zien deze ruimte als een object van een hogere of de hoogste of een lagere of de laagste orde, andere slechts als een bestaansvoorwaarde voor materiële objecten, weer andere als het product van diezelfde objecten, die naar hun mening de ruimte niet innemen maar produceren, projecteren of definiëren.

Immanuel Kant ziet ruimte als een categorie van het verstand, een manier om de werkelijkheid te ordenen die zelf niet als object in die werkelijkheid gegeven is.

2. Een ideëel niets: het lege bewustzijn

In idealistische kringen wordt leegte vaak opgevat als het bewustzijn zelf; een ongrijpbaar, tijdloos, plaatsloos, voor- of bovenzinnelijk medium, hetzij persoonlijk, hetzij universeel, waarin de ‘tienduizend verschijnselen’ zich kenbaar maken en waardoor ze gekend worden.

3. Een religieus niets: de lege godheid

In godsdienstige kringen verstaat men onder leegte dikwijls een kosmisch niets van goddelijke aard waarin de dingen ontstaan en vergaan; een niets dat als schepper en vernietiger van het iets fungeert; de eerste oorzaak en de laatste bestemming ervan, het alfa en omega.

De godheid van een Plotinus, een Pseudo-Dionysius de Areopagiet of een Meister Eckhart lijkt een leegte zonder substantie of eigenschappen waarop zelfs het gezegde ‘bestaat wel’ of ‘bestaat niet’ niet meer van toepassing is.

4. Een boeddhistisch niets: sunyata

In boeddhistische kringen verstaat men onder leegte het idee dat dingen en mensen bij nader inzien geen eigen wezen of werking hebben en volstrekt wederkerig zijn (interzijn, afhankelijk ontstaan).
Je zoekt de betekenis van een woord en je vindt andere woorden.
Je zoekt de auteur en je vindt het discours (en omgekeerd).
Je zoekt het subject en je vindt het object (en omgekeerd).
Je zoekt jezelf en je vindt de ander (en omgekeerd).
Je zoekt de essentie van een ding en je vindt andere dingen.
Je zoekt een oorzaak of aanleiding en je vindt de hele historie.
Je zoekt scherpe grenzen en je vindt vloeiende overgangen.
Alles wijst naar iets anders, alles sluit het andere in.

5. Een spiritueel niets: de lege geest

Voor veel zoekers is leegte hun idee over de geestestoestand van de ontwaakte: minimale mentale activiteit tegen de achtergrond van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk.

Persoonlijk moet ik de eerste mens wiens geest op die manier functioneert nog tegenkomen. Zelf heb ik een dynamisch verstand en een dito gemoed, misschien omdat ik er constant voor waak, of simpelweg niet meer in staat ben, wie dan ook op te sluiten in het hokje van de ontwaakte, het hokje van de slaper, het hokje van de hokjesgeest, het hokje van de vrijgeest of in welk hokje of niet-hokje dan ook.

Tamelijk lege geesten ben ik wel tegengekomen – op de afdeling dementie van verpleeghuis Tamarinde in Utrecht bijvoorbeeld – maar voor zover ik kon beoordelen was er bij deze alzheimerpatiënten, waaronder mijn beide ouders, van een ononderbroken oceanisch gevoel van liefde, vrede en geluk geen sprake.

6. Een ethisch niets: de lege moraal

Voor nihilisten, cynici, pessimisten, anarchisten, absurdisten, dadaïsten, defaitisten, fatalisten, existentialisten, relativisten, subjectivisten, pluralisten, postmoralisten en postmodernisten duidt het begrip leegte op het ontbreken van absolute, onbetwijfelbare, universele normen en waarden die als basis kunnen dienen voor individuele en maatschappelijke keuzes.

7. Een epistemologisch niets: de lege leer

In tegenstelling tot bovenstaande doctrines doet de lege leer geen uitspraak over het al dan niet bestaan van welke vorm van leegte of niet-leegte ook – materieel, ideëel, religieus, boeddhistisch, spiritueel, ethisch of anderszins. De lege leer, Ø, is geen lege ruimte als in (1), geen leeg bewustzijn (2), geen lege god (3), geen leeg zelf (4), geen lege geest (5) en geen lege moraal (6).

Ook dat we niets kunnen weten staat niet in de lege leer, want dan zou het geen lege leer zijn maar een vorm van scepticisme.

Ook dat we maar beter kunnen zwijgen staat niet in de lege leer, want dan zou het geen lege leer zijn maar een vorm van quïetisme of mutisme.

De lege leer is gewoon leeg.

Noem dat maar een leer.

Verder lezen: De lege leer


Nihilisme

Waarheid bestaat niet

Nihilisme is de overtuiging dat er geen grondwaarden of grondwaarheden bestaan waarop men zich kan beroepen bij zijn keuzes. Er is niets om vanuit te gaan, niets om in te geloven. Niets heeft ook maar enige zin of betekenis. Iedereen die iets anders beweert maakt zichzelf wat wijs.

De weetniet is er niet van overtuigd dat er geen grondwaarden of grondwaarheden bestaan waarop men zich kan beroepen bij zijn keuzes, ook niet dat die wel bestaan.

Hij is er niet van overtuigd dat er niets is om vanuit te gaan, ook niet dat er toch iets is om vanuit te gaan.

Hij is er niet van overtuigd dat er niets is om in te geloven, ook niet dat er toch iets is om in te geloven.

Hij is er niet van overtuigd dat hij zelf kan kiezen, ook niet dat hij dat niet kan.

Hij is er niet van overtuigd dat niets ook maar enige zin of betekenis heeft, ook niet dat sommige zaken of alles zin en betekenis heeft.

De weetniet is nergens van overtuigd, ook hiervan niet.

Niet-weten is geen nihilisme.

Verder lezen: Dood de Boeddha! Zen, leegte en nihilisme


Postmodernisme

Weg met de grote verhalen

Zuivere waarheid bestaat niet

Postmodernisme is een verregaand cultuurrelativisme zonder heilige huisjes. Volgens het postmodernisme is alle kennis relatief: cultuur-, situatie-, subject-, plaats- en tijdgebonden. Zuivere waarheid bestaat niet, geen enkele leer is definitief en de mens als maker en individu is een mythe.

Wie onze cultuur wil begrijpen, richt zich niet op haar voortbrengers maar op haar voortbrengsels. Het discours (het geheel van teksten in een samenleving) kan bijvoorbeeld alleen begrepen worden vanuit zichzelf, niet vanuit (de psychologie van) zijn schijnbare auteurs.

Ook de tekst die je nu leest moet volgens de postmodernist begrepen worden vanuit het, laten we zeggen, wijsgerig-spirituele discours, en niet als een communiqué van de persoon Hans van Dam.

Steeds nieuwe perspectieven en identiteiten

Het postmodernisme is niet alleen een stroming in de wijsbegeerte, maar ook in de menswetenschappen, de politiek, de literatuur, de schilderkunst en de filmkunst.

Een hedendaagse postmoderne schrijfster van Nederlandse bodem is Hanna Bervoets (1984), die in haar romans wil laten zien dat geen enkel subject of object restloos te bepalen is, dat er steeds nieuwe perspectieven en identiteiten mogelijk zijn, maar nooit definitieve.

Deze denkwijze herinnert aan de leerstukken van leegte, niet-zelf en afhankelijk-ontstaan in het boeddhisme, dat althans in dit opzicht postmodern avant la lettre was.

Pluralisme

Het postmodernisme kun je net als het dadaïsme, het existentialisme en het absurdisme zien als een reactie op wat we achteraf het modernisme van de late negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw zijn gaan noemen – de hoogtijdagen van het fascisme, kolonialisme, nazisme, dialectisch materialisme, communisme, socialisme en historicisme, dat volgens postmoderne denkers alleen maar tot onderdrukking, dictatuur en wereldoorlogen kon leiden.

Eén volk, één rijk

Degenen die wij achteraf postmodernisten zijn gaan noemen, zochten destijds eendrachtig naar een alternatief voor het enge eenheidsdenken dat inzet op één waarheid, één ideaal, één moraal, één kunst, één volk, één wereld, één rijk, één partij, één leider, één pad, één religie. Ze meenden het gevonden te hebben in het pluralisme.

Postpostmodernisme

Hoe revolutionair het postmodernisme ook mag lijken, toch is daarmee het einde van het relativeren nog niet bereikt. Want we kunnen het cultuurrelativisme zelf nog relativeren, het heilige huisje van geen-heilige-huisjes nog omverhalen – het enge eenheidsdenken dat monomaan inzet op veelheid en daarom niets anders is dan een fundamentalistisch antifundamentalisme.

Mocht dit inderdaad de uiterste consequentie van het postmodernisme zijn dan zit er misschien een volgend tijdperk aan te komen, dat ik hier maar even het postpostmodernisme of apocalyptisch het einde der tijden zal noemen.

Daarin waant men zich niet meer verder in een volgend tijdperk, niet meer terug in een vorig tijdperk, en ook niet meer gevangen of bevrijd in een tijdelijk of eeuwig heden, maar is men dienaangaande geheel vrij van overtuigingen en idealen. Dus ook van de overtuiging en het ideaal dienaangaande geheel vrij van overtuigingen en idealen te zijn.

Daarmee zou het vooruitgangsdenken definitief tot een einde gekomen zijn, evenals het doemdenken, zodat we nooit meer zouden kunnen vaststellen of we nou beter of slechter af waren. Maar of we daarmee beter of slechter af zouden zijn?

Endisme

Het schijnt dat de fatale filosoof Jean Baudrillard al in 1992 in Illusion de la fin, waarin hij de lineaire opvatting van de tijd op de korrel neemt, het einde van het einde heeft verkondigd.

Hij werd daarin voorgegaan door talloze verkondigers van het einde van het een of ander: het einde van de wereld (eschatologie), het einde van de filosofie (scepticisme, pyrronisme), het einde van de oorlog (‘the war to end all wars’), het einde van de kunst (Arthur Danto), het einde van het subject (advaita vedanta, boeddhisme), het einde van het boek, het einde van de roman, het einde van de poëzie, het einde van de schilderkunst, het einde van de muziek, het einde van de godsdienst, het einde van de staat, het einde van de geschiedenis (Francis Fukuyama), het einde van het metaverhaal (Lyotard) en het einde van de representatie (Derrida), om maar eens wat te noemen.

De onbedwingbare neiging om ergens het einde van te verkondigen, wordt endisme genoemd, een term die beslist een plaatsje verdient in een toekomstige versie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), aangenomen dat die zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van de psychiatrie, aangenomen dat de psychiatrie zelf nog een plaatsje verdient in een postpostmoderne versie van deze wereld of wereldillusie of wereldillusie-illusie.

Het einde van het einde

Naar verluid werkt de geest van voornoemde Baudrillard, een verwoed polemist die kennelijk nog steeds het laatste woord wil hebben, sinds zijn lichamelijk dood in 2007 in alle onrust aan een studie getiteld: Illusion de la fin de la fin (de illusie van het einde van het einde).

Zelf werk ik sinds ik het weten en het niet-weten en het achterlaten achter me heb gelaten aan een definitieve studie over het laatste woord, getiteld Het laatste woord over de illusie van het laatste woord, of De illusie van het laatste woord over de illusie, daar ben ik nog niet uit en dat wou ik graag zo laten.

Hierbij kondig ik ook vast het einde van het endisme aan, en het einde van het einde daarvan, voordat iemand mij voor is, in de hoop tenminste één keer in mijn leven ergens zo niet de beste dan toch de eerste in te zijn, al was het maar postuum, of postpostuum desnoods.

Eén leer, één pad

Deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad als ‘Het einde van het postmodernisme’.

Lees ook: Zen is helemaal het einde en Verder, verder; reistips voor spirituele zoekers


Quiëtisme

Doe niets en wordt zalig

Het quiëtisme is een mystieke beweging die passiviteit, gelatenheid, zwijgzaamheid, meditatie, niet-denken, niet-willen, niet-weten, onthechting en overgave predikt met als oogmerk gemoedsrust, zaligheid, volmaaktheid of de eenwording met God.

Quïetisme is van alle tijden en plaatsen. We vinden het onder meer in de vorm van het boeddhistische streven naar nirwana (uitdoving), in de meditatievorm shikantaza (alleen maar zitten) van sotozen, in het woordloos biddend navelstaren van de hesichasten, in het doende niet-doen van de taoïsten, in de Griekse idealen van apatheia en ataraxia (zie boven) en in het indifferentisme (de onverschilligheid ten aanzien van de eigen zaligheid) van Meister Eckhart.

Wie niet weet kent als gevolg van zijn niet-weten misschien een zekere gemoedsrust, maar streeft er niet naar en predikt niets. Behalve misschien, bij wijze van tijdverdrijf, de lege leer, die toch niet bestaat en daarom rustig gepredikt kan worden zonder meteen een predikant te zijn.

Passiviteit of activiteit, gelatenheid of verzet, zwijgzaamheid of spraakzaamheid, denken of mediteren, doen of laten, hechten of onthechten, het is de weetniet allemaal om het even. Mocht het hem onverwacht toch een keertje uitmaken dan is dát hem om het even, et cetera.

Niet weten is geen quïetisme.

Verder lezen: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten


Scepticisme

Methodische twijfel

Van het scepticisme bestaan talloze varianten, die lang niet allemaal een eigen naam hebben gekregen, die niet consequent toe te schrijven zijn aan individuen, scholen of werken uit de geschiedenis van de wijsbegeerte, en die niet eenduidig in te delen zijn, tenminste niet door mij.

Een kleine greep:

  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten en ook niet hoe je moet leven (radicaal scepticisme)
  • je kunt niets weten, ook niet dat je niets kunt weten maar wel hoe je moet leven (praktisch scepticisme van Pyrrho van Elis)
  • je kunt niets weten, behalve dat je niets kunt weet (dogmatisch scepticisme)
  • je kunt niets zeker weten maar wel met enige waarschijnlijkheid (probabilisme)
  • je kent alleen de associaties van het verstand (Hume)
  • je kunt alleen iets weten doorheen de categorieën van het verstand, (tijd, ruimte, oorzaak en getal; Kant)
  • je kunt alleen weten wat in de ervaring gegeven is (empirisch scepticisme van Sextus Empiricus; logisch positivisme van Carnap c.s.)
  • je kunt alleen bewustzijnsinhouden kennen (idealisme, Bacon)
  • je kunt alleen maar de inhoud van je eigen bewustzijn kennen (solipsisme)
  • je kunt alleen maar weten wat werkt (pragmatisme, Peirce)
  • je kunt alleen maar weten wat niet waar is (falsificationisme, Popper)
  • je kunt alleen maar iets weten voor jezelf (subjectivisme)
  • je kunt alleen maar weten wat in taal is uit te drukken (linguïstisch relativisme, Sapir-Whorf hypothese)
  • je kunt alleen iets weten binnen een gegeven context (contextualisme)
  • je kunt alleen iets weten binnen een vooringenomen denksysteem (postmodernisme)

Welk type scepticisme komt het dichtst bij niet weten? Geen enkel. Niet weten is ‘tja’ zeggen tegen ieder isme, dus ook tegen iedere vorm van scepticisme.
Niet omdat je het beter weet, maar omdat je het niet meer weet.

Wie niet weet is niet van mening dat je niets kunt weten, ook niet dat je toch iets kunt weten, en ook niet dat je zelfs niet kunt weten dat je niets kunt weten. Hij is niet van mening dat je zus moet leven of zo moet leven of geen uitspraken kunt doen over hoe je wel of niet moet leven. Hij is niet van mening dat je niets zeker kunt weten maar wel met enige waarschijnlijkheid; ook niet dat dat niet zo is. Hij is niet van mening dat je alleen de associaties van het verstand kent maar niet de werkelijkheid, gesteld dat er zoiets is, en ook niet dat je de werkelijkheid alleen kunt kennen doorheen de categorieën van het verstand, gesteld dat het verstand categorieën heeft die in de werkelijkheid niet zouden bestaan, enzovoort et cetera.

Niet weten is geen scepticisme.

Verder lezen: Wat is niet-weten?


Therapeutisch scepticisme

Rust vinden in de twijfel

Volgens een variant van de twijfelleer die tegenwoordig bekend staat als het therapeutisch scepticisme, is de hoofddoelstelling van de sceptische levenshouding ataraxie*, volstrekte gemoedsrust. De eerste westerse exponent van deze visie is voor zover bekend Pyrrho van Elis (360 – 275 voor Christus). Pyrrho meende dat ataraxie te bereiken is door in te zien dat wij niets kunnen weten, zodat oordelen geen zin meer heeft en het streven naar kennis en waarheid vanzelf tot rust komt.

Merkwaardig genoeg staat het therapeutisch scepticisme bol van ideeën die kennelijk zijn vrijgesteld van kritisch onderzoek.

Om te beginnen is er het weten dat wij niets kunnen weten en, voor gevorderden, dat wij zelfs dat niet kunnen weten.

Vervolgens is er het weten dat dit besef een voorspelbaar en wenselijk effect op onze gemoedstoestand zal hebben, namelijk sereniteit, en niet, bijvoorbeeld, depressiviteit, apathie, agitatie, wanhoop, alles door elkaar of helemaal niets, al dan niet afhankelijk van karakter, opvoeding en omstandigheden.

Ten derde is er het idee dat wij meester over ons lot zijn en ervoor kunnen kiezen ons diepgaand met het scepticisme bezig te houden teneinde tot het gewenste besef te komen.

Ten vierde is er het geloof in de suprematie van de rede, die ervoor zal zorgen dat wij onze huidige overtuigingen zonder meer overboord zullen zetten wanneer wij eenmaal kennis hebben genomen van de onweerlegbare argumenten van het therapeutisch scepticisme.

Dat dit soort gedachten voor sommige mensen therapeutisch werkt, wil ik best aannemen, al behoor ik zelf niet tot de gelukkigen. Maar wat er sceptisch aan is?

Niet weten is geen therapeutisch scepticisme.

Verder lezen: Lijden, is er een einde aan?


Trilemma van Agrippa

Zie het trilemma van Agrippa op de pagina Het regressieprobleem.


Utopie

Ideaalbeeld

Een ideaalbeeld van de wereld of van een staat heet een utopie [Grieks, eu-, goed of ou, niet, nergens + topia, plaats].

Een van de bekendste utopieën is de socialistische heilstaat Utopia van Thomas Moore (1516). De christelijke heilstaat is een staatsbestel op kerkelijke grond waarin iedere burger allereerst onderdaan van God is. Het Derde Rijk was een heilstaat op eugenetische grondslag. De boeddhistische heilstaat is die van een wereld zonder grenzen waarin het lijden is uitgebannen en iedereen verlicht is.

Een schrikbeeld van de wereld of van een staat heet een dystopie [Grieks, dus-, moeilijk, slecht]. Totalitaire dystopieën vinden we onder meer terug in Brave new world van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell.

Volgens sommigen is de huidige wereld al de ergst denkbare. Volgens anderen, zoals Gottfried Leibniz, is de huidige wereld, hoe erg ook, juist de beste van alle mogelijke werelden.

Wat voor de een een utopie is, is voor de ander een dystopie. Denk maar aan de socialistische heilstaat, de christelijke heilstaat en de boeddhistische heilstaat. Wat voor de een een dystopie is, is voor de ander een utopie. Denk maar aan het Derde Rijk, het Ottomaanse rijk, het Romeinse rijk.

Wie niet weet, zoals ik, houdt er geen vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, ideaalbeelden of schrikbeelden op na. Utopisme, dystopisme, activisme, neutralisme en fatalisme vinden in hem geen enkel houvast.

Ook niet-weten is voor de weetniet geen heilige graal. De wereld hoeft niet van haar weten bevrijd te worden, als dat al zou kunnen. Van mij in elk geval niet.

Mocht er toch een bevrijdingsbeweging ontstaan die streeft naar een algeheel niet-weten, dan hoeft de wereld niet van deze bevrijdingsbeweging bevrijd te worden. Van mij in elk geval niet.

Verder lezen: Denkbeeldenstorm!


Verlichtingsdenken

Vertrouwen op de rede

Wetenschappelijk verlichtingsdenken

In het postmodernisme (zie boven) wordt met de term ‘verlichtingsdenken’ verwezen naar het rationele denken dat karakteristiek is voor de Verlichting (circa 1650-1900) en gebaseerd is op een groot vertrouwen in de rede en de vooruitgang.

De ‘grote verhalen’ (Lyotard) van de twintigste eeuw, zoals het fascisme, de eugenetica, het socialisme en het communisme, gezamenlijk aangeduid als het modernisme, vertonen dezelfde kenmerken en worden daarom eveneens tot het verlichtingsdenken gerekend (maar natuurlijk niet tot de Verlichting).

Het postmodernisme wil niet alleen afrekenen met het modernisme maar met iedere vorm van rationalisme. Vandaar dat het postmodernisme ook wel antiverlichtingsdenken wordt genoemd, en antirationalisme, wat tussen haakjes niet hetzelfde is als irrationalisme.

Spiritueel verlichtingsdenken

De term ‘verlichtingsdenken’ is ook geschikt voor een ander type denken, namelijk het geloof in spirituele verlichting waarbij je ontwaakt tot – ja, tot wat eigenlijk?

Tot de waarheid, de weg, een principe, een alomtegenwoordigheid, een hogere werkelijkheid, wat dan ook.

Tot een schokvrije rotsbodem waarop we eindelijk zekerheid en veiligheid vinden, onder meer aangeduid als de realiteit, non-dualiteit, de waarheid, nirwana, de boeddhanatuur, gewaarzijn, het absolute, het hart, de bron, energie, essentie, het ene, god, brahman, tao, het leven, bewustzijn, openheid, het kennen, het koninkrijk der hemelen, en zo meer.

Evenals het filosofische verlichtingsdenken is het spirituele verlichtingsdenken optimistisch van aard en behoort het tot de grote verhalen – ook al zijn ze vaker antiek dan modern.

Anderzijds ziet het spirituele verlichtingsdenken (net als de Romantiek) de ratio (het verstand, het denken, de geest, het ego, de mind) eerder als hinderpaal dan als instrument tot bevrijding. Uitzonderingen zoals het Werk van Byron Katie en de autolyse van ‘Jed McKenna’ daargelaten.

Verduisteringsdenken

Het spirituele verlichtingsdenken kan afgezet worden tegen wat ik hier voor de duur van deze alinea mijn eigen verduisteringsdenken zal noemen. Daarin is sprake van een radicaal ongeloof in alle verhalen, groot en klein, inclusief het postmodernisme, inclusief het verhaal van het radicale ongeloof in alle verhalen, groot en klein. Niet uit keuze of overtuiging, maar als gegeven, en slechts voor zolang het duurt.

Hoewel dit ‘verduisteringsdenken’ nergens tegen gekant is, en we het dus ook geen antiverlichtingsdenken of antirationalisme kunnen noemen, zaagt het wel voortdurend aan de stoelpoten van het weten dat karakteristiek is voor zowel de verlichting als het modernisme en wat ik hierboven het spirituele verlichtingsdenken heb genoemd.

Verder lezen: Wat is verlichting? Het denken doorzien


Vinger naar de maan

Sinds jaar en dag waart door de wijsheidsliteratuur de metafoor van de meester die met zijn vinger naar de maan wijst terwijl de leerling alleen de vinger ziet. De maan staat hierbij voor een hogere, een transcendente werkelijkheid.

Niet weten is niet zo’n traditie, al was het maar omdat niet weten als zodanig nooit een traditie is geweest, maar slechts een ondergeschikt element van een aantal heel verschillende spirituele, religieuze en filosofische tradities.

Getuigen van niet weten is net zo lastig als je vinger laten zien aan iemand die denkt dat je ermee wijst. Ik kan het weten want ik heb al heel wat pogingen achter de rug.*

Toch is ook deze omgekeerde beeldspraak misleidend. Je zou in de aandachtsverschuiving naar de vinger een vermaning kunnen lezen om je te bepalen tot alleen-maar-dit of ik-ben-dat of het hier-en-nu of het eeuwige heden of het absolute of het ene of zo.

Helaas heb ik geen flauw-benul wat dat allemaal mag wezen. En heus niet uit onwil. Integendeel, misschien wilde ik wel te graag en ben ik er juist daardoor niet in geslaagd vast te stellen wat nou helemaal het verschil is tussen dit en dat, zijn en worden, hier en daar, ik en gij, toen en nu en straks, eeuwig en vergankelijk, gewoon en heilig, geenvoudig, eenvoudig, tweevoudig, niet-tweevoudig, meervoudig en veelvoudig, wezen en bijzaak, flauw en hartig, kul en benul, enzovoort.

Van de weeromstuit weet ik van voren niet meer dat ik van achteren leef, of was het nou andersom, en gebruik ik mijn vingers gewoon weer waar ze volgens de wet en de profeten en de regelen der kunst en Joost en Bartjens voor bedoeld zijn.

* Met dieren is het precies andersom. Of het nou honden, apen, geiten, eenden, vissen, papegaaien of kalfjes zijn, ze komen allemaal even aan mijn vinger ruiken, trekken, knabbelen, pikken, sabbelen of zuigen – en houden het dan voor gezien.

Lees ook: Meester Hans


X

Halfbegrippen

In de wiskunde wordt de letter X gebruikt om een onbekende grootheid aan te duiden. De Franse filosoof Jacques Derrida gebruikt dezelfde letter voor wat hij semi-begrippen of halfbegrippen noemt. Hiermee bedoelt hij met name postmoderne begrippen als differantie, deconstructie, hymen en parergon, die onzegbaar en ondefinieerbaar zouden zijn.

Halfbegrippen komen we ook tegen in de religie en de spiritualiteit, waar ze worden aangeduid met woorden en uitdrukkingen als god, tao, brahman, het ene, het absolute, het mysterie, dit, de bron, het eeuwige, het bewustzijn, boeddhanatuur en non-dualiteit.

Volgens de meeste spirituele tradities is de waarheid onuitsprekelijk en uitsluitend apofatisch (zie boven) te omschrijven, dat wil zeggen, negatief, ontkennenderwijs, als dit noch dat (neti neti).

Het onderscheid tussen begrippen en halfbegrippen wordt niet door iedereen onderschreven. Het nominalisme erkent alleen particularia en houdt universalia als ‘mens’, ‘levendbarend’ en ‘verandering’ voor betekenisloos.

Sommige boeddhistische scholen gaan nog een stapje verder en houden alle begrippen voor leeg, dat wil zeggen, zonder wezen of substantie. In deze visie heeft het onderscheid tussen halve en hele begrippen natuurlijk geen zin meer.

Ikzelf erken of ontken geen enkel onderscheid tussen soorten begrippen onderling en tussen (half)begrippen en aanverwante zaken zoals gevoelens, vermoedens, waarnemingen en handelingen.

Van mij mag ieder begrip X genoemd worden, waarmee ik niet wil beweren dat alle begrippen onzegbaar en ondefinieerbaar zijn, noch het tegendeel, noch iets ertussenin, noch iets anders.

Lees ook: Wat is non-dualiteit?


Zen

laat zich niet vangen

Wat is zen?

Het oorspronkelijke boeddhisme is een verlossingsleer, een weg waarlangs je kunt ontsnappen aan de eeuwige kringloop van wedergeboortes, aan samsara en de karmische wetten.

In het zenboeddhisme, zeker in de soto-traditie, is dit aspect van verlossing samen met de reïncarnatieleer wat op de achtergrond geraakt. Net als advaita en dzogchen is sotozen geen ingewikkelde verlossingsleer maar een eenvoudige realisatieleer.

Er is geen doel, dus ook geen weg. Er is niets om je van te verlossen en niemand om te verlossen. Je hoeft niets te doen of te laten of te worden. Realisatie is je realiseren dat er niets te realiseren valt. Inzicht is inzien dat er niets valt in te zien.

In zen is verlichting opluchting. Een tijdelijke opluchting heet in het Japans kensho, een opluchting waar geen eind aan komt satori.

Wat is zazen?

In zen is er geen weg en zen is geen weg. Daar zen hier is, kan je er net zo goed bij gaan zitten. Dit zitten heet in het Japans zazen.

Zazen dient geen hoger doel. Om toch iets te doen te hebben, maak je van het zitten een deugd. Zenmeditatie is niet bij de pakken neerzitten, maar schoonzitten. Liefst in de lotushouding, met geloken ogen en je tong tegen je verhemelte.

De eerste vijfentwintig jaar doet zazen zeer, en net als je eraan begint te wennen krijg je artrose, maar van de pijn blijf je wakker, een ander woord voor realisatie. Schoonzitten en verder niks heet in het Japans shikantaza.

Om de tijd te verdrijven, die anders wel erg langzaam gaat, mag je tijdens shikantaza je ademhalingen tellen. Niemand zal het je kwalijk nemen zolang je maar niet hardop telt.

Als je ondanks de pijn en het tellen van je adem in slaap blijft vallen, kan je beter rinzai-zen gaan doen. Dan krijg je raadseltjes op die in het Japans koan heten.

Koans hebben geen oplossing en dat is de oplossing, dus uiteindelijk komt het allemaal weer op shikantaza neer, maar dat besef je pas achteraf.

Mediterende zeeleeuw in Artis, oktober 2017. Dit vrouwtje zat/stond/hing in totaal vijfentwintig minuten op de bodem van het bassin, kleine belletjes blazend, waarbij ze elke drie minuten rechtstandig opsteeg om adem te halen en vervolgens weer rechtstandig afdaalde.

Van agnose naar gnosis

‘Koans hebben geen oplossing’, zei ik, ‘en dat is de oplossing’, maar dat is ook geen oplossing. Het is aan de zitter om aan geen-oplossing geen-gestalte te geven – kinderspel.

Helaas zijn er in de loop der tijd door excellente zenmeesters toch weer oplossingen en gestalten bedacht en vastgelegd in geheime antwoordboeken die in het geheim werden doorgegeven van zenvader op zenzoon, helemaal tot op de dag van vandaag, ach, ach. Agnose werd gnosis, vrijdenkerij vrijmetselarij, zen een malle molensteen der wijzen om menig priesterdwazennek. De strop van de lineage – geen religie zonder erfzonde.

Diezelfde excellente zenmeesters hebben in dezelfde grijpgeest ook stadia van verlichting bedacht, drie, vier, vijf, zeven, tien, zoveel je maar wilt. Hieruit moet blijken dat de bedenker zelf het hoogste stadium heeft bereikt, anders had hij het nooit kunnen bedenken. Zodoende is de bedenker automatisch geautoriseerd om ook bij anderen de graad van verlichting vast te stellen, en zal niemand Zijne Zennelijke Zitzak in dit leven nog van zijn zafu stoten.

Van iconoclasme tot instituut

Van alle boeddhistische scholen is zen een van de meest iconoclastische. Dat geldt in elk geval voor de oorspronkelijke Chinese variant, die ch’an of chan genoemd wordt, met als schoolvoorbeeld de boeddhadoder Linji Yixuan.

Chan was populair in China, tot het door de keizer in de ban werd gedaan. Vervolgens bloeide het op in het traditionalistische Japan, waar het door institutionalisering langs de hierboven geschetste lijnen razendsnel zijn oorspronkelijke frisheid verloor.

Niet-weten werd zeker weten, improvisatie werd ritueel, spontaniteit werd regel. Koans werden examens, zenleraren examinatoren, transmissie een diploma-uitreiking. De val in de vrijheid die zen heet, werd een krampachtige klimpartij naar de top van een honderd voet hoge bamboepaal, waar je je dertig meter dichter bij de maan waant dan alle anderen, om nooit meer los te laten.

Niet-weten, dat is pas zen

Een radicaal niet-weten, de naam zegt het al, weet als het erop aankomt geen onderscheid te maken tussen een verlossingsleer en een realisatieleer, niet tussen samsara en nirwana, niet tussen hinayana en mahayana, niet tussen meester en leerling, niet tussen vrijheid en gebondenheid, niet tussen de weg en het doel, niet tussen binnen en buiten, niet tussen vorm en leegte, niet tussen rinzai en soto, niet tussen het ene en het vele, niet tussen de persoon en het zelf, niet tussen de verlichte en de onverlichte, niet tussen mediteren en epibreren, niet tussen weten en niet-weten, niet tussen zen, zin en onzin.

In een radicaal niet-weten houdt geen enkel denkbeeld stand, ook niet het denkbeeld van een radicaal niet-weten waarin geen enkel denkbeeld standhoudt. Ook niet de karikatuur van zen die ik zojuist heb geschetst en die je wellicht met instemming of met stijgende verbazing of met groeiende verontwaardiging hebt gelezen.

Zen laat zich niet in woorden vangen.

Het leven ook niet.

Alles loslaten, dat is pas vangen.

Een streep zetten door je eigen praatjes, dat is pas niet-weten.

Niet-weten, dat is pas zen.

Weetnietzen – weg ermee.

Wegwerpzen, hoezee!

Deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad als ‘Zen laat zich niet vangen’.

Verder lezen: Wat is zen? Honderd definities


Zondeval

Het ideaal van onwetendheid

De boom van de kennis van goed en kwaad

Een van de oudste christelijke teksten die in verband kan worden gebracht met niet-weten staat in het boek Genesis van het Oude Testament. Hij gaat over Adam en Eva in het paradijs, die zich op een goede of kwade dag door een slang laten verleiden om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De slang stelt hen wijsheid in het vooruitzicht: hun ogen zullen worden geopend.

En inderdaad, na het eten van de verboden vruchten zijn hun ogen geopend. Adam en Eva zien elkaar aan en beseffen voor het eerst van hun leven dat ze naakt zijn. Hun schaamte bedekken ze met een vijgenblad en ze trekken zich terug in de bosjes. De kennis van goed en kwaad heeft voorgoed een einde gemaakt aan hun onschuld.

Onschuldig

Inmiddels is God woedend omdat Adam en Eva de enige verboden vrucht in de Hof van Eden niet konden laten hangen. In zijn ogen hebben ze iets verschrikkelijks gedaan, maar hoe moesten zij dat weten? Ze hadden immers nog niet gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad.

God wel. Die heeft die boom nota bene zelf geschapen en meteen na de eerste vruchtzetting zijn buikje rond gegeten. Voor hem was er al een verschil tussen verboden en toegestaan, tussen juist handelen en onjuist handelen, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, tussen moreel en immoreel, tussen goed en kwaad, maar Adam en Eva leefden op dat moment nog in zalige onwetendheid.

Ziehier in een notendop de Catch 22 van Genesis: om de zondeval te voorkomen moesten de eerste mensen eerst hun eerste zonde begaan, en toen was het al te laat.

Erfzonde

Gods oordeel is hard, zijn straf meedogenloos. Zonder pardon stuurt hij Adam en Eva het paradijs uit, en met hen de hele mensheid. Want hun zonde is niet zomaar een zonde. Het is een erfzonde, die samen met de kennis van goed en kwaad tot op de dag van vandaag van generatie op generatie wordt overgedragen. Nooit kan de erfzonde meer goedgemaakt worden. Eeuwig zal de mensheid lijden onder de misdaad van twee mensen die nog niets van misdadigheid wisten.

Zalig zijn de armen van geest

Interpreteren we dit antieke verhaal conform de tijdgeest in non-dualistische zin dan staat de boom van de kennis van goed en kwaad voor het maken van onderscheid, voor en het vellen van oordelen, voor afgescheidenheid. Het paradijs staat voor kinderlijke onschuld, zorgeloosheid, niet-oordelen, gewoon maar zijn en doen. De zaligheid van de armoede van geest.

Voor wie is eigenlijk het paradijs?

Een van de vele vragen over Genesis waarop ik geen antwoord heb, is deze: voor wie is nou eigenlijk het paradijs? Niet voor degene die weet van goed en kwaad. Die mag er niet in. Ook niet voor degene die geen weet heeft van goed en kwaad. Voor hem bestaat het paradijs niet, evenmin als de hel. Aan hem is het paradijs niet besteed; hij zou het verschil niet weten. Adam en Eva mogen er dan wel een blauwe maandag hebben gewoond, zodra ze het beseften lagen ze eruit. Sindsdien zijn alle dagen blauw.

Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad?

Volgens mij staat het goddelijke paradijs voor eeuwig leeg – is het althans nooit bewust bewoond geweest en zal het ook nooit bewust bewoond worden. Waar verblijft degene die niet weet van goed en kwaad dan wel? Hoe zullen we het eens noemen, dit non-paradijs waarin je niet langer meent het aangezicht van God te aanschouwen of Zijn eeuwigdurende straf te ondergaan of voorgeborgen te zijn of door een vuur gelouterd te worden; dit ergens noch nergens waarin je niet langer iemand of niemand meent te zijn en geen idee meer hebt wat je moet doen of laten of waar je aan toe bent of wat je er allemaal van moet vinden of zelfs maar wat het is om ergens geen idee van te hebben?

Niet de hemel natuurlijk.

Niet de hel.

Niet het voorgeborchte.

Niet het vagevuur.

Het vage dan maar?

Of zullen we gewoon tja zeggen als iemand ons vraagt waar we zijn?

Lees ook: Voorbij goed en kwaad; de ethiek van niet-weten